2-19

Belgische Senaat

Gewone Zitting 1999-2000

Plenaire vergaderingen

Woensdag 22 december 1999

Ochtendvergadering

Beknopt Verslag

Inhoudsopgave

Inhoudsopgave. 1

Regeling van de werkzaamheden. 2

Wetsontwerp houdende sociale en diverse bepalingen (Stuk 2-229) (Evocatieprocedure) 2

Algemene bespreking. 2

Artikelsgewijze bespreking. 3

Wetsontwerp ter bevordering van de werkgelegenheid (Stuk 2-226) (Evocatieprocedure) 5

Algemene bespreking. 5

Artikelsgewijze bespreking. 8

Ontslag van een senator 11

Vraag om uitleg van mevrouw MartineTaelman aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het waarborgen van de permanentie en de basispolitiezorg binnen kleine interpolitiezones en de implicaties van EURO 2000 hierop» (nr. 2-35) 11

 


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.15 uur.)

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. – Daar mevrouw van Kessel, die rapporteur is van het wetsontwerp ter bevordering van de werkgelegenheid, nog niet aanwezig is, stel ik voor de bespreking aan te vatten van het tweede agendapunt. (Instemming)

Wetsontwerp houdende sociale en diverse bepalingen (Stuk 2-229) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Jan Remans (VLD), rapporteur. – Ik verwijs naar mijn verslag. Wel wil ik namens de VLD een aantal bedenkingen formuleren.

De nieuwe regering wil werken aan een betaalbare en voor iedereen toegankelijke gezondheidszorg. Het gebrek aan moed van de vorige regeringen heeft veel schade aangericht. Het vroeger beleid was meer een crisisbeleid. De wirwar van voorschriften en heffingen was niet meer te overzien.

Minister Vandenbroucke heeft indruk gemaakt met zijn voornemen om de ziekenzorg binnen de norm van 500,7 miljard frank te houden. Hij heeft daarom oude denkpistes gevolgd, maar ook een reeks nieuwe maatregelen voorgesteld. Uiteraard moeten we naar een financieel evenwicht in de ziekteverzekering streven.

De VLD vraagt met aandrang een einde te maken aan de versnippering van bevoegdheden. Voor het ziekenhuiswezen zijn bijvoorbeeld elf ministeries bevoegd.

De minister voorziet een permanente evaluatie van de nomenclatuur. De gezondheidszorg in de hospitalen komt steeds meer in een kwaad daglicht te staan. Er was een heisa rond de honorariasupplementen. De herziening van de ziekenhuiswetgeving staat niet in het regeerakkoord; wel duidelijke principes zoals pathologiefinanciering. De minister sprak in de commissie over de koppeling van minimale financiële gegevens aan minimale klinische gegevens. De tijd is gekomen om in de ziekenhuisfinanciering klare wijn te schenken.

Het budget voor geneesmiddelen kent jaarlijks grote overschrijdingen. Maar de farmaceutische sector heeft ook grote vooruitgang geboekt die de kosten in bepaalde deelsectoren drastisch kan verminderen. Technologische vooruitgang kan kostenbesparend zijn. De regering moet daarvan gebruik maken om de gezondheidszorg betaalbaar te houden. De minister moet daarvoor budgetten durven verschuiven.

Het ontbreekt vandaag aan de instrumenten om verschillen in kosten en baten te berekenen tussen ambulante en residentiële gezondheidszorgen, tussen geneesmiddelen zowel onderling als tegenover kinesitherapie of chirurgie en tussen dagopnames en hospitalisatie. In zijn beleidsbrief reikt de minister de oplossing aan voor dit probleem met de evidence based medicine.

Het beleid moet iedereen toegankelijke en betaalbare gezondheidszorgen garanderen. Er is geen discussie tussen voor- en tegenstanders van sociale veiligheid. Er is wel discussie over de vraag hoe we het systeem kunnen betalen.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). – De bespreking van deze programmawet zou een gelegenheid kunnen vormen om een debat aan te gaan over het gezondheidsbeleid in het algemeen. Dat debat is er niet gekomen.

Gezondheidsbeleid mag niet louter budgettair zijn, in dat beleid moet de patiënt centraal staan.

In vergelijking met onze buurlanden scoort België niet zo slecht op het vlak van de gezondheidszorg. In Nederland bijvoorbeeld bestaat er zorgschaarste. De situatie in het Verenigd Koninkrijk is nog veel slechter. Wij moeten ervoor zorgen dat aan de patiënt ook in de toekomst een toegankelijke en betaalbare gezondheidszorg kan worden gegarandeerd.

Het blijven hanteren van de 1,5%-groeinorm werd onhoudbaar. Die werd dan ook opgetrokken. Wij betreuren echter dat naar aanleiding hiervan geen debat heeft plaats gevonden.

In de programmawet ontbreekt een bepaling over de taak van de overheid om objectieve geneesmiddeleninformatie te verstrekken. Tegenover de uitgebreide informatie van de farmaceutische firma's moet de overheid objectieve informatie verschaffen.

In het gezondheidsbeleid moeten maatschappelijke keuzes worden gemaakt. Die keuzes moeten de krachtlijnen vormen van een debat.

Automatische correctiemechanismen worden beter mogelijk gemaakt met deze programmawet, zelfs bij het risico van budgetoverschrijdingen. Wij moeten ervoor waken dat dit ten koste van de patiënt gaat. Wij hebben een amendement ingediend om hiervoor garanties te voorzien.

Wat de geneesmiddelenproblematiek betreft, voorziet de programmawet in een heffing van 4 % wanneer het geneesmiddelenbudget overschreden wordt. Deze maatregel moet aangehouden worden, maar het blijft een uiting van onmacht.

Er moet werk worden gemaakt van het Pharmanetsysteem dat de artsen bewust maakt van hun voorschrijfgedrag.

Een vereenvoudiging van de structuren is voorzien. Wij juichen de vereenvoudiging van de procedure in verband met het Bijzonder Solidariteitsfonds toe. Ook de a posteriori toetsing is positief.

Wij betreuren evenwel dat er in de programmawet te weinig stappen werden gezet naar een eerste vereenvoudiging van de RIZIV-structuren. Het RIZIV telt 150 organen. Dat maakt het moeilijk voor de overheid om een stempel te drukken op het gezondheidsbeleid.

De Wetenschappelijke Raad krijgt een ruimere opdracht. Dat moet gekoppeld worden aan een ruimer budget.

Er is overleg geweest met het RIZIV. Hopelijk heeft dit als resultaat opgeleverd dat de intellectuele prestaties beter worden gehonoreerd.

Wij hebben een amendement ingediend over een adequate opvolging van het rapport Jadot. Wij zouden liever zien dat deze opdracht aan de Algemene Raad van het RIZIV zou worden toevertrouwd.

Wij hebben ook een amendement ingediend over de invoering van een verdeelsleutel evenals over de correcte indiening van RSZ-achterstallen.

Onze drie amendementen werden niet weerhouden in de commissie. Wij zullen ze opnieuw indienen in de plenaire vergadering.

Tot slot hebben wij gevraagd naar de visie van de minister inzake de financiering van de gezondheidszorg. Een plotse overgang van een prestatiefinanciering naar een forfaitaire financiering is te simplistisch. De Senaat is een geschikt forum om na te denken over het soort gezondheidszorg dat we willen.

De heer Jacques Santkin (PS). – Dit ontwerp is een duidelijke uiting van de wil van de regering om het beleid inzake gezondheidszorg rationeler en meer solidair te maken, en om de doeltreffendheid van de gebruikte middelen te optimaliseren.

Voor mijn fractie is het essentieel dat bij de uitvoering van de begrotingsbepalingen en van de beslissingen genomen tijdens het conclaaf, in het belang van de patiënt, een betere terugbetaling evenals de responsabilisering van de betrokken actoren wordt nagestreefd.

Wij vinden het zeer positief dat de aanpassing van de norm inzake de reële groei van de uitgaven 2,5% per jaar wordt. Wij zijn ook blij met de invoering van een automatisch correctiemechanisme in geval van overschrijding van de begrotingsdoelstelling. Wij zijn het eens met de verlenging van de omzetbelasting voor de farmaceutische industrie, maar zijn van mening dat de regering meer structurele maatregelen moet nemen.

Wij zijn het ook eens met de maatregel die voorziet in een specifiek bedrag met een recuperatie- en correctiemechanisme in geval van overschrijding voor sommige farmaceutische specialiteiten en met de mogelijkheid om de accrediteringsstructuren te financieren.

In hoofdstuk II wordt aangedrongen op de versoepeling van de procedures, vooral voor het bijzonder solidariteitsfonds. Deze hervorming zal een individuele benadering mogelijk maken voor patiënten met ernstige ziekten.

De Wetenschappelijke Raad van het RIZIV zal operationeel worden en daar verheugen wij ons om. De nomenclatuur van de geneeskundige verzorging zal eindelijk grondig kunnen worden onderzocht.

Wij hebben ook aandacht besteed aan de inspanningen tot vereenvoudiging ten voordele van de kansarmen.

Ik wil de klemtoon leggen op het hoofdstuk over de maatschappelijke integratie, met name op de zeer positieve maatregelen ten voordele van de bestaansminimumtrekkers. Zij mogen voortaan deeltijds werken en krijgen toegang tot de sector van de sociale economie. De minister wil het aantal bestaansminimumtrekkers met een baan tot 10.000 optrekken. Dat is een interessante doelstelling.

Mijn fractie is het ermee eens dat voor de financiering van de lokale kwaliteitsgroepen een rechtsgrondslag wordt gecreëerd.

De invoering van een procedure tot verlaging van de erelonen als de begrotingsdoelstelling dreigt te worden overschreden, vloeit voort uit dezelfde logica als die welke ertoe strekt de wetenschappelijke raad te activeren.

