3-184

3-184

Belgische Senaat

3-184

Handelingen - Nederlandse versie

VRIJDAG 20 OKTOBER 2006 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Brussels Hoofdstedelijk Parlement

Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement

Bespreking van de regeringsverklaring

Berichten van verhindering


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 10.15 uur.)

Brussels Hoofdstedelijk Parlement

De voorzitter. - Bij boodschap van 18 oktober 2006 heeft het Brussels Hoofdstedelijk Parlement aan de Senaat laten weten dat het zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement

De voorzitter. - Bij boodschap van 19 oktober 2006 heeft de Verenigde Vergadering van de Gemeenschappelijke gemeenschapscommissie van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement aan de Senaat laten weten dat zij zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bespreking van de regeringsverklaring

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Deze week peilde de TV-zender Canvas naar onze culturele kennis. Daarbij werd onder meer het bekende schilderij Ceci n'est pas une pipe van Magritte getoond. Vandaag wil ik dat schilderij parafraseren en zeggen: dit is geen parlementair debat. Niet enkel omdat de premier het niet waard acht om naar de Senaat te komen - wat ik daarover al allemaal heb gezegd zal ik niet herhalen, maar het blijft geldig - en evenmin omdat verschillende meerderheidsfracties bij het begin van dit debat niet eens vertegenwoordigd zijn. Er zijn andere gemeenschappelijke kenmerken tussen het schilderij van Magritte en het parlementair debat dat we vandaag voeren. Het gaat niet enkel over de vorm, ook over de grond. Zowel het schilderij als het debat hebben iets surrealistisch. In de kunst is surrealisme een inspirerende beweging, in de politiek is het een gevaarlijk fenomeen. De huidige beleidsverklaring is surrealistisch, niet zozeer wegens de vorm, maar vooral wegens de inhoud en de aaneenrijging van illusies.

Het nadeel dat het debat hier enkele dagen later wordt gevoerd dan in de Kamer is tegelijkertijd een voordeel. De party op de regeringsbanken is voorbij. De roes en de glitter zijn weg. Alle ernstige analisten in de civiele maatschappij hekelen de ongeloofwaardigheid van de beleidsverklaring en de begroting. De premier of zijn vertegenwoordiger zullen vandaag zeker volharden in hun boosheid. Ook dat zijn we gewoon. Niet enkel de kritiek van de oppositie zal van tafel worden geveegd, ook die van het Arbitragehof, van het Rekenhof, van de Raad van State, van de OESO, van alle mogelijke binnen- en buitenlandse deskundigen, en zelfs van degenen die tot de eigen politieke familie van de eerste minister behoren. Al die kritiek zal naar surrealistische gewoonte in de wind worden geslagen. Dat belet ons niet om uit intellectuele en politieke eerlijkheid onze kritiek te formuleren, wat onze verantwoordelijkheid is vanuit de democratische oppositie.

De voorbije jaren zijn we gewend geraakt aan het feit dat paars de realiteit probeert te verbloemen. Vorige dinsdag hebben we daar enkele spitse staaltjes van aangehoord. Ik denk aan het bedrag dat genoemd wordt als one shots. De regering spreekt van 1,25 miljard euro, experts spreken daarentegen van 2,2 miljard euro. Ik denk ook aan het primaire saldo: in de jaren '90 werd keer op keer een verbetering van het primaire saldo gerealiseerd. De voorbije jaren is dat primaire saldo jaar na jaar gedaald. Nog niet zo lang geleden schommelde het primaire saldo tussen de 6 ŗ 7%. Voor 2007 wordt het geraamd op 4,3%. Premier Verhofstadt spreekt steevast over een verbetering ten opzichte van dit jaar, waarin het primaire saldo slechts 4,1% bedraagt.

De premier doet mij glimlachen als hij beweert dat de behoorlijke economische groei te danken is aan zijn beleid. Als de groei wat minder is, verwijst hij steevast naar de internationale conjunctuur. Spijts de goede conjunctuur moet ik vaststellen dat de regering vandaag haar toevlucht neemt tot een pak eenmalige maatregelen om de begroting te redden. Het discours van de premier en zijn regering klinkt in hoge mate ongeloofwaardig.

Vorige week verloren de paarse partijen de lokale verkiezingen, maar ze deden alsof het een grote overwinning was. Wekenlang meldde de pers dat de regering op zoek was naar 4 ŗ 5 miljard euro om de begroting in evenwicht te krijgen. Vorige dinsdag leek het er echter op dat de regering vooral tijd nodig had om een pak leuke maatregelen voor de mensen te nemen. We herinneren ons nog levendig hoe de regering in de campagne voor de federale verkiezingen van 2003 de bevolking om de oren sloeg met belastingverlagingen. Onmiddellijk na de verkiezingen werden echter de accijnzen op diesel en benzine opgetrokken en gingen allerhande heffingen fors omhoog. Inmiddels heeft BelgiŽ dankzij de nieuwe VLD de bronzen OESO-medaille voor fiscale druk gekregen. Met de nieuwe maatregelen zet de premier onder luid applaus van diezelfde VLD ons land op weg naar de gouden medaille. Ik kijk al uit naar het volgende OESO-rapport.

Bij de volgende federale verkiezingen zal het niet anders lopen. Vlak ervoor zullen de mensen allerlei leuks krijgen en vlak erna volgt de factuur. De verpakkingsheffingen zullen elk gezin ongeveer 200 euro per jaar kosten. De tabaksgebruiker zal nog wat dieper in de buidel moeten tasten. Iedereen zal moeten meebetalen voor de verkiezingscampagne van paars.

Ik vraag me af of de bevolking wel gediend is met die paarse peptalk. Zijn de mensen ermee gediend dat terechte kritiek in de kiem wordt gesmoord? Zou het niet kunnen dat het dovemansgesprek dat de meerderheid voert en zelfs haar weigering tot een debat tot de reŽle verzuring bijdragen?

In de beleidsverklaring valt alleszins op dat de regering niet langer stilstaat bij de werkelijke sociale toestand van het land, bij de hoge werkloosheid ondanks de hoogconjunctuur, bij de toenemende armoede, bij de desintegratie en de verkilling van de samenleving, bij de implosie van de departementen Justitie en FinanciŽn.

De aanpak van de vergrijzingsproblematiek is ver zoek en intussen blijkt ook dat het Generatiepact een maat voor niets is geworden. Maatregelen om ons land op het spoor van de duurzame ontwikkeling te zetten, zijn er al evenmin.

Vier punten van het beleid zou ik kort willen becommentariŽren: het klimaatbeleid, de bestrijding van de werkloosheid, de strijd tegen de armoede en het buitenlandse beleid. Andere collega's van de fractie zullen ingaan op andere aspecten van het beleid.

In BelgiŽ bestaat een ruime consensus over het te voeren klimaatbeleid. De vraag is echter waar de daadkracht van de federale overheid op dat vlak blijft.

In 2004 hebben de gewesten en de federale overheid een samenwerkingsakkoord gesloten om de CO2-uitstoot te verminderen. Ook de federale overheid zou haar bijdrage leveren en pakte hiertoe uit met twee speerpunten: de aankoop van schone lucht in het buitenland en de plaatsing van windmolens in zee.

Ik wil vooral ingaan op dat tweede punt. De federale overheid heeft er zich toe verbonden om de kosten voor de CO2-uitstoot te reduceren met 2 miljoen euro dankzij de bouw van een windmolenpark in zee. Tegen 2010 zou tussen 5,2% en 5,6% van onze elektriciteit door de zeewindmolens moeten worden geproduceerd. Daartoe had de federale regering zich krachtig verbonden. In het regeerakkoord van 2003 lezen we overigens dat tegen 2004 - dus twee jaar geleden al - het eerste windmolenpark op en achter de Thorntonbank elektriciteit zou beginnen te produceren. Van dat grootse project is tot op heden echter nog niets gerealiseerd.

Wellicht heeft Al Gore, de voormalige vicepresident van de VS, toen hij onlangs op bezoek was de premier hierover geen vragen gesteld omdat gewoon werd nagelaten hem te informeren over dat project.

Ik kom nu tot de strijd tegen de werkloosheid. De premier verwijst graag naar de hogere economische groei in BelgiŽ, in vergelijking met onze buurlanden. Helaas heeft hij het niet aangedurfd ook de werkloosheidscijfers te vermelden. In BelgiŽ bedraagt de werkgelegenheidsgraad gemiddeld 61,1%. Dat is heel ver van de 70% waartoe diezelfde premier zich in 2000 in Lissabon heeft geŽngageerd. In Duitsland bedraagt de werkgelegenheidsgraad 64,4%, in Nederland 73,2%. In de leeftijdscategorie tussen 55 en 64 jaar bedraagt de werkgelegenheidsgraad in ons land 31,8%, wat dramatisch laag is. In Duitsland is dat 45,4% en in Nederland 46,1%. Onze jobachterstand tegenover andere Europese landen neemt eerder toe dan af. De jeugdwerkloosheid bedroeg in 2000 15%, nu is dat 21%. De werkloosheid onder niet-EU-burgers bedraagt nog altijd 32%, de werkloosheid bij laaggeschoolden neemt alle dagen toe. De premier gaf zichzelf een 8 op 10 voor jobcreatie. Het zou maar erg zijn dat er geen jobcreatie was bij een groeiende arbeidsbevolking. Het is echter zorgwekkend dat die jobcreatie vooral plaats vindt in de ruime overheidssector. Een regering die de problemen niet erkent, zal ze ook niet aanpakken. Dat is volgens ons een van de redenen van de verzuring, van het onbehagen in onze samenleving. Werk is in de Westerse samenleving cruciaal voor de integratie in de samenleving. Werk geeft zin aan het leven, geeft mensen kansen om zich te ontplooien, om iets te betekenen in de samenleving. Het gebrek aan werkgelegenheid is een absolute tekortkoming in het paarse beleid. CD&V wil alvast de strijd tegen de werkloosheid en de activiteitsvallen opvoeren, de activering van de werkzoekenden versterken, de opleidingsinspanningen stimuleren, de mobiliteit van de arbeidsmarkt vergroten, de loonkostverlaging gerichter maken en de participatie van alle groepen aan het arbeidsproces garanderen.

Uitgerekend op de dag van de State of the Union, vorige dinsdag, heeft de Koning Boudewijnstichting de tussentijdse resultaten voorgesteld van het onderzoek naar het inkomen van de allochtonen in BelgiŽ, naar aanleiding van de werelddag van verzet tegen armoede. Ik heb in de verklaring van de premier weinig gehoord om aan dit schrijnende probleem tegemoet te komen. Uit de studie van de Koning Boudewijnstichting blijkt dat 10,16% van de autochtone Belgen een inkomen heeft dat lager ligt dan de Europese armoedegrens van 777 euro per maand, waardoor ze een zeer groot armoederisico lopen. Onze voorzitster, die een armoede-expert is op internationaal niveau, zal me zeker niet tegenspreken. Het armoederisico is groter voor allochtonen: liefst 55,6% van de mensen van Marokkaanse herkomst en 58,9% van de mensen van Turkse afkomst lopen een ernstig armoederisico. 38,7% van de mensen van Turkse afkomst en 25% van de mensen van Marokkaanse herkomst moeten zelfs rondkomen met minder dan 500 euro per maand. Als we dat gegeven koppelen aan de lage participatie van allochtonen aan het arbeidsproces, het middel bij uitstek voor integratie in onze samenleving, kunnen we niet anders dan spreken van een schrijnende situatie. Ik hoor de premier graag pleiten voor verdraagzaamheid en voor een open samenleving. Wij staan allemaal achter die doelstelling, we vragen ons alleen af hoe ze kan worden ingevuld, hoe de voorwaarden kunnen worden gecreŽerd om ervoor te zorgen dat die samenleving standhoudt en dat iedereen er zijn of haar plaats zou vinden. In de beleidsverklaring van de premier staat nauwelijks iets om de problematiek van armoede en integratie krachtdadig en concreet aan te pakken.

Tot slot wil ik het hebben over het internationaal beleid. Ook CD&V is er voorstander van dat BelgiŽ zitting heeft in de Veiligheidsraad gedurende de komende twee jaar. Dit echter voorstellen als de bekroning van ons internationaal engagement is een loopje nemen met de waarheid. De waarheid is veel prozaÔscher. Voor de regio waartoe ons land behoort zijn twee zitjes in de Veiligheidsraad voorbehouden. Aanvankelijk waren daarvoor AustraliŽ, ItaliŽ en BelgiŽ kandidaat. AustraliŽ heeft zich enkele maanden geleden teruggetrokken. Er waren dus nog maar twee kandidaten voor twee zitjes. BelgiŽ zal proberen op een waardige manier die plaats in te nemen. Dit voorstellen als een grote overwinning van het Belgische buitenlands beleid maakt deel uit van de show van de regering.

De eerste minister zegt terecht dat ons land zijn verantwoordelijkheid op internationaal vlak opneemt door troepen te sturen naar brandhaarden in de wereld. Dit engagement moet evenwel worden gerespecteerd. De regering beloofde extra troepen voor Afghanistan. Toch slaagde ze er niet in om deze belofte na te komen wegens onenigheid in de regering. Dergelijke loze beloftes verzwakken onze internationale positie.

De Veiligheidsraad kent een onvoorspelbare agenda. Toch kan ons land van zijn lidmaatschap gebruik maken om een aantal eigen accenten te leggen. Ik juich toe dat BelgiŽ het thema van de kindsoldaten naar voren schuift. Ons land moet dan wel zijn eigen wetgeving aanpassen conform de aanbevelingen van resolutie 1370 van de Senaat. Ons land heeft nog altijd een zeventigtal jongeren tussen 16 en 18 jaar met een militair statuut die als kandidaat-officier of -onderofficier aan de militaire school studeren en dus volgens het internationaal recht onder de definitie van kindsoldaten vallen. In geval van oorlog of een aanval op het Belgische grondgebied worden ze niet als burgers beschermd, maar zijn ze volgens het oorlogsrecht een legitiem doelwit. Op internationaal vlak is een coherent beleid belangrijk om geloofwaardig te zijn. Ik reken erop dat van de hervorming van het statuut van het militair personeel, dat ook op stapel staat, gebruik wordt gemaakt om het probleem van de minderjarigen in opleiding op te lossen. In de al bekend geraakte ontwerpteksten is over die hervorming helaas geen spoor te vinden. Wel staat daarin een deel over de aspirant-onderofficieren.

De Senaat nam al een standpunt in over resolutie 1325 van de Veiligheidsraad. Die resolutie ligt in de lijn van ťťn van de drie prioriteiten van het Belgische ontwikkelingsbeleid, namelijk de participatie van vrouwen aan de vrede en de strijd tegen seksueel geweld. Andermaal is BelgiŽ geen goede leerling. Een nationaal actieplan, zoals aanbevolen in resolutie 902 van de Senaat, is er nog steeds niet. De minister van Buitenlandse Zaken heeft al herhaaldelijk verklaard dat een interdepartementale werkgroep zou worden opgericht. Het blijft bij woorden. Resolutie 1325 dringt erop aan dat BelgiŽ, zowel multilateraal als unilateraal, deze problematiek op de agenda zou brengen.

Er wordt eveneens aangedrongen op een evenwicht tussen mannen en vrouwen bij de diplomatieke carriŤre. Eens te meer schiet het Belgisch beleid tekort.

De eerste minister stelt verder in zijn inleiding terecht dat we een specifiek engagement hebben in Congo. We hebben de voorbije jaren vele inspanningen gedaan om de transitie te begeleiden. Aanhoudende inspanningen zullen evenwel nodig blijven. Bovendien moeten we met zijn allen zeer alert zijn voor de berichten over de huidige toestand in Congo, over de tweede ronde die over een paar dagen plaatsvindt en vooral over het posttransitieproces. We weten dat de financiŽle toestand in Congo vandaag catastrofaal is. De staatskas is leeg. Dat legt een hypotheek op goed en duurzaam bestuur. Namens mijn fractie wil ik benadrukken dat een onvoorwaardelijke schuldkwijtschelding niet kan. Er zullen garanties moeten komen dat het bedrag van de kwijtschelding van de bilaterale schuld effectief wordt aangewend ten dienste van de Congolese bevolking en ter begeleiding van goed bestuur en duurzame vrede. Ook aan de stabilisatie van vrede in Congo zal de komende weken en maanden immers hard moeten worden voort gewerkt. Er zijn geruchten over de toenemende wapenwedloop. Dat maakt meteen ook duidelijk dat de strijd tegen de lichte wapens prioritair is. Wat zijn in het Belgisch plan ter ondersteuning van de democratie in Congo de concrete inspanningen om die wapenwedloop tegen te gaan? Ik heb daarover geen concrete engagementen gezien.

