2-11

Belgische Senaat

Gewone Zitting 1999-2000

Plenaire vergaderingen

Woensdag 10 november 1999

Namiddagvergadering

Beknopt Verslag


Inhoudsopgave

Overlijden van een oud-senator

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de besluitvorming rond het Rosetta-plan» (nr. 2-35)

Mondelinge vraag van de heer Jean-Pierre Malmendier aan de minister van Justitie over «eventuele gratiemaatregelen naar aanleiding van het huwelijk van prins Filip» (nr. 2-27)

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over «de wettelijke erkenning van de prostitutie» (nr. 2-30)

Mondelinge vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de uitspraken van Belgocontrol in verband met de verlenging van de start-landingsbaan van Zaventem» (nr. 2-33)

Mondelinge vraag van de heer Georges Dallemagne aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de humanitaire toestand in Tsjetsjenië en de Belgische handelsmissie in Rusland» (nr. 2-32)

Mondelinge vraag van mevrouw Ingrid van Kessel aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hernieuwing van identiteitskaarten voor personen met de leeftijd van meer dan 80 jaar» (nr. 2-25)

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de noodplannen voor de nucleaire installaties» (nr. 2-29)

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de Task force die belast is met de uitvoering van het beleid inzake de regularisatie en de verwijdering van vreemdelingen» (nr. 2-34)

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «eventuele prostitutienetwerken op de luchthaven van Zaventem» (nr. 2-28)

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het te koop aanbieden van eicellen via Internet» (nr. 2-26)

Voorstel tot wijziging van de artikelen 23 en 30 van het reglement van de Senaat (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-110)

Voorstel tot invoeging in het reglement van de Senaat van een artikel 86bis, ter uitvoering van artikel 66bis van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-111)

Voordracht van kandidaten voor het ambt van Staatsraad bij de Raad van State

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor bij de Raad van State

Stemmingen

Voorstel tot wijziging van de artikelen 23 en 30 van het reglement van de Senaat (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-110)

Voorstel tot invoeging in het reglement van de Senaat van een artikel 86bis, ter uitvoering van artikel 66bis van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-111)

Moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heren Malcorps en Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, gesteld op 28 oktober 1999 in plenaire vergadering

Benoeming van de leden van de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Vast Comité I)

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «het gebruik van alcoholtesters door rijkswacht en politie» (nr. 2-16)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het gebruik van tributyltin als aangroeiwerend middel op scheepsrompen» (nr. 2-12)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «De Post in crisis» (nr. 2-17)

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. – De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Albert Deconinck, gewezen provinciaal senator voor West-Vlaanderen.

Uw voorzitter betuigt het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. – De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming)

(De lijst wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid over «de besluitvorming rond het Rosetta-plan» (nr. 2-35)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Vorige maandag kon op het sociaal overleg over het voorstel van de vice-eerste minister om elk bedrijf per schijf van 25 werknemers te verplichten een schoolverlater in dienst te nemen, op zijn zachtst gezegd, geen akkoord worden bereikt. Naar verluidt zou de Ministerraad vrijdag de knoop doorhakken.

Sinds de vice-eerste minister een aantal weken geleden dit plan lanceerde, heeft er een brede discussie plaatsgevonden. De principiële kritiek is dat de verplichting tot indienstneming eerder werkgelegenheidsvernietigend werkt, in plaats van werkgelegenheidsbevorderend. Daarnaast rijst de vraag naar de praktische uitvoerbaarheid, in de eerste plaats in Vlaanderen.

De maatregel zou in Wallonië, waar meer dan 10% van de 15-25 jarigen werkloos zijn, mogelijk zijn. In Vlaanderen, met 3,2% werklozen in deze leeftijdscategorie, een Europees laagterecord trouwens, is hij echter totaal onwerkbaar. Er zijn nu al onvoldoende kandidaten om aan de stageverplichting tegemoet te komen, laat staan dat dit aantal nog eens met meer dan 10.000 zou kunnen toenemen. Als er in Vlaanderen ergens nood aan is, is het niet aan de verplichting tot extra indienstnemingen, maar wel aan de verbetering van de vorming van langdurig werklozen en aan de bijstand aan bedrijven voor de permanente vorming van hun werknemers om ze voor te bereiden op de uitdagingen van de toekomst.

Een verschillend werkgelegenheidsbeleid in Vlaanderen en Wallonië is onontbeerlijk. Ik heb dan ook de volgende vragen. Heeft de vice-eerste minister conclusies getrokken uit de discussie van de voorbije weken en uit de vergadering van het sociaal overleg dat vorige maandag plaatsvond en trekt ze haar plan in, of zal ze toch nog een voorstel indienen op de Ministerraad van vrijdag?

Is ze het met mij eens dat de toestand van de arbeidsmarkt in Vlaanderen en Wallonië dermate verschillend is dat een afzonderlijk werkgelegenheidsbeleid onontbeerlijk is? Is ze van plan om in die zin initiatieven te nemen en eventueel voorstellen in dit verband te doen op de zogenaamde conferentie voor de staatshervorming?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Het wetsontwerp dat jonge schoolverlaters binnen zes maanden een eerste baan of een beroepsopleiding aanbiedt, ligt mij bijzonder na aan het hart.

Ik heb de regering een algemene oriëntatienota voorgelegd die ik heb gebruikt tijdens het overleg met de sociale partners, dat me ertoe heeft gebracht de doelgroep uit te breiden. Naargelang van de behoefte kan het plan worden opengesteld voor andere leeftijdscategorieën: de min 25-jarigen, de min 30-jarigen of andere categorieën waarover de regering nog moet beslissen.

Aangezien de situatie tussen de regio’s en de subregio’s verschilt, heb ik voorgesteld om het sub-regionaal comité voor de werkgelegenheid als spil te beschouwen om de nodige soepelheid te garanderen.

Het ontwerp staat op de agenda van de volgende Ministerraad. Het plan stelt verbeteringen voor en houdt rekening met de prioriteiten van de sociale partners en de collega’s in de regering.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). – Ik neem aan dat de vice-eerste minister niet kan vooruitlopen op beslissingen die vrijdag zullen worden genomen Misschien kan ze een tip van de sluier oplichten en meedelen of ze bij haar mening blijft dat bedrijven per schijf van 25 werknemers een bijkomende werkkracht in dienst moeten nemen, het punt van het plan dat het meest voor kritiek vatbaar is.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Werkgelegenheid. – Even geduld.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Pierre Malmendier aan de minister van Justitie over «eventuele gratiemaatregelen naar aanleiding van het huwelijk van prins Filip» (nr. 2-27)

De heer Jean-Pierre Malmendier (PRL-FDF-MCC). – Binnenkort kunnen wij delen in de vreugde om het huwelijk van onze prins Filip en onze toekomstige prinses Mathilde.

Sedert mijn dochter Corine en haar verloofde Marc in 1992 werden vermoord door recidiverende misdadigers die vervroegd in vrijheid waren gesteld, vraag ik dat de strafuitvoering en de vervroegde invrijheidstelling ernstig worden toegepast. Ik ben trouwens niet de enige: in de kelders van dit Huis ligt een omvangrijke petitie in die zin op behandeling te wachten.

Ik ben ten zeerste ongerust over het feit dat veroordeelden die hun straf uitzitten een collectieve gratiemaatregel zouden kunnen genieten naar aanleiding van het huwelijk van prins Filip en jonkvrouw Mathilde.

Ik zou u dan ook willen vragen of u van plan bent zo’n collectieve gratiemaatregel te nemen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Ik heb alle begrip voor de ongerustheid van senator Malmendier in verband met de vervroegde invrijheidstelling – zonder onderscheid - van bepaalde gedetineerden.

De vraag of er collectieve gratie zal worden verleend ter gelegenheid van het prinselijk huwelijk, moet ik ontkennend beantwoorden.

Ik preciseer.

Elk koninklijk besluit en bijgevolg ook een koninklijk besluit dat collectieve gratie verleent, moet door de bevoegde minister mede worden ondertekend. Hij is er immers volledig politiek verantwoordelijk voor.

Zelf wens ik die verantwoordelijkheid niet op mij te nemen in het raam van een collectieve gratiemaatregel. Wat de strafuitvoering betreft, moet volgens mij elk dossier daarentegen individueel worden benaderd. Voor elke gevangene moet een onderzoek uitwijzen of er voldoende waarborgen voor een geslaagde reclassering bestaan. In dit evaluatieproces moet veel aandacht worden besteed aan de belangen van het slachtoffer. Daarenboven moet men er voor zorgen dat de veiligheid van de samenleving voldoende gewaarborgd blijft. Het regeerakkoord voorziet trouwens in de oprichting van strafuitvoeringsrechtbanken met als voornaamste opdracht het detentie- en reclasseringstraject van elke gevangene afzonderlijk te volgen.

Het begrip collectieve gratie gaat, naar mijn gevoel, volledig in tegen deze geïndividualiseerde aanpak. Ik hoef er niet aan te herinneren dat de zaak-Dutroux en consoorten overduidelijk aantoont dat een maatregel van collectieve gratie de specificiteit van elk geval over het hoofd ziet.

Uit wat voorafgaat, blijkt dus onbetwistbaar dat ik geen enkele initiatief zal nemen om collectieve gratie te verlenen.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Justitie over «de wettelijke erkenning van de prostitutie» (nr. 2-30)

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). – Ook de minister is wellicht op de hoogte van het plan voor een prostitutie-opleiding van Payoke in Antwerpen. De vereniging wilde hiermee de wettelijke erkenning van een bepaald beroep bereiken. Zoals vrijwel alle vrouwenverenigingen – althans de Franstalige – zijn wij ongerust over het effect dat zo’n banalisering van de prostitutie op sommige jongeren kan hebben. De pers van vanochtend bericht over wat in Brussel is gebeurd. Dankzij een uitgebreide politieactie konden jongeren van 14 tot 18 jaar worden ontdekt die afkomstig zijn uit Oost-Europa.

De Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken heeft een subgroep opgericht om dit verschijnsel te bestuderen.

Dient er nog op te worden gewezen dat de vrouw geen seksuele handelswaar is? Dit gaat in tegen de fundamentele mensenrechten.

De bewuste vereniging neemt een paradoxale houding aan, want haar doelstelling bestaat er juist in mensen te beschermen. De weg die ze daarbij volgt, maakt de criminalisering van het souteneurschap onmogelijk.

Ik wil de aandacht van de minister ook nog vestigen op het project van Espace P, dat een openhuisdag wil organiseren om “de buitenwereld de wereld van de prostitutie te tonen en de taboes te doorbreken zodat dit beroep ooit erkend wordt”.

Mijnheer de minister, wil u reageren en stelling nemen tegenover zulke projecten? Waren er contacten tussen deze verenigingen en uw administratie en eventueel uzelf om deze ernstige ontsporing te stoppen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – Ik deel de beweegredenen en de twijfels van mevrouw Lizin.

Ter voorbereiding van dit antwoord heb ik contact opgenomen met de heer Leman. Die deelde mij mee dat de persoon die een prostitutieschool zou oprichten en de acties van Espace P zou leiden, onlangs door mevrouw Sörensen, die het overigens niet eens is met de gehekelde aanpak, werd bedankt.

Bijgevolg zijn de twee in de pers beschreven initiatieven, conform de wens van de initiatiefnemers, nu opgedoekt. Met dit antwoord op uw vraag is, naar ik meen, alles over dit probleem gezegd.

Mondelinge vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de uitspraken van Belgocontrol in verband met de verlenging van de start-landingsbaan van Zaventem» (nr. 2-33)

De voorzitter. – De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). – Deze week vernamen we in de pers dat Belgocontrol een verlenging van de landingsbaan 25L overweegt, zodat ze als startbaan kan worden gebruikt. Tevens vernamen we dat de burgemeester van Zaventem, en aldus ook het gemeentebestuur, absoluut niet achter deze mogelijke uitbreiding kunnen staan. "Zolang het niet vaststaat dat de verlenging noodzakelijk is voor de economische ontwikkelingskansen van Zaventem, is deze materie niet bespreekbaar", waren zijn woorden in Het Laatste Nieuws van vandaag.

