3-195

3-195

Belgische Senaat

3-195

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 21 DECEMBER 2006 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 (Stuk 3-1977) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 juni 2006 betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (Stuk 3-1978)

Voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van België in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als niet-permanent lid, van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 (van de heer Philippe Mahoux c.s., Stuk 3-1969)

Wetsontwerp inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (Stuk 3-1889)

Dotatie van de Senaat. - Uitgaven van het dienstjaar 2005 en begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007 (Stuk 3-1937)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Werk over «de wet van 3 juli 2005 inzake de rechten van vrijwilligers» (nr. 3-2009)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de roamingtarieven voor gsm's in de grensgebieden» (nr. 3-2010)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «het traject van de HST tussen Luik en Aken» (nr. 3-2011)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de bijkomende posten voor de spoorwegpolitie» (nr. 3-2002)

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Landsverdediging over «de toekomstige bestemming van de kazerne in Zedelgem en van het militaire domein Vloethemveld» (nr. 3-2001)

Vraag om uitleg van de heer Staf Nimmegeers aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de aanwezigheid van ernstig zieken en van personen met zwaar psychische problemen in de gesloten centra» (nr. 3-1996)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het wetsontwerp van 14 januari 2003 tot wijziging van de wet van 16 mei 1960 betreffende 's Lands roerend cultureel patrimonium» (nr. 3-2004)

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het facturatiesysteem van Belgacom» (nr. 3-1987).

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de belastingcontrole van bedrijven» (nr. 3-2006)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de voorwaarden voor de vrijstelling van de interesten wanneer ze worden betaald door bemiddeling van een in België gevestigde financiële onderneming behorende tot een groep van geassocieerde vennootschappen» (nr. 3-2015)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gebrekkige werking van de vestigingscommissie van voor het publiek opengestelde apotheken» (nr. 3-1997)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het verrijken van brooddeeg met foliumzuur» (nr. 3-1999)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «ongevallen waarbij agenten betrokken zijn» (nr. 3-2005)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden» (nr. 3-2013)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «sporen van polonium 210 in de meeste sigaretten» (nr. 3-2000)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de gelijkstelling "verergeringstoeslag" arbeidsongevallen» (nr. 3-2014)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.15 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Pierre Galand aan de minister van Buitenlandse Zaken, aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid en aan de staatssecretaris voor Europese Zaken over «het regeringsstandpunt over de voorstellen van richtlijn van de Europese Commissie betreffende onderhandelingen over vrijhandelsovereenkomsten» (nr. 3-1336)

De heer Pierre Galand (PS). - Op 13 november jl. heeft de Raad Algemene zaken conclusies aangenomen met betrekking tot de mededeling van de Commissie over `Een competitief Europa in de globale economie' dat de krijtlijnen bepaalt van het nieuwe handelsbeleid van de Europese Unie. Het hoofddoel van deze strategie is nieuwe buitenlandse markten toegankelijk te maken voor bedrijven uit de EU door gebruik te maken van een nieuw type vrijhandelsakkoorden die verder gaan dan de bestaande akkoorden in het kader van de Wereldhandelsorganisatie. De Europese Commissie zou daartoe binnenkort aan de lidstaten richtlijnen voorstellen met betrekking tot de onderhandelingen met de volgende zones: ASEAN, Centraal-Amerika en de Andesgemeenschap, India en Zuid-Korea. België zal zich dus moeten uitspreken over de voorgestelde onderhandelingsmandaten voor de Commissie.

Heeft de Belgische regering de voorgestelde richtlijnen voor de onderhandelingen al ontvangen?

Zult u de voorgestelde richtlijnen aan het parlement voorleggen om de Belgische positie ter zake zo goed mogelijk voor te bereiden?

Zal de regering bij de bepaling van haar standpunt rekening houden met het feit dat er in de zones waarmee men vrijhandelsakkoorden van het nieuwe type wil sluiten, veel landen zijn die tot de minst ontwikkelde van de wereld worden gerekend, met een bevolking die in extreme armoede leeft?

Zal ze een ernstige evaluatie vragen van het regionale integratieproces in Centraal-Amerika en in de Andes vóór ze instemt met de onderhandelingen over de handel met die zones?

De Europese Commissie wil bij de partners een `verregaande liberalisering van diensten en investeringen' bedingen. Zal de regering zich verzetten tegen elk voorstel tot liberalisering van de drinkwaterdistributie, de gezondheidszorg en het onderwijs?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De Europese Commissie heeft richtlijnen voorgesteld voor de onderhandelingen over een associatieovereenkomst met Centraal-Amerika en de Andesgemeenschap en over bilaterale handelsovereenkomsten met de ASEAN, India en Zuid-Korea. Volgens die richtlijnen zal de Raad volgend jaar, na afloop van de onderhandelingen met de lidstaten van de EU, aan de Commissie een mandaat verlenen. De Commissie zal dan autonoom de onderhandelingen voeren. Omwille van de transparantie zullen de lidstaten wel permanent op de hoogte worden gehouden.

Bij de evaluatie van de vrijhandelsakkoorden komen de economische argumenten voor de regering op de eerste plaats. Die akkoorden moeten de handel bevorderen door het wegnemen van alle tarifaire en niet-tarifaire handelsbelemmeringen. De toename van de handel stimuleert de economische groei en kan de armoede terugdringen, op voorwaarde dat er een goed intern macro-economisch en sociaal beleid wordt gevoerd.

De regering is van oordeel dat via dergelijke onderhandelingen de regulering van de interne markt kan worden geëxporteerd. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de bescherming van de intellectuele eigendom, de normalisering en de mededinging.

Daarom vindt de regering dat er eerst dient onderhandeld te worden met de landen die de beste vooruitzichten bieden, namelijk de ASEAN, India en Zuid-Korea.

Wat de onderhandelingen met Centraal-Amerika en de Andesgemeenschap betreft, zijn de economische vooruitzichten voor ons land geringer.

Zoals u terecht opmerkt, zijn veel landen in die zones ontwikkelingslanden. Daaraan moet bijzondere aandacht worden besteed. Opdat die landen zelf ook de vruchten zouden kunnen plukken van de toekomstige handelsakkoorden, moet een doorgedreven economische integratie als belangrijke voorwaarde worden gesteld.

In het kader van de WTO-reglementering is voldoende flexibiliteit mogelijk zodat via differentiatie aan de behoeften van ontwikkelingslanden kan worden tegemoetgekomen.

Wanneer de Europese Commissie een mandaat zal hebben gekregen van de Raad, zal ze concrete voorstellen uitwerken op basis waarvan de lidstaten hun standpunt zullen bepalen. In het verleden is de Commissie altijd omzichtig te werk gegaan met voorstellen tot liberalisering van de dienstensector, in het bijzonder wat gezondheidszorg, onderwijs en waterdistributie betreft. Het standpunt van de regering ter zake is bekend en werd, zoals u weet, bepaald naar aanleiding van de onderhandelingen over de ontwikkelingsagenda van Doha.

Het is niet ongebruikelijk dat de richtlijnen met betrekking tot de onderhandelingen aan het parlement worden voorgelegd. De regering volgt het verloop van de onderhandelingen via geregelde debriefings van de Commissie aan de Raad. Indien het parlement dat wenst, ben ik bereid verslag uit te brengen over het verloop van de onderhandelingen, zodat het op de hoogte blijft van de stand van zaken.

De heer Pierre Galand (PS). - Ik dank de minister voor het volledige antwoord.

Ik wil evenwel zijn aandacht vestigen op de mogelijke tegenstellingen tussen de millenniumdoelstellingen en de pogingen om de groei te stimuleren door het promoten van de vrijhandel.

Er moet over gewaakt worden dat er geen scheeftrekking ontstaat tussen dwingende bepalingen inzake intellectuele eigendom en openbare aanbestedingen, enerzijds, en andere, niet bindende aanbevelingen, met betrekking tot sociale normen en de bescherming van het leefmilieu, anderzijds.

Ik wil de minister vragen om erop toe te zien dat ons land ten aanzien van de Commissie en met betrekking tot die onderhandelingen bijzondere aandacht geeft aan de aspecten rechtsstaat en democratie en de inachtneming van de normen die in de conventies van de IAO zijn vastgelegd.

Mondelinge vraag van de heer Wouter Beke aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de opvolging van de studie van de Nationale Bank over de farmaceutische sector in België» (nr. 3-1339)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik heb de minister al meermaals ondervraagd over dit onderwerp. Eindelijk is de Nationale Bank klaar met de al lang verwachte studie over de farmaceutische bedrijven die actief zijn in België op het vlak van het onderzoek, de productie en de distributie van geneesmiddelen voor humaan gebruik. De studie werd op 13 december aan de pers voorgesteld.

Uit de studie blijkt dat de Belgische farmaceutische sector zowel in termen van geïnvesteerde bedragen als ingezet personeel aanzienlijke inspanningen doet inzake onderzoek en ontwikkeling. De studie bevestigt dat België een topplaats inneemt in het wereldwijde farmaceutische onderzoek. Kennis, niet alleen in de vorm van gekwalificeerd personeel maar ook in de vorm van kenniscentra, is een van de belangrijkste redenen voor de lokalisatie van de O&O-activiteiten in België.

Uit de studie blijkt ook een fragiliteit. België vertoont een atypische faseverdeling van de projecten in ontwikkeling, met een groter aantal projecten in de laatste, klinische onderzoeksfase waarvoor de concurrentie vanuit de lageloongebieden allicht het sterkst speelt. Enkel de farmabedrijven met Belgische verankering blijken hier op permanente wijze in alle fasen van het geneesmiddelenonderzoek aanwezig te zijn. Ze domineren dan ook sterk de O&O-investeringen van de sector.

Welke conclusies trekt de minister uit de studie van de Nationale Bank? Hoe zal hij ze verder opvolgen?

Kan de minister een timing geven? Wanneer zal de minister het Topberaad Farma Research weer samenroepen?

Welke concrete acties zal de minister nog nemen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De heer Beke heeft me inderdaad al meermaals ondervraagd over deze materie.

Het stemt me zeker tevreden dat de studie van de Nationale Bank over de inspanningen inzake onderzoek en ontwikkeling van de farmaceutische industrie in België, op 13 december werd voorgesteld en inmiddels ook werd gepubliceerd op de website van de Nationale Bank.

Ik herinner eraan dat de Nationale Bank een zeer goede respons heeft gekregen op de enquête en daardoor nagenoeg alle investeringen in onderzoek en ontwikkeling van de farmasector in België in beeld heeft kunnen brengen. De studie geeft dan ook een zeer nauwkeurig beeld.

Het onderzoek van de Nationale Bank haalt een aantal zeer positieve elementen aan, waar ik vanzelfsprekend tevreden over ben. Ik vermeld het grote aantal investeringen in onderzoek en ontwikkeling in België door farmabedrijven, wat gepaard gaat met veel werkgelegenheid. Het is bekend dat vooral de aanwezigheid van hooggeschoolde werknemers in België een belangrijke troef is. De farmabedrijven prijzen daarenboven de ondersteunende factoren, zoals de kenniscentra en de infrastructuur. Ze onderstrepen ook unaniem dat de veranderingen die in de periode 2002-2004 zijn doorgevoerd, een positief effect hebben gehad op hun aanwezigheid in België.

Desalniettemin zijn er ook eerder negatieve conclusies, die in vele gevallen trouwens niet enkel de farmasector aanbelangen, zoals hoge loonkosten, administratieve overlast en prijsreglementering. Wat dat laatste betreft, kan ik meedelen dat ik momenteel onderzoek of de prijsreglementering van geneesmiddelen in vrije verkoop niet kan worden versoepeld.

In elk geval versterkt het onderzoek de regering in haar blijvende overtuiging dat het investeringsklimaat in België voortdurend kan en moet worden verbeterd.

Momenteel worden de precieze bevindingen van het onderzoek nauwkeuriger bestudeerd door mijn medewerkers. Daarna zal worden bekeken welke initiatieven kunnen worden genomen op dit vlak, met name wat het Topberaad Farma Research betreft. Alleszins is het mijn bedoeling nieuwe decisieve stappen te doen naar aanleiding van het onderzoek.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het onderzoek heeft een jaar vertraging opgelopen. Maar nu de resultaten er eindelijk zijn moet snel en concreet worden opgetreden want binnen een half jaar zijn er federale verkiezingen.

Zoals de minister zegt, vermeldt de studie ook negatieve factoren waarbij vooral de hoge taxatie van de farmaceutische industrie in de oog springt, die door de regering de voorbije jaren werd opgelegd.

Tenslotte kijk ik uit naar de concrete acties die de minister zal ondernemen en ik zal die goed opvolgen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik had liever sneller over de resultaten kunnen beschikken. Wellicht hebben we zolang moeten wachten omdat het over een heel volledig eindrapport gaat.

Intussen zijn er wel een aantal positieve maatregelen genomen. Er is onder meer de vrijstelling van de bedrijfsvoorheffing voor een aantal wetenschappers van hoog niveau die in de sector actief zijn. Ik heb zojuist ook vermeld dat ik een initiatief heb genomen inzake de vrije verkoop van geneesmiddelen. Ongetwijfeld bevat de studie nog een aantal bijkomende elementen op grond waarvan we zelfs op korte termijn maatregelen kunnen nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de treinverbinding Turnhout-Brussel» (nr. 3-1344)

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - De regio Turnhout had grote verwachtingen, want op 10 december zou een nieuwe dienstregeling ingaan voor de treinen van en naar Turnhout. Op 11 december liep het echter al hopeloos fout. Bepaalde treinen werden afgelast en andere treinen kwamen twintig minuten te laat. Er was heel wat commotie onder de treinreizigers.

Op dinsdag 19 december bijvoorbeeld was de trein van 18.16 uur naar Turnhout ingekort. Vele passagiers moesten staan gedurende dat lange traject en op de koop toe in de koude. Het reiscomfort is er dus niet op vooruit gegaan. En wij dachten dat het allemaal zou verbeteren.

Wat zijn de oorzaken van de systematische vertragingen en zelfs het schrappen van treinen in het reisschema van de treinen tussen Turnhout en Brussel?

Begrijpt de minister de teleurstelling van de treinreizigers en kan hij garanderen dat de vertragingen en andere problemen in het nieuwe jaar tot een minimum zullen worden beperkt? Reizigers hebben zelfs al een website, www.turnhoutmanage.be, waarop dagelijks heel wat klachten worden geformuleerd.

Welke concrete stappen werden ondernomen sinds het nieuwe reisschema om deze systematische vertragingen aan te pakken en het aantal zitplaatsen te verhogen?

De heer Bruno Tuybens, staatssecretaris voor Overheidsbedrijven, toegevoegd aan de minister van Begroting en Consumentenzaken. - Er is een verschil tussen de problemen van vorige week en de problemen die maandagochtend zijn ontstaan na de brand die het tractieonderstation in Brussel-Zuid heeft vernield. De nieuwe dienstregeling, geldig vanaf 10 december, heeft daardoor maar een week zijn waarde kunnen bewijzen. Precies tijdens die week had de NMBS op verbinding Turnhout-Brussel diverse materiële problemen: defecte deuren en locomotieven en ook gestoorde overwegen tussen Lier en Herentals. Allemaal spijtige voorvallen die de reizigers terecht reden tot klagen hebben gegeven. Door al die problemen is deze week zeker te kort om de waarde van de nieuwe dienstregeling te kunnen evalueren.

Verder zorgen werken voor de aanleg van het wijkspoor in Tielen en spoorvernieuwingswerken tussen Herentals en Lier voor een tijdelijke snelheidsbeperking, waardoor de treinen extra minuten vertraging kunnen oplopen. Die werkzaamheden zijn normaal voltooid tegen 23 december. Bovendien worden ook enkele kleine aanpassingen aan de dienstregeling van de treinen naar Turnhout aangebracht om de vertragingen te beperken. Ik hoop dat door deze maatregelen de vertragingen alleszins niet meer structureel zullen zijn en dus ook niet meer zullen oplopen.

De mindere stiptheid vanaf maandag 18 december is een gevolg van de brand in het onderstation van Brussel-Zuid. Deze veroorzaakte zeer ernstige exploitatieproblemen in de regio Brussel, onder andere voor vertragingen, waardoor verschillende treinen moesten worden afgeschaft. Verder waren er ook meer ingrijpende maatregelen nodig, zoals het beperken van de stroomafname tussen Vilvoorde en Brussel-Zuid, waardoor opnieuw treinen vertraging opliepen. De gevolgen van de brand waren in het hele land te voelen en dus ook op de verbinding Brussel-Turnhout.

De NMBS-groep engageert zich om de nodige maatregelen te treffen om de gevolgen van de brand vanaf 2 januari zoveel mogelijk te beperken. Zo zal de stroomvoorzieningsapparatuur onder de loep worden genomen en zal de dienstregeling op enkele punten worden aangepast. Er zijn ook enkele aanpassingen aan de verbindingen naar Turnhout om de vertragingen te beperken.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - De minister is hoopvol en ik wil dat graag samen met hem zijn. Het zou jammer zijn dat de reizigers nog langer met problemen worden geconfronteerd.

Het verheugt me dat de minister een snelle evaluatie van de werking van de NMBS wil maken, zoals ik gevraagd heb. Ik hoop ook dat de verbinding Turnhout-Brussel na het kerstreces heel wat vlotter zal verlopen.

Mondelinge vraag van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het nieuwe transitcentrum» (nr. 3-1341)

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - In uw algemene beleidsnota hebt u verklaard dat er een nieuw transitcentrum moet komen ter vervanging van centrum 127, dat inderdaad vervallen en onbewoonbaar is. Vreemdelingen kunnen er onmogelijk nog worden vastgehouden.

Centrum 127 ligt vlakbij de landingsbanen van het vliegveld. Het lawaai van de vliegtuigen is er oorverdovend en tijdens de manoeuvres van militaire toestellen is de lucht er werkelijk misselijkmakend. Als u zegt dat het nieuwe centrum op een rustige plaats zal worden gevestigd, maar dichtbij de luchthaven, over welke plek hebt u het dan? Werd daarover al een beslissing genomen? Zullen de bewoners voldoende ver van de banen worden gehuisvest?

De mensen die momenteel in centrum 127 worden vastgehouden, mogen geen bezoek ontvangen, wat nochtans een fundamenteel recht is van elke gedetineerde. Het bezoekrecht wordt in alle andere centra geëerbiedigd, maar niet in het INAD-centrum en in centrum 127, omdat beide centra op het grondgebied van de nationale luchthaven zijn gevestigd. Zullen de vastgehouden personen in het nieuwe centrum bezoek kunnen ontvangen? Hebt u hiermee rekening gehouden in uw contacten met BIAC?

Wat zal de capaciteit zijn van het nieuwe centrum?

Zullen de bewoners in slaapzalen worden gepropt zoals in centrum 127, of zal er wat meer ruimte zijn voor intimiteit?

Zal het nieuwe centrum bestemd zijn voor personen die aan de grens een asielaanvraag indienden, gedurende de ontvankelijkheidsfase, zoals bepaald in artikel 74/5 van de wet van 15 december 1980, of komen, zoals de jongste jaren het geval was, ook de andere categorieën van vreemdelingen in aanmerking: illegalen, uitgeprocedeerden, personen die wachten op hun overbrenging naar een ander land in het kader van de overeenkomst van Dublin, asielaanvragers van wie de procedure loopt?

De nieuwe bepalingen over de opsluiting van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zijn alleen van toepassing nadat de betrokken jongeren zijn geïdentificeerd, meestal nadat hun leeftijd is bepaald. De minderjarigen zullen dus eerst enkele dagen in een gesloten centrum moeten verblijven; u voorziet in een termijn van drie werkdagen. Op welke manier zullen in het nieuwe centrum de fundamentele rechten van deze kinderen worden gerespecteerd en zal worden vermeden dat zij op elkaar gepropt moeten leven zoals in het huidige centrum?

Hoever staat het met het project en wanneer denkt men het nieuwe centrum te kunnen openen?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - De plannen voor de bouw van een transitcentrum bevinden zich nog in de ontwerpfase. De onderhandelingen met de luchthavenuitbater zijn evenwel al begonnen. Het is nog te vroeg om zich uit te spreken over de datum waarop het centrum zal opengaan en over de manier waarop het zal worden ingericht.

Het is de bedoeling een transitcentrum te bouwen in de directe omgeving van de luchthaven, waardoor er minder lawaaihinder zal zijn en het centrum gemakkelijker toegankelijk zal zijn voor bezoekers.

Het nieuwe centrum zou ongeveer dezelfde capaciteit moeten hebben als het huidige.

Zoals nu al het geval is, zou het centrum vooral personen moeten opvangen die niet over de vereiste documenten beschikken om het land binnen te komen en die aan de grens een asielaanvraag hebben ingediend. Naargelang de bezettingsgraad kunnen er personen die moeten worden gerepatrieerd, verblijven in afwachting van hun terugvlucht. Op die manier moeten ze 's nachts niet uit een verafgelegen centrum naar de luchthaven worden overgebracht.

Als er geen twijfel bestaat over de minderjarigheid van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen, zullen zij niet meer naar een transitcentrum worden overgebracht. Alleen bij twijfel worden zij naar een transitcentrum overgebracht in afwachting dat de toezichthoudende overheid hun leeftijd bepaalt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik zal het project aandachtig volgen.

Ik besluit eruit dat de plaats nog niet is gekozen en dat nog geen datum werd vastgesteld voor de opening van het centrum.

Mondelinge vraag van mevrouw Fauzaya Talhaoui aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «het gebrek aan opvang van niet-begeleide minderjarigen» (nr. 3-1343)

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Met Kerstmis is het de gewoonte om aan de zwakkeren in onze samenleving te denken. Deze keer wil ik speciale aandacht vragen voor de niet-begeleide minderjarigen, meer in het bijzonder voor het gebrek aan opvang voor hen. Er lopen niet-begeleide minderjarigen op straat rond. Meestal bedelen ze, of bedrijven ze criminaliteit.

Volgens de wet van 1 mei 2004 moet voor buitenlandse niet-begeleide minderjarigen door de federale dienst Voogdij een wettelijke voogd worden aangesteld. Deze voogd moet een duurzame oplossing zoeken voor de minderjarige die hij onder zijn hoede heeft. Daar nijpt nu echter het schoentje: de federale opvangcentra van Steenokkerzeel en Neder-over-Heembeek, maar vooral ook de specifieke opvangtehuizen, zitten vol en hebben zelfs een wachtlijst. Deze federale centra zijn er trouwens maar voor de eerste fase van het verblijf van niet-begeleide minderjarigen in ons land. Tijdelijk worden sommige jongeren dan maar in een crisisopvangcentrum ondergebracht maar daar mogen ze meestal maar een paar nachten verblijven. Deze jongeren komen dan op straat te staan, met alle gevolgen van dien: ze kunnen nergens terecht en ze verdwijnen in België of vluchten naar het buitenland. Deze situatie is onhoudbaar.

Deze jongeren kunnen geen tijdelijke verblijfsvergunning krijgen maar ook niet worden teruggewezen voor ze 18 jaar zijn, tenzij een vertrouwenspersoon zich over hen ontfermt. De voorbereiding op de repatriëring wordt aan de voogd toegewezen. Die kan hen niet terugsturen zonder middelen. Hij zit in een moeilijke situatie: hij moet de jongere onder zijn bescherming nemen en tegelijkertijd zou hij de jongere moeten voorbereiden op een repatriëring.

Met volle opvangtehuizen en geen opties of hulp in het vooruitzicht worden deze jongeren in het beste geval opnieuw opgepakt door de politie en opnieuw overgedragen aan de Dienst Voogdij. Zo komen we geen stap verder. Soms raken deze jongeren ook nog in de criminaliteit, als dader, maar meestal als slachtoffer.

De minister zou de Vlaamse en de Franstalige Gemeenschap die bevoegd zijn voor de opvangcapaciteiten voor deze doelgroep, al hebben aangesproken om hen op hun verantwoordelijkheid te wijzen en zou ze samenbrengen om deze problematiek te bespreken.

Hoeveel jongeren dwalen op dit moment in onze straten rond?

Hoe gaat de minister samen met de gemeenschappen dit probleem aanpakken?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Voor de niet-begeleide minderjarigen die in België aankomen en die een voogd krijgen toegewezen door de dienst Voogdij wordt in de nodige opvang voorzien in één van de twee observatie- en oriëntatiecentra, namelijk Neder-over-Heembeek en Steenokkerzeel.

Dagelijks zijn er een vijftiental plaatsen beschikbaar in deze OOC. Bovendien heeft mijn administratie de nodige maatregelen getroffen om in plaatsen te voorzien binnen het klassieke opvangnetwerk, mocht dit nodig zijn tijdens de kerstperiode. Dat zijn wel degelijk opvangplaatsen voor niet-begeleide minderjarigen. Gemiddeld beschikken we over een vijfhonderdtal plaatsen voor niet-begeleide minderjarigen.

