| SÉNAT DE BELGIQUE | BELGISCHE SENAAT | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Session 2021-2022 | Zitting 2021-2022 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| 9 mars 2022 | 9 maart 2022 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question écrite n° 7-1505 | Schriftelijke vraag nr. 7-1505 | ||||||||
de Steven Coenegrachts (Open Vld) |
van Steven Coenegrachts (Open Vld) |
||||||||
au vice-premier ministre et ministre de la Justice et de la Mer du Nord |
aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Noordzee |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Code civil - Nouveau droit des biens - Distances de plantations - Branches surplombantes - Racines envahissantes - Domaine public - Champ d'application | Burgerlijk Wetboek - Nieuw goederenrecht - Afstanden van beplantingen - Overhangende takken - Doorschietende wortels - Openbaar domein - Toepassingsgebied | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| droit civil propriété des biens voie rurale aménagement du territoire protection de l'environnement forêt plantée plantation propriété publique |
burgerlijk recht eigendom van goederen landweg ruimtelijke ordening milieubescherming cultuurbos aanplant publiek eigendom |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
|
|
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question n° 7-1505 du 9 mars 2022 : (Question posée en néerlandais) | Vraag nr. 7-1505 d.d. 9 maart 2022 : (Vraag gesteld in het Nederlands) | ||||||||
Le nouveau droit des biens (Livre 3 «Les biens» du Code civil), qui est entré en vigueur le 1er septembre 2021, comprend de nouvelles règles concernant les distances minimales de plantations par rapport aux limites de parcelles, les branches et les racines envahissantes. La réglementation précédente fixée dans le Code rural a de ce fait été abrogée. Cette nouvelle réglementation s'appliquerait également au domaine public. Un certain nombre d'organisations de protection de la nature ont introduit un recours en annulation contre cette nouvelle réglementation auprès de la Cour constitutionnelle. Ce recours a toutefois été rejeté le 21 octobre 2021. À titre d'argumentation, lesdites organisations invoquaient une violation des règles répartitrices de compétences (cette réglementation porterait en effet atteinte à la compétence exclusive des Régions de gérer et organiser le domaine public sur leur territoire), l'absence de distinction selon que la limite de la parcelle se trouve entre deux parcelles privées ou qu'une de ces parcelles appartient au domaine public, et l'absence de régime transitoire, laquelle pourrait amener des voisins à procéder sur-le-champ à la coupe de branches envahissantes ou à exiger l'arrachage de plantations situées sur le domaine public qui ne respectent pas les règles de distances. La nouvelle réglementation laisse une certaine latitude au voisin en ce que celui-ci n'a plus à démontrer dans quelle mesure la présence de plantations est selon lui dérangeante. Si l'affectation publique de la parcelle n'est pas menacée et que la demande d'abattage ou d'élagage ne constitue pas un abus de droit, une action peut être introduite dès lors que les distances jusqu'à la limite de la parcelle ne sont pas respectées. Dans le cadre de la Convention des Maires et des objectifs d'adaptation climatique, certaines administrations publiques souhaitaient planter davantage d'arbres le long des chemins agricoles et des voies publiques. Mais, depuis que le nouveau droit des biens est entré en vigueur, ils reçoivent des signaux dissonants de la part d'agriculteurs, de citoyens et même de cabinets d'avocats, indiquant qu'il n'est plus possible désormais de réaliser de nouvelles plantations le long des chemins agricoles dont les accotements ont une largeur inférieure à deux mètres. Un certain nombre d'administrations publiques ont déjà planté des arbres sur des accotements de moins de deux mètres ou ont tout au moins l'intention de le faire. La Cour constitutionnelle a estimé aussi que l'affectation