SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2021-2022 Zitting 2021-2022
________________
11 mai 2022 11 mei 2022
________________
Question écrite n° 7-1617 Schriftelijke vraag nr. 7-1617

de Latifa Gahouchi (PS)

van Latifa Gahouchi (PS)

au vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord

aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee
________________
Institut national des droits humains - Approche interfédérale - Accord de coopération - État d'avancement - Bureau de l'agent du gouvernement auprès de la Cour européenne des droits de l'homme - Coordination - Cadre du personnel - Statut A - Demande d'accréditation Nationaal mensenrechteninstituut - Interfederale benadering - Samenwerkingsovereenkomst - Stand van zaken - Functie van de agent van de regering bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens - Coördinatie - Personeelsformatie - A-status - Aanvraag tot accreditering 
________________
accord de coopération (Cadre institutionnel belge)
droits de l'homme
Cour européenne des droits de l'homme
samenwerkingsakkoord (Belgisch institutioneel kader)
rechten van de mens
Europees Hof voor de rechten van de mens
________ ________
11/5/2022Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 9/6/2022)
9/6/2022Antwoord
11/5/2022Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 9/6/2022)
9/6/2022Antwoord
________ ________
Question n° 7-1617 du 11 mai 2022 : (Question posée en français) Vraag nr. 7-1617 d.d. 11 mei 2022 : (Vraag gesteld in het Frans)

Conformément aux Principes de Paris approuvés en mars 1992 par la Commission des droits de l'homme des Nations unies et en 1993 par l'Assemblée générale de l'Organisation des Nations unies (ONU) dont les recommandation ont été acceptées par la Belgique, cette dernière s'est engagée à créer un Institut national des droits humains (INDH).

Cependant, en attendant la mise sur pied de cet institut (de statut A, c'est-à-dire en conformité avec les Principes de Paris), c'est Unia qui avait été désigné comme INDH (de statut B, c'est-à-dire en conformité partielle avec les Principes de Paris) par l'Alliance mondiale des institutions nationales des droits de l'homme (GANHRI – Global Alliance of National Human Rights Institutions) soutenue par les Nations unies.

Enfin, après de longues années d'attente, le gouvernement a concrétisé – par la loi du 12 mai 2019 portant création d'un Institut fédéral pour la protection et la promotion des droits humains – la création de l'INDH, ainsi que la Chambre des représentants en nommant, en juillet 2020, les membres du conseil d'administration de ce dernier.

Lors du troisième cycle de l'examen périodique universel relatif à notre pays en mai 2021, le Comité des droits de l'homme a demandé instamment à la Belgique «d'accélérer la mise en place de l'Institut fédéral pour la protection et la promotion des droits humains, en conformité avec les Principes de Paris, de lui donner un mandat global et de le doter de tous les moyens nécessaires lui permettant d'accomplir pleinement son mandat, y compris la possibilité de recevoir des plaintes. La Belgique devrait, en outre, encourager la négociation d'accords de coopération entre les autorités fédérales et les entités fédérées, afin d'accroitre la collaboration entre l'Institut fédéral et les institutions sectorielles, pour assurer une protection efficace».

L'INDH est aujourd'hui opérationnel et a élaboré son premier Plan stratégique pour les années 2022-2025.

L'IFDH a cependant actuellement exclusivement des compétences fédérales, ce qui signifie qu'il n'a pas le pouvoir d'assurer la protection des droits humains dans les matières relevant de la compétence des entités fédérées.

En tant qu'instance de contrôle global de la situation des droits fondamentaux en Belgique, l'INDH doit pouvoir contrôler le respect et la mise en œuvre des droits et libertés dans toutes les matières qui font l'objet de l'action publique, que celle-ci relève de l'État fédéral, des Régions ou des Communautés. Les droits fondamentaux constituent une matière transversale, qui touche aux compétences de toutes les entités du pays. Le dépôt de la question au Sénat est dès lors pleinement justifié.

À cet égard, l'accord de gouvernement du 20 septembre 2020 prévoit qu'«Un institut des droits humains performant doté d'un statut international A, sera constitué au cours de cette législature. Nous créerons un institut interfédéral des droits humains disposant d'une procédure de plainte» (p. 85 de l'accord de gouvernement).