Jaarlijks worden ongeveer 1500 jongeren opgevangen in de twee OOC's. Van daaruit worden zij doorverwezen naar andere aangepaste opvangstructuren.

Natuurlijk valt het voor dat jongeren het OOC vrijwillig verlaten en inderdaad op straat rondhangen. Als ze later naar het OOC terugkeren, worden ze natuurlijk opgevangen.

Met de Gemeenschappen bestaat er momenteel een akkoord over een opvangmodel in drie fasen. Over de verantwoordelijkheden en de verdere uitwerking van een dergelijk model wordt momenteel nog onderhandeld. Die onderhandelingen vinden plaats in een constructieve sfeer. Ik ben ervan overtuigd dat we het eens kunnen worden over een gemeenschappelijk model, weliswaar met ruimte voor de eigenheden van de verschillende partners. In de toekomst zullen we hierover dus een akkoord kunnen sluiten.

Fedasil heeft dus de nodige maatregelen getroffen om de opvang te garanderen van de jongeren die worden doorverwezen door de dienst voogdij. Mochten er niet voldoende plaatsen beschikbaar zijn in de OOC, dan zullen de jongeren in de andere opvangstructuren voor niet-begeleide minderjarigen worden opgevangen.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Ik zou die laatste bewering van de minister durven betwisten. In de grootsteden zien we de jongste tijd immers heel wat Romajongeren ronddwalen. Ook een heleboel meisjes maken deel uit van dat straatbeeld. De minister heeft er terecht op gewezen dat ze bijzonder kwetsbaar zijn en dat ze in verkeerde handen kunnen terechtkomen.

Als ik het goed begrepen heb, worden er jaarlijks 1500 jongeren in de opvangcentra opgevangen. Ik vrees echter dat het straatbeeld aantoont dat de overheid niet alle jongeren bereikt.

Hoeveel belanden er in het reguliere circuit van de Bijzondere Jeugdzorg en haar structuren? Voor mij is dat volstrekt onduidelijk. Worden jongeren in de Bijzondere Jeugdzorg langer en beter opgevangen dan in de crisisopvangcentra?

Het akkoord met de Gemeenschappen zou moeizaam maar zeker tot stand komen. Ik had echter graag de precieze timing gekend, want vooral in een periode waarin jongeren aan alle mogelijke risico's zijn blootgesteld, moet er voor opvang worden gezorgd. Het moeilijke verloop van de onderhandelingen kunnen niet als verontschuldiging worden ingeroepen. Zou de minister daarop nog even kunnen reageren?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De jonge Roma vormen een bijzondere categorie. Ze verblijven niet lang in onze centra. We hebben een speciaal akkoord afgesloten met een vzw in Brussel. De Romajongeren vertrouwen immers de autoriteiten niet, zeker niet de politie die hen naar de centra brengt, maar evenmin de psychologen en dokters die hen begeleiden. De betrokken vzw probeert hen bij een familie onder te brengen of ze in ieder geval onder de beste omstandigheden te plaatsen. Dat akkoord bestaat en werkt. Die groep jongeren blijft echter een moeilijke doelgroep. Men weet dat ze niet in de centra zullen blijven. Voor hen zijn er ook bijzondere bemiddelaars op het terrein ingezet.

Andere jongeren worden doorverwezen naar een voor hen geschikte opvangplaats. De oudsten kunnen alleen wonen in flats, waar ze onder toezicht staan. De jongsten worden in gezinnen opgevangen. Ze worden ook toegewezen aan de instellingen van de bijzondere jeugdzorg.

Er is dus een akkoord met de gemeenschappen. De contacten kunnen echter worden verdiept. Het akkoord werkt. De toestand kan niet worden vergeleken met de situatie van de daklozen. Voor hen is de winter bijzonder moeilijk. Voor de jongeren is de toestand anders.

Mevrouw Fauzaya Talhaoui (SP.A-SPIRIT). - Hoeveel voogden zijn er voor die jongeren?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik ken het juiste aantal niet, maar er zijn er voldoende. Ik kan de informatie over de vzw voor de Romajongeren bezorgen. Die vzw werkt zeer goed, al betreft het een moeilijk publiek. Er wordt altijd geprobeerd een opvang te vinden, maar soms verdwijnen die jongeren. Onze centra zijn geen gesloten centra.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de vergoeding voor dwangarbeiders in de Tweede Wereldoorlog» (nr. 3-1335)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Zowat 17.000 Belgische gedeporteerde arbeiders hebben vóór de uiterste datum een dossier ingediend om van Duitsland een schadeloosstelling te krijgen. Het gaat om een bedrag tussen 2500 en 7500 euro uit een fonds met 5,1 miljard euro dat in gelijke delen gespijsd wordt door de Duitse staat en de Duitse industriëlen.

Het grootste probleem voor de meeste gedeporteerden die niet in de concentratiekampen verbleven, is dat de Duitse stichting hun vraagt een document voor te leggen als bewijs dat ze in zware gevangenisomstandigheden leefden. Nu reiken natuurlijk slechts weinig `werkgevers' een attest uit waarin staat dat ze de dwangarbeiders slecht hebben behandeld.

Volgens de cijfers die de Internationale Organisatie voor Migratie, de IOM, op 15 december 2005 publiceerde zouden in België 17.346 claims zijn ingediend. Slechts 3188 slachtoffers zouden echter een schadevergoeding hebben ontvangen. Blijkbaar brengen krantenartikels en parlementaire vragen schot in de zaak want nadat ik dit dossier in de kranten heb aangeklaagd is het aantal Belgen dat werd vergoed vertienvoudigd.

Meer dan 80% van de klachten van Belgische slachtoffers werd verworpen. Dezelfde tendens wordt in de meeste West-Europese landen vastgesteld.

De IOM stelt voor een nationaal verzoeningscomité op te richten met vertegenwoordigers van onze regering, de verenigingen van slachtoffers, vertegenwoordigers van de stichting Erinnerung, Verantwortung und Zukunft en vertegenwoordigers van de Duitse regering. Er wordt dus een verzoeningsstructuur opgericht zonder dat de slachtoffers een rechtvaardige vergoeding hebben ontvangen.

Acht de minister die morele erkenning voldoende? Ik beschouw dit als een belediging van de slachtoffers. De Belgische regering moet dringend een demarche doen bij de Duitse staat, de Internationale Organisatie voor Migratie en de stichting. Op 21 januari aanstaande sluit het IOM-bureau dat zich met dit dossier bezighoudt zijn deuren. Als er niet voor wordt gezorgd dat meer dossiers in aanmerking komen, als de vereiste van een document als bewijs van dwangarbeid behouden blijft en als de periode voor de behandeling van de dossiers niet wordt verlengd, dan zullen slechts 3188 van de 17.346 slachtoffers worden vergoed en dat is volstrekt onaanvaardbaar.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Uit cijfers van de Internationale Organisatie voor Migratie blijkt dat België na Frankrijk het hoogste percentage van vergoede slachtoffers heeft in West-Europa (België: 18,3%, Frankrijk: 21,4%, Finland: 17,7%, Italië: 2,3%, Luxemburg: 11,1% en Nederland: 17,2%).

Niet iedereen die voor dwangarbeid naar Duitsland of naar door het naziregime bezet gebied werd gedeporteerd en op basis van de Belgische wetgeving het statuut van `weggevoerde voor de verplichte tewerkstelling' heeft gekregen, voldoet aan de voorwaarden van de Duitse wet om een schadevergoeding te krijgen. Alleen personen die werden vastgehouden onder omstandigheden die vergelijkbaar waren of even slecht waren als de omstandigheden in gevangenschap komen in aanmerking. Het gaat hoofdzakelijk om de heropvoedingswerkkampen, de Arbeitserziehungslager (AEL), en andere kampen die men enkel mocht verlaten om te gaan werken en waar de gevangenen constant door de bewakers of politieagenten werden gefouilleerd of gecontroleerd.

De regering kan weinig doen, aangezien het gaat om de tenuitvoerlegging van een wet waarin voorwaarden, categorieën en maximumbedragen zijn vastgelegd. Bovendien worden alleen individuele aanvragen van slachtoffers, erfgenamen of gemachtigde derden behandeld.

De Internationale Organisatie voor Migratie voert een opdracht uit en moet zich houden aan de procedures en voorwaarden die in de Duitse wet werden vastgelegd.

Wel heeft de Belgische regering de behandeling van de Belgische aanvragen vereenvoudigd door de IOM in april 2001 een toelage van 2 miljoen Belgische frank toe te kennen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Volgens de minister zou België van alle West-Europese landen, op Frankrijk na, het minste onrecht worden aangedaan. Dat weerhoudt me er niet van dat onrecht aan te klagen.

Het is ook enigszins verbazingwekkend dat de voorwaarden om als slachtoffer van het naziregime, en dus niet van Duitsland, te worden erkend in een Duitse wet worden vastgelegd. Duitsland heeft het initiatief voor de schadeloosstelling genomen.

Ik zou graag weten welke stappen de Belgische regering nog vóór 21 januari kan doen opdat de Belgische slachtoffers van dwangarbeid moreel kunnen worden erkend en vergoed, al is dat laatste begrip gelet op de toegekende bedragen wat overdreven.

Duitsland wordt op 1 januari Voorzitter van de Europese Unie. Een demarche van de Belgische regering lijkt me dan ook wenselijk. De minister had het over de voorwaarden waaraan moet worden voldaan om het statuut van slachtoffer van dwangarbeid te krijgen en bijgevolg opgenomen te worden in de groep van mensen die in aanmerking komen om een schadevergoeding te krijgen.

Het is volstrekt ongehoord dat van de slachtoffers een attest wordt gevraagd. De Belgische regering moet er absoluut vóór 21 januari bij de IOM op aandringen dat die bepaling wordt geschrapt.

Mondelinge vraag van de heer Alain Destexhe aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de veroordeling tot de doodstraf van vijf Bulgaarse verpleegsters en één Palestijnse geneesheer in Libië» (nr. 3-1337)

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de veroordeling tot de doodstraf van vijf Bulgaarse verpleegsters en één Palestijnse geneesheer in Libië» (nr. 3-1340)

De heer Alain Destexhe (MR). - De Europese bevolking is geschokt door deze onrechtvaardige veroordeling. Internationale experts hebben aangetoond dat de besmetting dateert van voor de aankomst van de Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse arts. Bij de uitspraak werd daarmee geen rekening gehouden. De brede oproep van de internationale gemeenschap en van de Europese Unie om een dergelijk wreed vonnis niet uit te spreken en deze mensen vrij te laten, werd genegeerd.

Wat zal de minister ondernemen binnen een Belgische of Europese context om ervoor te zorgen dat het vonnis niet wordt uitgevoerd en dat de veroordeelden worden vrijgelaten?

Op 24 januari 2006 heeft de Senaat eenparig een resolutie goedgekeurd die was ingediend door de heer Dubié, met de bedoeling hun vrijlating te bekomen.

Negen collega's hebben al een resolutie ondertekend waarin de uitspraak zeer streng wordt veroordeeld en waarin aan de minister wordt gevraagd alles in het werk te stellen om de vrijlating te bekomen.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Vorig jaar diende ik een resolutie in over deze pijnlijke kwestie. De resolutie, die op 24 januari 2006 eenparig werd goedgekeurd, toonde aan dat dit proces onbillijk was en dat Libië het Westen wilde chanteren. Zo werd al een fonds opgericht. De Libische autoriteiten marchanderen met het leven van zes onschuldigen om er politiek en financieel profijt uit te trekken. Dat is onaanvaardbaar. Amnesty International bevestigde dat deze mensen bekend hebben onder foltering. De zoon van Kadhafi heeft dat zelf toegegeven tijdens een interview met een krant van het Arabisch schiereiland.

Punt 4 van de resolutie van 24 januari 2006 vroeg de regering om de Senaat op de hoogte te houden van de stappen die ter zake worden ondernomen en van de eventuele resultaten daarvan. Wat heeft de minister sinds 24 januari ondernomen? Wat doet hij opdat deze mensen, die helemaal geen schuld hebben aan de misdaden die hun ten laste worden gelegd, zouden worden vrijgelaten?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb kennis genomen van de nieuwe studie van deskundigen die onlangs werd gepubliceerd in het Britse tijdschrift Nature. De studie trekt de schuld van de vijf Bulgaarse verpleegsters en de Palestijnse arts die ervan beschuldigd worden Libische kinderen opzettelijk met het hiv-virus te hebben besmet, ernstig in twijfel.

Volgens deze experts toont de genanalyse van het hiv- en hepatitis C-virus, waarvan sprake, aan dat deze virale stammen al aanwezig waren in het Al-Fateh-ziekenhuis van Benghazi en verspreid werden nog vóór de aankomst van het Bulgaarse medische team. De Franse professor Montagnier, die het hiv-virus heeft ontdekt, en de Italiaanse professor Colizzi waren tot dezelfde conclusie gekomen. Hun rapport werd door de Libische justitie echter niet erkend.

België is net zoals de andere Europese landen en de hele internationale gemeenschap bezorgd over het lot van het medische team; ons land grijpt elke gelegenheid aan om te pleiten voor een billijke en menselijke oplossing.

België heeft een striktere houding aangenomen dan een aantal van zijn Europese partners. België heeft zich overigens het lot van de Palestijnse arts aangetrokken, die er zo mogelijk nog slechter voorstaat dan de Bulgaarse verpleegsters.

Zoals voorzien vond de uitspraak eergisteren 19 december plaats. Het hof van Benghazi dat in beroep in Tripoli zetelt, heeft het vonnis van 6 mei 2004 - de doodstraf voor het medische team - bevestigd. De Europese Unie en de hele internationale gemeenschap zijn geschokt door deze uitspraak. Het Finse voorzitterschap van de Europese Unie heeft het vonnis in een communiqué onmiddellijk veroordeeld en had vragen bij de rechtsgronden ervan, de voorwaarden waarin de beschuldigden werden gevangen gehouden en de duur van het proces. Het voorzitterschap herinnerde eraan dat de Unie principieel gekant is tegen de doodstraf en heeft het Libische opperste gerechtshof opgeroepen tot het vinden van een rechtvaardige, billijke en menselijke oplossing voor de beschuldigden.

Wij zullen deze tragische zaak uiteraard met aandacht van dichtbij blijven volgen. De procedure is niet afgelopen, aangezien de verdediging onmiddellijk heeft aangekondigd beroep te zullen aantekenen bij het Opperste Gerechtshof. Alleen een billijke oplossing kan een volledige normalisering van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Libië mogelijk maken.

De heer Alain Destexhe (MR). - Ik vermoed dat de meerderheid van de leden van deze assemblee wenst dat men verder gaat: de ambassadeur op het matje roepen, een formeel protest, sancties op het niveau van de Europese Unie. Deze Europese staatsburgers zitten al jaren in de gevangenis. Aangezien de inspanningen tot nu toe niets hebben opgeleverd, is het ogenblik aangebroken om tot een meer offensieve strategie over te gaan.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Onze aanbeveling dateert van januari laatstleden. Ik heb niets vernomen over de acties die werden ondernomen. Heeft de minister de Libische ambassadeur bij zich geroepen om hem de eenparige beslissing van deze assemblee mee te delen? Wat heeft men gedaan in de periode tussen de goedkeuring van deze resolutie en de huidige veroordeling? Als er niets werd gedaan, zal men dan eindelijk tot de actie overgaan?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik heb dit onderwerp meermaals ter sprake gebracht op de Raad Algemene Zaken. De opeenvolgende voorzitterschappen van de Europese Unie zijn, op uitdrukkelijke vraag van de Bulgaarse regering, bij de Libische autoriteiten tussenbeide gekomen. Als u dat wenst, kan ik de Libische ambassadeur bij mij roepen. Ik vrees echter dat dit geen enkele invloed zal hebben op dit dossier. Rechtstreekse onderhandelingen tussen de Europese Unie en de Libische regering zijn de enige mogelijkheid. De Libische justitie verschilt sterk van ons rechtsstelsel. Als u echter aandringt, kan ik de Libische ambassadeur ontmoeten.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - U zou minstens de ambassadeur kunnen roepen. U twijfelt aan het resultaat ervan. De ambassadeur zal toch verslag moeten uitbrengen bij zijn regering en meedelen dat een democratisch gekozen assemblee eenparig van oordeel is dat deze zaak volkomen onaanvaardbaar is.

Een Europese actie is zeker belangrijk, maar dat belet niet dat België ook moet reageren. Hoe meer druk wordt uitgeoefend, hoe beter.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het feit dat de assemblee die deze resolutie heeft goedgekeurd, democratisch is verkozen, zal in dit geval niet veel indruk maken.

Ik herhaal dat ik hierover op Europees niveau meermaals heb gesproken. Het gaat niet om een minimale, maar om een bijkomende interventie.

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat er een voorstel van resolutie zal worden ingediend. Wij zullen zien of er een aanbeveling tot de minister gericht zal zijn.

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de straffeloosheid in de Democratische Republiek Congo» (nr. 3-1342)

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Na de eedaflegging van Joseph Kabila als eerste democratisch verkozen president moet de volgende fase in de heropbouw van de Congolese staat beginnen. De verkozen leiders van het land moeten nu bewijzen dat ze zich voor de bevolking inzetten en niet voor hun eigenbelang. Deze inzet voor de bevolking kan enkel echt resultaat opleveren als de president, de regering en het parlement goed functioneren.

Een belangrijk signaal van de Congolese overheid aan de rebellenleiders en militairen moet zijn dat er een einde gemaakt wordt aan de straffeloosheid in het land. In juli 2005 werd de mensenrechtenactivist Pascal Kabungulu Kibembi vermoord door gewapende mannen uit het Congolese leger. Een kolonel werd in beschuldiging gesteld, maar een proces blijft uit.

Ondertussen verleent België aan Congo financiële steun voor initiatieven die de rechtsstaat bevorderen.

Zal de minister de autoriteiten van de DRC vragen de mensenrechtenactivisten te beschermen?

Zal de minister de autoriteiten van Congo vragen het onderzoek naar de moord op Pascal Kabungulu Kibembi volgens de regels van de rechtsstaat te laten verlopen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Mijn departement werkt op dit moment aan de uitbouw van een gespecialiseerde dienst voor vredesopbouw en conflictpreventie, die onder meer de opdracht krijgt de Belgische bijstand aan Congo in de strijd tegen de straffeloosheid en voor de mensenrechten uit te werken, in nauw overleg met de diensten van ontwikkelingssamenwerking. Het is namelijk belangrijk dat onder andere niet-gouvernementele organisaties worden gesteund die lokaal de problematiek van de mensenrechten opvolgen en ook bij de overheden aankaarten.

In het kader van een Belgische invulling van het Governance Compact, een handleiding voor het nieuwe bestuur en de instellingen in de DRC, opgesteld door de Europese Commissie en de Wereldbank, denkt België onder andere aan de mogelijkheid om een rondetafel justitie te organiseren, waarin de opvolging van de mensenrechtenproblematiek aan bod kan komen.

België zal zich samen met de toekomstige ministers verantwoordelijk voor de Mensenrechten en voor Justitie in de nieuwe Congolese regering inzetten voor een gerichte steun aan transitionele justitie.

Tegelijk steunt België de coördinerende rol van de Europese Unie op het vlak van de hervorming van de veiligheidssector in de DRC. In het kader hiervan wordt een overlegcomité Justitie opgericht waarin naast de Congolese overheid ook de relevante partners, waaronder België, zitting zullen hebben.

Langs deze wegen zal België zich inzetten voor de mensenrechten, de strijd tegen de straffeloosheid, de heropbouw van de justitie in de DRC en een goed bestuur in deze sector. Via deze kanalen zullen ook concrete gevallen, zoals dat van de mensenrechtenactivist Pascal Kabungulu Kibembi, worden besproken. Zolang straffeloosheid in legerkringen blijft bestaan, zullen er helaas ontsporingen zijn. Er dient in dit verband dan ook recht te geschieden.

Mijn departement, dat van Justitie en dat van Ontwikkelingssamenwerking hebben in Congo al heel wat projecten gesteund om de werking van justitie te hervatten, ook op het lokale vlak. Naarmate die projecten dichter bij de lokale gemeenschappen staan, is het resultaat beter, tenzij het over dossiers gaat waarbij niet alleen lokale personen, maar ook andere kringen betrokken zijn. De opbouw van de justitie is een enorme taak in Congo, want ze moet praktisch van niets opnieuw worden opgebouwd, en is zeker één van de vectoren van ons beleid ten opzichte van Congo de komende jaren.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Wij weten dat de minister bekommerd is om de uitbouw van een rechtvaardige staat in Congo. Ik stel deze vraag deze week omdat we in de discussie over de rol van België in de Veiligheidsraad ook de nadruk gelegd hebben op het vermijden van straffeloosheid in verschillende landen. Ik dank de minister omdat hij de moed opbrengt om de Congolese leiders voortdurend op hun plichten te wijzen.

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Mobiliteit over «het statuut van praalwagens binnen de verkeersreglementering» (nr. 3-1334)

De heer Luc Willems (VLD). - Bijna alle carnavalsverenigingen van Aalst zijn momenteel druk bezig met de voorbereidingen voor de stoet van 18 februari 2007. Bij deze voorbereidingen werd vorige week een praalwagen door de politie van Aalst in beslag genomen.

Praalwagens mogen strikt genomen namelijk niet op de openbare weg. Ze hebben geen inschrijvingsbewijs, zijn niet gekeurd en soms dus niet verzekerd. Praalwagens zijn meestal zelfs te breed voor de weegbrug van de technische keuring en kunnen dus niet gekeurd worden. Tijdens het carnavalsweekend zorgt de stad Aalst voor een algemene verzekering voor alle groepen met praalwagens. De politie controleert dan niet of de voertuigen gekeurd en verzekerd zijn. Aalst is niet de enige stad met een carnavalsstoet of een jaarlijkse processie. Ik denk bijvoorbeeld aan de processie van het Heilig Bloed in de stad van de minister.

De huidige interpretatie van de wetgeving door de politie van Aalst betekent dat strikt genomen geen enkele praalwagen de openbare weg op mag, ook niet tijdens de carnavalsdagen.

Kunnen de gemeentelijke overheden afwijkende reglementen maken waarbij praalwagens occasioneel over de openbare weg kunnen verplaatst worden?

Kunnen de gemeentelijke overheden praalwagens een heel jaar of slechts enkele dagen op de wegen op hun grondgebied toelaten?

Wordt er een onderscheid gemaakt tussen praalwagens met en praalwagens zonder motor?

Dient er wetgevend opgetreden te worden om de gebruiken op het vlak van praalwagens te reglementeren?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Op deze maatschappelijk belangrijke vraag kan ik vandaag enkel een voorlopig antwoord geven.

De politieman uit Aalst heeft wellicht een traditie van gedogen gebroken. Als ik me niet vergis, heeft de stad Aalst een bijzonder politiereglement, alvast voor de stoet zelf, in zover die gebruik maakt van een afgesloten, verkeersvrij wegennet. Als men de letter van de reglementering voor de rest van het jaar wenst te gebruiken, botst men onvermijdelijk op de vaststelling dat het niet alle dagen carnaval kan zijn: deze wagens moeten dus voldoen aan de geldende reglementering, tenzij ze onder de reglementering van de tuning zouden vallen, wat ik betwijfel.

Ik zal deze materie voorleggen aan de Federale Commissie voor de verkeersveiligheid.

De heer Luc Willems (VLD). - De minister heeft de keuze: ofwel zelf via een koninklijk besluit voor een oplossing zorgen, ofwel het initiatief overlaten aan de gemeentelijke overheid, die via een reglement een regeling voor het hele jaar kan uitwerken.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De fundamentele - filosofische - vraag blijft of carnaval wel kan worden gereglementeerd.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik wens een antwoord op mijn vraag. Ik zal de minister hierover later opnieuw ondervragen.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 (Stuk 3-1977) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 juni 2006 betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (Stuk 3-1978)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Anseeuw verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 (Stuk 3-1977) (Evocatieprocedure)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-1977/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 juni 2006 betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (Stuk 3-1978)

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-2716/1.)

-De artikelen 1 tot 3 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van België in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als niet-permanent lid, van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 (van de heer Philippe Mahoux c.s., Stuk 3-1969)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging, zie stuk 3-1969/4.)

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT), corapporteur. - We hadden dinsdag een boeiende studiedag waarvoor veel belangstelling bestond en waaraan ook enkele collega's hebben deelgenomen. We hoorden enkele heel interessante interventies.

De resolutie is het resultaat van heel veel hoorzittingen waarin diplomaten en professoren hun visie over de rol van België in de Veiligheidsraad zijn komen uiteenzetten.

Vandaag wens ik enkel een korte toelichting te geven, want iedereen kent intussen mijn standpunt. En verder verwijs ik naar het uitvoerige verslag en naar de discussies in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat die al heel wat van die brandend actuele onderwerpen heeft besproken. Ik denk bijvoorbeeld aan Kosovo.

