| SÉNAT DE BELGIQUE | BELGISCHE SENAAT | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Session 2013-2014 | Zitting 2013-2014 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| 5 février 2014 | 5 februari 2014 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question écrite n° 5-11039 | Schriftelijke vraag nr. 5-11039 | ||||||||
de Bert Anciaux (sp.a) |
van Bert Anciaux (sp.a) |
||||||||
à la vice-première ministre et ministre des Affaires sociales et de la Santé publique, chargée de Beliris et des Institutions culturelles fédérales |
aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, belast met Beliris en de Federale Culturele Instellingen |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| le suivi de la consommation de médicaments dans les centres de soins | de monitoring van het medicatiegebruik in zorgcentra | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| équipement social médicament surveillance des médicaments établissement hospitalier personnel infirmier |
sociale voorzieningen geneesmiddel inspectie van geneesmiddelen ziekenhuis verplegend personeel |
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
|
|
||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-4425 | Herkwalificatie van : vraag om uitleg 5-4425 | ||||||||
| ________ | ________ | ||||||||
| Question n° 5-11039 du 5 février 2014 : (Question posée en néerlandais) | Vraag nr. 5-11039 d.d. 5 februari 2014 : (Vraag gesteld in het Nederlands) | ||||||||
La réponse qu'apporte la ministre à la question écrite n° 5-6313 m'inspire quelques questions supplémentaires. 1) La réponse concerne essentiellement la situation en milieu hospitalier. La thèse de doctorat à laquelle je faisais référence ainsi que ma question se focalisaient sur les centres d'hébergement et de soins. La question demeure donc : comment la ministre évalue-t-elle la qualité du contrôle de la consommation de médicaments dans les centres d'hébergement et de soins et quelles initiatives envisage-t-elle pour l'améliorer ? 2) La réponse évoque à peine le rôle des infirmiers. Le projet relatif à la pharmacie clinique se situe à nouveau dans les hôpitaux, il n'attribue aucun rôle précis aux infirmiers et ne leur offre aucun soutien. Les autres arguments ne portent pas sur le rôle des infirmiers. Or l'implication des infirmiers constitue un aspect capital de l'amélioration des soins pharmacothérapeutiques dans les centres d'hébergement et de soins. Les infirmiers sont mieux à même d'assurer le suivi continu des patients, moyennant un soutien, et ils peuvent notifier de manière plus précise leurs observations aux médecins. Ces derniers peuvent tirer concrètement parti de ces informations pour optimiser leurs prescriptions. Lors d'une évaluation du « trigger tool » - auquel ma précédente question faisait référence -, 83 % des médecins généralistes ont jugé la préparation de la part des infirmiers comme très précieuse et suceptible d'améliorer les soins pharmacothérapeutiques (cette appréciation équivaut à un score >= 7 sur 10). 3) La réponse fait une confusion quant à la dénomination « trigger tool ». Ces termes et le concept qu'ils désignent ont été à l'origine développés dans le cadre d'une récente thèse de doctorat. Il est donc impossible qu'ils soient déjà connus ou utilisés par d'autres personnes. Il existe certes d'autres instruments qui portent également le nom de « trigger tool » et qui correspondent à la définition donnée dans la réponse de la ministre. Le « DRP trigger tool » présenté dans cette thèse de doctorat présente les caractéristiques suivantes : (1) il ne vise pas à améliorer les notifications de pharmacovigilance au moyen de fiches jaunes, axées sur la découverte de nouveaux effets secondaires de médicaments inconnus dans cette population ; (2) il ne vise pas à générer des alarmes sur la base d'interactions entre les médicaments ou des médicaments inappropriés sur les fiches de médication et (3) il ne s'agit pas d'une méthode d'analyse rétrospective des dossiers. Le « trigger tool » développé vise en revanche (1) à établir des listes des plaintes formulées par des résidents individuels après la prise de médicaments ; (2) à permettre aux infirmiers, à l'aide de ces listes, de contrôler chez les résidents comment se manifestent les plaintes formulées (contrôle ciblé) ; (3) à faciliter la notification des plaintes de résidents aux médecins par les infirmiers ; (4) à stimuler une concertation interdisciplinaire performante sur les médicaments ; (5) à aller au-delà d'un enregistrement de la consommation de médicaments, tel que dans le RAI (resident assessment instrument), ou des incidents auprès de l'Agence fédérale des médicaments et produits de la santé (AFMPS). 