Dit ontwerp strekt er dus toe de medische overconsumptie terug te dringen en te besparen zonder te rantsoeneren. Hoofdzakelijk om die laatste reden zal mijn fractie deze tekst goedkeuren.

De heer Réginald Moreels (CVP). – Ik zal mij beperken tot mijn vraag om volgend jaar een staten generaal voor de volksgezondheid te organiseren. Bij de staten generaal zouden alle actoren - ook de patiënten - betrokken moeten worden. In de periode 2010-2015 dreigen zich ernstige problemen te stellen op het vlak van de werkgelegenheid, de vergrijzing en de volksgezondheid. Een minister met visie moet over de regeringsperiodes heen durven kijken. Als reflectiekamer is de Senaat de ideale plaats om een dergelijke staten generaal te organiseren.

De evolutie in de richting van een forfaitaire dan wel een prestatiegerichte geneeskunde zal een van de grote discussiepunten van de toekomst zijn. De discussie mag niet zwart-wit worden gevoerd, want er zijn tussenstappen mogelijk in de richting van een forfaitarisering van de geneeskunde, bijvoorbeeld, zoals de heer Mahoux voorstelde, door de verlaging van remgelden voor patiënten die de echelonnering respecteren. Het taboe moet worden doorbroken, zonder daarom te vervallen in het Engelse systeem dat op zijn beurt tot een dualisering heeft geleid.

Ik ben altijd al een voorstander van de echelonnering geweest. In ons land is de echelonnering bijna onbestaand. Het medisch dossier is een eerste poging om die echelonnering tot te passen. Wel vraag ik mij af waar de duizenden specialisten die niet aan een ziekenhuis of medisch centrum verbonden zijn, zich situeren. Horen zij bij de eerstelijnsgezondheidszorg of in een tweede of derde echelon? Zelf meen ik dat zij na de huisarts komen.

De groeinorm van de uitgaven van 2,5 procent per jaar kan selectief overschreden worden. Houden de criteria die daarbij gehanteerd zullen worden voldoende rekening met de evolutie van de wetenschap en de technologie? De tijdelijke overschrijding van het budget door de toepassing van nieuwe en dure technieken, kan na verloop van tijd belangrijke besparingen in andere sectoren opleveren.

Met betrekking tot de a posteriori-controle van de terugbetalingen herhaal ik mijn vraag op welke manier de positie van de patiënt kan worden versterkt. (Applaus)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC).- Ik spreek namens de heer Thissen.

Twee punten lijken mij essentieel. Wat gezondheidzorg betreft, onderschrijf ik de verbintenis van de huidige regering die de verworvenheden wil veiligstellen en tevens in een manoeuvreerruimte wil voorzien waardoor ze op de behoeften kan inspelen. Het is de bedoeling de patiënten betere en betaalbare gezondheidszorg te bieden.

Nochtans blijven er vragen. Het meest concrete element in verband met de verzekering voor geneeskundige verzorging is de verhoging van de groeinorm van 1,5% tot 2,5%. Als deze 2,5% ook de inflatie en exogene factoren omvat, kan men de regeringsbedoelingen in twijfel trekken, vermits deze norm dan minder bedraagt dan de gemiddelde uitgavengroei van 3,8% tussen 1990 en 1998.

De uitgaven voor gezondheidszorg mogen niet hoger zijn dan 500,7 miljard, wat niet realistisch is. Volgens een raming van de ziekenfondsen kan daarmee niet aan de noden worden voldaan. Blijkbaar is de eerste zorg van onze ministers het halen van de begrotingsdoelstelling.

Anderzijds kan ik mij alleen verheugen over de verhoogde subsidiëring van de palliatieve zorg, over de financiering van dagcentra voor bejaarden, over de verbetering van de begeleiding van rust- en verzorgingstehuizen en de versoepeling van de procedures, met name met betrekking tot het Bijzonder Solidariteitsfonds.

De minister streeft gelijkheid van behandeling voor alle patiënten na, ongeacht de plaats waar ze worden verzorgd. Voor de uitbreiding van het globaal medisch dossier wordt voorzien in bijkomende middelen. De dagcentra, de transmurale verzorging, de thuiszorg en de netwerken worden gestimuleerd en maatregelen worden getroffen ten voordele van de chronische zieken.

Met uitzondering van de beperkte verhoging van de groeinorm lijkt het beleid inzake gezondheidszorg de voortzetting van het beleid dat de voorbije jaren werd gevoerd. Gelukkig spreekt men niet meer van de privatisering van de ziekteverzekering.

Men had eens moeten nadenken over de universalisering van het recht op medische hulpverlening en over een betere harmonisering van de stelsels van loontrekkenden en zelfstandigen, evenals over de individualisering van de rechten om de gelijke kansen voor mannen en vrouwen te bevorderen. Mijn partij stelt de individualisering van het recht op sociale zekerheid voor, met name wat de werkloosheidsverzekering en de pensioenen betreft.

Inzake integratie en sociale economie heeft mijn collega in de commissie vier amendementen ingediend die een betere formulering van artikel 122 beogen. Dit artikel voorziet in sancties ten aanzien van de OCMW’s die asielzoekers ertoe aanzetten hun gemeente te verlaten. Dit artikel haalt de OCMW’s, hun personeel en de gemeenten door elkaar. Er wordt vooral niet duidelijk in gezegd welke feiten aanleiding kunnen geven tot sancties en het beschermt de OCMW’s niet tegen willekeurige sancties vanwege de federale overheid.

In elk geval was de politieke wil er niet om de sociale zekerheid voordeel te laten trekken uit de budgettaire marges als gevolg van de economische heropleving. In het kader van het deel over de maatschappelijke integratie en de sociale economie pleit ik dus voor een maximale samenwerking met de OCMW’s en voor respect voor hun werkmethodes die gericht zijn op maatschappelijke integratie en persoonlijke autonomie.

  De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-229/4.)

De voorzitter. – Mevrouw van Kessel c.s. heeft amendement nr. 9 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

Een artikel 5bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt:

« Art. 5bis. ­ Artikel 51, § 3, van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :

« Het nemen van correctiemaatregelen, zoals bedoeld in artikel 51, §§ 2 en 3, mag niet leiden tot een verhoging van het persoonlijk aandeel van

de rechthebbende. »

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Mevrouw van Kessel c.s. heeft amendement nr. 10 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

Een artikel 54bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt :

« Art. 54bis. ­ Artikel 16, § 2, van dezelfde wet, wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 2. De Algemene Raad stelt jaarlijks een omstandig rapport op over de eenvormige toepassing van de wetgeving in heel het land.

Dit rapport omvat een evaluatie van de eventuele ongerechtvaardigde verschillen en voorstellen tot wegwerking ervan.

Het rapport wordt, samen met het advies van het Verzekeringscomité en van de commissie voor Begrotingscontrole overgemaakt aan de

regering en aan het Parlement. »

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Mevrouw van Kessel c.s. heeft amendement nr. 11 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

Een artikel 54ter(nieuw) invoegen, luidend als volgt :

« Art. 54ter. ­ Artikel 18 van dezelfde wet wordt aangevuld met het volgende lid :

« De commissie is ermee belast aan de Algemene Raad haar advies te geven aangaande het rapport over de eenvormige toepassing van de wetgeving in heel het land, zoals bedoeld in artikel 16, § 2. »

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 96 luidt:

«In artikel 156 van de wet van 29 april 1996 houdende sociale bepalingen worden volgende wijzigingen aangebracht :

1º het eerste lid zal voortaan § 1 van het artikel vormen;

2º het tweede tot het vijfde lid zullen voortaan § 2 van het artikel vormen;

3º het zesde en zevende lid zullen voortaan § 3 van het artikel vormen;

4º § 1 wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 1. De technische cel heeft tot taak gegevens met betrekking tot de ziekenhuizen zoals bedoeld in § 2, te verzamelen, te koppelen, te valideren

en te analyseren. Daarnaast stelt de technische cel de gegevens ter beschikking volgens de modaliteiten beschreven in § 3. »;

5º in § 2, tweede lid, worden tussen de woorden « die haar » en « door het ministerie » en tussen de woorden « die haar » en « door het Instituut» de woorden « voor ieder dienstjaar » ingevoegd;

6º § 3 wordt vervangen door de volgende bepaling :

« § 3. De technische cel zal erover waken dat uit de informatie die beschikbaar wordt gesteld, geen gegevens kunnen worden afgeleid die betrekking hebben op een natuurlijke of rechtspersoon die is of kan worden geïdentificeerd.

Het ministerie en het Instituut hebben rechtstreeks toegang tot de door de technische cel verzamelde gegevens zonder dat de rechtspersoon is geïdentificeerd. De Koning bepaalt onder welke voorwaarden aan het ministerie of het Instituut gegevens kunnen worden medegedeeld door de technische cel, waarbij de rechtspersoon is geïdentificeerd.

De Koning bepaalt bij een in Ministerraad overlegd besluit op welke wijze en onder welke voorwaarden aan andere personen dan deze vermeld in het vorig lid, dezelfde gegevens als bedoeld in het tweede lid, verzameld door de technische cel, worden ter beschikking gesteld, rekening houdende met de aard en de doelstelling van de aanvraag van de gegevens. »

Op dit artikel heeft mevrouw van Kessel c.s. amendement nr. 13 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

«In artikel 156, § 3 voorgesteld in het 6º van dit artikel, de woorden « Het ministerie en het instituut » en de woorden « het ministerie of het instituut » respectievelijk vervangen door de woorden « Het ministerie, het instituut en de gemeenschappen » en de woorden « het ministerie, het instituut of de gemeenschappen ».

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 97 luidt:

« Artikel 46, § 1, van de arbeidsongevallenwet van 10 april 1971 wordt aangevuld als volgt :

« 7º tegen de werkgever die de wettelijke en reglementaire bepalingen inzake arbeidsveiligheid en -hygiëne zwaarwichtig heeft overtreden en die de werknemers aan het risico van arbeidsongevallen heeft blootgesteld, terwijl de ambtenaren die zijn aangewezen om toezicht te houden op de naleving van die bepalingen, hem schriftelijk hebben gewezen op het gevaar aan hetwelk hij deze werknemers blootstelt.