Alertheid en een proactief conflictpreventiebeleid zijn absolute voorwaarden om de toestand in Congo niet te laten escaleren in de periode na de verkiezingen. Ook hier laat de regering kansen liggen: de bevoegdheidsverdeling over twee ministers en meerdere administraties verhindert een goed conflictpreventiebeleid. Er zijn te veel actoren en te veel projecten. De middelen zijn versnipperd. Ons land blinkt uit in kleinschaligheid en kan niet efficiŽnt wegen. CD&V pleit daarom voor ťťn administratie, ťťn budgetlijn en ťťn verantwoordelijke minister voor de interventies inzake conflictpreventie en vrede, waardoor eindelijk de versnippering van bevoegdheden, middelen en knowhow wordt tegengegaan. Ons engagement voor Subsaharaans Afrika zal heel sterk moeten worden opgedreven. De schokkende beelden van jonge bootvluchtelingen die Afrika ontvluchten om in Europa op zoek te gaan naar een echte toekomst moeten ons ervan bewust maken dat onze inspanningen om Afrika uit de extreme armoede te helpen en er de vrede te bevorderen veel hoger op onze agenda moeten staan. Als we daar werk van willen maken moet dat onder meer ook blijken uit de financiŽle inspanning voor ontwikkelingssamenwerking. Opnieuw worden in de beleidsverklaring beloftes gemaakt waarvan iemand die het dossier kent, weet dat ze gewoon leugenachtig zijn. Dat blijkt uit de cijfers met betrekking tot de 0,7%-verbintenis. De regering kondigt fier aan dat ze met 0,55% van het BNI voor ontwikkelingssamenwerking in 2007 op schema zit om in 2010 de 0,7%-norm te halen. In 2005 was dat 0,53% van het BNI. Dit betekent een stijging van slechts 0,02% in twee jaar tijd. Als dit tempo wordt aangehouden, bereiken we volgens mijn berekeningen de 0,7%-norm pas in 2022.

De heer Wille zegt dat de voorbije jaren zwaardere budgettaire inspanningen werden gedaan dan gepland. Hij zwijgt wel in alle talen over het feit dat 20 tot 30% van de totale begroting voor ontwikkelingshulp uit schijnhulp bestaat. Naast de opvang van asielzoekers, de sanering van de Nationale Delcrederedienst en de maatregelen in het licht van de Kyotonorm, bestaat het grootste deel van die schijnhulp uit schuldkwijtscheldingen. Zo slokten in 2005 de schuldkwijtscheldingen aan Nigeria en Irak alleen al 20% van de begroting. Niet ťťn euro daarvan werd daadwerkelijk in het Zuiden geÔnvesteerd. Dat legt een zware hypotheek op het groeipad naar de 0,7%.

Vanaf 2008, wanneer de schuldkwijtscheldingen volledig zullen zijn opgedroogd, zal de regering ter compensatie nieuwe budgettaire middelen moeten zoeken, naast de door het groeipad voorziene stijging met 0,05 procentpunt.

Kortom, na de verkiezingen van volgend jaar zal sterk bijgestuurd moeten worden zoals dat ook voor vele andere begrotingsposten het geval zal zijn.

In de politiek volstaat het niet een goed kunstenaar te zijn, het is zelfs gevaarlijk. Wat we vandaag nodig hebben, zijn ernstige politici die de problemen in de samenleving zien en ze ook aanpakken!

De heer Philippe Mahoux (PS). - We hebben zeer aandachtig geluisterd naar de beleidsverklaring van de eerste minister. Net als in de Kamer zal mijn fractie de regering steunen.

Met de begroting 2007 zal de koopkracht van de burgers en vooral die van de meest kwetsbaren worden versterkt. Dankzij een strikte controle van de uitgaven en dankzij nieuwe inkomsten, die niet langer arbeid belasten, zal een overschot kunnen worden gecreŽerd. Hiermee zullen de uitdagingen waarmee het socialezekerheidssysteem zal worden geconfronteerd, zoals de vergrijzing, kunnen worden aangepakt.

De regering heeft aan het al bestaande Zilverfonds een Zilverzorgfonds toegevoegd. De PS staat volledig achter dat beleid, dat het voortbestaan van ons socialezekerheidssysteem waarborgt.

Ook zullen op korte termijn belangrijke sociale correcties worden aangebracht.

In het Generatiepact werd een mechanisme voor de welvaartsaanpassing van de sociale uitkeringen overeengekomen. De wettelijke basis is inmiddels gelegd.

Toegang tot de arbeidsmarkt is volgens ons essentieel voor de integratie in de samenleving. Werkzoekenden eisen in de eerste plaats recht op werk en niet enkel op een uitkering. De regering heeft dat dossier ter harte genomen. Los van de polemieken en de statistische referenties die meerderheid en oppositie gebruiken heeft Eurostat bevestigd dat er sinds 2003 netto 157.000 jobs zijn bijgekomen.

Verschillende analisten kiezen verschillende methodes om het aantal gecreŽerde jobs te evalueren, waardoor er kritiek kan zijn op de bovenvermelde gegevens. Ik volg de eerste minister, die verkiest de lat hoog te leggen, met het risico te worden verweten dat hij de doelstelling niet helemaal heeft gehaald, in plaats van zich tevreden te stellen met een minder ambitieuze aanpak. Een vergelijking van de analysecriteria moet een inschatting van de realiteit mogelijk maken. De voluntaristische aanpak moet hoe dan ook worden voortgezet. Daarbij moet alles in het werk worden gesteld om de ambitieuze doelstellingen te halen.

Voor ons mochten de belangrijkste solidariteitsmechanismen alleszins niet op de helling worden gezet. We blijven ervan overtuigd dat een optimale sociale bescherming een efficiŽnt beheer van het overheidsgeld versterkt. Vooral in de sector van de gezondheidszorg wordt aangetoond dat het behoud van de solidariteitsmechanismen een succes is.

Een andere sociale vooruitgang is de uitbreiding van het WIGW-statuut tot andere rechthebbenden. WIGW wordt voortaan OMNIO. Hierdoor zullen 100.000 gezinnen met een laag inkomen vanaf nu een voorkeursstatuut krijgen.

De regering kondigt een sociaal beleid aan dat aan heel wat van onze bekommernissen tegemoet zal komen. De belangrijkste maatregelen zijn: de financiering van de verhoging van het interprofessioneel minimumloon, de verhoging van de laagste pensioenen, de oprichting van een asbestfonds, de uitbreiding van de maximumfactuur voor de chronische ziektes, een betere terugbetaling van pijnstillers en moderne actieve verbanden, die zeer duur zijn, maar zeer efficiŽnt in de bestrijding van chronische wonden.

Tijdens deze regeerperiode heeft mijn fractie gewezen op het belang van de pijnbestrijding en van die zeer dure verbanden. Het verheugt ons dat de regering met onze bekommernissen rekening houdt.

Een ander punt zijn de verplaatsingskosten voor ouders van gehospitaliseerde kankerpatiŽntjes. Het gaat hier niet alleen om drama's op menselijk vlak, ze brengen soms ook onoverkomelijke uitgaven voor de gezinnen met zich mee. Het verheugt ons dat hiermee rekening wordt gehouden in de sociale zekerheid.

Voorts wordt het leefloon opgetrokken en aan de welvaart aangepast. Na twee regeerperiodes zal het leefloon met 10% zijn gestegen, zoals de regering in 1999 trouwens had beloofd.

Ook inzake huisvesting heeft de regering positieve maatregelen genomen: het recht op wonen is in de Grondwet ingeschreven, maar dat betekent nog niet dat het een realiteit is. Steeds meer mensen hebben het zeer moeilijk om een onroerend goed te kopen of een woning te huren.

Als socialisten zijn we blij met wat we hebben bereikt. We zullen erop toezien dat de genomen maatregelen worden uitgevoerd en worden gecontroleerd en dat verdere stappen in de goede richting worden gedaan.

Sommige sociale maatregelen kunnen slechts worden gerealiseerd mits de economie goed draait. Onze economie heeft een hoger groeipercentage dan het gemiddelde in onze buurlanden. Dat is zeer belangrijk. Voor het vijfde opeenvolgende jaar zal ons land een van de beste scores in de Eurozone behalen.

Het concurrentievermogen van ons land zal nog worden verhoogd door een betere fiscale samenwerking tussen de verschillende beleidsniveaus. Gisteren werd de Waalse begroting voorgesteld en die gaat dezelfde richting uit. Dat moet ook op federaal vlak tot tevredenheid stemmen.

Ook positief is dat de faillissementsgraad het afgelopen jaar met 14% is gedaald tegenover het jaar daarvoor. Tegelijkertijd werden in ons land dit jaar 33.000 nieuwe ondernemingen opgericht.

Ondanks die gezonde economie blijft de situatie voor heel wat medeburgers precair.

We moeten het socialezekerheidssysteem dat gebaseerd is op het principe van de verantwoorde solidariteit en dat een verzoening van sociale maatregelen en een concurrerende economie mogelijk maakt, verdedigen en versterken.

Niet alleen op economisch vlak, ook inzake leefmilieu is de toestand precair. De standpunten van Al Gore stemmen dan ook overeen met onze bekommernissen.

Ons Kyotoplan gaat niet ver genoeg. Dat moeten we durven zeggen. Er is nood aan nieuwe instrumenten om de catastrofale opwarming van de aarde aan te pakken. Hierbij vestigen we onze hoop op de internationale rol van BelgiŽ.

Zoals de eerste minister onderstreepte is die internationale rol belangrijk: met de aanwezigheid van troepen in Libanon, Afghanistan en Congo wil BelgiŽ een bijdrage leveren aan de democratische en sociale ontwikkeling van die landen en vermijden dat nieuwe conflicten uitbreken.

We kunnen dan ook enkel maar instemmen met het voornemen van de regering om tegen 2010 0,7% van het BBP aan ontwikkelingssamenwerking te besteden. Een verhoging van de budgettaire middelen voor ontwikkelingssamenwerking is absoluut noodzakelijk in de betrekkingen tussen Noord en Zuid, tussen armen en rijken.

BelgiŽ moet niet alleen aandacht hebben voor de internationale veiligheid, maar ook voor de veiligheid van de eigen burgers. Ik zal ten slotte dan ook stilstaan bij de maatregelen inzake Justitie en Binnenlandse Zaken.

De eerste minister had het over het toenemende geweld tegen onschuldige slachtoffers.

In die context steunen we de maatregelen van de regering inzake Justitie. We zijn vooral verheugd over de nadruk die wordt gelegd op de opportuniteit van de straf en de resocialisatie.

In sommige van die maatregelen vinden we een synthese terug van twee waarden die ons na aan het hart liggen: het humanisme, dat ook in het gevangeniswezen aanwezig moet zijn, en de veiligheid van onze medeburgers.

Ik denk hierbij aan de volgende maatregelen: de oprichting van de strafuitvoeringsrechtbanken, waarover in de Senaat en vooral in de commissie voor de Justitie uitvoerig is gedebatteerd, de uitbreiding van het elektronisch toezicht en de verbetering van de situatie in de gevangenissen, met name door de aanwerving van nieuwe penitentiaire agenten.

De PS-fractie neemt ook nota van het voornemen van de regering om de politie, en vooral de lokale politie te versterken. We hopen dat de belofte van 3.200 extra politieagenten tegen het einde van de regeerperiode zal worden ingelost.

Die agenten kunnen worden ingezet om de bescherming van de burgers te verbeteren en om de aanwezigheid op het terrein te vergroten. Ze kunnen zich bezighouden met hun hoofdopdracht, die van nabijheidspolitie, zonder de bijkomende opdrachten te moeten vervullen die de federale politie hun al te vaak oplegt.

In de beleidsverklaring wordt duidelijk een versterking van de sociale bescherming in al haar facetten en een beheersing van de openbare uitgaven aangekondigd. Bijzondere aandacht gaat naar de veiligheid van onze medeburgers en naar de uitdagingen op internationaal en milieuvlak.

Er wordt niet van ons verwacht dat wij vertrouwen geven aan de regering, dat is de taak van de Kamer. We zullen een eventuele eenvoudige motie ondertekenen, maar niet zonder voorbehoud. Dat doen we trouwens nooit.

Dat vertrouwen houdt in dat we de regering tot het einde van de regeerperiode met een waakzaam oog zullen volgen; dat is de opdracht van de wetgevende macht tegenover de uitvoerende macht.

De heer Bart Martens (SP.A-SPIRIT). - Ik beperk mij tot de maatregelen inzake de fiscale hervorming en het energiebeleid.

BelgiŽ is Europees koploper in het belasten van wat goed is voor de maatschappij. Arbeid wordt in geen enkel OESO-land zo zwaar belast als in BelgiŽ. De arbeidskosten zijn dan ook dermate hoog dat de werkgelegenheid hieronder lijdt. Het is zeer duur om laaggeschoolden aan te werven.

Tegelijkertijd bengelt BelgiŽ aan de staart van het Europese peloton inzake de belastingen op wat slecht is voor de maatschappij. Het milieubelastend grondstoffengebruik wordt in ons land bijna niet belast.

De regering probeert die scheeftrekking in de nieuwe beleidsverklaring recht te zetten. Ploegenarbeid wordt goedkoper en de loonkosten voor onderzoekers worden verder verlaagd. Dat moet ons land op de weg zetten naar een duurzame kenniseconomie en naar de activering van veel meer mensen.

De beleidsverklaring bevat ook een belangrijk hoofdstuk over ecofiscaliteit. De fiscale aftrekbaarheid van investeringen in energiebesparende initiatieven wordt verhoogd. Dat is positief. Mensen die energie willen sparen en het milieu willen ontzien, worden beloond. Met dergelijke maatregelen kunnen onze energieverslaving en onze energieverspilling een halt worden toegeroepen. Wie zijn huis beter isoleert, wie zijn oude stookketel door een moderne condensatieketel vervangt of wie fotovoltaÔsche zonnepanelen plaatst, krijgt een extra fiscaal steuntje.

Ook het gebruik van verpakkingsafval zal hoger worden belast. Die maatregel is op heel wat scepsis onthaald. Nochtans heeft een vergelijkbaar systeem van gedifferentieerde belastingen op primaire verpakkingsmaterialen in Denemarken mooie resultaten opgeleverd. Producenten brengen daar minder verpakkingsmaterialen op de markt en milieubelastende verpakkingen worden door minder belastende verpakkingen vervangen.

FOST Plus, de verpakkingsindustrie en zelfs de Vlaamse minister van Leefmilieu maken weinig onderscheid tussen het recyclage- en het productbeleid. Dat verpakkingsmateriaal volledig of grotendeels kan worden gerecycleerd, betekent immers niet dat het gebruik niet milieubelastend is. Uit alle levenscyclusanalyses blijkt dat glazen wegwerpverpakkingen nog altijd zeer belastend zijn voor het milieu, ondanks het feit dat ze voor 80 tot 90% worden gerecycleerd.

Een gedifferentieerde belasting op verpakkingsmaterialen kan ertoe leiden dat we milieubelastende verpakkingen door minder belastende vervangen. Op die manier leveren we een extra bijdrage tot de vermindering van de uitstoot van broeikasgassen en andere vervuilende stoffen. Dat kan ons milieu alleen maar ten goede komen.

Ik hoop alleen dat die belasting niet zoveel opbrengt als geprogrammeerd is. Dat zou immers betekenen dat de bedrijven onder invloed van de belasting inderdaad hun gedrag wijzigen in de plaats van de kosten integraal aan de consument door te rekenen. Hopelijk zullen bedrijven door deze belasting inderdaad minder en andere verpakkingen op de markt brengen.

Deze belasting afdoen als een pure financieringsheffing lijkt me niet juist. Het is een regulerende, gedragsturende heffing die resultaat moet opleveren en dat volgens mij ook zal doen. Ik betreur dan ook de reactie van de verpakkings- en de voedingsindustrie, die de indruk wekken dat ze geen keuze hebben en geen maatschappelijke verantwoordelijkheid moeten dragen. Hun berekeningen lijken me helemaal overtrokken. Volgens de prognoses van de federale regering zal de belasting per jaar 300 tot 350 miljoen euro opleveren. Dat is zo'n 30 euro per inwoner. Om dat op te blazen tot een totaalbedrag van 200 euro per gezin, moet men toch van slechte wil zijn.

In elk geval geniet de fiscale hervorming die in de beleidsverklaring wordt aangekondigd, onze volle steun. We moeten inderdaad af van het belasten van arbeid en komen tot het belasten van wat slecht is in deze maatschappij, namelijk energieverspilling en negatieve invloed op het milieu.

Ik wil nog even ingaan op de hervorming van ons energielandschap. In de beleidsverklaring is daarover weinig of niets terug te vinden, maar de premier heeft er op dit spreekgestoelte wel op ingezoomd. In de dagen voorafgaand aan de beleidsverklaring is er nauw overleg geweest met de grote bazen van SUEZ en Gaz de France, die, zoals iedereen weet, een fusie plannen met grote gevolgen voor de dominantie van de spelers op onze energiemarkten, zowel op het vlak van de productie en levering van stroom als van de levering van aardgas.

Het is goed dat de Europese Commissie dit dossier met argusogen volgt en tracht te voorkomen dat de fusie voor de consument negatief uitpakt, omdat ze leidt tot minder keuze tussen verschillende concurrerende energieleveranciers en door afwezigheid van concurrentie tot het wegvallen van de neerwaartse druk op de prijzen. Het is ook goed dat ons land heeft geprobeerd bovenop de engagementen die SUEZ en Gaz de France al tegenover de Europese Commissie zijn aangegaan, nog bijkomende maatregelen af te dwingen.

