SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2025-2026 Zitting 2025-2026
________________
21 novembre 2025 21 november 2025
________________
Question écrite n° 8-349 Schriftelijke vraag nr. 8-349

de Özlem Özen (PS)

van Özlem Özen (PS)

au vice-premier ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargé de la Lutte contre la pauvreté

aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Armoedebestrijding
________________
Leucémies aiguës chez l'enfant - Facteur de risque potentiel - Polluants de l'air - Études françaises - Évaluation - Recueil des donnés belges - Mesures de protection des enfants - Concertation avec les entités fédérées - Rapport annuel éventuel Vormen van acute leukemie bij kinderen - Potentiële risicofactor - Luchtvervuilende stoffen - Franse studies - Evaluatie - Verzameling van Belgische gegevens - Maatregelen ter bescherming van kinderen - Overleg met de deelstaten - Eventueel jaarverslag 
________________
maladie du sang
substance cancérigène
cancer
polluant atmosphérique
bloedziekte
kankerverwekkende stof
kanker
luchtverontreinigende stof
________ ________
21/11/2025Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 25/12/2025)
21/11/2025Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 25/12/2025)
________ ________
Question n° 8-349 du 21 novembre 2025 : (Question posée en français) Vraag nr. 8-349 d.d. 21 november 2025 : (Vraag gesteld in het Frans)

En France, les travaux de chercheurs de l'Institut national de la santé et de la recherche médicale (Inserm), des universités Sorbonne Paris Nord, Paris Cité et de l'Institut national de recherche pour l'agriculture, l'alimentation et l'environnement (INRAE), avaient déjà montré par le passé que la proximité du lieu de résidence avec un grand axe routier lors du diagnostic était associée, en France, à un risque accru de développer dans l'enfance une leucémie aiguë, ces leucémies étant les cancers pédiatriques les plus fréquents.

L'Inserm tire aujourd'hui la sonnette d'alarme et va un cran plus loin: l'exposition à certains polluants de l'air au moment de la naissance pourrait constituer chez l'enfant un facteur de risque de leucémies aiguës. Cette affirmation a été faite par l'Institut à partir d'une étude récente qui démontre des associations significatives.

Si plusieurs facteurs de risque sont établis (tels que l'exposition à de fortes doses de radiations ionisantes, certains facteurs génétiques ou encore certaines chimiothérapies), le rôle de l'exposition périnatale – de la grossesse aux premiers mois du nourrisson – à certains facteurs environnementaux, comme les polluants de l'air, reste débattu.

La nouvelle étude, parue dans la revue «Environmental Health» (le 22 octobre 2025) va plus loin et cherche à évaluer le risque de leucémie aiguë (lymphoblastique ou myéloïde) selon l'exposition aux polluants de l'air sur le lieu de résidence à la naissance. Les chercheurs ont utilisé des données d'une étude («GEOCAP-Birth») fondée sur le registre national des cancers de l'enfant.

Les résultats confortent «l'hypothèse d'un rôle de l'exposition périnatale à la pollution de l'air dans la survenue de leucémie aiguë chez l'enfant», et «en particulier l'implication des particules fines PM2,5 dans la leucémie aiguë lymphoblastique».

Cette thématique devrait faire l'objet d'études approfondies dans notre pays.

Et dans ce cadre:

1) Le gouvernement fédéral dispose-t-il d'une évaluation de l'ensemble des études françaises récentes démontrant un lien entre l'exposition aux polluants atmosphériques liés au trafic routier et la survenue de leucémies aiguës chez l'enfant? Le cas échéant, quelles sont les conclusions de cette évaluation?

2) Le gouvernement fédéral dispose-t-il de données belges sur le sujet, avec des déclinaisons pour les Régions et Communautés? Si oui, quels sont les protocoles de surveillance choisis?

3) Dans quelle mesure le gouvernement fédéral, en concertation avec les entités fédérées, dispose-t-il d'une cartographie des zones résidentielles et d'établissements d'accueil (écoles, crèches, etc.) situés à proximité immédiate de grands axes routiers à forte densité de trafic? Le cas échéant, quelles sont les distances retenues comme seuils d'exposition potentielle (par exemple: moins de 150 m, moins de 500 m)?

4) Compte tenu de la nature transversale du problème (mobilité, aménagement, environnement, santé), le gouvernement entend-il mettre en place un plan national ou interrégional spécifique visant à protéger les enfants de l'exposition aux polluants du trafic routier? Si oui, quel est le calendrier? Quels sont les objectifs chiffrés (par exemple: réduction des PM 2,5 ou NO2? dans un périmètre autour des écoles, crèches, zones résidentielles)? Et avec quelle répartition des responsabilités entre les différents niveaux de pouvoir?