Een van de eerste problemen waarmee de Veiligheidsraad in 2007 zal worden geconfronteerd, is te zoeken naar een duurzame oplossing voor Kosovo. De eindbeslissing wordt nu al zeven jaar uitgesteld. De gemoederen raken verhit. De verkiezingen worden telkens opnieuw uitgesteld. Gezien de ongunstige sociale en economische situatie vreest de commissie langs beide kanten voor extremistische daden.

Ik heb een amendement ingediend waarin dat statuut nauwkeuriger wordt omschreven teneinde de heersende angst voor een onafhankelijk Kosovo weg te nemen. In mijn amendement ijver ik voor een leefbaar Kosovo waar de bevolking kan beginnen met de heropbouw van de samenleving.

Een tweede aandachtspunt is Congo. De verkiezingen waren een succes, maar dat betekent niet dat de internationale aandacht mag verslappen. De VN moeten de hernieuwing van het mandaat van de MONUC steunen. Dat is niet alleen voor Congo belangrijk, maar voor heel Centraal-Afrika. Het is van cruciaal belang dat de winsten van de ontginning van de onnoemelijke bodemrijkdommen de plaatselijke bevolking ten goede komen. De illegale exploitatie van natuurlijke rijkdommen in conflictzones op heel het Afrikaanse continent moet worden aangepakt. De mechanismen inzake de traceerbaarheid van grondstoffen moeten worden versterkt. De leegroof van Congo en veel andere Afrikaanse landen door buitenlandse bedrijven legt een heel zware hypotheek op de toekomst van die landen.

In de resolutie werden ook enkele passages aan de straffeloosheid gewijd. Er moet speciale aandacht gaan naar de berechting van de oorlogsmisdaden in Rwanda en het voormalige Joegoslavië. Voor beide landen werd een bijzonder straftribunaal opgericht voor het onderzoek naar en de vervolging van misdaden tegen de menselijkheid, oorlogsmisdaden en genociden. België moet erop aandringen dat de mandaten van die straftribunalen worden verlengd, nu blijkt dat zelfs de vooropgestelde einddatum van 2010 niet wordt gehaald.

Straffeloosheid moet over heel de wereld worden vermeden. We vragen dat de Veiligheidsraad prioritaire aandacht besteedt aan de vrouwen en de kinderen in gewapende conflicten. Na een demobilisatie moet worden gezorgd voor opvang, traumabegeleiding, herintegratie en heropvoeding van kindsoldaten.

Vanzelfsprekend willen we ook dat België in de Veiligheidsraad aandacht vraagt voor het Midden-Oosten. We eisen dat Israël ophoudt met het gebruik van disproportionele militaire maatregelen die zonder onderscheid zowel de burgerbevolking als militaire doelwitten treffen. Van de Palestijnse autoriteit eisen we dat ze de Palestijnse terroristische aanslagen op Israëlische burgerdoelwitten veroordeelt. De wederzijdse erkenning van de Staat Israël en de Palestijnse Staat moet uitzicht bieden op een vreedzame oplossing. De Senaat vraagt ook dat het Kwartet een vredesconferentie organiseert met als doel een totaaloplossing voor de toestand in het Midden-Oosten te vinden, met alle protagonisten en op grond van de resoluties van de Veiligheidsraad.

In de resolutie gaat ook heel wat aandacht naar de ontwapening. Zo vragen we dat België een voortrekkersrol blijft spelen in de strijd tegen submunitie, lichte wapens, kernwapens, chemische wapens en wapens met verarmd uranium, net zoals het heeft gedaan in verband met de landmijnen.

België moet een kritische houding blijven aannemen ten opzichte van de kernwapenstaten. De aanwezigheid van Amerikaanse kernwapens in België moeten we meer dan ooit aan de orde durven te stellen.

Nog andere aspecten zijn belangrijk voor de rol van België.

We dringen ook sterk aan op een eensgezinde Europese houding in de Veiligheidsraad. De Europese lidstaten die ook lid zijn van de Veiligheidsraad, moeten vooraf overleg plegen om zoveel mogelijk een gemeenschappelijk standpunt in te nemen.

Het voorstel van resolutie is snel tot stand gekomen en al even snel geamendeerd. Toch zijn heel wat amendementen harmonisch verwerkt in de tekst, niet alleen dankzij de commissieleden maar ook dankzij de ijverige hulp van het commissiesecretariaat.

Ik hoop dan ook dat de voltallige Senaat het voorstel van resolutie zal goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS), corapporteur. - Ik zal ingaan op enkele punten van de resolutie.

Het eerste punt betreft de ontwapening. Tijdens de vergadering die drie dagen geleden in deze zaal plaatsvond, heb ik herinnerd aan de baanbrekende rol van België op het vlak van clusterbommen.

Ik dring er bij de minister van Buitenlandse Zaken op aan dat dit thema op de Belgische agenda wordt geplaatst in het kader van het Belgische lidmaatschap van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Ik heb een petitie opgesteld die tot doel heeft submunitie te verbieden.

Het is alleen jammer dat niet België, maar Noorwegen het `proces van Oslo', zoals de Noren het noemen, heeft opgestart, naar analogie met het proces in verband met de antipersoonsmijnen, dat tot de conventie van Ottawa heeft geleid. Men had immers net zo goed van het `proces van Brussel' kunnen spreken. België is immers het eerste land dat het gebruik van submunitie heeft verboden.

We moeten er ook voor pleiten dat er snel een internationaal verdrag inzake de wapenhandel komt, dat de criteria voor het verlenen van vergunningen verstrengt.

Het tweede punt waarop ik de aandacht wil vestigen, is het belang van de vredesmissies. De heer Vandenberghe heeft gewezen op het belang van die missies, vooral voor het Midden-Oosten, Libanon, Afrika, Afghanistan en Kosovo. Bovendien moeten we bijzondere aandacht hebben voor de situatie in Birma en moeten we de lakse houding van de internationale gemeenschap ten opzichte van Darfur aan de kaak stellen.

Het derde punt betreft de sancties. Wij wijzen de Belgische regering erop dat zij aangepaste economische sancties moet nemen om de regeringen waarop we druk willen uitoefenen te kunnen beïnvloeden. Alle mogelijke gevolgen van dergelijke sancties voor de burgerbevolking moeten goed worden ingeschat en moeten in aanmerking worden genomen als er maatregelen worden overwogen voor een economische boycot.

Wij hebben onderstreept dat er nood is aan Europese coördinatie over de debatten die in de Veiligheidsraad worden gevoerd, in het bijzonder met de landen van de Europese Unie die permanent lid zijn van de Veiligheidsraad.

Het laatste punt dat ik onder de aandacht wil brengen, betreft de organisatie van onze aanwezigheid in de Veiligheidsraad. In het verleden is al meermaals gebleken dat er nood is aan een cel op Belgisch niveau waarvan de vertegenwoordigers van Buitenlandse Zaken en Landsverdediging deel uitmaken. Tevens moet in New York of in Brussel een structuur worden opgericht waarin het maatschappelijke middenveld zijn opvattingen kan te kennen geven met het oog op de standpunten die België moet innemen.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Laat mij beginnen met een positief element van de resolutie, namelijk het pleidooi opdat de Europese staten die tot de Europese Unie behoren, gezamenlijk optreden. Dat is natuurlijk een schitterend pleidooi, maar spijtig genoeg horen we het al vele jaren. Als de permanente leden die tot de Europese Unie behoren samen met niet-permanente leden een coherente politiek zouden voeren, dan zou de machtsverhouding binnen de Veiligheidsraad totaal veranderen. We zouden sterker staan en Europa zou een veel grotere inbreng hebben binnen de Verenigde Naties.

Het lidmaatschap van de Veiligheidsraad komt er niet omdat België internationaal zo goed staat aangeschreven. Het is het gevolg van een beurtrol van een aantal zogenaamde onafhankelijke landen.

In de resolutie ontbreekt een visie op de Verenigde Naties. In een interview beweert Kofi Annan dat de secretaris-generaal heel veel secretaris en heel weinig generaal is. Hij moet met zijn persoonlijke inzet, impact en overtuiging proberen brandjes te blussen, maar hij heeft maar weinig middelen ter beschikking. Is het systeem van de Verenigde Naties nog steeds het geëigende systeem om bepaalde basisverworvenheden overal ter wereld min of meer te garanderen? Ik denk aan vrede of iets wat erop lijkt, waarbij geen mensen worden uitgemoord omwille van allerlei echte, vermeende en valse idealen.

België zou kunnen proberen om via zijn invloed op de Europese permanente leden, Frankrijk en Groot-Brittannië, ten minste een discussie op gang te brengen. Dat zal trouwens meer en meer noodzakelijk worden, nu men blijkbaar heeft geopteerd voor een intellectueel knappe diplomaat als secretaris-generaal, maar minder iemand die de generaal kan zijn. Ik heb het dan over een persoon die het voortouw kan nemen en die kan proberen een aantal zaken te veranderen.

Ik hoef niet te zeggen hoe negatief de Verenigde Naties worden gepercipieerd door een van de machtigste landen ter wereld, namelijk de Verenigde Staten. Maar niet alleen de Verenigde Staten, maar ook sommige nieuwe staten beoordelen de Verenigde Naties niet al te positief.

De vraag om het Arushatribunaal te verlengen begrijp ik niet. Voor het Arushatribunaal zijn nagenoeg geen processen gevoerd en dan was er nog veel commentaar over de manier waarop die processen gevoerd werden. Volgens mij is het beter de rechtsmacht van deze tijdelijk tribunalen aan het permanent strafhof over te dragen. Daarvoor moeten een aantal landen het verdrag omtrent het internationaal strafhof ondertekenen; één van de machtigste landen heeft dat niet gedaan.

Ik ga ermee akkoord dat we de wapenhandel aan criteria moeten onderwerpen, maar als we niet hypocriet willen zijn, moeten we dat ook doen voor de wapenproductie. Nu hebben wij in ons land nog verschillende wapenfabrieken, waarvan sommige echte wapens produceren en andere materiaal met een mogelijkheid tot dual use. Ik vraag niet dat deze hele industrie wordt afgeschaft. Ik pleit wel voor eerlijkheid: men moet niet alleen de wapenhandel reglementeren, maar ook de wapenproductie. Zo niet blijft het eerste trouwens dode letter.

Uiteraard is het goed dat er veel aandacht gaat naar de problematiek van het Midden-Oosten, omdat die vaak - overigens lang niet altijd terecht - als de oorzaak van vele conflicten in de wereld naar voren wordt gebracht. Bij dit conflict moeten we twee elementen blijven benadrukken. Het eerste is het onvervreemdbaar bestaansrecht van Israël. Dit recht mag niet in twijfel worden getrokken en als iemand dat wel doet, moet België daar telkenmale tegen reageren. Ten tweede moeten we benadrukken dat al de bij dit conflict betrokken partijen moeten afzien van het gebruik van geweld en duidelijk opteren voor dialoog en overleg. Als we die principes steevast verdedigen, kan België mogelijk een beperkte bijdrage leveren tot een oplossing van het conflict.

De invloed van België in de Veiligheidsraad zal zonder twijfel niet van die aard zijn dat België op eigen houtje veel zaken kan realiseren. Maar als we in de Veiligheidsraad de juiste partners kiezen, kunnen we mogelijk enkele stappen in de goede richting helpen realiseren. Dat zou al heel verdienstelijk zijn. In welke mate we daarin zullen slagen, kunnen we echter pas over twee jaar beoordelen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik betreur dat de heer Coveliers, die op de tribune zo lang het woord heeft gevoerd, zijn wijsheid niet is komen delen met de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke) (persoonlijk feit). - Mevrouw de voorzitter, ik vind de opmerking van de heer Roelants du Vivier totaal misplaatst. Elke senator is lid van een commissie op basis van afspraken binnen zijn fractie. Ik weet dat iedereen het recht heeft de commissievergaderingen bij te wonen. Maar voor een senator die als onafhankelijke lid is van deze Senaat, is dat onbegonnen werk. Toch heb ik het volste recht om in de plenaire vergadering mijn mening te zeggen. Ik zal dat recht met hand en tand verdedigen, ook al vind de heer Roelants du Vivier dat niet prettig.

De voorzitter. - Dat is uw recht, mijnheer Coveliers.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik uit geen kritiek op het recht van de heer Coveliers om zich op de tribune uit te spreken. Ik zeg alleen dat hij ook in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging had kunnen komen spreken. Hij heeft dat niet gedaan, wat ook zijn recht is.

Er is geen veiligheid mogelijk zonder ontwikkeling en geen ontwikkeling zonder veiligheid. Bovendien kunnen veiligheid en ontwikkeling op lange termijn alleen in stand worden gehouden in het kader van een rechtsstaat en het respect voor de mensenrechten.

Die filosofie heeft Kofi Annan gehuldigd tijdens zijn ambtsperiode als secretaris-generaal van de VN. Hij heeft de VN begeleid naar de 21ste eeuw. In 2001 heeft hij, tegelijkertijd met de organisatie, terecht de Nobelprijs voor de vrede gekregen.

Door zijn optreden is de Organisatie van de Verenigde Naties beter voorbereid om haar belangrijkste doel te bereiken, namelijk vrede en veiligheid, ontwikkeling, mensenrechten en de rechtsstaat. Via de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling werd een actieprogramma aangenomen om de armoede uit te roeien en een rechtvaardigere wereld te bereiken voor iedereen, vooral voor Afrika. Ook de oprichting van een Raad voor de mensenrechten was een van de duurzame bijdragen van de ontslagnemende secretaris-generaal.

Zijn opvolger, de heer Ban Ki-moon, wordt benoemd op een ogenblik dat de organisatie wordt hervormd volgens de plannen die de wereldleiders in september 2005 hebben uitgetekend.

In die context wordt België niet-permanent lid van de Veiligheidsraad. Ons land krijgt die kans dankzij het werk van gewezen minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, en de contacten die hij destijds heeft gelegd. Hij verdient hiervoor openlijk onze dank.

België treedt toe tot de Veiligheidsraad in een zeer moeilijke periode inzake internationale aangelegenheden. De internationale gemeenschap moet eensgezind optreden om op talrijke plaatsen in de wereld de drie pijlers van de VN te versterken: vrede, ontwikkeling en mensenrechten.

De crises in Darfur en in het Midden-Oosten vergen, net als de andere conflicten in Afrika, een gezamenlijke actie. Het Midden-Oosten is één van de ergste problemen, want het geweld en het uitdijen van het probleem in de regio bereiken een hoogtepunt. De hoop die gerezen is met de conferentie van Madrid en het Osloproces is dood en begraven. De regionale machten worden met elkaar geconfronteerd en de instrumentalisering van tweederangsactoren als Hezbollah en Hamas maken het onderhandelen zeer moeilijk.

De Palestijnse en de Libanese maatschappij zijn als nooit tevoren verdeeld in tegenstrijdige kampen. Israël is zo beducht voor de Iranese nucleaire dreiging dat de Israëlische eerste minister een ontradingsstrategie heeft opgeblazen.

Als er geen onverwachte oplossing wordt gevonden om de protagonisten in het Nabije Oosten opnieuw rond de onderhandelingstafel te krijgen, moeten we de akkoorden van het Kwartet meer impuls geven en alle betrokken landen mobiliseren.

De Veiligheidsraad zal de komende maanden een zeer belangrijke rol te vervullen hebben. Hij mag geen genoegen nemen met de bestraffing van machtsmisbruik, wat een veto zou kunnen uitlokken bij één van de permanente leden, maar moet streven naar vrede op lange termijn.

In Libanon en Irak verslechtert de situatie. Ook in Iran en Syrië staan vrede en veiligheid op het spel. Iran zal geen vrede vinden als het clandestiene nucleaire programma's ontwikkelt, maar wel als het zich ten volle aanpast aan de internationale gemeenschap. De Veiligheidsraad moet er na lange onderhandelingen in slagen Teheran te verplichten het nodige te doen om de voorwaarden voor vertrouwen te scheppen. Iran is een groot land, maar de erkenning van zijn rol houdt ook een verplichting in: de angst wegnemen, vreedzaam werken aan de stabiliteit in de regio, zoals het een groot, verstandig land betaamt.

Syrië mag zich niet langer afsluiten en moet zijn plaats aan de onderhandelingstafel van de VN weer innemen en de internationale wetten en de vereisten van de VN respecteren.

Dat alles toont aan dat de VN en de internationale gemeenschap moeten samenwerken, dat ze hun gezamenlijke wijsheid moeten bundelen en inspanningen moeten doen om al die regeringen in de regio te helpen politieke en sociale stabiliteit te verzekeren.

Afrika is de tweede grote test voor de geloofwaardigheid van de VN. Het is de regio waar België de meeste wortels, belangen en historische banden moet verdedigen. De Democratische Republiek Congo komt opnieuw tot leven, maar heeft hulp nodig om een zwakke politieke en economische situatie te herstellen. Congo moet zijn administratieve, gerechtelijke en staatsstructuren opnieuw opbouwen.

Op het gebied van veiligheid heeft Congo ons nodig, het heeft het engagement van de Europeanen en van zijn buren nodig om in vrede te leven.

De situatie in Darfur is al drie jaar een schande voor de internationale gemeenschap. Er wordt gesproken over volkenmoord, maar er wordt niet opgetreden. De humanitaire organisaties worden ter plaatse gelaten als dekmantel voor onze onwil om op te treden. En Soedan vormt, behalve door zijn geografie, geen onoverkomelijke hinderpaal voor een militaire interventie van de internationale gemeenschap.

We mogen niet langer wachten op extra bemiddeling, op een verslag dat lijkt op het vorige, op een opdracht, op het sturen van een vertegenwoordiger. Het is tijd om te handelen. Sedert de top van 2005 staat vast de VN tussenbeide moet komen, want die organisatie is verplicht de burgerbevolking die door haar eigen regering in gevaar wordt gebracht, te beschermen.

Een militaire interventie in Darfur weigeren, de geloofwaardigheid van de grenzen in die regio niet herstellen, geloven in het welslagen van de diplomatieke onderhandeling met de Afrikaanse Unie en andere betrokken partijen, met inbegrip van de Sudanese regering, om alle aspecten van de crisis in dat land te regelen, getuigt van een gebrek aan realisme, dat al te veel levens heeft gekost.

Naast deze geografische thema's moeten onze diplomaten in de Veiligheidsraad ook aandacht hebben voor de ontwapening en voor het voortzetten van de inspanningen voor de millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling. Over acht jaar moeten die zijn bereikt.

De verspreiding van massavernietigingswapens moet worden tegengegaan door de internationale wetten. De internationale gemeenschap moet vastberaden en eensgezind optreden.

De aanwezigheid van ons land in de Veiligheidsraad zal de situatie niet veranderen, maar ze kan ons wel meer legitimiteit geven en ons in staat stellen onze natuurlijke en geografisch verder gelegen partners te overtuigen zich in te zetten voor een controleerbare en afdwingbare ontwapening, zodat destabiliserende of inhumane wapens worden geneutraliseerd.

Het proces van de nucleaire ontwapening heeft een stuk van zijn geloofwaardigheid verloren omdat het niet lager steunt op de vernietiging van de wapens en de dragers ervan, zoals raketten en bommenwerpers, maar op de ontmanteling en de opslag ervan. Bovendien zullen de controlemechanismen tussen de Verenigde Staten en Rusland, die het gevolg zijn van het START 1-verdrag, vanaf 2009 geen wettelijke basis meer hebben.

Wat is de relevantie van een ontwapeningsproces zonder een controlesysteem dat het wederzijds vertrouwen garandeert? Het Verdrag inzake biologische wapens is een goed voorbeeld.

De initiatieven van onze assemblee, vooral inzake wapens met submunitie, zouden om echt internationale weerklank te krijgen, van bij de aanvang van het wetgevingsproces rechtstreeks moeten worden gesteund door onze regering en door de betrokken ministers. Het feit dat ze bij de goedkeuring van deze wet in de Kamer noch in de Senaat aanwezig waren, stemt niet overeen met het engagement van onze Hoge Vergadering in deze strijd. Ik betreur dat.

Om efficiënt te zijn moet de VN doorgaan met de hervorming, die meer bepaald een betere vertegenwoordiging van de naties in de Veiligheidsraad omvat. Zowel wat de permanente als de niet-permanente leden betreft, moet de internationale gemeenschap beter weerspiegeld worden in de vertegenwoordiging. Dat is nu niet het geval, en iedereen geeft toe dat die regeling verouderd is.

België moet zich ook inzetten voor het welslagen van de twee nieuwe VN-instellingen die werden opgericht na de Top van 2005: de Commissie voor de consolidatie van de vrede, die nog moet worden opgericht, en de Raad voor de mensenrechten. Die beide instellingen moeten werken in de geest die aan de basis lag van hun oprichting. Acht maanden na zijn oprichting slaat de Raad voor de mensenrechten echter al een verkeerde weg in. We moeten ons dus onafgebroken blijven inzetten opdat de vergissingen van het verleden worden rechtgezet en opdat de werkzaamheden van de Raad voor de mensenrechten niet opnieuw worden gekenmerkt door de cultuur van het onvermogen, zoals dat het geval was bij de Commissie voor de mensenrechten.

De tegenstelling tussen de staten, soms zelfs tussen de opvattingen over de mensenrechten, wordt ondergeschikt aan de nood aan ondersteuning van elk individu van wie de meest fundamentele mensenrechten niet worden gerespecteerd.

België neemt, door de waarden die het vertegenwoordigt, door zijn visie en pragmatisme, een bijzondere plaats in in Europa en de wereld.

We moeten dat uniek vermogen tot beïnvloeding en actie, dat we soms zelf onderschatten, aanwenden om de Europese institutionele beschikkingen die betrekking hebben op de coördinatie van de Europese landen in de Veiligheidsraad beter te doen functioneren.

Ongeacht onze politieke agenda en de wisselvalligheden van ons politieke leven, moeten we gedurende deze twee jaar de faam van onze diplomatie, die op internationaal niveau als uitstekend wordt beschouwd, hoog houden.

We sluiten een jaar voorzitterschap van de OVSE af, we vatten een aanwezigheid van twee jaar in de Veiligheidsraad aan, we bereiden een toekomstig voorzitterschap van de Europese Unie voor. We hebben vertrouwen in ons diplomatiek korps dat ons in het buitenland vertegenwoordigt. Laten we de komende periode in de Veiligheidsraad dan ook aanwenden om de aandacht te vestigen op de immense troeven van ons land in deze nieuwe en onzekere wereld die we veiliger, rechtvaardiger en meer solidair willen maken.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (Stuk 3-1889)

Algemene bespreking

De heer Stefaan Noreilde (VLD), corapporteur. - Het voorliggend wetsontwerp wil een geprofessionaliseerde en kwalitatief hoogstaande gerechtelijke opleiding van magistraten, gerechtelijke stagiairs en gerechtspersoneel garanderen. Een nieuw onafhankelijk federaal instituut zal met die opleiding worden belast.

Tot op vandaag is zowel de wetgeving als de bevoegdheid over de gerechtelijke opleiding versnipperd. In 1991 werd aan een wervingscollege de opdracht gegeven om aan de minister van Justitie advies te geven betreffende de opleiding. Naar aanleiding daarvan werd gestart met een opleidingsdienst bij het ministerie van Justitie. In 1998 werd de Hoge Raad voor de Justitie opgericht, die de richtlijnen en programma's voor de permanente vorming van magistraten en de gerechtelijke stage moest voorbereiden. De FOD Justitie moest in samenwerking met de Hoge Raad zorgen voor de uitvoering van de programma's en de logistieke ondersteuning. De Koning werd bevoegd voor de organisatie van de beroepsopleiding.

Dit wetsontwerp inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding is voor de regering een volgende belangrijke stap in de modernisering van de gerechtelijke structuren. Goed opgeleide magistraten en goed opgeleid administratief personeel zullen immers bijdragen tot een doeltreffende werking van het gerechtelijke apparaat.

De gerechtelijke opleiding omvat de initiële opleiding, de permanente opleiding - een magistraat krijgt het recht permanente opleiding te volgen a rato van vijf werkdagen per gerechtelijk jaar - en de loopbaanbegeleiding.

De oprichting van één instituut heeft volgens de minister van Justitie verschillende voordelen. De middelen kunnen veel efficiënter worden aangewend en het opleidingsbeleid van de diverse categorieën kan veel beter op elkaar worden afgestemd. De minister beklemtoont de onafhankelijkheid van het instituut ten opzichte van de uitvoerende en de gerechtelijke macht, daar het instituut eigen personeel en een aanzienlijk budget krijgt toebedeeld, namelijk 1,9% van de loonmassa of 10.360.966 euro. Dit betekent een forse budgettaire inhaalbeweging die zich over vijf jaar zal uitstrekken. Daarenboven zal het instituut bijkomende inkomstenbronnen kunnen aanboren door opleidingen aan sommige paragerechtelijke actoren te verkopen. Zo hoopt de minister dat advocaten, notarissen, gerechtsdeurwaarders en experts plaats zullen nemen op de banken van het instituut.