Si l'INDH n'est à ce stade compétent qu'au niveau fédéral, l'accord de gouvernement envisage de lui confier une approche interfédérale et ce, via un accord de coopération entre les autorités fédérales et régionales.

C'est la raison pour laquelle un accord de coopération entre le fédéral et les entités fédérées devrait voir le jour. Où en est ce processus? Des contacts ont-ils eu lieu entre votre administration et celles de nos entités fédérées?

Nous ne pouvons évidemment que nous réjouir du fait que l'INDH disposera de son propre mécanisme de plainte, ce qui, rappelons-le, n'était pas envisagé initialement puisque pas obligatoire dans les Principes de Paris.

Actuellement, l'IFDH n'a aucun mandat pour traiter les plaintes individuelles.

Pouvez-vous développer davantage ce mécanisme de traitement des plaintes tel qu'il est prévu dans l'accord de gouvernement? À partir de quand sera-t-il possible de déposer plainte auprès de l'INDH?

Dans les missions à remplir, il est prévu que l'INDH puisse «intervenir dans l'exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de l'homme» (cf. le Plan annuel 2022 de l'INDH, partie «Relier le niveau international au niveau national», p. 5). Comment ce rôle va-t-il se combiner avec celui du Bureau de l'agent du gouvernement auprès de la Cour européenne des droits de l'homme dans la mesure où ce dernier est chargé de coordonner l'exécution des arrêts condamnant la Belgique?

En outre, le cadre du personnel de l'INDH est-il aujourd'hui au complet?

Enfin, après une année d'activités, quand estimez-vous que l'INDH pourrait introduire sa demande d'accréditation auprès du sous-comité d'accréditation (SCA) de la GANHRI des Nations unies afin de se voir accorder le statut A?

 

Conform de Principes van Parijs, die in maart 1992 zijn aangenomen door de Mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties (VN) en in 1993 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties, heeft België de daaraan gekoppelde aanbevelingen aanvaard en zich ertoe verbonden om een nationaal mensenrechteninstituut op te richten.

In afwachting van de oprichting van dit instituut (met een A-status, dus conform de Principes van Parijs) werd Unia door de Global Alliance of National Human Rights Institutions (GANHRI), een organisatie die door de VN wordt ondersteund, aangewezen als nationaal mensenrechteninstituut (met een B-status, dat wil zeggen gedeeltelijk in overeenstemming met de Principes van Parijs).

Na jarenlang wachten heeft de regering dan toch, met de wet van 12 juni 2019 tot oprichting van een Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens (FIRM) concreet gevolg gegeven aan dat engagement, en ook de Kamer van volksvertegenwoordigers deed dat, met de benoeming van de leden van de raad van bestuur van dat instituut in juli 2020.

Tijdens de derde cyclus van het Universeel Periodiek Onderzoek (UPR) van de VN voor ons land in mei 2021 heeft het Mensenrechtencomité ons land met aandrang gevraagd om sneller vooruitgang te boeken met dat Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens, overeenkomstig de Principes van Parijs, dat instituut een globale opdracht mee te geven, evenals alle nodige middelen om die opdracht naar behoren te vervullen, met inbegrip van de mogelijkheid om klachten in te dienen. België moest bovendien aansturen op het sluiten van samenwerkingsovereenkomsten tussen de federale overheid en de deelstaten zodat er beter kan worden samengewerkt tussen het federaal instituut en de sectororganisaties om een doeltreffende bescherming te waarborgen.

Het FIRM is nu operationeel en heeft een eerste strategisch plan uitgewerkt voor de periode 2022-2025.

Het FIRM heeft momenteel enkel federale bevoegdheden en dat betekent dat het niet gemachtigd is om de bescherming van de rechten van de mens te verzekeren in domeinen waarvoor de deelstaten bevoegd zijn.

