| SÉNAT DE BELGIQUE | BELGISCHE SENAAT | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Session 2013-2014 | Zitting 2013-2014 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| 13 février 2014 | 13 februari 2014 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question écrite n° 5-11119 | Schriftelijke vraag nr. 5-11119 | ||||||||
de Bert Anciaux (sp.a) |
van Bert Anciaux (sp.a) |
||||||||
au premier ministre |
aan de eerste minister |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Marchés publics - Cadre légal - Exclusion de firmes coupables de violations des droits de l'homme | Overheidsopdrachten - Wettelijk kader - Uitsluiten van firma's die schendingen van de mensenrechten begaan | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| contrat public droits de l'homme marché public |
overheidscontract rechten van de mens overheidsopdrachten |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
|
|
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question n° 5-11119 du 13 février 2014 : (Question posée en néerlandais) | Vraag nr. 5-11119 d.d. 13 februari 2014 : (Vraag gesteld in het Nederlands) | ||||||||
Dans sa réponse, le ministre des Affaires étrangères me suggère de soumettre cette question (n° 5-10880) au Service des Marchés Publics du Service public fédéral (SPF) Chancellerie du Premier Ministre. Depuis le 1er juillet 2013, une nouvelle réglementation est en vigueur en matière de marché publics ; une transposition de la directive européenne 2004/18 applicable à tous les marchés publics attribués après cette date. Quelles possibilités les autorités ont-elles d'exclure certaines sociétés de la compétition pour violation des droits de l'homme ? Il existe quelques critères légaux, notamment des éléments qui jouent un grand rôle dans l'évaluation qualitative de concurrents, à savoir : a) qualifier la violation des droits de l'homme de « faute grave en matière professionnelle » ; b) comment agir à l'égard des sociétés qui se scindent en différentes personnes morales pour échapper à un jugement prononcé ailleurs. Ces critères et possibilités ont été élaborés par le Centre des droits de l'homme de l'Université de Gand. La réglementation relative aux marchés publics permet d'exclure des sociétés à chaque phase de l'attribution sur la base d'une faute grave en matière professionnelle (art. 17, § 2, 4°, de l'ancien AR et Art. 16, § 2, 4°, du nouvel AR). Cette faute doit bien entendu être valablement présumée. La Cour européenne de Justice a décidé dans l'arrêt du 13 décembre 2012 (Forposta&ABC Direct Contact v. Poczta Polska) de définir la « faute grave en matière professionnelle » comme suit : « ...tout comportement fautif qui a une incidence sur la crédibilité professionnelle de l'opérateur en cause ». La Cour européenne définit la « faute grave » comme un « comportement de l'opérateur économique en cause qui dénote une intention fautive ou une négligence d'une certaine gravité de sa part ». La constatation de l'existence d'une faute grave nécessite que soit effectuée une appréciation concrète et individuelle du comportement de l'opérateur en question. Une autorité peut-elle exclure un concurrent du jeu de la compétition aux conditions susmentionnées ? Pour éviter une éventuelle exclusion en raison du point précédent, les sociétés peuvent par exemple se subdiviser en personnes morales par pays. Selon le Centre des droits de l'homme de l'Université de Gand, ce n'est toutefois pas aussi simple. Une société qui appartient à une plus vaste « unité technique d'exploitation », en tant qu'élément d'un seul groupe économique peut être considérée par une autorité comme faisant partie d'un seul groupe de sociétés. La directive 2004/18 concernant les marchés publics définit en outre la notion d'entrepreneur par « toute personne physique ou morale ou entité publique ou groupement de ces personnes et/ou organismes qui offre, respectivement, la réalisation de travaux et/ou d'ouvrages, des produits ou des services sur le marché ». Des personnes morales nationales peuvent faire appel à l'expertise du « groupe ». Il existe un précédent en la matière au Royaume-Uni (Londres, Swansea, Edimbourg, Portsmouth, Richmond et West Midlands contre le groupe français Veolia). Certains groupes peuvent, indépendamment de diverses personnes morales nationales, se présenter comme un groupe collectif. Le droit belge et le droit européen permettent-ils aux entreprises ayant un statut de personne morale belge d'être liées à un groupe international plus vaste, par exemple sur la base d'un compte annuel consolidé, l'influence et la prestation réciproque de services, la communication collective et publique ? Je puis, le cas échéant, transmettre des informations supplémentaires au ministre. |