De schriftelijke ingebrekestelling vermeldt de overtredingen op de veiligheids- en hygiënevoorschriften die werden vastgesteld, het specifieke risico voor arbeidsongevallen dat hierdoor wordt gecreëerd, de concrete te nemen preventiemaatregelen alsmede de termijn waarbinnen deze moeten worden gerealiseerd, op straffe waarvan de mogelijkheid van een burgerlijke aansprakelijkheidsvordering bij gebeurlijk ongeval openstaat voor de getroffene of diens rechthebbenden.

De burgerlijke aansprakelijkheidsvordering wordt niet toegelaten tegen de werkgever die bewijst dat het ongeval mede is toe te schrijven aan de niet naleving door de getroffen werknemer van de hem voorafgaandelijk door de werkgever schriftelijk ter kennis gebrachte veiligheidsinstructies terwijl de nodige veiligheidsmiddelen hem ter beschikking werden gesteld. »

Op dit artikel heeft mevrouw van Kessel c.s. amendement nr. 14 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

« In het voorgestelde artikel 46, § 1, 7º, vooraan de woorden « voor zover de bevoegde rechter in een vastgestelde procedure dit aanvaardt » invoegen.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 107 luidt:

« In artikel 5 van de wet van 8 december 1976 tot regeling van het pensioen van sommige mandatarissen en van dat van hun rechtverkrijgenden, vervangen bij de wet van 22 januari 1981 en gewijzigd bij de wetten van 25 januari 1999 en 4 mei 1999, worden de volgende wijzigingen aangebracht :

1º § 1, tweede lid, wordt aangevuld als volgt :

« De mandaten die respectievelijk werden uitgeoefend in de hoedanigheid van burgemeester en in de hoedanigheid van schepen worden eveneens als verschillende mandaten beschouwd, evenals de mandaten die respectievelijk werden uitgeoefend vóór 1 januari 2001 en vanaf die datum. »;

2º § 1 wordt aangevuld met het volgende lid :

« In afwijking van het eerste lid wordt, voor de pensioenen die betrekking hebben op mandaten uitgeoefend vóór 1 januari 2001, geen rekening gehouden met de verhogingen van de jaarlijkse basiswedde die voortvloeien uit de wet van 4 mei 1999 tot verbetering van de bezoldigingsregeling en van het sociaal statuut van de lokale verkozenen. Deze pensioenen worden vastgesteld op basis van de jaarlijkse basiswedde waarvan gebruik werd gemaakt vóór voormelde datum. »;

3º in § 2, vierde lid, worden de woorden « , in § 3, eerste lid en in de artikelen 9, § 4, 10, tweede lid en » vervangen door de woorden « en in artikel »;

4º § 4, tweede lid, wordt vervangen door de volgende bepaling : « In afwijking van het eerste lid wordt, voor de pensioenen die betrekking hebben op mandaten uitgeoefend vóór 1 januari 2001, geen rekening gehouden met de verhogingen van de jaarlijkse basiswedde die voortvloeien uit voormelde wet van 4 mei 1999. Deze pensioenen blijven gekoppeld aan de evolutie van de jaarlijkse basiswedde waarvan gebruik werd gemaakt vóór voormelde datum. »

Op dit artikel heeft mevrouw van Kessel c.s. amendement nr. 15 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

« Dit artikel doen vervallen. »

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). – Mijn amendement strekt ertoe het pensioen van de locale mandatarissen opnieuw aan te passen aan de recente weddeverhoging die werd toegezegd aan de zittende locale mandatarissen. De minister wil deze aanpassing niet uitvoeren omdat hij vreest een ongelijkheid in het leven te roepen tussen de mandatarissen die een pensioen trekken en hun collega's die een uitgesteld pensioen trekken. Nu scheppen we echter een andere ongelijkheid. Er wordt hier geraakt aan het principe van de perequatie van de pensioenen. Een aanpassing van de pensioenen van locale mandatarissen zou een blijk zijn van waardering voor hun werk.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Ik verwijs naar het debat dat we over deze aangelegenheid in de commissie hebben gevoerd. Ook over de andere elementen die hier aan bod zijn gekomen, is in de commissie uitvoerig gediscussieerd.

Het schrappen van het artikel heeft tot doel de betrokkenen op de meest billijke wijze te behandelen. De wet met betrekking tot de lokale mandatarissen, die onlangs tot stand kwam, gaf aanleiding tot ernstige interpretatiemoeilijkheden en was bovendien niet echt billijk.

Ik heb uiteraard begrip voor het standpunt van mevrouw van Kessel. Het is immers niet oneerbaar de belangen van een groep van mensen te verdedigen. Om het algemeen belang te verdedigen probeer ik echter de meest correcte oplossing te vinden.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Mevrouw van Kessel c.s. heeft amendement nr. 16 ingediend (zie stuk 2-229/2) dat luidt:

Een artikel 129bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt :

« Art. 129bis.­ In artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 286 van 31 maart 1984 houdende maatregelen om een betere inning te verzekeren van de sociale zekerheidsbijdragen en de solidariteitsbijdragen verschuldigd door publiekrechtelijke rechtspersonen, worden het tweede en derde lid vervangen als volgt :

« Deze afhouding wordt ambtshalve verricht door het ministerie van Financiën op verzoek van de Rijksdienst voor sociale zekerheid nadat het betrokken bestuur geen gevolg heeft gegeven binnen een periode van drie maanden aan het aangetekend schrijven waarbij het werd aangemaand om de achterstallige bijdragen te betalen. De betrokken sommen worden binnen een periode van dertig dagen door het ministerie aan de rijksdienst overgemaakt. »

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Mevrouw van Kessel c.s. heeft amendement n°17 ingediend (zie stuk 2/229/2) dat luidt:

Een artikel 137bis (nieuw) invoegen, luidend als volgt :

« Art. 137bis.­ Artikel 107, § 4, van de samen geordende wetten betreffende de kinderbijslag voor loonarbeiders, gecoördineerd op 19 december 1939, wordt aangevuld met het volgende lid :

« De geldmiddelen toegewezen krachtens artikel 38, § 3, quinquies, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers, worden vanaf het dienstjaar 2001 verdeeld over de Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige projecten in verhouding tot de aantallen krachtens deze wet op kinderbijslag rechtgevende kinderen tussen 0 en 12 jaar die tot de Nederlandstalige, respectievelijk Franstalige Gemeenschap kunnen gerekend worden.

Bedoelde aantallen worden jaarlijks opgemaakt door de Rijksdienst en meegedeeld aan het beheerscomité. »

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

  De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp ter bevordering van de werkgelegenheid (Stuk 2-226) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP), rapporteur, verwijst naar het verslag. –

De heer Jan Remans (VLD). – Dit ontwerp is een eerste invulling van het hoofdstuk in het regeerakkoord over de actieve welvaartsstaat. Voor ons blijft het VLD-werkgelegenheidsplan echter een belangrijke referentie.

De in het ontwerp opgenomen lastenverlaging is niet dezelfde als die van het VLD-plan, maar draagt toch onze goedkeuring weg. Zoals de eerste minister ooit zegde is het bedrag van de lastenverlaging geen fetisj, wel moet ze substantieel zijn. De voorgestelde verlaging komt daaraan tegemoet. Bovendien kan ze worden herhaald in het derde jaar van deze legislatuur en in de sociale sector zal ze goed worden ontvangen.

Het is cruciaal dat de extra-middelen efficiënt worden besteed. De kans op slagen van maatregelen inzake tewerkstelling hangt ook af van opleiding en permanente vorming. De bouwsector kan als voorbeeld gelden van een sector die wordt geconfronteerd met een tekort aan gekwalificeerde arbeidskrachten. In de CAO van de bouwsector werd dan ook het doel geformuleerd om jaarlijks 250 werkzoekenden tussen 18 en 25 jaar op te leiden en te werk te stellen. Tijdens de opleiding krijgen de jongeren een vergoeding. De sociale partners beslisten deze vergoeding aan te vullen met een aanmoedigingspremie. De bouwsector gaat hiermee in op de aanbevelingen van de federale en regionale regeringen om inspanningen te doen voor ongeschoolde jonge werkzoekenden. Het is wel jammer dat de vergoeding en premie onderworpen zijn aan patronale lasten. Hierdoor wordt de sector geconfronteerd met een extra kost. Ik vraag de overheid deze lasten op zich te nemen.

De regering bereidt een kaderwet voor die de hergroepering beoogt van de regelingen inzake arbeidstijd. Dit is een wenselijk initiatief. Voor de VLD moet de arbeidsduurvermindering mogelijk zijn, maar op vrijwillige basis. We zijn tegen lineaire maatregelen. Dit is echter nu niet aan de orde.

Wij zijn ook blij met de maatregel om de 1+2+3-maatregelen uit te breiden naar de uitzendarbeid. Dit bevestigt de trend dat deze arbeid steeds meer fungeert als wervingskanaal en doorstromingskanaal. Misschien voorkomt deze maatregel dat langer dan noodzakelijk gebruik van uitzendkrachten wordt gemaakt. Kunnen voor die sector niet een aantal zaken worden versoepeld om creatie van jobs mogelijk te maken? Ik denk aan uitzendarbeid voor diensten aan personen en de bouwsector.