Als globale controle-instantie voor de mensenrechtensituatie in België moet het FIRM de naleving en de uitoefening van rechten en vrijheden in alle domeinen van het overheidsoptreden kunnen nagaan, ongeacht of het om een bevoegdheid van de federale staat of van de gewesten of gemeenschappen gaat. Fundamentele rechten zijn een transversale aangelegenheid die verband houdt met alle bestuursniveaus van het land. Daarom is het gerechtvaardigd om hierover een vraag in te dienen in de Senaat.

Op pagina 85 van het regeerakkoord van 20 september 2020 staat te lezen: «Een performant mensenrechteninstituut met internationale A-status krijgt deze legislatuur vorm. We streven naar een interfederaal mensenrechteninstituut dat ook over een klachtenprocedure zal beschikken.»

Het FIRM is op dit ogenblik enkel nog maar actief op het federale niveau, maar het is wel de bedoeling dat het ook interfederaal zal kunnen optreden via een samenwerkingsakkoord tussen het federale niveau en de deelstaten.

Daarom moet nu zo'n samenwerkingsakkoord tussen het federale niveau en de deelstaten worden gesloten. Wat is de stand van zaken in dat verband? Werden er al contacten gelegd tussen uw administratie en die van de deelstaten?

We kunnen ons enkel verheugen over het feit dat het FIRM over een eigen klachtenprocedure zal beschikken, wat aanvankelijk niet voorzien was omdat het niet verplicht wordt door de Principes van Parijs.

Momenteel heeft het FIRM geen mandaat voor de behandeling van individuele klachten.

Kunt u deze klachtenprocedure verder ontwikkelen zoals ze in het regeerakkoord in het vooruitzicht wordt gesteld? Vanaf wanneer zal het mogelijk zijn om klacht in te dienen bij het FIRM?

Onder de opdrachten die het FIRM moet vervullen is er de mogelijkheid tot tussenkomst bij de tenuitvoerlegging van arresten van het EHRM (zie Jaarplan 2022 van het FIRM, onderdeel «Het internationale niveau aan het nationale niveau linken», p. 5). Hoe zal die rol worden gecombineerd met de functie van agent van de Belgische regering bij het Europees Hof voor de Rechten van de Mens aangezien die agent er mee belast is de uitvoering van arresten waarin België wordt veroordeeld te coördineren?

Is de personeelsformatie van het FIRM op vandaag volledig ingevuld?

Wanneer denkt u dat, na een jaar van inactiviteit, het FIRM zijn aanvraag tot accreditering bij het Subcommittee for Accreditation (SCA) van het GANHRI bij de VN zal indienen om een A-status te krijgen?

 
Réponse reçue le 9 juin 2022 : Antwoord ontvangen op 9 juni 2022 :

Comme vous l’avez souligné, le Parlement fédéral a adopté le 25 avril 2019 la loi portant création d’un Institut fédéral pour la protection et la promotion des droits humains (ci-après IFDH). Cette loi est entrée en vigueur le 1er juillet 2019. Le conseil d’administration a été nommé en juillet 2020 par la Chambre des représentants et les premiers membres du personnel ont commencé à travailler en février 2021. Depuis, l’IFDH dispose d’une équipe d’une petite dizaine de personnes.

La prochaine étape consistera en la mise en place d’une institution nationale des droits humains compétente pour l’ensemble des droits fondamentaux pour tout le territoire. Les préparatifs des négociations ont été finalisés au début du mois de mai 2022. L’organisation des premiers entretiens exploratoires est en cours. À l’heure actuelle, la forme que prendra cette future institution n’a pas encore été arrêtée et doit faire l’objet de négociations avec les entités fédérées.

Quant au droit de plainte, ce point devra également être abordé lors des négociations avec les entités fédérées. Je ne peux me prononcer sur le format qu’il aura. Je peux néanmoins vous indiquer qu’un droit de plainte existe déjà auprès de plusieurs organismes spécialisés (Unia, Myria, Conseil central de surveillance pénitentiaire, Comité P, Comité R, Autorité de protection des données, le Médiateur fédéral, etc.) et que l’Institut fédéral est déjà compétent pour informer les citoyens des mécanismes existants pour faire valoir leurs droits.