4) Comment la ministre élaborera-t-elle une stratégie relative à des actions concrètes en veillant à attirer davantage l'attention des instances chargées de la formation et de la définition des compétences des différentes fonctions sur ce problème ? 5) La ministre a mentionné que l'Institut d'assurance maladie-invalidité (INAMI) préparait un arrêté royal qui offrirait vingt projets susceptibles d'améliorer la politique de soins médicopharmaceutiques. J'espère que l'apport des infirmiers dans la concertation multidisciplinaire sera encouragé dans ces projets et que des initiatives bénéfiques comme le « DRP trigger tool » pourront être testées et finalisées dans le cadre de ces projets de sorte que l'on puisse réellement tirer profit des avantages qu'elles offrent dans la pratique. Il serait regrettable de gaspiller de l'énergie et des moyens en ne poursuivant pas le travail déjà accompli et en contraignant chacun à repartir de zéro. |
Het antwoord van de minister op de schriftelijke vraag nr. 5-6313 noopt mij tot enkele bijkomende vragen : 1) Het geformuleerde antwoord gaat voornamelijk in op de situatie in de ziekenhuizen. Het doctoraatsonderzoek waaraan ik refereerde en ook de vraag concentreerden zich op de woonzorgcentra. De vraag blijft dus hoe de geachte minister de kwaliteit van de monitoring van het medicatiegebruik in woonzorgcentra evalueert en welke initiatieven gepland worden om deze te verbeteren? 2) Het antwoord gaat amper in op de rol van de verpleegkundigen. Het project met betrekking tot de klinische farmacie situeert zich wederom in de ziekenhuizen en geeft geen duidelijke rol en ondersteuning aan de verpleegkundigen. In de andere argumenten blijft de rol van de verpleegkundige afwezig. Een cruciaal aspect voor de verbetering van de farmacotherapeutische zorg in de woonzorgcentra is immers de betrokkenheid van de verpleegkundigen. Zij kunnen patiënten meer continu opvolgen mits ondersteuning en hun bevindingen nauwgezetter rapporteren aan artsen. Artsen kunnen die informatie immers concreet gebruiken bij het optimaliseren van hun voorschriften. In een evaluatie van de trigger tool - waaraan de eerdere vraag refereerde - ervoer 83% van de huisartsen de verpleegkundige voorbereiding als zeer waardevol, met mogelijkheden tot verbetering van de farmacotherapeutische zorg (waardevol werd beschouwd als een score >= 7 op 10). 3) Er blijkt begripsverwarring in het antwoord wat betreft de benaming "trigger tool". Deze term en het concept werden origineel ontwikkeld in het kader van een recent doctoraatsonderzoek. Het is dus niet mogelijk dat deze reeds gekend is of gebruikt is door andere personen. Er bestaan echter wel andere instrumenten die eveneens "trigger tools" worden genoemd en die passen in de definitie zoals vermeld in het antwoord van de minister. De "DRP trigger tool" die in dit doctoraatsonderzoek werd voorgesteld, draagt de volgende kenmerken (1) heeft niet tot doel de farmacovigilantie rapporteringen via gele briefjes, gericht op het opsporen van nieuwe bijwerkingen van geneesmiddelen, ongekend in die populatie, te verbeteren, (2) heeft niet tot doel om alarmen te genereren op basis van interacties tussen geneesmiddelen of ongeschikte geneesmiddelen in medicatiefiches en (3) is geen methode van dossieronderzoek met retrospectieve analyse. De ontwikkelde trigger tool beoogt wel (1) de creatie van lijsten van klachten die bij individuele residenten kunnen voorkomen als gevolg van hun geneesmiddelengebruik, (2) de mogelijkheid te creëren voor verpleegkundigen om met die lijsten na te gaan welke klachten zich voordoen bij de residenten (gerichte screening), (3) het faciliteren van de rapportage van klachten van residenten door verpleegkundigen aan artsen, (4) het stimuleren van een performant interdisciplinair geneesmiddelenoverleg, (5) een stap verder te zetten dan de registratie van geneesmiddelengebruik, zoals bijvoorbeeld in de RAI, of het registreren van incidenten bij het Federaal Agentschap voor geneesmiddelen en gezondheidsproducten (FAGG). 