Het startbanenplan, het plan-Rosetta, komt tegemoet aan een nood in beide gemeenschappen. Het is goed dat de uitbreiding van de initiële doelgroep wordt voorzien. We moeten in Vlaanderen wel opletten voor een verdringing van oudere werklozen. Rosetta moet ook kwalitatieve effecten hebben. Ik ben dan ook blij dat het plan meer is dan een blinde plaatsingsmaatregel, maar ook kansen geeft aan opleiding en vorming. De tewerkstellingsverplichting blijft immers een heikel punt voor werkgevers. Ook de VLD heeft daarover reserves indien de maatregel te stringent en te lineair zou zijn. Indien de ondernemingen de maatregel niet mee dragen, wordt het succes twijfelachtig. Daarom is het goed dat de oorspronkelijke objectieven werden bijgespijkerd. De evaluatiemogelijkheid door de NAR en de CRB kan de problemen detecteren.

Het gebrek aan talenkennis is een ernstig tekort, ook inzake arbeidsmobiliteit. Het Rosetta-plan zou ook daarvoor de nodige inspanningen moeten doen.

De werkloosheid is een draak met vele koppen. Een werkgelegenheidsbeleid moet dan ook vele sporen volgen. Dit ontwerp doet dat. Het legt, in tegenstelling tot vorige maatregelen, twee duidelijke accenten: een lastenverlaging van 24 miljard en een startbanenplan. We hopen dat de regering blijft kiezen voor duidelijke accenten en verder werk maakt van de vereenvoudiging van de bestaande maatregelen.

De VLD zal dit ontwerp goedkeuren.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CVP). – Dit belangrijk ontwerp werd met spoed geëvoceerd door de meerderheidsfracties. We dachten dan ook dat een constructief debat zou volgen. In de commissie werden echter geen aanmerkingen gemaakt. Uit het verslag blijkt evenmin een inhoudelijke doelstelling van de evocatie. Ook op onze amendementen kwam geen reactie.

Dat doet bij mij vragen rijzen over de werking van de Senaat. Dit voorval schaadt ons imago. Het gaat niet goed met onze instelling. We hebben ons op korte tijd zeer veel laten afnemen. De ontwikkeling van ideeën over de staatshervorming hebben wij, als ontmoetingsplaats tussen de gemeenschappen, afgestaan aan een zeer vaag orgaan. Daar speelt zich een ondoorzichtig gesprek af. In onze rol als reflectiekamer zouden we een debat kunnen voeren over de ontwerpen inzake levensbeëindiging. Maar ook daarover lijken reeds politieke gebetonneerde voorstellen klaar te liggen vooraleer de commissie van start gaat. Ook dit ontwerp wordt zonder inhoudelijke doelstelling afgehandeld. We schaden dus onszelf als senatoren.

De CVP zal haar amendementen opnieuw indienen. We houden vast aan de door ons voorgestelde verbetering voor de non profit-sector. Die sector moet mee kunnen genieten van de structurele lastenvermindering. We blijven daarmee trouw aan onze visie zoals die in vorige legislatuur werd ontwikkeld.

We stellen ook verbeteringen voor inzake de startbanen. We willen daarmee verdringing voorkomen van langdurig werklozen en van deeltijds leerplichtige jongeren. Het systeem moet ook meer rekening houden met de specifieke situatie van de Vlaamse arbeidsmarkt waar in sommige sectoren een krapte aan arbeidskrachten bestaat. We willen tevens een bedrijfsvriendelijker systeem. De administratieve lasten zijn immers zeer zwaar en weinig efficiënt. Dit had vermeden kunnen worden door dit in te schrijven in de stagecontracten. We zijn ook geschrokken van de verregaande bevoegdheden die aan de Koning worden gegeven. Dit lijkt wel een volmachtenwet. We willen een grotere democratische controle.

De heer André Geens (VLD). – Ik wens te reageren op de uitspraken van mevrouw De Schamphelaere.

Namens mijn fractie ben ik ook voorstander van een debat over de rol van de Senaat. Dat zou nuttig zijn voor zowel de senatoren zelf als voor de instellingen.

Het gebruik van bepaalde technieken heeft echter te maken met slechte afspraken in het verleden. Het spel moet politiek correct worden gespeeld. Dit soort situaties kan men vermijden indien men op een politieke volwassen manier met elkaar omgaat. De oppositie moet niet onnodig evoceren om het regeringswerk te vertragen.

Het is onjuist dat er een op voorhand vastliggend voorstel inzake euthanasie ter sprake zal komen. Ik ben voorstander van een open, correcte en intensieve discussie over dit onderwerp.

Het feit dat zes partijen een voorstel inzake euthanasie hebben ondertekend, betekent niet noodzakelijk dat alle individuele leden van deze partijen akkoord gaan met dit voorstel. Onze fractie heeft terzake aan haar leden de individuele vrijheid gelaten.

De voorzitter. – Wij gaan dat debat nu niet voeren. U bent natuurlijk nog nieuw als senator. Ik wijs er u op dat tijdens de vorige zittingsperiode een commissie voor de evaluatie van de nieuwe staatsstructuren werd opgericht. Er liggen 900 pagina's te uwer beschikking. Ik stel voor dat u die leest. Als u daarna vragen hebt, kunt u ze stellen in het licht van het verslag dat tijdens de vorige zittingsperiode werd opgesteld. Wij gaan het warm water niet opnieuw uitvinden. Wij moeten ons aan de agenda houden.

Het woord is aan de heer Santkin.

De heer Jacques Santkin (PS). – Wij staan achter de maatregelen tot structurele verlaging van de lasten. Ze versterken het huidige systeem. De sociale partners zullen elk jaar een evaluatie maken van de loonevolutie, van de gegeven opleidingen en van de toestand op de arbeidsmarkt. De verlaging van de lasten zou aldus kunnen worden herzien voor ondernemingen en sectoren die onvoldoende inspanningen geleverd hebben. Er zal ook rekening gehouden worden met de afspraken die tussen de sociale partners gemaakt worden in het tweejaarlijks interprofessioneel akkoord voor de aanpassing van het stelsel van de lastenverlaging.

Ook met de maatregelen in verband met de sociale Maribel zijn wij tevreden. Dit plan wordt met 1,5 miljard verhoogd vanaf de tweede helft van 2000. De kortingen op de werkgeversbijdragen zullen opgetrokken worden tot 48.000 frank per jaar, wat zal bijdragen tot de terugdringing van de werkloosheid. Wij zijn het ook eens met de vereenvoudiging van de administratieve procedures. De termijnen voor de effectieve indienstneming van bijkomende werknemers werden verkort, zodat dit mogelijk wordt vanaf de eerste dag nadat aan de werkgever toestemming is gegeven.

Evenzeer steunen wij de bepalingen met betrekking tot de werktijdverkorting en de mogelijkheid om nieuwe overeenkomsten te sluiten om bijkomend wetenschappelijk personeel in dienst te nemen met vrijstelling van werkgeversbijdragen.

Het plan tot inschakeling van jongeren op de arbeidsmarkt is het meest substantiële gedeelte van het ontwerp van wet. Ofschoon de toestand op dit gebied gunstig evolueert, blijft waakzaamheid geboden.

Het begeleidingsplan voor jonge werklozen is het sleutelelement van het meerjarenbeleid voor de bestrijding van de werkloosheid. Er zijn striktere specifieke maatregelen genomen om de toegang tot de arbeidsmarkt te vergemakkelijken en de wetgeving met betrekking tot de jongerenstage is vereenvoudigd.

Het ontwerp van mevrouw Onkelinx komt tegemoet aan de wensen van de regering. Die beloofde de jongeren vóór hun zesde maand werkloosheid een baan of opleiding. Het invoeren van een cascaderegeling voor de categorieën begunstigden beantwoordt aan de verwachtingen van de sociale partners. De subregionale tewerkstellings- en opleidingscomités zijn goed geplaatst om de evolutie op de arbeidsmarkt te volgen en eventueel wijzigingen in de categorieën van begunstigden aan te brengen.

Mijn fractie is verheugd dat rekening wordt gehouden met de opleiding van de werknemers. De werkgever betaalt immers maar 90% van het loon als hij 10% besteedt voor de opleiding van de nieuwe werknemer.

Een jaar na de inwerkingtreding van de wet moeten de Nationale Arbeidsraad en de Centrale Raad voor het bedrijfsleven evalueren of de aan de werkgevers opgelegde normen worden nageleefd. Die kunnen eventueel worden herzien. Ik steun ook het toekennen van voordelen aan de werkgevers die laaggeschoolde werknemers in dienst nemen en de invoering van een overgang tussen de jongerenstage en de startbaanovereenkomst.

Mijn fractie is verheugd dat het ontwerp voorziet in maatregelen voor jongeren na hun eerste baan en dat ook de overheid hierbij betrokken is. De verschillende bevoegdheidsniveaus moeten hiervoor nauw samenwerken. Ik hoop dat de minister de Senaat inlicht over de gesloten samenwerkingsakkoorden en de jaarlijkse evaluatie ervan.

Mijn fractie zal dit ontwerp goedkeuren. Het geeft vorm aan het concept van de actieve welvaartsstaat door te verhinderen dat jongeren in langdurige werkloosheid wegzinken.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Dit ontwerp is de eerste concretisering van het beleid van de nieuwe paarsgroene regering. Wij schatten de uitgangspunten van het regeringsakkoord positiever in dan het beleid van de vorige regeringen. Maar dat geldt alleen voor de vernieuwende voorstellen en ontwerpen, want sommige initiatieven vinden wij ronduit slecht.

De lastenverlaging was reeds ingezet door de vorige regering. De huidige regering verlaagt de lasten nog meer, maar vergeet daarbij dat ook onze buurlanden dat doen, zodat het effect op onze concurrentiepositie te verwaarlozen zal zijn..

De startbanenovereenkomsten betekenen in alle opzichten een trendbreuk. Ik maak deel uit van een generatie die de planeconomie volledig heeft afgezworen. Nu komt de minister met een oud recept naar voren waarbij zij werkgevers verplicht bepaalde categorieën van werknemers tewerk te stellen. Een economie groeit niet bij gratie van verplichtingen en regels, maar dank zij creatieve ondernemers die willen innoveren. Met de plannen van minister Onkelinx zetten wij de klok 25 jaar terug. Zelfs het ABVV toonde zich ongelukkig met de planinterventie. Daarom werd rosetta omgevormd tot een mini-rosetta, maar de essentie bleef. Denkt de minister dat de werkgevers mensen aanwerven omdat zij daartoe verplicht worden?

