SÉNAT DE BELGIQUE BELGISCHE SENAAT
________________
Session 2008-2009 Zitting 2008-2009
________________
28 aôut 2009 28 augustus 2009
________________
Question écrite n° 4-4238 Schriftelijke vraag nr. 4-4238

de Joris Van Hauthem (Vlaams Belang)

van Joris Van Hauthem (Vlaams Belang)

au vice-premier ministre et ministre de la Fonction publique, des Entreprises publiques et des Réformes institutionnelles

aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen
________________
Lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l’emploi des langues en matière administrative - Article 21, §§ 2 et 4 - Force de loi - Bilinguisme dans les administrations locales bruxelloises Gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken (SWT) - Art. 21, §§ 2 en 4 - Kracht van wet - Tweetaligheid Brusselse plaatselijke besturen 
________________
emploi des langues
Région de Bruxelles-Capitale
administration locale
bilinguisme
fonction publique
base juridique
taalgebruik
Hoofdstedelijk Gewest Brussels
plaatselijke overheid
tweetaligheid
overheidsapparaat
juridische basis
________ ________
28/8/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 1/10/2009 )
28/10/2009 Antwoord
28/8/2009 Verzending vraag
(Einde van de antwoordtermijn: 1/10/2009 )
28/10/2009 Antwoord
________ ________
Question n° 4-4238 du 28 aôut 2009 : (Question posée en néerlandais) Vraag nr. 4-4238 d.d. 28 augustus 2009 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

En vertu de l’article 21, § 2, des lois coordonnées du 18 juillet 1966 sur l’emploi des langues en matière administrative, tout candidat à une nomination au sein des administrations locales bruxelloises sera soumis à une épreuve écrite ou informatisée sur la connaissance élémentaire de la seconde langue. Le paragraphe 4 de ce même article prévoit que quiconque est nommé ou promu à une fonction dirigeante ou est responsable du maintien de l'unité de jurisprudence doit réussir un examen écrit ou informatisé portant sur la connaissance suffisante de la seconde langue.

Ces deux paragraphes ont été totalement remplacés par d’autres dispositions introduites par l’article 19 de la loi du 22 juillet 1993 portant certaines mesures en matière de fonction publique, visant à l’informatisation des examens. Cet article 19 a cependant été abrogé par l’article 444, 11°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 (Moniteur belge du 31 décembre 2002, p. 58.776). S’il en est ainsi, ceci signifie la disparition de tout fondement légal pour le bilinguisme des fonctionnaires des administrations locales bruxelloises, sauf ceux qui sont en contact avec le public (le § 5 des lois coordonnées sur l’emploi des langues, qui n’a pas été remplacé par la loi de 1993, subsiste en effet).

Le plus étrange toutefois est que les versions coordonnées des lois sur l’emploi des langues, tant celles qui sont mises à disposition par les autorités (Justel) que celles qui sont exploitées par des organisations privées (Jura…) ne mentionnent pas l’abrogation de ces paragraphes. Seule l’édition papier de Larcier (édition 2008, Partie VI, p. 1733) fait mention de l’abrogation de ces paragraphes. Le Conseil d’État considère toujours que ces paragraphes ont encore force de loi.

L’incertitude plane donc quant à savoir si ces paragraphes 2 et 4 ont toujours force de loi.

D’où nos questions.

1. Les paragraphes 2 et 4 de l’article 21 des lois coordonnées sur l’emploi des langues en matière administratives ont-ils encore force de loi et quelle est la situation compte tenu de l’article 444 de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 ?

2. Si ces paragraphes ont bel et bien été abrogés, quelles en sont les conséquences pour le bilinguisme des fonctionnaires des administrations locales bruxelloises depuis l’entrée en vigueur de ladite loi-programme ?

3. Quelles mesures le ministre prend-il en pareil cas ?

 

Art. 21, § 2 van de gecoördineerde wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken stelt dat in de Brusselse plaatselijke besturen iedereen een schriftelijk of computergestuurd examen over de elementaire kennis van de tweede taal moet afleggen voor zijn benoeming. Paragraaf 4 van hetzelfde artikel stelt dat wie benoemd of bevorderd wordt tot een leidinggevend ambt of wie verantwoordelijk is voor het behoud van de eenheid in de rechtspraak een schriftelijk of computergestuurd examen over de voldoende kennis van de tweede taal moet afleggen.