Wij geven de Pax Electrica bis dus het voordeel van de twijfel, al zouden we wel graag de precieze inhoud ervan willen kennen. Tot nog toe moeten we daarvoor voortgaan op berichten in de media. We moeten er toch voor opletten dat dergelijke akkoorden niet leiden tot een enorm democratisch deficit. Nu is het de premier die herenakkoorden sluit op de canapť van de Wetstraat 16. We moeten ervoor zorgen dat die akkoorden ook afdwingbaar en duidelijk zijn en dat iedereen de inhoud ervan kent.

In die zin blijven we enigszins sceptisch, omdat we ook zien dat de eerste Pax Electrica, de eerste, vrijwillige overeenkomst tussen SUEZ en de federale regering, alles behalve volledig is uitgevoerd. Die eerste Pax Electrica kwam er na het overnamebod van SUEZ op alle Electrabelaandelen. Volgens die overeenkomst zou SUEZ zich bijvoorbeeld uit het beheer van het hoogspanningsnet terugtrekken tot onder de blokkeringsminderheid en een pakket stroom van 500 megawatt op de Belpexbeurs brengen. Die engagementen zijn nog helemaal niet nagekomen en dat doet uiteraard vrezen voor de afdwingbaarheid van het nieuwe, vrijwillige akkoord.

Het akkoord omvat een aantal positieve elementen. Het is goed dat drie volwaardige spelers op de markt kunnen komen. Het is positief dat de Pax Electrica bis kan leiden tot een reddingsoperatie van de tweede speler op de markt, SPE, en dat er een derde speler kan komen. Dat zal evenwel niet voldoende zijn om een competitieve stroommarkt te ontwikkelen. We zullen voor prijsregulering moeten zorgen, zodat, enerzijds, de prijzen voor de consument niet hoger worden en, anderzijds, de dominante speler op de markt de prijzen van de ene dag op de andere niet volledig doet instorten. Dit zou als gevolg hebben dat nieuwe investeringen uitblijven en concurrentie op termijn onmogelijk wordt.

We wensen duidelijkheid over wat er nu precies is overeengekomen tussen SUEZ en de federale overheid. Mocht de overeenkomst onvoldoende blijken, dan houden we ons het recht voor om het regelgevend werk voort te zetten en ervoor te zorgen dat de concurrentie op de markt effectief gewaarborgd blijft, ten voordele van de consument en ten voordele van het milieu.

Als we de keuze hebben tussen de bestendiging van het bestaande monopolie met de kunstmatige levensduurverlenging van aftandse, vuile en steeds onveiliger wordende elektriciteitscentrales of een gelijk speelveld en een investeringsklimaat voor nieuwe spelers, effectief investeren en de bouw van performantere elektriciteitscentrales, dan kiezen we voor het tweede. We hopen dat de hervorming van de energiemarkt dat niet onmogelijk maakt.

De heer Paul Wille (VLD). - Nooit twee zonder drie! Mochten we op het einde van deze bespreking de laatste begroting van de regering kunnen goedkeuren, dan zou de rentree nog belangrijker zijn. Met de hervorming Dehaene-Tobback is dit echter niet meer de taak van de Senaat. Het spanningsveld van ons debat vandaag is dan ook anders dan dat van de Kamer.

Tijdens de beleidsverklaring heb ik de lichaamstaal van de premier en die van de collega's in de zaal goed bekeken. Ik heb ze geplaatst tegenover de lichaamstaal van het jaar voordien. Er zijn een paar opvallende dingen.

Ondanks het nachtelijke werk was de premier merkwaardig gezond en bevlogen. Nadat de verklaring was voorgelezen was de gelukzaligheid die ik de jongste maanden in dit halfrond bij een aantal mensen kon bespeuren en die we ons herinneren uit de periode van `Mooi, het leven is mooi' nagenoeg verdwenen.

In de uiteenzetting van de fractievoorzitter van de CD&V was er geen sprake van grote tevredenheid. Ze maakte weliswaar een paar vergelijkingen die ze ook naar zichzelf had kunnen doortrekken, onder meer over ontwikkelingssamenwerking, maar haar meeste argumenten waren niet bijzonder inhoudelijk.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De opmerkingen van de oppositie zijn even inhoudelijk als de opmerkingen van een hele reeks professoren, zoals uw notoire voormalige collega Paul De Grauwe, die in De Standaard de begroting deskundig de grond hebben ingeboord. Ze stellen dat deze begroting absoluut niet duurzaam is. Misschien was de non-verbale communicatie van deze specialisten toen zij de begroting onder ogen kregen, nog veelzeggender dan de non-verbale communicatie van de premier dinsdag.

De heer Paul Wille (VLD). - Ik stel voor dat collega Beke reageert op wat ik zeg in plaats van op wat ik moet zeggen, en dat hij reageert op mij in plaats van op die paar mislukte academici, die toch al niet onze grootste vrienden zijn en die van de gelegenheid gebruik maken om zaken te zeggen waarvan nauwelijks iemand vindt dat ze op hun academische waarde moeten worden getoetst.

In verband met geloofwaardigheid wil ik trouwens herinneren aan de grote expert van de CD&V, gewezen minister van FinanciŽn Van Rompuy, die jaar na jaar zegt dat de financiŽle benadering van de regering nergens toe leidt en dat na een jaar de ontmaskering van het beleid al zwart op wit zal blijken. Er zijn ook nog enkele gezellen-vazallen zoals de picadors ŗ la Pieter De Crem, die nog eens mogen steken met argumenten die op emopolitiek berusten, maar die niet echt kwetsen omdat het aangekondigde falen geen werkelijkheid werd. De regeringen-Verhofstadt presenteerden niet alleen elk jaar een begroting als een geheel, met zijn voor- en tegenstanders, maar ook bleek na een jaar de rekening telkens te kloppen. Op het vlak van geloofwaardigheid en verantwoordelijkheid was de uiteenzetting van de premier van dinsdag dus niet zo slecht. Integendeel.

De VLD zal vandaag niet proberen het debat dat in de Kamer werd gevoerd, over te doen of er een afkooksel van te maken. Daar is geen behoefte aan. Ik wil daarmee echter helemaal niet zeggen dat de Senaat niet voldoende ruggengraat heeft om een degelijk debat te voeren. We moeten wel van de gelegenheid gebruik maken een aantal zaken te zeggen.

De VLD-fractie is van mening dat, meer nog dan vorige jaren, er een evenwicht in de begroting is waarin wij ons als liberaal-democraten zeer goed kunnen terugvinden. Een goed bestuur bestaat niet alleen uit het opsommen van cadeaus, maar ook uit minder populaire maatregelen. Dat is besturen. Sommige partijen, zowel uit de meerderheid als uit de oppositie, kennen dat. Andere partijen hebben, gewild of ongewild, de lusten en de lasten van het bestuur nog niet meegemaakt. Dit keer is de begroting veel evenwichtiger dan sommige vorige begrotingen. Onze fractie zal de begroting dan ook steunen.

Ik wil nog iets zeggen over paars besturen in een ruimer geheel. We staan bijna aan het einde van een rit van acht jaar paars bestuur.

Maar laat mij duidelijk zijn over dat `bijna'. Het is immers niet zeker dat de winnaars van de opiniepeilingen vandaag in het voorjaar de verkiezingen winnen. Tussen de peilingen van de herfst en de echte verkiezingen ligt er zowel voor de meerderheid als voor de oppositie nog een lange en harde winter. Het werkstuk dat voorligt, zal er hopelijk vele mensen van overtuigen dat de balans van het paarse beleid positief is.

Een groot deel van de mensen, vooral zij die het echt nodig hebben, zijn er zeker niet op achteruitgegaan. De maatregelen voor economische en sociale vooruitgang zijn wel degelijk in evenwicht met elkaar. Het Zilverfonds en het Generatiepact zijn het resultaat van beleidsbeslissingen van de huidige ploeg. Academici die niet aan politiek doen of verstandige politieke waarnemers zijn, zien hierin het bewijs dat de regering de belangrijke uitdagingen is aangegaan waarmee vooral toekomstige generaties zullen worden geconfronteerd. De weerslag van die maatregelen is misschien niet onmiddellijk voelbaar, maar er moet wel geld voor worden gereserveerd.

Het paarse bestuur stond en staat garant voor een degelijk tweesporenbeleid op economisch en sociaal vlak. Het gaat in tegen het dorpsideaal dat de Vlaamse minister-president promoot in zijn nieuw boek. Vol nostalgie verwijst hij naar de wereld van vroeger, die kleinschaliger en zogenaamd menselijker was. De gedachten zijn vrij, maar voor mijn aanvoelen volgt hij een conservatief denkspoor dat haaks op onze visie staat.

In onze ogen mag men de global village-gedachte niet weglachen. Ondanks de ruk naar behoudsgezindheid bij de bevolking zal die gedachte in de komende decennia volledig doorbreken. De technologische ontwikkeling en de goede individualisering - niet het materialisme - zijn op lange na nog niet op hun hoogtepunt. Onze visie is er ťťn van individualisering met aandacht en respect voor de noden aan de onderkant van de maatschappij.

Men kan de maatschappelijke problemen altijd op twee manieren benaderen: ofwel gelooft men in de kracht en de creativiteit van het individu en in het respect voor elke mens, ofwel geeft men toe aan conservatieve reflexen en aan immobilisme en plooit men zich op zichzelf terug. Met alle respect voor de heer Leterme, maar ik denk dat hij die laatste keuze heeft gemaakt.

Het is immers veel gemakkelijker om toe te geven aan de verleidingen van het immobilisme en te kiezen voor een klein aantal zekerheden. Het vraagt daarentegen veel meer moed om ongeŽffende paden in te slaan en alternatieven te zoeken. Angst en frustratie mogen ons toekomstbeeld niet overheersen. Onze samenleving verandert steeds sneller en laat ruimte noch tijd voor stagnatie. Er ligt maar ťťn weg open: de weg vooruit, die wordt afgebakend door de wil om te innoveren.

Ik zeg dat niet zelfgenoegzaam, maar het moderne liberalisme, een progressieve beweging die gelooft in de kansen voor eenieders mogelijkheden, wijst ons die weg. Onze levensvisie is er een van geloof in de kracht en in de meerwaarde van elk individu en in de bundeling ervan tot maatschappelijke vooruitgang.

Dť waarheid bestaat niet. Ze is aan wijziging onderhevig. In die overtuiging ligt precies het verschil tussen rechtsconservatieven en progressieven en liberalen. Er kan maar vooruitgang worden geboekt, als men bereid is iedere dag opnieuw aan zekerheden te twijfelen. Door steeds opnieuw zekerheden in twijfel te trekken, creŽert men nieuwe inzichten. Soms ligt dat moeilijk bij de publieke opinie. Het is echter de taak van de politicus om vooruit te kijken en de mensen voor zijn inzichten enthousiast te maken.

Men kan mijn woorden als zeer algemeen beschouwen. Ze zijn echter ook praktisch.

Ik geef het voorbeeld van de werkgelegenheidsgraad om mijn ergernis over het verloop van dit debat in het parlement, de publieke opinie en de media aan te tonen. Als econoom kijk ik graag naar cijfers. De werkgelegenheidsgraad is toegenomen van 57% in 1998 tot 60,3% in het eerste semester van dit jaar. Tegenover het vorige jaar is dat een lichte daling. Het is juist dat dit een tegenvaller is, omdat de regering rekende op een werkgelegenheidsgraad van 62,1% tegen het einde van dit jaar. Die lichte daling is evenwel te wijten aan het feit dat de bevolking in de beroepsactieve leeftijd sterker is gegroeid dan het aantal jobs.

De oppositie probeert die cijfers in een context te plaatsen waar ze economisch niet thuishoren. De werkgelegenheidsgraad is niet statisch. Het is een dynamisch gegeven. Niet elke periode kent dezelfde economische groei. Ook de toename van de beroepsbevolking evolueert. De professoren Vuchelen en De Grauwe zouden eens kunnen bestuderen of het principe van de gemiddelde werkgelegenheidsgraad per trimester kan worden toegepast.

Sinds het aantreden van paars in 2003 tot en met de eerste jaarhelft van 2006 zijn er 157.522 jobs bijgekomen, dat wil zeggen 13.127 per trimester of 146 per dag. Wanneer het gemiddelde wordt doorgetrokken tot en met het tweede trimester van 2007 komen we tot 210.031 jobs. We baseren ons dan op de gemiddelde cijfers, waarin ook rekening wordt gehouden met trimesters die een minder sterke economische groei kenden dan de trimesters op het einde van de legislatuur. De kiezer zal de cijfers beoordelen. De eerste minister had het bij de aanvang van de legislatuur over het streefcijfer van 200.000. Sommige mensen zeggen dan ook dat met 157.000 dat streefcijfer nog niet bereikt is. Wanneer echter het principe van de werkgelegenheidsgraad wordt gehanteerd en de cijfers in hun dynamiek worden bekeken, dan moeten we toegeven dat de hoop om aan 200.000 nieuwe jobs te geraken bijzonder groot is.

Ik hoop dat wij in de toekomst bij de beoordeling van de begroting deze stijl om met feiten en met politieke overtuigingen om te gaan, steeds meer kunnen overnemen.

De houding van de premier en van de volledige regeringsploeg sterkt mij in de overtuiging dat het paarse project er ťťn is dat alsnog veel toekomst heeft. Sommige uitspraken van de Vlaamse minister-president, niet in minst die over communautaire aangelegenheden, geven daarenboven aan dat er geen tijd te verliezen is en dat alle progressieve geesten moeten worden gebundeld om niet te vervallen in een samenleving die op angst en verstarring gebaseerd is. Het liberalisme als humane beweging en als basis voor een rechtvaardige maatschappij met kansen voor iedereen, heeft dan ook een duidelijke weg.

De lichaamstaal van de leden van de meerderheid tijdens de beleidsverklaring van de premier was positief. Staat u mij dan ook toe, net als Churchill te zeggen: dit is nog niet het einde, het is zelfs niet het begin van het einde, het is hooguit het einde van het begin.

Mevrouw Marie-HťlŤne Crombť-Berton (MR). - Wanneer de regering een begroting in evenwicht aankondigt, verkondigt de oppositie luidkeels dat de regering liegt. Dat scenario heeft zich de voorbije acht jaar telkens voorgedaan. Sinds acht jaar blijkt echter uit de cijfers dat de regering de waarheid zegt. Laten we ernstig zijn en erkennen dat goed werk is verricht.

Bovenop het evenwicht zorgt de regering voor een overschot van 0,3% dat volledig wordt gewijd aan de financiering van de vergrijzing. Dat komt neer op 900 miljoen voor het veilig stellen van de financiering van de toekomstige uitdagingen. Het primaire saldo bedraagt 4,3%, dankzij het in bedwang houden van de uitgaven in alle federale departementen. Daardoor kan de inspanning voor de vermindering van de openbare schuld worden volgehouden. De openbare schuld zal zakken tot 83,9% van het BBP in 2007, een ongeŽvenaarde prestatie in de eurozone. Een staatsschuld van 114,9% van het BBP, het resultaat dat werd bereikt toen de liberalen nog niet opnieuw aan de macht waren, ligt ver achter ons. Door die budgettaire toestand neemt het vertouwen van de consumenten toe en is er een positief effect op de economische groei.

De MR-fractie herhaalt dat de regering op de goede weg is door de lasten te verlagen die op onze bedrijven wegen, en dat ze zich niet vergist in haar keuze om arbeid aantrekkelijker te maken. Dat is vandaag niet altijd het geval.

We steunen de nieuwe belastingverlagingen voor onderaanneming, overuren en winstuitkeringen.

Ten slotte is de onderneming van de toekomst ook de onderneming die morgen zal worden opgericht. Daarom moet, zoals de regering het zich voorneemt, het ondernemerschap worden aangemoedigd door het leven van kandidaat-ondernemers makkelijker te maken. In 2007 zal de oprichting van een onderneming in BelgiŽ nog slechts drie dagen in beslag nemen.

Van de voorgestelde fiscale maatregelen is er ťťn die mijn aandacht heeft getrokken. Het betreft de eigen middelen waarvoor in nieuwe lagere tarieven zal worden voorzien. Daardoor wordt aangemoedigd dat heel wat kapitaal dat vandaag niet door de bedrijven wordt gebruikt, in onze economie wordt geherinvesteerd.

Deze vernieuwende maatregel is vrijwillig en aanmoedigend en de bedrijven wordt keuzevrijheid gelaten. Het is geen nieuwe verplichte belasting.

Ik kom ook terug op de heffing op het verpakkingsafval. Sommigen verwerpen die heffing omdat ze menen dat de voornaamste doelstelling erin bestaat geld terug te laten vloeien naar de Staatskas - de heffing zou ongeveer 320 miljoen euro opbrengen.

Het begrotingsevenwicht kan niet met toverkunst worden bereikt. Er moest speelruimte worden geschapen. De regering heeft dat gedaan, maar heeft ervoor gezorgd dat die nieuwe belasting in dienst staat van lovenswaardige sociale waarden.

De nieuwe groene belasting komt tegemoet aan dergelijke waarden. Ik zal niet, zoals sommigen, dat initiatief veroordelen zonder het de tijd te gunnen om de budgettaire doeltreffendheid en het sociale en milieueffect ervan te bewijzen.

De regering vermindert over het geheel genomen de heffingen van fiscale aard, maar bevestigt tegelijkertijd haar prioriteit van de strijd tegen de fiscale fraude, als noodzakelijke consequentie van de belastingverminderingen. De middelen die daaraan worden gewijd worden uitgebreid: niet minder dan 256 miljoen euro worden vrijgemaakt voor die doelstelling.