Quant à l’exécution des arrêts de la Cour européenne des droits de l’homme condamnant la Belgique, leur surveillance relève de la responsabilité du Comité des ministres. Celui-ci est informé ponctuellement par l’État, via des plans et bilans d’action, des mesures individuelles et générales prises pour exécuter l’arrêt; le rôle du Bureau de l’agent s’inscrit dans ce cadre. En vertu de la règle 9 du Règles du Comité des ministres pour la surveillance de l’exécution des arrêts et des termes des règlements amiables, d’autres organes (par exemple les organisations non gouvernementales ou les institutions nationales pour la promotion et la protection des droits humains) peuvent soumettre au Comité une communication concernant l’exécution d’un arrêt. Le secrétariat du Comité porte ensuite cette communication à la connaissance de l’État concerné, qui peut présenter une réponse. Le rôle de l’IFDH est donc différent mais complémentaire à celui des autorités nationales.

En ce qui concerne le cadre de personnel et la demande d’accréditation, l’IFDH est un institut indépendant sous le contrôle du Parlement. Je ne peux dès lors me prononcer sur ces points. Il vous appartient de vous adresser directement à l’IFDH, qui pourra vous renseigner.

Zoals u hebt onderstreept, heeft het Federaal Parlement op 25 april 2019 de wet tot oprichting van een Federaal Instituut voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens (hierna FIRM) goedgekeurd. Die wet is in werking getreden op 1 juli 2019. De raad van bestuur werd in juli 2020 benoemd door de Kamer van volksvertegenwoordigers en de eerste personeelsleden zijn aan de slag gegaan in februari 2021. Intussen beschikt het FIRM over een team van een klein tiental personen.

De volgende stap wordt de ontwikkeling van een nationaal mensenrechteninstituut dat bevoegd is over het geheel van fundamentele rechten voor het volledige grondgebied. Begin mei 2022 werd de laatste hand gelegd aan de voorbereidingen van de onderhandelingen. De eerste verkennende gesprekken hierover worden momenteel georganiseerd. De vorm die dat toekomstige instituut zal krijgen, ligt thans nog niet vast en moet worden besproken tijdens de onderhandelingen met de gefedereerde entiteiten.

Ook het klachtrecht moet worden besproken tijdens de onderhandelingen met de gefedereerde entiteiten. Ik kan dan ook geen uitspraken doen over de vorm die het zal krijgen. Ik kan er wel op wijzen dat er reeds een klachtrecht voorhanden is bij verschillende gespecialiseerde instellingen (Unia, Myria, Centrale Toezichtsraad voor het gevangeniswezen, Comité P, Comité I, Gegevensbeschermingsautoriteit, de Federale ombudsman, enz.) en dat het FIRM reeds bevoegd is om de burgers te informeren over de mechanismen die bestaan om hun rechten te doen gelden.

Voor het toezicht op de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Europees Hof voor de rechten van de mens waarin België werd veroordeeld, is het Comité van ministers verantwoordelijk. Dat Comité wordt – via actieplannen en actiebalansen – door de Staat gericht geïnformeerd over de individuele en algemene maatregelen die worden genomen om de uitspraak uit te voeren; de rol van het Bureau van de agent past in dat kader. Op grond van regel 9 van de Regels van het Comité van ministers inzake het toezicht op de tenuitvoerlegging van de uitspraken en de voorwaarden van minnelijke schikkingen, kunnen andere organen (bijvoorbeeld niet-gouvernementele organisaties of de nationale instellingen voor de bescherming en de bevordering van de rechten van de mens) aan het Comité een mededeling doen met betrekking tot de tenuitvoerlegging van een uitspraak. Het secretariaat van het Comité brengt die mededeling ter kennis van de betrokken Staat, die een antwoord kan indienen. De rol van het FIRM verschilt dus van de rol van de nationale autoriteiten en vormt een aanvulling daarop.

Met betrekking tot de personeelsformatie en de accreditatieaanvraag, kan ik u meedelen dat het FIRM een onafhankelijke instelling is die onder toezicht staat van het Parlement. Ik kan mij derhalve niet uitspreken over die punten. Het staat u uiteraard vrij om u rechtstreeks te richten tot het FIRM, dat u inlichtingen zal kunnen verstrekken.