SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2010-2011 Zitting 2010-2011
________________
8 septembre 2011 8 september 2011
________________
Question écrite n° 5-3050 Schriftelijke vraag nr. 5-3050

de Guido De Padt (Open Vld)

van Guido De Padt (Open Vld)

au secrétaire d'État à l'Intégration sociale et à la Lutte contre la pauvreté, adjoint à la ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de l'Intégration sociale

aan de staatssecretaris voor Maatschappelijke Integratie en Armoedebestrijding, toegevoegd aan de Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Maatschappelijke Integratie
________________
Intégration sociale - Revenu d'intégration - Centre public d'action sociale (CPAS) - Enquête sociale concernant les biens immobiliers situés à l'étranger Maatschappelijke integratie - Leefloon - Openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) - Sociaal onderzoek naar de in buitenland gelegen bestaansmiddelen 
________________
intégration sociale
revenu minimal d'existence
CPAS
enquête sociale
fraude
propriété immobilière
sociale integratie
minimumbestaansinkomen
OCMW
sociaal onderzoek
fraude
onroerend eigendom
________ ________
8/9/2011 Verzending vraag
7/12/2011 Dossier gesloten
8/9/2011 Verzending vraag
7/12/2011 Dossier gesloten
________ ________
Réintroduite comme : question écrite 5-4072 Réintroduite comme : question écrite 5-4072
________ ________
Question n° 5-3050 du 8 septembre 2011 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 5-3050 d.d. 8 september 2011 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

En vertu de l'article 2 de la loi du 31 juillet 2002 concernant le droit à l'intégration sociale, toute personne ayant sa résidence effective en Belgique a droit à l'intégration sociale. Ce droit peut prendre la forme d'un emploi et/ou d'un revenu d'intégration, assortis ou non d'un projet individualisé d'intégration sociale. Pour pouvoir bénéficier de ce droit, l'intéressé doit répondre à six conditions cumulatives, dont le manque de ressources suffisantes. Un(e) travailleur(euse) social(e) du Centre public d'action sociale (CPAS) procède à une enquête sociale pour vérifier si cette condition est remplie. Il/elle peut, avec l'accord du demandeur, recueillir des renseignements auprès des organismes financiers, des institutions de sécurité sociale et des administrations publiques, notamment auprès des fonctionnaires du Service de mécanographie de l'Administration des Contributions directes et du receveur de l'Enregistrement et des Domaines. Si l'information concernant les biens immobiliers du demandeur ne peut être obtenue auprès de l'administration publique belge, l'intéressé doit fournir lui-même une attestation officielle concernant son patrimoine immobilier. Le CPAS ne peut donc procéder d'office à une enquête concernant les biens immobiliers du demandeur situés à l'étranger. Certains auront dès lors tendance à établir de fausses déclarations concernant leurs ressources pour ainsi pouvoir bénéficier d'un revenu d'intégration (plus élevé).

J'aimerais obtenir une réponse aux questions suivantes :

1) Le secrétaire d'État dispose-t-il de chiffres concernant le nombre de bénéficiaires du revenu d'intégration dont, en 2008, 2009, 2010 et durant le premier semestre 2011, le revenu d'intégration a été suspendu partiellement ou totalement parce qu'ils ont omis de déclarer des ressources dont ils connaissent l'existence ou parce qu'ils ont fait des déclarations inexactes ou incomplètes ayant une incidence sur le montant du revenu d'intégration (article 30, § 1er de la loi du 31 juillet 2002 concernant le droit à l'intégration sociale) ? Dans combien de cas l'intention était-elle frauduleuse ? Quelles ressources ont-elles principalement été dissimulées ?

2) Dispose-t-il de chiffres concernant le nombre de bénéficiaires du revenu d'intégration qui, en 2008, 2009, 2010 et durant le premier semestre 2011, ont été punis d'un emprisonnement de prison de huit jours à un mois et/ou d'une amende de 26 à 500 euros pour dissimulation frauduleuse de ressources dont l'intéressé connaît l'existence, pour déclaration inexacte ou incomplète ayant une incidence sur le montant du revenu d'intégration, ou pour établissement d'une fausse attestation dans l'intention de bénéficier d'un revenu d'intégration auquel il n'a pas droit (article 31 de la loi du 31 juillet 2002 concernant le droit à l'intégration sociale) ? Quelles ressources ont-elles principalement été dissimulées à des fins frauduleuses ?