Ik kom tot het hoofdstuk over sociale materies.

Onze fractie verheugt zich over het feit dat de uitgaven in de gezondheidszorg in het keurslijf blijft van het groeicijfer van 4,5%. We zien opnieuw bezorgdheid en respect voor de budgettaire orthodoxie.

Bovendien bereidt de regering de toekomst voor door de oprichting van een fonds van 300 miljoen euro voor de gevolgen van het onvermijdelijke fenomeen van de vergrijzing.

Wat de specifieke maatregelen op het vlak van de sociale zekerheid betreft, vestig ik de aandacht op het nieuwe OMNIO-statuut dat binnenkort zal worden goedgekeurd en dat als doel heeft het preferentieel tarief inzake gezondheidszorg uit te breiden tot gezinnen waarvan de inkomsten zich onder een bepaalde drempel bevinden, zonder dat, zoals nu het geval is, aan bijkomende voorwaarden moet worden voldaan. Door deze buitengewoon sociale maatregel zullen de economisch zwakkeren zich tegen een lagere kostprijs kunnen laten verzorgen.

De inwerkingtreding van het Generatiepact gaat verder. Ik denk aan de invoering en de financiering van het stelsel van de pensioenbonus, dat als doel heeft mensen ertoe aan te zetten langer te werken. Het doet me in het bijzonder plezier dat de zelfstandigen niet vergeten werden op dat vlak.

Als liberaal ben ik blij dat de verhoging van de kinderbijslag voor het eerste kind van zelfstandigen in de regeringsverklaring is opgenomen. Er bestond immers een onbegrijpelijke, onaanvaardbare discriminatie ten opzichte van duizenden gezinnen waarvan de leden op actieve en betekenisvolle wijze bijdragen aan de rijkdom van het land. Die discriminatie wordt minder scherp. We zijn op weg naar wat de absolute regel moet zijn: `Een kind is een kind'.

Wat is sociaal-economisch welzijn echter waard zonder het behoud van het essentiŽle: de bescherming van personen en goederen? Er zijn verschillende voorstellen voor de verbetering van de opvang van seksuele delinquenten, zowel op het vlak van de bescherming van de maatschappij als in de gevangenissen. Ik ben evenwel ontgoocheld dat er niets te vinden is in het hoofdstuk repressie.

De regeringsverklaring van 2003 kondigde immers een aanscherping van de wet-Lejeune aan, meer bepaald de verplichting drie vierde van de straf uit te zitten in het geval van recidive bij geweldsdelicten. Er moest ook aan een automatische terbeschikkingstelling van de regering worden gedacht in het geval van seksuele delicten. Door zich te beperken tot behandeling en opvolging zonder de repressie op te voeren, verwaarloost de regering een belangrijk element dat zou kunnen bijdragen tot de vermindering van de recidive.

In februari 2007 moet een nieuw instrument zijn stempel drukken op de voorwaardelijke invrijheidsstelling: de strafuitvoeringsrechtbanken, die de MR reeds meer dan tien jaar wenst en die nu eindelijk geconcretiseerd worden door de minister van Justitie. Ze moeten wel over voldoende middelen beschikken om hun taak correct te kunnen vervullen.

Camera's zijn onmiskenbaar een waardevol technisch instrument voor de politie, maar ze mogen niet in de plaats komen van de agenten.

De door de regering aangekondigde verhoging van de operationele capaciteit van het politiekorps, de gerealiseerde bijkomende aanwervingen in de politiezones en de bijkomende aanwervingen van burgerpersoneel zijn eveneens goed nieuws, alsook de aankondiging van 2000 bijkomende politiemensen op straat eind dit jaar. Dat is een oude eis van de MR. Dit zal ongetwijfeld bijdragen tot een vermindering van het onveiligheidgevoel dat sommige medeburgers ervaren.

Ik kom tot de kwestie van de huisvesting. Ik ben verheugd dat de regering zich, aan het einde van deze regeerperiode, voorneemt het huurpandenbestand uit te breiden, meer bepaald in de grote steden.

We moeten vaststellen dat de huurprijzen van appartementen of woningen over het algemeen verhogen. Hoe kan het ook anders met de stijging van de aankoopprijzen van vastgoed? Tegelijkertijd zijn er onvoldoende sociale woningen. Door die situatie komen veel gezinnen in een zeer moeilijke situatie terecht.

Het recht op wonen is een grondrecht dat gewaarborgd wordt door de Grondwet. De uitvoering van dat recht moet worden verzekerd. De regering heeft zich dat prijzenswaardige doel gesteld.

Sommige fiscale maatregelen beogen de privť-eigenaars: fiscale aanmoediging van verhuring via een sociaal verhuurkantoor, BTW van 6% in plaats van 21% bij afbraak van een onbewoonbare woning die wordt vervangen door nieuwbouw; andere maatregen beogen publieke eigenaars: BTW van 6% in plaats van 12% voor de bouw van sociale woningen door gewestelijke huisvestingsmaatschappijen. Al die maatregelen zullen ongetwijfeld beterschap brengen in de situatie.

Ik kan de regering echter niet volgen in haar beslissing om de huurwaarborg tot twee maanden huur te verminderen. Die maatregel zal de toegang tot de huisvesting niet aanmoedigen, maar bemoeilijken. Ik vrees ten stelligste dat een vermindering van de huurwaarborg er de eigenaars toe zal aanzetten enkel te verhuren aan mensen die een stabiel en voldoende inkomen waarborgen, met uittreksels als bewijs.

Ik begrijp dat het moeilijk is voor een gezin om bij het begin van de huur een bedrag neer te tellen dat drie maanden huur bedraagt. Er moet een oplossing gevonden worden voor dat probleem, maar het is niet aan de eigenaars om dat op te lossen.

De eigenaars van appartementen of huizen zijn niet uitsluitend grote maatschappijen die het hoofd kunnen bieden aan nalatigheden van een huurder. Het zijn vooral eigenaars uit de middenklasse die hun huur nodig hebben om hun inkomen of hun pensioen aan te vullen of om hun hypothecaire lening af te betalen. Die nieuwe maatregel kan zeer nadelig zijn voor hen.

De regeringsverklaring is geen verklaring van het einde van een regeerperiode. Het is een ambitieus project, waardoor we de toekomst tegemoet kunnen zien met de sterke overtuiging dat we het essentiŽle hebben bewaard: een overschot op de begroting, een sociale zekerheid die tot de meest efficiŽnte van de wereld behoort en een sterk verlaagde fiscaliteit. Daarvoor dankt de MR de regering en moedigt ze haar aan verder te doen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Guy Verhofstadt is iemand die er als geen ander in slaagt waarnemers, commentatoren en misschien zelfs de publieke opinie op het verkeerde been te zetten, althans voor even. De dag na zijn verklaring in Kamer en Senaat luidde het dat paars helemaal terug is, dat we met een herboren Verhofstadt te maken hadden, bevlogener en voluntaristischer dan ooit. Verhofstadt is het levende bewijs dat perceptie in de politiek soms belangrijker is dan de realiteit. Alleen wanneer na een paar dagen het stof is gaan liggen, blijkt dat de bevlogen woorden van de premier voor een stuk windowdressing waren. Het drama van Verhofstadt is dat hij zichzelf nog gelooft ook, al is hij op het einde van de rit de enige die dat nog doet.

Besturen is meer dan beheren, besturen is grenzen verleggen. Dat heeft de premier hier zelf gezegd. De premier heeft inderdaad grenzen verlegd, niet zozeer de grenzen van het voluntarisme, maar wel die van het cynisme, van de arrogantie van de macht, van de schaamteloze pretentie en van de zelfvoldaanheid. Het is begrijpelijk dat een premier probeert zijn beleid zo positief mogelijk voor te stellen. Daar is niets op tegen. Het omgekeerde zou verbazen. Ik heb echter nog nooit meegemaakt dat een premier zichzelf op het einde van de rit punten geeft, een 7 of zelfs een 8 op 10, een grote onderscheiding dus. Dat is voor een premier die nu al jaren in een virtuele paarse wereld rondhuppelt, een staaltje van pretentieuze zelfbewieroking zonder voorgaande. En in die sfeer van voluntarisme geeft hij nog een klap aan Yves Leterme, die weggestuurd wordt met een schamele 5 op 10. Niet gehinderd door enige vorm van bescheidenheid beschrijft de premier zichzelf als de stoere kapitein die op de voorplecht met visie en missie het schip door de woelige baren stuurt, terwijl Leterme wordt afgedaan als een amechtige beheerder die wat doelloos ronddobbert op zee. Paars was altijd wel te vinden voor een nummertje CD&V-bashing. Nu komt er nog een nummertje Leterme-bashing bij.

De heer Paul Wille (VLD). - Waarom zou de VLD altijd het mikpunt moeten zijn?

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mijnheer Wille, ik ben hier niet om de heer Leterme te verdedigen. Ik stel alleen een aantal dingen vast.

De wijze waarop de premier zijn begroting heeft voorgesteld is bij wijlen hilarisch, maar de wijze waarop hij ons de heffing op verpakkingen probeert aan te praten is hallucinant. We worden geacht te geloven dat we die heffing te danken hebben aan Al Gore. De bevlogen Guy Verhofstadt wordt bij het zien van Al Gore's filmpje over de opwarming van de aarde ten gevolge van de CO2-uitstoot, als een Saulus van zijn paard gebliksemd en beslist om daar stante pede iets aan te doen. In plaats van te leuteren over het Kyotoverdrag, gaat hij tot actie over en voert een verpakkingsheffing in. We worden geacht te geloven dat de maatregel niets te maken heeft met het dichtrijden van het gat in de begroting. We worden geacht te geloven dat het bedrag van de verpakkingsheffing en de verhoging van de accijnzen op tabak toevallig overeenstemmen met het virtuele begrotingsoverschot dat de premier uit zijn mouw schudt. We worden in alle ernst geacht te geloven dat de consument een keuze heeft: als hij zijn koopgedrag aanpast, kan hij de heffing ontlopen. Papier en karton vallen inderdaad buiten het toepassingsgebied van de heffing, maar ik ken geen winkel waar men pakweg tandpasta in een kartonnen doos kan kopen.

Fiscale stimuli kunnen het gedrag van mensen sturen, maar als een gat in de begroting gedicht moet worden, geef dan toe dat je als regering daarvoor een heffing gebruikt. Ik zei het al, de consument heeft met de verpakkingsheffing geen keuze.

Wat de accijnzen betreft, wordt het belachelijk wanneer de minister van Begroting komt vertellen dat een accijnsverhoging rokers kan aanzetten tot stoppen met roken.

Als we de excellenties mogen geloven, hopen ze bij een volgende begrotingscontrole vast te kunnen stellen dat er geen begrotingsoverschot meer is omdat de heffing gewerkt heeft. Niemand die die redenering serieus neemt.

De waarheid is dat verpakkingsheffing alleen dient om het gat in de begroting te helpen dichten. Waarom daar niet eerlijk voor uitkomen?

Er is echter nog meer aan de hand met die heffing. Met die heffing gooit de premier met een pennentrek het succesvolle recyclagebeleid over boord, dat zorgvuldig werd uitgetekend door onder meer de Vlaamse regering. Minister Peeters vroeg zich woensdag in het Vlaams Parlement dan ook terecht af in welke mate de maatregel zijn eigen milieubeleid doorkruist.

De VLD die wellustig applaudisseert voor de heffing, zou daarenboven moeten weten dat de voedingsindustrie heeft berekend dat de heffing een gemiddeld gezin een 200 euro per jaar zal kosten. Als dat cijfer klopt, laten we dat even aannemen, dat moeten we beseffen dat de hardwerkende Vlaming die dit jaar - niet alleen onder luid applaus van de VLD, maar van heel de meerderheid en zelfs van de oppositie- door het Vlaams parlement werd beloond met een lastenverlaging, nauwelijks enkele maanden later dat voordeel ingevolge de verpakkingsheffing moet afstaan aan de federale overheid. Met de ene hand geven, met de andere terug nemen.

In het dossier van de verpakkingsheffing kunnen we echt spreken van de arrogantie van de macht. Twee keer heeft het Arbitragehof de heffing op drankverpakkingen geschorst. Nadat het Arbitragehof de heffing in 2005 had vernietigd, voert paars ze in 2006 opnieuw in.

Woensdag schorste het Arbitragehof de heffing voor de tweede keer. Nu gaat de regering opnieuw een verpakkingsheffing invoeren en legt ze daardoor de uitspraak van het Arbitragehof naast zich neer.

In een normale democratie zou een regering die zich op een dergelijke arrogante manier boven de wet stelt en de uitspraken van het hoogste rechtscollege van het land naast zich neerlegt, de laan worden uitgestuurd. In dit land heeft de notie verantwoordelijkheidszin echter plaatsgemaakt voor de waan van de dag. Het begrip rechtsstaat kan nu definitief worden opgeborgen.

Als na de euforie het stof gaat liggen, komt er tijd voor wat meer nuancering. Deze begroting is als een kartonnen doos die te lang in de regen heeft gestaan. Er worden snel nog wat touwen rond gebonden om te voorkomen dat ze helemaal uit elkaar valt.

Enkele economen hebben de begroting inderdaad vakkundig afgemaakt. Professor De Grauwe wordt voor zijn uitspraak `gebuisd'. Professor Moesen zegt over de begroting het volgende: `De regering hoopt op 250 miljoen besparingen op de departementen, de gemeenten en de deelgebieden. Maar welke besparingen dat moeten zijn, wordt nergens uitgelegd. Het blijft dus bij een vrome wens, met als bijgedachte: hoe we dat uitvoeren, zien we nog wel. Als ik de rekensom maak, stel ik vast dat ongeveer 2,2 miljard van de 4,6 miljard gevonden wordt door cosmetische, eenmalige maatregelen. Vroeger waren die flankerend, als bij de begrotingscontrole bleek dat de doelstelling niet werd gehaald. Nu zijn ze ingecalculeerd van in het begin. Het is alsof een kleuter zegt dat ťťn plus ťťn drie is en iedereen in de handen klapt.'

De meerderheid klapt in de handen voor een begroting die nochtans vol zit met de klassieke trucs. De regering schuift betalingen voor zich uit en int sommige belastingen vroeger. De obligate strijd tegen de fiscale fraude zit er uiteraard ook weer bij. Professor Vuchelen vraagt zich daarbij af hoe de fiscus die strijd zal voeren als hij zelfs niet in staat is de eigen inkomsten te berekenen. Ik lees dat bedrijven nog nauwelijks worden gecontroleerd. In 2005 hebben bijna 40.000 bedrijven geen aangifte gedaan en werden ze dan maar forfaitair belast op een geschatte winst van 9.000 euro.

Een tweede truc bestaat erin opnieuw pensioenfondsen in te schrijven en dat voor het niet onaardige bedrag van 500 miljoen euro. Het parlement mag echter niet weten over welke pensioenfondsen het gaat. Ofwel weet de regering het niet, ofwel wil ze het niet zeggen en wordt het parlement geacht een blanco cheque te ondertekenen.

Het dossier Cofinimmo betekent zeker een streep door de rekening van de regering, maar toch gaat de regering rustig door met de verkoop van gebouwen daarbij niet gehinderd door het vernietigende rapport van het Rekenhof dat het heeft over `een tijdbom onder de toekomst'. De regering schrijft 600 miljoen euro in als opbrengst van de verdere uitverkoop van het patrimonium. Wellicht zal premier Verhofstadt ooit het parlement meedelen dat hij geen gebouwen meer zal verkopen omdat alles al verkocht is.

Met trucs die nu al jaren worden toepast, creŽert de regering een evenwicht en soms een virtueel overschot. Paars dweept met het overschot. Paars dweept met de schuldratio die inderdaad gedaald is tot 83% van het BBP.

Dat cijfer oogt spectaculair, maar we mogen niet vergeten dat de teller van de nominale staatsschuld nu al op 11.300 miljard staat. De regering zwijgt zedig over de conjunctuur- en de rentemeevallers. Evenmin wordt gezegd dat paars die rentemeevallers gulzig heeft opgesoupeerd zodat een kleine rentestijging in de toekomst zal volstaan om de begroting danig te doen ontsporen.

In het hoofdstuk Tewerkstelling zagen we de Eerste minister op zijn best, namelijk als een meester in misleiding en vervalsing. Hij stond dinsdag op het spreekgestoelte molenwiekend te peroreren dat Eurostat een dag vůůr de beleidsverklaring had bekendgemaakt dat er sinds 2003 netto 157.000 jobs zijn bijgekomen. Mijn collega in de Kamer Gerolf Annemans heeft contact opgenomen met Eurostat, waar men hem wist te melden dat de meest recente cijfers dateren van 14 september en dat de volgende op 14 december zullen worden gepubliceerd. Naar het schijnt komt het woord `liegen' niet in de parlementaire woordenschat voor, maar het minste wat we kunnen zeggen is dat de heer Guy Verhofstadt de waarheid zwaar geweld heeft aangedaan.