De minister van Buitenlandse Zaken verwees deze vraag (5-10880) in zijn antwoord door naar de Dienst Overheidsopdrachten van de Federale Overheidsdienst (FOD) Kanselarij van de Eerste Minister. Sinds 1 juli 2013 geldt een nieuwe regelgeving inzake overheidsopdrachten; een omzetting van de Europese Richtlijn nr. 2004/18 die van toepassing is op alle overheidsopdrachten gegund na die datum. Welke mogelijkheden hebben overheden om bepaalde bedrijven van mededinging uit te sluiten omwille van schending van de mensenrechten? Er zijn een aantal wettelijke mogelijkheden ter toetsing, namelijk bepaalde elementen die bij een kwalitatieve afweging van mededingers een belangrijke rol kunnen spelen, zoals : a) het kwalificeren van de schending van de mensenrechten als een "ernstige fout bij de beroepsuitoefening"; b) hoe omgaan met bedrijven die zich in verschillende rechtspersonen opsplitsen om aan een elders opgelopen veroordeling te ontsnappen. Deze verkenningen en mogelijkheden werden uitgewerkt door het Centrum voor Mensenrechten van de Universiteit Gent. De regelgeving inzake overheidsopdrachten laat toe bedrijven in elke fase van de gunning uit te sluiten op basis van een ernstige fout bij de beroepsuitoefening (Art. 17, §2, 4° van het oude KB en Art. 16, §2, 4° van het nieuwe KB). Die fout moet uiteraard aannemelijk worden gemaakt. Het Europees Hof van Justitie besliste in het arrest van 13 december 2012 (Forposta&ABC Direct Contact v. Poczta Polska) om "fout bij beroepsuitoefening" te definiëren als volgt: "...elk onrechtmatig gedrag omvat dat invloed heeft op de professionele geloofwaardigheid van de betrokken marktdeelnemer". Het Europees Hof stelt bij "ernstige fout": als "gedrag van de betrokken marktdeelnemer dat wijst op kwaad opzet of nalatigheid van een zekere ernst van deze marktdeelnemer". Dit principe kan maar gelden als ernstige fout indien het gedrag van de betrokken marktspeler in concreto en individueel wordt beoordeeld. Kan een overheid onder de hierboven vermelde voorwaarden een mededinger uitsluiten van mededinging? Om een mogelijke uitsluiting omwille van vorig punt te ontwijken, kunnen bedrijven zich bijvoorbeeld opsplitsen in rechtspersonen per land. Het Centrum voor Mensenrechten van de Universiteit Gent stelt echter dat dit niet zomaar kan. Een bedrijf dat deel uitmaakt van een ruimere "technische bedrijfseenheid", als entiteit binnen één economische groep, kan door een overheid worden beschouwd als behorend tot één vennootschapsgroep. Daarnaast definieert de richtlijn nr. 2004/18 aangaande overheidsopdrachten het begrip "aannemer" als: "elke natuurlijke of rechtspersoon of elk openbaar bestuur of elke combinatie van deze personen en/of lichamen die respectievelijk de uitvoering van werken en/of werkzaamheden van producten of diensten op de markt aanbiedt". Daarbij kunnen nationale rechtspersonen beroep doen op de expertise van de "groep" . Hieromtrent bestaat een precedent in het Verenigd Koninkrijk (Londen, Swansea, Edinburgh, Portsmouth, Richmond en West Midlands versus de Franse groep Veolia). Sommige groepen kunnen zichzelf, ongeacht diverse nationale rechtspersonen, als een gezamenlijke groep presenteren. Laten het Belgisch en het Europees recht toe ondernemingen met een Belgische rechtspersoon te linken aan een ruimere internationale groep, bijvoorbeeld op basis van een geconsolideerde jaarrekening, de beïnvloeding en onderlinge dienstverlening, de gezamenlijke en publieke communicatie ? Indien nodig kan ik de minister meer informatie bezorgen. |
||||||||
| Réponse reçue le 8 avril 2014 : | Antwoord ontvangen op 8 april 2014 : | ||||||||