3) Étant donné le nombre croissant de non-Belges parmi les bénéficiaires du revenu d'intégration sociale, approuve-t-il l'idée de permettre au centre public d'action sociale d'effectuer des recherches concernant les ressources du demandeur situées à l'étranger ?

 

Luidens artikel 2 van de wet van 31 juli 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie heeft elke persoon met een werkelijke verblijfplaats in België recht op maatschappelijke integratie. Dit recht kan bestaan uit een tewerkstelling en / of een leefloon, die al dan niet gepaard gaan met een geïndividualiseerd project voor maatschappelijke integratie. Om van dit recht te genieten moet de persoon aan zes cumulatieve voorwaarden voldoen, waaronder een gebrek aan toereikende bestaansmiddelen. Een maatschappelijk werk(st)er van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn (OCMW) gaat aan de hand van een sociaal onderzoek na of aan deze voorwaarde is voldaan. Hij / zij mag, mits toestemming van de aanvrager, hiervoor inlichtingen inwinnen bij financiële instellingen, instellingen van Sociale Zekerheid en bij de openbare besturen, en onder meer, bij de ambtenaren van de Mechanografische Dienst van de administratie der Directe Belastingen en bij de ontvanger der Registratie en Domeinen. Indien de informatie over de onroerende goederen van de hulpaanvrager niet kan worden bekomen bij de Belgische openbare administratie, moet de betrokkene zelf een officieel attest betreffende zijn onroerend vermogen bezorgen. Het OCMW kan dus niet ambtshalve onderzoek voeren naar de in buitenland gelegen onroerende goederen van de hulpaanvrager. Enkelingen zullen hierdoor geneigd zijn om onjuiste verklaringen af te leggen inzake hun bestaansmiddelen om zodoende van een (hoger) leefloon te kunnen genieten.

Graag kreeg ik een antwoord op de volgende vragen:

1) Beschikt de geachte staatssecretaris over cijfergegevens betreffende het aantal leefloongerechtigden die in 2008, 2009, 2010 en de eerste helft van 2011 hun leefloon geheel of gedeeltelijk zagen opgeschort wegens verzuim van de betrokkene om bestaansmiddelen aan te geven waarvan hij het bestaan kent, of wegens het afleggen van onjuiste of onvolledige verklaringen die het bedrag van het leefloon beïnvloeden (artikel 30, § 1 van de wet van 31 juli 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie)? In hoeveel gevallen was er sprake van bedrieglijke opzet? Welke bestaansmiddelen werden voornamelijk achtergehouden?

2) Beschikt hij over cijfergegevens betreffende het aantal leefloongerechtigden die in 2008, 2009, 2010 en de eerste helft van 2011 bestraft werden met een gevangenisstraf van acht dagen tot een maand en / of een geldboete van zesentwintig tot vijf honderd euro wegens bedrieglijk verzuim van de betrokkene om bestaansmiddelen aan te geven waarvan hij het bestaan kent, wegens het bedrieglijk afleggen van onjuiste of onvolledige verklaringen die het bedrag van het leefloon beïnvloeden, of wegens het opmaken van valse attesten met de bedoeling om van een leefloon te genieten terwijl hij daar geen recht op heeft (artikel 31 van de wet van 31 juli 2002 betreffende het recht op maatschappelijke integratie)? Welke bestaansmiddelen werden voornamelijk met bedrieglijke opzet achtergehouden?

3) Deelt hij de mening dat gezien het stijgend aandeel van niet-Belgen in het aantal leefloongerechtigden het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn over de mogelijkheid moet beschikken om de in buitenland gelegen bestaansmiddelen van de hulpaanvrager op te sporen?