Aangezien Belgocontrol een autonoom overheidsbedrijf is, had ik graag vernomen welke de visie van de minister over deze problematiek is. Heeft hij de betrokken actoren reeds rond de tafel gebracht om dit probleem te bespreken?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. – De uitspraken van het directiecomité van Belgocontrol waren enkel een advies aan minister Daems en aan Biac inzake procedures en infrastructuurwerken die nodig zijn voor een capaciteitsuitbreiding.

De verlenging van de baan 251 is bovendien slechts één van de mogelijke manieren om aan de capaciteitsbehoeften van de luchthaven tegemoet te komen. Het is de taak van Biac om de beste gronden op een correcte manier aan te wenden.

Er is nog geen beslissing genomen. Die zal er pas komen na grondige analyse van de verschillende opties en na overleg met de verschillende partijen, waaronder het overheidsbedrijf Biac, Belgocontrol en de gemeenten rond de luchthaven.

Men moet overigens niet noodzakelijk ongerust zijn over het voorstel van Belgocontrol. De verlenging past immers in de plannen voor een betere oriëntering van de luchtwegen om de geluidshinder te beperken bij een uitbreiding van de luchthaven.

Mondelinge vraag van de heer Georges Dallemagne aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de humanitaire toestand in Tsjetsjenië en de Belgische handelsmissie in Rusland» (nr. 2-32)

De heer Georges Dallemagne (PSC). – De humanitaire situatie in Tsjetsjenië neemt catastrofale proporties aan. Het aantal vluchtelingen en dodelijke slachtoffers neemt hand over hand toe. De Russische troepen bombarderen bewust de burgerbevolking. Dit drama speelt zich in het verborgene af: de westerse media krijgen slechts een beperkte toegang en humanitaire organisaties als het Hoog Commissariaat voor de vluchtelingen en het Internationale Rode Kruis werken en alleen op indirecte wijze. Op hetzelfde ogenblik leidt onze minister van Buitenlandse Zaken, samen met zijn staatssecretaris voor Buitenlandse Handel, namens de BLEU een economische missie in Rusland. Tijdens zijn ontmoeting met zijn collega Ivanov en eerste minister Poetin had hij het over de Russische economie, maar ook over Tsjetsjenië. Volgens Belga heeft hij een aantal verduidelijkingen gekregen die hem in staat stellen zich een beter beeld te vormen van de moeilijkheden die Rusland ondervindt. Dat is een verbazingwekkende verklaring in vergelijking met die van de Tsjechische president, van de Franse minister van Buitenlandse Zaken of van Washington, dat Moskou ervan beschuldigt de Conventies van Genève over de bescherming van de burgerbevolking met voeten te treden.

Vindt de regering die economische missie en de verklaringen van de minister van Buitenlandse Zaken gepast?

Welke initiatieven zal ze nemen om de oorlogsmisdaden te doen ophouden en om de humanitaire hulp werkelijk ter plaatse te krijgen? Hebben de door de regering tijdens de interventie in Kosovo verkondigde grote principes voorgoed afgedaan?

De heer Guy Verhofstadt, eerste minister. – De BLEU-missie is het gevolg van de oprichting, door de vorige regering, van een gemengde commissie BLEU-Rusland. Een vergadering van deze commissie heeft plaatsgehad in Moskou. De besprekingen gingen hoofdzakelijk over Tsjetsjenië. Wij hebben onze bezorgdheid geuit over de noodzaak om de mensenrechten te respecteren, de vrije toegang voor de hulp te verzekeren, de grenzen te openen voor de vluchtelingen en, ten slotte, een onderhandelde oplossing te vinden voor het conflict. De uitleg van de Russen heeft ons alleen overtuigd van het feit dat een grondig debat moet worden gehouden op het niveau van de EU. We zullen onze conclusies mededelen aan de andere regeringen van de EU, zodat een gemeenschappelijk standpunt kan worden ingenomen vóór de OVSE-top in Istanboel. Dit conflict behoort immers tot de bevoegdheid van de OVSE. Wij zijn er zeker van dat de EU dezelfde bezorgdheid zal uitdrukken als wij.

De heer Georges Dallemagne (PSC). – Uw informatie verschilt van die in de pers. Ik ben in Tsjetsjenië geweest en weet dat de bevolking er al zwaar onder het conflict van 1994-96 geleden heeft. Als de media verslag zouden kunnen uitbrengen van daar nu gebeurt, zou de wereld geschokt zijn.

Blijkbaar kunnen de grote mogendheden hun interne conflicten en die aan hun grenzen naar eigen believen regelen, ook met geweld. Het wordt tijd dat de EU en de internationale gemeenschap een vastberaden standpunt innemen, zo niet dreigt men in Rusland een regering te zien aantreden die nog autoritairder en nationalistischer is.

Mondelinge vraag van mevrouw Ingrid van Kessel aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hernieuwing van identiteitskaarten voor personen met de leeftijd van meer dan 80 jaar» (nr. 2-25)

De voorzitter. – De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). – Midden van de jaren tachtig werd gestart met de systematische oproeping van de Belgische burgers voor het bekomen van een identiteitskaart. De geldigheidsduur van de identiteitskaart werd op 10 jaar vastgelegd.

De uitreikingsvoorwaarden van deze kaart worden geregeld door het koninklijk besluit van 29 juli 1985 betreffende de identiteitskaarten. Voor personen die zich moeilijk kunnen verplaatsen, zoals bejaarden, geeft deel III van de Algemene Onderrichtingen van 7 oktober 1992 betreffende het houden van de bevolkingsregisters en het vreemdelingenregister een aangepaste procedure. Zo kan een aangestelde van de gemeentebesturen aan huis gaan om de nodige formaliteiten te vervullen . Ik denk aan de ondertekening van het basisdocument, het afleveren van de identiteitskaart enzovoort. Toch blijft de situatie moeilijk.

Momenteel worden de personen ouder dan 80 jaar uitgenodigd om hun identiteitskaart te hernieuwen. Ondanks het bestaan van een bijzondere procedure en de dienstverlening van de gemeentebesturen zijn er nog heel wat praktische problemen voor de minder mobiele 80-jarigen.

Het is meestal niet eenvoudig om, zoals de wet voorschrijft, van deze personen een recente foto te bekomen die voldoet aan de nodige kwaliteitsvereisten. Bovendien betekent de vernieuwingsprocedure voor de hoogbejaarde die wordt opgeroepen een bijkomende financiële uitgave.

In dit “Jaar van de senioren” moet het toch mogelijk zijn om de wettelijke procedures klantvriendelijker te maken voor de hoogbejaarden. Ik denk bijvoorbeeld aan een sticker die vanaf een vergevorderde leeftijd op de identiteitskaart wordt geplakt. Wat vindt de minister van deze suggestie ? Denkt hij eventueel aan andere creatieve oplossingen om aan dit probleem tegemoet te komen?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Ik geef u het antwoord van de minster van Binnenlandse Zaken.

Om veiligheidsredenen kan er geen sprake van zijn personen die een bepaalde leeftijd bereikt hebben, vrij te stellen van de plicht om een nieuwe identiteitskaart te hebben na het verstrijken van de geldigheidsperiode van 10 jaar. Deze periode kan evenmin worden verlengd. Na 10 jaar kan de fysionomie van de houder immers sterk veranderd zijn.

Personen die zich moeilijk kunnen verplaatsen kunnen iemand de opdracht geven om de nodige formaliteiten voor de vernieuwing van hun identiteitskaart te vervullen. De gemeentebeambte overhandigt de nieuwe kaart dan thuis aan de houder. De kostprijs voor de vernieuwing is al beperkt tot de prijs van een pasfoto en een recht van ongeveer 250 frank. Dit recht kan niet eenvormig worden gemaakt, want de gemeenten zijn daarvoor bevoegd. De toezichthoudende overheid kan evenwel de beslissing annuleren van een gemeenteraad die een te hoog bedrag zou hebben bepaald.

Ik neem aan dat de minister van Binnenlandse Zaken rekening zal houden met creatieve oplossingen die hem eventueel worden voorgesteld.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). – Toen de schepen van Burgerlijke Stand van mijn eigen stad Lier dit probleem aan de orde stelde, kwam er zoveel reactie van de betrokken, hun familieleden en ook andere gemeentebesturen dat ik het nodig achtte de minister hierover een vraag te stellen.

De minister spreekt over veiligheidsoverwegingen. Dat element mag zeker niet uit het oog worden verloren, maar bij de hoogbejaarde personen overwegen toch de praktische problemen.

Ik blijf erbij dat mijn suggestie om een sticker te plakken op de identiteitskaart ter automatische verlenging, het overwegen waard blijft.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de noodplannen voor de nucleaire installaties» (nr. 2-29)

De voorzitter. – De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

De heer Patrik Vankrunkelsven (1)(VU-ID). – Het incident in de uraniumfabriek in Japan heeft bij velen heel wat vragen opgeroepen. Door een menselijke fout werd een te grote hoeveelheid uranium 235 toegevoegd, wat een kettingreactie veroorzaakte, men zou kunnen zeggen het begin van een atoomexplosie.

Er zijn trouwens al vaker kettingreacties geweest met uranium 235. Het gevaar is dus bekend. Het stemt dan ook tot nadenken dat zo'n ongeluk nog steeds kan gebeuren.

Dit om aan te tonen dat nucleaire installaties niet zo veilig zijn als ons altijd wordt voorgehouden. In mijn streek, de Kempen, zijn er nogal wat nucleaire installaties.

Bij incidenten worden de zwakke punten van de noodplannen duidelijk. Er moet dan een keuze worden gemaakt tussen menselijke schade en grootschalige maatregelen met grote economische gevolgen.

Onlangs werd er op een studiedag in Mol in dit verband een aantal vragen gesteld. Hoe kan bij een ongeval de situatie realistisch worden beoordeeld terwijl de gegevens waarover men beschikt onvolledig en onzeker zijn? Hoe kan het oordeel van de sociaal en economisch betrokkenen en de tijd die nodig is om een consensus te bereiken, worden verzoend met de noodzaak om de meest aangepaste maatregelen te nemen?

Ik wil de minister de volgende concrete vragen stellen.

De deskundigen vragen meer meetapparatuur om zich te kunnen baseren op correcte gegevens en meer oefening om de nodige vaardigheden te kunnen verwerven. Welke maatregelen zullen hieromtrent worden genomen?

Kernongevallen krijgen vaak een internationale dimensie. De risicogrens bij een kernongeval is nochtans voor elk land verschillend en elk land hanteert een ander stralingsniveau bij interventies. Werden of worden op dit punt grensoverschrijdende initiatieven genomen?

Bij noodplannen gaat het dus steeds om een delicaat afwegen tussen de risico's van een te vroege interventie en de gevaren van een te lang afwachten. Deskundigen vinden het noodzakelijk een cel op te richten die zich alleen bezighoudt met noodplannen. Op welke manier zal de minister hieraan tegemoetkomen?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Ik kan namens collega Duquesne bevestigen dat installaties voor de herbehandeling van splijtstoffen zoals die van Tokaimura in ons land niet bestaan.

Overeenkomstig het noodplan voor nucleaire risico’s voor het Belgische grondgebied is het de meetcel die belast is met de vergaring van de nodige informatie. Die werkt onder leiding van de dienst voor bescherming tegen ioniserende stralingen, in samenwerking met het Pasteurinstituut, het SCK te Mol en het IRE te Fleurus. In bijlage 5 bij het vermeld noodplan is een inventaris opgenomen van de apparatuur voor de besmettingscontrole.

Inzake de vraag naar bijkomende meetapparatuur vestig ik er de aandacht op dat de meetgegevens een beeld geven van de voorbije evolutie, maar de toekomstige straling niet kunnen voorspellen. Daarvoor zijn deskundigen nodig die de gegevens beoordelen, de toekomst inschatten en maatregelen voorstellen op basis van scenario’s. Dat vergt een training die onder meer wordt geëvalueerd via oefeningen op de nucleaire sites. Die worden georganiseerd door de Civiele Bescherming in samenwerking met de exploitanten. Binnenkort wordt een dergelijke oefening georganiseerd te Mol. Daar wordt juist het aspect “meetcel” bekeken. Het afwegen van de voorgestelde interventie en de beschermingsmaatregelen enerzijds en de economische gevolgen ervan anderzijds worden ingeoefend.

