3-129

3-129

Belgische Senaat

3-129

Handelingen - Nederlandse versie

VRIJDAG 14 OKTOBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Verklaring van de regering over haar algemeen beleid

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 14.25 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Verklaring van de regering over haar algemeen beleid

Voortzetting van de bespreking

De heer Michel Delacroix (FN). - Aangezien mijn spreektijd beperkt is, zal ik niet ingaan op alle maatregelen in de beleidsverklaring. Mijn collega Cocriamont heeft in de Kamer reeds een omstandige toelichting gegeven.

In de eerste plaats wens ik te verwijzen naar de heer Greenspan, die de rentevoeten van de Fed in de periode van een jaar heeft verdubbeld. De vrees bestaat dat die beweging zich op internationaal vlak voortzet. Dat zou negatieve gevolgen hebben voor de euro want logischerwijze zullen ook de rentevoeten voor de euro moeten worden verhoogd.

Op begrotingsvlak verdienen de inspanningen om de overheidsschuld te verminderen alle lof. Als de rentevoeten echter blijven stijgen zoals aan de andere kant van de Atlantische Oceaan, dan moeten we ons zorgen maken over de financiŽle toestand van onze bedrijven, en met name van onze nationale bedrijven. Ik zie dan ook niet in hoe de doelstellingen van de beleidsverklaring in dat geval kunnen worden gehaald. Een extra rentelast zou al snel ondraaglijk worden. De afbouw van de overheidsschuld en het concurrentievermogen, dat reeds onder vuur ligt, zouden onder druk komen te staan. De beleidsverklaring bevat geen enkele bepaling om een dergelijke evolutie op te vangen, hoewel er in financiŽle kringen wel degelijk rekening mee wordt gehouden.

In de beleidsverklaring staat ook niets over de concurrentiekracht van de ondernemingen. Ze bevat alleen enkele positieve fiscale maatregelen inzake wetenschappelijk onderzoek. Die zijn echter zeer onvolledig en blijven beneden verwachting. Het is natuurlijk lofwaardig om te wensen dat mensen vroeger beginnen te werken en ook langer aan het werk blijven. Daartoe moeten dan wel banen beschikbaar zijn. Ik zie niet in hoe dergelijke verbintenissen kunnen worden nagekomen zonder maatregelen om de concurrentiekracht van de ondernemingen te stimuleren.

Op het ogenblik dat de eerste minister zijn beleidsverklaring voorlas, dreven de Marokkaanse overheden ongeveer 30.000 mensen uit Subsaharaans Afrika onder waarschijnlijk verschrikkelijke omstandigheden naar het zuiden van de Sahara. In de beleidsverklaring staat geen enkele verwijzing naar die nieuwe migratiegolf naar Europa. Nochtans is de situatie voor de betrokkenen schrijnend. Bovendien kan die nieuwe situatie een gevaar betekenen voor de Europese landen, en dus ook voor BelgiŽ. Ik zie in het stilzwijgen een gebrek aan voorzorg.

Dichter bij ons, in Parijs, steekt het economische patriottisme de kop op, een modeverschijnsel veroorzaakt door de behoeften van de westerse maatschappij. Als de Fransen zich hierover zorgen maken, moeten wij dat ook doen. Nochtans vind ik ook hierover niets terug in de beleidsverklaring, wat alweer een gebrek aan voorzorg is.

Uiteraard is er de Electrabel-affaire, die het gevolg is van een fout die de regering in 1998 heeft gemaakt. Nu rest alleen te redden wat te redden valt. Het is goed dat de voorgestelde maatregelen positief lijken en dat er een verankering komt, maar dit heeft niets te maken het economische patriottisme dat bij onze zuiderburen terecht de kop opsteekt. Dit begrip is van fundamenteel belang voor de westerse maatschappijen, maar ik vind het jammer genoeg niet terug in de beleidsverklaring.

Dinsdagochtend om 5 uur heeft mevrouw Onkelinx de eerste resultaten bekendgemaakt. Ik was onder de indruk toen ze aankondigde dat werd onderhandeld over een heffing op spaargeld en op de meerwaarde van beursproducten. Dat was totaal onverwacht. Mevrouw Onkelinx was vooral blij dat het kapitaal werd getroffen en niet de burger. Dat verbijsterde mij.