publique ne devait pas être mise en péril. En moyenne, un chemin agricole fait environ trois mètres de large alors qu'une moissonneuse-batteuse a une dimension de plus ou moins trois mètres et demi. Sur les accotements de moins de deux mètres, soit les arbres seront plantés très près de l'assiette de la voirie et gêneront la circulation des machines agricoles, soit ils seront plantés à la limite de la parcelle de l'agriculteur, si bien que celui-ci subira des nuisances, notamment en termes d'ombre portée. Selon la Cour, l'avenir dira quelle sera l'incidence de la réglementation modifiée. Caractère transversal de la question : la Cour constitutionnelle a précisé que l'autorité fédérale devait veiller à ne pas rendre impossible ou exagérément difficile l'exercice des compétences régionales. Les Régions ont toujours la possibilité d'adopter des dispositions spécifiques dérogeant aux règles de droit commun contenues dans le nouveau livre 3. Il s'agit donc d'une matière transversale qui relève d'une compétence partagée avec les Régions. Je souhaiterais poser les questions suivantes : 1) Quel regard le ministre porte-t-il sur les adaptations apportées à la réglementation concernant les distances minimales de plantations par rapport aux limites de parcelles et les branches et racines envahissantes ? Peut-il donner une estimation quant à l'incidence de la nouvelle réglementation à cet égard ? 2) A-t-il déjà reçu des signaux témoignant d'une certaine inquiétude concernant le nouveau droit des biens ? Dans l'affirmative, comment fera-t-il pour garantir une interprétation claire de la réglementation ? 3) Une administration publique peut-elle, en vertu de la nouvelle réglementation, planter des arbres sur les accotements de chemins agricoles d'une largeur inférieure à deux mètres ? Dans l'affirmative, le ministre ne considère-t-il pas que l'affectation publique s'en trouve menacée ? 4) Une concertation a-t-elle déjà eu lieu avec les collègues concernés du gouvernement flamand ? |
Het nieuw goederenrecht (boek III Goederen van het Burgerlijk Wetboek) dat op 1 september 2021 in werking trad omvat nieuwe regelingen omtrent de minimale afstanden van beplantingen ten aanzien van de perceelsgrenzen, overhangende takken en doorschietende wortels. De voorgaande regeling in het Veldwetboek werd daarmee opgeheven. Die nieuwe regeling zou eveneens van toepassing zijn op het openbaar domein. Een aantal natuurorganisaties stelde bij het Grondwettelijk Hof een beroep tot vernietiging in tegen deze nieuwe regelgeving. Dit beroep werd echter op 21 oktober 2021 verworpen. De argumentatie van de natuurorganisaties was gebaseerd op de schending van de bevoegdheidverdelende regels (omdat deze inwerkt op de gewestelijke bevoegdheid inzake de inrichting en het beheer van het openbaar domein), het ontbreken van een onderscheid naargelang de perceelsgrens zich bevindt tussen twee private percelen, dan wel één van die percelen tot het openbaar domein behoort en het ontbreken van een overgangsregeling. Met die laatste zouden buren onmiddellijk kunnen starten met snoeien van overhangende takken alsook de aanvraag tot rooiing van verkeerd op het openbaar domein geplaatste bomen. De nieuwe regelgeving zorgt voor flexibiliteit bij de private nabuur aangezien deze niet meer hoeft aan te tonen in welke mate hij of zij verhinderd wordt door aanplantingen. Indien de openbare bestemming van het perceel niet in het gedrang komt en het verzoek tot rooiing of snoeiing geen rechtsmisbruik uitmaakt, kan men een vordering instellen van zodra de afstanden tot de perceelgrens niet gerespecteerd werden. Voorheen wensten sommige openbare besturen in het kader van het burgemeestersconvenant en de klimaatadaptatie meer bomen te planten langsheen landbouwwegen en openbare wegen. Door het nieuwe wetboek Goederenrecht ontvangen zij nu dissonante signalen van zowel landbouwers, burgers en zelfs advocatenkantoren dat nieuwe aanplantingen langsheen landbouwwegen met bermen die kleiner zijn dan twee meter niet meer mogelijk zouden zijn. Een