1. Les candidats et les soumissionnaires ayant commis des violations des droits de l’homme peuvent, en application de l’article 61, § 2, 4°, de l’arrêté royal du 15 juillet 2011 relatif à la passation des marchés publics dans les secteurs classiques, être exclus, à chaque stade que ce soit de la procédure de passation, pour cause de faute grave en matière professionnelle, pour autant que cette cause d’exclusion facultative soit rendue applicable dans les documents du marché. La notion de faute en matière professionnelle a effectivement été précisée par la Cour de Justice dans son arrêt du 13 décembre 2012 (Affaire C-465/11, Forposta SA e.a. contre Poczta Polska SA). Selon cet arrêt, la notion de faute en matière professionnelle couvre « tout comportement fautif qui a une incidence sur la crédibilité professionnelle de l’opérateur en cause ». Le fait de commettre des violations des droits de l’homme, lorsque pareil fait peut être démontré, est effectivement un élément affectant la crédibilité professionnelle du candidat ou du soumissionnaire concerné. Le cas échéant, les violations des droits de l’homme peuvent également s’inscrire dans le cadre de certaines causes d’exclusion obligatoires, notamment la condamnation pour participation à une organisation criminelle (article 61, § 1er, de l’arrêté royal précité du 15 juillet 2011). L’autorité adjudicatrice peut démontrer qu’une « faute professionnelle grave » (telle qu’une violation des droits de l’homme) a été commise par tout moyen dont elle pourra justifier (article 61, § 3, 3°, de l’arrêté royal précité du 15 juillet 2011). Le caractère grave de la faute professionnelle doit également être démontré. Il va de soi que les violations des droits de l’homme peuvent dans ce cadre être considérées comme étant graves. Afin de dissiper tout doute à ce sujet, les autorités adjudicatrices peuvent toutefois choisir de préciser dans les documents du marché la notion de faute professionnelle et, par exemple, de stipuler que les violations dans le domaine des droits de l’homme seront considérées comme des fautes professionnelles graves. Les candidats et les soumissionnaires ayant commis des violations des droits de l’homme peuvent d’ailleurs être exclus non seulement dans le cadre de la procédure de passation, mais aussi dans le cadre de l’exécution du marché (article 62, 1°, de l’arrêté royal du 14 janvier 2013 établissant les règles générales d’exécution des marchés publics et des concessions de travaux publics). La possibilité d’exclure des entreprises pour cause de faute professionnelle grave est abordée de manière différente dans les nouvelles directives européennes relatives aux marchés publics, adoptées récemment. En effet, il est dorénavant stipulé que les autorités adjudicatrices peuvent exclure ou être obligées par les États membres d’exclure une entreprise de la participation aux marchés publics, si l’autorité adjudicatrice peut démontrer que l’entreprise a commis une faute professionnelle grave, qui remet en cause son intégrité. Voir l’article 57.4.c de la directive 2014/24/UE du 26 février 2014 sur la passation des marchés publics et abrogeant la directive 2004/18/CE, non encore publiée. En outre, la directive 2014/24/UE précitée, qui devrait encore être publiée ce mois-ci, prévoit une cause d’exclusion obligatoire supplémentaire en cas de condamnation par jugement définitif pour travail des enfants ou autres formes de traite des êtres humains au sens de l’article 2 de la directive 2011/36/UE. 2. En principe, la législation belge relative aux marchés publics ne permet pas, dans le cadre de l’examen du droit d’accès, d’établir un lien entre des entreprises dotées d’une personnalité juridique distincte. Ce n’est que si une entreprise indique elle-même qu’elle fait valoir, pour un marché déterminé, les capacités d’autres entités, quelle que soit la nature juridique des liens existant entre elle-même et ces entités (article 74, alinéa 1er, de l’arrêté royal précité du 15 juillet 2011), que le lien entre cette entreprise et une ou plusieurs entités pourra être établi. Il est dorénavant expressément précisé que l’article 61 de l’arrêté royal du 15 juillet 2011 s’applique également à ces entités, y compris donc la