4) Hoe zal de geachte minister een verder beleid uitbouwen wat betreft concrete acties, waarbij meer aandacht wordt gevraagd voor deze problematiek bij de betrokken opleidingsinstanties en bij de benoeming van de competenties van de verschillende functies? 5) De geachte minister maakte melding van de voorbereiding van een koninklijk besluit door het Rijksinstituut voor ziekte- en invaliditeitsverzekering (RIZIV) dat de mogelijkheid zal bieden aan twintig projecten om het medisch-farmaceutisch zorgbeleid te verbeteren. Ik hoop dat in de projecten verpleegkundige inbreng in het multidisciplinair overleg aangemoedigd wordt en dat verbeterinitiatieven zoals de "DRP trigger tool" de mogelijkheid krijgen om binnen deze projecten verder getest en gefinaliseerd te worden zodat de voordelen ervan ook daadwerkelijk in de praktijk kunnen terechtkomen. Het zou spijtig zijn als er energie en middelen zouden verloren gaan door niet verder te bouwen op het reeds uitgevoerde werk en iedereen terug vanaf nul te laten starten. |
||||||||
| Réponse reçue le 22 avril 2014 : | Antwoord ontvangen op 22 april 2014 : | ||||||||
1) L'usage inapproprié de médicaments chez la personne âgée avec un profil de soins vulnérable se traduit chaque année par un nombre important d'admissions à l'hôpital. La littérature révèle que 18 % des hospitalisations de personnes âgées sont liés à la prise de médicaments. Dans cette problématique, c'est le patient et l'ensemble des prestataires de soins dans les différentes structures qui sont concernés. Cette prestation de soins multidisciplinaire nous a incités à développer ces dernières années l'instrument BelRAI. Je fais référence plus particulièrement à l'annexe 7 du protocole d'accord n° 3 qui a été approuvé par la Conférence interministérielle de Santé publique du 18 juin 2012. Grâce à cet accord, il existe déjà un financement structurel. Ces prochaines semaines, mes services, en collaboration avec les Communautés et les Régions, prépareront un plan de mise en œuvre de l'instrument BelRAI dans les centres de services de soins et de logement, le secteur des soins à domicile et celui des soins hospitaliers aigus pour personnes âgées vulnérables. L'utilisation généralisée de l'instrument BelRAI est également prévue dans le « plan d'action e-santé 2013-2018 » qui a été proposé lors de la table ronde eHealth du 20 décembre 2012. Il n'y a donc actuellement aucun monitorage programmé de l’utilisation de médicaments dans les maisons de repos; sa planification opérationnelle est en préparation. La thématique d’une pharmacothérapie pleinement qualitative et financièrement accessible pour les résidents de maison de repos me tient particulièrement à cœur. Durant les années à venir, il serait d’ailleurs souhaitable de modifier l’utilisation de médicaments ainsi que le processus médicamenteux dans les maisons de repos à l’aide d’une série de recommandations et de directives à l’attention du secteur. Avec la collaboration des autres ministres compétents, j’ai marqué mon accord en conférence Interministérielle quant à la réalisation d’une étude par l’Institut national d'assurance maladie-invalidité (INAMI) (durée totale = 3 ans). L’objectif est de parvenir à une utilisation plus efficiente et plus rationnelle des médicaments dans les maison de repos, où un comportement de prescription plus rationnel et un meilleur processus de délivrance et d’administration des médicaments prévalent. Parallèlement à cet aspect qualitatif, des réductions en termes de volumes et de dépense sont également poursuivies. L’implémentation de l’étude requiert 30 projets composés d’une maison de repos pour personne âgées (MRPA) ou d’une maison de repos et de soins (MRS), du médecin conseiller et coordinateur (MCC) de l’institution, des médecins généralistes