aantal openbare besturen hebben reeds bomen aangeplant op bermen die smaller zijn dan twee meter of hebben alleszins de intentie dat te doen. Het Grondwettelijk Hof oordeelde eveneens dat de openbare bestemming niet in het gedrang mag komen. Een doorsnee landbouwweg is ongeveer drie meter breed, een gemiddelde dorsmachine drie en een halve meter. Op bermen smaller dan twee meter zal men dan bomen aanplanten die heel dicht bij de wegbedding staan en het vlot verkeer van landbouwmachines hinderen, dan wel gaat men de bomen aanplanten tegen de perceelsgrens van de landbouwer, waardoor die op termijn slagschaduw en hinder zal ondervinden. Het Hof oordeelde dat de impact van de gewijzigde regelgeving zich in de toekomst zal moeten uitwijzen. Transversaal karakter van de vraag: het Grondwettelijk Hof stelde dat de federale overheid erover moet waken dat zij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. De Gewesten kunnen nog steeds specifieke bepalingen aannemen die afwijken van de algemene regeling voorzien in het nieuwe boek III. Het betreft dus een transversale aangelegenheid met de Gewesten. Ik heb hierover volgende vragen: 1) Hoe evalueert de geachte minister de aanpassingen van de regelgeving omtrent de minimale afstanden van beplantingen ten aanzien van de perceelsgrenzen en omtrent overhangende takken en doorschietende wortels? Kan hij een inschatting geven van de impact van de nieuwe regelgeving hierop? 2) Ontving hij reeds signalen met bezorgdheden omtrent het nieuwe goederenrecht? Zo ja, hoe zal hij voorzien in een duidelijke interpretatie van de regelgeving? 3) Kan een openbaar bestuur onder de nieuwe regelgeving bomen aanplanten op bermen langsheen landbouwwegen met een breedte van minder dan twee meter? Indien ja, komt de openbare bestemming volgens hem daarmee niet in het gedrang? 4) Werd hierover reeds overleg gepleegd met de betrokken collega's in de Vlaamse regering? |
||||||||
| Réponse reçue le 10 mai 2022 : | Antwoord ontvangen op 10 mei 2022 : | ||||||||
1) Dans son arrêt du 21 octobre 2021, la Cour constitutionnelle s’est prononcée sur l’incidence des articles 3.133 et 3.134 du Code civil en ce qui concerne les plantations sur le domaine public (voir notamment: Cour constitutionnelle, 21 octobre 2021, no 14/2021, B.26.1 et B.26.2). Il dit pour droit que les dispositions précitées ne peuvent s’appliquer aux plantations qui se trouvent sur un bien du domaine public que dans la mesure où cela n’interfère pas avec l’usage public de ce bien. Par ailleurs, la Cour a précédemment considéré que les voies publiques et leurs plantations sur le bas-côté de la route constituent une partie essentielle du milieu de vie, de rénovation rurale et de l’aménagement du territoire. Elles diffèrent par leur nature et destination des plantations sur une propriété privée (Cour constitutionnelle, 12 octobre 2017, no 115/2017, B.6). Par conséquent, s’agissant de la question de l’arrachage ou de l’élagage des plantations ou de la coupe de branches ou de racines, le juge devra toujours examiner si l’application des articles 3.133 et 3.134 du Code civil est compatible avec l’usage public du domaine public et, dans l’affirmative, exclure un éventuel abus de droit avant de l’accorder. Ce faisant, les fonctions que remplissent les plantations en général ne doivent pas être ignorées, y compris les intérêts environnementaux, la valeur paysagère et la valeur patrimoniale. La Cour souligne ainsi l’importance des considérations environnementales dans l’application des deux dispositions. 2) À la suite de l’entrée en vigueur du nouveau droit des biens, mon administration a recueilli un certain nombre d’inquiétudes à la fois d’associations et de villes concernant la portée des nouvelles dispositions des articles 3.133 et 3.134 du Code civil concernant les distances de plantations et les branches et racines envahissantes. Ces inquiétudes étant directement liées à la procédure pendante à l’époque devant la Cour constitutionnelle, j’ai dû m’abstenir de tout commentaire ou positionnement. Dans la réponse à la question précédente, il a déjà été fait référence à l’interprétation que la Cour a donnée aux deux dispositions dans laquelle les intérêts environnementaux et des espaces verts publics sont soulignés. Le juge est donc clairement informé de son pouvoir discrétionnaire factuel en vertu des articles 3.133 et 3.134 du Code civil. 