De arbeidsparticipatie van jongeren is minder goed dan in andere Europese landen. Maar wat dan met de oudere werknemers? Mogen wij ons binnenkort verwachten aan de verplichte tewerkstelling van vijftigplussers? Waarom heeft de minister zo weinig vertrouwen in de ondernemers van dit land?

Heeft de minister al gedacht aan het verdringingseffect op de ouderen? Het antwoord is eenvoudig: in Wallonië zijn er banen te weinig en daar zwaait de PS nog steeds de plak. Een experiment van verplichte tewerkstelling moet dus maar in Wallonië worden uitgetest en niet in Vlaanderen.

Er is maar een remedie: verlaag de lasten en maak van de jongeren jonge ondernemers en geen nepwerknemers.

De situatie in Vlaanderen is zo verschillend van deze in Wallonië dat een gemeenschappelijke oplossing niets uithaalt. Ook in Vlaanderen is er jongerenwerkloosheid. Nochtans is het jobaanbod er groot. Verplichte tewerkstelling biedt hier geen oplossing, opleiding en vorming wel.

Alleen een regionaal werkgelegenheidsbeleid is goed voor Vlaanderen én Wallonië. Voor die termijnvisie moeten wij echter bij de COSTA zijn.

Hoe kunnen wij dan ontsnappen aan dit onheilsplan?

De Vlaamse minister van tewerkstelling heeft herhaaldelijk de federale minister tegengesproken. Ik vraag me af hoe in dergelijke omstandigheden een samenwerkingsakkoord het licht zal zien.

Sectorprotocollen kunnen meer soelaas bieden dan het federale jongerenbanenplan. Enkel per sector kan dan de driepercentregel goed worden geëvalueerd.

Het cascadesysteem zou ook beter worden vervangen door een stel maatregelen voor werkzoekenden van zestien tot dertig jaar.

De groep van deeltijds werkenden of deeltijds lerenden van zestien tot achttien jaar vallen niet onder het jongerenbanenplan. Naar verluidt wil de minister niet dat de federale overheid optreedt in de opleiding die normaal tot de bevoegdheid van de gewesten behoort. Ook hier spreken de federale minister en haar medewerker elkaar tegen.

Voortaan ressorteren de subregionale tewerkstellingscomités exclusief onder de regionale ministers.

Binnenkort zal de Interministeriële conferentie de nieuwe verdeelsleutel tussen de gewesten vastleggen. Dit impliceert dat de federale minister niet langer vasthoudt aan het akkoord waarbij Vlaanderen 65% van de fondsen levert, maar slechts 45% voor het jongerenbanenplannen terugkrijgt. Vlaanderen weigert elke verdere aantasting van de gelden die haar in het kader van het tewerkstellingsbeleid toekomen.

Wij kunnen akkoord gaan met de amendementen van de PSC en CVP inzake lastenverlaging. De bepalingen inzake arbeidsduurvermindering brengen niet veel nieuws. Wij verheugen ons over de lastenverlaging in de koopvaardij.

Mevrouw Onkelinx doet me denken aan een van de grote roergangers van communistisch China. Het verschil is echter dat China één land is met twee systemen en dat we hier met twee landen zitten met één enkel systeem, met name dat van de Walen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Het is goed nog een gesprek te hebben met een overtuigde liberaal van de oude garde. Het ontwerp is de perfecte vertaling van het regeerakkoord.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – U zit echter met die liberalen in de regering.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – De liberalen in de regering zijn echter van een ander soort. Ze zijn meer sociaal voelend.

De stages afschaffen is niet verstandig. Er wordt een maatschappelijk contract ingevoerd.

Het ontwerp strekt ertoe de premies een nieuwe oriëntatie te geven. In plaats van de werkgevers ertoe aan te zetten de nieuw werkkrachten eerst een tijd op de dop te laten staan, krijgen de werkzoekenden nu meteen een premie.

De ondernemingen mogen maximaal gebruik maken van de regeling. Ze mogen zelfs meer initiatieven nemen. Het systeem zal dan later worden geëvalueerd.

Het jongerenbanenplan maakt subregionaal maatwerk mogelijk. Het verwondert me dat de heerVan Quickenborne daar kritiek op heeft.

Het jongerenbanenplan zal ook voor goede geïndividualiseerde begeleiding zorgen. Er zal dus geen bureaucratische aanpak komen. De jongeren zullen snel ingeschakeld worden. We willen investeren in jonge mensen. Aan de basis van het jongerenbanenplan is er een maatschappelijk contract. Het plan is overigens de uitvoering van een EU-werkgelegenheidsrichtsnoer.

Als het cascadesysteem werkt, dan komen de jongeren tussen 16 en 18 jaar vlug in de tweede doelgroep. Die doelgroep behoort tot de bevoegdheid van de gewesten.

Aan de heer Santkin wil ik zeggen dat het inderdaad belangrijk is om het Parlement te betrekken bij de evaluatie van dit zeer belangrijke ontwerp. Na de amendering door de Kamer bepaalt artikel 48 dat de evaluatie naar het Parlement wordt overgeheveld.

Het alternatief leren en werken is ook geregeld in dit ontwerp. Bedrijven kunnen van de stageverplichting worden ontheven voor zover ze zelf overeenkomsten hebben tot opleiding van jonge mensen. Wat de bijdragen betreft, verwijs ik naar het kabinet van de federale minister. Het is immers een te complexe materie om die hier te behandelen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ik betreur dat de minister impliciet opnieuw met het klassieke verwijt van neoliberalisme aankomt. De kritiek komt echter van minister Landuyt. Blijkbaar heeft men in de SP twee verschillende visies op tewerkstelling.

De verplichting voor een individueel bedrijf is niet soepel genoeg. De incentives zouden op sectoraal niveau moeten worden gegeven.

Er is het probleem van vorming en opleiding.

In Vlaanderen is er geen groot probleem van een tekort aan jobs. We moeten integendeel de mensen vormen en opleiden. Het is niet omdat men de bedrijven verplicht mensen aan te werven, dat ze dat ook doen. Trouwens, ook de sociale partners hebben kritiek gehad op dat plan.

Ik ben enthousiast over het regeerakkoord. Maar ik heb altijd gezegd dat er inzake sociale zekerheid en tewerkstelling onvoldoende keuzen werden gemaakt.

Het stageplan heeft niet gewerkt. Door strenger op te treden zullen bedrijven niet plots mensen aanwerven. Het gaat in de eerste plaats om vorming en opleiding van mensen.

Incentives ja, maar de controle en de straffen zijn zeer zwaar. Ik geef het voorbeeld van De Post. Die gaat binnenkort afslanken maar valt door deze wet onder de 3% tewerkstellingsmaatregel. De Post kan daaraan niet tegemoetkomen. De Post zal dus met zware problemen worden geconfronteerd.

De subregionale tewerkstellingscomités zijn een goed instrument maar wie neemt de uiteindelijke beslissing? Onder wie ressorteren zij? Onder de regionale of federale ministers? Het komt aan Vlaanderen toe te zien hoe de zaak wordt aangepakt.

Over deeltijds leren, deeltijds werken heeft de minister op 14 december de verkeerde informatie gegeven. Op 16 december werd dat bijgestuurd. Wordt er achter de schermen bijgestuurd?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Ik heb geen verwijten gemaakt. Ik stel enkel vast dat de heer Van Quickenborne argumenteert op grond van persberichten. Ik discussieer op basis van een wetsontwerp.

De essentie is dat de heer Van Quickenborne de stages wil afschaffen. Ik wil de incentives binnen dat systeem verzetten. Om een universitair aan te werven, heeft men dat systeem niet nodig. Er is wel een incentive nodig om iemand met een diploma van middelbaar onderwijs aan te werven. Ik vind degene die nu het stagesysteem wil afschaffen, een ultraliberaal van de jaren tachtig.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ik stel een meningsverschil tussen de ministers Vandenbroucke en Landuyt vast. Ik volg het plan-Landuyt. Als dat neo-liberalisme is, dan heeft de SP een probleem.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Minister Landuyt heeft gereageerd op voorstellen. Die voorstellen zijn inmiddels bediscussieerd. De heer Landuyt zal het vandaag met mij eens zijn.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – De stelling van de heer Landuyt dateert van 18 november en toen was het plan bijgeschaafd.

De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, zie stuk 2-226/4.)

De voorzitter. – Artikel 23 luidt:

Ǥ 1. Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder jongere :

1º elkeen die, net vóór zijn aanwerving :

a) niet meer onderworpen is aan de leerplicht;

b) minder dan vijfentwintig jaar oud is;

c) sedert minder dan zes maanden, hetzij geen lessen meer volgt in het voltijds of deeltijds onderwijs, hetzij niet meer deelneemt aan een inschakelingsparcours;

2º bij een tekort aan jongeren bepaald in 1º, elkeen die, net vóór zijn aanwerving :

a) werkzoekende is;

b) minder dan vijfentwintig jaar oud is;

3º bij een tekort aan jongeren als bepaald in 1º en 2º, elkeen die, net vóór zijn aanwerving :

a) werkzoekende is;

b) minder dan dertig jaar oud is.

§ 2. Bij een tekort aan jongeren als bepaald in § 1, kan de Koning bepalen welke jongeren kunnen worden aangeworven in het kader van een

startbaanovereenkomst.

§ 3. De Koning bepaalt wat men onder tekort verstaat , wie de eventuele toestand van tekort vaststelt en legt de procedure vast».