concernés et du cercle de médecins généralistes, et des pharmaciens concernés. Le projet organise une concertation médico-pharmaceutique au niveau du patient pour minimum 35 résidents. Complémentairement, les projets participent à des groupes de travail dont l’objectif est de formuler des recommandations et des directives concernant l’utilisation du formulaire médicamenteux et la prescription de médicaments (schéma de médication, schéma de dosages) et l’entièreté du processus du médicament. Une équipe de recherche universitaire composée de la Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven) et de l’Université Catholique de Louvain (UCL) accompagne ces projets et, durant le second semestre de 2016, formulera des recommandations, testera les procédures et protocoles identifiés, et développera des indicateurs de qualité sur base d’une évaluation scientifique. 2) Le praticien de l'art infirmier a un rôle essentiel dans le processus de médication : gérer, préparer, stocker, distribuer, surveiller la consommation et faire rapport des réactions indésirables éventuelles. Ce rôle doit être soutenu. Mais l'infirmier n'est pas seul; le pharmacien et le médecin ont également une place et une responsabilité importantes dans ce processus. Les évolutions actuelles permettront à l'avenir entre autres de robotiser la médication par patient individuel et par moment de prise. Les erreurs devraient ainsi être évitées et l'on devrait gagner du temps dans la prestation de soins. Mon « plan d'action e-santé 2013-2018 » a intégré la prescription électronique obligatoire, ce qui produira au médecin et au pharmacien un relevé des médicaments prescrits et facilitera le contrôle des interactions indésirables éventuelles. La prescription électronique sera couplée au dossier électronique du patient chez le médecin et dans l'établissement de soins. Grâce à ces initiatives, le praticien infirmier disposera de plus de temps libre pour se consacrer nécessairement et en particulier à la consommation de médicaments. L'arrêté royal du 21 septembre 2004 relatif à la fonction de médecin coordinateur et conseiller (MCC) dans les institutions MRS est en cours d'adaptation. Cette adaptation offrira plus de possibilités de soutien aux infirmiers et prestataires de soins professionnels dans les centres de services de soins et de logement, ainsi qu'aux collègues généralistes visiteurs et au pharmacien. 3) Le trigger tool pour les « Drug Related Problems », aussi appelé « Drug Tigger Tool » ou « Trigger Tool for Adverse Drug Event », sont des termes souvent utilisés les uns pour les autres. Il s'agit de numériser de manière rétrospective ou prospective des dossiers de patients sur l'existence de facteurs de risque afin de détecter l'apparition potentielle de dommages liés aux médicaments. Dans notre pays, le Dr A. Spinewinne (UCL Mont-Godinne) a également mené une étude, certes limitée, sur le sujet. Il s'agissait d'une étude dans le cadre de l'utilisation de cet outil dans un environnement hospitalier. Un autre trigger tool a été utilisé dans le cadre d'une étude menée par le Dr T. Dilles (UA) et axée sur les infirmiers en centres de services de soins et de logement. L’étude décrit l'utilisation du « Trigger Tool for interdisciplinary drug utilisation review ». Cet outil assiste les infirmiers dans le processus d'observations et de rapport. Il s'agit d'un logiciel qui fournit par médicament une liste des effets secondaires indésirables pouvant survenir chez certains patients. Ces infirmiers peuvent communiquer de manière standardisée leurs constatations au médecin prescripteur. Le traitement peut ainsi être corrigé et des dommages éventuels peuvent être évités. L'étude a montré que les infirmiers apportaient une contribution importante dans l'analyse de tels problèmes. Toutefois, l'instrument doit encore être affiné avant qu'il puisse être question d'une mise en œuvre. Il s'agit donc de nombreuses pistes prometteuses qui seront étudiées plus avant. Dans ce contexte, il faut aussi étudier la possibilité d'intégrer ces instruments dans les évaluations informatisées (par exemple BelRAI) et dans des dossiers de patients. 