België heeft met het IAEA conventies ondertekend inzake de notificatie van nucleaire incidenten en hulpverlening bij ongevallen. Ook in de EG bestaat een regeling inzake snelle uitwisseling van gegevens in geval van stralingsgevaar. Voor beide instanties is het crisis- en coördinatiecentrum van de regering het permanent Belgisch contactpunt. Ook internationale oefeningen worden georganiseerd. De grenzen voor interventiemaatregelen kunnen van land tot land verschillen, afhankelijk van de installaties. De dosisniveaus voor de bepaling van de verschillende interventie- en beschermingsmaatregelen zijn echter gebaseerd op internationale aanbevelingen die overal gelijk zijn.

Binnen mijn administratie is het de algemene directie van de Civiele Bescherming, dienst operaties, die zich bezighoudt met de noodplanning. Om een optimale coördinatie van de operaties mogelijk te maken en een maximale bescherming van de bevolking te garanderen, worden geregeld controles en evaluaties uitgevoerd.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). – Ik heb geen duidelijk antwoord gekregen voor het probleem van de meetapparatuur en de hoeveelheid meetpunten. Die schijnen niet te voldoen aan de internationale overeenkomsten. Ik wil er bij staatssecretaris Deleuze op aandringen daarvoor de nodige aandacht te hebben.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de Task force die belast is met de uitvoering van het beleid inzake de regularisatie en de verwijdering van vreemdelingen» (nr. 2-34)

De voorzitter. – De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Marie Nagy (Ecolo). – Op 29 oktober besliste de minister een Task force op te richten, belast met de uitvoering van het beleid inzake regularisatie en verwijdering van vreemdelingen. Ik zou daarover enige verduidelijking willen.

Hoe is deze Task Force samengesteld? Welke hoedanigheid hebben de leden ervan? Welke wegen worden nu bewandeld om ze voltallig te maken?

Hoe zal een communautair evenwichtige samenstelling van dit comité verzekerd worden?

Welke concrete taken zullen aan dit comité worden toevertrouwd?

Hoe zal het comité bepalen of een illegale vreemdeling manifest niet regulariseerbaar is volgens het door de regering ingediende wetsontwerp over de regularisaties en bijgevolg het voorwerp kan uitmaken van maatregelen tot verwijdering zonder daarbij een beroep te kunnen doen op het moratorium bedoeld in artikel 14 van het wetsontwerp?

Welke taken zullen niet aan dit comité worden toevertrouwd?

Welke rol is volgens de minister voortaan weggelegd voor de interkabinetten-werkmethode zoals die totnogtoe werd toegepast?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Ik deel u het antwoord mee van de minister van Binnenlandse zaken.

De samenstelling van de Task force moet de communautaire en politieke breuklijnen overstijgen, ook al moet in bepaalde opzichten een evenwicht worden gevonden. De leden werden dus gekozen uit vertegenwoordigers van onder meer de dienst Vreemdelingenzaken, het CGVS, de VCBV, de Raad van State, het Ministerie van Buitenlandse zaken, de rijkswacht, de sociale integratie en de toekomstige regularisatiecommissie. De Task force heeft tot doel bij te dragen tot de uitvoering van het immigratie- en asielbeleid van de regering. De realisatie van dit beleid vergt inderdaad enorm veel werk dat het kabinet van de minister van Binnenlandse zaken niet alleen kan verrichten. Het is de bedoeling de verschillende instanties samen te brengen om tot een gecoördineerde actie te komen. De Task force zal zolang bestaan als nodig is voor de uitvoering van het beleid. Dit sluit evenwel niet uit dat er interkabinetten-werkgroepen worden opgericht of dat men luistert naar de betrokken organisaties.

Ik voeg eraan toe dat alleen de administratie bevoegd zal zijn om te oordelen wie manifest niet regulariseerbaar is. Dit is helemaal niet de bevoegdheid van de Task Force.

Mevrouw Marie Nagy (Ecolo). – Ik dank de minister. Dit is één van de meest delicate punten van het regeringsbeleid en het breekt met het beleid van de vorige regeringen. Het zou dus verkeerd zijn het toe te vertrouwen aan de personen en instellingen die hun stempel hebben gedrukt op het vroegere beleid.

De Task force van vertegenwoordigers van organisaties dient uiteraard te worden samengesteld. We moeten er echter voor opletten dat ze niet te lijden heeft van al te uitgesproken scheeftrekkingen, meer bepaald op taalgebied. Het verheugt me dat een aantal zaken tot de bevoegdheid van de administratie en van de minister blijven behoren. Nochtans had men ook de coördinatie tussen de instellingen aan het kabinet van de minister kunnen toevertrouwen. Ik ben immers bang voor een slechte taakverdeling.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Het beleid inzake regularisatie, verwijdering en asiel is het werk van de regering. De minister en zijn administratie zijn belast met de uitvoering ervan. De breuk met het verleden ligt in de hoedanigheid van de minister. De Task force volgt het beleid, maar vervangt geenszins de minister, zijn kabinet of zijn administratie in de uitvoering van het door de regering uitgestippelde beleid.

Mondelinge vraag van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Binnenlandse Zaken over «eventuele prostitutienetwerken op de luchthaven van Zaventem» (nr. 2-28)

De voorzitter. – De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). – Ook de minister heeft wellicht kennis gekregen van een bijzonder incident dat zich op de luchthaven van Zaventem heeft voorgedaan en dat gevolgen heeft gehad in de gemeente Sint-Joost-ten-Node. Het betreft het ronselen van vrouwen aan wie de toegang tot het grondgebied werd geweigerd en die zich 's nachts alleen op de luchthaven bevinden. Het is onvermijdelijk dat zij dan, als bij toeval, in contact komen met min of meer notoire pooiers.

Werd de minister op de hoogte gebracht van de lotgevallen van een in Canada verblijvende Jamaicaanse vrouw aan wie niet de toegang tot het grondgebied werd geweigerd, maar die niet aan boord mocht van een vliegtuig met bestemming Canada, ofschoon zij daarvoor blijkbaar in orde was?

Had men de bedoeling om haar meteen in contact te brengen met de personen aan de andere kant? Beschikt de minister over de nodige opsporingsmiddelen om de hoedanigheid te controleren van personen die zich in de aankomsthal te Zaventem bevinden?

Inmiddels zou gebleken zijn dat het ging om mensen die caddies verzamelen en verplaatsen. Zijn er onder hen vaak mensen die mogelijk of zeker pooier zijn? Werken ze als tipgevers om beter de koopwaar te kunnen vinden die hen door de rijkswachters van dienst wordt toegeschoven?

Zal de minister hierover een bijzonder onderzoek openen? Zo ja, aan wie zal hij dat dan toevertrouwen? Werd hierover al contact opgenomen met de algemene inspectie van de rijkswacht?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Eerst en vooral zeg ik Mevrouw Lizin dat ik als minister van Financiën niets gehoord heb over een belasting van deze activiteiten op de luchthaven van Zaventem.

Ik lees u het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken voor. Ik geloof dat het duidelijk is?

U maakt allusie op een crimineel feit waarover in de pers commentaar is geleverd. De betrokken diensten hebben mij ingelicht over de elementen die betrekking hebben op dit incident en waarvoor ik bevoegd ben, namelijk de omstandigheden waarin de reispas werd gecontroleerd, de door het parket bevolen inbeslagneming van het document en de beslissing van de dienst Vreemdelingenzaken om het bevel te geven om het grondgebied binnen vijf dagen te verlaten.

Ik herinner u eraan dat de elementen van de gerechtelijke opsporing deel uitmaken van het gerechtelijk onderzoek en bijgevolg onder het beroepsgeheim vallen.

U moet weten dat in de vertrek- en aankomsthal van de luchthaven ieder jaar zowat twintig miljoen reizigers passeren. Daarbij komen ook nog de personen die hen vergezellen. Daar zijn wellicht ook souteneurs en andere criminelen bij.

Voor zover de geraadpleegde politiediensten weten, bestaan er geen prostitutienetwerken op die plaatsen.

Aangezien er daarvoor geen aanwijzingen bestaan, lijkt het mij misplaatst te laten doorschemeren dat leden van de rijkswacht betrokken zouden zijn bij een prostitutienetwerk.

Ik zal de inhoud van uw interventie meedelen aan de rijkswachtcommandant. Als u over bijkomende informatie beschikt, verzoek ik u die mij mede te delen. Totnogtoe is er geen contact geweest met de algemene inspectie van de rijkswacht.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). – Ik ben me vanzelfsprekend bewust van de moeilijkheid voor de minister van Financiën om op dergelijke vraag te antwoorden.

Het is duidelijk dat het gedrag van de politie binnen de luchthaven van Zaventem tot de bevoegdheid van de minister van Binnenlandse Zaken behoort. In dit geval werd er echter klaarblijkelijk een niet genummerd document van de dienst Vreemdelingenzaken afgegeven door rijkswachters die daartoe niet gerechtigd zijn en dit, wat nog moet worden bewezen, aan een persoon die dat niet mocht ontvangen.

Men heeft die persoon gezegd dat ze buiten de luchthaven mensen zou aantreffen die haar zouden helpen. Ze werd om vier uur ’s morgens vrijgelaten op een plaats die onder het toezicht van de politie en dus van de minister van Binnenlandse Zaken staat. Daar heeft ze de personen ontmoet die haar hebben verkracht en haar onmiddellijk hebben voorgesteld in de prostitutie te gaan. Het gaat om de mensen die caddies terugbrengen en die min of meer officieel aan de luchthaven van Zaventem zijn verbonden. Men kan in elk geval stellen dat een rijkswachter in dienst op de luchthaven om vier uur in de morgen de achtergrond zou moeten kennen van de enkele nog aanwezige personen die nog caddies verzamelen. Op dat uur circuleren er geen duizenden reizigers in de luchthaven, maar blijven er slechts enkele personen, die goed door de diensten zijn gekend, achter in het café.

We moeten toch een evaluatie maken van de beslissing om een jong meisje, na vijf uur grote spanning, in dergelijke omstandigheden los te laten en haar te verzekeren dat ze betrouwbare personen zal ontmoeten, terwijl dat in feite pooiers zijn.

Het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken is onaanvaardbaar. Nu de Algemene Inspectie voortaan door de senatoren kan worden ondervraagd, zal in dit geval een senatrice dat doen.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. – Het is natuurlijk niet mijn taak de kwaliteit te beoordelen van het antwoord dat ik namens de minister van Binnenlandse Zaken heb voorgelezen.

Ik wil eenvoudig zeggen dat er, enerzijds, een gerechtelijk onderzoek loopt en men dat zijn gang moet laten gaan. Anderzijds werd dit dossier aan de rijkswachtcommandant voorgelegd. De minister of ook u, mevrouw Lizin, kunt het dossier ook aan de Algemene Inspectie voorleggen.

Ik wijs er echter op dat in dergelijke gevallen alle informatie waarover u of andere personen beschikt, moet worden overhandigd aan de diensten die met het onderzoek zijn belast. Dat is de beste manier om in een dergelijk dossier vooruitgang te boeken.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het te koop aanbieden van eicellen via Internet» (nr. 2-26)

De heer Jacques Devolder (VLD). – Marilyn Monroe stelde ooit aan Albert Einstein voor om samen een kind te verwekken. De filmdiva verheugde zich reeds in een nakomeling met de schoonheid van haarzelf en de intelligentie van Einstein. Deze bedankte echter voor de eer, want zo antwoordde hij aan Marilyn Monroe : “Stel dat het kind mijn schoonheid heeft en uw intelligentie!” We zouden kunnen lachen om deze naar verluidt authentieke anekdote, ware het niet dat ze ons doet denken aan de vruchtbaarheidsproblemen waarmee sommige paren worden geconfronteerd.