Beide paragrafen werden volledig vervangen door art. 19 van de wet van 22 juli 1993 houdende bepaalde maatregelen inzake ambtenarenzaken met het oog op de invoering van een computergestuurde afname van de examens. Dit artikel 19 werd evenwel opgeheven door het 11° van artikel 444 van de programmawet (I) van 24 december 2002 (Belgisch Staatsblad 31.12.2002, blz. 58 776). Indien dit zo zou zijn, dan betekent dit echter dat er geen enkele wettelijke basis meer is voor de tweetaligheid van de ambtenaren van de Brusselse plaatselijke besturen, behalve dan voor diegenen die in contact komen met het publiek (§ 5 van de SWT, dat niet werd vervangen door de wet van 1993, blijft immers wel bestaan).

Het merkwaardige is evenwel dat de gecoördineerde versies van de SWT, zowel diegene die van overheidswege ter beschikking worden gesteld (Justel) als deze die door privé-organisaties (Jura…) worden uitgebaat, geen melding maken van een opheffing van deze paragrafen. Alleen in de papieren versie van Larcier (editie 2008, deel VI, blz. 1733) wordt de opheffing van deze paragrafen wel vermeld. De Raad van State gaat er dan weer van uit dat deze paragrafen nog altijd kracht van wet hebben.

Er bestaat dus onduidelijkheid over het feit of deze §§ 2 en 4 nu al dan niet nog altijd kracht van wet hebben.

Vandaar onze vragen:

1. Hebben de §§ 2 en 4 van art. 21 van de SWT momenteel nog kracht van wet, en hoe zit de vork dan precies in de steel in het licht van artikel 444 van de programmawet (I) van 24.12.2002?

2. Indien deze §§ toch zouden zijn opgeheven, welke gevolgen heeft dit dan voor de tweetaligheid van de ambtenaren in de Brusselse plaatselijke besturen sinds de inwerkingtreding van de bewuste programmawet?

3. Welke maatregelen neemt de geachte minister in dat geval?

 
Réponse reçue le 28 octobre 2009 : Antwoord ontvangen op 28 oktober 2009 :

1. J’ai l’honneur de communiquer à l’honorable membre que les dispositions de l’article 21, §§ 2 et 4, des lois coordonnées sur l’emploi des langues en matière administrative ont encore toujours force de loi.

En effet, selon les principes de technique législative, édités par le Conseil d’État, une disposition modificative, telle que celle de l’article 19 de la loi du 22 juillet 1993, épuise instantanément tous ses effets : si elle a pour objet un remplacement, un ajout ou une insertion dans l’acte originel, son contenu s’y incorpore immédiatement.

La disposition modificative subsiste dans l’ordre juridique.

L’abrogation de cet article 19 par l’article 444, 11°, de la loi-programme (I) du 24 décembre 2002 doit être située dans ce contexte. Je renvoie l’honorable membre à l’exposé des motifs du projet de cette loi-programme (document Chambre des représentants, 50 2124/001, p. 222) :

« Les dispositions des chapitres III et IV de la loi n’ont plus de raison d’être : (…) il s’agit de modifications apportées à d’autres dispositions légales (…). »

2 et 3. Par conséquent, les autres questions de l’honorable membre sont sans objet.

1. Ik heb de eer het geachte lid mee te delen dat de bepalingen van artikel 21, §§ 2 en 4, van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken nog steeds kracht van wet hebben. Inderdaad, volgens de beginselen van de wetgevingstechniek, uitgegeven door de Raad van State, heeft een wijzigingsbepaling, zoals deze van artikel 19 van de wet van 22 juli 1993, onmiddellijke uitwerking: als ze een vervanging, toevoeging of invoeging in de oorspronkelijke tekst betreft, wordt de inhoud van de wijzigingsbepaling onmiddellijk in de tekst opgenomen.

De wijzigingsbepaling blijft in de rechtsorde bestaan.

De opheffing van dit artikel 19 bij artikel 444, 11°, van de programmawet (I) van 24 december 2002 dient gesitueerd te worden in deze context. Ik verwijs het geachte lid naar de memorie van toelichting van het ontwerp van deze programmawet (dokument Kamer van volksvertegenwoordigers, 50 2124/001, blz. 222):

« De bepalingen van de hoofdstukken III en IV van de wet hebben geen bestaansreden meer : (…) het betreft wijzigingen die aangebracht zijn aan andere wettelijke bepalingen (…). »

2 en 3. Bijgevolg zijn de andere vragen van het geachte lid zonder voorwerp.