4) Le contenu des formations des infirmiers et les compétences à acquérir au terme de celles-ci est un débat très important dans notre pays. Je sais que la question est sur la table au sein des communautés responsables pour l’enseignement et que celles-ci essayent d’avoir une vision à long terme de ce que nous aurons besoin comme compétences pour le futur, notamment dans le cadre du vieillissement de la population. Pour ce qui ressort de mes compétences, dans un premier temps et dans le cadre du plan d’attractivité pour la profession infirmière soutenu par le gouvernement depuis 2008 j’ai pris des mesures incitant les infirmiers à poursuivre des études complémentaires dans certains domaines essentiels en termes de santé publique. Un des premiers fut d’ailleurs l’acquisition d’expertise ou de spécialisation en gériatrie. Les infirmiers qui obtiennent une telle qualification ou un tel titre ont bénéficié d’une formation plus poussée en gériatrie et bien évidemment dans la pharmacologie spécifique de ce type de patients. Nous avons également pris des mesures pour octroyer une prime incitative aux infirmiers porteurs de ce titre et de cette qualification travaillant dans le secteur des soins aux personnes âgées. Celle-ci a eu un certain succès et à ce jour environ 2000 infirmiers possèdent ceux-ci. D’autre part, avec le soutien de mon administration, nous avons financé l’année dernière une étude ayant pour objectif de déterminer les compétences nécessaires à l’infirmier de demain en tenant compte de l’évolution des besoins de la population. Dans les conclusions de cette recherche, les auteurs insistent notamment sur les compétences infirmières en matière de sécurité de l’environnement des soins et de la prise en charge, et en particulier sur les compétences en termes de suivi de la médication et de l’observation des effets secondaires. Je compte transmettre les résultats de cette recherche aux ministres compétents pour l’enseignement. Je compte attirer leur attention sur l’intérêt de vérifier que les étudiants atteignent ce type de compétences au terme de la formation infirmière de base. 5) L’arrêté royal du 11 juillet 2013 (Moniteur belge du 31 juillet 2013) lance un appel à candidatures pour les projets destinés à soutenir une concertation multidisciplinaire dans le cadre d’une politique de soins médico-pharmaceutique dans les maison de repos. Durant le second semestre de 2013, 80 dossiers de candidature ont été introduits, parmi lesquels 72 qui répondent aux critères formels et qui peuvent participer à la sélection. La Commission de convention de l’INAMI entre les maisons de repos pour personnes âgées, les maisons de repos et de soins, les centres de soins de jour et les organismes d’assureurs, ainsi que la Commission de convention pharmaciens-organismes d’assureurs sélectionneront les projets en mars 2014,et les soumettront à l’approbation du Comité de l'assurance soins de santé de l’INAMI. Ensuite, l’INAMI conclura des conventions avec les projets sélectionnés. |
1) Het onaangepast gebruik van medicatie bij de ouderen met een kwetsbaar zorgprofiel heeft jaarlijks aanleiding tot een belangrijk aantal ziekenhuisopnames. Uit de literatuur blijkt dit tot 18% van de ziekenhuisopnamen bij ouderen medicatiegerelateerd is. In deze problematiek zijn op de eerste plaats de patiënt en alle zorgverstrekkers in de verschillende settings betrokken. Deze multidisciplinaire zorgverstrekking heeft er ons toe aangezet om in de voorbije jaren het BelRAI- instrument te ontwikkelen. Meer bepaald verwijs ik naar het aanhangsel 7 van het Protocol 3-akkoord, dat door de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid van 18 juni 2012 werd goedgekeurd. Dank zij dit akkoord bestaat nu reeds een structurele financiering. In de komende weken zullen mijn diensten, in samenwerking met de Gewesten en Gemeenschappen, een implementatieplan voor het gebruik van het BelRAI-instrument in de woonzorgcentra, de thuiszorg en de acute ziekenhuiszorg voor kwetsbare ouderen voorbereiden. Het veralgemeend gebruik van het BelRAI-instrument is tevens voorzien in het “Actieplan e-gezondheid 2013-2018” op de Ronde Tafel eHealth van 20 december 2012 werd voorgesteld. Er is dus op dit