Op het ogenblik worden eicellen via internet te koop aangeboden aan paren met fertiliteitproblemen bij de vrouw. Niet alleen wordt zo een probleem dat met de grootste ethische omzichtigheid moet worden benaderd, brutaalweg benut voor “platte commercie”. Bedenkelijker is dat bovendien het anonimaat, een essentiële factor bij het schenken van eicellen, niet meer wordt gerespecteerd. Op internet krijgen we immers letterlijk een beeld van de vrouw die bereid is eicellen af te staan, waarbij uitdrukkelijk wordt gesuggereerd, de foto bij de hand, dat de kwaliteit van het genetische materiaal in verhouding staat tot de uiterlijke schoonheid. Dit is een duidelijke vorm van misleidende reclame.

Acht de minister het niet noodzakelijk om in overleg te treden met de fertiliteitscentra teneinde dergelijke mensonwaardige handel onmogelijk te maken. Is het tevens niet nodig een tactvolle sensibiliseringscampagne op te zetten in verband met de medische procedures bij eiceldonatie?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Ik deel de bezorgdheid van de heer De Volder. Het menselijk lichaam is inderdaad geen koopwaar.

Bij eiceldonatie kan enkel sprake zijn van een kostenvergoeding en niet van een eigenlijke betaling.

In België gebeurt eiceldonatie, net zoals spermadonatie, anoniem. Dit voorkomt aanspraken in verband met onderhoudsplicht of erfenisrechten. De anonimiteit geldt ook in de ons omringende landen, behalve in Zweden, waar als gevolg van het opheffen van de anonimiteit het aantal eiceldonaties is teruggelopen.

Een andere vraag is of de ontvanger van een eicel moet kunnen kiezen. In België bestaat er een keuzemogelijkheid wat de huidskleur betreft. Deze vragen horen thuis in het ethisch domein. Het Raadgevend Comité voor Bio-ethiek heeft een negatief antwoord gegeven op de vraag of er een centrum mag worden opgericht waar keuze op het vlak van eigenschappen van erfelijk materiaal mogelijk zou worden gemaakt.

De handel in eicellen via Internet stelt inderdaad een probleem. Mensen die op deze wijze eicellen aankopen, overtreden de Belgische wet en stellen zich bloot aan mogelijke vervolging.

Ik ben in ieder geval van plan om in de komende weken contact op te nemen met de fertiliteitscentra in verband met deze problematiek.

De heer Jacques Devolder (VLD). – Ik dank de minister voor haar antwoord en maak van de gelegenheid tevens gebruik om het tweede deel van mijn vraag te preciseren.

Blijkbaar heerst in ons land een nijpend tekort aan donoren voor eiceldonatie. De betrokkenen moeten een beroep doen op kennissen, aangezien ze niet kunnen wachten op een ruil tussen de fertiliteitscentra, de procedure die normaal wordt gevolgd teneinde de anonimiteit te waarborgen. Is de minister bereid om dit tekort te verhelpen met een tactvolle sensibiliseringscampagne, zodat echtparen met fertiliteitsproblemen minder geneigd zullen zijn om in te gaan op de onmenselijke verleiding die van internet kan uitgaan?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Ik zal dit tekort aan donoren zeker ook ter sprake brengen bij het overleg met de fertiliteitscentra, waar trouwens het geheel van de problematiek zal worden behandeld.

Voorstel tot wijziging van de artikelen 23 en 30 van het reglement van de Senaat (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-110)

Algemene bespreking

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC), rapporteur. – Overeenkomstig artikel 30 van het reglement is de voorzitter van de Senaat van ambtswege lid van de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden. Volgens artikel 23 zit de Senaatsvoorzitter van rechtswege de vaste commissies voor waarvan hij lid is.

Deze regel mag dan gedurende meer dan een eeuw voldoening hebben geschonken, we bevinden ons vandaag in een andere context. De bevoegdheid van de Senaat is niet alleen niet beperkt tot de institutionele aangelegenheden, het is bovendien volkomen abnormaal dat de voorzitter minder keuzemogelijkheden zou hebben dan de andere senatoren. Dankzij deze wijziging zal de voorzitter voortaan naargelang zijn deskundigheid kunnen kiezen welke commissie hij wil voorzitten.

Anderzijds wordt bij de verdeling van de voorzitterschappen in de praktijk de proportionaliteitsregel toegepast. Wij moesten dus met de gewijzigde situatie rekening houden.

Twee problemen werden opgeworpen. In de loop van een zittingperiode kan de voorzitter het voorzitterschap van de ene commissie uiteraard inruilen voor dat van een andere, op voorwaarde echter dat daarover een consensus bestaat tussen de fracties of commissievoorzitters. Tot slot werd besloten dat de voorzitter, net als de andere senatoren, zitting kan hebben in meer dan één vaste commissie, maar dat hij slechts één vaste commissie kan voorzitten.

Na lange technische en juridische debatten werd de tekst door de 14 aanwezige leden eenparig aangenomen.

– De algemene bespreking is gesloten.

– De artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

– Over voorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Voorstel tot invoeging in het reglement van de Senaat van een artikel 86bis, ter uitvoering van artikel 66bis van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-111)

Algemene bespreking

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. – De Senaat moet zich beraden over de oprichting van de commissie tot toezicht op de inlichtingendiensten ter uitvoering van de wet van 18 juli 1991.

Ten einde het vertrouwelijk karakter van de besprekingen niet in het gedrang te brengen wordt het aantal leden tot vier beperkt. Het voorzitterschap komt toe aan de voorzitter van de Senaat. De leden worden aangesteld bij geheime stemming in de openbare vergadering. De beraadslagingen vinden met gesloten deuren plaats. De eventuele gesanctioneerde loslippige commissieleden worden via dezelfde procedure vervangen.

De partij die ingevolge de bijzondere regel voor de benoeming van de leden zich geleseerd zou voelen, kan op een andere manier compensaties krijgen.

Tijdens de bespreking werd ook aangedrongen op de vervanging van een eventueel gesanctioneerd lid door een lid van dezelfde fractie. Het amendement van de heer Verreycken werd aangenomen met 12 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding. Het geheel werd aangenomen met 14 stemmen tegen 1.

De heer Wim Verreycken (Vl. Blok). – Ik heb de heer Moens letterlijk horen verklaren dat mijn amendement met 12 stemmen tegen 1 bij 1 onthouding werd aanvaard.

De heer Guy Moens (SP). – Ik protesteer, het was net omgekeerd.

De heer Wim Verreycken (Vl. Blok). – Dit voorstel van reglementswijziging is het resultaat van een lange procedure. Krachtens artikel 56 van ons reglement moet elk voorstel ondertekend zijn. Ik beschik over een stuk van het Bureau dat niet ondertekend is. Wij weten dus niet of het voorstel van de hand is van mevrouw Leduc. Hetzelfde artikel bepaalt dat de behandeling pas na de inoverwegingneming wordt aangevat. Dit is hier niet het geval. Het artikel 22 noch het artikel 27 van het reglement zijn hier van toepassing. Het reglement is er dus enkel voor wie het wil naleven.

Bij de vorige wijziging van het reglement heeft de Senaat ervoor gezorgd dat de voorzitter niet noodzakelijk ook nog voorzitter van de commissie tot hervorming van de instellingen moet zijn. In het onderhavig voorstel verplichten we hem dan wel ook de commissie op het toezicht op de inlichtingendiensten voor te zitten.

Het beperken van het aantal leden teneinde geheimhouding te verzekeren is lachwekkend. Eén enkel lid kan immers de geheimhouding doorbreken. In de Kamer was er eerst een voorstel het aantal leden van de commissie voor het toezicht op de politiediensten op 9 te brengen. Toch werd beslist het op 7 te houden. De Senaat verminderde het aantal leden van 7 tot 4 om te voorkomen dat het Vlaams Blok ook een plaats zou hebben. Waarom zegt men niet meteen dat het de bedoeling was het Vlaams Blok te weren?

Talrijke vooraanstaande parlementsleden hebben in het verleden overigens gewezen op de essentiële regel van de evenredige vertegenwoordiging.

In alle parlementaire assemblees berust de vertegenwoordiging op evenredigheid. In de commissie-P in de Kamer is er wel een lid van mijn partij. Bij de vervanging van een gesanctioneerd loslippig lid moeten de politieke evenwichten gerespecteerd worden, maar niet bij de installatie.

Mocht de Senaat dit voorstel tot reglementswijzigingen aanvaarden dan ondermijnt ze een van de pijlers van onze democratie. De staatsveiligheid heeft bij de voorbereiding van deze teksten een grote rol gespeeld. Ik kan begrijpen dat deze dienst geen controle van het Vlaams Blok verdraagt. Ik begrijp echter niet dat uitgerekend 10 jaar na de val van de Berlijnse muur een soort "Belgische Stasi" aan de Senaat bevelen geeft. Wie controleert wie?

De chronologie bewijst dat het voorstel buiten de Senaat werd opgesteld. Zoniet zou artikel 56 van het reglement zijn gerespecteerd.

Deze reglementswijziging lijkt onbenullig, maar is niettemin fundamenteel. Ik geef toe dat we andere ideeën hebben over België en over de versuikering van onze maatschappij via het opvoeren van prinsen en jonkvrouwen. Maar het recht op vrije meningsuiting is een grondwettelijk recht dat ik zal blijven uitoefenen zolang de kiezers mij mandateren.

Ik vraag de Senaat zich niet te onderwerpen aan het bevel van externe krachten en dit voorstel alleen te aanvaarden nadat het amendement dat de evenredigheidsregel terug invoert, werd aangenomen. (Applaus bij het Vlaams Blok)

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. – De heer Verreycken wil mij doen zeggen dat we het Vlaams Blok uit de commissie willen weren. De Staatsveiligheid zou onze tekst hebben gedicteerd. Maar dan heeft de Staatsveiligheid in de Kamer een totaal andere tekst gedicteerd. Het Vlaams Blok ging er zelfs mee akkoord.

De heer Wim Verreycken (Vl. Blok). – Er is een verschil tussen het Comité I en het Comité P.

De heer Guy Moens (SP), rapporteur. – Ik kan bewijzen dat de tekst niet van de Staatsveiligheid komt, maar volledig in de Senaat tot stand kwam. Het voorontwerp bestaat sinds 4 oktober. Het ging om een discussietekst die niet ondertekend was. De toelichting kwam er op 12 oktober. Het Bureau ondertekende de tekst op 14 oktober.

Op 18 oktober hebben wij de tekst ,volgens de normale procedure, in plenaire vergadering in overweging genomen. Op 28 oktober is hij in het Bureau goedgekeurd en ook daarbij hebben wij de voorgeschreven termijnen in acht genomen. Vandaag moet de plenaire vergadering zich hierover uitspreken. Ik zie niet in dat er hier iets technisch niet in orde zou zijn. Ik kan de heer Verreycken uitdrukkelijk verzekeren dat er hier geen sprake is van invloeden van buiten. Indien hij ervan overtuigd is dat dit anders is, moet hij proberen hiervoor een meerderheid te vinden.

De heer Wim Verreycken (Vl. Blok). – Ik stel vast dat de rapporteur toegeeft dat de inoverwegingneming is gebeurd op 18 oktober.

Het document zou op 14 oktober zijn besproken. De Senaat heeft het document dus pas in overweging genomen nadat het Bureau aan het aangenomen voorontwerp al een debat ten gronde had gewijd en nadat het was ondertekend. Vier dagen later “mocht” de Senaat het voorstel in overweging nemen. Ik dank voor de “goedjonstigheid” waarmee de Senaat wordt toegestaan iets in overweging te nemen waarover al lang een beslissing is gevallen. De data tonen aan dat er eerst is besproken en pas daarna in overweging is genomen. Ik dank de rapporteur voor de bevestiging daarvan.

De heer Guy Moens (SP). – Op dezelfde datum is er een andere wijziging van het reglement op dezelfde wijze behandeld, maar daar hoor ik de heer Verreycken niets over zeggen. Die wijziging is nadien, na de discussie, na de inoverwegingneming, wel aangenomen. Deze tekst had dus evengoed kunnen worden gewijzigd, bijvoorbeeld indien wij het amendement van de heer Vereycken hadden aangenomen. Wij hebben dat echter niet gedaan.