cause d’exclusion facultative en raison d’une faute professionnelle grave. Cela permettra, par exemple, à l’autorité adjudicatrice d’exclure de la participation à une procédure de passation une entreprise mère ayant commis des violations dans le domaine des droits de l’homme et à laquelle le candidat ou le soumissionnaire a fait appel en exécution de l’article 74, alinéa 1er, de l’arrêté royal précité du 15 juillet 2011. Cette exclusion donnera lieu, à son tour, à l’exclusion du candidat ou du soumissionnaire lui-même. S’agissant de la possibilité, conformément au droit européen, de prendre en considération des relations de groupe dans le cadre de l’examen du droit d’accès, je renvoie à nouveau à la directive 2014/24/UE précitée, non encore publiée. Conformément à l’article 57.6 de cette directive, une entreprise qui a pris les mesures nécessaires visant à remédier aux conséquences de toute faute professionnelle grave et à empêcher effectivement que celle-ci ne se reproduise, doit, dans certaines conditions, être réadmise à participer à la procédure de passation (à moins qu’elle n’ait expressément été exclue de la participation aux marchés publics par un jugement définitif et ce pour une durée déterminée). Tout comme pour les autres causes d’exclusion, il y a effectivement lieu de prévoir la possibilité pour les entreprises de démontrer leur crédibilité par le biais des « self-cleaning measures » malgré l’existence d’une cause d’exclusion applicable. Or, s’agissant des mesures organisationnelles qui doivent être prises à cet effet, le considérant 102 précise que celles-ci consistent notamment à rompre toute relation avec des personnes ou des organisations impliquées dans les agissements. Lors de l’évaluation des self-cleaning measures, les relations de groupe devront souvent être prises en considération pour vérifier si toute relation avec des personnes ou des organisations impliquées dans les agissements a été rompue. Un complément d’information, comme vous le proposez, est certainement utile pour le Service des marchés publics du Service public fédéral (SPF) Chancellerie du premier ministre. |
1. Kandidaten en inschrijvers die schendingen van de mensenrechten begaan, kunnen met toepassing van artikel 61, § 2, 4°, van het koninklijk besluit plaatsing overheidsopdrachten klassieke sectoren van 15 juli 2011, in elk stadium van de gunningsprocedure worden uitgesloten wegens het begaan van een ernstige fout bij hun beroepsuitoefening, voor zover deze facultatieve uitsluitingsgrond van toepassing wordt verklaard in de opdrachtdocumenten. Het begrip beroepsfout werd inderdaad verduidelijkt door het Hof van Justitie in zijn arrest van 13 december 2012 (Zaak C-465/11, Forposta NV e.a. tegen Poczta Polska NV). Volgens dit arrest omvat het begrip beroepsfout “elk onrechtmatig gedrag […] dat invloed heeft op de professionele geloofwaardigheid van de betrokken marktdeelnemer”. Het begaan van schendingen op het vlak van de mensenrechten, indien dit kan aangetoond worden, is dan inderdaad een element dat de professionele geloofwaardigheid van de betrokken kandidaat of inschrijver aantast. Desgevallend kunnen schendingen van de mensenrechten ook gekaderd worden binnen bepaalde verplichte uitsluitingsgronden, met name veroordeling wegens deelname aan een criminele organisatie (artikel 61, § 1, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011). De aanbestedende instantie kan aantonen dat een “ernstige beroepsfout” (zoals een schending van de mensenrechten) werd begaan door middel van elk middel dat zij aannemelijk kan maken (artikel 61, § 3, 3°, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011). Ook het ernstige karakter van de beroepsfout moet aangetoond worden. Vanzelfsprekend mag in dat kader worden aangenomen dat schendingen van de mensenrechten als ernstig mogen worden beschouwd. Om elke twijfel daarover uit te sluiten kunnen aanbestedende instanties er echter voor opteren om in de opdrachtdocumenten het begrip beroepsfout nader te preciseren en bijvoorbeeld te bepalen dat het begaan van schendingen op het vlak van mensenrechten als een ernstige beroepsfout zal worden beschouwd. Kandidaten en inschrijvers die schendingen van de