De financiële controle gebeurt door twee regeringscommissarissen. Het instituut is dan ook een instelling van openbaar nut van klasse B. Dat soort instelling van openbaar nut heeft de meeste autonomie: de begroting wordt vastgesteld en de controle heeft a posteriori plaats.

Over de organen van het instituut - de Raad van bestuur, de directie en het wetenschappelijk comité - verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

Over welke punten werd in de Senaatscommissie van gedachten gewisseld? Er was eerst en vooral het advies van de Hoge Raad voor de Justitie van 27 september 2006. De commissie heeft de Hoge Raad daarover gehoord op 5 december 2006.

De Hoge Raad verklaarde zich principieel voorstander van de oprichting van een derde pijler binnen haar structuur. Die zou moeten instaan voor de opleiding van magistraten voor zover het natuurlijk enkel de opleiding van magistraten zou beogen. De Hoge Raad heeft in hetzelfde advies echter ook een bijkomend standpunt uitgewerkt voor het geval het opzet ruimer zou zijn dan enkel de opleiding van magistraten. Ze vindt dat die keuze louter politiek is en heeft bijgevolg geen bezwaar bij het ruimere opzet zoals het vandaag voorligt, waarbij ook andere personeelsleden van de rechterlijke orde worden betrokken.

De Hoge Raad stelt wel dat er drie grondbeginselen in acht moeten worden genomen. Een eerste voorwaarde is dat het instituut een federaal orgaan moet zijn. De Hoge Raad beschouwt de opleiding immers als een uitwisseling van informatie, concepten en praktijken onder magistraten.

Voor de Hoge Raad is dat uitsluitend denkbaar in een federale instelling. Het ontwerp van de opleidingen en de uitvoering moet zich in één hand bevinden. De de facto versnippering tussen de Hoge Raad en de FOD Justitie is een duale structuur die problemen veroorzaakt. Tot slot moet de onafhankelijkheid en het specifieke karakter van de magistratuur te allen tijde worden bewaakt.

De minister is haar keuze voor een algemeen beleid - dat alle categorieën in de rechterlijke orde betrekt en onder één koepel organiseert - ook na de hoorzitting met de Hoge Raad in de commissie blijven verdedigen. In haar ogen is die keuze de enige waarbij de controlefunctie van de Hoge Raad wordt verstevigd. De Hoge Raad zal immers richtlijnen inzake opleiding aan het instituut blijven geven en zal ook significant aanwezig zijn in de organen van dat instituut.

Tijdens de bespreking in de commissie was er vooral één twistpunt waarover de meningen heel sterk bleven verschillen. Volgens de commissievoorzitter is er sprake van een echt bevoegdheidsprobleem. Een dergelijk institutioneel georganiseerde opleiding behoort niet tot de bevoegdheid van de federale wetgever. Krachtens artikel 127 van de Grondwet zijn de gemeenschappen exclusief bevoegd voor onderwijs en bijscholing, dus ook voor het onderricht van magistraten. Het feit dat justitie een federale materie is overtuigt hem niet aangezien bijvoorbeeld de rechtsfaculteiten evenmin onder de federale wetgever vallen.

De minister deelt die mening echter absoluut niet. Artikel 129 van de Grondwet heeft betrekking op het onderwijs, terwijl onderhavig ontwerp vooral betrekking heeft op beroepsopleiding. Enerzijds gaat het uit van de bevoegdheden inzake vorming van de rechters en de ambtenaren van het Openbaar Ministerie die krachtens artikel 151, §4 van de Grondwet aan de Hoge Raad en anderzijds van de bevoegdheden die in het gerechtelijke wetboek worden voorzien. Het beoogt niet de opleiding die nodig is om master in de rechten te worden en zo toegang te krijgen tot de magistratuur, maar wel een later stadium waarin een gediplomeerde in de rechten zijn gerechtelijke stage begint of wanneer een magistraat in functie is.

Tot zover een korte samenvatting van de inhoud van het wetsontwerp alsook van het debat erover in de Senaatscommissie voor de Justitie.

Vandaag mag het Parlement het wetsontwerp goedkeuren, maar daarom zal het instituut nog niet opgericht zijn in 2007. Er moeten immers eerst nog kandidaten worden gezocht. Het instituut zal pas operationeel zijn in 2008 en moet vanaf dat jaar een begroting krijgen.

Het geamendeerde wetsontwerp werd in zijn geheel aangenomen met 8 stemmen tegen 2 bij één onthouding.

Ik dank de collega's in de commissie voor het aangename en constructieve debat. In de plenaire vergadering zal dit wellicht niet anders zijn.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Mijn collega, die uitvoerig verslag uitbracht, zei al dat er een grondig debat heeft plaatsgevonden over de bevoegdheid van het Instituut voor gerechtelijke opleiding. Ik kom daar niet op terug.

We hebben ook gesproken over de relatie tussen het Instituut en de Hoge Raad voor de Justitie. In het begin pleitte de Raad ervoor dat het Instituut onder zijn bevoegdheid zou vallen. We hebben een formule gevonden waarbij hij er nauw bij wordt betrokken.

Het tweede punt van de bespreking had betrekking op de samenstelling van de organen - de raad van bestuur en de directie - het statuut en de opdracht van de leden van die organen en over het taalevenwicht. Er werden verschillende amendementen ingediend om dat evenwicht te bereiken. Ten slotte hebben wij gedebatteerd over de kostprijs en de spreiding in de tijd van de begroting van deze belangrijke instelling.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de rapporteur voor zijn uitstekende verslag.

Bij de besprekingen van het Octopusakkoord in 1998-1999 werd een politiek akkoord bereikt waarin gezegd werd dat de beroepsopleiding en de vorming van de magistratuur via een samenwerking met de gemeenschappen dienden te gebeuren. Dat is volgens de Grondwet immers een bevoegdheid van de gemeenschappen. Dat was overigens geen standpunt van de toenmalige CVP alleen. Het Octopusakkoord werd onderschreven door de twee christen-democratische partijen, de twee liberale partijen en de twee socialistische partijen. Waarom zijn de andere partijen van standpunt veranderd? De Grondwet is niet gewijzigd en dus is dit het zoveelste bewijs dat paars een instrumentele interpretatie van de Grondwet hanteert, wat betekent dat die interpretatie wordt gebruikt die nodig is om een bepaald resultaat te bereiken. Om Bossuet te parafraseren: `La Constitution se meurt, la Constitution est morte'.

Een van de eerste grote verwezenlijkingen van de regionalisering was de defederalisering van het onderwijs. Adviezen van de Raad van State en arresten van het Arbitragehof stellen dat er geen twijfel over bestaat dat de overdracht van de bevoegdheid inzake onderwijs en vorming alle aspecten ter zake omvat, met uitzondering van wat in artikel 127 van de Grondwet wordt opgesomd, namelijk de bepaling van het begin en het einde van de leerplicht, de minimale voorwaarden voor het uitreiken van de diploma's en de pensioenregeling. Er zijn geen andere uitzonderingen. Het argument dat het hier een vorming betreft die niet leidt tot een universitair of een ander diploma, snijdt geen hout. Dat is niet het criterium. De regel is duidelijk en de uitzonderingen zijn duidelijk. Zoals professor De Page schreef, moet een klare tekst niet worden geïnterpreteerd. Er bestaat hier geen ruimte voor interpretatie. Het onderwijs is een bevoegdheid van de gemeenschappen. Het Octopusakkoord heeft die grondwettelijke interpretatie bevestigd. Ik ga daarbij niet voorbij aan artikel 151 van de Grondwet dat we met het Octopusakkoord hebben gewijzigd. Paragraaf 3 van dat artikel bepaalt dat de Hoge Raad voor de Justitie onder meer bevoegd is inzake de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie. In artikel 151 wordt specifiek verwezen naar de bemiddelende rol van de Hoge Raad voor de Justitie, maar dat artikel moet worden geïnterpreteerd in het licht van artikel 127 van de grondwet zodat we kunnen besluiten dat het Octopusakkoord aangaf aan dat er akkoorden dienden te worden afgesloten met de gemeenschappen over de opleiding van de magistraten.

Ik heb goed geluisterd naar de evolutieve argumentatie. Als eerste argument wordt verwezen naar artikel 151 van de Grondwet en meer bepaald naar paragraaf 3, 4º over de vorming van de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie. Mag ik erop wijzen dat het Instituut voor gerechtelijke opleiding zich tot iedereen richt, zelfs tot de kamerleden en senatoren die er misschien nog kunnen bijleren over de Grondwet, leren wat hun bevoegdheden zijn en hoe dikwijls ze de afgelopen jaren de Grondwet hebben verkracht! Uit artikel 151 van de Grondwet kan uiteraard nooit de bevoegdheid worden afgeleid om opleidingen te mogen organiseren voor ander gerechtelijk personeel dan de rechters en de ambtenaren van het openbaar ministerie en zeker niet voor derden. Toch richt de FOD Justitie dus een parastatale B op, die de grote concurrent wordt van de postacademische opleidingen van de rechtsfaculteiten en die onderwijs en bijscholing organiseert voor iedereen. De rechtsfaculteiten hebben de afgelopen jaren nochtans grote inspanningen gedaan inzake postacademische opleidingen: Gandaius in Gent, Themis in Leuven, vervolmakingscursussen in Antwerpen, met vijf tot zes sessies over verschillende vakken. Die cursussen worden gegeven door hoogleraren tot wier academische opdracht dat behoort en die daar overigens geen vergoeding voor ontvangen.

Wanneer er specifieke gerechtelijke opleidingen worden aangeboden voor de magistratuur, het gerechtelijk personeel en derden, zullen de rechtsfaculteiten in de feiten in een ongelijke positie worden geplaatst ten opzichte van het door de FOD Justitie opgerichte instituut. Op kruissnelheid zal het Instituut voor gerechtelijke opleiding 1,9% van de jaarlijkse loonmassa van de FOD Justitie krijgen, wat neerkomt op 10.360.000 euro. De FOD Justitie zal voor de organisatie van het normale academische onderricht dus beschikken over een budget dat groter is dan dat van alle Belgische rechtsfaculteiten samen, en dat uitsluitend voor een postacademische opleiding. De federale overheid zegt dat ze dat ze dat soort instelling mag oprichten, maar eigenlijk neemt ze bevoegdheden af van de gemeenschappen en handelt ze in strijd met artikel 127 van de Grondwet, samengelezen met artikel 151 van de Grondwet. Bovendien schendt de regeling de belangen van de rechtsfaculteiten, en dus ook die van de Vlaamse rechtsfaculteiten.

Daar kan ik niet lichtzinnig over heen gaan. Het enige soelaas dat ons rest, is dat er over zes maanden verkiezingen worden gehouden. Dat kan betekenen dat deze wet, die tegen de Grondwet in zal worden goedgekeurd, dode letter zal blijven bij gebrek aan uitvoering.

Tenslotte is het voor ons is ook een bijkomend argument om de laatste twijfelende kiezer ervan te overtuigen de juiste keuze te maken bij de komende parlementsverkiezingen.

De heer Jurgen Ceder (VL. BELANG). - Wat de juiste keuze is, daar zal ik nu niet op ingaan ...

Ik weet wel dat in het Octopusakkoord stond: `Er wordt een magistratenschool per gemeenschap opgericht in de vorm van een Interuniversitair Centrum.' Het was voor de Vlaamse onderhandelaars een van de voorwaarden voor de ondertekening van het akkoord. Nog in 2001 verklaarde de toenmalige minister van Justitie in de Kamer van volksvertegenwoordigers: `Laat het echter duidelijk zijn dat de Hoge Raad voor Justitie geen unitaire opleiding uitwerkt. Er kan evenmin sprake zijn van een unitaire recuperatie. Dit is niet meer mogelijk door de VLIR en de Conseil des recteurs des universités francophones de Belgique daarbij te betrekken.'

We weten vandaag dat het Octopusakkoord niet zal gerespecteerd worden. We weten nu ook dat communautaire akkoorden de geloofwaardigheid hebben van een burgermanifest. Om nog maar te zwijgen over het vermogen van Marc Verwilghen om zijn wil door te drukken.

Om de uitvoering van het Octopusakkoord voor te bereiden had de VLIR al in 1998 de werkgroep Magistratenschool opgericht. De werking ervan viel later stil omdat de zogenaamde master-na-masteropleiding pas vanaf het academiejaar 2006-2007 kon worden aangeboden.

Dat probleem zou er nu dus niet meer mogen zijn, maar het grootste probleem was dat het project staat of valt met de mogelijkheid om tijdens een stage kennis te maken met de magistratuur en het parket. Daarvoor was het akkoord van de minister van Justitie nodig en dat akkoord kwam er niet.

Toen ik in de commissie verwees naar de duidelijke afspraak in het Octopusakkoord om een magistratenschool per gemeenschap op te richten, antwoordde de vertegenwoordiger van de minister dat niets belet dat de gemeenschappen parallel met het opleidingsinstituut ook een magistratenschool oprichten, terwijl juist het federale niveau daartoe geen akkoord gaf.

Wat is gebeurd, is precies wat de vorige minister van Justitie ons verzekerde dat niet zou gebeuren: unitaire recuperatie. De paritaire en zich steeds meer als unitaristisch profilerende Hoge Raad voor de justitie heeft hierin geen mooie rol gespeeld. De raad verhinderde een akkoord met de gemeenschappen, eiste bij de minister van Justitie ongeveer het hele pakket voor zichzelf op en krijgt het ook. Dat is merkwaardige politieke invloed vanwege een instelling die nergens verantwoording moet afleggen. Men zou bijna gaan denken dat de Hoge Raad zichzelf werkelijk als vierde macht ziet in dit land en dat dit de leden van de raad naar het hoofd is gestegen.

Het gaat hier over opleiding en onderwijs. Onderwijs is krachtens de Grondwet een bevoegdheid van de gemeenschappen. Zoals collega Vandenberghe al zei, dienen alle uitzonderingen op deze bepaling restrictief te worden geïnterpreteerd. Het gaat niet om arbeiders van Coca Cola aan wie geleerd wordt hoe ze flesjes met frisdrank moeten vullen, maar wel om een algemene opleiding, waarvoor de gemeenschappen en alleen zij bevoegd zijn. Het feit dat men de naam `opleidingsinstituut' gebruikt in plaats van `magistratenschool' verandert daar niets aan.

Ook het feit dat gemeenschappen het overigens niet gespecificeerde statuut van bevoorrechte partner voor samenwerking krijgen, of de aanwezigheid in het adviserend wetenschappelijk comité van twee personen van de Vlaamse universiteiten, doen daar niets aan af.

Gemeenschapssenator Van Hauthem heeft in het Vlaams Parlement een voorstel tot het inroepen van een belangenconflict ingediend. Hopelijk krijgt het Arbitragehof de kans deze wet te bekijken en heeft het ook de moed deze schending van de Grondwet en het verraad aan een duidelijke afspraak in het Octopusakkoord, ongedaan te maken.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), corapporteur. - Het CDH zal zich onthouden. Het is niet gekant tegen de oprichting van een Instituut voor gerechtelijke opleiding. Het idee daarvoor is al zeer oud.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Dat dateert al van vijftien jaar geleden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), corapporteur. - Ik herinner me dat minister Wathelet daarover al een dossier had.

Ik zal me onthouden om redenen van grondwettigheid, die echter verschillen van degene die werden vermeld. Artikel 151, §3, ten vierde, bepaalt dat de Hoge Raad voor de Justitie bevoegd is voor de vorming van de rechters. Wij hebben dat standpunt altijd verdedigd. In zijn advies sprak de Hoge Raad de wens uit verantwoordelijk te zijn voor de organisatie van de opleiding van de magistraten. In ondergeschikte orde wenste hij dat er een beroep werd gedaan op dit onafhankelijk orgaan. De Hoge Raad voor de Justitie werd in de structuur geïntegreerd. Hij beschikt niet enkel over een recht van toezicht, maar heeft ook zitting in de raad van bestuur, met name om de richtlijnen voor de opleiding van de magistraten vast te leggen. Het voorstel vertrekt evenwel vanuit een andere invalshoek. De opleiding wordt niet beperkt tot de magistraten, maar wordt uitgebreid tot de opleiding van gerechtelijk personeel en van de gerechtelijk stagiairs. Het Instituut is dus naar een andere vorm geëvolueerd. Het is een onafhankelijk orgaan waarin iedereen terug te vinden is en waarbij de minister van Justitie als toezichthoudende minister veel macht behoudt.

Ik hoop dat de oorspronkelijke en permanente opleiding de best mogelijke is en dat de magistraten er gebruik van zullen maken. Ze hebben immers recht op vijf vormingsdagen per jaar. Nochtans getuigt dit ontwerp, gelet op de Grondwet en met name artikel 151, van een brede, soepele en moderne interpretatie en tendeert het naar een multidisciplinaire opleiding. Het Instituut zal, en ik denk dat het dit waard is, veel kosten. De volgende regering zal dit Instituut moeten doen werken. De begroting is er en is gespreid in de tijd. Het betreft een grote uitdaging. Het personeel moet voorbereid zijn en moet de opleiding op poten zetten.

Wat het doel betreft, heeft het CDH geen bezwaar.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik herinner aan de twee onderdelen van de discussie. Eerst werd gesproken over de grondwettigheid, gelet op artikel 151. Ik kan slechts herhalen wat mevrouw Nyssens zei over wat sommigen zouden kunnen omschrijven als een precedent. Dit lokte destijds echter geen belangrijke reacties uit. Ik denk aan het toevertrouwen van een vormingstaak aan de Hoge Raad voor de Justitie.

Wat de taakverdeling tussen het Instituut en de Hoge Raad voor de Justitie betreft, wijs ik erop dat de Hoge Raad niet exclusief bevoegd is voor de opleiding. De oprichting van een Instituut is noodzakelijk en mijn fractie zal dit initiatief steunen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - De heer Delpérée is een groot specialist. Ik neem hem tot getuige.

Professor Hugo Vandenberghe, voor wie ik veel eerbied heb, pleit tegen zijn zaak. Het is niet mogelijk dat hij in zijn pleidooi te goeder trouw is.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wat er al niet wordt gepleit in dit land!

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Kwaliteit moet centraal staan in dit beleidsontwerp met betrekking tot de derde macht van het land. Er is behoefte aan een instituut voor permanente opleiding voor het personeel van de rechterlijke orde. Die opleiding heeft een kostprijs en vertegenwoordigt 1,9% van de loonmassa, net zoals in de privésector.

Iedereen is het eens over het doel. De heer Vandenberghe beweert enkel dat het een bevoegdheid van de gemeenschappen betreft. Wij beschouwen de beroepsopleiding als een onderdeel van het statuut van de magistraat of het personeelslid van de rechterlijke orde. Aangezien dat statuut federaal is, is de opleiding dat ook.

De federale administratie heeft overigens ook, zonder protest van de gewesten en de gemeenschappen, een federaal opleidingsinstituut binnen het departement `Personeel en Organisatie'. De wet van 1999 heeft de beroepsopleiding van de magistraten toevertrouwd aan de Hoge Raad voor de Justitie zonder enige kritiek van de Raad van State en de gewesten. In 2004 heeft een rist professoren zich trouwens over de Hoge Raad voor de Justitie gebogen. De heer van Drooghenbroeck heeft zich beziggehouden met artikel 151, §3, ten vierde, van de Grondwet. Hij legde uit dat dit artikel het overdragen van de bevoegdheid inzake opleiding aan de Hoge Raad voor de Justitie mogelijk maakt. Hij voegde eraan toe dat de grondwetgever vasthoudt aan het grondwettelijke spoor dat sinds 1980 werd getrokken. Artikel 6, hoofdstuk 6, ten zesde van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen onttrekt de opleiding van magistraten aan de communautarisering van de onderwijsmateries. De opleiding van magistraten is altijd een zaak van federale normen en instellingen geweest en blijft dat ook. Dat advies werd niet tegengesproken door zijn collega's.

Het ontwerp werd ook besproken in het Vlaams Parlement, een eerste keer in 2005 en een tweede keer gisteren, op 20 december 2006, toen minister Vandenbroucke werd geïnterpelleerd.

Ik lees een deel van zijn antwoord.

`Als ik de tekst lees, dan denk ik niet dat er een manifest bevoegdheidsprobleem is. Die tekst gaat immers over opleiding in de vorm van een stage bij het begin van de loopbaan, van in-service-training, permanente vorming en loopbaanontwikkeling en -begeleiding. Er is geen reden om te zeggen dat dit ipso facto een bevoegdheid van de gemeenschappen is.' (...) `Dat is ook de reden waarom ik nog geen formeel overleg over deze zaak heb aangevraagd. Mijns inziens is er geen sprake van een manifest bevoegdheidsprobleem.'

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Ik was gisteren in het Vlaams Parlement toen het punt werd besproken. De minister citeert slechts een stukje uit de verklaring van minister Vandenbroucke, die zei dat hij geen definitief oordeel uitsprak.

CD&V-NVA en ook andere partijen hebben uitdrukkelijk gezegd dat de zaak in januari in commissie zal worden besproken, rekening houdend met het feit dat het wetsontwerp een bicamerale materie is.

De analyse van de minister is niet juist. Ze zou wellicht juist kunnen zijn als de opleiding exclusief gericht zou zijn op de beroepsgroep waarover de minister het heeft. De doelgroep is echter veel breder. Bovendien kan een verstandige minister, dus ook de Vlaamse minister van Onderwijs en Werk, zich vergissen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ik vind daarvan niets terug in het verslag van de plenaire vergadering van gisteren. Ik vind er enkel een antwoord van minister Vandenbroucke, waarmee hij het antwoord van 2005 bevestigt en dat volledig strookt met de analyse die ik zopas gaf.

We zijn het dus eens over het doel. CD&V werpt een bevoegdheidsprobleem op. Ik zie daarvan het voordeel niet in. Ik sprak er daarstraks over met de heer Delpérée ...

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Voor zover ik weet maakt hij geen deel uit van CD&V ...

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Uiteraard niet, maar het is wel iemand wiens mening inzake institutionele bevoegdheidsverdeling van belang is.

Die specialist van onze instellingen merkte terecht op dat er bijvoorbeeld ook een instituut voor militaire opleiding bestaat. Wat is uw antwoord daarop?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Dat valt onder de uitzondering van artikel 182.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Helemaal niet ...

De voorzitter. - Wil u mevrouw de minister te hulp snellen, mijnheer Delpérée?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ter aanvulling, mevrouw de voorzitter, ...

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik ben er zeker van dat de heer Delpérée gaat zeggen dat hij de Grondwet te hulp snelt.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Inderdaad, mijnheer Mahoux.

Dit probleem is niet nieuw. Het kwam al ter sprake bij de Raad van State en nadien bij het Arbitragehof.

De vraag is of de gemeenschappoen bevoegd zijn inzake onderwijs voor de Koninklijke Militaire School. De Raad van State en het Arbitragehof hebben geantwoord dat het hier niet om onderwijs gaat, maar om de voorbereiding op een beroep, een opleiding voor personen die zich voorbereiden op bepaalde beroepsloopbanen.

De vergelijking gaat dus volledig op en ik ben het op dit vlak eens met de minister. Ik begrijp werkelijk niet waarom men een probleem opwerpt op grond van het artikel inzake de bevoegdheid voor onderwijs.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De professoren van de Koninklijke Militaire School zullen graag horen dat hun instelling geen onderwijs, maar een ambachtelijke opleiding verstrekt.

Als het allemaal zo evident is, waarom zijn de zes partijen van het Octopusakkoord dan in 1998-1999 tot een andere opvatting gekomen? Ik was erbij, evenals de heren Duquesne, Verwilghen en Vande Lanotte. Toen was het standpunt dat rekening houdend met artikel 151 van de Grondwet met betrekking tot de Hoge Raad, de opleiding met de Vlaamse en Franstalige Gemeenschap diende te worden georganiseerd. Omdat een deel zich daartegen verzette, heeft het ook zo lang geduurd.

Het Arbitragehof of de politiek zullen het laatste woord hebben. De tekst is echter duidelijk en hoeft geen interpretatie: het onderwijs is een bevoegdheid van de gemeenschappen, behoudens drie uitzonderingen. Ik verwijs naar de vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie waarin het begrip onderwijs wordt gedefinieerd als elke mogelijke opleiding, van wie ze ook uitgaat en door wie ze ook wordt verstrekt.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Ik ben voorstander van een federalisme op basis van samenwerking. Dit ontwerp betreft duidelijk een federale bevoegdheid, aangezien het over de opleiding als integraal onderdeel van een statuut gaat. Ik herhaal wel dat het Instituut voor opleiding open moet staan voor andere instellingen van de staat, voor de universiteiten en de onderwijs- en opleidingsinstellingen, om de kwaliteit van het werk in onze hoven en rechtbanken nog te verbeteren. Ik hoop dat dit federalisme op basis van samenwerking goede resultaten zal opleveren ten voordele van de rechterlijke macht en dus van de hele bevolking.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Er werd geopperd dat het in dit dossier om een opleiding tot een beroep gaat. Welnu, de beroepsopleidingen en de ambachtelijke opleidingen werden reeds voor de defederalisering van het onderwijs als een exclusieve bevoegdheid van de gemeenschappen beschouwd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wil niet tussenkomen in discussies tussen grondwetspecialisten, maar ik wil er, in antwoord op de heer Van den Brande, toch op wijzen dat het Instituut voor Middenstandsopleiding opleidingen organiseert waarvan sommige tot de verplichte schoolvakken en dus tot de bevoegdheid van de deelgebieden behoren.