Er kunnen trouwens heel wat kanttekeningen worden geplaatst bij de positieve berichten van de meerderheid over de economische toestand. De werkloosheidsgraad is het afgelopen jaar boven 8% gestegen. Dat is nog altijd hoger dan het gemiddelde in de Eurozone. Er zijn 88.000 werklozen meer dan in 1999. Een groot deel van de nieuwe jobs werden niet in de privť-economie, maar in de gesubsidieerde economie gecreŽerd. Tevens zijn er 46.000 ambtenaren bijgekomen.

Ook met de concurrentiekracht van onze bedrijven is het niet goed gesteld. In de competitiviteitsindex van het World Economic Forum is BelgiŽ in zes jaar tijd van de zeventiende naar de drieŽndertigste plaats gezakt. Ons land verliest marktaandelen en de buitenlandse investeringen bedroegen vorig jaar nog slechts 44 procent van die in 2004. De Europese Commissie heeft haar prognoses voor de economische groei in ons land al bijgesteld. In de Lissabonindex bekleedt BelgiŽ de veertiende plaats op vijfentwintig landen. Er is dus niet echt veel reden om hoog van de toren te blazen en bescheidenheid is geboden.

De eerste minister achtte het nodig en nuttig om op het einde van zijn beleidsverklaring de moraliserende toer op te gaan. Hij waarschuwde voor simplismen en voor het opzetten van bevolkingsgroepen tegen elkaar. Het was zeer demagogisch om wie oppositie voert tegen zijn beleid om de communautaire status-quo behouden, te beschuldigen van het tegen elkaar opzetten van bevolkingsgroepen.

Een goede verstaander heeft een half woord nodig. De eerste minister had Vlaams minister-president Leterme mogen bedanken omdat de Vlaamse regering bereid is geweest reserves op te bouwen die mee bepalend zijn voor het begrotingsresultaat op federaal vlak. De heer Leterme krijgt echter stank voor dank.

Nu Verhofstadt zich voorgoed van de rechtervleugel van zijn eigen VLD heeft ontdaan, schurkt hij schaamteloos aan tegen de Parti socialiste, ook al worden burgemeesters, schepenen en beheerders van sociale huisvestingsmaatschappijen van die partij met de regelmaat van de klok door het gerecht van corruptie en belangenvermenging beschuldigd. In de beleidsverklaring wordt met geen woord gerept over incidenten rond Kaplan, Dendermonde, Hoxha en Stacy en Nathalie. Bij die incidenten werd het begrip ministeriŽle verantwoordelijkheid wel op zeer bizarre wijze ingevuld: het betekende namelijk helemaal niets.

In 1999 was premier Verhofstadt er als de kippen bij om in de dioxinecrisis de kop van de verantwoordelijke ministers te eisen, net zoals hij dat ook deed bij de ontsnapping van Dutroux. Nu ziet hij er echter geen been in dat zijn minister van Justitie enig begrip opbrengt voor het feit dat Murat Kaplan niet uit penitentiair verlof terugkeerde omdat hij geen perspectief meer had, dat een pedofiel vervroegd vrijkomt, dat het blijkbaar drie jaar duurt voor er in de gevangenis van Dendermonde nieuwe sloten komen en dat een bendeleider ongestoord in Antwerpen kan rondwandelen. De heer Verhofstadt heeft er geen probleem mee te regeren met een partij waarvoor het begrip `politieke verantwoordelijkheid' altijd op een ander slaat, nooit op zichzelf.

De onderliggende politieke boodschap van de beleidsverklaring en van het debat in de Kamer en vandaag in de Senaat is bijzonder duidelijk: paars wil voortgaan, ook na 2007, met als inzet de communautaire status-quo en dus de verdere schaamteloze welvaartsdiefstal van Vlaanderen ten voordele van WalloniŽ. Paars wordt de inzet van de volgende verkiezingen.

Intussen dendert de Verhofstadttrein voort, langs de zelfgefabriceerde Potemkindorpen. Achter de faÁade van de goednieuwsshow van Verhofstadt bevindt zich echter de nuchtere Vlaming die wel door heeft dat hij voor het vrijwaren van zijn toekomst, zijn veiligheid en zijn identiteit met paars bedrogen uitkomt. Bijgevolg rest de Vlaming volgend jaar maar ťťn keuze en dat is paars wegstemmen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Bij haar aantreden stelde de regering zich twee hoofddoelen: een begroting in evenwicht en de creatie van 200.000 nieuwe banen.

Wat de jobcreatie betreft, nam Ecolo de regering op haar woord en startten we een website op waar we de evolutie op de voet volgen. Het vooropgestelde doel is ver van bereikt, zeker wanneer de referentiepunten steeds veranderen. Volgens de cijfers van de administratie zijn er tot heden 91.500 nieuwe banen bijgekomen, veel minder dus dan de beweerde 157.000 banen. Ik betwijfel dat het vooropgestelde cijfer voor het einde van de legislatuur zal worden gehaald.

Elk jaar weer gaat de regering er prat op dat haar begroting in evenwicht is. Dat is helaas slechts schijnbaar zo, want er is geen structureel evenwicht bereikt. Dat zien we als we kijken naar de aanpassing en de controle voor 2006, de begroting 2007 en de hypotheken die nog wegen op 2005, zoals de beslechting van het dispuut met Eurostat over de schuld van de NMBS. Als de Commissie niet volgt, dan zal het begrotingsevenwicht moeilijk bereikt kunnen worden.

Er wordt gezegd dat er deze keer minder one shot-operaties zijn, wat tevens bewijst dat van dergelijke operaties in de vorige begrotingen wel gebruik werd gemaakt. Dit jaar gaat het om 1,2 miljard euro, dat is niet niks. Zoals elk jaar zijn het vooral de gemeenschappen en de gewesten die de federale regering uit de nood moeten helpen. Volgens het Rekenhof biedt ook de verkoop van gebouwen weinig soelaas, aangezien men de huur moet blijven betalen.

Ook van de dienstencheques wordt gebruik gemaakt om de begroting in evenwicht te brengen, wat toch verbazend is als men 200.000 jobs wil creŽren. Er zullen minder middelen beschikbaar zijn voor dienstencheques en voor dienstenchequebedrijven. Het is bekend dat het voor de, voornamelijk vrouwelijke, werknemers van die bedrijven al zeer moeilijk is om een indexering van hun inkomen te bedingen, laat staan een verhoging. Niettemin draait men de kraan dicht, wat ongetwijfeld een weerslag zal hebben, ook op de jobcreatie in deze sector.

De nieuwe heffing is niets meer dan een lapmiddel en heeft niets te maken met een milieuheffing. Het doet me denken aan het experiment met de ecotaks. Intussen zou men moeten weten dat het niet Ecolo is dat aanstuurt op ecotaksen, maar wel Reynders. Of het een goed idee is, zal nog moeten blijken. Toch lijkt de verpakkingsheffing mij in de eerste plaats een budgettair lapmiddel, terwijl het voornaamste doel fiscale ontrading moet zijn om het gedrag van producenten en consumenten te veranderen. Het is een soort biologisch afbreekbare heffing die overbodig wordt en vanzelf verdwijnt. In dit geval denk ik veeleer dat men hoopt dat de heffing een tijdje zal blijven bestaan zodat het evenwicht van de begroting niet in het gedrang komt.

De eerste minister zag er na het bekijken van de film van Al Gore een middel in om de uitstoot van broeikasgassen en CO2 te verminderen. Verpakkingen veroorzaken een zeer kleine fractie van de CO2-uitstoot, namelijk 0,5%. Iedereen weet dat vooral in de transportsector de uitstoot van CO2 dringend moet worden aangepakt, maar daar blijven de maatregelen uit.

Ik denk daarbij aan het volstrekt aberrante voorbeeld van een vlucht Charleroi-Luik, waarbij 33 ton CO2 per week wordt uitgestoten. Waarom wordt dat niet fiscaal ontraden?

De weigering om de transportsector aan te pakken is ongetwijfeld het gevolg van intens lobbywerk. Men pakt nu de verpakkingssector aan die maar verantwoordelijk is voor 0,5% van de CO2-uitstoot. Verder wordt reizen met de trein duurder. Als men echt iets wilde doen aan de CO2-uitstoot, had men belangrijke maatregelen kunnen nemen inzake treintarieven.

Aan de strijd tegen voertuigen zonder roetfilters werd met de hulp van de media veel aandacht besteed. Het is een gezondheidskwestie. De eerste minister had op de Autosalon een belastingaftrek voor dergelijke filters aangekondigd. Daar is niets van terechtgekomen, maar vandaag kondigt men ons een belastingsaftrek van 150 euro aan.

We weten nochtans dat, als men de aankoop van voertuigen met een roetfilter wil aanmoedigen, men beter met een premie werkt dan met een aftrek die pas twee jaar later voelbaar is. Alleen op die manier kan men het koopgedrag van de consument bijsturen.

Een ander belangrijk punt is de oprichting van een asbestfonds. Ik juich dit toe, want Ecolo ijvert al lang voor een vergoeding van asbestslachtoffers. De eerste minister heeft die slachtoffers ontmoet en was onder de indruk, net zoals wij dat vele jaren geleden al waren.

Ik vraag de regering om hiervan snel werk te maken op basis van de teksten die in de Kamer al zijn uitgewerkt. Ik heb daarover zelf voorstellen ingediend in deze Senaat, maar dat doet er niet toe. De werkzaamheden in de Kamer zijn al verder gevorderd; er is al een advies van de Nationale Arbeidsraad en van de sociale partners over uitgebracht.

De schade aan de gezondheid van de betrokken werknemers of zelfstandigen moet worden vergoed, maar ook van de passieve slachtoffers die daar onrechtstreeks mee te maken hebben gekregen. Er moet ook aandacht zijn voor de morele schade van de slachtoffers en hun omgeving.

Onze verantwoordelijkheid is groot omdat men asbest is blijven gebruiken op het moment dat iedereen al wist dat het gevaarlijk was en dat de stof ziekte, kanker en de dood veroorzaakt. Toch werd asbest pas in het begin van de jaren negentig verboden.

We hebben dus een grote verantwoordelijkheid, zowel met betrekking tot de schade aan de gezondheid van de getroffenen als de morele schade voor alle slachtoffers. Ik hoop dat de regering haar medewerking zal verlenen aan de teksten die in de Kamer worden voorbereid.

Ik kom nu tot een aantal maatregelen inzake het milieu, die mij ontoereikend lijken. Vooreerst wordt er inzake `verwarming en energie' niets gedaan met het oog op de reductie van de CO2-uitstoot.

Ik zie alleen de oprichting van een aantal fondsen. Het Kyotofonds wordt FEDESCO, dat de energieaudit moet uitvoeren in acht van de 1.800 bestaande overheidsgebouwen, hetzij 0,4%. Tegen dat tempo duurt het nog een eeuw voordat in onze gebouwen isolatie en energiehuishouding op verantwoorde wijze worden beheerd.

Het tweede fonds, dat in februari 2006 is opgericht, heeft betrekking op de globale reductie van energiekosten. Daarvoor is 100 miljoen euro uitgetrokken, maar het fonds is nog niet actief.

Ik verneem dat een gedeelte van de nucleaire provisies van Synatom zal worden gebruikt. Het idee is goed, op voorwaarde dat de afschrijvingsperiodes van die investeringen correct worden toegepast, wat ik betwijfel. Er is geen enkele garantie dat het geld correct wordt gebruikt waarvoor het bedoeld is of voor meer energie-efficiŽntie. We zullen daar dus nog moeten op terugkomen om na te gaan of de middelen correct zijn aangewend.

Het laatste fonds wordt gestijfd met de bijdrage van de petroleumsector in de financiering van de korting op de stookoliefactuur. Er wordt nu gezegd dat dit fonds zal worden gebruikt voor de ontwikkeling van duurzame energiebronnen. Ik hoop daar spoedig meer over te vernemen, want op de vele vragen daarover kwam nooit een antwoord.

De federale regering heeft inzake duurzame energie nog veel werk te doen en mag de hete aardappel niet simpelweg naar de gewesten doorschuiven. Daartoe dienen immers de fondsen. Ik hoop dat dit ook zal gebeuren maar voor het ogenblik zien we meer intenties en verwarring dan concrete acties.

Ik ben blij dat er een onderdeel over het woonbeleid in deze beleidsverklaring staat. Iedereen weet evenwel dat het verschil tussen de evolutie van het inkomen en van de huurprijzen 46% bedraagt. Dat betekent dat als de inkomens met 100 euro stijgen, de huurprijzen met 146 euro stijgen. Dat is enorm, vooral in de grote steden, maar niet alleen daar.

Er moesten dringend maatregelen genomen worden. De interministeriŽle conferentie kondigt die al lang aan. Het einde van de legislatuur is in zicht en na vier jaar heeft de berg een muis gebaard! De aangekondigde maatregelen werden in 2004 al op de superministerraad van Oostende in het vooruitzicht gesteld. We zijn nu in 2006 en men zou ze beginnen uitvoeren in 2007.

Het gaat daarbij vooral om maatregelen inzake de huurwaarborg. Toch is het een gemiste kans. Men had een win-winvoorstel kunnen uitwerken waarvan zowel de huurder als de verhuurder beter werd. De meeste verhuurders zullen in de problemen komen met de verlaging van de huurwaarborg van drie tot twee maanden huur en zullen zelf moeten opdraaien voor wanbetaling door de huurder.

Via een huurwaarborgfonds had men de kosten voor de huurders, die soms tot 64% van hun inkomen aan huur uitgeven, kunnen beperken maar tegelijk ook de eigenaars kunnen helpen in geval van huurschade of wanbetaling vanwege de huurder. Met de regeringsmaatregel zijn noch de huurders noch de eigenaars tevreden. Ik begrijp niet goed waarom hij werd genomen.

Er is ook veel gesproken van blokkering of regulering van de huurprijzen. Wanneer de huur verstrijkt, slaat de prijs op en soms op buitensporige wijze. Dit wordt op geen enkele wijze gereguleerd en er wordt dus niet ingegaan op dringende sociale noden binnen het woonbeleid.

Ik besluit met een aspect dat in het algemeen wordt opgevolgd door mijn collega Dubiť. Ik verheug me over de aankondiging van een aantal maatregelen inzake internationale betrekkingen, ook al zijn het voor het ogenblik nog maar intentieverklaringen.

Ik denk vooral aan de deelname van Belgische troepen aan operaties van conflictbeheersing maar ook aan de hervorming van de NAVO, waarover we het in de commissie zullen hebben, en aan de ondersteuning van de heropbouw in Congo.

Over enkele weken vindt er de tweede ronde van de presidentsverkiezingen plaats. We hopen dat alles optimaal zal verlopen. Maar na de verkiezingen, die ook nog in de provincies moeten worden gehouden, zal hard gewerkt moeten worden aan de wederopbouw. Ik hoop dat BelgiŽ de internationale gemeenschap zal blijven mobiliseren voor de heropbouw van dit grote land, ook na de fase van de politieke heropbouw.

Ons oordeel over de sociale maatregelen en de maatregelen inzake milieu is dus vrij hard. Het begrotingsevenwicht werd, zoals de vorige jaren, ook dit jaar niet bereikt. Positief zijn een aantal maatregelen zoals de hervorming van het WIGW-stelsel tot een OMNIO en het welvaartsvast maken van de sociale uitkeringen, ook al gebeurt dit onvoldoende en te traag.

We noteren dus enkele positieve elementen, maar te weinig en te laat. Helaas wordt niet over deze verklaring gestemd.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik zal het hoofdzakelijk hebben over de materies waarvoor onze assemblee speciaal bevoegd is, waarbij ik zal trachten niet in herhaling te vallen met wat al in de Kamer werd gezegd. Ik laat de budgettaire en financiŽle aspecten van de beleidsverklaring buiten beschouwing en zal me beperken tot het buitenlands beleid en het veiligheids- en politiebeleid.

Het verheugt me dat de eerste minister zijn verklaring is begonnen met het departement Buitenlandse Zaken. We kunnen niet anders dan ons verheugen over het toekomstige lidmaatschap van BelgiŽ van de Veiligheidsraad als niet-permanent lid en over de moed en verantwoordelijkheidszin waarmee ons land zich ertoe heeft verbonden onze soldaten naar Kosovo, Afghanistan en heel recent Libanon te sturen. We kunnen niet anders dan instemmen met de aangekondigde kwijtschelding van de bilaterale schulden van Congo en met de keuze voor een relance van een echt Europees beleid.

Zo gezien kan het regeringsbeleid de unanieme goedkeuring wegdragen van de democratische partijen. Na een diepgaande analyse van de verklaring en vooral van de bijlage over Buitenlandse Zaken, heeft CDH echter vastgesteld dat wij met sommige punten niet akkoord kunnen gaan.

Wat het buitenlands beleid betreft, heb ik vooral kritiek op de veiligheidsoptie en op de afwezigheid van debat of transparantie in het beleid dat moet worden uitgewerkt ten opzichte van de Europese Unie en de NAVO. Ik zal ook wijzen op een aantal patstellingen waaruit de internationale gemeenschap zich noodgedwongen zal moeten bevrijden, wil ze haar geloofwaardigheid behouden.

Ook al lijkt de eerste minister - met het enthousiasme dat hem kenmerkt - opgetogen over de evolutie van de buitenlandse betrekkingen, toch schuift hij in zijn beleidsverklaring vooral een veiligheidsvisie naar voren. Ik vind de veiligheidsbenadering niet de meest geschikte en ook niet de enige oplossing. We mogen de problemen ook niet ontkennen.