Over de beveks is in de Kamer en hier reeds alles gezegd, behalve misschien het meest essentiŽle, namelijk dat het om een zeer achterbaks manoeuvre gaat. Deze maatregel, die bijna onverhoeds werd afgekondigd, deed me terugdenken aan wat twee jaar geleden is gebeurd en sluit aan bij de overlegde strategie van de bondgenoten van de regering.

Twee jaar geleden werden de partners het tijdens de nachtelijke commissievergaderingen over de EBA eindelijk eens. Tegelijk beslisten ze dat effecten aan toonder moesten worden gedematerialiseerd.

Die dematerialisatie, de EBA en nu de beginnende fiscaliteit op spaargeld en beursmeerwaarden zijn slechts de eerste geniepige stap naar het door mevrouw Onkelinx gewenste vermogensregister. Dat zal waarschijnlijk wel een andere naam krijgen en uiteindelijk een algemene sociale bijdrage of een vermogensbelasting hebben.

Men zegt dat de beleidsverklaring een evenwichtig akkoord is. Gelet op de bakens die de afgelopen jaren werden uitgezet staat volgens mij het patrimonium van elke Belgische burger op het spel. Er is helemaal geen sprake van een evenwicht, maar veeleer van het resultaat van een monsterverbond van sommige bestanddelen van de meerderheid met andere.

Noch meer beangstigend en onthullend zijn de woorden die mevrouw Onkelinx gebruikt. Ze stelt het kapitaal tegenover de burger met de uitspraak dat het kapitaal zou worden geraakt en niet de burger. Gelet op de aard van de beveks waar het hier om gaat, is die uitspraak vrij verbluffend, want de kleine spaarder, en dus de burger, wordt rechtstreeks getroffen.

Ook de gebruikte woordenschat is verbijsterend. Ik geef twee voorbeelden: de tegenstelling tussen kapitaal en burger enerzijds en de democratische vooruitgang anderzijds.

Ik dacht dat in de 19de eeuw reeds was aangetoond dat het beeld van het kwade kapitaal dat tegenover de burger staat, geen enkele realistische grondslag heeft. Het beeld is volstrekt artificieel en wil iets bestrijden dat uiteindelijk in de menselijke aard ligt. Ik waan me even in de meest rode uren van onze geschiedenis met vťrgaand oppervlakkige en onberedeneerde marxistische uitlatingen.

Sommige partners in de meerderheid blijven steken in dogmatische doctrines waarvan men hoopte dat ze allang verdwenen waren.

De verwijzing naar de democratische vooruitgang op fiscaal vlak lijkt me ethisch gezien een enorme oplichterij. Hier gaan we niet meer terug naar de doctrines van de 19de eeuw, maar naar het ancien rťgime.

Vooral de socialisten maken vrijwel constant gebruik van die foutieve verwijzing naar de democratie. Winston Churchill zei reeds dat democratie de minst slechte regeringsvorm is. Ik denk dat iedereen in deze assemblee het hiermee eens is. Wie het begrip democratie gebruikt als een vergaarbak waarin zelfs fiscale bepalingen worden opgenomen, bezondigt zich aan grof misbruik, temeer daar het concept steeds meer wordt beschouwd als een dogma met heilige of religieuze connotaties.

Historici definiŽren het vrije onderzoek - hiermee zijn we ver verwijderd van de beleidsverklaring - als een strijd tegen het gezagsargument. Als ik bepaalde uitspraken in deze vergadering hoor, heb ik de indruk dat de slang in haar eigen staart bijt en zichzelf verstikt. Democratie wordt immers een onaantastbaar begrip, een vergaarbak waarin alles wordt gestopt en waarin het gezagsargument zich heeft geÔntegreerd.

Dit denkspoor is misschien interessant en stelt ons misschien in staat komaf te maken met de ontsporingen die we steeds meer terugvinden in onze wetgeving en die de vrije meningsuiting aantasten. Wat eist de burger, voor wie mevrouw Onkelinx zich zo heeft ingespannen, van het kwade kapitaal? Moet de burger, gelet op de beleidsverklaring en het gemeenschappelijk ideeŽngoed van de meerderheidspartners, in de eerste plaats bezorgd zijn over de onderzoeks- en registratiemaatregelen die ertoe leiden dat de Staat, die toch nog altijd zijn voornaamste schuldeiser blijft, op elk moment op de hoogte is van zijn vermogen?