De heer Francis Delpérée (CDH). - Ik sluit mij aan bij de heer Mahoux. We spreken hier niet over de opleiding van zelfstandigen, maar over de opleiding van kaderpersoneel van de overheid, zoals die van de Koninklijke Militaire School, en van het kaderpersoneel van justitie, een openbare en federale instelling.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Justitie. - Hetzelfde geldt voor de Politieschool.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De vraag of het nu om onderwijs of een beroepsopleiding gaat is eigenlijk maar een woordenspel. Minister Onkelinx stelde terecht dat Vlaams minister Vandenbroucke gisteren in het Vlaams Parlement heeft verklaard dat hij geen bevoegdheidsconflict zag.

Ik geef nog een ander citaat van de heer Vandenbroucke. Op 13 januari 2005 antwoordde hij op een vraag om uitleg van Mevrouw Van Steenberge: `Aan de vorming van een magistraat zijn drie aspecten verbonden: het examen, dat iemand toegang tot de magistratuur verleent, de vorming van de gerechtelijke stagiair en de permanente vorming van de magistraat ... Enkel het eerste aspect wordt als een exclusieve gemeenschapsbevoegdheid beschouwd. Het is met dit aspect dat de verschillende rechtsfaculteiten zich tot op heden hebben bezig gehouden. Het federale niveau kan aan de uitwerking van dit eerste aspect meewerken en het Vlaamse niveau kan aan de uitwerking van het tweede en het derde aspect meewerken'.

Gisteren heeft minister Vandenbroucke in het Vlaams Parlement verklaard dat er louter op lezing van de tekst mogelijk geen bevoegdheidsprobleem is. Ik veronderstel trouwens dat de gemeenschappen de opleiding niet absoluut voor hun rekening willen nemen. Het gaat evenwel niet alleen om een bevoegdheidsconflict of -overschrijding, maar ook over een politiek akkoord. Volgens de bepalingen van het Octopusakkoord wordt een magistratenschool per gemeenschap opgericht in de vorm van een interuniversitair centrum. Na een jarenlange discussie tussen de Hoge raad voor de justitie en de Vlaamse overheid, die al was gestart met de voorbereidingen voor het oprichten van een magistratenschool, tenminste wat het eerste aspect betreft, doet men nu afbreuk aan de gesloten politieke afspraak.

De eerste week na het reces zal het door ons ingediend belangenconflict worden besproken in het Vlaams Parlement en zullen zowel de CD&V als de VLD kleur moeten bekennen.

Het is een jeu de mots. Gaat het om opleiding of noemt men het vorming of onderwijs? Met die begrippen kan men spelen. Het is echter niet omdat er volgens sommigen misschien geen bevoegdheidsprobleem is dat er geen politiek probleem bestaat. Die bepaling werd in het Octopusakkoord immers ingeschreven omdat men wist dat ten noorden en ten zuiden van de taalgrens een andere rechtsfilosofie ontstaat, wat zich ook moet manifesteren in de opleiding van magistraten. Hier is sprake van een unitaire recuperatie. De kern van het probleem is dus dat men de politieke afspraken niet nakomt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1889/5.)

De voorzitter. - Artikel 1 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 37 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 38 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 39 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 4 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 40 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 5 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 41 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 6 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 42 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 7 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 43 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 8 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 44 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 9 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 45 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 10 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 46 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 11 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 47 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 12 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 48 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 13 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 49 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 14 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 50 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 15 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 51 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 16 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 52 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 17 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 53 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Op amendement 53 heeft de heer Hugo Vandenberghe het subsidiair amendement 30 ingediend (zie stuk 3-1899/3) dat luidt:

Artikel 18 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 54 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Op amendement 54 heeft de heer Hugo Vandenberghe het subsidiair amendement 100 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 19 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 55 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 20 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 56 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Op amendement 55 heeft de heer Hugo Vandenberghe het subsidiair amendement 31 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 21 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 57 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 22 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 58 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 23 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 59 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Op amendement 59 heeft de heer Hugo Vandenberghe het subsidiair amendement 102 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 24 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 60 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 25 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 61 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 26 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 62 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 27 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 63 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Op amendement 63 heeft de heer Hugo Vandenberghe het subsidiair amendement 33 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 28 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 64 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 29 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 65 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 30 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 66 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 31 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 67 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 32 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 68 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 33 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 69 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 34 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 70 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 35 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 71 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 36 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 72 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 37 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 73 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 38 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 74 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 39 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 75 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 40 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 76 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 41 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 77 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 42 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 78 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 43 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 79 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 44 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 80 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 45 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 81 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 46 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 82 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 47 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 83 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 48 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 84 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 49 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 85 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

Artikel 50 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 86 ingediend (zie stuk 3-1889/3) dat luidt:

-De stemming over de amendementen en over de artikelen wordt aangehouden.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Dotatie van de Senaat. - Uitgaven van het dienstjaar 2005 en begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007 (Stuk 3-1937)

Bespreking

De voorzitter. - Ik heb akte genomen van het verzoek van de heer Van Hauthem om een gesplitste stemming te organiseren.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD), voorzitster van het College van Quaestoren. - Als voorzitter van de Quaestuur breng ik in naam van het College van Quaestoren verslag uit over de dotatie van de Senaatsuitgaven voor het dienstjaar 2005 en de begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007.

Allereerst wil ik in herinnering brengen op welke wijze de verslagen gedurende vele opeenvolgende jaren werden opgesteld en voorgesteld. Om een juist beeld te geven van die verslaggeving ben ik in enkele verslagen van een tiental jaar geleden gaan pluizen. Ze waren uiterst beknopt en weinig overzichtelijk.

De uitgaven die samen hoorden waren niet per cluster gegroepeerd en er werden slechts algemene cijfers gegeven, zonder detaillering. Zo moest de heer Vandenberghe vroeger telkens weer vragen naar de details over de uitgaven voor de buitenlandse reizen van de commissies.

Ondertussen heeft de huidige Quaestuur ernaar gestreefd om, in overleg met de ambtenaren van de Quaestuur, van jaar tot jaar de verslaggeving te verbeteren. Het schriftelijke verslag dat per post wordt bezorgd, is uiterst overzichtelijk. De uitgaven en de begrotingsplanning zijn per doelgroep gegroepeerd en gedetailleerd weergegeven.

In naam van het College van Quaestoren wil ik dan ook heel speciaal het hoofd van de boekhouding en alle ambtenaren van de dienst Financiën feliciteren en danken voor de puike verslaggeving en voor de inspanningen die ze hebben gedaan om ons een klaar en duidelijk overzicht voor te leggen van de uitgaven van het dienstjaar 2005 en de begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007.

In tegenstelling tot vroeger zijn, zowel voor de rekeningen van 2005 als voor de voorstellen van 2007, de uitgaven per welomschreven hoofdstuk of artikel gerangschikt.

De begroting van de uitgaven voor het dienstjaar 2005 bestaat uit twee delen en werd vastgesteld op:

63.032.000 euro voor de uitgaven van de Senaat; 8.630.000 euro voor de uitgaven voor de politieke partijen.

De kredieten ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting van 2005 bedroegen:

61.500.000 euro voor de dotatie aan de Senaat;

8.630.000 euro voor de dotaties aan de politieke partijen.

Op 24 december 2004 werd een protocolakkoord gesloten tussen de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de voorzitter van de Senaat. Dit akkoord kwam tot stand in het verlengde van het samenwerkingsakkoord dat eerder werd ondertekend tussen de Belgische en de Congolese Senaat. Aldus heeft de algemene Directie van Ontwikkelingssamenwerking de Belgische Senaat de taak toevertrouwd om gedurende 24 maanden de Congolese Senaat technisch uit te rusten en bij te staan. Te dien einde werd een bedrag van 250.000 euro aan de Congolese Senaat overgemaakt bestemd voor informaticamateriaal, kantoormeubilair en archivering.

Zoals vermeld in het verslag worden de rekeningen van de Senaat van het jaar 2005 afgesloten met een batig saldo van iets meer dan 2.315.000 euro.

Voor de rekeningen Vergoedingen aan Senatoren en Vergoedingen Bureau samen noteren we een batig saldo van bijna 208.000 euro. Dit is te verklaren door het licht overschatten van de terugbetalingen aan de senatoren voor hun informaticauitrusting, voor hun bijdragen aan de mutualiteit en voor de uitgaven voor de verzekeringen.

Het overschot van 126.000 euro voor de fractiesecretariaten is toe te schrijven aan de wijzigingen in de samenstelling van bepaalde fracties.

De rekening Secretariaatspersoneel Senatoren vertoont een batig saldo van 549.000 euro. De diverse terugbetalingen door de Rijksdienst voor sociale zekerheid, de terugbetalingen in het kader van de ongevallenverzekering en de indexering later dan gepland liggen aan de basis van het overschot.

De rekening Secretariaat Voorzitter en Fractievoorzitter vertoont eveneens een batig saldo 598.000 euro. Deze rekening omvat de voorzieningen voor het secretariaat van de voorzitter en de enveloppes voor de secretariaten van de fractievoorzitters. Die enveloppes, die afhankelijk zijn van het aantal senatoren van een fractie, worden gebruikt in functie van hun personeelsbehoeften. Het saldo van de enveloppes is een reserve waarop een beroep kan worden gedaan wanneer nodig.

Ik herinner eraan dat de fracties 33.500 euro per fractielid ontvangen. Senatoren die als onafhankelijke zetelen, krijgen 75 procent van dat bedrag. We hebben die bedragen vorig jaar opgetrokken omdat heel wat senatoren een indexatie wenselijk vonden.

De rekening Bilaterale betrekkingen en protocol kan worden opgesplitst in vijf onderdelen: de werkings- en reiskosten van de commissies, de senatoriale opdrachten in het buitenland, de ontvangst van buitenlandse delegaties, de protocollaire activiteiten en de protocollaire verplichtingen van de voorzitter.

Inzake de werkings- en reiskosten van de commissies wijs ik erop dat we onlangs hebben beslist elke commissie haar dotatie te geven voor een hele legislatuur. Vroeger werd de algemene dotatie altijd overschreden, door de ene commissie al wat meer dan door de andere. Sinds de wijziging blijft elke commissie binnen het haar toegekende budget van 110.000 euro. Daarin zitten, naast de reiskosten, ook de kosten voor het inrichten van colloquia, voor recepties en andere werkingskosten van de commissies. De details zijn in de documenten terug te vinden.

De uitgaven zijn voor de vijf onderdelen binnen de vastgelegde grenzen gebleven. Sommige betwijfelen dat, maar alle controles wijzen uit dat de commissies hun uitgaven beperken tot het toegekende dotatie.

Inzake de protocollaire activiteiten moeten we erop wijzen dat 2005 een bijzonder jaar met heel wat uitzonderlijke uitgaven was. Naar aanleiding van het 175-jarig bestaan van het koninkrijk België, werden op 8, 9 en 10 mei Burgerschapsdagen georganiseerd, was er een fotowedstrijd en in samenwerking met de Kamer liet de Senaat een medaille slaan. Samen met De Post gaf de Senaat een postzegelreeks uit. In dat jaar 2005 werd ook een Odysseaprijs uitgereikt. Hoewel de uitgaven voor al die activiteiten iets hoger lagen dan het bedrag dat ervoor was uitgetrokken, maken de uitgaven deel uit van de totale uitgaven voor protocollaire activiteiten, die duidelijke binnen de begroting gebleven zijn.

Inzake de dotaties aan de politieke partijen, meld ik in de eerste plaats dat voor het bedrag dat werd ingeschreven in de algemene uitgavenbegroting 2005, rekening werd gehouden met het overschot dat in 2004 werd opgetekend. Dat jaar was er inderdaad een overschot, omdat het Front National gedurende drie maanden geen dotatie ontving, omdat het ingediende boekhoudkundig verslag niet aan de vereiste voorwaarden voldeed. Door met dit overschot rekening te houden bij de opmaak van de begroting voor 2005 was het begrote bedrag niet groot genoeg om de door de wet vastgestelde dotatie aan de politieke partijen in 2005 uit te betalen. Er was voor dit onderdeel een negatief saldo van 143.000 euro.

Inzake de uitgaven voor ontwikkelingssamenwerking werd van het krediet dat door het ministerie van Ontwikkelingssamenwerking aan de Senaat werd toegekend, in 2005 reeds 27.319 euro uitgegeven. Er rest nu nog een batig saldo van bijna 223.000 euro. Zoals men weet krijgt de Senaat dit krediet voor een periode van twee jaar. Er zal dus nog een en ander gepland worden.

Samenvattend kan ik meedelen dat voor de drie onderdelen samen we voor 2005 een saldo van bijna 2.400.000 euro hebben, dat we kunnen overdragen naar het volgende boekjaar.

Over de uitgaven van 2006 kunnen we nog geen verslag uitbrengen, aangezien dit jaar nog lopende is.

De eigenlijke werkingsbegroting van de Senaat kan grosso modo worden onderverdeeld in vier grote groepen, namelijk: 1. De vergoedingen van de senatoren; 2. Het politieke personeel ter ondersteuning van de senatoren en de fracties; 3. Het statutair personeel van de Senaat; 4. De werkingskosten van de Senaat. Van deze begroting bedraagt de vergoeding aan de senatoren in de ruime zin 21, 95%. Hierin zijn begrepen de vergoedingen voor de senatoren, de bijkomende vergoedingen voor de leden van het Bureau en de commissievoorzitters, de bijdrage aan de pensioenkas voor senatoren en de afscheidsvergoedingen. Uiteraard moest voor het verkiezingsjaar 2007 in een forse stijging van de post afscheidsvergoedingen worden voorzien. De enveloppe voor het politieke personeel ter ondersteuning van de senatoren vertegenwoordigt 26,48% van de begroting. Ze behelst de subsidies aan de fractiesecretariaten, het secretariaatspersoneel van de individuele senatoren, van de fractievoorzitters en van de commissievoorzitters.

De personeelskosten voor het statutair personeel van de Senaat vertegenwoordigen 38,89% van de begroting. Na een jarenlange rekruteringsstop was de toestand in een aantal diensten onhoudbaar geworden. Er werd besloten een aantal nieuwe personeelsleden te rekruteren, deels om openstaande plaatsen in te vullen en deels om nieuwe opdrachten uit te voeren. De andere werkingskosten van de Senaat en van de senatoren, met name de uitgaven voor de drukwerk, voor ICT, voor telefonie, voor de verzendingen, voor het restaurant, voor het onderhoud en de instandhouding van de historische gebouwen, enzovoort vertegenwoordigen 12,68% van het geheel van de begroting.

Het energieverbruik werd onderzocht om na te gaan in welke mate naar een rationeler verbruik kan worden overgeschakeld. Voor wat het elektriciteitsverbruik betreft, kan worden aangestipt dat in 2005 en 2006 veel luchters werden uitgerust met spaarlampen. Ongeveer 65% van de gloeilampen werd reeds vervangen. Dat zal een jaarlijkse besparing met zich meebrengen van ongeveer 53.000 kWh. Momenteel wordt er ook een relighting-project voorbereid. Dat houdt de modernisering in van ongeveer 200 TL-armaturen in de vleugel Leuvenseweg 5. Op toestellen in de kantoren zal er een lichtdetectie komen die de verlichting automatisch dimt bij fel zonlicht. Besparingen in de verwarmingsuitgaven worden nagestreefd door onder andere de vervanging van oude ramen door ramen met een gunstiger warmtedoorlatingscoëfficiënt. Bovendien werden alle aircoinstallaties aangesloten op een beheersysteem dat toelaat om vanop een computer de installaties te beheren. Er is een aanbesteding lopende voor de plaatsing van een energiemeetsysteem voor de gebouwen van Kamer en Senaat. Op het ogenblik wordt onderzocht of een investering in een warmtekrachtkoppeling nuttig kan zijn voor de Senaat. Dat kan ook een grote besparing opleveren.

Er verschijnen talrijke artikels over duurzame ontwikkeling en energiebesparing. Tot mijn spijt stel ik vast dat op te veel plaatsen nog steeds de lichten niet gedoofd worden en pc's blijven aanstaan als het kantoor leeg is. We kunnen allemaal besparen, senatoren en personeel. Thuis gaan we ook zuinig om met energie. Dat horen we dan ook te doen in een instelling die het voorbeeld moet geven.

De begroting voor de uitgaven van Senaat en deze voor de financiering van de politieke partijen werden respectievelijk vastgesteld op 63.417.700 en 9.117.200 euro. De inkomsten voor 2007 werden op 725.000 euro geraamd. In de algemene uitgavenbegroting werd voor de Senaat een bedrag van 63.134.000 euro ingeschreven. Voor de financiering werd 9.118.000 euro ingeschreven.

Uit al die elementen volgt dat het gedeelte dat door eigen middelen zal moeten worden gefinancierd iets minder dan 2.363.000 euro bedraagt. Op basis van deze toelichting en van de gegevens in het rondgedeelde stuk wil ik de senatoren vragen straks hun goedkeuring te geven aan de rekening voor het boekjaar 2005 en aan de begroting voor 2007.

Iedereen kan uiteraard vragen stellen over deze rekeningen en over de begroting.

-De bespreking is gesloten.

-Over de dotatie van de Senaat wordt later gestemd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten van 15 juni 2006 (Stuk 3-1977) (Evocatieprocedure)

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 16 juni 2006 betreffende de gunning, informatie aan kandidaten en inschrijvers en wachttermijn inzake overheidsopdrachten en bepaalde opdrachten voor werken, leveringen en diensten (Stuk 3-1978)

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (Stuk 3-1889)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 14
Tegen: 39
Onthoudingen: 4

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 1.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 36
Tegen: 14
Onthoudingen: 6

-Artikel 1 is aangenomen.

-Voor de amendementen 38 tot 43 van de heer Hugo Vandenberghe wordt de uitslag van stemming 3 aanvaard. De amendementen zijn dus niet aangenomen.

-Voor de artikelen 2 tot 7 wordt de uitslag van stemming 4 aanvaard. De artikelen zijn dus aangenomen.

(Stemming 5 werd geannuleerd.)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 44 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 16
Tegen: 38
Onthoudingen: 3

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 8.

Stemming 7

Aanwezig: 58
Voor: 37
Tegen: 15
Onthoudingen: 6

-Artikel 8 is aangenomen.

-Voor de overige amendementen van de heer Hugo Vandenberghe wordt de uitslag van stemming 6 aanvaard. De amendementen zijn dus niet aangenomen.

-Voor de artikelen 9 tot 50 wordt de uitslag van stemming 7 aanvaard. De artikelen zijn dus aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 8

Aanwezig: 56
Voor: 35
Tegen: 15
Onthoudingen: 6

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Dotatie van de Senaat. - Uitgaven van het dienstjaar 2005 en begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007 (Stuk 3-1937)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik dank mevrouw Leduc voor het verslag.

Ik dank ook de voorzitster omdat zij afzonderlijk laat stemmen over de jaarrekeningen 2005 en over de begrotingsvooruitzichten voor 2007.

Onze fractie zal de jaarrekeningen 2005 niet goedkeuren. De viering van 175 jaar België was op 100.000 euro begroot en daar hadden we al problemen mee, maar nu blijkt dat die post met 40% werd overschreden, kunnen we de jaarrekeningen onmogelijk goedkeuren.

Bij de stemming over de begrotingsvooruitzichten voor 2007 zullen we ons om verschillende redenen onthouden. Ik geef er één. De Senaat heeft een ambtenaar in dienst genomen om het contact met het middenveld te onderhouden en het burgerschap te promoten. Wij hebben ons daartegen verzet, omdat de Senaat zich ons inziens vooral moet toeleggen op wetgevend werk. Wij vragen ons nog altijd af wat het nut van die functie is.

Tot slot wijs ik erop dat onze kritiek op de rekeningen en op de begroting inhoudelijk is en geen betrekking heeft op de voorstellingswijze van beide documenten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Onze fractie zal zich bij de twee stemmingen onthouden.

We hebben daarvoor een formele reden, namelijk dat de oppositie in het algemeen en onze fractie in het bijzonder niet vertegenwoordigd is in de Quaestuur van de Senaat. In een democratisch Parlement is dat niet aanvaardbaar.

De tweede reden is inhoudelijk.

In het Bureau van de Senaat heb ik vaak vragen gesteld en opmerkingen gemaakt met betrekking tot de overschrijding van begrotingsposten. Op die vragen heb ik nooit een eenduidig antwoord gekregen.

We vragen al verschillende jaren meerjarenplannen voor belangrijke uitgaven zoals het onderhoud van de gebouwen en het toegankelijk maken ervan voor mindervaliden. Wij krijgen hierop geen adequate reactie.

De regering heeft er een erepunt van gemaakt om een aantal overheidsgebouwen in allerijl te verkopen. Daarom had ik het Bureau van de Senaat onder andere gevraagd hoe het dacht de Senaat voor een dergelijke uitverkoop te behoeden en te voorkomen dat de huur voor het Paleis der Natie in onze begroting moet worden opgenomen.

Kortom, het gebouw van de Senaat wordt niet op een behoorlijke wijze beheerd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Wij keuren de rekeningen en de begroting goed.

Ik dank de Quaestuur, in het bijzonder de voorzitter, en de diensten voor het geleverde werk.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Wij keuren de rekeningen en de begroting goed.

Toch wensen wij nog bijkomende inspanningen om het energieverbruik verder te doen dalen. Er valt op dat vlak in de Senaat nog heel wat te doen.

Wij moeten het voorbeeld geven. Ik vraag de Quaestuur dus bijkomende maatregelen te nemen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mevrouw de Bethune klaagt erover geen zitting te hebben in de Quaestuur. Indien de logische volgorde na de verkiezingen was gevolgd, dan zat ze er wel in. Er gebeurde een verwisseling met ons mandaat.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Ik wil de heer Dubié verwijzen naar de opsomming van alle maatregelen inzake energiebesparing die we reeds hebben genomen. Ik moet echter alle senatoren en hun medewerkers en de medewerkers van de Senaat met de vinger wijzen. Zij laten de lichten in hun kantoren branden, laten hun computers aanstaan, laten deuren open staan terwijl de verwarming werkt. De Senaat heeft al heel veel gedaan om energie te besparen, maar wij moeten in de eerste plaats onze houding veranderen.

Mevrouw de Bethune heeft namens de CD&V-fractie al heel wat vragen gesteld in het Bureau. Op alle vragen werd geantwoord. Omdat er altijd kritiek is op onze verslaggeving met betrekking tot de rekeningen en de begroting, heb ik de rekeningen en de begroting van tien jaar geleden eens gecontroleerd. Die waren heel ondoorzichtig en er zaten heel wat fouten in. We hebben ons jaren ingespannen om aan iedereen een behoorlijk document te bezorgen. De antwoorden op vragen over detailuitgaven die collega Hugo Vandenberghe destijds stelde, zijn daarin opgenomen.

Ik wijs er ook op dat wíj niet het aantal quaestoren van vijf op drie hebben gebracht.

Er zijn opmerkingen gemaakt over de oprichting van het steunpunt Burgerschap en burgerzin.

Wij zijn allemaal geschokt door wat de jongste jaren in onze samenleving gebeurt. We weten dat er een fundamenteel gebrek is aan burgerzin. Sommigen zijn vergeten wat totalitaire regimes kunnen teweegbrengen. We mogen niet vergeten wat in de Tweede Wereldoorlog is gebeurd. Ook de jonge mensen moeten zich daarvan bewust worden. Daarom vinden we dat er in de Senaat een steunpunt moet zijn waar mensen informatie kunnen krijgen om activiteiten rond burgerzin te organiseren. (Levendig applaus)

De voorzitter. - We stemmen eerst over de uitgaven van het dienstjaar 2005.

Stemming 9

Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 8
Onthoudingen: 10

-De uitgaven van het dienstjaar 2005 zijn aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over de begrotingsvooruitzichten voor het dienstjaar 2007.

Stemming 10

Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 1
Onthoudingen: 17

-De dotatie van de Senaat is aangenomen.