ogenblik nog geen georganiseerde monitoring van het medicatie-gebruik in de rustoorden, de operationele planning ervan is in voorbereiding. Het thema van een kwaliteitsvolle en betaalbare farmacotherapie voor rusthuisbewoners ligt me evenwel nauw aan het hart. Het is dan ook wenselijk in de komende jaren het geneesmiddelenverbruik en het geneesmiddelenproces in de rustoorden te wijzigen aan de hand van een aantal aanbevelingen en richtlijnen voor de sector. Samen met de andere bevoegde ministers heb ik in de Interministeriële Conferentie Volksgezondheid mijn akkoord gegeven aan een studie van het Rijksinstituut voor Ziekte- en Invaliditeits-verzekering (RIZIV) (totale duurtijd = 3 jaar). Het doel is om te komen tot een efficiënter en rationeler geneesmiddelengebruik in de rustoorden, waarbij een rationeler voorschrijfgedrag en een beter proces van aflevering en toediening van medicatie vooropstaat. Naast het kwaliteitsvolle aspect, wordt er eveneens een vermindering in volume en uitgaven beoogd. De implementatie van de studie gebeurt door 30 projecten bestaande uit een rustoord voor bejaarden (ROB) of een rust- en verzorgingstehuizen (RVT), de coördinerend en raadgevend arts (CRA) van de instelling, de betrokken huisartsen en huisartsenkringen, en de betrokken apothekers. De projecten organiseren voor minstens 35 rusthuisbewoners een medisch-farmaceutisch overleg op patiëntenniveau. Daarnaast nemen ze deel aan werkgroepen met als doel aanbevelingen en richtlijnen te formuleren rond het gebruik van een geneesmiddelenformularium en het voorschrijven van geneesmiddelen (medicatieschema, doseringsschema), en het volledige geneesmiddelenproces. Een universitaire onderzoeksequipe van de Katholieke Universiteit Leuven (KU Leuven) en de Université Catholique de Louvain (UCL) begeleidt deze projecten en zal op basis van de wetenschappelijke studie in het najaar van 2016 aanbevelingen formuleren en uittesten, procedures en protocollen opstellen, en kwaliteitsindicatoren ontwikkelen. 2) De verpleegkundige heeft een cruciale rol in het medicatieproces: het beheren, voorbereiden, opslaan, verdelen, het toezicht op het gebruik en het rapporteren van eventuele ongewenste reacties. Deze rol moet ondersteund worden. Ze is hierbij echter niet alleen, ook de apotheker en de arts hebben een belangrijke plaats en verantwoordelijkheid in dit proces. De huidige evoluties zullen het in de toekomst onder meer mogelijk maken om medicatie via robotisatie, individueel per patiënt en per inname-moment mogelijk te maken. Dit moet fouten voorkomen en tijdswinst in de zorgverstrekking opleveren. In mijn bovengenoemd “Actie-plan e-gezondheid 2013-2018” werd het verplicht elektronisch voorschrijven opgenomen, hierdoor krijgen arts en apotheker een overzicht van de voorgeschreven medicatie en maakt het de controle op mogelijke ongewenste interacties mogelijk. Het elektronisch voorschrift zal aan het elektronisch patiëntendossier van de arts en de zorginstelling worden gekoppeld. De verpleegkundige zal door deze initiatieven meer tijd vrij krijgen voor de noodzakelijke en specifieke aandacht met betrekking tot het medicatiegebruik. Momenteel wordt een aanpassing voorbereid om het koninklijk besluit van 21 september 2004 betreffende de functie van de Coördinerend en Raadgevend Arts (CRA) in de RVT-instellingen. Deze zal hierdoor meer mogelijkheden krijgen om ondersteunend op te treden voor de verpleegkundigen en de professionele zorgverleners binnen de woonzorgcentra, zijn collega’s bezoekende huisartsen en de apotheker. 3) De trigger tool voor “Drug Related Problems”, ook Drug Tigger Tool of Trigger Tool For Adverse Drug Event genoemd, zijn terminologieën die vaak door mekaar worden gebruikt. Het betreft het retroposectief of prospectief scannen van patiëntendossiers op het voorkomen van risicofactoren om het mogelijk optreden van geneesmiddelen-gebonden schade te detecteren. In ons land werd er eveneens, zij het beperkt, onderzoek naar verricht door Dr A. Spinewinne (UCL Mont-Godinne). Het betrof een onderzoek in het kader van het gebruik van dit instrument in een ziekenhuisomgeving. Een andere Trigger tool werd gebruikt in het kader van een