BELGISCHE SENAAT
________
Zitting 2018-2019
________
14 januari 2019
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 6-2149

de Bert Anciaux (sp.a)

aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn, belast met Bestrijding van de fiscale fraude, en Minister van Ontwikkelingssamenwerking
________
Financieringswet - Uitvoering - Follow-up door de Vlaamse regering
________
regionale financiŽn
Vlaamse Gemeenschap
Vlaams Gewest
________
14/1/2019 Verzending vraag
12/2/2019 Antwoord
________
Herindiening van : schriftelijke vraag 6-631
________
SENAAT Schriftelijke vraag nr. 6-2149 d.d. 14 januari 2019 : (Vraag gesteld in het Nederlands)

Onlangs kwam de federale regering verrassend snel tot een akkoord aangaande de begrotingscontrole 2015. Er bleek echter een addertje onder het gras te zitten, zeker voor de regeringen van de Gemeenschappen en de Gewesten.

De uitvoering van de financieringswet bleek plots veel gunstiger voor de federale overheid en veel minder gunstig voor de Gewesten en Gemeenschappen. Vooral de gewestregeringen spraken schande en beschuldigden de federale overheid ervan de lasten door te schuiven naar de Gewesten.

De eerste minister zei echter dat het om een loutere uitvoering van de financieringswet ging en dat het zelfs op zich niets te maken had met de wijzigingen van deze financieringswet door de Zesde Staatshervorming.

Het bleek dat maar ťťn enkele federale ambtenaar de juiste uitvoering kan geven aan de financieringswet en dat de Gewesten dus compleet verrast werden.

1. Hoe is het mogelijk dat er plots een voor de federale overheid bijzonder gunstig resultaat kwam uit de berekeningen van de financieringswet?

2. Waar was de gewijzigde som aan te wijten? Welk onderdeel van de financieringswet verklaart deze plots gewijzigde situatie en verdeling?

3. Hoeveel geld kreeg de Vlaamse regering plots minder?

4. Is er ook voor de Vlaamse Gemeenschap minder geld? Of enkel voor de Gewesten?

5. Wordt de Vlaamse regering niet betrokken bij het opmaken van de rekeningen en berekeningen die voortvloeien uit de financieringswet?

6. Welke Vlaamse ambtenaar kan de berekeningen van de federale administratie controleren? Of is er geen Vlaamse ambtenaar die op de hoogte is van de uitvoering van de financieringswet?

7. Welke controle heeft de Vlaamse regering op het cijferwerk van de federale overheid? Hoe kan ze een juiste controle uitvoeren?

8. Hoe is het mogelijk dat de Vlaamse regering niet op de hoogte was van het ernstig gewijzigde bedrag dat ze kreeg van de federale overheid?

9. Werd deze zaak niet grondig op een gemeenschappelijke en voorbereidende vergadering van de federale administratie en de Vlaamse administratie besproken?

10. Werd deze aangelegenheid besproken met de Vlaamse regering? Zo ja, wanneer?

11. Hoe komt het dat dit niet voorafgaand aan het bekendmaken van de resultaten van de begrotingscontrole met de Vlaamse regering besproken werd en dat deze regering dit nieuws via de pers diende te vernemen?

Antwoord ontvangen op 12 februari 2019 :

De totale federale overdrachten aan de Gemeenschappen en Gewesten werden voor het begrotingsjaar 2015 op basis van de ter gelegenheid van de begrotingscontrole geactualiseerde parameters en informatie, zoals beschikbaar in februari-maart 2015, in hun totaliteit 1 743,2 miljoen euro lager ingeschat dan de bij de begrotingsopmaak in september 2014 geraamde overdrachten voor datzelfde begrotingsjaar.

Van die totale neerwaartse herziening was 98,5 miljoen euro te wijten aan de definitieve afrekening van voormelde federale overdrachten van het begrotingsjaar 2014, op basis van de definitieve parameters voor dat begrotingsjaar.

Bij de begrotingscontrole werd eveneens rekening gehouden met de bedragen die in uitvoering van de artikelen 47/7, § 3, tweede lid, en 47/8, tweede lid, van dezelfde bijzondere wet, in mindering dienen gebracht te worden van de in diezelfde artikelen bedoelde dotaties die aan de Vlaamse Gemeenschap, de Franse Gemeenschap en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie voor het begrotingsjaar 2015 worden toegekend omwille van de overheveling door de federale overheid van de bevoegdheden inzake ouderenzorg en gezondheidszorgen en hulp aan personen naar de Gemeenschappen. De verminderingen bedroegen in totaal 120,3 miljoen euro en houden verband met de impact van de fusies van geïsoleerde geriatriediensten respectievelijk gespecialiseerde geïsoleerde diensten voor revalidatie en behandeling met andere instellingen die hebben plaatsgevonden tussen 1 januari 2013 en 1 januari 2015. Desbetreffend koninklijk besluit werd genomen op 19 maart 2015 (Belgisch Staatsblad van 1 april 2015) nadat het op de Ministerraad van 27 februari 2015 werd goedgekeurd. Bij de begrotingsopmaak 2015 kon hiermee nog geen rekening worden gehouden omdat de in mindering te brengen bedragen nog niet gekend waren.