3) Ici aussi, on peut se référer à l’interprétation des dispositions concernées, telle qu’adoptée récemment par la Cour constitutionnelle. La Cour a estimé que les articles 3.133 et 3.134 du Code civil ne peuvent être appliqués qu’aux plantations qui se trouvent sur un bien du domaine public, dans la mesure où la destination publique de ce bien n’y fait pas obstacle. Lors de l’appréciation de cette exigence, il convient en outre de tenir compte du fait que la présence de plantations est dans de nombreux cas essentielle à la réalisation de la destination publique d’un bien du domaine public. Si l’application des dispositions précitées n’est pas incompatible avec la destination publique du bien du domaine public, le juge devra toujours, lorsque l’élagage ou l’arrachage de plantations ou la coupe de branches ou racines seront réclamés, vérifier si cette exigence constitue un abus de droit, compte tenu de «toutes les circonstances de la cause, y compris de l’intérêt général». Auparavant, la Cour avait déjà estimé que «Les voies publiques et leurs plantations de protection des talus diffèrent, quant à leur nature et leur affectation, des plantations se trouvant sur les propriétés privées. Les voies publiques et leurs équipements ne sont pas seulement destinés à la circulation et au transport de chacun; ils font en outre partie intégrante de l’environnement, du paysage et de l’aménagement du territoire» (Cour constitutionnelle, 12 octobre 2017, no 115/2017). C’est la nature particulière et la destination des plantations à côté des voies publiques qui non sans justification raisonnable font que le régime de droit commun en matière de distances de plantations n’est pas considéré comme généralement applicable aux voies publiques et à leur équipement. 4) L’interprétation de la Cour constitutionnelle a précisé le champ d’application des articles 3.133 et 3.134 du Code civil concernant les plantations du domaine public. Les juges de fond disposent ainsi d’un cadre clair pour interpréter la notion de domaine public au regard de la destination des plantations (voir notamment : Cour constitutionnelle, 21 octobre 2021, no 14/2021, B.26.1 et B.26.2). L’intérêt public, y compris l’environnement, la rénovation rurale et l’aménagement du territoire, est essentiel dans l’évaluation de la destination publique des voies publiques et des plantations sur le bas-côté de la route. C’est à présent au pouvoir judiciaire d’interpréter ces dispositions sur la base de l’arrêt de la Cour constitutionnelle, raison pour laquelle aucune entrevue n’est prévue avec la Région flamande. Je reste néanmoins disponible si une telle entrevue est sollicitée. |
1) Het Grondwettelijk Hof heeft zich in haar arrest van 21 oktober 2021 uitgesproken over de impact van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de beplantingen die zich bevinden op openbare domeingoederen (zie in het bijzonder: Grondwettelijk Hof, 21 oktober 2021, nr. 148/2021, B.26.1 en B.26.2). Het zegt voor recht dat voornoemde bepalingen enkel kunnen worden toegepast op de beplantingen die zich bevinden op een openbaar domeingoed voor zover zulks de openbare bestemming van dat goed niet in de weg staat. Voorts heeft het Hof eerder overwogen dat openbare wegen en hun bermbeplantingen een wezenlijk onderdeel uitmaken van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening. Zij verschillen door hun aard en bestemming van de beplantingen op private eigendommen ( Grondwettelijk Hof, 12 oktober 2017, nr. 115/2017, B.6). Als gevolg zal de rechter bij de vraag tot rooiing of snoeiing van beplantingen of het wegsnijden van takken of wortels, steeds moeten onderzoeken of de toepassing van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek verenigbaar is met de openbare bestemming van het openbaar domeingoed en, in bevestigend geval, een mogelijk rechtsmisbruik moeten uitsluiten alvorens dit toe te kennen. Daarbij mag niet voorbij worden gegaan aan de functies die beplantingen vervullen in het algemeen, waaronder de belangen van het leefmilieu, de landschappelijke waarde en de erfgoedwaarde. Het Hof benadrukt aldus het belang van milieuoverwegingen in de toepassing van beide bepalingen. 