Ik zal twee voorbeelden geven. Het eerste heeft betrekking op het migratiebeleid. Onmiddellijke veiligheidsoplossingen nemen steeds vaker de overhand op oplossingen die rekening houden met de ontwikkelingsproblematiek, die slechts in vage bewoordingen in de beleidsverklaring wordt aangeraakt.

Men heeft het over een dialoog op hoog niveau over het thema `migratieontwikkeling', eventueel gevolgd door een forum. Dat is niet erg concreet. De strijd tegen de gevolgen van clandestiene immigratie daarentegen zou op korte termijn worden georganiseerd.

Het andere voorbeeld betreft de Europese relance. De twee volksraadplegingen waarin het verdrag werd afgewezen, hebben vragen opgeroepen, zowel bij de burgers als bij niet-gouvernementele organisaties in heel Europa. De burgers hadden vragen bij de sociale dimensie van het Europese model en over het democratisch deficit van de Europese instellingen. Ik stel vast dat de regering het behoud van de beslissingsmacht van de Unie als eerste prioriteit vooropstelt. Zij lijkt zich echter geen zorgen te maken over de subsidiariteit en over de rol van de nationale parlementen. De democratische legitimiteit van de Unie zou daardoor nochtans worden versterkt en de burger zou zich meer betrokken voelen.

De tweede regeringsprioriteit heeft betrekking op de concrete resultaten die de Unie moet kunnen voorleggen. Renaud Dehousse onderstreept terecht dat de wil om in Europa samen te leven veeleer een kwestie is van projecten dan van instellingen. Wellicht moeten we teruggrijpen naar de methode van een van de grondleggers van Europa, Jean Monnet. Zijn methode bestond erin resultaten te boeken. Ik stel echter vast dat men de burger eerst en vooral concrete resultaten wil tonen op het gebied van veiligheid en justitie. Sociaal-economische doelstellingen komen maar op de tweede plaats in de regeringsnota, terwijl milieudoelstellingen nauwelijks worden vermeld.

Zo is er op dit ogenblik veel te doen over de liberalisering van de postdiensten en de verdwijning van de universele dienstverlening. Ik vrees dat de burger dat soort negatieve gevolgen op rekening van de Europese Unie schrijft.

De Europese burgers hebben het recht verwachtingen te koesteren wat veiligheid betreft. De totstandkoming van een ruimte van vrijheid, veiligheid en rechtvaardigheid is dus een prioriteit. De samenwerking op deze terreinen raakt echter aan de gevoeligste bevoegdheden van onze democratische samenlevingen en aan de basisbeginselen van onze rechtsstaat. We moeten dan ook veel aandacht besteden aan het evenwicht tussen veiligheid en vrijheid. Recente gebeurtenissen zoals de uitwisseling van persoonlijke gegevens in de Swift-affaire, van passagiersgegevens in het luchtverkeer en de geheime CIA-vluchten tonen aan dat onze fundamentele vrijheden in heel wat dossiers op het spel staan.

We moeten opnieuw leren zeggen dat alle problemen niet noodzakelijk bedreigingen vormen en dat veiligheidsmaatregelen niet altijd het beste antwoord zijn.

Het tweede verwijt dat ik de regering maak, heeft betrekking op haar functionalistische benadering van de internationale organisaties.

Ik vind het inderdaad spijtig dat men internationale organisaties benadert vanuit het oogpunt van de spill-over, alsof zij zich automatisch en autonoom ontwikkelen ten opzichte van de nationale regeringen en hun burgers. Ik geef twee voorbeelden.

De Europese Unie hecht meer belang aan resultaten dan aan de broodnodige voortzetting van het debat over de grondbeginselen van de Unie, haar bestaansreden, haar doelstellingen. Het is mogelijk dat een dergelijk debat afschrikt. Ik vind echter dat we over de Unie en haar werking moeten durven spreken.

De hervorming van de NAVO werd door de minister van Buitenlandse Zaken tijdens de Diplomatieke Dagen voorgesteld als onvermijdelijk, rekening houdend met de evolutie van de internationale betrekkingen na de val van de Berlijnse muur en de ineenstorting van het communisme.

De NAVO is geen defensieorganisatie meer, maar een organisatie van collectieve veiligheid.

Ze is niet meer regionaal, aangezien ze verondersteld wordt zich via partnerschappen overal ter wereld uit te breiden en zich niet meer te beperken tot het Westen.

In het Noord-Atlantisch Verdrag van 1949 zijn de Staten overeengekomen gezamenlijk op te treden als een van hun leden wordt aangevallen. Toen in 1999 het Strategisch Concept werd goedgekeurd, hebben de Staten verklaard dat vredeshandhaving en conflictpreventie - zonder geografische beperking - belangrijker zouden worden dan de wederzijdse verdediging tegen een aanval.

Deze radicale veranderingen binnen de Organisatie werden doorgevoerd zonder verdragswijziging. Voor sommige NAVO-acties bestaat geen duidelijke juridische basis. Men kan zich dan ook afvragen of men het debat met de burger niet heeft willen vermijden door de teksten waarop de Organisatie haar legitimiteit en die van haar interventies baseert, niet aan te passen.

We vinden het spijtig dat de volgende Top van Riga niet wordt aangegrepen voor een helder debat en een herziening van het verdrag waardoor de NAVO kan handelen conform haar eigen teksten. Ik vraag de regering zich niet tevreden te stellen met een strenge controle op de uitvoering van de NAVO-begroting. Zij moet ook toezien op de eerbiediging van het oprichtingsverdrag van de organisatie en dat zo nodig aanpassen, maar na een echt democratisch debat met de burger.

Overigens herinner ik eraan dat de NAVO niet de belangrijkste veiligheidsorganisatie is: overeenkomstig het Handvest is dat de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Afgezien van de gevallen van wettige zelfverdediging kan de NAVO alleen optreden met een mandaat van de Veiligheidsraad. De dubbelzinnigheid van de regering hieromtrent is onaanvaardbaar.

Ik verwees al naar de opgetogenheid van de eerste minister, ondanks de vele patstellingen waaruit de internationale gemeenschap zich moet zien te bevrijden. Het treft me dat ik in de nota Buitenlandse Zaken die bij de beleidsverklaring van de regering is gevoegd, analyses vind over conflicten waarin Belgische troepen optreden, conflicten waarop de internationale gemeenschap duidelijk geen vat heeft, en dat is een eufemisme.

In Kosovo bijvoorbeeld hebben de diplomatieke inspanningen om een institutionele oplossing te vinden, geen enkele vooruitgang opgeleverd. Op het terrein mediatiseren bepaalde Servische leiders de incidenten al te zeer en bestempelen die als etnische agressie. Wetende dat de Servische minderheid twee en een half jaar lang uitgesloten werd van deelname aan de werkzaamheden van de assemblee van Kosovo en aan de regering, zijn die spanningen lang niet onschuldig. Het internationale optreden in die regio moet dringend worden herzien. We moeten creatievere oplossingen durven overwegen die deze bevolkingsgroepen dichter bij mekaar brengen. We mogen niet, zoals ik gelezen heb in bepaalde perscommuniquťs van de VN, rekenen op de ontwikkeling van de privť-sector, de privatisering of de liberalisering om de situatie te verhelpen. Op economisch gebied is privatisering of liberalisering niet voldoende. Er zijn ook investeringen nodig. Welnu, wie zal in die regio investeren als de veiligheid en de politieke stabiliteit niet verzekerd zijn? En dat is toch de eerste opdracht van de internationale organisaties.

In Afghanistan worden we teleurgesteld. In eerste instantie leek het herstel van de veiligheid binnen handbereik, maar sedert enige tijd wordt de situatie erger. De wrevel van de lokale bevolking ten opzichte van de buitenlandse troepen neemt toe. De NAVO ontdekt met ontsteltenis de overblijvende slagkracht van de Taliban. De NAVO geeft zichzelf echter zes maanden om de veiligheid te verbeteren, met andere woorden, de Taliban te verslaan. Als dit niet het geval is, zal er volgens generaal Richards, de commandant van ISAF, een probleem rijzen. De situatie is dermate zorgwekkend dat, volgens het dagblad Le Monde, Frankrijk eraan denkt zijn elitetroepen terug te trekken uit Afghanistan. De NAVO, die eerst geloofde dat bepaalde situaties geregeld waren, beseft nu dat in Afghanistan, net als in Irak, een langdurige bezetting vereist, ja zelfs onontbeerlijk is en dat die bezetting averechtse gevolgen heeft.

Dan is er nog Libanon. De beslissing om onze troepen naar dat land te sturen, overeenkomstig resolutie 1701, is een zeer goede zaak. We hebben de regering gesteund toen ze deze moedige beslissing heeft genomen, maar ik herinner er wel aan dat deze vermijdbare, wellicht zinloze oorlog aan weerszijden van de grens voor doden en gewonden heeft gezorgd. De VN waren in dit conflict niet bij machte zich te laten horen. De Europese Unie was niet zeer eensgezind. De visies van Duitsland en Spanje waren nogal uiteenlopend. ItaliŽ, dat het initiatief genomen heeft om de conferentie van Rome te organiseren, werd onterecht bekritiseerd. Moest het dan werkeloos toezien? Op diplomatiek vlak moest werkelijk alles worden geprobeerd. Volgens mij was Europa niet voldoende aanwezig in dit drama, hoewel het een wezenlijke rol te spelen had.

Het verheugt mij in de federale beleidsverklaring te lezen dat BelgiŽ, met betrekking tot het Midden-Oosten, `elk initiatief van de internationale gemeenschap zal ondersteunen teneinde, op het geschikte moment, tot een algehele vredesoplossing te komen'. De tijd dringt. Elke dag sterven immers Palestijnse en IsraŽlische burgers, ook kinderen, een onzinnige dood. Gaza wordt geconfronteerd met een humanitaire crisis. De lonen van de Palestijnse ambtenaren zijn al zes maanden geblokkeerd als gevolg van de door IsraŽl en de internationale gemeenschap opgelegde sancties. De, nochtans legitieme, Palestijnse regering zit gevangen op haar eigen grondgebied. Het toppunt is dat IsraŽl opnieuw een grootscheepse militaire operatie zou plannen. De problemen ter plaatse kunnen uiteraard niet op die wijze worden geregeld.

Ondertussen steunt BelgiŽ de idee van een conferentie, een soort Oslo II, die over een jaar zou plaatsvinden. Daartegen zal de muur, die nochtans door de internationale gerechtelijke autoriteiten werd veroordeeld, afgewerkt zijn en zal Gaza waarschijnlijk nog slechts een puinhoop zijn. Bepaalde studiecentra, zoals de International Crisis Group en NGO's, zoals de Internationale Federatie voor de Mensenrechten, roepen op tot de onmiddellijke opheffing van de sancties tegen het Palestijnse volk, voordat alle inspanningen in het kader van de Europese Unie voor de instelling van de Palestijnse Autoriteit en voor de verbetering van de levensomstandigheden van de bevolking teniet gegaan zijn, met andere woorden, vůůr de volledige ineenstorting van de Palestijnse instellingen. We moeten logisch zijn. We hebben het project voor een Palestijnse Staat gesteund. We steunen het respect voor het internationaal recht. We mogen dan ook niet de nuttige en dringende projecten in de regio opgeven.

In Kosovo, Libanon, Afghanistan en het Midden-Oosten zijn de vooruitzichten lang niet rooskleurig. Het is tijd om een gewaagder diplomatie te proberen. Het zou goed zijn dat de Europese Unie dit beseft voor al deze dossiers.

Het tweede gedeelte van het beleid `internationale betrekkingen' van BelgiŽ gaat over de ontwikkelingssamenwerking. De eerste minister heeft aangekondigd dat Congo een prioriteit blijft in het buitenlands beleid van ons land. We waarderen ook de voortzetting van de investeringen voor Congo. De investeringen en de financiering van de wederopbouw na de verkiezingen vormen echter ook een kernprobleem. Het verbaast mij dat daarover niets staat in de federale beleidsverklaring, en al evenmin in de bijlage over de buitenlandse betrekkingen, wat nog verontrustender is. De regering zal mij wellicht antwoorden dat het juist met die bedoeling is dat ze beslist heeft de schulden van Congo kwijt te schelden. Dankzij dit initiatief moet het land een nieuwe start kunnen nemen. We blijven echter voorzichtig en wachten af hoe die schuldkwijtschelding zal worden doorgevoerd. De komende maanden zullen wij dit gedeelte van het regeringswerk nauwlettend gadeslaan.

De eerste minister heeft overigens een verhoging van het bedrag van de openbare ontwikkelingshulp beloofd. Die zou, met 0,5% van het BBP, de doelstelling van 0,7% in 2010 beter benaderen. De verhoging van onze openbare ontwikkelingshulp zou eens te meer het resultaat zijn van de kwijtschelding van de Congolese schuld.

Volgens de CDH is dit een budgettaire operatie ten koste van een echt ontwikkelingsbeleid. Ze is zelfs betwistbaar in de geest van de millenniumdoelstellingen en van de in Monterrey bereikte consensus, waar gevraagd werd dat de middelen die verleend worden voor de schuldkwijtschelding niet in mindering zouden komen van de bedragen voor de openbare ontwikkelingshulp die voor de ontwikkelingslanden beschikbaar moeten zijn of worden geboekt.

Op 30 mei verklaarde de heer De Decker in een persmededeling: een interministeriŽle werkgroep maakt thans de evaluatie op van de uitvoering, door BelgiŽ, van zijn verplichtingen inzake openbare ontwikkelingshulp. Indien de conclusies van de werkgroep niet de zekerheid bieden dat de verplichtingen van BelgiŽ worden gerespecteerd, worden nieuwe maatregelen genomen naar aanleiding van de begrotingscontrole van juli. Wat zijn de resultaten van die werkgroep? Kunnen wij over de conclusies ervan beschikken vůůr het einde van de legislatuur?

Ik het kader van de analysenota over het beleid inzake internationale betrekkingen van ons land, verheugt het mij dat BelgiŽ verklaart mee te doen met de Europese en niet-Europese landen die instemmen met de heffing op vliegtuigtickets om meer middelen te kunnen vrijmaken voor de openbare ontwikkelingshulp. Dat is een goede zaak, ook al heeft het enige tijd geduurd om de maatregel, die voor de regering een probleem leek te vormen, te concretiseren.

Het tweede gedeelte van mijn uiteenzetting heeft betrekking op aangelegenheden inzake de lokale politie, op de al menigmaal aangekondigde versterking van het aantal beschikbare personeelsleden of eenheden. De regeringsverklaring is daarover nogal vaag. We weten overigens niet of de lokale dan wel de federale politie er versterkt zal uitkomen. We hebben de indruk dat die onduidelijkheid in stand wordt gehouden om te verdoezelen dat de werkelijkheid onder de beloftes van 2004 blijft. Op de website info zones die de structuur van de verschillende politiezones weergeeft, zijn alleen de cijfers van 2004 beschikbaar.

Er worden bijzondere wervingsmaatregelen beloofd voor verschillende korpsen met een chronisch tekort, maar ze worden niet gepreciseerd. De oprichting van een korps van gemeenschapswachten wordt aangekondigd, met als doel alle veiligheidsberoepen te verenigen onder ťťn enkele benaming. We hebben inderdaad de opkomst gezien van stewards, parkwachters, preventie- en veiligheidsagenten. Onlangs riep Elio Di Rupo op tot de aanstelling van echte bobbies. Is het dat wat men wil invoeren onder het begrip gemeenschapswachten? Ik denk dat we ons moeten bezinnen over de wijze waarop activiteiten op het gebied van de openbare veiligheid moeten worden beheerd of overgelaten.

Inzake de politiezones is iedereen het ermee eens dat de KUL-norm, die de verdeling van de gemeentelijke dotaties over de politiezones vastlegt, betwistbaar is en moet worden herzien. De verklaring bevat in dat opzicht weinig nieuwe, formele en geloofwaardige elementen. We vinden er ook geen enkele maatregel in voor de verbetering van het ASTRID-netwerk, dat nog niet het volledige Belgische grondgebied bedient.

In de verklaring staat wel iets over de rationalisering van de structurele organisatie van de brandweerdiensten, maar niets over de financiering ervan en over de tenlasteneming, door de federale regering, van ongeveer de helft van de kosten van die diensten, terwijl thans 90% van die diensten ten laste vallen van de gemeenten. We moeten zeer nauwgezet toezien hoe de regering deze hervorming van de brandweerdiensten zal doorvoeren.

Tot zover onze opmerkingen met betrekking tot de verklaring van de regering over haar algemeen beleid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Toen ik de eerste minister - hopelijk voor de laatste maal - zijn regeringsverklaring hoorde afleggen, kon ik me niet van de indruk ontdoen dat we een vergadering van een middeleeuwse rederijkerskamer bijwoonden, waar over een willekeurig onderwerp, dat geen betrekking heeft op de werkelijkheid, wordt gesproken. Spreekvaardigheid staat daarbij centraal. De eerste minister zou ongetwijfeld hoofdman geworden zijn van een middeleeuwse rederijkersgilde.