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 33 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

« A. In § 1 van dit artikel de woorden « bij een tekort aan jongeren zoals bepaald in 1° » en de woorden « bij een tekort aan jongeren zoals bepaald in 1° en 2° » doen vervallen. »

« B. In dit artikel, de paragrafen 2 en 3 doen vervallen. »

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Met dit amendement stel ik voor dat we zouden afstappen van het ingewikkelde cascadesysteem en dat alle jongeren tussen 16 en 30 jaar in aanmerking zouden komen voor de startbaanovereenkomst.

De voorzitter. – Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne eveneens amendement nr. 34 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«Paragraaf 3 vervangen als volgt:

Ǥ 3. De Koning bepaalt wat men verstaat onder tekort en legt de procedure vast.

De subregionale tewerkstellingscomités of, wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, het beheerscomité van de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling stellen de eventuele toestand van tekort vast en informeren de minister van Werkgelegenheid.

Bij gebrek aan andersluidende beslissing van de minister van Werkgelegenheid binnen de 8 dagen na ontvangst van deze informatie leidt de vaststelling van de toestand van tekort tot de gevolgen voorzien in de paragrafen 1 en 2.

De rol die aldus wordt toebedeeld aan de subregionale tewerkstelingscomités evenals aan de Brusselse gewestelijke dienst voor arbeidsbemiddeling maakt het voorwerp uit van een samenwerkingsakkoord tussen de Staat en de deelstaten».

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – We stellen voor de oorspronkelijke tekst van het wetsontwerp van minister Onkelinx te behouden.

Ze zei in de commissie dat ze tegemoetkomt aan de kritiek van de Raad van State dat ze zich niet heeft uit te spreken over een samenwerkingsakkoord of over subregionale tewerkstellingscomités. In artikel 43 van het huidig wetsontwerp verandert er evenwel niets, er wordt wél gesproken van samenwerkingsakkoorden. Om er zeker van te zijn dat er een samenwerkingsakkoord komt, wens ik artikel 23, paragraaf 3 te behouden.

  De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 26 luidt:

«Voor de toepassing van dit hoofdstuk verstaat men onder :

1º openbare werkgever, alle publiekrechtelijke rechtspersonen met uitzondering van :

a) intercommunales met commerciële of industriële activiteiten;

b) openbare kredietinstellingen;

c) autonome overheidsbedrijven;

2º werkgever uit de private sector, alle natuurlijke personen of privaatrechtelijke rechtspersonen alsook de intercommunales met industriële of commerciële activiteiten, de openbare kredietinstellingen en de autonome overheidsbedrijven.

In afwijking van het eerste lid wordt de werkgever uit de private sector die behoort tot de non-profitsector beschouwd als openbare werkgever voor de toepassing van dit hoofdstuk, met uitzondering van artikel 43».

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 35 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«A. In het eerste lid, het 1° aanvullen als volgt: «d) naamloze vennootschappen van publiek recht;

e) vakverenigingen en werkgeversorganisaties»

B. In het eerste lid, het 2° aanvullen als volgt:

«en naamloze vennootschappen van publiek recht en vakverenigingen en werkgeversorganisaties»

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – In artikel 26 wordt een onderscheid gemaakt tussen een werkgever uit de openbare sector en een werkgever uit de particuliere sector. Er wordt niets gezegd over een naamloze vennootschap van publiek recht. Onder welk statuut vallen deze vennootschappen? Vennootschappen van publiek recht zijn enerzijds openbare werkgevers, maar anderzijds zijn ze als naamloze vennootschappen ook privaatrechtelijke rechtspersonen. Dit gegeven is niet onbelangrijk omdat De Post binnenkort dat statuut zal aannemen. Gelet op het vermarkten van dit bedrijf opteren we voor het ressorteren onder het privaatrechtelijk statuut. Misschien kan de minister hier een toelichting geven, als die duidelijk is kan ik mijn amendement intrekken.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. – Artikel 26 stipuleert dat de openbare bedrijven worden gelijkgesteld met de privé-bedrijven. De tekst van het ontwerp preciseert dat als openbare werkgever worden beschouwd alle publiekrechtelijke rechtpersonen met uitzondering van onder andere de autonome overheidsbedrijven, die als privé-werkgevers worden beschouwd.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Er bestaat, me dunkt, toch nog enig verschil tussen een autonoom overheidsbedrijf en een NV van publiek recht.

Als ik de minister goed begrijp, zegt hij toch dat, gezien een autonoom overheidsbedrijf op dezelfde manier als een privé-werkgever onder de toepassing van de wet valt, dit ook moet gelden voor een NV van publiek recht. Ik neem daarvan akte en trek bij deze dit amendement in.

  Het amendement wordt ingetrokken.

De voorzitter. – Artikel 27 luidt:

« Voor de toepassing van dit hoofdstuk, verstaat men onder startbaanovereenkomst :

1º een minstens halftijdse arbeidsovereenkomst die wordt gesloten tussen een jongere en een openbare werkgever of een werkgever uit de private sector gedurende de eerste twaalf maanden met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van zijn overeenkomst;

2º een deeltijdse arbeidsovereenkomst, minstens halftijds, die wordt gesloten tussen een jongere en een openbare werkgever of een werkgever uit de private sector gedurende een periode van twaalf tot vierentwintig maanden met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van zijn overeenkomst, voorzover de jongere gedurende deze periode eveneens een opleiding volgt die erkend is door het koninklijk besluit van 20 oktober 1992 houdende erkenning van de opleidingen als bedoeld in artikel 1, a) , van het koninklijk besluit nr. 495 van 31 december 1986 tot invoering van een stelsel van alternerende tewerkstelling en opleiding voor de jongeren tussen 18 en 25 jaar tot tijdelijke vermindering van de sociale zekerheidsbijdragen van de werkgever, verschuldigd in hoofde van deze jongeren, een opleiding die wordt georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door het bevoegde gewestelijke en/of gemeenschapsdiensten inzake opleiding of een opleiding georganiseerd, gesubsidieerd of erkend door de bevoegde gemeenschap of het bevoegde gewest in het kader van de permanente vorming van de middenstand;

3º een leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, een leerovereenkomst voor de middenstand, een stage-overeenkomst georganiseerd voor de middenstandsopleiding, een overeenkomst voor de inschakeling in het arbeidsproces of elke andere vorm van leerlingwezen of inschakeling die de Koning bepaalt, gedurende een periode van twaalf tot vierentwintig maanden met ingang van de dag waarop de jongere begint met de uitvoering van zijn contract of overeenkomst.

De startbaanovereenkomst kan echter niet bestaan uit een arbeidsovereenkomst gesloten tussen een jongere en een openbare werkgever of een werkgever uit de private sector wanneer deze arbeidsovereenkomst is gesloten binnen een wedertewerkstellingsprogramma als bedoeld in artikel 6, § 1, IX, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen of binnen het doorstromingscontract.

De periode bedoeld in het eerste lid, 2º en 3º, kan worden verlengd tot 36 maanden voorzover het een opleiding betreft die het voorwerp uitmaakt van een startbaanovereenkomst die in een dergelijke duur voorziet.

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 36 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

« In het eerste lid, 3°, het woord « twaalf » vervangen door de woorden « minstens de duur van een schooljaar ».

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Het verheugt me dat minister Vandenbroucke ons vandaag meedeelt dat de deeltijds lerenden/deeltijds werkenden bij de tweede en de derde categorie kunnen worden ondergebracht. Met dit amendement vestig ik er enkel de aandacht op dat artikel 27, punt 3 bepaalt dat een stageovereenkomst en een overeenkomst ter inschakeling in het arbeidsproces kunnen worden gekwalificeerd als een startbaanovereenkomst. Als een jongere van tussen de zestien en achttien onder het toepassingsgebied van deze wet kan vallen, dan is dat waarschijnlijk door de bepalingen van het derde punt van artikel 27.

De periode waarvoor het contract moet worden gesloten, bedraagt echter ’12 tot 24 maanden’. Het is met de beste bedoeling dat ik voorstel deze termijn te vervangen door ‘minstens de duur van een schooljaar’. Een deeltijds werkende/deeltijds lerende zal immers maar een contract krijgen voor de duur dat hij school loopt, dat wil zeggen, voor negen maanden. Op die manier zou hij opnieuw buiten het toepassingsgebied van de wet vallen. Ik sluit niet uit dat dit probleem ook in een uitvoeringsbesluit wordt weggewerkt. Wat telt is dat het gebeurt.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 34 luidt:

«Onder de voorwaarden die door de Koning worden vastgelegd, kan de nieuwe werknemer met behoud van zijn loon, zijn vergoeding of zijn uitkering, afwezig zijn om in te gaan op werkaanbiedingen.»

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 37 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«Dit artikel doen vervallen.»

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 35 luidt:

«§ 1. In afwijking van de artikelen 40, 59 en 82 van de wet van 3 juli 1978 betreffende de arbeidsovereenkomsten, kan de nieuwe werknemer de in artikel 27, 1º en 2º, bedoelde arbeidsovereenkomst beëindigen mits een opzegtermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening, indien hij een andere baan heeft gevonden.

§ 2. In afwijking van de artikelen 35 tot 38 en 40 van de wet van 19 juli 1983 op het leerlingwezen voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, kan de nieuwe werknemer de leerovereenkomst voor beroepen uitgeoefend door werknemers in loondienst, bedoeld in artikel 27, 3º, beëindigen mits een opzegtermijn van zeven dagen die aanvangt op de dag volgend op de betekening, indien hij een andere baan heeft gevonden.

§ 3. De startbaanovereenkomst wordt automatisch beëindigd wanneer de in artikel 27, 1º en 2º, bedoelde arbeidsovereenkomst, alsook de contracten en overeenkomsten bedoeld in artikel 27, 3º, eindigen.»

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 38 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«Dit artikel doen vervallen.»

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 36 luidt:

«Wanneer de startbaanovereenkomst een einde neemt vóór de in artikel 27 bedoelde periodes verstrijken, is de nieuwe werknemer ertoe gehouden de door de Koning aangewezen ambtenaar daarvan in kennis te stellen, op de wijze die Hij bepaalt.»