mensenrechten begaan, kunnen overigens niet alleen in het kader van de gunningsprocedure maar ook in het kader van de uitvoering van de opdracht uitgesloten worden (artikel 62, 1°, van het koninklijk besluit van 14 januari 2013 tot bepaling van de algemene uitvoeringsregels van de overheidsopdrachten en van de concessies voor openbare werken). De mogelijkheid om ondernemingen uit te sluiten wegens het begaan van een ernstige beroepsfout, wordt op een andere manier benaderd in de nieuwe Europese richtlijnen overheidsopdrachten die recent werden aangenomen. Immers is voortaan bepaald dat de aanbestedende instanties ondernemingen van deelname kunnen uitsluiten, of daartoe door de lidstaten kunnen worden verplicht, wanneer deze instantie aannemelijk kan maken dat de onderneming in de uitoefening van zijn beroep een ernstige fout heeft begaan, waardoor haar integriteit in twijfel kan worden getrokken. Zie artikel 57.4.c van richtlijn 2014/24/EU van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten en tot intrekking van richtlijn 2004/18/EG, nog niet gepubliceerd. Daarnaast voorziet de voormelde richtlijn 2014/24/EU, die nog deze maand zou moeten worden gepubliceerd, in een bijkomende verplichte uitsluitingsgrond in geval van veroordeling bij onherroepelijk vonnis voor kinderarbeid of andere vormen van mensenhandel in de zin van artikel 2 van richtlijn 2011/36/EU. 2. De Belgische wetgeving overheidsopdrachten laat in principe niet toe om in het kader van het onderzoek van het toegangsrecht ondernemingen die over een afzonderlijke rechtspersoonlijkheid beschikken met elkaar te verbinden. Slechts wanneer een onderneming zelf aangeeft zich voor welbepaalde opdrachten te beroepen op de draagkracht van andere entiteiten, ongeacht de juridische aard van haar band met die entiteiten (artikel 74, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011), zal die onderneming aan die entiteit worden gelinkt. Voortaan is uitdrukkelijk bepaald dat op deze entiteiten artikel 61 van het koninklijk besluit van 15 juli 2011 eveneens van toepassing is, met inbegrip dus van de facultatieve uitsluitingsgrond wegens het begaan van een ernstige beroepsfout. Hierdoor zal bijvoorbeeld een moederonderneming die schendingen op het vlak van mensenrechten beging en waarop beroep wordt gedaan door een kandidaat of inschrijver in uitvoering van artikel 74, eerste lid, van het voormelde koninklijk besluit van 15 juli 2011, door de aanbestedende instantie uitgesloten kunnen worden van deelname aan de gunningsprocedure. Deze uitsluiting zal op zijn beurt aanleiding geven tot de uitsluiting van de kandidaat of de inschrijver zelf. Wat de mogelijkheid betreft overeenkomstig het Europees recht om groepsverhoudingen in aanmerking te nemen in het kader van het onderzoek van het toegangsrecht, verwijs ik opnieuw naar de voormelde nog niet gepubliceerde richtlijn 2014/24/EU. Overeenkomstig artikel 57.6 van deze richtlijn moet een onderneming die de nodige maatregelen heeft genomen om de gevolgen van de ernstige beroepsfout te verhelpen en herhaling van het wangedrag doeltreffend te voorkomen, onder bepaalde voorwaarden toch opnieuw toegelaten worden tot de gunningsprocedure (tenzij ze bij een onherroepelijk vonnis uitdrukkelijk voor bepaalde tijd werd uitgesloten van deelname aan overheidsopdrachten). Net als voor de andere uitsluitingsgronden zal inderdaad moeten worden voorzien in de mogelijkheid voor ondernemingen om via de “self-cleaning measures” hun betrouwbaarheid aan te tonen ondanks de toepasselijke uitsluitingsgrond. Welnu, wat de organisatorische maatregelen betreft die hiertoe genomen moeten worden, wordt in overweging 102 vermeld dat deze met name bestaan uit het verbreken van alle banden met personen of organisaties die betrokken zijn bij het wangedrag. Bij de beoordeling van de self-cleaning measures zullen vaak groepsverhoudingen in ogenschouw moeten worden genomen, zodat nagegaan kan worden of alle banden met de personen en organisaties die betrokken zijn bij het wangedrag, wel zijn verbroken. Bijkomende informatie, zoals u voorstelt, is zeker nuttig voor de Dienst Overheidsopdrachten van de Federale Overheidsdienst (FOD) Kanselarij van de eerste minister. |