Het wordt natuurlijk moeilijker als we over de werkelijkheid willen spreken. De critici van de begroting zijn vanmorgen reeds gediscrediteerd. Het volstaat het niet eens te zijn met de meerderheid om gediscrediteerd te worden. Dat is een evolutie in onze democratische omgang. De heer Sturtewagen, redacteur van De Standaard - die zeker niet kan worden verweten de voorbije zeven jaar paars systematisch te hebben aangevallen - schrijft onder de titel `Fatsoensgrens overschreden': `De begroting, die door de federale regering, premier Verhofstadt op kop, met veel bravoure is voorgesteld, is niet serieus. Ze negeert op flagrante wijze de werkelijkheid, ze is totaal ondoorzichtig, ze maakt gebruik van technieken die op lange termijn een veelvoud kosten van wat ze opbrengen, ze legt vernietigende uitspraken van eerbiedwaardige instellingen als het Rekenhof en het Arbitragehof simpelweg naast zich neer. Dit is geen voorspelbare platte oppositietaal. Het is, kort samengevat, het unanieme oordeel van alle begrotingsspecialisten die deze krant contacteerde.'

Er is een belangrijke verschuiving in de werking van onze democratische instellingen opgetreden. De agenda's worden niet langer bepaald door de Grondwet of de democratische gebruiken, maar door spindoctors. De eerste minister was natuurlijk zeer jaloers op CDA-minister-president Balkenende, die bij de voorstelling van zijn jongste regeringsverklaring met prachtige cijfers kon uitpakken, na vier jaar herstelbeleid, na vier jaar ernstig spaarbeleid. Nederland kent nu een veel grotere economische groei dan BelgiŽ en doet het beter op budgettair vlak. De eerste minister wou natuurlijk niet onderdoen voor de heer Balkenende en wou eveneens een goed beleid voorstellen, maar dat had niets meer met de werkelijkheid te maken.

Daarenboven vertoont het betoog van de eerste minister en van de meerderheid een gevaarlijke geestesgesteldheid ten aanzien van de Grondwet. Ik geef ťťn voorbeeld: de regering stelt een belasting voor op wegwerpverpakkingen.

De problematiek is bekend want het Arbitragehof heeft ter zake al twee arresten geveld. De Standaard kopt: `Ook oordeel Arbitragehof voor regering "geen probleem". Het Arbitragehof schorst voor een tweede maal de drankverpakkingstaks, waarop de regering haar verpakkingsheffing - het sluitstuk van de begroting - wou baseren.'

Het arrest 156/2006 van 18 oktober 2006 waarin het Arbitragehof de heffing ongrondwettelijk verklaart en schorst, vormt voor de regering geen probleem!

De krant citeert verder het antwoord van minister Reynders in de Kamer: `... als dat wetsartikel geschorst wordt, vallen we terug op een artikel uit een vorige wet en die heeft dezelfde inhoud als het geschorste artikel ...' Alsof dat juridisch haalbaar zou zijn. Dit is juridische prietpraat. Van een minister van FinanciŽn die bovendien burgemeester van Luik wil worden, had ik toch een argument van een ander niveau verwacht. Er was een tijd dat de parlementsleden uit Luik niet alleen erg welsprekend waren, maar ook juridisch beslagen. Minister Reynders is trouwens een jurist. Zijn geestesgesteldheid is dus des te meer verontrustend.

Geachte collega's, u hebt allen trouw gezworen aan de Grondwet. Behalve in zijn arrest 156/2006 van 18 oktober 2006 heeft het Arbitragehof zich ook in zijn arrest 186/2005 van oktober 2005 over de drankverpakkingstaks uitgesproken. Met dat laatste arrest werd die taks vernietigd. Na het vernietigingsarrest stelt de regering de taks opnieuw in en nu wordt hij opnieuw geschorst.

De advocaten van de minister trachten de zaak in volgende bewoordingen te redden, ik lees overweging B.10.1: `Bij het onderzoek van de zaak tijdens de terechtzitting van 13 september 2006 heeft de Ministerraad aangevoerd dat de schorsing geen nuttig effect zou hebben aangezien daardoor de overeenstemmende bepalingen van artikel 371 van de gewone wet van 16 juli 1993 opnieuw in werking zouden worden gesteld in de redactie die ze hadden vůůr de wijziging ervan bij de aangevochten wet, namelijk zoals vervangen bij artikel 25 van de programmawet van 9 juli 2004, ...' De Ministerraad redeneert dat de schorsing zonder gevolg blijft, aangezien ze de vorige versie van de tekst met dezelfde inhoud kan toepassen. Het Arbitragehof laat zich door dergelijke prietpraat niet vangen. Ik lees overweging B.10.2: `Het Hof kan, rekening houdend met de draagwijdte van het arrest 186/2005, niet vooruitlopen op de vraag of dat artikel 371 zal worden toegepast, noch op de afloop van het contentieux waartoe die toepassing zou kunnen leiden.' Een voorzichtige en zelfs sibillijnse uitspraak van het Arbitragehof.

Het pleidooi van minister Reynders voor het Arbitragehof is sterke koffie. Nadat de originele tekst is vernietigd en de nieuwe versie geschorst, grijpt minister Reynders terug naar de eerste versie. Sterke koffie!

Overweging B.10.2 is klaar en duidelijk. Ze laat er geen twijfel over bestaan dat het argument van minister Reynders is verworpen, zo niet zou de schorsing geen nuttig effect hebben.

De regering reduceert zichzelf tot een kermisattractie.

Het is een regering van kermiskoersen, die door middel van trucs de problemen wil oplossen en niet aarzelt om overwegingen van de hoogste rechterlijke instanties naast zich neer te leggen. Het is echter evident dat de sector die bepaling niet zal naleven. Het betreft een ongrondwettelijke bepaling en de rechtspraak is duidelijk: aan een ongrondwettelijk wettelijk bevel mag geen gevolg worden gegeven, zo niet heeft men te maken met een totalitaire toestand. We kennen de omstandigheden waarin die rechtspraak is tot stand gekomen. Een kennelijk ongrondwettelijk wettelijk bevel moet door de betrokken sector niet worden nageleefd. Ik raad de sector aan een aangetekende brief met juridische argumenten te sturen naar de minister van FinanciŽn. Het Arbitragehof heeft dat duidelijk gemaakt.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - De heer Wille ligt daar kennelijk niet wakker van.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Wij richten ons tot de wakkere burgers.

De regering heeft een visie trachten te ontwikkelen op de justitie. Ik beweer niet dat alle voorstellen van de regering slecht zijn, maar ik aanvaard de mentaliteit van paars niet om het debat te weigeren wanneer iets wordt voorgesteld door de oppositie, meer bepaald in de commissie voor de justitie van de Senaat, en nadien onder druk van de omstandigheden wordt verplicht er toch op terug te komen. Ik neem het voorbeeld van de ondercapaciteit van de gevangenissen en het overaanbod van het aantal gevangenen, waaronder de geesteszieken die misdrijven hebben gepleegd. Wij hebben bij het begin van deze legislatuur een wetsvoorstel over het sociaal verweer ingediend om de toestand van de in gevangenissen opgesloten geesteszieken te verbeteren, hen uit de gevangenis te halen en een specifieke verzorging te geven. Dit voorstel stond enkele maanden geleden nog op de agenda van de commissie voor de Justitie. Toen verklaarde de regering dat er deze legislatuur ter zake geen wijzigingen meer zouden worden aangebracht aan de wettelijke bepalingen. Ik heb het probleem naar voren gebracht bij de bespreking van het ontwerp op de strafuitvoeringsrechtbanken. Toen werd geantwoord dat dit probleem later zou worden aangepakt. Na maanden is de regering blijkbaar tot het inzicht gekomen dat aan onze kritiek in de eerste plaats moet worden tegemoetgekomen door de geesteszieken uit de gevangenissen te halen. Die gevangenzetting is trouwens strijdig met het EVRM. De geesteszieken moeten een humane verzorging en begeleiding krijgen. Dat wordt nu door de regering aangekondigd. We wachten op concrete initiatieven. Het bouwen van inrichtingen in Antwerpen en Gent zal zeker niet meer tijdens deze legislatuur gebeuren. De regering kondigt aan dat een ontwerp tot hervorming van de wet op het sociaal verweer op 27 oktober op de Ministerraad zal worden besproken. Ik zal dat aandachtig opvolgen.

Ik houd het bij deze twee voorbeelden. Aangezien de regeringsverklaring van de premier eigenlijk maar een retorische oefening was met weinig werkelijkheidsgehalte, ben ik niet van plan in te gaan op alle punten. Ik wil nog ťťn overweging maken die past in een reflectiekamer. In een democratie is het noodzakelijk een politiek inhoudelijk debat te voeren. Het debat maakt immers de oplossingen duidelijk die beslissend zijn voor de toekomst van het land. Van de kwaliteit van een dergelijk democratisch debat hangt niet alleen de legitimiteit van de verkozenen af, maar vooral de mogelijkheid om de noodzakelijke hervormingen en heroriŽnteringen of verbeteringen door te voeren. Het publieke debat is de sleutel voor de bewegingsruimte van een regering, voor de coherentie van een politiek project en de aantrekkingskracht van het politieke leven en het politieke leiderschap. De politieke inertie van de meerderheid wil dit debat verhinderen. Paars hanteert als leuze dat de burgers mogen stemmen maar niet mogen kiezen. Ze mogen de inzet van de verkiezingen niet kennen, ze mogen de waarheid niet kennen, ze mogen de diverse oplossingen niet voor ogen zien, want paars bestuurt zoals verlichte regenten vanuit duistere achterkamertjes waar bepaalde compromissen worden gesloten. De voorstelling van het verhaal is het belangrijkste punt van het politieke discours. Paars heeft gedurende zeven jaar een erfenis van leugens en demagogie opgebouwd. Paars verkiest het cultiveren van de dubbelzinnigheid boven het debat naar de waarheid. Paars ontloopt het debat op vele ogenblikken. Het paarse begrip van de publieke opinie brokkelt af. Het is echter veel erger dat daardoor het vertrouwen van de burger in onze instellingen verder afbrokkelt.

Tijdens een debat in de Duitse Bundestag, naar aanleiding van een motie van wantrouwen tegen de vorige Duitse regering van kanselier SchrŲder, zei de huidige kanselier Merkel in haar toespraak: vertrouwen is iets als de smeerolie van onze democratie. Die uitspraak werd in de parlementaire assemblee op hoongelach onthaald. Nochtans is vertrouwen een basiswaarde in de democratie en onmisbaar voor de werking ervan. Het vertrouwen van de burgers in de instellingen en in de gekozen volksvertegenwoordigers is noodzakelijk om de geloofwaardigheid van het systeem overeind te houden. Dat vertrouwen gaat niet samen met egoÔsme, maar met het vrijheidsidee. Internationale opiniepeilingbureaus hebben tientallen jaren onderzoek gedaan naar de band tussen het vertrouwen en het vrijheidsgevoel van de burger. Ik geef ťťn voorbeeld dat sprekend is omdat we de Hongaarse opstand van vijftig jaar geleden herdenken. Op een congres in de VS refereerde eind de jaren 1960 een Hongaarse wetenschapper over de vraag of men de meeste mensen en instellingen in het land vertrouwen kon geven. In Hongarije werd die vraag toen voor 7% positief beantwoord. In West-Duitsland werden na de instorting van het nazisme en het nieuwe regime peilingen gehouden. Zo werd in 1953 in een peiling gevraagd: gelooft u dat u de meeste mensen kan vertrouwen. 13% van de ondervraagden heeft daarop ja geantwoord.

Wanneer men dezelfde peilingen organiseerde na de instorting van het DDR-regime bleek ook dat er een groot wantrouwen heerste tegenover de mensen en de instellingen. In de mate dat er meer vrijheid tot stand kwam in de organisatie van de samenleving, groeide het vertrouwen, zo bleek uit de peilingen.

In ons land zwakt het vertrouwen de afgelopen jaren terug af ...

De heer Paul Wille (VLD). - Dat is niet zo. Het vertrouwen in de huidige regering is groot en neemt toe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik ben mij ervan bewust dat ik u niet kan overtuigen, want u komt hier al de hele regeerperiode de spiekbriefjes van de premier voorlezen.

Het vertrouwen neemt af. Ik bedoel daarmee niet het vertrouwen in de meerderheid of in de oppositie, maar meer algemeen in de overheidsinstellingen, de politie, het gerecht. Kijk maar naar de vertrouwensindexen in de zesmaandelijkse peilingen van de Europese Commissie. De regering moet zich bezinnen over de vraag waarom het vertrouwen in die peilingen afneemt. Ik ben ervan overtuigd dat het vertrouwen in dergelijke mate afneemt door een gebrek aan een echt democratisch debat. De mensen voelen aan dat ze een scherm voor ogen krijgen die de werkelijkheid verbergt. Wanneer de burger op zijn verantwoordelijkheid zal worden aangesproken, zal hij een ander beleid willen dan datgene waar deze meerderheid voor staat.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). - Na de oppositie die vooral kritiek heeft en weinig positiefs in de begroting ontwaart, wil ik stilstaan bij een aantal punten die ook in de media op de achtergrond zijn verdrongen bij de voorstelling van de beleidsverklaring.

Ik zal het vooral over het sociaal beleid hebben. Wie vanmorgen naar het debat geluisterd heeft, kreeg de indruk dat er in de verklaring niets staat waar de mensen beter van worden. Dat klopt niet, dat weet iedereen. Ik zou denken dat wie een betoog voorbereidt toch de hele beleidsverklaring leest. Het valt me echter op dat de oppositie nalaat om de positieve punten te zien. Je kan er bijvoorbeeld toch niet naast kijken dat de gezondheidszorg er in ons land voor het eerst in jaren op vooruitgaat. We hebben een goede gezondheidszorg en zitten nu financieel ook weer op het goede spoor. Meer nog, er kan een Zilverzorgfonds van af voor de zorg voor mensen die het later nodig hebben. Dat wordt hier niet gezegd, terwijl dat toch opvallend is.

Daarenboven is de begroting in evenwicht. Daar wordt niet over gesproken. En voor het overige is alles slecht. Dat kan toch niet. Als de begroting in evenwicht is en de gezondheidszorg op het goede spoor zit, dan varen de mensen er wel bij.

Deze begroting is niet alleen een document, maar ook een beleidsinstrument dat onder meer het leefloon en de minimumpensioenen verhoogt en dat borg staat voor een goede gezondheidszorg. Waarom wordt dat niet meer benadrukt? Welk alternatief stellen de grote critici voor? Ik hoor hier alleen zeggen dat er bijkomende belastingen worden geheven en dat een hoop zaken niet worden gerealiseerd. Ik hoor echter niet zeggen met welk geld die zaken moeten worden betaald.

In verband met de dienstencheques wordt de beleidsverklaring in de pers verkeerd geÔnterpreteerd. Dienstencheques zijn heel belangrijk voor alle gezinnen waar beide partners werken. De pers meldt echter dat de regering zou besparen op de dienstencheques door de werkgevers meer te laten betalen. Het huispersoneel dat via de dienstencheques wordt tewerkgesteld zou daarvan het slachtoffer zijn. Dat is niet correct. De beleidsverklaring is daarover heel duidelijk.

Sommige bedrijven zullen inderdaad meer moeten betalen. De opbrengst daarvan komt terecht in een fonds en vloeit terug naar de werkgevers die opleiding geven. Dat is de bedoeling van de besparing en niet het opvullen van een of ander gat. We mogen de tweeverdieners niet laten geloven dat we ons eigen goed werkende systeem van dienstencheques zullen afbouwen. Sommige bedrijven maken van het systeem echter gebruik om winst te maken en laten na mensen op te leiden. Via een zogenaamde besparing wordt nu een fonds opgericht waarvan de middelen terugvloeien naar de bedrijven die opleiding geven. Het is dus niet correct dat sommige bedrijven daardoor in het rood zullen gaan. Het zijn immers de goede bedrijven, die nu al opleiding geven, die vandaag problemen hebben.

Als ik bovendien zie dat chronisch zieken meer terugbetaald zullen krijgen via de maximumfactuur, dan vind ik dat geen tovenaarsmaatregel, maar een beleid dat ons sociaal systeem bevestigt en voortzet, een beleid dat niet alleen zorgt voor bedrijven en werkgelegenheid, maar ook denkt aan de gezinnen en aan degenen die zorg nodig hebben.

Ik begrijp dan ook niet waarom deze begroting een zo negatief rapport moet krijgen. De oppositie moet niet alleen kritiek geven, maar ook alternatieven aanreiken. Ik ben trots op het sociale gedeelte van de begroting en ben ook blij dat nu eindelijk voor het milieu wordt gekozen.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Ik verzet mij tegen de idee dat de oppositie een negatieve rol moet spelen. Ze moet in tegendeel haar alternatief voor het beleid voorstellen.

De eerste minister merkte op dat de mensen genoeg hebben van de polarisatie. Nochtans heb ik de afgelopen dagen en ook vanochtend gemerkt dat de meerderheid - en ik wil de heer Wille niet bij naam noemen - de polarisatie ten top drijft. Inhoudelijke argumenten worden niet gebruikt. Er wordt gewoon verteld dat ons land een nieuwe toekomst wacht. Alle inhoudelijke argumenten en kritieken worden als negativisme terzijde geschoven. In wat voor een democratie zijn we aanbeland als er geen plaats meer is voor het inhoudelijke debat, maar enkel en alleen nog voor fictie en perceptie?