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 39 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«De woorden «nieuwe werknemer» vervangen door het woord «werkgever».

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ik stel voor de woorden ‘nieuwe werknemer’ in artikel 36 te vervangen door ‘werkgever’. Het betreft hier de notificatieplicht die een persoon heeft tegenover een door de koning aangewezen ambtenaar bij het einde van de overeenkomst. Wij hebben in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden de minister er reeds op gewezen dat het niet normaal is dat die verplichting de werknemers te beurt valt. Dit zijn hier meestal laaggeschoolden, voor wie dit helemaal niet evident is. Reden te meer om de tekst te veranderen is dat niet-notificatie leidt tot de niet-toepassing van artikel 45 van de wet. Een werkgever die van slechte wil is – en er zijn er heel wat, dat geef ik grif toe – kan op die manier een opeenvolging van startbanen ingang laten vinden en de wet uithollen.

Met mijn amendement wil de notificatieplicht bij de werkgever leggen.

Zoals u ziet, mijnheer de voorzitter, zijn al deze amendementen grondig overwogen.

De voorzitter. – Ik twijfel er niet aan.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 42 luidt:

«§ 1. De minister van Werkgelegenheid kan, op voorstel van het beheerscomité van de Rijksdienst voor Arbeidsvoorziening, de werkgevers uit de private sector die tot eenzelfde sector behoren en die een redelijke inspanning hebben geleverd ten gunste van de werkgelegenheid, geheel of gedeeltelijk vrijstellen van de toepassing van dit hoofdstuk, voorzover :

1º deze werkgevers uit de private sector gebonden zijn door een collectieve arbeidsovereenkomst bedoeld in artikel 106 van de wet van 26 maart 1999 betreffende het Belgisch actieplan voor de werkgelegenheid 1998 en houdende diverse bepalingen, die een inspanning voorziet van ten minste 0,15 % voor de periode tussen 1 januari 1999 en 31 december 2000;

2º en zij het bewijs leveren :

a) hetzij dat zij zich door collectieve arbeidsovereenkomsten verbonden hebben, overeenkomstig de bepalingen van de wet van 5 december 1968 betreffende de collectieve arbeidsovereenkomsten en de paritaire comités, jongeren tewerkstellen waarop een inschakelingsparcours van toepassing is;

b) hetzij zij een overeenkomst hebben aangegaan met een van de gewestelijke en/of gemeenschapsdiensten voor arbeidsbemiddeling en/of beroepsopleiding met het oog op de opleiding of de tewerkstelling van jongeren die een inschakelingsparcours genieten;

3º deze uitzondering geen negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid met zich brengt.

§ 2. De Koning kan de voorwaarden en de nadere regels van deze vrijstelling wijzigen na het advies van de Nationale Arbeidsraad. Hij bepaalt eveneens wat dient te worden verstaan onder negatieve gevolgen voor de werkgelegenheid. Indien het gaat om een vrijstelling ten gunste van het geheel van de werkgevers uit de private sector die behoren tot eenzelfde sector, bepaalt de Koning eveneens de berekeningswijze van het aantal jongeren dat deze bedrijven moet aanwerven.»

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 31 ingediend (zie stuk 2-226/2) dat luidt:

«Dit artikel vervangen als volgt :

« De minister van Werkgelegenheid kan, op voorstel van een gewestregering, de werkgevers die tot een zelfde sector behoren geheel of gedeeltelijk vrijstellen voor zover die sector met deze gewestregering een overeenkomst is aangegaan met het oog op de tewerkstelling en/of opleiding van jongeren.»

Op hetzelfde artikel heeft de heer Van Quickenborne een subsidiair amendement nr. 40 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«In § 1, 1°, het cijfer «0,15%» vervangen door het cijfer «0,10%».

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Bij artikel 42 heb ik twee amendementen ingediend. Het amendement in hoofdorde is reeds besproken in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en strekt ertoe de ingewikkelde procedure van artikel 42 naar vorm en inhoud sterk te vereenvoudigen en te beperken tot: «De minister van Werkgelegenheid kan, op voorstel van een gewestregering, de werkgevers die tot een zelfde sector behoren geheel of gedeeltelijk vrijstellen voor zover die sector met deze gewestregering een overeenkomst is aangegaan met het oog op de tewerkstelling en/of opleiding van jongeren.»

De huidige tekst legt het bedrijf of de sector in kwestie te veel voorwaarden op.

Mijn tweede amendement betreft de discussie over de cijfers 0,10 en 0,15 procent. In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden konden we niet aan de weet komen waarom er nu in artikel 42, punt 1 het cijfer 0,15 procent staat. De minister verwees toen naar de wet van 26 maart 1999 en naar het onlangs afgesloten interprofessioneel akkoord. De 0,15 is daaruit gewoon overgenomen, zo zei men. Ik vond in het interprofessioneel staat geen 0,15 maar wel 0,10 procent.

Het gaat hier niet over een detail: de 0,10 procent slaat op de verplichting voor alle werkgevers uit alle sectoren om te investeren in risicogroepen, de 0,15 procent slaat alleen op de bouwsector. Ofwel hebben we hier te maken met een alerte lobby die de 0,15 procent op deze manier in de wet wil laten opnemen, ofwel betreft het een loutere vergetelheid of een vergissing vanwege de minister of zijn kabinet. Wat het ook zij, ik pleit voor de 0,10 procent zodat de versoepeling gemakkelijker kan worden verleend.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 47 luidt:

Ǥ 1. De werkgever uit de private sector die geen nieuwe werknemers tewerkstelt ten belope van minstens 3 % van zijn personeelsbestand op 30 juni van het voorgaande jaar, is verplicht een compenserende vergoeding van 3 000 frank te betalen.

Indien een jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk wordt vastgesteld dat de verplichting zoals bedoeld in artikel 39, § 1, niet werd nageleefd, is de openbare werkgever verplicht een compenserende vergoeding van 3 000 frank te betalen.

Indien een jaar na inwerkingtreding van dit hoofdstuk, de Koning, overeenkomstig artikel 48, eerste lid, het percentage bedoeld in artikel 39, §§ 2 en 3 heeft gewijzigd, is de private werkgever die zich niet houdt aan zijn verplichting gehouden de compenserende vergoeding van 3 000 Belgische frank te betalen.

Deze vergoeding wordt vermenigvuldigd met :

1º het aantal kalenderdagen dat het verplichte aantal jongeren niet werd tewerkgesteld en/of het aantal kalenderdagen dat de aanwerving van jongeren door het ontslag van personeel werd gecompenseerd;

2º het aantal jongeren dat niet werd tewerkgesteld en/of het aantal werknemers dat werd ontslagen om de aanwerving van jongeren te compenseren.

De Koning bepaalt het aandeel van de compenserende vergoeding dat elke openbare werkgever individueel is verschuldigd.

§ 2. De Koning kan, bij een in Ministerraad overlegd besluit, het bedrag bepaald in § 1 jaarlijks aanpassen.

§ 3. Bij gebrek aan of bij ontoereikende storting is een verwijlinterest verschuldigd ten belope van 1 % per maand, met inbegrip van de maand waarbinnen de betaling plaatsvindt.

§ 4. De vaststelling van de niet-naleving bedoeld in § 1 geschiedt middels een proces-verbaal dat door een ambtenaar zoals bedoeld in artikel 46 wordt opgesteld en dat bewijswaarde heeft tot het bewijs van het tegendeel, op voorwaarde dat een afschrift ervan naar de werkgever wordt gestuurd binnen een termijn van veertien werkdagen die ingaat op de dag volgend op de vaststelling van de inbreuk. Een exemplaar van het proces-verbaal waarin de inbreuk wordt vastgesteld, wordt naar de door de Koning aangewezen ambtenaar gestuurd.

De door de Koning aangewezen ambtenaar beslist, nadat de werkgever de mogelijkheid werd geboden zijn verweermiddelen naar voren te brengen, of wegens de niet-aanwerving van jonge werknemers of het ontslag van personeel in compensatie van de aanwerving van jonge werknemers, een compenserende vergoeding moet worden opgelegd.

Die compenserende vergoeding wordt opgelegd volgens dezelfde voorwaarden en in zoverre dezelfde regels zoals die bedoeld in de artikelen 1ter , 2, 3, 8, 9 en 13 van de wet van 30 juni 1971 betreffende de administratieve geldboeten toepasselijk in geval van inbreuk op sommige sociale wetten, worden nageleefd.

De Koning bepaalt de termijn en de nadere regels voor de betaling van de compenserende vergoeding die door de ambtenaar bedoeld in het eerste lid wordt opgelegd.

§ 5. De compenserende vergoeding wordt gestort op een speciale rekening van het Tewerkstellingsfonds dat binnen het ministerie van Tewerkstelling en Arbeid werd opgericht in uitvoering van artikel 4 van het koninklijk besluit nr. 181 van 30 december 1982 tot oprichting van een Fonds ter aanwending van de bijkomende loonmatiging voor de tewerkstelling.

De opbrengst van die compenserende vergoeding is bestemd voor de creatie van banen voor jongeren, volgens de nadere regels bepaald door de Koning bij een in Ministerraad overlegd besluit».

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 41 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

«Paragraaf 1, eerste lid, vervangen als volgt :

«Indien een jaar na de inwerkingtreding van dit hoofdstuk wordt vastgesteld dat de verplichting zoals bedoeld in artikel 39, §1, niet werd nageleefd, is de werkgever uit de private sector verplicht een compenserende vergoeding van 3.000 Belgische frank te betalen».