onderzoek door Dr T. Dilles (UA) en was toegespitst op de verpleegkundigen in Woonzorgcentra. De studie beschrijft het gebruik van “trigger tool for interdisciplinary drug utilisation review”. Dit hulpmiddel staat de verpleegkundigen bij in het proces van observatie en rapportering. Het betreft een softwareprogramma dat per geneesmiddel een lijst met mogelijke neveneffecten aanlevert die bij bepaalde patiënten kunnen voorkomen. De verpleegkundigen kunnen, op gestandaardiseerde wijze, hun bevindingen aan de voorschrijvende arts mededelen. Zo kan de behandeling worden bijgestuurd en kan mogelijke schade worden voorkomen. Het onderzoek toonde aan dat de verpleegkundigen hierdoor een belangrijke bijdrage leverden bij de screening van zulke problemen. Het instrument dient echter nog te worden verfijnd vooraleer er van implementatie sprake kan zijn. Het betreffen dus veelbelovende pistes die verder onderzocht zullen te worden. In dit kader moet eveneens de mogelijkheid onderzocht worden om deze instrumenten in de geïnformatiseerde assessmenten (bijvoorbeeld BeRAI) en patiëntendossiers te integreren. 4) Over de inhoud van de opleidingen voor verpleegkundigen en de competenties die op het einde daarvan verworven moeten zijn, wordt een debat gevoerd dat zeer belangrijk is voor ons land. Ik weet dat deze kwestie nu op tafel ligt bij de gemeenschappen die verantwoordelijk zijn voor onderwijs en dat die zich een beeld trachten te vormen van wat wij op lange termijn in de toekomst als competenties zullen nodig hebben, onder meer in het kader van de vergrijzing van de bevolking. Wat mijn bevoegdheden betreft heb ik, in eerste instantie en in het kader van het plan inzake de aantrekkelijkheid van het verpleegkundige beroep dat sinds 2008 door de regering wordt gesteund, maatregelen getroffen die verpleegkundigen ertoe aanzetten om verder te studeren in bepaalde domeinen die van essentieel belang zijn voor de volksgezondheid. Een van de eerste was trouwens het verwerven van expertise of de specialisatie in de geriatrie. Verpleegkundigen die een dergelijke bekwaamheid of een dergelijke titel behalen, hebben een diepgaandere opleiding in de geriatrie en uiteraard in de specifieke farmacologie van dit soort patiënten genoten. Wij hebben ook maatregelen getroffen om een aanmoedigingspremie toe te kennen aan verpleegkundigen met deze titel en deze bekwaamheid die in de sector van de ouderenzorg werken. Dit met een zeker succes: momenteel ontvangen 2 000 verpleegkundigen die premie. Daarnaast hebben wij, met de hulp van mijn administratie, vorig jaar een onderzoek gefinancierd om te bepalen over welke competenties de verpleegkundigen van morgen zouden moeten beschikken rekening houdend met de evolutie van de behoeftes van de bevolking. In de conclusies van dat onderzoek leggen de auteurs onder andere de nadruk op verpleegkundige competenties inzake veiligheid van de zorgomgeving en de behandeling en in het bijzonder op competenties qua opvolging van medicatie en observatie van bijwerkingen. Ik ben van plan de resultaten van dat onderzoek te bezorgen aan de ministers die bevoegd zijn voor onderwijs. Ik wil hen erop wijzen dat het belangrijk is om na te gaan of de studenten dit soort competenties verworven hebben aan het eind van de basisopleiding verpleegkunde. 5) Het koninklijk besluit van 11 juli 2013 (Belgisch Staatsblad van 31 juli 2013) lanceert de oproep tot kandidaten voor de projecten ter ondersteuning van het multidisciplinair overleg in het kader van een medisch-farmaceutisch zorgbeleid in de rustoorden. Er werden in het najaar van 2013 in totaal 80 kandidatuursdossiers ingediend, waarvan er 72 formeel in orde zijn en kunnen deelnemen aan de selectie. De Overeenkomstencommissie tussen de rustoorden voor bejaarden, de rust- en verzorgingstehuizen, de centra voor dagverzorging en de verzekeringsinstellingen, alsook de Overeenkomstencommissie tussen de apothekers en de verzekeringsinstellingen zullen in maart 2014 30 projecten selecteren en leggen deze dan ter goedkeuring voor aan het Comité van de verzekering voor geneeskundige verzorging van het RIZIV. Nadien stelt het RIZIV de overeenkomsten met de geselecteerde projecten op. |