Voorstel van resolutie betreffende de aanwezigheid van België in de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties als niet-permanent lid, van 1 januari 2007 tot 31 december 2008 (van de heer Philippe Mahoux c.s., Stuk 3-1969)

Stemming 11

Aanwezig: 59
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Buitenlandse Zaken worden meegedeeld.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende zaterdag deze agenda voor:

Zaterdag 23 december 2006

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure

Ontwerp van programmawet (I); Stuk 3-1986/1 tot 7. (Pro memorie)

Evocatieprocedure

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I); Stuk 3-1988/1 tot 7. (Pro memorie)

Ontwerp van programmawet (II); Stuk 3-1987/1 tot 3. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (II); Stuk 3-1989/1 tot 6. (Pro memorie)

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens; Stuk 3-2004/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsvoorstel inzake het verbod op de financiering van de productie, het gebruik en het bezit van submunitie (van de heer Philippe Mahoux); Stuk 3-1968/1 tot 4. (Pro memorie)

Voorstel van resolutie houdende protest tegen de terdoodveroordeling van vijf Bulgaarse verpleegsters en één Palestijnse arts in Libië (van de heer Alain Destexhe c.s.); Stuk 3-2003/1 en 2. (Pro memorie)

's namiddags om 14 uur

Hervatting van de agenda.

Vanaf 16 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en aan de minister van Werk over «de wet van 3 juli 2005 inzake de rechten van vrijwilligers» (nr. 3-2009)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Volgens de wet van 3 juli 2005, gewijzigd door de wet van 19 juli 2006 kan een activiteit enkel als vrijwilligerswerk worden beschouwd als ze niet door dezelfde persoon en voor dezelfde organisatie in het kader van een arbeidsovereenkomst wordt verricht.

Dat heeft tot gevolg dat personen die met een arbeidsovereenkomst voor bijvoorbeeld het Rode Kruis werken, na hun dagtaak geen vrijwilligerswerk kunnen uitoefenen bij de hulpdiensten, die 24 uur op 24 moeten werken.

Deze maatregel werd genomen om het zwartwerk te bestrijden.

Maakt deze maatregel het de hulpdiensten, die afhankelijk zijn van vrijwilligerspersoneel, niet moeilijker om vrijwilligers te werven?

Is het gerechtvaardigd dat bijvoorbeeld een vrachtwagenchauffeur een ziekenwagen mag besturen na zijn beroepsactiviteit, terwijl een persoon die met een arbeidsovereenkomst voor het Rode Kruis werkt dat niet mag, omdat hij voor dezelfde organisatie in het kader van een arbeidsovereenkomst werkt?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Justitie.

De wet van 3 juli 2005 bepaalt inderdaad dat het vrijwilligerswerk niet mag worden uitgeoefend bij een organisatie waarmee men verbonden is door een arbeidsovereenkomst, een dienstencontract of een statutaire aanstelling.

Dat verbod vloeit voort uit artikel 5bis van de wet betreffende de arbeidsovereenkomsten van 3 juli 1978. Die bepaling beoogt uiteraard de bestrijding van het zwartwerk, maar ook de bescherming van de werknemer.

Het is dus toegestaan vrijwilligerswerk te verrichten voor een organisatie waarmee men al verbonden is, op voorwaarde dat de taak als werknemer fundamenteel verschilt van de taak die men als vrijwilliger opneemt.

Die regels bestaan dus al lang en vloeien niet voort uit de wet inzake de rechten van de vrijwilligers. Ze kunnen dus niet plots gevolgen hebben voor het vrijwilligerswerk in België.

De heer Berni Collas (MR). - Ik werd in mijn gemeente met een concreet geval geconfronteerd. Sommige personen oefenden een vrijwilligersactiviteit uit in het kader van de permanente hulpdiensten, terwijl ze tezelfdertijd in dienst waren bij het Rode Kruis. Er werd me gezegd dat die situatie voortsproot uit de wetswijziging. Vandaag zegt de minister dat de regel al bestond vóór de wetswijziging. Ik zal dat aan de betrokken organisatie meedelen.

De doelstelling van de wet is lovenswaardig, maar ik meende dat er een nadelig effect was voor die organisatie.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Begroting en Consumentenzaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de roamingtarieven voor gsm's in de grensgebieden» (nr. 3-2010)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Onder roaming wordt het gebruik van buitenlandse netwerken voor gsm-gebruik verstaan. Dankzij overeenkomsten tussen Belgische en buitenlandse operatoren kan een Belgische gsm buiten de Belgische grenzen worden gebruikt.

De afrekening van de roamingtarieven gebeurt via de Belgische operatoren. Die tarieven zijn relatief hoog en zorgen voor hoge gsm-rekeningen, vooral voor de grensbewoners, waartoe ik trouwens behoor.

De werkwijze om de toegang tot de gsm's in het buitenland te verzekeren, veroorzaakt problemen voor de gsm-gebruikers in de grenszones. Zo ontvangen veel Belgische gsm's enkel buitenlandse netwerken op Belgisch grondgebied, dikwijls zonder dat de gebruiker het merkt. De gsm-facturen zijn bijgevolg dikwijls zeer hoog, wat toe te schrijven is aan de afrekening van de roamingtarieven.

Het lijkt er ook op dat de operatoren langs beide kanten van de grens elkaar bestrijden door de intensiteit van de straling van hun gsm-masten te verhogen.

In de regio van de Duitstalige gemeenschap bijvoorbeeld ontvangt de gebruiker dikwijls enkel Duitse netwerken, terwijl de Duitsers er zich over beklagen enkel Belgische netwerken te ontvangen.

Is de regering op de hoogte van dit probleem en onderzoekt ze de roamingtarieven? Is er een initiatief genomen om de kosten voor de gsm-gebruikers in de grenszones te verminderen?

Zo ja, hoe denkt de regering dit probleem te zullen oplossen en binnen welke termijn mogen we de uitvoering van dit initiatief verwachten?

Bestaan er beperkingen op het vlak van de intensiteit van de straling van de masten? Zo ja, wordt de naleving ervan gecontroleerd? Wat zijn de eventuele sancties bij niet-naleving?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Momenteel wordt op Europees niveau een ontwerpverordening besproken die een aanzienlijke daling van de roamingtarieven beoogt. Het Europees voorstel heeft een verlaging van de eindgebruikertarieven tot doel via een regulering van de vergoedingen die operatoren onderling aanrekenen voor het gebruik van elkaars netwerk door hun klanten.

Daarnaast is er het probleem van de ongewenste roaming. Het kan inderdaad voorkomen dat een gsm-toestel in het grensgebied automatisch overschakelt op een buitenlands netwerk omdat het signaal van dit netwerk sterker is. De eindgebruiker kan dit evenwel zeer eenvoudig verhinderen door zijn toestel dusdanig in te stellen dat er geen automatische overschakeling meer gebeurt. Dat is niet altijd mogelijk omdat op sommige plaatsen enkel het buitenlandse netwerk bereikbaar is.

De zendsterkte van de gsm-masten is in België gereglementeerd. De controle hierop wordt door het BIPT uitgeoefend. Voordat een nieuwe gsm-mast in werking mag worden gesteld, dient een gezondheidsdossier opgesteld te worden en dient het BIPT aan de hand van metingen op het terrein en met behulp van een theoretisch computermodel na te gaan of de indienststelling van de nieuwe mast geen overschrijding van de reglementaire norm tot gevolg heeft.

De heer Berni Collas (MR). - Ik ben blij te vernemen dat er een inspanning wordt gedaan op Europees vlak. Het Europese voorstel gaat in ieder geval in de goede richting.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «het traject van de HST tussen Luik en Aken» (nr. 3-2011)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Volgens mijn informatie is de opening van het baanvak Luik-Aken uitgesteld tot 2009. Die vertraging is te wijten aan de installatie van een nieuw signalisatiesysteem dat niet compatibel is met de Belgisch-Franse Thalystreinen en de Duitse ICE-treinen. Bijgevolg moet de Thalys het oude traject blijven gebruiken, hoewel het nieuwe bijna af is.

Is de vertraging echt aan het nieuwe signalisatiesysteem te wijten of zijn er nog andere redenen?

Welke maatregelen zullen worden genomen om de vertraging zoveel mogelijk binnen de perken te houden?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord voor.

De Europese Unie werkt aan een standaardisering van de veiligheidssystemen teneinde de toegang tot de spoornetwerken te verbeteren. De Unie verplicht de lidstaten geleidelijk het ETCS (European Train Control System) in te voeren dat op termijn de andere veiligheidssystemen moet vervangen. Nieuwe infrastructuur, zoals de lijn tussen Luik en Aken, en het rollend materieel moeten met het nieuwe signalisatiesysteem worden uitgerust.

De indienstneming van die infrastructuur heeft vertraging opgelopen omdat het rollend materieel aan de nieuwe signalisatie moet worden aangepast.

Om de 27 Thalys-PBKA-stellen aan te passen hebben de vier operatoren een akkoord over de verantwoordelijkheden van de partijen en de betaling gesloten. De NMBS kan niet alleen beslissingen nemen en moet met de betrokken partijen rekening houden. De technische aanpassingen zullen in de werkplaatsen van de SNCF, eigenaar van 16 van de 27 stellen, worden aangebracht.

De planning voor de aanpassing is als volgt: realisatie van het prototype: april tot augustus 2007; tests in Frankrijk: statisch en op het spoor: september tot december 2007; tests op het Belgische spoorwegnet: januari en februari 2008; officiële toelating om te rijden door de toekomstige veiligheidsautoriteit: einde juni 2008; toelating in Frankrijk, België, Nederland en Duitsland: midden juli 2008; productie: twee stellen einde juni 2008, drie stellen einde juli 2008, vier stellen einde augustus 2008, vijf stellen einde september 2008, acht stellen einde oktober 2008 enzovoort, tot zeventien stellen midden april 2009.

In tegenstelling tot wat regelmatig wordt beweerd, zal het nieuwe Europese ETCS niet zomaar naast de bestaande systemen functioneren. Volgens de Europese technische specificaties inzake interoperabiliteit primeert het ETCS; het controleert de andere systemen en de overgang tussen de andere systemen. De nationale systemen zijn dus ondergeschikt en moeten worden aangepast tot STM, Specific Transmission Module. Bijgevolg moeten alle systemen aan boord worden aangepast, getest en gehomologeerd.

De PBKA-stellen moeten worden ge(her)homologeerd voor de lijnen:

Vanzelfsprekend kunnen de homologatietests op de verschillende lijnen pas plaatsvinden als de infrastructuur volledig is aangepast.

Als de planning wordt gevolgd en de toekomstige veiligheidsautoriteit de tests als positief beschouwt, dan zullen de eerste stellen einde 2008 op de HSL L3 rijden.

Ook de stellen ICE3 van de DB AG die Brussel en Frankfurt verbinden, zullen niet voor die datum met een ETCS zijn uitgerust om over de HSL te rijden tussen Luik en de Duitse grens.

Ik kan geen maatregelen nemen om de termijn in te korten omdat operatoren die niet van de Belgische overheden afhangen het Europese interoperabele systeem op hun treinen moeten installeren.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de staatssecretaris voor het gedetailleerde antwoord. Ik zal de informatie doorgeven aan de betrokkenen.

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de bijkomende posten voor de spoorwegpolitie» (nr. 3-2002)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - In juni heb ik de minister van Binnenlandse Zaken een schriftelijke vraag gesteld over de verhouding tussen de federale spoorwegpolitie en de lokale politie van Oostende.

In zijn antwoord meldde de minister toen dat op basis van de capaciteit van de federale spoorwegpolitie SPC en van de lokale politiekorpsen onderzocht werd welke de mogelijkheden zijn om bijkomende politiesteunpunten in een aantal stations op te richten, onder andere in Oostende.

Is de studie inmiddels afgerond?

Wat zijn de conclusies?

In welke stations worden bijkomende politieantennes opgericht? Wanneer zal dat gebeuren?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

In een antwoord op een schriftelijke van de heer Buysse schreef ik dat de algemene taakverdeling tussen de lokale politie en de federale spoorwegpolitie SPC vastgelegd is in de omzendbrief van 15 april 2002. De essentie is dat de lokale politie instaat voor de basispolitiezorg in de stations en dat de SPC die bevoegdheid uitoefent op de treinen en langs de spoorlijnen.

De toenmalige minister van Binnenlandse Zaken heeft de federale politie de opdracht gegeven de lokale politie bijkomende steun te geven in tien grote stations. Die stations werden gekozen op basis van een analyse van de criminaliteit in de diverse stations en, onder meer, op basis van het aantal internationale treinen dat er stopt. Het betreft Brussel Zuid, Brussel Noord, Leuven, Brugge, Gent Sint-Pieters, Antwerpen, Luik, Bergen, Namen en Charleroi. In die stations heeft de SPC een politiepost geïnstalleerd.

De studie over de uitbreiding van het aantal stations waar de SPC een post zou kunnen oprichten, maakte deel uit van een algemene studie betreffende de personeelssterkte van de federale politie.

De commissaris-generaal heeft voorgesteld om de capaciteit van de SPC met 110 personen te verhogen, zodat de aanwezigheid op de treinen en in de bestaande posten kan worden verhoogd en in acht stations, te weten Hasselt, Mechelen, Oostende, Kortrijk, Ottignies, Doornik, Brussel-Centraal en Brussel-Luxemburg/Schuman, nieuwe politieposten kunnen worden opgericht.

De federale politie vroeg echter ook een personeelsverhoging voor, onder meer, de scheepvaartpolitie, de luchthavenpolitie, de verkeerspolitie, de antiterrorismediensten en de computer crime units.

De ministerraad heeft beslist de personeelscapaciteit van de SPC met 35 personen te verhogen, zodat de aanwezigheid op de treinen en in de tien bestaande posten kan worden verhoogd.

De SPC Brugge krijgt een versterking met 3 personen. Daardoor kan vanuit Brugge een versterkt toezicht worden georganiseerd in het station van Oostende.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - De minister biedt niet de oplossing waarop we hadden gehoopt. Het station van Oostende zou vanuit de post in Brugge wordt ondersteund. Zelfs in de beste verkeersomstandigheden duurt het minimum 20 minuten om een interventieploeg ter plaatse te sturen. Die oplossing is niet realistisch wanneer zich een concreet probleem voordoet in een eindstation als Oostende, waar ook een haven is, met alle mogelijke problemen van dien. Ik zal later op deze zaak terugkomen.

Vraag om uitleg van de heer Yves Buysse aan de minister van Landsverdediging over «de toekomstige bestemming van de kazerne in Zedelgem en van het militaire domein Vloethemveld» (nr. 3-2001)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Yves Buysse (VL. BELANG). - Eén van de kazernes in het kader van de grote herstructurering van minister Flahaut eerlang zal worden gesloten, is de onderofficierenschool in Zedelgem. Op het ogenblik is evenwel nog niet bekend wat de nieuwe bestemming van deze kazerne en van het aanpalende militaire domein Vloethemveld zal zijn.

Is er al een beslissing gevallen over de toekomstige bestemming van de gebouwen en de terreinen van de onderofficierenschool?

Indien dat nog niet gebeurd is, wat zijn de mogelijke denksporen en wanneer mag een beslissing verwacht worden?

Wat zal gebeuren met het militaire gedeelte van het aanpalende domein Vloethemveld, dat werd gebruikt voor de fysieke training van de cadetten. Blijft dit domein eigendom van Defensie of krijgt het een nieuwe bestemming?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Landsverdediging?

De militaire onroerende goederen zullen worden overgedragen aan het aankoopcomité Brugge van de FOD Financiën, dat instaat voor de vervreemding.

De provincie West-Vlaanderen heeft interesse betoond om er een opleidingscentrum voor de provinciale veiligheidsdiensten te vestigen. De beslissing hierover wordt in de loop van 2007 verwacht.

Het domein Vloethemveld zal ook vervreemd worden.

Vraag om uitleg van de heer Staf Nimmegeers aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de aanwezigheid van ernstig zieken en van personen met zwaar psychische problemen in de gesloten centra» (nr. 3-1996)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Uit informatie voortkomende uit bezoeken van de psychologen en artsen van Artsen Zonder Grenzen (AZG) aan personen die zich in de gesloten centra bevinden, blijkt dat één derde van de 140 dossiers die zij tot op heden behandelden dossiers zijn van mensen met zware psychische problemen en van ernstig zieken.

Onder ernstig zieken verstaan zij personen met ernstige aandoeningen waarbij gegronde twijfel bestaat over de toegang tot behandeling in hun land van herkomst of van wie de gezondheidstoestand in die mate ondermijnd is dat een verblijf in een gesloten centrum onverantwoord is. Hieronder bevinden zich onder andere personen die hiv-positief zijn, personen met insulineafhankelijke diabetes, met sikkelcelanemie in een vergevorderd stadium, met Parkinson, colitis ulcerosa, hepatitis en dergelijke.

Onder personen met zware psychische problemen bevinden zich personen met een posttraumatische stressstoornis, een psychose, een majeure depressie en aandoeningen waarvoor opname in een psychiatrische instelling noodzakelijk is.

Om een duidelijker beeld te schetsen van de problematiek lichten we het verhaal toe van E., een man van 32 uit de Democratische Republiek Congo, die hiv-positief is en sinds oktober 2006 in een gesloten centrum verblijft. Reeds bij zijn opname was bekend dat de persoon seropositief was. Toch werd pas een maand later een eerste afspraak gemaakt met een specialist om een diagnose te stellen. Na de eerste week van december was nog steeds geen behandeling uitgewerkt. Een arts van AZG bezocht de man en ging in overleg met de arts van het centrum om de belangen van de patiënt te verdedigen. Het is duidelijk dat een gesloten centrum geen plaats is voor iemand die zo ziek is.

T., een vrouw van 33 uit Kameroen, komt in november 2005 in België aan en wordt meteen van de luchthaven naar een gesloten centrum gebracht. Snel wordt duidelijk dat ze hiv-positief is en een behandeling nodig heeft die niet verkrijgbaar is in het land van herkomst. Er zijn vier lange maanden van detentie nodig voor de vrouw uiteindelijk wordt vrijgelaten om medische redenen, maar wel met een bevel om binnen de maand het grondgebied te verlaten. Haar asielprocedure is afgelopen. Nu, meer dan een jaar later, verkeert ze nog altijd in onzekerheid: ze wacht nog altijd op antwoord en moet maandelijks opnieuw vragen of ze nog in België mag verblijven.

N., een jongeman uit Gabon, kan omwille van zware psychische problemen zichzelf niet handhaven in een groep. Eerst wordt geprobeerd hem naar een ander centrum over te plaatsen. Wanneer zijn gedrag ook daar voor de rest van de groep en voor zichzelf onhoudbaar is, wordt isolatie geprobeerd met een aangepast regime. Dat blijkt geen oplossing te bieden. De patiënt wordt bezocht door een psycholoog van AZG die de ernst van de situatie inziet en de arts ervan tracht te overtuigen verdere stappen te nemen. Na enkele weken contacteert AZG zelf psychiaters in de regio voor een diagnose zodat een behandeling kan worden afgesproken. Middenin dit proces wordt plots beslist tot vrijlating zonder rekening te houden met de psychische kwetsbaarheid van de jongeman. Op een vrijdagavond bevindt hij zich bijgevolg aan de andere kant van de poort, zonder te weten waarheen, met een bevel het grondgebeid binnen de vijf dagen te verlaten. Nu, zeven maand later, is deze persoon nog altijd illegaal en hangt hij af van de zorg van derden.

Uit de dossiers van mensen met psychische problemen komt duidelijk naar voren dat de gesloten centra niet geschikt zijn om met die problematiek om te gaan. De aanwezige psychologen hebben administratieve taken en zijn als lid van de administratie niet onafhankelijk. Ze worden door de bewoners niet gezien als vertrouwenspersonen, waardoor ze geen effectieve hulp kunnen bieden aan de personen die werden opgesloten in de gesloten centra. In de praktijk wordt veel te weinig overgegaan tot een psychiatrische opname. Wanneer het verblijf van de persoon in kwestie te veel problemen oplevert of wanneer die niet in staat is samen te leven in groep, wordt hij vrijgelaten met een bevel het grondgebied te verlaten zonder dat er ook maar enige medische en/of psychische hulp wordt geboden. In België valt psychiatrische hulp ook onder de wetswijziging van 2 juni 2006 betreffende het ten laste nemen van de steun verleend door openbare centra voor maatschappelijk welzijn.

Wat is het budget van de medische diensten? Is dat budget toereikend om te kunnen voorzien in gespecialiseerde hulp voor ernstig zieken en psychiatrische patiënten die zich in gesloten centra bevinden? Welke middelen worden op logistiek vlak beschikbaar gesteld zodat de mensen in gesloten centra effectief en zonder onnodige wachttijden de nodige gespecialiseerde onderzoeken kunnen ondergaan en zijn die middelen toereikend?

In het persbericht van de dienst Vreemdelingenzaken van 19 oktober 2006 werd vermeld dat zwaar zieken en hoogzwangere vrouwen niet worden vastgehouden. Half november getuigde een aantal bewakers uit Vottem in Ciné Télé Revue. Ook AZG stelt vast dat de realiteit anders is en heeft aan de directie en aan het kabinet van de minister gevraagd om deze problematiek met hen te bespreken. Waarom kregen ze nog geen antwoord?

Gezien de veelheid aan psychische en psychosomatische klachten onder de bevolking in de gesloten centra rijst de vraag waarom er in de onafhankelijke medische dienst nog steeds geen onafhankelijke psycholoog aanwezig is om mensen die alleen om administratieve redenen zijn opgesloten, op te vangen en te ondersteunen? We zijn ervan op de hoogte dat de minister meer personeel zal aanwerven voor educatieve ondersteuning. Zal zich hieronder ook psychologisch-medisch geschoold personeel bevinden dat de ondersteuning van de zieken kan garanderen?

De minister wees er al op dat in de gesloten centra geen plaats is voor ernstig zieken. Hoe verklaart hij dan dat er nog steeds ernstig zieken verblijven in de centra en dat hun verblijfsduur zo lang is. Drie à vier maanden is geen uitzondering.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De wet van 15 september 2006 voorziet in een medisch verblijfsstatuut. Een vreemdeling die zwaar ziek is en voor wie geen adequate behandeling in zijn land van herkomst beschikbaar is, kan een verblijfsmachtiging verwerven.

Vreemdelingen in illegaal verblijf die niet aan die criteria voldoen, dienen overeenkomstig de wet het grondgebied te verlaten. Als zij weigeren vrijwillig gevolg te geven aan een bevel om het land te verlaten, dan dient tot een gedwongen repatriëring te worden overgegaan. Hierbij kan een tijdelijke administratieve vrijheidsberoving in een gesloten centrum vereist zijn.

Als een bewoner tijdens zijn verblijf gezondheidsproblemen heeft, dan kan hij een beroep doen op de medische dienst van het gesloten centrum. Indien de arts van het gesloten centrum oordeelt dat bepaalde aanvullende onderzoeken nodig zijn dan wordt een beroep gedaan op externe gespecialiseerde geneesheren.

Als een beroep op specialisten gedaan wordt, dan gelden de wachttijden die voor elkeen van toepassing zijn en afhankelijk zijn van de beschikbaarheid van de externe arts wiens hulp men inroept.

In 2005 werd een bedrag van 580.000 euro besteed aan de medische zorgen van de bewoners. Het betreft erelonen, ziekenhuiskosten, aankoop van medicatie en medisch materiaal. De personeelskosten van de verpleegkundigen en de psychologen zijn niet in dit bedrag inbegrepen.

In de begroting van 2007 werden voldoende middelen uitgetrokken om zes extra verpleegkundigen aan te werven. Tevens zal in elk centrum een tweede psycholoog aan de slag kunnen. Die zal geen deel uitmaken van de directie en enkel met een medische opdracht worden belast. De medische omkadering in de gesloten centra zal dus nog verder verbeteren.

Zwaar zieke mensen, die niet kunnen reizen, worden in principe niet in de gesloten centra ondergebracht. Een administratieve vrijheidsberoving is immers slechts mogelijk met het oog op een verwijdering uit het land. Het is evenwel niet uitgesloten dat een medisch probleem pas na de opname in het gesloten centrum wordt ontdekt. Indien dat medische probleem de verwijdering uit het Rijk op korte termijn onmogelijk maakt, dan wordt de vreemdeling in kwestie vrijgesteld. De administratie poogt hierbij steeds de betrokkene in contact te brengen met de bevoegde instanties teneinde een verdere medische opvolging te verzekeren. Een dergelijke houding is niet alleen nodig in het belang van de individuele vreemdeling, doch is evenzeer vereist met het oog op de bescherming van de maatschappij en de algemene volksgezondheid.

Voor mensen met ernstige psychiatrische aandoeningen is opname in een gespecialiseerde inrichting soms vereist. De beschikbare plaatsen in deze instellingen zijn beperkt, waardoor er soms wachtlijsten ontstaan. Wat deze problematiek betreft, verwijs ik naar mijn bevoegde collega, de minister van Volksgezondheid.