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – In de algemene bespreking bij het ontwerp hoorden we dat er een verschillend sanctiesysteem wordt gehanteerd voor de privé-sector en de overheidssector. De tweede krijgt een jaar respijt na de inwerkingtreding van de wet, terwijl de eerste reeds vanaf 1 april 2000 aan de bepalingen van deze wet moet voldoen. De minister nuanceert dit wel door te zeggen dat er voor de privé-sector ook uitdovingsmaatregelen zijn: de lopende stageplannen en dergelijke worden eveneens aanvaard. Dat is een goede zaak. Toch blijft de vraag waarom hier onderscheid wordt gemaakt tussen privé- en publieke sector. De overheid verplicht de privé-werkgevers tot inspanningen waarvoor ze zichzelf nog een jaar uitstel gunt. Ik stel voor de privé-sector dezelfde soepele overgang te gunnen als de publieke sector.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

De voorzitter. – Artikel 56 luidt:

« De Koning kan de bepalingen van de bestaande wetten wijzigen om ze aan te passen aan de bepalingen van dit hoofdstuk. »

Op dit artikel heeft de heer Van Quickenborne amendement nr. 42 ingediend (zie stuk 2-226/5) dat luidt:

« Dit artikel aanvullen als volgt: « indien de aanpassing bekrachtigd wordt bij wet binnen een termijn van drie maanden na de aanpassing. »

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Mevrouw De Schamphelaere heeft er ook al op gewezen dat artikel 56 de koning een wel zeer grote bevoegdheid toekent om de bestaande wetten aan te passen aan de bepalingen van deze wet.

Ik besef heel goed dat soms – zeker wanneer een wet onmiddellijk in werking moet treden – een zodanig snel optreden vereist is dat een volledige parlementaire procedure uitgesloten is.

Toch wil ik dit artikel aanvullen met een bepaling die ook al werd gebruikt bij de omzetting van de Europese richtlijn tot vrijmaking van de postdiensten. Die werd toen, in volle verkiezingstijd, eerst ook bij koninklijk besluit geregeld en pas later bij wet bekrachtigd. Naar analogie daarvan voegt mijn amendement aan het huidige artikel de bepaling toe dat de koning de bestaande wetten kan aanpassen aan deze wet, indien de aanpassing bij wet bekrachtigd wordt binnen een termijn van drie maanden na de aanpassing van de wet. Dit ligt ergens tussen het goede voorstel van de CVP-fractie en de huidige tekst.

  De stemming over het amendement wordt aangehouden.

  De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Ontslag van een senator

De voorzitter. – Bij brief van 17 december 1999, heeft de heer Philippe Maystadt, senator verkozen door het Franse kiescollege, mij laten weten dat hij afstand doet van zijn mandaat als senator, vanaf 1 januari 2000.

  Voor kennisgeving aangenomen.

Vraag om uitleg van mevrouw  Martine Taelman aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het waarborgen van de permanentie en de basispolitiezorg binnen kleine interpolitiezones en de implicaties van EURO 2000 hierop» (nr. 2-35)

Mevrouw Martine Taelman (VLD). – In landelijke gebieden bestaan thans interpolitiezones die met een beperkt aantal politie- en rijkswachtmensen functioneren.

De huidige afspraken omtrent de taakverdeling en de afspraken in het kader van de Octopusakkoorden geven aan de lokale politie heel wat basispolitietaken. Daarnaast dienen de lokale rijkswachtbrigades nog manschappen te leveren voor opdrachten van federale aard, zoals ordediensten en opsporingen. Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat deze ordediensten in juni 2000 in het kader van het voetbalkampioenschap Euro 2000 een ernstige inspanning zullen moeten leveren.

In de commissie Binnenlandse Zaken van de Kamer stelde de minister op 5 oktober 1999 dat daarenboven 80% van de gerechtelijke dossiers door de lokale politiediensten zullen blijven behandeld worden.

In de kleine IPZ's is er na de bureau-uren soms geen politie- of rijkswachtpost open. Bovendien is er vaak slechts één ploeg beschikbaar voor interventies. Bij een tweede oproep binnen de zone moeten de omringende zones een ploeg ter plaatse sturen.

Beschikt de minister over gegevens over hoe dikwijls interventieploegen van aangrenzende zones in kleinere IPZ's dienen tussen te komen? Welke zijn dan de gevolgen voor die zone die een ploeg stuurt ? Is het aanvaardbaar dat in een zone geen politiepost open is na de bureau-uren of zelfs tijdens de bureau-uren op een werkdag? Met andere woorden: zijn er in alle zones voldoende effectieven beschikbaar om overal op efficiënte wijze aanwezig te zijn, zoals het Octopusakkoord voorop stelt? Tegen welke termijn zijn de resultaten beschikbaar van de evaluatie van de IPZ-zones? Heeft de minister er zicht op of men in kleine of zelfs grotere IPZ's over voldoende middelen beschikt om er een dienst opsporingen voor de gerechtelijke dossiers op na te houden? Dienen deze mensen nog te worden belast met andere taken, zoals interventies? Bestaat er geen risico dat hiervoor een beroep moet worden gedaan op de federale politiediensten? Heeft de minister een idee over het deel van effectieven dat dient te worden ingezet voor de ordediensten bij Euro 2000 en over de implicaties hiervan op de werking van de kleinere IPZ's?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. – U verwart de politiezones met de IPZ. Deze laatste bestaan sinds 1995 en maken een beperkte samenwerking tussen de verschillende politiediensten mogelijk. De politiezones zijn opgenomen in de wet op de geïntegreerde politie op twee niveaus. Ik wil dat deze zones stevig zijn, want ze moeten alle eerstelijnsopdrachten aankunnen. De maximale efficiëntie wordt bereikt met ongeveer 160 zones.

De burgemeesters moeten zich beraden over de voorwaarden waaraan de zones moeten beantwoorden om volledig functioneel te zijn. Op dit ogenblik bevinden zich een vijftigtal zones in een precaire situatie. Ik heb de gouverneur gevraagd om de betrokken burgemeesters aan te sporen om voorstellen te formuleren om dat te verhelpen. De minister van Binnenlandse Zaken zal de burgemeesters die dat niet doen, ertoe aanzetten hun effectieven te verhogen. De veiligheid moet immers op de beste manier worden verzekerd op het hele grondgebied.

Op dit ogenblik wordt meer dan 80% van de gerechtelijke dossiers behandeld door de gemeentepolitie. Dat aantal zal nog toenemen omdat de algemene directie van de federale GP met speciale opdrachten zal worden belast. De dossiers die nu door de BOB of de GP worden behandeld, zullen morgen door de lokale politie worden afgehandeld. Elke lokale politie zal dus een gerechtelijke brigade moeten hebben.

In de huidige stand van zaken beheert de dispatching de horizontale steunverlening en dus ook de interventieploegen binnen de IPZ. De gegevens betreffende de steuninterventies zijn beschikbaar voor zover ze geregistreerd worden door de dispatchingcentra of de politiekorpsen van de IPZ.

De opening van politieposten wordt in principe maximaal afgestemd op de noden van de plaatselijke bevolking. Daarbij wordt natuurlijk ook rekening houden met de efficiënte inzet van de beschikbare middelen. Concreet betekent dit dat het niet is uitgesloten dat als er zich gedurende een bepaalde periode weinig burgers bij een politiepost melden, beslist wordt deze politiepost niet open te houden. Er wordt dan in een alternatieve dienstverlening voorzien.

De toekomstige politiezones zullen over voldoende personeel moeten beschikken om hun opdrachten te vervullen. Daarom heb ik de APSD gevraagd een functionele analyse uit te voeren, maar de burgemeesters zullen hun verantwoordelijkheid op zich moeten nemen. Als dat nodig is, zal ik de knoop doorhakken. Zij moeten wel beseffen dat hun gemeenten de financiële gevolgen van onredelijke beslissingen zullen moeten dragen.

De IPZ werden opgericht om de coördinatie en de samenwerking tussen de twee lokale diensten te verbeteren en bindende akkoorden over de basispolitiezorg uit te werken. De geplande gecentraliseerde evaluatie is overbodig geworden vermits in de Octopusakkoorden werd geopteerd voor een geïntegreerde politie met twee niveaus.

Anderzijds heeft men de voorkeur gegeven aan polyvalente boven gespecialiseerde politieambtenaren. Het lokale speurwerk moet dus niet uitsluitend door politieambtenaren van dezelfde dienst worden verricht.

Bij de federale politie, de ADGP, zullen de politiemensen natuurlijk wel gespecialiseerd zijn, maar elke politieambtenaar zal wel zowel gerechtelijk als administratief onderzoek moeten kunnen verrichten. De toekomstige zonechef zal over de toewijzing van zijn mensen beslissen.

Krachtens de wet staat de lokale politie in voor de basispolitiezorg en alle administratieve en gerechtelijke politieopdrachten voor lokale evenementen.

Bij de beslissing of een onderzoek aan de lokale of de federale politie wordt toegewezen baseert de procureur des Konings of de onderzoeksrechter zich op vier criteria. In de praktijk zal slechts in uitzonderlijke gevallen op de federale politie een beroep worden gedaan om gerechtelijke onderzoeken te doen. Er is dus geen sprake van dat morgen op de federale politie een beroep wordt gedaan omdat men niet vooruit heeft gekeken. De lokale politie zal alle opdrachten, die veel belangrijker zullen zijn dan nu, moeten aankunnen.

De manschappen die voor Euro 2000 zullen worden ingezet, zullen worden versterkt. Alle verloven bij de rijkswacht worden ingetrokken, waardoor de capaciteit naargelang de periode met 20 tot 33% zal verhogen.

De brigades beschikken nog over een bijkomende capaciteit van 13%. De lokale eenheden van de rijkswacht zullen hun taken binnen de IPZ’s dus kunnen vervullen. De politiediensten zullen ook buiten de stadions moeten optreden, met name aan de kust. De burgemeesters zullen dus waakzaam moeten zijn.

Mevrouw Martine Taelman (VLD). – Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord.

  Het incident is gesloten.

De voorzitter. – We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 14 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 12.55 uur.)