5) Enfin, le gouvernement pourrait-il s'engager à ce qu'un rapport annuel public soit publié, recensant les actions menées, les résultats obtenus (évolution des niveaux de pollution, cartographie des expositions, statistiques de santé associées) et les zones prioritaires à cibler pour les années suivantes?

Cette question exige une approche transversale impliquant tant le niveau fédéral que les entités fédérées (Régions et Communautés), car elle touche à la fois à la protection de la santé publique, à l'aménagement du territoire, à la mobilité, à la qualité de l'air et à l'environnement.

 

In Frankrijk hadden eerdere studies van onderzoekers van het Institut national de la santé et de la recherche médicale (Inserm), de universiteiten Sorbonne Paris Nord en Paris Cité en het Institut national de recherche pour l'agriculture, l'alimentation et l'environnement (INRAE) al aangetoond dat de nabijheid van de woonplaats bij een grote verkeersas op het moment van de diagnose, in Frankrijk gepaard ging met een verhoogd risico op de ontwikkeling in de kindertijd van een vorm van acute leukemie, het meest voorkomende type kanker bij kinderen.

Het Inserm luidt nu de alarmbel en gaat nog een stap verder: blootstelling aan bepaalde luchtvervuilende stoffen op het moment van de geboorte zou bij kinderen een risicofactor kunnen zijn voor vormen van acute leukemie. Dit heeft het Instituut verklaard op basis van een recente studie die significante verbanden aantoont.

Verschillende risicofactoren worden algemeen aanvaard (zoals blootstelling aan hoge doses ioniserende straling, bepaalde genetische factoren of bepaalde chemotherapieën). De impact van perinatale blootstelling – van de zwangerschap tot de eerste levensmaanden van het kind – aan bepaalde omgevingsfactoren, zoals luchtvervuilende stoffen, blijft echter omstreden.

De nieuwe studie, gepubliceerd in het tijdschrift «Environmental Health» (op 22 oktober 2025), gaat nog verder en probeert het risico op acute leukemie (lymfoblastisch of myeloïde) te beoordelen op basis van de blootstelling aan luchtvervuilende stoffen in de woonplaats bij de geboorte. De onderzoekers maakten gebruik van gegevens uit een studie («GEOCAP-Birth») die gebaseerd is op het nationale register van kinderkankers.

De resultaten ondersteunen «de hypothese dat perinatale blootstelling aan luchtvervuiling een rol speelt bij het ontstaan van acute leukemie bij kinderen», en «in het bijzonder de invloed van fijne deeltjes PM 2,5 bij acute lymfoblastische leukemie».

Dit thema zou in ons land grondig moeten worden onderzocht.

In dat verband stel ik u deze vragen:

1) Beschikt de federale regering over een evaluatie van alle recente Franse studies die een verband aantonen tussen blootstelling aan door het wegverkeer veroorzaakte luchtvervuilende stoffen en het ontstaan van acute leukemie bij kinderen? Zo ja, wat zijn de conclusies van die evaluatie?

2) Beschikt de federale regering over Belgische gegevens over dit onderwerp, uitgesplitst naar de Gewesten en Gemeenschappen? Zo ja, welke monitoringsprotocollen worden daarbij gebruikt?

3) Beschikt de federale regering, in overleg met de deelstaten, over kaarten van de woongebieden en opvangvoorzieningen (scholen, crèches, enz.) die zich in de onmiddellijke nabijheid bevinden van grote verkeersassen met een hoge verkeersdichtheid? Indien dat het geval is, welke afstandsdrempels worden dan gehanteerd voor mogelijke blootstelling (bijvoorbeeld: minder dan 150 m, minder dan 500 m)?

4) Is de regering, gezien de transversale aard van het probleem (mobiliteit, ruimtelijke ordening, leefmilieu, gezondheid), van plan een specifiek nationaal of interregionaal plan op te stellen om kinderen te beschermen tegen blootstelling aan door het verkeer veroorzaakte vervuilende stoffen? Zo ja, wat is het tijdschema? Wat zijn de kwantitatieve doelstellingen (bijvoorbeeld: vermindering van PM 2,5 of NO2 in een perimeter rond scholen, crèches, woongebieden)? En hoe worden de verantwoordelijkheden verdeeld tussen de verschillende beleidsniveaus?

5) Tot slot: kan de regering zich engageren om een openbaar jaarverslag te publiceren met de ondernomen acties, de behaalde resultaten (evolutie van de vervuilingsniveaus, in kaart gebrachte blootstellingen, bijbehorende gezondheidsstatistieken) en de prioritaire gebieden waarop de volgende jaren moet worden ingezet?

Deze vraag vereist een transversale aanpak waarbij zowel het federale niveau als de deelstaten (Gewesten en Gemeenschappen) betrokken zijn, aangezien ze zowel de bescherming van de volksgezondheid als de ruimtelijke ordening, de mobiliteit, de luchtkwaliteit en het leefmilieu betreft.