Ingevolge de taalbarrière is een aangepaste medische begeleiding van sommige geesteszieken in België onmogelijk. De dienst Vreemdelingenzaken poogt in dergelijke gevallen alsnog een opvang in het land van herkomst van de betrokken vreemdeling te regelen.

De directeur-generaal van de dienst Vreemdelingenzaken had reeds een onderhoud met de vertegenwoordigers van een aantal niet-gouvernementele organisaties over de situatie in de gesloten centra, naar aanleiding van het verslag dat zij opstelden met betrekking tot de werking van de centra. Er wordt dus wel degelijk een dialoog gevoerd.

Wat de aantijgingen in een tijdschrift betreft, kan ik slechts herhalen dat de verschillende dossiers werden onderzocht. Er werd vastgesteld dat de aangehaalde feiten manifest onjuist waren of uit hun context werden gehaald. Ik wil eens te meer herhalen dat mijn ambtenaren in de gesloten centra een vaak zeer ondankbaar werk verrichten. Zij doen dat met veel inzet en in soms zeer moeilijke omstandigheden. Ik betreur het dan ook ten zeerste dat men voortdurend poogt die mensen in een negatief daglicht te stellen.

De heer Staf Nimmegeers (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de staatssecretaris die het uitvoerige antwoord van minister Dewael heeft voorgelezen en heb de indruk dat mijn vragen daarin deels worden bevestigd.

Ik kan me niet van de indruk ontdoen dat men zich pas onlangs bewust is geworden van de ernst van de situatie van zwaar zieken en van psychologische patiënten in de centra.

Van artsen die vooral administratieve taken moeten vervullen, kan men niet verwachten dat ze de gepaste therapeutische attitude hebben tegenover zwaar zieken en psychisch zieken. De minister is het indirect met me eens aangezien hij medici wil benoemen die gespaard blijven van administratieve taken, zodat ze als geneesheer en therapeut kunnen optreden en het vertrouwen van de patiënt kunnen winnen.

Het was allerminst mijn bedoeling de mensen die in de centra werken een blaam te geven. Uit ervaring weet ik immers dat ze hun taak voortreffelijk doen.

Ik blijf er evenwel bij dat dokters vertrouwensmensen moeten zijn en hun functie als arts niet kunnen cumuleren met administratieve taken. Ik betreur het dat we ons pas onlangs bewust zijn geworden van deze ernstige problematiek, die voor België toch een minpunt betekent.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het wetsontwerp van 14 januari 2003 tot wijziging van de wet van 16 mei 1960 betreffende 's Lands roerend cultureel patrimonium» (nr. 3-2004)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De pers heeft de laatste tijd veel aandacht besteed aan de problematiek van de bescherming van het zogenaamde `Paleis Stoclet' en in het bijzonder aan het besluit van de Brusselse regering met het oog op de bescherming van de roerende goederen van dit paleis.

Aangezien er een hele juridische controverse is over dit besluit, tengevolge van het beroep dat door de erfgenamen van het Paleis Stoclet is ingediend bij de Raad van State en bij andere rechterlijke organen, heb ik de problematiek van de bescherming van het patrimonium van onze federale wetenschappelijke instellingen onderzocht. In de collecties van die instellingen bevinden zich talrijke schitterende meesterwerken van het cultureel en wetenschappelijk patrimonium van ons land.

In dat verband had ik graag vernomen waarom het wetsontwerp van 14 januari 2003 tot wijziging van de wet van 16 mei 1960 betreffende 's lands roerend cultureel patrimonium, dat tijdens de vorige legislatuur werd ingediend, maar niet van verval werd ontheven, niet aan het parlement werd voorgelegd, hoewel de parlementaire goedkeuring een zekere juridische basis moest geven aan de bescherming van het patrimonium van de federale wetenschappelijke instellingen. Hebt u ander oplossingen om die moeilijkheden het hoofd te bieden?

Welke maatregelen denkt u te nemen opdat dit belangrijke patrimonium kan genieten van de bepalingen van de Europese verordening van 1992 betreffende de export van culturele goederen en van de richtlijn van de Raad van 15 maart 1993 betreffende de teruggave van culturele goederen die onwettig het grondgebied van een lidstaat hebben verlaten?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

De bescherming van het Paleis Stoclet is niet te vergelijken met de bescherming van het erfgoed van de wetenschappelijke federale instellingen. De goederen van de federale wetenschappelijke instellingen zijn collecties die tot het openbaar domein behoren en eigendom van de Staat zijn.

Het wetsontwerp van 14 januari 2003 tot wijziging van de wet van 16 mei 1960 betreffende 's lands roerend cultureel patrimonium werd niet voorgelegd aan het Parlement daar het toepassingsgebied ervan niet ruim genoeg was, met name in het licht van artikel 127 van de Grondwet.

Ik ben van plan om een nieuw wetsontwerp in te dienen dat aansluit bij de initiatieven die op dat vlak door de gemeenschapsministers werden genomen teneinde een coherente benadering uit te werken.

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «het facturatiesysteem van Belgacom» (nr. 3-1987).

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Alain Destexhe (MR). - Belgacom biedt een ogenschijnlijk interessant televisieaanbod aan voor 9,95 euro, maar in werkelijkheid ligt de maandelijkse factuur aanmerkelijk hoger, aangezien er een decoder dient te worden gehuurd, wat 6 euro per maand kost; daarbij komt nog de toegang tot het internet van 39,95 euro en het abonnement van de telefoonlijn van 17,15 euro, evenals de optie `onbeperkt bellen naar vaste binnenlandse lijnen' van 19,95 euro, hetzij alles samen 93 euro.

Andere operatoren die de concurrentie aangaan met Belgacom bieden ongeveer hetzelfde aan voor 60 euro.

Vergeleken met het tarief van ongeveer 30 euro dat bij de Franse operatoren geldt, is dat nog zeer duur; 592.000 abonnees hebben daar al de historische telecomprovider France Télécom verlaten en een contract ondertekend met een andere operator.

De populairste alternatieve Franse operator is Free. Free biedt een maandabonnement voor het internet aan tot 28 Mbit/s, onbeperkt bellen naar vaste lijnen in 28 landen en een honderdtal televisiestations voor 29,99 euro. Verschillende concurrenten slaan dezelfde weg in - Club Internet, Neuf, Alice en zelfs France Télécom - en doen op de Belgische markt aanbiedingen die aantrekkelijker zijn dan die van Belgacom.

De laatste evolutie bij Free is het gebruik van optische vezel zodat het volume kan worden opgedreven tot 50 Mbit/s, nog steeds voor 29,99 euro per maand, en bijkomende betalende opties voor grootverbruikers.

De Europese Commissie erkent dat de prijzen voor telefoongesprekken en voor de toegang tot het internet in België tot de hoogste in de EU behoren. In België is er weinig concurrentie en Belgacom heeft er dus niet veel last van.

Men moet nochtans beseffen dat de keuze voor Belgacom impliceert dat een Belgische klant driemaal zoveel betaalt als een Franse! België zou nochtans een goedkope markt moeten zijn voor telecommunicatie. Er is immers een hoge bevolkingsdichtheid en er zijn weinig geografische hindernissen. Dit alles verlaagt de kostprijs van het netwerk.

1. Hoe verklaart u dat een Belgische consument driemaal meer betaalt dan zijn Franse buur?

2. Wat vindt de regering daarvan? Heeft ze niet te veel de neiging om Belgacom en Telenet te beschermen?

3. Denkt u niet dat men tussenbeide moet komen bij het Belgisch Instituut voor Postdiensten en Telecommunicatie (BIPT) opdat de regulator Belgacom zou verplichten om de concurrenten gebruik te laten maken van de lokale netwerken? De volledige ontbundeling van de lokale netwerken is immers zo goed als onbestaande, terwijl dat een belangrijk element is voor een echte concurrentie.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Tuybens.

1. Voorzichtigheid is geboden bij het vergelijken van prijzen voor diensten die aangeboden worden door verschillende operatoren op geografisch verschillende markten aan een bevolking met een eigen kenmerkende structuur. Dergelijke vergelijkingen gaan slechts op wanneer ze gebaseerd zijn op een exhaustieve analyse van alle parameters die een invloed kunnen hebben op de factuur voor de eindverbruiker.

Er moet ook rekening gehouden worden met het feit dat de volumes die vermeld worden in de Franse aanbiedingen theoretische cijfers zijn, die vaak ver verwijderd zijn van de reële prestaties. Gelet op de investeringen in het Franse netwerk, kunnen enkele de klanten die zich op korte afstand van de centrale bevinden de beloofde volumes halen.

De maximumvolumes in het aanbod van Belgacom worden in een groot gedeelte van de zone ook gehaald.

2. Tot nader order valt de breedband niet onder de definitie van de universele dienstverlening inzake telecommunicatie. Belgacom kan bijgevolg vrij de prijs voor die dienstverlening bepalen, met inachtneming van de reglementering ter zake. Enkel indien Europa de breedband zou toevoegen aan de universele dienstverlening, kan ik ingrijpen ten aanzien van de universele dienstverlener - namelijk Belgacom, maar niet ten aanzien van Telenet - om het product betaalbaar te maken. Gelet op de evolutie van de technologie, pleit ik voor de integratie van de breedband in de universele dienstverlening. Aangezien u zich in dit verband zorgen maakt, hoop ik dat u mij daarin zult steunen.

3. Een verklaring voor de zwakke resultaten inzake ontbundeling is te vinden in het feit dat de alternatieve operatoren er in België de voorkeur aan gegeven hebben om gebruik te maken van het gereguleerde model van de wholesale-breedbandtoegang, dat minder hoge investeringen vergt dan de ontbundeling.

De heer Alain Destexhe (MR). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord.

De slotsom blijft dat wat Belgacom aanbiedt, drie keer zo duur is als in Frankrijk, wat toch merkwaardig is binnen een eengemaakte markt.

De regering zit volgens mij tussen twee vuren, daar ze aandeelhouder is van Belgacom, en bijgevolg baat heeft bij een zo groot mogelijke winst, en tegelijk regulerend moet optreden via het BIPT en dus rekening moet houden met het belang van de consument die voor een zo laag mogelijke prijs gebruik moet kunnen maken van telecommunicatie.

Ik heb de indruk dat de regering zich vooral laat leiden door haar positie van aandeelhouder.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de belastingcontrole van bedrijven» (nr. 3-2006)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit cijfers naar aanleiding van de driemaandelijkse CEO-Poll van De Standaard en Trends blijkt dat bijna zestig procent van de bedrijven minder dan drie jaar geleden gecontroleerd werd door de fiscus.

Twintig procent antwoordde dat het drie tot vijf jaar geleden was dat de belastingen nog eens langskwam, bij vijftien procent was het meer dan vijf jaar geleden en bijna vijf procent zegt dat het nog nooit een grondige belastingcontrole heeft gehad.

Één van de conclusies die uit deze cijfers kan worden getrokken is de vaststelling dat bij 40 procent van de bedrijven de laatste controle meer dan drie jaar geleden gebeurd is, en bij 15 procent zelfs meer dan 5 jaar. Dat is bijgevolg langer dan de verjaringstermijn in fiscale zaken, die drie jaar bedraagt, en, in het geval van fraude, vijf jaar.

Het voorbije jaar was er heel wat te doen over het gebrek aan belastingcontrole in ons land. Zo publiceerde het Rekenhof een rapport over de opsporingsdiensten, waarin ambtenaren met ervaring bij de directe belastingen samenwerken met belastingcontroleurs die gespecialiseerd zijn in BTW-dossiers.

Volgens het Rekenhof kampen die opsporingsdiensten met een schrijnend personeelstekort en kunnen de ambtenaren het werk dikwijls niet aan. Ze krijgen immers niet de nodige opleidingen en werken vaak met verouderd materiaal.

In 2005 tenslotte dienden bijna 39.000 bedrijven in ons land geen belastingaangifte in. Dit is meer dan 10 procent van de belastingplichtige bedrijven.

Welke conclusies trekt de minister uit de cijfergegevens afkomstig van de driemaandelijkse CEO-Poll uit De Standaard en Trends?

Acht de minister het raadzaam maatregelen te nemen opdat de bedrijven in de toekomst beter gecontroleerd worden door de fiscus?

Welke maatregelen werden er, naar aanleiding van het rapport van het Rekenhof, genomen om het personeelstekort bij de opsporingsdiensten weg te werken? Werd er geïnvesteerd in nieuw materiaal en worden er bijkomende opleidingen voor het personeel gepland?

Is er een evolutie gedurende de voorbije tien jaar waar te nemen in het aantal bedrijven dat geen belastingaangifte heeft ingevuld? Hoe zal de minister dit probleem aanpakken?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

Uit het artikel waarnaar de heer Vandenberghe verwijst blijkt dat 60% van de bedrijven gedurende de laatste drie jaren gecontroleerd werden. Dat cijfer stijgt tot 80% als men een periode van vijf jaar bekijkt. Mijn conclusie is dat een hoog percentage wordt behaald.

De filosofie van het fiscale controlebeleid is dat controles gebaseerd moeten zijn op datamining, risicoanalyse en sectorale aanpak. Dossiers die een verhoogd risico vertonen op het vlak van fiscale fraude krijgen prioriteit. Een fiscale controle is minder nodig, wanneer het risico op fraude als laag mag worden beoordeeld. In deze optiek is het bijgevolg logisch dat bepaalde bedrijven geen fiscale controle ondergaan gedurende een aantal jaren.

Het kader van de opsporingdiensten bestaat vooral uit betrekkingen van niveau C. Er vond een oproep plaats, maar de 20 vacatures konden niet volledig ingevuld worden bij gebrek aan kandidaten. Via interne mobiliteit werden 8 bijkomende personeelsleden geselecteerd.

Een nieuwe oproep tot kandidaten met het oog op de terbeschikkingstelling in deze diensten wordt voorzien in de volgende maanden.

Daarnaast werd in het kader van het personeelsplan 2007 onderzoek gedaan naar de globale functionele behoeften naar de Administratie van de Ondernemings- en Inkomensfiscaliteit, waartoe de opsporingsdiensten behoren. Het is vanzelfsprekend dat bij de uitwerking, rekening houdend met de opmerkingen van het Rekenhof, voldoende middelen moeten worden gegeven aan de opsporingsdiensten.

Op vlak van informaticamiddelen werd in 2005 beslist om prioriteit te geven aan de opsporingsdiensten wat de toekenning van gewone pc's en laptops betreft. Dat materiaal werd in 2005 en 2006 geleverd zodat de opsporingsdiensten intussen veel beter uitgerust zijn.

De specifieke opleiding `opsporingsdiensten' bevindt zich nog steeds in de voorbereidingsfase. De organisatie van meerdere gecertificeerde opleidingen voor duizenden ambtenaren binnen de FOD Financiën bemoeilijkt echter de voorbereiding van andere opleidingen.

Wat de middelen tegen de niet-indiening van belastingsaangiften betreft, heeft de regering al een belangrijke maatregel ingevoerd die nog wordt versterkt in het kader van de huidige programmawet.

Door artikel 41 van de wet van 11 juli 2005 werd artikel 342, §3 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen (WIB 1992) ingevoerd. Ondernemingen en beoefenaars van vrije beroepen die hun aangifte niet of laattijdig indienen, worden belast op basis van een minimumwinst (minimum 9.500 euro).

In het kader van de huidige programmawet heeft de regering beslist die forfaitaire minimumwinst te verdubbelen van 9.500 tot 19.000 euro. Ik meen dat deze maatregel een belangrijke impact kan hebben op het aangiftegedrag van veel ondernemingen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de vice-eersteminister en minister van Financiën over «de voorwaarden voor de vrijstelling van de interesten wanneer ze worden betaald door bemiddeling van een in België gevestigde financiële onderneming behorende tot een groep van geassocieerde vennootschappen» (nr. 3-2015)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Volgens de wijziging van artikel 230, tweede lid, c), tweede gedachtestreepje van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen 1992, die waarschijnlijk morgen met de Wet houdende diverse bepalingen zal worden goedgekeurd, worden intresten waarvan de schuldenaar een niet-inwoner is die door bemiddeling van een in België gevestigde financiële onderneming aan een andere niet-inwoner worden betaald, vrijgesteld van de belasting van niet-inwoners mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd.

De verantwoording van deze bepaling, die bij regeringsamendement bij de Kamer werd ingediend, luidt als volgt: `Deze bepaling strekt ertoe de financiële activiteit binnen een groep in België te steunen door mogelijk te maken dat de stromen van buitenlandse interesten die in het buitenland worden betaald, door tussenkomst van een binnenlandse vennootschap of een vaste inrichting vanuit België kunnen worden behandeld onder vrijstelling van belasting der niet-inwoners mits bepaalde voorwaarden worden nageleefd.

Het betreft hier enkel het regelen van de toestand van een vennootschap A, die een interestlast aflost ten opzichte van een vennootschap B, via een beweging van "interne" rekeningen die de twee vennootschappen aanhouden in België bij een financiële onderneming van de groep waarvan ze deel uit maken.'

Kan de minister enige toelichting geven omtrent de in de Verantwoording gestelde verwijzing naar interesten die `in het buitenland' worden betaald? Ik veronderstel dat deze verwijzing slechts bij wijze van voorbeeld werd gegeven en niet als een toepassingsvoorwaarde moet geïnterpreteerd worden. Het nieuwe artikel 230, tweede lid, c) van het Wetboek van de Inkomstenbelastingen is immers niet beperkt tot `in het buitenland' betaalde interesten. Kan de minister bevestigen dat het nieuw art. 230, tweede lid, c) van het WIB eveneens van toepassing is op `in België' betaalde interesten, mits aan de specifieke voorwaarden van art. 230 WIB is voldaan?

Kan de minister bevestigen dat met de `beweging van de interne rekeningen' in voormelde passus van de verantwoording de volgende situatie wordt bedoeld:

Volgens de wijziging van art. 230, tweede lid, a) van het WIB 1992 moet de verkrijger van de inkomsten een attest overleggen aan de in België gevestigde financiële onderneming waarin de verkrijger onder andere moet bevestigen dat hij tot dezelfde groep van verbonden vennootschappen behoort als de schuldenaar van de inkomsten en de tussenkomende financiële onderneming.

Kan de minister toelichting geven bij dit attest en me verduidelijken of dit attest éénmaal per jaar per verkrijger dient voorgelegd te worden aan de in België gevestigde financiële onderneming? Of kan een verkrijger dit attest eenmalig voorleggen aan de in België gevestigde financiële onderneming op voorwaarde dat de verkrijger zich tegenover de in België gevestigde financiële onderneming verbindt om toekomstige relevante wijzigingen dienaangaande te melden?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

De uitdrukking `intresten van buitenlandse oorsprong die in het buitenland worden betaald', die in de verantwoording van het amendement wordt gebruikt, betreft de huidige toestand en verwijst naar het feit dat de intresten die door de buitenlandse vennootschap worden toegekend in het buitenland moeten worden ten laste genomen en dat de begunstigde van het inkomen een niet-inwoner is die de kapitalen die het inkomen voortbrengen niet voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid in België gebruikt.

Niettemin is het doel van het amendement precies om een vrijstelling te verlenen wanneer dergelijke intresten worden betaald via een tussenpersoon die in België is gevestigd zoals dit in de bepaling wordt gedefinieerd, in plaats van in het buitenland.

Ik ben niet bevoegd me uit te spreken over de eventuele juistheid van de boekhoudkundige verrichtingen. De gegeven beschrijving van de beweging van de interne rekeningen lijkt overeen te komen met de intrestbetalingen die de voorgestelde bepaling wil vrijstellen voor zover alle voorwaarden, meer bepaald inzake het behoren tot éénzelfde groep in de zin van het vennootschapsrecht, wel degelijk vervuld zijn in hoofde van elke tussenpersoon bij elke betalingsverrichting.

Het is aan het bestuur om nadere verduidelijkingen te geven over de regels betreffende het vermelde attest. Hierbij zal een pragmatische oplossing worden nagestreefd die een praktische en flexibele toepassing van deze bepaling mogelijk maakt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Met deze vraag wou ik wat meer toelichting krijgen over een amendement van de regering. Ik hoop dat het antwoord van de minister wat meer zekerheid zal bieden.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de gebrekkige werking van de vestigingscommissie van voor het publiek opengestelde apotheken» (nr. 3-1997)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ondanks zijn antwoord op mijn vroegere vragen over de werking van de Vestigingscommissie van voor het publiek opengestelde apotheken blijven er klachten komen van apothekers.

Zo heeft een apotheker uit Roeselare de minister op 27 augustus 2006 aangeschreven over het lang aanslepen van een overplaatsing die op 27 mei 2004 is aangevraagd. Het betreft een overplaatsing volgens de grote procedure - dat is de procedure voor een overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid. De huur van het pand waar de apotheek nu is gevestigd, verloopt in 2008. De tijd dringt dus, aangezien het om een nieuwbouwproject gaat en er moet worden gewacht op de toestemming van de Vestigingscommissie alvorens de bouw mag worden gestart.

Uit het dossier blijkt dat vijftien maanden verlopen zijn tussen de indiening van het dossier en de notificatie ervan aan de Algemene Pharmaceutische Bond (APB), die de eventuele omliggende apothekers op de hoogte moet brengen van de aanvraag tot overplaatsing. Ondertussen is er nog een jaar verlopen alvorens het dossier door de vestigingscommissie, eind oktober, werd behandeld. Er werd toen - twee jaar na de aanvraag - bijkomende informatie gevraagd. Eind november zou het dossier opnieuw behandeld worden, maar werd de zaak afgelast. Weer eens wordt deze zaak dus vertraagd.

In zijn antwoord op mijn vraag nr. 3-1861 stelde de minister dat de gemiddelde behandelingsduur voor een overplaatsing buiten de onmiddellijke nabijheid zeventien maanden bedraagt. Ik vond dat toen al een lange termijn. In concrete dossiers heb ik vastgesteld dat de termijn tweeënhalf jaar bedraagt. Vindt de minister dat een redelijke termijn voor een overplaatsingsaanvraag? Wat is volgens de minister de oorzaak van het aanslepen van zo'n dossier en wanneer zullen er eindelijk redelijke termijnen zijn voor de afhandeling van deze dossiers?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De procedure voor de overplaatsing van een apotheek moet absoluut minder lang duren. Daarom heb ik een wetswijziging laten voorbereiden waardoor de Vestigingscommissie niet langer zelf over de ontvankelijkheid van een aanvraag hoeft te oordelen, maar dat kan overlaten aan haar secretariaat. Zodoende kan de procedure sneller verlopen en kunnen meer dossiers worden behandeld. Vandaag moet de Commissie geregeld dossiers die inhoudelijk aanvaardbaar zijn, afwijzen omdat er een document ontbreekt.

Aangezien concurrerende apothekers beroep kunnen aantekenen, zal het secretariaat de dossiers ook in de toekomst grondig blijven onderzoeken.

Aanvankelijk was het de bedoeling de wijziging in het ontwerp van wet houdende diverse bepalingen op te nemen, maar uiteindelijk zal ze in januari 2007 als voorontwerp van wet aan de ministerraad worden voorgelegd.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Uiteraard ben ik verheugd dat de ontvankelijkheidsprocedure zal worden verkort. In het aangehaalde dossier duurde die immers meer dan 15 maand. Ik vind het echter onaanvaardbaar dat een indiener pas anderhalf à twee jaar na het indienen van zijn aanvraag verneemt dat er documenten ontbreken. Een doeltreffende administratie moet bij de ontvangst van de aanvraag op basis van een logboek nakijken of er geen documenten ontbreken. Zo kunnen ontbrekende documenten nagenoeg onmiddellijk worden opgevraagd.

Dat er voor een inhoudelijke analyse van het dossier voldoende tijd moet zijn, daarover ben ik het met de minister eens. De meeste vertragingen zijn echter vooral te wijten aan randvoorwaarden en aan de gebrekkige werking van de Vestigingscommissie. Ik zal die dossiers blijven volgen en de minister zolang als nodig met problemen blijven confronteren.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het verrijken van brooddeeg met foliumzuur» (nr. 3-1999)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - We vernemen dat in Groot-Brittannië werd besloten om het brooddeeg te verrijken met foliumzuur. Het is een beproefd preventiemiddel dat al in een veertigtal landen zou worden toegepast, onder meer in de VS, Canada, Australië en Brazilië.

Uit recent wetenschappelijk onderzoek blijkt een oorzakelijk verband te bestaan tussen gebrek aan foliumzuur bij de moeder en bepaalde handicaps bij het kind, zoals spina bifida, hazenlip en bepaalde hartkwalen.

Hoe is het in ons land gesteld met de invoering van deze preventieve maatregel? Wordt ze van overheidswege overwogen of gepland? Wat zijn de inzichten van onze gezondheidsdiensten? Bestaat er rond deze thematiek een Europese strategie?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Ik deel uw bezorgdheid over het belang van foliumzuur voor zwangere vrouwen en hun baby. In België beveelt de Hoge Gezondheidsraad specifieke hoeveelheden aan gedurende de zwangerschap. Er bestaan eveneens Belgische normen die de minimale en maximale hoeveelheden voor voedingsmiddelen en voedingssupplementen vastleggen.