2) Naar aanleiding van de inwerkintreding van het nieuwe goederenrecht ontving mijn administratie een aantal bezorgdheden van zowel verenigingen als steden betreffende de draagwijdte van de nieuwe bepalingen 3.133 en 3.134 Burgerlijk Wetboek inzake afstanden van beplantingen en overhangende takken en wortels. Aangezien deze bezorgdheden rechtstreeks samenhingen met de toen hangende procedure voor het Grondwettelijk Hof, diende ik mij op dat moment te onthouden van enige commentaar of positionering. In antwoord op voorgaande vraag, is reeds verwezen naar de interpretatie die het Hof aan beide bepalingen heeft gegeven waarin de belangen van het leefmilieu en openbaar groen worden onderlijnt. De rechter wordt aldus duidelijk geïnstrueerd in zijn feitelijke beoordelingsvrijheid bij de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek. 3) Ook hier kan worden verwezen naar de interpretatie van de betrokken bepalingen, zoals onlangs door het Grondwettelijk Hof is vastgesteld. Het Hof heeft geoordeeld dat de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek enkel kunnen worden toegepast op beplantingen die zich bevinden op een openbaar domeingoed, voor zover zulks de openbare bestemming van dat goed niet in de weg staat. Bij de beoordeling van dit vereiste moet bovendien rekening gehouden worden met het feit dat de aanwezigheid van beplantingen in veel gevallen essentieel is voor de verwezenlijking van de openbare bestemming van een openbaar domeingoed. Indien de toepassing van voornoemde bepalingen niet onverenigbaar is met de openbare bestemming van het openbaar domeingoed, zal de rechter, wanneer de snoeiing of rooiing van beplantingen of het wegsnijden van takken of wortels wordt gevraagd, nog steeds moeten nagaan of er sprake is van rechtsmisbruik, waarbij rekening dient te worden gehouden met «alle omstandigheden van het geval, met inbegrip van het algemeen belang». Eerder oordeelde het Hof reeds dat «De openbare wegen en hun bermbeplantingen verschillen door hun aard en bestemming van de beplantingen op private eigendommen. De openbare wegen en hun uitrusting zijn niet alleen bestemd voor het verkeer en vervoer van eenieder; zij maken daarnaast een wezenlijk onderdeel uit van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening» ( Grondwettelijk Hof, 12 oktober 2017, nr. 115/2017). Het is de bijzondere aard en bestemming van beplantingen naast openbare wegen die het niet zonder redelijke verantwoording maakt dat de gemeenrechtelijke regeling inzake de afstand voor beplanting niet op algemene wijze toepasselijk wordt geacht op de openbare wegen en hun uitrusting. 4) De interpretatie van het Grondwettelijk Hof heeft duidelijkheid verschaft over het toepassingsgebied van de artikelen 3.133 en 3.134 van het Burgerlijk Wetboek aangaande de beplantingen op het openbaar domein (zie in het bijzonder: Grondwettelijk Hof, 21 oktober 2021, nr. 148/2021, B.26.1 en B.26.2). De feitenrechters beschikken aldus over een duidelijk kader om het begrip openbaar domein te interpreteren in het licht van de bestemming van de beplantingen. Essentieel in de beoordeling van de openbare bestemming van openbare wegen en bermbeplantingen is het algemeen belang, met inbegrip van het leefmilieu, de landinrichting en de ruimtelijke ordening. Het is nu aan de rechterlijke macht om de bepalingen te interpreteren op basis van het arrest van het Grondwettelijk Hof, wat de reden is dat geen overleg is voorzien met het Vlaams Gewest. Ik blijf echter beschikbaar indien om een dergelijk overleg wordt verzocht. |