Afgezien van het saldo van het vorige begrotingsjaar en het in rekening brengen van voormeld koninklijk besluit, bedroeg de neerwaartse herziening van de federale overdachten naar de deelgebieden nog 1 524,4 miljoen euro. Daarvan had 774,7 miljoen euro betrekking op de toegewezen gedeelten van de opbrengst van de personenbelasting en de BTW, de federale dotaties aan de Gemeenschappen omwille van de overheveling van de nieuwe bevoegdheden ingevolge de zesde Staatshervorming en de diverse in het eerste lid opgesomde overdrachten. De overige 749,7 miljoen euro situeerde zich op het niveau van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting, kortweg gewestelijke personenbelasting.

Voor de middelen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest betekende dit een herziening van 948,6 miljoen euro in totaal. Daarvan had 491,0 miljoen euro specifiek betrekking op het Gewest en 457,6 miljoen euro op de Gemeenschap. De gewestelijke personenbelasting van het aanslagjaar 2015 werd voor het Vlaamse Gewest 396,3 miljoen euro lager ingeschat.

Zowel in het kader van de voorbereiding van de begrotingsopmaak als de begrotingscontrole worden de federale overdrachten die krachtens de bijzondere financieringswet aan de deelgebieden dienen overgemaakt te worden, altijd voorafgaandelijk meegedeeld aan de regeringen van de deelgebieden. In toepassing van het in artikel 53, van dezelfde bijzondere wet voorziene overleg, wordt die mededeling gevolgd door één of meerdere interfederale werkgroepen waaraan de vertegenwoordigers van de ministers die deel uitmaken van de Interministeriële Conferentie voor Financiën en Begroting deelnemen.

In het kader van de begrotingscontrole 2015 vonden die interfederale werkgroepen plaats op 31 maart en 2 april 2015. Ter voorbereiding van die vergaderingen werden de deelgebieden ingelicht over de herraamde federale overdrachten op 26 maart 2015 en in antwoord op de door de deelgebieden gesteld vragen werden aanvullende gegevens overgemaakt op 31 maart en 1 april 2015.

Op de interfederale werkgroep van 2 april 2015 hebben de deelgebieden bevestigd dat zij over de menselijke en materiële middelen beschikken om de door de federale administratie opgestelde ramingen inzake de toegewezen middelen en dotaties te verifiëren en dat bovendien de uitkomsten bekomen door de gewestelijke diensten volledig overeenstemden met de federale ramingen.

De Gewesten hebben vervolgens eind april 2015 in het kader van de voorbereiding van het Stabiliteitsprogramma van België bijkomende vragen gesteld over de ramingswijze van die gewestelijke personenbelasting. Daarop heeft de federale overheid omstandig geantwoord op 27 april 2015.

Aangezien de gewestelijke personenbelasting slechts met ingang van het aanslagjaar 2015 ingevoerd werd en er bijgevolg geen historische reeksen beschikbaar waren, diende de raming ervan nog te gebeuren uitgaande van het laatst gekende aanslagjaar, dit is het aanslagjaar 2013. Dit werd volledig omgerekend naar de nieuwe context van de verruimde fiscale autonomie op de personenbelasting, zoals bedoeld in de artikelen 5/1 tot 5/8, van dezelfde bijzondere financieringswet. Het door de federale overheidsdienst (FOD) Financiën ontwikkelde SIRe-model voor de raming van de fiscale ontvangsten uit de personenbelasting werd hiertoe volledig aangepast. Het SIRe-model werkt op basis van een op representativiteit getoetste steekproef (35 000 aangiften) genomen op dat aanslagjaar 2013. Aangezien de Gewesten op het Overlegcomité de representativiteit van die steekproef in vraag hebben gesteld, had mijn voorganger, de heer Van Overtveldt, de opdracht gegeven om een nieuwe en veel ruimere steekproef te nemen (350 000) die net zo groot is als deze die gebruikt is om de berekeningen te maken voor de bijzondere financieringswet zelf (in 2013). De nieuw gemaakte raming wees uit dat de ontvangsten voor de gewesten in plaats van 750 miljoen slechts 157 miljoen lager lagen dan de initiële cijfers. Dit werd uitvoerig technisch toegelicht aan de gewesten op 8 juli 2015.

De Gewesten hebben geen financieel nadeel ondervonden van de eerste raming naar aanleiding van de begrotingscontrole. De aanpassing van de initiële doorstortingen gebeurt pas nadat de begrotingswet gepubliceerd is in het Staatsblad. De correctere herraming kon in deze context tijdig meegenomen worden.

Bij gebrek aan historische reeksen was het bijzonder moeilijk om de initiële ramingen te maken na het van start gaan van de zesde Staatshervorming. Intussen beschikken we over gegevens met betrekking tot de opbrengsten van de gewestelijke aanvullende belasting op de personenbelasting met betrekking tot de aanslagjaren 2015 tot en met 2017, waardoor de berekeningen steeds nauwer kunnen aansluiten bij de realisaties.

Ter verduidelijking van de betreffende berekeningen werd op 4 juli 2016 ook het « koninklijk besluit tot vaststelling van de methodologie voor de raming van de gewestelijke ontvangsten uit de personenbelasting in uitvoering artikel 54/1, § 3, tweede lid, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten » gepubliceerd (koninklijk besluit van 27 juni 2016), waarin de methode voor de raming van de gewestelijke ontvangsten uit de personenbelasting verduidelijkt en vastgelegd wordt.