De heer Paul Wille (VLD). - De heer Van den Brande geeft blijkbaar de voorkeur aan het systeem van de zwijgplicht dat in het Vlaams Parlement wordt gehanteerd.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Het enige wat ik uit de woorden van de heer Wille kon opmaken was zijn kritiek op de opvattingen en de aanpak van de heer Leterme. Nochtans neemt minister Moerman overal de verdediging van de Vlaamse regering en de minister-president op zich.

Ik heb tot mijn geruststelling gehoord dat de Senaat eigenaar van dit gebouw is. Ik maakte in 1990 deel uit van de eerste federale regering die ambassades en andere gebouwen in het buitenland meende te moeten verkopen. Dat is echter niet gebeurd. Ik vraag me af welke gebouwen nog zullen overblijven en wie er eigenaar van zal zijn. Het is geruststellend te weten dat de regering het Senaatsgebouw zelfs niet via een derdenbeslag zal kunnen verkopen.

Er wordt een politiek van het pandjeshuis gevoerd, waarbij alles van de hand wordt gedaan.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Sale-and-leaseback is geen uitvinding van deze regering. Een vooraanstaand lid van uw fractie heeft dat uitdrukkelijk voorgesteld.

De heer Luc Van den Brande (CD&V). - Het verpatsen van het patrimonium heeft niets met sale-and-leaseback-operaties te maken. De volgende stap is het verpanden, wat een zeer kostbare operatie wordt.

Kortom, deze begroting hangt met haken en ogen aaneen en is absoluut niet ernstig te nemen. De komende generaties zullen de dure rekening moeten betalen.

In de inleiding van zijn beleidsverklaring zei de premier met het grootste gemak dat we niet bij vandaag moeten blijven hangen en dat politiek meer is dan beheren en besturen. Nu lijkt politiek me toch bij uitstek een kwestie van goed bestuur. Good governance is ten minste in Europa al vijf eeuwen dť grote bezorgdheid van de bevolking.

De regering zegt dat ze naar de toekomst kijkt en de grenzen wil verleggen. Dan wil ik in dit verband toch kort op ťťn punt ingaan. In deze hele beleidsverklaring is er ťťn zwart gat, naast alle gaten in de begroting waarop enkele deskundigen al hebben gewezen. Kritische bedenkingen van politici, zeker als ze tot de oppositie behoren, worden vaak niet aanvaard. Wij hebben dus alle vertrouwen in de mensen die neutraal en vanop afstand hun objectieve analyse maken. Lastig is natuurlijk dat die kritische analyse uitgerekend van de heren De Grauwe en Vuchelen komt. (Protest van de heer Wille.)

Het grote zwarte gat in de toekomstvisie van de regering is niet nieuw: hoe zal de democratie in ons land, voor elk van de gemeenschappen en binnen Europa verder vorm krijgen? Dat is een essentiŽle vraag. Met geen woord wordt er gerept over de noodzakelijke nieuwe hervorming die eraan komt. Welke regering er na de verkiezingen ook wordt gevormd, ze zal worden geconfronteerd met de vraag hoe we het land opnieuw zullen inrichten. Hoe geven we de deelstaten meer bestuursverantwoordelijkheid? Hoe geven we de verschillende beleidslagen een plaats?

Na zes jaar waarin dit punt niet bespreekbaar was, heeft mevrouw Vanderpoorten eindelijk gezegd dat het ogenblik is aangebroken om tot een gemeenschappelijk Vlaams front te komen. Laten we daar kort en duidelijk over zijn. CD&V heeft geen nieuw Vlaams front nodig. Het volstaat gewoon ons woord gestand te doen. En dat woord dat zijn de vijf resoluties van het Vlaams Parlement en het regeerakkoord van de Vlaamse regering, dat het vertrouwen kreeg van alle Vlaamse partijen.

Laten we ons dus richten op de dingen waarover het maatschappelijk ťcht gaat. We kennen het referentiepunt. We moeten ons niet vermoeien met een front. We hebben het meegemaakt met de combinatie De Batselier-Somers in 2004. Het draaide toen uit op een totale verwatering.

Ons standpunt is dus duidelijk. Voor ons kan er geen federale regering tot stand komen zonder een substantieel en consistent hervormingsprogramma, niet als doel op zich, maar omdat zo'n hervorming nodig is om de problemen inzake werkgelegenheid, kwaliteitsvol leven, economie op te lossen. Dit draait niet om tegenstellingen. Dit is een kans die we samen moeten waarmaken.

Dit is een van de grote tekorten en misrekeningen van de beleidsverklaring. In 1999 - ik herinner het me levendig - hadden wij een duidelijk gemeenschappelijk uitgangspunt. We wisten dat we altijd een vergelijk zouden moeten zoeken, dat we nooit helemaal zouden krijgen wat we wensten. Dat is eigen aan de democratische dialoog. Wie in een beleidverklaring die zo sterk de nadruk legt op visie, toekomst en een nieuwe aanpak, over deze problematiek evenwel met geen woord rept, vlucht voor zijn verantwoordelijkheid.

De vijf resoluties van het Vlaams Parlement en het Vlaams regeerakkoord blijven voor ons dus het uitgangspunt van elke hervorming. Als die niet worden uitgevoerd is er met CD&V geen bestuursakkoord mogelijk.

In de loop van de geschiedenis waren er vele momenten waarbij het vertrouwen van de bevolking bijna het nulpunt bereikte. Ik wil echter niet zover in de tijd teruggaan en het hebben over de analyse die professor Moesen niet zo lang geleden maakte over het sociaal kapitaal en het vertrouwen in de instellingen. Ook voordien was niet alles perfect, maar na zeven jaar paars zouden we, volgens paars althans, in een modeldemocratie beland zijn.

Een modeldemocratie heeft echter geen vijfentwintig inhouden. Ze kan enkel steunen op het vertrouwen van de mensen in de instellingen. Niet alleen historische referenties, maar ook de Europese analyses en die van professor Moesen wijzen uit dat het vertrouwen in de instellingen tot het nulpunt is gezakt. We scoren niet zoals het moet; we bengelen zelfs aan de staart. Dat probleem is niet alleen een probleem van meerderheid en oppositie, maar een probleem van sociale en maatschappelijke cohesie. Dat riskeert de grote verantwoordelijkheid te zijn van de afgelopen bestuursperiode. De mensen zijn verstandiger dan men soms denkt. Dit diep aanvoelen brengt ze ertoe naar een alternatief te zoeken.

De heer Philippe Mahoux (PS). - In een democratie kan de bulldozertechniek niet werken. Na het horen van de standpunten van de heer Van den Brande en van de CD&V over toekomstige onderhandelingen lijkt het me overigens niet nodig de standpunten en eisen van de Franstaligen of van mijn partij te herhalen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - CD&V was de voorbije weken bang dat de meerderheid het succesmiddel van de gemeenteraadsverkiezingen, goed bestuur, in deze beleidsverklaring zou overnemen. Maar ik moet de regering feliciteren: ze heeft een voor ons schitterende beleidsverklaring, afgelegd, ťťn die allerminst van goed bestuur getuigt! Het was een typisch paarse toespraak, waarin de `televisie' de belangrijkste visie was. De gebaren, de non-verbale communicatie, de perceptie waren belangrijker dan de tekst en de cijfers, dan the facts and figures.

VLD-fractievoorzitter Wille nam daarnet de verdediging van de beleidsverklaring op zich. Ook hij had het niet over de cijfers, over the facts and figures, maar over de non-verbale communicatie, over de gebaren en over de perceptie van de premier.

`Niet de afkomst is belangrijk, maar de toekomst.' zo weergalmde het hier dinsdag jongstleden in de plenaire arena. Deze slogan is weinig origineel, want ze is overgenomen van een Nederlands rapport over de multiculturele samenleving. Paars heeft dat zedig verzwegen. De toekomst is wel belangrijk. Dat is juist. Maar de regering bereidt de toekomst niet voor.

Geert Noels van Petercam zegt vandaag over de begroting in De Morgen: `Alleen de inkomsten van nu tellen en niet de uitgaven van later. Dat is geen duurzaam beheer'. `De overname van pensioenfondsen en de uitverkoop van gebouwen helpen ons even, maar ze kosten ons later meer', aldus professor Paul De Grauwe gisteren in De Standaard. De belangrijkste economen van het land noemden deze begroting zonder meer een tijdbom.

Maar goed, sinds de toespraak van Paul Wille weten we dat de Jef Vuchelens, de Paul De Grauwes, de Geert Noelsen en de Wim Moesens van Vlaanderen mislukte professoren zijn, gefrustreerde jongens met te veel tijd in te kleine kamertjes. Als de argumenten opdrogen, moet op de man gespeeld worden. De enige goede professor die nog rondloopt, is blijkbaar professor Paul Wille, verbonden aan de hogeschool van goedgelovigheid.

De heer Paul Wille (VLD). - De heer Beke verwijst blijkbaar graag naar professoren. Welnu, ik kan hem de nieuwe Nobelprijswinnaar voor economie aanbevelen. Die is wereldgericht.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik zal hem zeker lezen, maar ik kan me niet voorstellen dat iemand die de Nobelprijs voor economie heeft gekregen, de beleidsverklaring van de regering-Verhofstadt zou steunen.

Ik vraag me echter af of de heer Wille jong VLD ook in de hoek van gebuisde en gefrustreerde jongens plaatst. Jong VLD zegt in De Standaard van vandaag dat de regering de toekomst hypothekeert omdat ze geen structurele begrotingsmaatregelen neemt.

De heer Paul Wille (VLD). - Jong-VLD'ers - de heer Noreilde en de heer Verhofstadt zijn dat ook ooit geweest - moeten zichzelf altijd sterker profileren. In een coalitie is uiteraard niet alles wat wordt beslist, ultraliberaal.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Als oudere en ervaren VLD'ers zich nog wensen te profileren en hun gedacht willen zeggen, worden ze blijkbaar gewoon aan de kant geschoven. De liberale jongeren verwijten de regering een gebrek aan moed, klagen het gebrek aan structurele maatregelen aan en breken de verpakkingsheffing af.

Met betrekking tot de samenlevingsproblemen neemt de regering geen enkel initiatief. Vlaamse liberalen en Waalse socialisten denken daar zo fundamenteel anders over en dat leidt tot een compleet immobilisme.

Een gebrek aan structurele maatregelen is er ook op het vlak van het arbeidsmarktbeleid. Ook dat is niet alleen mijn analyse, maar eveneens die van professor Johan Vande Lanotte. Toen Johan Vande Lanotte vorig jaar voorzitter van de SP.A werd, stelde hij de regionalisering van het arbeidsmarktbeleid als een rood aandachtspunt voorop. Daarvan is nu geen spoor terug te vinden. De regering heeft het over het Belgische werkgelegenheids- en arbeidsmarktbeleid, terwijl er geen Belgische arbeidsmarkt meer is.

Eťn voorbeeld: de werkgelegenheidsgraad, waarover de heer Wille het ook had. In 2005 bedroeg die in heel BelgiŽ 61,1%, maar in WalloniŽ 56%, in Brussel 54,8% en in Vlaanderen 65%. Er is dus een verschil tussen de gewesten van maar liefst 10%. Dit verschil roept om een eigen aanpak van de deelstaten. Professor Vande Lanotte, wijzelf en ook de liberalen willen een eigen aanpak, maar de regering blijft doof voor die vraag. In de regeringsverklaring van 2003 beloofde ze nochtans plechtig een forum te zullen organiseren waarin aan dat soort van thema's ruim aandacht zou worden besteed.

Ik deel de meeste ideeŽn van Jean JaurŤs niet, maar ik deel wel deze uitspraak van hem: wie de toekomst wil voorbereiden, moet ze zelf maken. De regering heeft de toekomst niet voorbereid, ze heeft de toekomst belast in alle betekenissen van het woord.

Is er dan niets positiefs in de beleidsverklaring? Toch wel. Niet alles is slecht. De fiscale aftrekbaarheid van renovatie-uitgaven bij huurwoningen is zo'n goede maatregel. Eťn van de grote klachten van mensen met een laag inkomen is het tekort aan beschikbare en betaalbare, goede woningen op de huurmarkt.

Voor eigenaars is het echter niet altijd mogelijk om hun eigendom met het noodzakelijke comfort uit te rusten. Eigenaars die de prijs van renovatie - en/of aanpassingswerken fiscaal kunnen inbrengen, op voorwaarde dat ze zich verbinden tot verhuring via een sociaal verhuurkantoor en tot een redelijke huurprijs voor een minimumperiode van negen jaar, krijgen een duwtje in de rug om hun eigendom in orde te maken. Dat speelt ook in het voordeel van de huurders.

Op die manier kan een gedeelte van het particuliere patrimonium beschikbaar worden voor sociale verhuring en aldus tegemoetkomen aan een reŽle maatschappelijke behoefte. Tevens kunnen de eigenaars noodzakelijke onderhoudswerken sneller laten uitvoeren, wat de kwaliteit van de woning alleen maar ten goede kan komen. Op termijn zal de voorgestelde regeling een maatschappelijk en financieel voordeel opleveren: minder nood aan extra sociale woningen, een goed onderhouden particuliere huurmarkt ťn kwalitatief betaalbare huurwoningen. Een zeer goede maatregel.

Begin dit jaar heb ik zelf een wetsvoorstel ingediend om via fiscaal aftrekbare renovatiekosten eigenaars aan te zetten om de nodige verbeterings- en aanpassingswerken in hun huurwoningen te laten uitvoeren en om die woningen ter beschikking te stellen van de sociale huurmarkt. Mijn wetsvoorstel werd in maart in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden door de meerderheid vrolijk weggestemd.

Volgens de liberalen tastten sociale verhuurkantoren immers de vrijheid van de eigenaar aan. Het verzet van de liberalen in de Senaat tegen de sociale verhuurkantoren was een wat genante vertoning. Vlaams minister van Wonen, Marino Keulen, stak in zijn beleidsverklaring in het Vlaams Parlement immers de loftrompet van de sociale verhuurkantoren. Die spagaat - ťťn van de vele VLD-spagaten - heb ik toen aangeklaagd. Vandaag ben ik wel blij dat ze ons eindelijk bijvallen.

Mevrouw Vanlerberghe, zie hier een van de alternatieve CD&V-voorstellen, dat u mee hielp wegstemmen.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (SP.A-SPIRIT). - Wij hebben niet tegen dat voorstel gestemd. (Protest van de oppositie)

De heer Wouter Beke (CD&V). - Lees er het verslag maar eens op na.

De heer Paul Wille (VLD). - Mijnheer Beke, uw partijgenoot, Luc Van den Brande, heeft gezegd dat uw fractie niet zou polariseren, maar u volgt zijn goede raad niet op.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik polariseer helemaal niet, want als christenmens wil ik mevrouw Vanlerberghe ootmoedig vergeven.

Een ander goed punt uit de beleidsverklaring is de kosteloze registratie van huurovereenkomsten. Ook hierover heb ik een wetsvoorstel ingediend, dat nu ter bespreking ligt. Ik zal ook dat eerste wetsvoorstel weer indienen. Ik hoop dat beide voorstellen dan in de commissie in versneld tempo zullen worden goedgekeurd, zodat de regering de daad bij het woord kan voegen.

Tot slot van zijn toespraak verwees de heer Wille naar Churchill.

De heer Paul Wille (VLD). - Churchill was dan ook een groot liberaal.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Churchill was eerst liberaal, heeft het liberalisme daarna de rug toegekeerd en heeft zich uiteindelijk terug bij de liberalen aangesloten.

De heer Paul Wille (VLD). - Dat komen we wel meer tegen. Ze leren de stiel bij ons, ze laten ons vallen en als ze tot volle maturiteit komen, dan ...

De heer Wouter Beke (CD&V). - ... dan verliezen ze de verkiezingen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Neen, dan worden ze eruit gezet.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De echte liberalen vliegen dan buiten. Zo is dat.

De heer Paul Wille (VLD). - Als ze tot volle maturiteit zijn gekomen, keren ze naar de VLD terug.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Het citaat van Churchill deed me denken aan een andere uitspraak van hem, over zijn voorganger, Lloyd George: `George was een charmeur die de schors van een boom kon doen afglijden.' Ook de heer Wille wist in zijn betoog de kalende paarse boom dermate te vleien dat hij er zijn schors bij is verloren.

Churchill, die de heer Wille zo diep in het hart draagt, zei trouwens ook: `Wie zich wil verbeteren, moet veranderen.' De heer Wille zei onomwonden dat de VLD gaat voor een derde paarse regeerperiode. We zullen hem dat op geregeld tijdstippen in herinnering brengen. De VLD wil niet veranderen om te verbeteren, maar wil gewoon verder blijven gaan met de socialisten van de PS. Dat is de inzet van de verkiezingen van 2007: meer van hetzelfde of verandering? De kiezer zal daarover beslissen.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 26 oktober om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 13.40 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Defraigne, om gezondheidsredenen, mevrouw Bousakla en mevrouw Pehlivan, de heren Roelants du Vivier en Lionel Vandenberghe, in het buitenland, mevrouw Annane, om familiale redenen, mevrouw De Schamphelaere, de heren Steverlynck en Wilmots, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.