De heer Wim Verreycken (Vl. Blok). – U krijgt vandaag de gelegenheid!

– De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door het bureau, zie stuk 2-111/4.)

De voorzitter. – Het enig artikel luidt:

In titel V van het reglement van de Senaat wordt in een nieuw hoofdstuk IIIbis met als opschrift «Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité I», een artikel 86bis ingevoegd luidende:

«Artikel 86bis. ­ 1. Na iedere vernieuwing van de Senaat benoemt de vergadering voor de gehele zittingsperiode uit haar midden een vaste commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten, Vast Comité I genaamd.

De commissie is samengesteld uit vier leden die door de Senaat worden benoemd bij stemming op een lijst, en de voorzitter van de Senaat, die het voorzitterschap waarneemt. Artikel 84-1 is niet van toepassing op deze benoemingen.

Valt een mandaat open, dan wijst de Senaat een nieuw lid aan volgens dezelfde procedure.

2. De commissie vervult de taken waarmee ze belast is krachtens de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten.

3. Het lid dat verhinderd is om aan een vergadering van de commissie deel te nemen, kan zich niet laten vervangen.

De commissie vergadert met gesloten deuren. Behoudens andersluidende beslissing van de commissie mogen de leden van de Senaat die geen deel uitmaken van de commissie, de vergaderingen niet bijwonen.

De commissie bepaalt in een reglement van orde hoe de notulen van haar vergaderingen opgemaakt worden en op welke wijze haar werkzaamheden georganiseerd worden.

4. De commissie stelt samen met de Kamercommissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de politiediensten, Vast Comité P genaamd, een reglement van orde van hun gemeenschappelijke vergaderingen op; dit wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de beide assemblees

5. Elk lid dat de verplichting tot vertrouwelijkheid of de geheimhouding zoals beschreven in artikel 66bis , § 5, eerste lid, van de in punt 2 bedoelde wet schendt, kan gestraft worden overeenkomstig de procedure bepaald in artikel 77.»

Op dit artikel heeft de heer Verreycken amendement nr. 2 ingediend (zie stuk 2-111/5) dat luidt:

In punt 1 van het voorgestelde artikel 86bis het tweede lid vervangen door het volgende lid:

«De commissie is samengesteld uit zeven leden door de Senaat benoemd met evenredige vertegenwoordiging van de fracties.»

– De stemming over het amendement wordt aangehouden.

– De aangehouden stemmingen en de stemming over het voorstel in zijn geheel hebben later plaats.

Voordracht van kandidaten voor het ambt van Staatsraad bij de Raad van State

De voorzitter. – De drievoudige lijst van de kandidaten voorgedragen door de Raad van State in het vooruitzicht van de benoeming tot een ambt van Staatsraad (F) dat vacant is geworden, werd meegedeeld tijdens de plenaire vergadering van 28 oktober 1999.

Het betreft:

– de heer Pierre Vandernoot, referendaris bij het Arbitragehof;

– mevrouw Jocelyne Bodson, advocaat-generaal bij het Parket-generaal van het Hof van beroep te Luik;

– de heer Jacques Jaumotte, auditeur bij de Raad van State.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft op 3 november 1999 de vijf personen gehoord, die zich bij de Raad van State kandidaat hebben gesteld. Het gaat om de drie kandidaten voorgedragen door de Raad van State en om:

– de heer Claude Courtroy, referendaris bij het Arbitragehof;

– de heer Guibert de Viron, ere-advocaat, secretaris van de “Conseil supérieur de l’audiovisuel de la Communauté française“.

Het Bureau stelt voor de door de Raad van State voorgedragen lijst te bevestigen. (Instemming)

Voordracht van kandidaten voor het ambt van assessor bij de Raad van State

De voorzitter. – In het Belgisch Staatsblad van 28 mei 1999 werd een vacature bekendgemaakt voor een plaats van assessor bij de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Op 13 juli 1999 ontving de Senaat de voordracht van de Raad van State voor dit vacante ambt.

Werden door de Raad van State voorgedragen:

– eerste kandidaat: de heer Eddy Wymeersch, hoogleraar aan de rechtsfaculteit van de Rijksuniversiteit Gent en assessor bij de Raad van State;

– tweede kandidaat: de heer Marc Rigaux, gewoon hoogleraar aan de rechtsfaculteit van de Universiteit Antwerpen en raadsheer sociale zaken in het Arbeidshof te Antwerpen;

– derde kandidaat: de heer Dirk Voorhoof, hoogleraar aan de rechtsfaculteit van de Rijksuniversiteit Gent.

Er hebben zich geen andere kandidaten gemeld dan de drie door de Raad voorgedragen kandidaten.

Het Bureau stelt voor de door de Raad van State voorgedragen lijst te bevestigen. (Instemming)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Voorstel tot wijziging van de artikelen 23 en 30 van het reglement van de Senaat (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-110)

(Stemming nr. 1-1)

59 leden zijn aanwezig,

59 stemmen ja.

– Het voorstel tot wijziging van het reglement is aangenomen.

Voorstel tot invoeging in het reglement van de Senaat van een artikel 86bis, ter uitvoering van artikel 66bis van de wet van 18 juli 1991 tot regeling van het toezicht op de politie- en inlichtingendiensten (van mevrouw Jeannine Leduc c.s., Stuk 2-111)

De voorzitter. – Wij stemmen eerst over het amendement van de heer Verreycken.

(Stemming nr. 1-2)

61 leden zijn aanwezig,

5 stemmen ja,

56 stemmen neen.

– Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. – Wij stemmen nu over het voorstel in zijn geheel.

(Stemming nr. 1-3)

61 leden zijn aanwezig,

56 stemmen ja,

5 stemmen neen.

– Het voorstel tot wijziging van het reglement is aangenomen.

Moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heren Malcorps en Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, gesteld op 28 oktober 1999 in plenaire vergadering

De voorzitter. – We stemmen over de gewone motie die voorrang heeft.

(Stemming nr. 1-4)

61 leden zijn aanwezig,

43 stemmen ja,

18 stemmen neen.

– De gewone motie is aangenomen.

Benoeming van de leden van de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Vast Comité I)

De voorzitter. – Na de wijziging van het reglement, dienen wij volgende week over te gaan tot de benoeming bij geheime lijststemming van de vier leden van de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité I.

Ik verzoek de fractievoorzitters uiterlijk op woensdag 17 november 1999 om 16 uur aan de griffier de namen mede te delen van de kandidaten die zij voor deze commissie voorstellen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. – Ziehier de agenda die het bureau voorstelt voor volgende week.

Donderdag 18 november 1999

's ochtends te 10.30 uur

Vragen om uitleg:

– van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de Minister van Landsverdediging over "de Belgische militaire aanwezigheid in Kosovo en Bosnië" (nr. 2-14);

– van de heer Philippe Mahoux aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de verhoogde kinderbijslag voor kinderen die aan diabetes lijden" (nr. 2-23);

– van mevrouw Clotilde Nyssens aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "de toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling" (nr. 2-10).

's namiddags te 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Vanaf 16.30 uur : geheime lijststemming over de aanwijzing van 4 leden van de commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Vast Comité I).

Vragen om uitleg:

– van de heer Georges Dallemagne aan de Minister van Financiën over "de bilaterale en de multilaterale initiatieven van de Belgische regering in verband met de vermindering van de schulden van de ontwikkelingslanden" (nr. 2-19);

– van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "zijn verklaringen tijdens het debat over het opslaan van kernafval in België" (nr. 2-3);

– van de heer Vincent Van Quickenborne aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "de opslag van laagradioactief afval en het transport van hoogradioactief afval" (nr. 2-20);

– van de heer Michiel Maertens aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "de bevoegdheidsgeschillen inzake de nucleaire veiligheid en de mogelijke concurrentievervalsing op de elektriciteitsmarkt" (nr. 2-25);

– van de heer Georges Dallemagne aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de hervatting van de gedwongen uitwijzing van uitgeprocedeerde asielzoekers" (nr. 2-26);

– van mevrouw Clotilde Nyssens aan de Minister van Justitie over "de juridische bijstand" (nr. 2-21).

Vrijdag 19 november 1999 te 14.30 uur

Debat over de rechten van het kind, ter gelegenheid van de tiende verjaardag van het UNO-verdrag inzake de rechten van het kind.

– De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «het gebruik van alcoholtesters door rijkswacht en politie» (nr. 2-16)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Er is wat deining gekomen in de pers over het gebruik van alcoholtesters door rijkswacht en politie. Zo bestaat er een vzw “The safe riders club” die in conflict is gekomen met het BIVV naar aanleiding van een BOB-testcampagne die zou worden gelanceerd in cafés. Mensen zouden daarbij zelf kunnen testen of ze nog in staat zijn om te rijden. De kortsluiting tussen beide organisaties deed vragen rijzen over het gebruik en de aankoop van alcoholtoestellen.

Een aantal vragen heb ik schriftelijk gesteld. Ik wil twee vragen mondeling stellen.

Wat is de verantwoordelijkheid van de minister, die ook voorzitter is van het BIVV, inzake het sluiten van overeenkomsten? Heeft zij reeds contact gehad met het BIVV? Wat is de aankoopprocedure van de alcoholtoestellen?

Waarom wordt de betrokken organisatie, die instaat voor de organisatie van de testcampagnes in de cafés, in een overeenkomst verplicht de toestellen van een bepaalde firma te gebruiken, terwijl er andere en veel goedkopere bestaan? Daarvan getuigt een rapport van eminente Duitse experts dat aantoont dat de in België gebruikte toestellen van minderwaardige kwaliteit en veel te duur zijn. Is hiervoor een aanvraag gegund?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – De vragen gaan enkel over toestellen in horecazaken.

Ik ben op algemene wijze bevoegd en verantwoordelijk voor het BIVV. De statuten ervan bepalen dat ik van rechtswege voorzitter ben van deze instelling. De bevoegdheden en verantwoordelijkheden zijn dezelfde als die in andere vzw's. Ik heb geen redenen om te twijfelen aan de regelmatigheid van de gevolgde procedure met de “Safe riders club”.

Reeds enkele weken na mijn aantreden als minister heb ik gesprekken gehad met het BIVV. Bovendien zijn er geregeld contacten tussen het instituut en mijn kabinet.

De rol van het BIVV inzake de horecatoestellen die door de firma DRAEGER worden geproduceerd, beperkt zich tot twee zaken. Er is eerst de toekenning van de benaming “BOB-testers” aan deze toestellen. Ten tweede is er de bescherming van het BOB-concept, zowel ten aanzien van de producenten van de toestellen als ten aanzien van de verdeler ervan, in casu de betrokken club.

In die zin sloot het BIVV op 11 juni een contract met de betrokken club en de firma DRAEGER. Dat loopt tot 31 december 1999. Volgens het BIVV is de firma DRAEGER de enige fabrikant of invoerder in België die over dergelijk toestel beschikt. Het is het enige dat werd getest met gunstig resultaat. Indien andere toestellen op de markt met dezelfde kwaliteiten zouden komen, ontstaat een nieuwe situatie.