Foliumzuur is een van de punten waarop het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan zich heeft toegespitst. Zo is er reeds een brochure verspreid die zich richt tot toekomstige moeders en ouders met kinderen tot drie jaar en waarin het belang van foliumzuur aan bod komt. In deze brochure wordt expliciet gewezen op het belang voor deze doelgroep van voedingssupplementen verrijkt met foliumzuur. Er bestaat een stuurgroep van experts die zich specifiek met de problematiek van foliumzuur zal bezighouden en concrete voorstellen zal doen om de huidige situatie te verbeteren. Het is belangrijk om rekening te houden met de al in de ons omringende landen genomen maatregelen, zoals de verrijking van brooddeeg in Groot-Brittannië.

Dit thema werd reeds besproken in een adviesforum van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, die de maatregelen inzake foliumzuur van de diverse lidstaten en de strategie om deze problematiek aan te pakken, opvolgt. In januari 2007 zal een groep van experts met vertegenwoordigers van verschillende lidstaten in Berlijn samenkomen om ervaringen uit te wisselen over de beste strategie om voedingsmiddelen te verrijken met foliumzuur. Ierland, Engeland, Zweden, Hongarije, Duitsland en België zullen erin vertegenwoordigd zijn.

In ons land zijn al verschillende initiatieven gestart. De Franse Gemeenschap heeft bijvoorbeeld een webstek en een brochure over het belang van foliumzuur opgesteld.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik noteer dat de bevoegde minister een brochure heeft opgesteld en dat er een Europese werkgroep komt waarin wij zullen vertegenwoordigd zijn. Dat zijn stappen in de goede richting, maar slechts kleine stappen. In deze materie moet sneller en krachtdadiger worden opgetreden. Veertig landen hebben er al voor gekozen om foliumzuur aan het brood toe te voegen. Het zijn niet allemaal landen met een even hoog welzijnspeil als het onze. Dan moeten wij toch ook in staat zijn om sneller preventiemaatregelen te nemen.

Het is niet voldoende alleen voor voedingssupplementen te opteren, want dan worden alleen mensen bereikt die geïnformeerd zijn en die het zich financieel kunnen veroorloven die supplementen te kopen. De basisvoeding moet aan de nodige vereisten voldoen. Ik vind dan ook dat de federale overheid op dat vlak concreter moet zijn.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «ongevallen waarbij agenten betrokken zijn» (nr. 3-2005)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit het antwoord op eerdere schriftelijke vragen nummers 3-916 en 3-5182, en mondelinge vraag nr. 3-514 van 23 december 2004 blijkt dat almaar meer agenten zelf verkeersongevallen veroorzaken.

Vooral de Antwerpse politie scoort bijzonder slecht. Bovendien vielen in Antwerpen bijna de helft van de zwaargewonden en 13 procent van alle lichtgewonden.

Uit een enquête volgend op mijn schriftelijke vraag nr. 3-916 bleek dat slechts 23 zones in de periode tot 23 december 2004 voor hun agenten een cursus defensief autorijden hadden georganiseerd om het aantal ongevallen met agenten te verminderen en 27 politiezones hun inspecteurs een slipcursus hadden laten volgen.

In mijn schriftelijke vraag van 22 mei 2006 peilde ik opnieuw naar het aantal ongevallen met politieagenten, maar dan in de periode 2004 tot en met juni 2006. Uit het antwoord blijkt dat bepaalde politiezones voor de gevraagde periode niet meer over cijfergegevens beschikken.

De Luikse politiezones en een groot deel van de Naamse politiezones hebben geen melding gemaakt van ongevallen waarbij agenten betrokken zijn voor de periode 2004-2006. Voor de jaren 2002 en 2003 waren deze cijfers daarentegen wel beschikbaar, zoals bijvoorbeeld:

Zone 5277 (Luik): 10 lichtgewonden en 59 gevallen van stoffelijke schade in 2002; 7 lichtgewonden en 48 gevallen van stoffelijke schade in 2003. Er zijn geen cijfers voor 2004, 2005 en 2006.

De cijfers uit de andere provincies zijn daarentegen vrij volledig.

Ook de resultaten met betrekking tot het aantal ongevallen met dodelijke afloop, stoffelijke schade, licht- en zwaargewonden en burgerslachtoffers levert de zelfde hiaten op voor de provincie Luik en voor een groot deel van de provincie Namen. Bovendien werd er geen onderscheid gemaakt tussen licht- en zwaargewonden, hoewel dit onderscheid waarschijnlijk een juister licht had kunnen werpen op de zaak.

Het laatste deel van mijn vraag over het aantal gevallen waarin de agenten slachtoffer dan wel veroorzaker waren van het ongeval werd zeer summier beantwoord. Naast de politiezones in de provincie Luik waren ook voor de politiezones in de provincie Limburg geen cijfers beschikbaar.

Handhaving van de openbare orde door de politie is nochtans één van de kerntaken van de overheid. Het is onthutsend vast te stellen dat over dergelijke belangrijke onderwerpen in ons land geen statistische gegevens bestaan of niet worden vrijgegeven. Ik stel daarom deze vragen nu opnieuw om een klaar en duidelijk inzicht te krijgen in het noodzakelijke cijfermateriaal.

Kan de minister mij de ontbrekende cijfergegevens, voornamelijk uit de provincies Luik en Namen, mededelen? Acht de minister het nodig maatregelen aan te kondigen opdat iedere politiezone over vergelijkbare statistische gegevens beschikt? Is een significante stijging waar te nemen in het aantal cursussen defensief autorijden en antislipcursussen die de politiezones organiseren om het aantal verkeersongevallen waarbij agenten betrokken zijn terug te dringen, en die volgens het antwoord op mijn schriftelijke vraag van mei 2006 voornamelijk te wijten zijn aan foutieve manoeuvres of onoplettendheid? Zijn er vergelijkbare cijfers beschikbaar voor de federale politie?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Gezien het korte tijdsbestek is het niet mogelijk om de ontbrekende cijfergegevens uit de provincies Luik en Namen mede te delen. Om deze gegevens te verzamelen is een rondvraag in de diverse zones noodzakelijk. De opdracht hiertoe werd evenwel gegeven en men zal binnenkort over de cijfers kunnen beschikken.

Op het niveau van de federale politie wordt een nationale politiële gegevensbank bijgehouden en beheerd. Bij de invulling van het bestand wordt uiteraard in de eerste plaats rekening gehouden met de prioriteiten van het nationale veiligheidsplan om de verschillende parameters en criteria uniform vast te stellen.

Voor wat de lokale politiezones betreft, vestig ik de aandacht op het feit dat het lokale veiligheidsbeleid behoort tot de bevoegdheid van de plaatselijke overheden die hun statistisch bestand zullen invullen op grond van het zonale veiligheidsplan en volgens de lokale prioriteiten. Het aantal ongevallen waarbij politieambtenaren betrokken zijn zal, naargelang van de prioriteiten van elke zone, al dan niet relevant zijn voor het lokale beheer.

Alhoewel de Minister van Binnenlandse Zaken bepaalde aanbevelingen kan doen met betrekking tot deze aangelegenheid, behoort het hem niet toe zich te mengen in dit lokale beheer.

Sinds de aanvang van de cursus defensief rijden bij het federale opleidingscentrum te Bergen hebben 1787 operationele personeelsleden deze cursus gevolgd, waarvan 565 deelnemers uit Vlaamse politiezones, 544 uit Waalse politiezones en 678 uit de Brusselse regio.

Een aantal provinciale politiescholen overweegt terecht om in de nabije toekomst soortgelijke cursussen te geven, wat een aanzienlijke stijging zal meebrengen van het aantal politiemensen die deze opleiding zullen gevolgd hebben. De minister heeft daarom onlangs ook zijn toestemming gegeven om voor het organiseren van die rijcursussen een beroep te doen op gespecialiseerde privé-rijscholen. De korpschefs zullen hierdoor niet enkel de nieuw aangeworven aspiranten die ingezet worden in de interventiediensten, maar ook de reeds aanwezige personeelsleden waarvan de rijstijl onaangepast zou blijken, een dergelijke cursus defensief rijden kunnen laten volgen.

Bij de federale politie deden zich ten gevolge van interventies in 2003, 355 ongevallen voor. In 2004 ging het om 304 en in 2005 om 317 op een totaal van 5.611.219 risicogebonden werkuren. In vergelijking met 2003 is er alleszins een daling van het aantal ongevallen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wacht de door de minister van Binnenlandse Zaken aangekondigde antwoorden af om de cijfers te beoordelen.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden» (nr. 3-2013)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - In zijn antwoord op mijn eerdere vraag over de maatregelen betreffende de verzorging van chronische wonden (nr. 3-1840) stelde de minister dat de Technische Raad voor diagnostische middelen en verzorgingsmiddelen het ontwerp van KB, dat een forfait invoert, reeds had goedgekeurd, maar dat er in het Verzekeringscomité technische problemen werden gesignaleerd waarvoor in de Overeenkomstencommissie naar oplossingen zou worden gezocht. Daarna zou het ontwerp opnieuw aan het Verzekeringscomité worden voorgelegd.

Ondertussen blijkt er voor de praktische problemen een oplossing gevonden te zijn. In tegenstelling tot wat de minister antwoordde, zou het dossier echter opnieuw aan alle RIZIV-instanties (Technische Raad, Budgetcontrolecommissie, Overeenkomstencommissie en Verzekeringscomité) moeten worden voorgelegd voordat het ontwerp-KB voor advies kan worden voorgelegd aan de Raad van State.

Dat betekent dat er nog heel wat tijd zal verlopen voor het KB zal kunnen worden gepubliceerd. Vele artsen en patiënten denken echter dat de regeling op 1 januari 2007 ingaat. Nochtans was het de bedoeling het forfait vanaf 1 januari 2007 in te voeren, aangezien de minister ook aankondigde dat het supplement ten laste van de rechthebbende vanaf 1 januari 2007 in aanmerking zal komen voor de maximumfactuur.

Is de minister op de hoogte van de vertraging? Zijn de aanpassingen aan het KB zo fundamenteel dat ze opnieuw aan alle RIZIV-organen moeten worden voorgelegd? Welke timing voorziet de minister om het KB gepubliceerd te krijgen? Wat betekent de vertraging van het KB voor de opname in de MAF? Hoe zullen zorgverstrekkers en patiënten worden geïnformeerd?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de heer Rudy Demotte.

Het aangepaste voorstel voor het nieuwe vergoedingssysteem voor actieve verbandmiddelen moet inderdaad opnieuw aan de verschillende adviesorganen van het RIZIV worden voorgelegd.

Het voorstel om de registratie mogelijk te maken, is complex. Kort samengevat komt het er op neer dat de actieve verbandmiddelen van de positieve lijst vergoed worden in categorie A met een vergoedingsbasis van 0,25 euro. De gegevens over de afgeleverde actieve verbandmiddelen worden door de tariferingsdiensten via Farmanet overgemaakt aan de verzekeringsinstellingen. Die gaan dan na welke rechthebbenden in aanmerking komen voor de maximale tegemoetkoming van 20 euro per maand en betalen deze driemaandelijks uit.

Omwille van de fundamentele verschillen tussen het nieuwe en het oorspronkelijke voorstel van de Technische Raad voor Diagnostische middelen en Verzorging adviseert de directie Juridische Zaken en Toegankelijkheid van het RIZIV de volledige adviesprocedure opnieuw te doorlopen. Omwille van de rechtszekerheid van de rechthebbenden heb ik beslist dat advies te volgen.

Ik zal bij de inspecteur van Financiën en de minister van Begroting aandringen op een snelle afhandeling van het dossier. De Raad van State zal worden gevraagd om binnen de dertig dagen een advies uit te brengen. Aangezien enkel de vergoedbare verstrekkingen in de MAF worden opgenomen, zal het systeem pas in werking treden als de MAF van start gaat.

Het komt de verzekeringsinstellingen toe hun leden te informeren over de wijzigingen aan het systeem van terugbetaling, net zoals de beroepsorganisaties van de zorgverstrekkers hun leden moeten informeren over wijzigingen aan de bestaande reglementering.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het antwoord verwondert me omdat de minister in zijn antwoord op een vorige vraag had gezegd dat er enkel nog een technisch probleem was. Nu verklaart hij dat er een fundamenteel verschil is tussen het aangepaste ontwerp van koninklijk besluit en het ontwerp van koninklijk besluit dat aan de verschillende overlegorganen is voorgelegd. Hierdoor moet heel de procedure worden overgedaan. Ik zie die fundamentele verschillen niet. De minister wijst alleen op het belang van de rechtszekerheid. Gevolg is dat het wellicht nog lang zal duren voordat de wondverbanden in de MAF worden opgenomen, hoewel het dossier al tien jaar aansleept. Ik betreur dat.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «sporen van polonium 210 in de meeste sigaretten» (nr. 3-2000)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten (KVAB) meldt dat volgens wetenschappelijke studies de meeste sigaretten sporen bevatten van de radioactieve stof polonium 210. Zoals we de afgelopen weken via de media hebben vernomen, is polonium 210 de radioactieve stof die gebruikt werd om de voormalige Russische spion Alexandr Litvinenko te vergiftigen.

De longen van rokers worden volgens de KVAB voortdurend met radioactieve deeltjes geïnfecteerd. Die stof wordt bovendien gemakkelijk opgenomen door het bloed. In verschillende onderzoeken werden sporen van polonium 210 teruggevonden in het bloed en in de urine van rokers.

Eens polonium 210 in het menselijk lichaam komt, door inademing of opname via de mond, kan het enorme schade aanrichten. De radioactiviteit van polonium 210 zorgt volgens de KVAB onder andere voor genetische schade en vroegtijdige hartziekten, leverkanker, blaas- en longkanker. De aanwezigheid van polonium 210 in tabak zou te wijten zijn aan het gebruik van fosfaatbemesting bij het telen van de tabaksplanten. Eén gram zou in theorie genoeg zijn om 50 miljoen mensen te doden en 130 gram voldoende om de wereldbevolking uit te roeien.

Welke conclusies trekt de minister uit het onderzoek van de Koninklijke Vlaamse Academie van België voor Wetenschappen en Kunsten? Acht de minister het wenselijk de problematiek op Europees niveau aan te kaarten? Acht de minister het na genoemd wetenschappelijk onderzoek wenselijk extra maatregelen te nemen om de bevolking in te lichten over de gevaren van het roken?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

Aangezien toegegeven wordt dat de sigaret een dodelijk product is dat tal van giftige stoffen bevat en uitstoot, verbazen de conclusies van de studie van de KVAB mij niet.

Tabaksrook bevat meer dan 4000 stoffen, waarvan een groot aantal giftig zijn en waarvan er meer dan 60 kankerverwekkend zijn. Tabaksrook bevat onder meer arsenicum, tolueen, blauwzuur, cadmium en naftaleen. Dat een sigaret in bepaalde gevallen ook polonium 210 kan bevatten, verandert in wezen niets aan de gegevens over de totale toxiciteit van de sigaret.

Het probleem van de toxische ingrediënten en producten wordt reeds op Europees vlak besproken. Het Regulatory Committee, dat werd ingesteld bij richtlijn 2001/37 voorziet in een procedure die het mogelijk maakt de belangrijkste toxische ingrediënten in tabaksproducten en de rook ervan te bestuderen.

Er wordt ook een onafhankelijke laboratoriumgroep opgericht, zowel op Europees als op mondiaal niveau.

Daarnaast komt er tegen 2007 een harmonisering van het meldingssysteem in de verschillende landen, zodat de gegevens van de verschillende lidstaten efficiënter kunnen worden vergeleken en uitgewisseld. Deze maatregelen hebben tot doel de producten beter te kunnen doorgronden vanuit wetenschappelijk standpunt en dus de inhoud van tabaksproducten in de toekomst beter te kunnen reglementeren.

De sigaret is een zeer giftig product waaraan in ons land jaarlijks 20.000 mensen sterven. Ik heb dan ook besloten deze plaag te bestrijden en ik heb daartoe een federaal plan tot bestrijding van het tabaksgebruik uitgewerkt. Dat plan omvat verschillende maatregelen, zoals een rookverbod in de werkplaatsen en in alle openbare plaatsen sinds 1 januari 2006, een rookverbod in restaurants vanaf 1 januari 2007, de jaarlijkse toekenning, via het Tabaksfonds, van middelen voor acties ter bestrijding van het tabaksgebruik, het verplicht aanbrengen van kleurenfoto's op alle sigarettenpakjes, het verbod om tabak te verkopen aan jongeren onder de 16 jaar en de aanpassing van alle tabaksautomaten, de invoering van een groen informatienummer en het ten laste nemen van ontwenningstherapieën voor zwangere vrouwen en hun partner.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de gelijkstelling "verergeringstoeslag" arbeidsongevallen» (nr. 3-2014)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Onze wetgeving inzake arbeidsongevallen houdt bij de verergeringstoeslag een discriminatie in tussen ambtenaren en werknemers in de privésector. Daarnet werd de arbeidsongevallenwetgeving in commissie besproken, maar aangezien de minister niet aanwezig was, geef ik er de voorkeur aan de vraag vanavond nog te stellen.

Wanneer zich een arbeidsongeval heeft voorgedaan, komt het voor dat de arbeidsongeschiktheid van de werknemer na een bepaalde periode nog verslechtert. Het percentage van arbeidsongeschiktheid dient te worden verhoogd indien de verergering te wijten is aan het vroeger gebeurde arbeidsongeval.

Voor ambtenaren ligt die verergeringstoeslag niet alleen lager dan voor privéwerknemers, de mogelijkheid tot aanvraag voor verergering is ook beperkt in de tijd. Voor hen is er een herzieningstermijn van drie jaar, terwijl die voor de werknemers onbeperkt is indien het gaat om een verergering van ten minste 10%.

Is de regering zich bewust van deze discriminatie? Zo ja, wordt een gelijkschakeling tussen ambtenaren en werknemers bij arbeidsongevallen gepland? Kan een regeling met terugwerkende kracht worden uitgewerkt, zodat voor nu lopende dossiers van ambtenaren die geen recht hebben op een verergeringstoeslag omdat hun arbeidsongeval dateert van meer dan drie jaar geleden, ook de discriminatie wordt opgeheven? Welke timing wordt daarvoor desgevallend vooropgesteld?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Ambtenarenzaken.

De bedoelde discriminatie is mij niet ontgaan. Op mijn voorstel heeft de ministerraad beslist deze discriminatie weg te werken. Een voorontwerp van wet en ontwerpen van koninklijke besluiten werden voor advies aan de Raad van State voorgelegd. Zodra ik in het bezit ben van de officiële adviezen zal ik niet nalaten het dossier bij de Kamer van volksvertegenwoordigers in te dienen.

Het voorontwerp van wet heeft een terugwerkende kracht tot 1 januari 2006, maar ik ken het oordeel van de Raad van State daaromtrent nog niet. Uiteraard zal het laatste woord bij het Parlement liggen.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - De aankondiging dat een wetsontwerp in de Kamer zal worden ingediend, verheugt me ten zeerste. Gelet op de komende verkiezingen hoop ik dat het wetsontwerp nog deze legislatuur zal worden goedgekeurd.

Het ontbreken van terugwerking, stemt me dan weer minder tevreden. Er moet toch een oplossing worden gevonden voor de ambtenaren die vandaag problemen ondervinden door discriminatie in het verleden. Ik hoop dat de Raad van State dat ook aanstipt in zijn advies en dat het Parlement alsnog wijzigingen in het wetsontwerp aanbrengt waardoor de discriminatie wordt weggewerkt, al is het dan binnen een bepaalde termijn.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats zaterdag 23 december om 10 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.25 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Jansegers, om gezondheidsredenen, de heren Brotcorne, Dedecker en Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 55
Voor: 55
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Josy Dubié, Isabelle Durant, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Marc Van Peel.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 14
Tegen: 39
Onthoudingen: 4

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant.

Stemming 4

Aanwezig: 56
Voor: 36
Tegen: 14
Onthoudingen: 6

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.

Stemming 6

Aanwezig: 57
Voor: 16
Tegen: 38
Onthoudingen: 3

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Tegen

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Detraux, Annemie Van de Casteele.

Stemming 7

Aanwezig: 58
Voor: 37
Tegen: 15
Onthoudingen: 6

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.

Stemming 8

Aanwezig: 56
Voor: 35
Tegen: 15
Onthoudingen: 6

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Christine Defraigne, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Delpérée, Francis Detraux, Josy Dubié, Isabelle Durant, Clotilde Nyssens.

Stemming 9

Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 8
Onthoudingen: 10

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Marc Van Peel.

Stemming 10

Aanwezig: 59
Voor: 41
Tegen: 1
Onthoudingen: 17

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Hugo Coveliers.

Onthoudingen

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken.

Stemming 11

Aanwezig: 59
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Jean-Marie Cheffert, Berni Collas, Jean Cornil, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Josy Dubié, Isabelle Durant, Pierre Galand, Jean-Marie Happart, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Luc Van den Brande, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot toekenning van een militair statuut aan de personen die zicht tijdens de Tweede Wereldoorlog bij de Rekruteringscentra van het Belgisch Leger (RCBL) hebben gevoegd (van mevrouw Anne-Marie Lizin c.s.; Stuk 3-1994/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 577 van het Burgerlijk Wetboek (van de heer Michel Delacroix; Stuk 3-2000/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de artikelen 467 en 471 van het Strafwetboek ten einde een verzwarende omstandigheid in te voeren wanneer diefstal en afpersing worden vergemakkelijkt door de kwetsbare toestand van het slachtoffer (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-2001/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de psycho-oncologie (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 3-2002/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie houdende protest tegen de terdoodveroordeling van vijf Bulgaarse verpleegsters en één Palestijnse arts in Libië (van de heer Alain Destexhe c.s.; Stuk 3-2003/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocaties

De Senaat heeft bij boodschappen van 20 en 21 december 2006 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Ontwerp van programmawet (I) (Stuk 3-1986/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de volgende commissies:

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I) (Stuk 3-1988/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de volgende commissies:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 8 juni 2006 houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (Stuk 3-2004/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Niet-evocaties

Bij boodschap van 19 en 21 december 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Wetsontwerp tot wijziging van verschillende bepalingen betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk waaronder deze betreffende de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (Stuk 3-1958/1).

Wetsontwerp houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie, van propaangas in bulk, van lamppetroleum en van aardgas bestemd voor de verwarming van een privéwoning (Stuk 3-1997/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 14 en 20 december 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dagen werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Ontwerp van programmawet (II) (Stuk 3-1987/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (II) (Stuk 3-1989/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp betreffende de bijdrage van België aan de veertiende wedersamenstelling van de werkmiddelen van de Internationale Ontwikkelingsassociatie (Stuk 3-1996/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 december 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 januari 2007.

Wetsontwerp tot bestraffing van graffiti en van beschadiging van onroerende eigendommen en tot wijziging van de nieuwe gemeentewet (Stuk 3-1998/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 december 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 januari 2007.

Wetsontwerp tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 13 december 2005 tot wijziging, wat De Post betreft, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven (Stuk 3-1999/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 december 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 15 januari 2007.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat de adoptieprocedure betreft (Stuk 3-2005/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 21 december 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 22 januari 2007.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende toekenning van een toelage voor het aanschaffen van huisbrandolie, van propaangas in bulk, van lamppetroleum en van aardgas bestemd voor de verwarming van een privéwoning (Stuk 3-1997/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 december 2006; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 20 december 2006.

Kennisgeving

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 46bis van het Wetboek van Strafvordering (Stuk 3-1824/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 december 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp betreffende de toetreding van België tot het Protocol van 1988 aangaande het Internationaal Verdrag van 1966 betreffende de uitwatering van schepen, gedaan te Londen op 11 november 1988 (Stuk 3-1845/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 december 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Uitvoeringsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Albanië inzake de overname van personen die zonder vergunning in de Republiek Albanië of de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) verblijven, ondertekend te Den Haag op 9 juni 2005 (Stuk 3-1848/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 december 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag betreffende de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Hof voor het Recht van de Zee, gedaan te New York op 23 mei 1997 (Stuk 3-1861/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 14 december 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 4 december 2006, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, §1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 29 november 2006.

Bij brief van 14 december 2006, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, §1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 25 januari 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten

Bij brief van 28 november 2006 heeft de voorzitter van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingendiensten, overeenkomstig artikel 35 van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag van het Vast Comité voor het jaar 2005.

-Verzonden naar de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten.

Vaste Commissie voor taaltoezicht

Bij brief van 14 december 2006, heeft de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig artikel 62 van de door het koninklijk besluit van 18 juli 1966 samengeordende wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Vaste Commissie voor taaltoezicht voor het jaar 2005.

-Neergelegd ter Griffie.