Het BIVV zal dan rekening moeten houden met de juiste toekenning van de benaming BOB-testers na 31 december. Ofwel moeten alle toestellen de benaming krijgen ofwel moet er onderhandeld worden over de toekenning van de benaming. Dat is een zakelijke transactie die binnen het BIVV moet worden afgehandeld. We willen evenwel de installatie en het gebruik van de publieke testers aanmoedigen omwille van de verkeersveiligheid. Dat is ook de bedoeling van het BIVV dat de succesvolle BOB-campagne heeft gecreëerd. Terecht wil het BIVV daarover controle blijven uitoefenen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Het BIVV, waarvan de minister voorzitter is, beweert dat er momenteel geen andere toestellen in omloop zijn. Ik heb daarover andere informatie. Een Duitse fabrikant produceert soortgelijke toestellen in Duitsland en plaatst ze ook in horecazaken. Die toestellen zijn drie keer goedkoper dan de toestellen die in België worden gebruikt. Vandaar ook mijn terechte bezorgdheid. Belastinggeld mag niet zomaar, zonder een effectieve controle, worden uitgegeven. Volgens het rapport, dat ik de minister heb overhandigd, zijn de toestellen van die andere fabrikant bovendien van een betere kwaliteit. Ik vraag de minister dan ook met aandrang informatie in te winnen over het bestaan van andere toestellen en de markt eventueel ook voor andere fabrikanten open te stellen. Ik heb immers een beetje de indruk dat DRAEGER een soort monopoliepositie bekleedt. Ik ben een absolute voorstander van preventiecampagnes, maar als ze in handen van privé-firma's komen, dan word ik een beetje bang, want ik vind dat de overheid hierover de absolute controle moet houden. De situatie mag niet afglijden naar onderlinge overeenkomsten tussen enerzijds het BIVV – waarvan de minister dan wel de voorzitter is – en anderzijds de firma DRAEGER. Ik zal dus waakzaam blijven en noteer in elk geval de datum van 1 januari 2000.

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. – Ik wil de heer Van Quickenborne vragen mij zijn informatie over de bestaande apparaten door te spelen. Ik zal hierover met het BIVV overleggen. Ik houd immers niet van monopolies. Alle inlichtingen zijn dus welkom.

– Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het gebruik van tributyltin als aangroeiwerend middel op scheepsrompen» (nr. 2-12)

De heer Johan Malcorps (Agalev). – De regering heeft zich voorgenomen om snel en efficiënt te regeren. Ik heb vastgesteld dat een deel van mijn vragen inderdaad reeds achterhaald zijn omdat de regering intussen reeds verschillende maatregelen heeft genomen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter)

Het probleem van het gebruik van tributyltin is in België al onderzocht begin van de jaren '90 door het Rijksstation voor zeevisserij en door de Beheerseenheid van het Mathematisch model van de Noordzee. Men heeft 10 jaar geleden vastgesteld dat er 14 tot 22 ton triorganotinverbindingen in de Belgische wateren terechtkomen, waarvan 10 tot 15 ton in de havens. Men heeft vastgesteld dat deze stoffen giftig zijn en dat ze bij purperslakken die werden uitgezet "imposex" of geslachtswisseling veroorzaken. Dit betekent dat deze stof ingrijpt op de vruchtbaarheid.

De regering heeft een aantal maatregelen genomen om tributyltin vervroegd te verbieden voor alle toepassingen. De vraag blijft wat er moet gebeuren met de bestaande grote hoeveelheid vervuild slib. Waar blijven we met de vervuilde baggerspecie? Men kan in zee of op het land storten. Welke oplossing stelt de minister voor?

De minister heeft gevraagd of men in de gewesten zou onderzoeken of in afwachting van een definitief verbod in 2003 gebruiksbeperkingen kunnen worden ingesteld.

Op Vlaams niveau heeft de minister geantwoord dat er een lozingsnorm voor tributyltin moet worden ingesteld. Hebben de andere gewesten ook al gereageerd?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. – Het is juist dat dankzij gesprekken met de gewesten en de sector al een aantal maatregelen zijn genomen.

De stand van zaken op wettelijk vlak is dat er een verbod op het gebruik van tributyltin is ingesteld. Dit verbod steunt op de Europese wetgeving die overigens strenger geworden is. De lidstaten moeten deze strengere richtlijn tegen 1 september 2000 toepassen.

Sinds het Comité ter bescherming van het maritiem milieu binnen de IMO heeft opgeroepen tot een totaalverbod op het gebruik van organische tinverbindingen in aangroeiwerende verven voor schepen met ingang van één januari 2003, is er hoop dat de IMO tegen dan een dergelijk totaalverbod kan instellen. België heeft in ieder geval beslist om een totaalverbod in te stellen, zo nodig zonder de andere lidstaten van de IMO.

Aan onze belangrijkste handelpartners is intussen gevraagd om hetzelfde te doen. De gesprekken op dat vlak verlopen constructief.

De bestaande toelatingen voor het op de markt brengen van TBT zullen opnieuw worden bekeken na het advies van de Hoge Gezondheidsraad. Bovendien zal de Europese richtlijn, die momenteel in Belgisch recht wordt omgezet, de negatieve lijst vervangen door een positieve, met andere woorden door een lijst van toegelaten stoffen.

Het stimuleren van alternatieven is niet nodig aangezien de industrie zelf al een alternatief op basis van koper ontwikkeld heeft. Dit alternatief is even efficiënt als de bestaande TBT-verven. Het huidige prijsverschil is gelegen in de nog lagere afzet. Men mag dus een prijsdaling verwachten.

Het probleem van de baggerspecie blijft bestaan. De resultaten van de TBT-analyses op de slibstalen van de specie van het baggerschip Galileï hebben aangetoond dat de norm werd overschreden. Deze lading mocht niet in zee worden gestort.

Het storten in zee als zodanig mag nog wel, mits de aangepaste vergunningsvoorwaarden zijn nageleefd. Op land storten is immers niet mogelijk. Wel worden momenteel de mogelijkheden van voorafgaande zuivering van het slib onderzocht door de Vlaamse minister van Leefmilieu, mevrouw Dua.

Sanering van onderwaterbodems is nodig om de historische vervuiling op te kuisen. De Vlaamse Regering zal een actieplan voor sanering opstellen en het Prins Albertdok saneren. Om verdere vervuiling te voorkomen is aan de Vlaamse overheid gevraagd om gebruiksbeperkingen voor TBT op te leggen en dit in afwachting van een totaalverbod op het in handel brengen van TBT-houdende verven.

De heer Johan Malcorps (Agalev). – Uit het antwoord van de minister blijkt dat ons land in dit dossier een voorloper is geweest. Ik hoop dat wij in andere milieudossiers dezelfde rol zullen spelen.

– Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «De Post in crisis» (nr. 2-17)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Het autonoom overheidsbedrijf De Post heeft te kampen met een aantal problemen.

In de eerste plaats zijn er de jarenlange verwaarlozing, de vele politieke benoemingen en het gedemotiveerd personeel. Volgens het jaarverslag 1998 van de onafhankelijke ombudsdienst bij De Post laat de kwaliteit van de dienstverlening duidelijk te wensen over. Van gewone zendingen wordt nergens aantekening gehouden. Ze kunnen dus niet worden gevolgd over de hele lijn. Hierdoor rijst het gevaar dat dergelijke zendingen stiefmoederlijk worden behandeld. De specifieke procedure met betrekking tot de aangetekende zendingen wordt niet strikt opgevolgd met als gevolg dat er vaak klachten binnenlopen.

Ten tweede is en blijft De Post een op en top politiek benoemd bastion waar de socialisten de kaarten netjes verdelen. De subtop van De Post, in casu de directeurs, voelt zich compleet gepasseerd.

Volgens goed ingelichte bronnen is er ook sprake van onderbemanning bij de postbodes. Vakantiedagen kunnen niet worden opgenomen. De uitreiking van elke dag kan in bepaalde gebieden niet meer worden gegarandeerd. Bovendien dreigt er een staking met de kerstperiode.

Het vierde probleem is eerder juridisch, maar kan financiële implicaties hebben voor De Post. In het koninklijk besluit van 9 juni 1999 staan drie bepalingen die heel wat gevolgen hebben voor de werking van De Post. Artikel 25 van dit besluit heft artikel 23 van de Postwet van 1956 op. Daardoor wordt de niet-aansprakelijkheid voor het verloren gaan en de beschadiging van stukken en het niet respecteren van de transporttermijn vervangen door een onbeperkte aansprakelijkheid. In het bijzonder moet de indirecte schade worden vergoed. Hierbij wordt gedacht aan de derving van inkomsten en het verlies van winst, marktaandeel en intresten. Een fundamenteel bijkomend probleem is dat noch de leden van de Raad van Bestuur, noch de postmeesters op de hoogte zijn van deze belangrijke wijziging.

Ten tweede is in het koninklijk besluit sprake van de oprichting van een Compensatiefonds voor de universele postdienst waarbij de houders van een individuele vergunning een belasting moeten betalen. Volgens de Raad van State gaat de uitvoering per koninklijk besluit verder dan bij wet was toegelaten.

Ten derde is in artikel 24 van het koninklijk besluit sprake van het verstrekken van postdiensten die geen deel uitmaken van de universele diensten. Het gaat dus om de liberalisering van De Post. Volgens dit besluit moet een verstrekker van deze diensten uiterlijk drie maanden na publicatie van het koninklijk besluit, in casu 18 november aanstaande, een aangifte doen. Nu blijkt dat er nog geen formulier ter beschikking werd gesteld.

Een vijfde probleem is de stiefmoederlijke behandeling van de ombudsdienst bij De Post. Voor zover bekend heeft de directie van De Post nauwelijks contact met de ombudsdienst. Nochtans heeft de dienst een zeer belangrijke taak, namelijk de universele dienstverlening van De Post verbeteren. De burgers hebben mijns inziens recht op een degelijke controle van De Post.

Ook probeert men de bevoegdheden uit te hollen door die ten aanzien van de Bank van de Post aan de ombudsman van de Vereniging van de Belgische banken toe te vertrouwen. Een hele reeks reglementeringen worden niet gerespecteerd. Ook over het juist aantal klachten tast men in het duister. Het gaat niet om 900 klachten, maar om 4.500 dossiers.

Hoe denkt de minister de aandacht voor en de controle op De Post aan te scherpen? Zal hij politieke benoemingen ongedaan maken? Dringt de minister aan op de vervanging van de voorzitter van het directiecomité? Is de minister op zoek naar een degelijke manager? Hoe zullen benoemingen van het topkader in de toekomst verlopen? Wat denkt de minister te doen aan de onderbemanning en de demotivatie bij de postboedes? Is het waar dat er een stakingsaanzegging is voor de komende kerstperiode? Is de minister bereid de wettelijke basis voor het koninklijk besluit van 9 juni aan te passen? Kan een consument zich op dit koninklijk besluit beroepen en is indirecte schade vergoedbaar? Wat denkt de minister over de opmerkingen van de Raad van State over de financiering van het Compensatiefonds? Hoe zal de minister de werking van de ombudsdienst verbeteren?

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – Aandacht voor De Post, een autonoom overheidsbedrijf, is iets anders dan controle op De Post. Ik beperk me tot mijn rol van aandeelhouder. Ikzelf ga mij ten minste eens per week in een of ander postkantoor of sorteercentrum van de toestand vergewissen.

Krachtens het regeerakkoord moet een strategisch plan worden uitgewerkt in overleg met de directie en met de werknemers om de werking van het bedrijf te optimaliseren. Het is de bedoeling om op termijn het bedrijf te valoriseren. Tegen het jaar 2003 moet De Post immers worden geliberaliseerd. In de huidige structuur is het bedrijf hiervoor niet klaar. Het Bureau McKenzie bereidt thans een strategisch plan voor. Dit kan een ingewikkelde procedure lijken, maar het is de enig mogelijke.

Daar de federale participatiemaatschappij wellicht binnenkort zal investeren in De Post, is het nu niet het ogenblik om wijzigingen door te voeren in de managementstructuur van De Post.

Het spreekt vanzelf dat ik af wil van politieke benoemingen zodra het strategisch plan in werking zal treden.

De 40.000 personeelsleden van De Post realiseren een omzet van 70 tot 75 miljard frank. Voor 12.000 rondes staan ongeveer 15.000 personeelsleden ter beschikking. Jammer genoeg is het werkverzuim bij de postuitreikers zeer hoog. Met het strategisch plan zal alles opnieuw worden geëvalueerd. Uiteraard kan dat niet van vandaag op morgen.

De vierde vraag had betrekking op de schadeclaims. Ingevolge het KB van 9 juni is De Post onderworpen aan de aansprakelijkheidsregeling van gemeen recht. De consument kan zich dan op dat KB beroepen om een schadevergoeding te krijgen, op voorwaarde natuurlijk dat hij kan aantonen dat hij schade geleden heeft.

De Raad van State oordeelde dat de invoering van het compensatiefonds in strijd is met het legaliteitsbeginsel.

Het KB over de aangifte van postdiensten is nog niet getekend. De postoperatoren moeten dus nog geen aangifte doen.

Over het KB dat de postdiensten liberaliseert en dat werd opgesteld door mijn voorganger, zijn heel wat juridische problemen gerezen. Wat de omzetting van de Europese richtlijn over de liberalisering van de postdiensten betreft, zal ik eind dit jaar een wetsontwerp indienen omdat ik vind dat een parlementaire debat daarover nodig is.

Een ombudsdienst moet volledig onafhankelijk zijn. Daarom zou het wellicht beter zijn de ombudsdienst niet aan een bedrijf, maar aan een dienst te verbinden.

Rekening houdend met de McKinsey-studie wil ik tegen eind dit jaar duidelijk maken welke richting we met De Post uit willen. De markt zal tegen 2003 alleszins geliberaliseerd zijn. De Post moet dus concurrerend zijn, zo niet zal de markt door andere bedrijven worden overgenomen. Wij zijn alleszins bereid inspanningen te doen om van De Post een concurrerend bedrijf te maken.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). – Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. De minister zal eind dit jaar de resultaten van de studie voorstellen. Ik hoop dat hij niet wacht tot het einde van deze regeerperiode om de gevolgen voor het personeel bekend te maken .

Ik vind het moedig dat de minister vindt dat er te veel personeel is bij De Post. Ik hoop dat de regering hem daarin volgt. Hij heeft alleszins de steun van onze fractie.

Over de nieuwe aansprakelijkheidsregeling wordt weinig of niet gecommuniceerd, noch intern, noch extern. Toch is het voor de klanten van De Post belangrijk te weten dat zij schadevergoeding kunnen eisen.

Ik ben tevreden dat, wat de liberalisering betreft, de minister het koninklijk besluit wil vervangen door een wet. Voor de verstrekkers van commerciële diensten is er niettemin een probleem. Als het koninklijk besluit alsnog van kracht blijft, verkeren zij na 18 november in de onwettelijkheid.

Ik ben het ermee eens dat een ombudsdienst beter aan een dienst dan aan een bedrijf wordt gekoppeld.

De heer Rik Daems, minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties. – Ik wil het niet over ontslagen hebben, maar over de hervorming van het bedrijf. Ik handel ook niet op middellange, maar op korte termijn.

In bepaalde afdelingen van De Post werken te veel mensen, in andere te weinig. In totaal werken er te veel mensen bij De Post. Wij moeten alleszins uitgaan van een concurrerende positionering van het bedrijf in een geliberaliseerde markt, rekening houdend natuurlijk met de universele dienstverlening.

Ik zal De Post vragen het koninklijk besluit van 9 juni op ruime schaal bekend te maken.

Wat de aangifte van postdiensten en de hakbijl van 18 november betreft, zal ik laten natrekken of nog vóór 18 november een regeling kan worden getroffen.

– Het incident is gesloten.

De voorzitter. – De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 18 november 1999 om 10.30 en 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 18.05 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Laloy, wegens gezondheidsredenen, de heer Daif, wegens andere plichten, de heren Destexhe, Ceder en Dedecker, met opdracht in het buitenland.

– Voor kennisgeving aangenomen.


Annexe

Bijlage

Sommaire

Inhoudsopgave

Votes nominatifs

Naamstemmingen

Dépôt de propositions

Indiening van voorstellen

Propositions prises en considération

In overweging genomen voorstellen

Composition de commissions

Samenstelling van commissies

Demandes d’explications

Vragen om uitleg

Conseil de la Vlaamse Gemeenschapscommissie

Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

Cour d’arbitrage – Arrêt

Arbitragehof – Arrest

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

Cour d’arbitrage – Recours

Arbitragehof – Beroepen


Votes nominatifs / Naamstemmingen

Vote nº 1-1 / Stemming nr. 1-1

Ont voté pour / Voor hebben gestemd:

Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Frank Creyelman, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jean-Luc Dehaene, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Maystadt, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Réginald Moreels, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.

Vote nº 1-2 / Stemming nr. 1-2

Ont voté pour / Voor hebben gestemd:

Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Ont voté contre / Tegen hebben gestemd:

Philippe Bodson, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jean-Luc Dehaene, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Maystadt, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Réginald Moreels, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.

Vote nº 1-3 / Stemming nr. 1-3

Ont voté pour / Voor hebben gestemd:

Philippe Bodson, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jean-Luc Dehaene, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Maystadt, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Réginald Moreels, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.

Ont voté contre / Tegen hebben gestemd:

Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Vote nº 1-4 / Stemming nr. 1-4

Ont voté pour / Voor hebben gestemd:

Philippe Bodson, Marcel Cheron, Marcel Colla, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Philippe Maystadt, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.

Ont voté contre / Tegen hebben gestemd:

Ludwig Caluwé, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Luc Dehaene, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Réginald Moreels, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Dépôt de propositions

Indiening van voorstellen

Propositions de loi

Wetsvoorstellen

Article 81

Artikel 81

Proposition de loi modifiant le Code civil et le Code judiciaire en ce qui concerne la reconnaissance aux époux divorcés du droit d'user du nom de leur ex-conjoint (de Mme Sabine de Bethune; Doc. 2-141/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek en het GerechtelijkWetboek inzake de toekenning aan echtgenoten van het recht om de naam van de andere echtgenoot na echtscheiding te gebruiken (van mevrouw Sabine de Bethune; Gedr. St. 2-141/1).

Proposition de loi modifiant l'article 209 du Code des droits d'enregistrement, d'hypothèque et de greffe (de M. Olivier de Clippele; Doc. 2-146/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 209 van het Wetboek van registratie-, hypotheek- en griffierechten (van de heer Olivier de Clippele; Gedr. St. 2-146/1).

- Ces propositions seront traduites, imprimées et distribuées.

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Il sera statué ultérieurement sur la prise en considération.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Proposition de loi spéciale

Voorstel van bijzondere wet

Article 77

Artikel 77

Proposition de loi spéciale modifiant l'article 31 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d'arbitrage (de M. Wim Verreycken; Doc. 2-140/1).

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van artikel 31 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof (van de heer Wim Verreycken; Gedr. St. 2-140/1).

- Cette proposition sera traduite, imprimée et distribuée.

- Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Il sera statué ultérieurement sur la prise en considération.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Proposition de résolution

Voorstel van resolutie

Proposition de résolution relative à l'ouverture de négociations au sein de l'Organisation mondiale du commerce (de M. Georges Dallemagne; Doc. 2-145/1).

Voorstel van resolutie betreffende het opstarten van onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (van de heer Georges Dallemagne; Gedr. St. 2-145/1).

-Cette proposition sera traduite, imprimée et distribuée.

- Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Il sera statué ultérieurement sur la prise en considération.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Proposition de révision du Règlement

Voorstel van herziening van het Reglement

Proposition de modification de l'article 23-8 du règlement du Sénat (de M. Vincent Van Quickenborne; Doc. 2-138/1).

Voorstel tot wijziging van artikel 23-8 van het reglement van de Senaat (van de heer Vincent Van Quickenborne; Gedr. St. 2-138/1).

-Cette proposition sera traduite, imprimée et distribuée.

- Dit voorstel zal worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Il sera statué ultérieurement sur la prise en considération.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Propositions prises en considération

In overweging genomen voorstellen

Propositions de loi

Wetsvoorstellen

Article 77

Artikel 77

Proposition de loi visant la suppression du vote automatisé et la généralisation du dépouillement par lecture optique (de Mme Clotilde Nyssens; Doc. 2-100/1).

Wetsvoorstel tot afschaffing van de geautomatiseerde stemming en tot veralgemening van de stemopneming door middel van een systeem voor optische lezing (van mevrouw Clotilde Nyssens; Gedr. St. 2-100/1).

- Envoi à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives.

- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l'article 205 du Code judiciaire en vue d'ouvrir la fonction de juge consulaire effectif ou suppléant aux conjoints aidants (de Mme Sabine de Bethune et consorts; Doc. 2-123/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 205 van het Gerechtelijk Wetboek teneinde het ambt van werkend of plaatsvervangend rechter in handelszaken open te stellen voor meewerkende echtgenoten (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-123/1).

- Envoi à la commission de la Justice.

- Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Article 81

Artikel 81

Proposition de loi relative à la recherche sur les embryons (de M. Philippe Monfils; Doc. 2-87/1).

Wetsvoorstel betreffende het onderzoek op embryo's (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-87/1).

- Envoi aux commissions réunies de la Justice et des Affaires sociales.

- Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi réformant les règles du Code civil relatives à l'adoption (de M. Philippe Monfils; Doc. 2-88/1).

Wetsvoorstel tot hervorming van de regels van het Burgerlijk Wetboek betreffende de adoptie (van de heer Philippe Monfils; Gedr. St. 2-88/1).

- Envoi à la commission de la Justice.

- Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Proposition de loi relative à la recherche sur les embryons in vitro (de M. Philippe Mahoux; Doc. 2-92/1).

Wetsvoorstel met betrekking tot het onderzoek op embryo's in vitro (van de heer Philippe Mahoux; Gedr. St. 2-92/1).

- Envoi aux commissions réunies de la Justice et des Affaires sociales.

- Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l'article 20 de la loi du 7 mai 1999 sur l'égalité de traitement entre hommes et femmes en ce qui concerne les conditions de travail, l'accès à l'emploi et aux possibilités de promotion, l'accès à une profession indépendante et les régimes complémentaires de sécurité sociale (de Mme Sabine de Bethune; Doc. 2-96/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 20 van de wet van 7 mei 1999 op de gelijke behandeling van mannen en vrouwen ten aanzien van de arbeidsvoorwaarden, de toegang tot het arbeidsproces en de promotiekansen, de toegang tot een zelfstandig beroep en de aanvullende regelingen voor sociale zekerheid (van mevrouw Sabine de Bethune; Gedr. St. 2-96/1).

- Envoi à la commission des Affaires sociales.

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi relative aux examens médicaux dans le cadre des embauchages (de Mme Myriam Vanlerberghe; Doc. 2-116/1).

Wetsvoorstel betreffende de medische onderzoeken in het kader van aanwervingen (van mevrouw Myriam Vanlerberghe; Gedr. St. 2-116/1).

- Envoi à la commission des Affaires sociales.

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi modifiant l'article 73 de la nouvelle loi communale (de Mme Jeannine Leduc et consorts; Doc. 2-119/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 73 van de nieuwe gemeentewet (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.; Gedr. St. 2-119/1).

- Envoi à la commission de l’Intérieur et des Affaires administratives.

- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Proposition de loi instaurant un congé d'adoption pour les travailleurs salariés (de Mme Sabine de Bethune et consorts; Doc. 2-122/1).

Wetsvoorstel houdende instelling van een adoptieverlof voor werknemers (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-122/1).

- Envoi à la commission des Affaires sociales.

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi permettant aux caisses d'assurances sociales de renoncer aux majorations portant sur les cotisations sociales dues par les travailleurs indépendants (de M. René Thissen; Doc. 2-128/1).

Wetsvoorstel strekkende om de sociale- verzekeringskassen te ontslaan van de verplichting een verhoging toe te passen op de door de zelfstandigen verschuldigde bijdragen (van de heer René Thissen; Gedr. St. 2-128/1).

- Envoi à la commission des Affaires sociales.

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi abaissant l'âge de la pension des mères occupant un emploi et ayant une carrière professionnelle (de M. Chris Vandenbroeke et consorts; Doc. 2-134/1).

Wetsvoorstel tot verlaging van de pensioenleeftijd voor werkende moeders met een beroepsloopbaan (van de heer Chris Vandenbroeke c.s.; Gedr. St. 2-134/1).

- Envoi à la commission des Affaires sociales.

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Proposition de loi établissant un prix fixe pour les livres (de M. Chris Vandenbroeke; Doc. 2-135/1).

Wetsvoorstel tot instelling van een vaste boekenprijs (van de heer Chris Vandenbroeke; Gedr. St. 2-135/1).

- Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Propositions de résolution

Voorstellen van resolutie

Proposition de résolution relative à l'organisation et à la gestion des archives (de M. Chris Vandenbroeke; Doc. 2-136/1).

Voorstel van resolutie betreffende de organisatie en het beheer van het archiefwezen (van de heer Chris Vandenbroeke; Gedr. St. 2-136/1).

- Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de résolution relative à l'obligation de l'administration fiscale de fournir les informations fiscales requises dans le cadre de la procédure d'octroi d'une allocation d'études en faveur des étudiants de l'enseignement secondaire (de M. Chris Vandenbroeke; Doc. 2-137/1).

Voorstel van resolutie over de meldingsplicht van de fiscale administratie in het kader van de procedure voor de toekenning van studietoelagen aan leerlingen van het secundair onderwijs (van de heer Chris Vandenbroeke; Gedr. St. 2-137/1).

- Envoi à la commission des Finances et des Affaires économiques.

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Proposition de résolution relative à l'ouverture de négociations au sein de l'Organisation mondiale du commerce (de M. Georges Dallemagne; Doc. 2-145/1).

Voorstel van resolutie betreffende het opstarten van onderhandelingen binnen de Wereldhandelsorganisatie (van de heer Georges Dallemagne; Gedr. St. 2-145/1).

- Envoi à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

- Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Propositions de révision du Règlement

Voorstellen tot herziening van het Reglement

Proposition de modification de l'article 86 du règlement du Sénat en ce qui concerne le Comité d'avis pour l'égalité des chances entre les femmes et les hommes (de Mme Sabine de Bethune et consorts; Doc. 2-117/1).

Voorstel tot wijziging van artikel 86 van het reglement van de Senaat inzake het Adviescomité voor gelijke kansen voor vrouwen en mannen (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Gedr. St. 2-117/1).

- Envoi au Bureau.

- Verzonden naar het Bureau.

Proposition de modification de l'article 23-8 du règlement du Sénat (de M. Vincent Van Quickenborne; Doc. 2-138/1).

Voorstel tot wijziging van artikel 23-8 van het reglement van de Senaat (van de heer Vincent Van Quickenborne; Gedr. St. 2-138/1).

- Envoi au Bureau.

- Verzonden naar het Bureau.

Composition de commissions

Samenstelling van commissies

Le Bureau est saisi de demandes tendant à modifier la composition de certaines commissions:

A la commission des Affaires institutionnelles:

M. Luc Van den Brande remplacerait Mme Mia De Schamphelaere comme membre effectif;

Mme Mia De Schamphelaere deviendrait membre suppléant.

A la commission des Relations extérieures et de la Défense:

M. Luc Van den Brande deviendrait membre suppléant.

A la commission des Finances et des Affaires économiques:

M. Luc Van den Brande deviendrait membre effectif.

A la commission des Affaires sociales:

M. Hugo Vandenberghe deviendrait membre suppléant.

Au Comité d’avis fédéral chargé des questions européennes:

M. Luc Van den Brande deviendrait membre effectif.

Bij het Bureau zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van sommige commissies:

In de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

zou de heer Luc Van den Brande, mevrouw Mia De Schamphelaere als effectief lid vervangen;

Mevrouw Mia De Schamphelaere zou plaatsvervangend lid worden.

In de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

zou de heer Luc Van den Brande plaatsvervangend lid worden.

In de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden :

zou de heer Luc Van den Brande effectief lid worden.

In de commissie voor de Sociale Aangelegenheden: zou de heer Hugo Vandenberghe plaatsvervangend lid worden.

In het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden:

zou de heer Luc Van den Brande effectief lid worden.

Demandes d’explications

Vragen om uitleg

Le Bureau a été saisi des demandes d’explications suivantes:

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

de Mme Clotilde NYSSENS au Ministre de l'Economie et de la Recherche scientifique sur "l'application de la loi du 5 juillet 1998 relative au règlement collectif de dettes" (n· 2-10)

van Mevrouw Clotilde NYSSENS aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over "de toepassing van de wet van 5 juli 1998 betreffende de collectieve schuldenregeling" (nr. 2-10)

de M. Vincent VAN QUICKENBORNE au Secrétaire d'Etat à l'Energie et au Développement durable sur "l'entreposage de déchets faiblement radioactifs et le transport de déchets fortement radioactifs" (n· 2-20)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "de opslag van laagradioactief afval en het transport van hoogradioactief afval" (nr. 2-20)

de Mme Clotilde NYSSENS au Ministre de la Justice sur "l'aide juridique" (n· 2-21)

van Mevrouw Clotilde NYSSENS aan de Minister van Justitie over "de juridische bijstand" (nr. 2-21)

de M. Vincent VAN QUICKENBORNE au Ministre de l'Intérieur sur "les limitations inconstitutionnelles de la liberté d'expression par certaines administrations communales" (n· 2-22)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de ongrondwettelijke beperkingen door bepaalde gemeentebesturen van de vrije meningsuiting" (nr. 2-22)

de M. Philippe MAHOUX au Ministre des Affaires sociales et des Pensions sur "le droit aux allocations familiales majorées pour les enfants diabétiques" (n· 2-23)

van de heer Philippe MAHOUX aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over "de verhoogde kinderbijslag voor kinderen die aan diabetes lijden" (nr. 2-23)

de M. Michiel MAERTENS au Secrétaire d'Etat à l'Energie et au Développement durable sur "les conflits de compétence en matière de sécurité nucléaire et la possibilité d'une distorsion de concurrence sur le marché de l'électricité" (n· 2-25)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over "de bevoegdheidsgeschillen inzake de nucleaire veiligheid en de mogelijke concurrentievervalsing op de elektriciteitsmarkt" (nr. 2-25)

de M. Georges DALLEMAGNE au Ministre de l'Intérieur sur "la reprise des expulsions forcées de personnes déboutées du droit d'asile" (n· 2-26)

van de heer Georges DALLEMAGNE aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de hervatting van de gedwongen uitwijzing van uitgeprocedeerde asielzoekers" (nr. 2-26)

-Ces demandes sont envoyées à la séance plénière.

- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Conseil de la Vlaamse Gemeenschapscommissie

Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie

Par message du 22 octobre 1999 le Conseil de la Vlaamse Gemeenschapscommissie a fait connaître au Sénat qu’il s’est constitué en sa séance de cette date.

Bij boodschap van 22 oktober 1999 heeft de Raad van de Vlaamse Gemeenschapscommissie aan de Senaat laten weten dat hij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Pris pour notification.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Dépôt de projets de loi

Indiening van wetsontwerpen

Le gouvernement a déposé les projets de loi ci-après:

De regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Projet de loi portant assentiment à l'Accord entre l'Union économique belgo-luxembourgeoise, d'une part, et le Gouvernement de la République d'Ouzbékistan, d'autre part, concernant l'encouragement et la protection réciproques des investissements, fait à Tachkent le 17 avril 1998 (Doc. 2-139/1).

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie, enerzijds, en de Regering van de Republiek Oezbekistan, anderzijds, inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Tashkent op 17 april 1998 (Gedr. St. 2-139/1).

-Le projet a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

- Het ontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord euro-méditerranéen établissant une association entre les Communautés européennes et leurs Etats membres, d’une part, et l’Etat d’Israël, d’autre part, les Annexes I, II, III, IV, V, VI et VII, les Protocoles 1, 2, 3, 4 et 5, l'Acte final, faits à Bruxelles le 20 novembre 1995 (Doc. 2-142/1).

Wetsontwerp houdende instemming met de Euro-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Staat Israël, anderzijds, de Bijlagen I, II, III, IV, V, VI en VII, Protocollen 1, 2, 3, 4 en 5, en Slotakte, gedaan te Brussel op 20 november 1995 (Gedr. St. 2-142/1).

-Le projet a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

- Het ontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Projet de loi portant assentiment à l’Accord de partenariat et de coopération entre les Communautés européennes et leurs Etats membres, d’une part, et la République du Belarus, d’autre part, Annexes I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, Protocole et Acte final, faits à Bruxelles le 6 mars 1995 (Doc. 2-143/1).

Wetsontwerp houdende instemming met de Partnerschaps- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun Lidstaten, enerzijds, en de Republiek Wit-Rusland, anderzijds, Bijlagen I, II, III, IV, V, VI, VII, VIII, Protocol en Slotakte, gedaan te Brussel op 6 maart 1995 (Gedr. St. 2-143/1).

-Le projet a été envoyé à la commission des Relations extérieures et de la Défense.

- Het ontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

- Ces projets de loi seront imprimés et distribués.

- Deze wetsontwerpen zullen worden gedrukt en rondgedeeld.

Cour d’arbitrage – Arrêt

Arbitragehof – Arrest

En application de l'article 113 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie au président du Sénat :

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :

-l’arrêt n· 114/99, rendu le 21 octobre 1999, en cause la question préjudicielle concernant l’article 37 du décret de la Communauté française du 4 mars 1991 relatif à l’aide à la jeunesse, posée par le Tribunal de la jeunesse de Liège (numéro du rôle 1331).

- het arrest nr. 114/99, uitgesproken op 21 oktober 1999, inzake de prejudiciële vraag over artikel 37 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 4 maart 1991 inzake hulpverlening aan de jeugd, gesteld door de Jeugdrechtbank te Luik (rolnummer 1331).

- Pris pour notification.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Questions préjudicielles

Arbitragehof – Prejudiciële vragen

En application de l'article 77 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie au président du Sénat :

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :

-la question préjudicielle relative à l’article 89, § 2, 1·, de la loi du 8 août 1980 relative aux propositions budgétaires 1979-1980, posée par la Cour d’appel de Gand (numéro du rôle 1771);

- de prejudiciële vraag over artikel 89, § 2, 1·, van de wet van 8 augustus 1980 betreffende de budgettaire voorstellen 1979-1980, gesteld door het Hof van Beroep te Gent (rolnummer 1771);

- la question préjudicielle relative à l’article 12 de la loi du 10 avril 1971 sur les accidents du travail, posée par le Tribunal du travail de Namur (numéro du rôle 1772);

- de prejudiciële vraag betreffende artikel 12 van de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Namen (rolnummer 1772);

- la question préjudicielle concernant l’article 332, alinéa 4, du Code civil, posée par le Tribunal de première instance d’Anvers (numéro du rôle 1777);

- de prejudiciële vraag betreffende artikel 332, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Antwerpen (rolnummer 1777);

- la question préjudicielle concernant l’article 57, § 2, alinéas 3 et 4, de la loi du 8 juillet 1976 organique des centres publiques d’aide sociale, telle que modifiée par l’article 65 de la loi du 25 juillet 1996, posée par le Tribunal du travail de Courtrai (numéro du rôle 1781).

- de prejudiciële vraag over artikel 57, § 2, derde en vierde lid, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd bij artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Kortrijk (rolnummer 1781).

- Pris pour notification.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Cour d’arbitrage – Recours

Arbitragehof – Beroepen

En application de l'article 76 de la loi spéciale du 6 janvier 1989 sur la Cour d’arbitrage, le greffier de la Cour d’arbitrage notifie au président du Sénat :

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van :

-le recours en annulation des articles 28 et 30 de la loi du 22 décembre 1998 sur l’intégration verticale du ministère public, le parquet fédéral et le conseil des procureurs du Roi, introduit par H. Funck (numéro du rôle 1755);

- het beroep tot vernietiging van de artikelen 28 en 30 van de wet van 22 december 1998 betreffende de verticale integratie van het openbaar ministerie, het federaal parket en de raad van procureurs des Konings, ingesteld door H. Funck (rolnummer 1755);

- le recours en annulation des articles 18, 25 et 56 de la loi du 13 mai 1999 portant le statut disciplinaire des membres du personnel des services de police, introduit par J. Schonkeren et A. Ysebaert (numéro du rôle 1786).

- het beroep tot vernietiging van de artikelen 18, 25 en 56 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, ingesteld door J. Schonkeren en A. Ysebaert (rolnummer 1786).

- Pris pour notification.

- Voor kennisgeving aangenomen.