Wenst de burger dat de dogmatische begrippen die hem worden opgelegd onder het voorwendsel dat ze integraal deel uitmaken van het begrip democratie, zijn vrije meningsuiting beperken? Ik denk dat veeleer het omgekeerde het geval is. Ik ben het volstrekt oneens met de tekst van de beleidsverklaring, die constant verwijst naar de begrippen vertrouwen en intellectuele eerlijkheid. Met dergelijke redeneringen kan dat laatste begrip worden gelanceerd. Wat het vertrouwen betreft, heb ik reeds gezegd waarom de burger op basis van een dergelijke beleidsverklaring geen blancovolmacht mag geven aan de regering.

Dan moeten we het wel nog eens worden over de inhoud van het begrip burger, voor wie mevrouw Onkelinx zich zo heeft ingespannen. Zelf zou ik hem omschrijven als de kleine man die bedelt op het plein voor de tempel waarin paars de cultus van de democratie viert.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik zal mij beperken tot enkele punten in de beleidsverklaring die vragen oproepen of me zelfs hallucinant lijken.

Al jaren stuit ik op identieke zinsneden in de beleidsverklaringen. Ook nu weer worden sommige punten als nieuwigheden voorgesteld. Misschien handelt de regering vanuit het geloof dat als ze iets vaak genoeg herhaalt, uiteindelijk wel met de verwezenlijking ervan zal worden begonnen.

Zo duiken in de beleidsverklaring opnieuw het Themis-plan en het Phenix-programma op voor de hervorming en de informatisering van de gerechtelijke organisatie. Dat is alleen maar de herhaling van wat al meermaals werd aangekondigd.

Er wordt beklemtoond dat de gevangenisbeambten terecht de volledige invulling van hun personeelsformatie eisen. Wie zou het daar niet mee eens zijn? De regering moet die nobele doelstelling dan ook realiseren. Alleen rijst de vraag hoe en met welke middelen. Over de waarborgen en de financiering blijft de beleidsverklaring echter bijzonder vaag.

Verder poneert de beleidsverklaring dat `de gevangenis moet worden voorbehouden voor die categorieŽn die een gevaar voor de samenleving uitmaken'. Dat mooie principe blijkt echter een volkomen onaangepast criterium te zijn. Maatregelen die op grond ervan zijn uitgewerkt, leveren een kort gevangenisverblijf op voor maatschappelijk gevaarlijke daders. De regering heeft zich niet inhoudelijk durven uit te spreken over categorieŽn van daders en van misdrijven, waarvoor een effectieve gevangenisstraf wenselijk is. Zij kiest voor een ongenuanceerd criterium dat alleen rekening houdt met de duur van de gevangenisstraf. Dat wanbeleid leidt tot onaanvaardbare resultaten.

Zo werd deze week een zwartwerkbaas die zijn illegale, gewonde werknemer op straat had gedumpt, veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, het wettelijke maximum voor het misdrijf waarvoor hij werd vervolgd. Als de rechter de beschuldigde als amoreel bestempelt, is zulke lage straf een aberratie van een onaangepast strafrecht. Door het ongenuanceerde criterium voor verkorting van gevangenisstraf wordt die lage straf bovendien als basis genomen om de duur van de straf nogmaals te verkorten. Als ik het goed heb begrepen, heeft de betrokkene ťťn maand effectieve gevangenisstraf gekregen. Indien het bovenstaande principe opnieuw in zulke maatregelen worden vertaald, staat ons niet veel goeds te wachten.

Ook ten gronde is een dergelijke stelling niet zonder gevaar want de ratio van een gevangenisstraf is niet enkel gericht op de bescherming van de maatschappij, maar ook op de heropvoeding en de bestraffing van de dader. Voor sommige daders is er zelfs zonder directe en imminente bedreiging van de maatschappij geen ander middel dan een gevangenisstraf om hen over hun gedragingen te laten reflecteren en de samenleving het signaal te geven dat tegen criminaliteit zal worden opgetreden.

Voorts staat in de beleidsverklaring: `De hervorming van het Hof van Assisen zal...'. Die hervorming had al aan de gang moeten zijn. Ze werd reeds bij het begin van Verhofstadt I aangekondigd. Ik ben het ermee eens dat de hervorming van het Hof van Assisen op een doordachte manier moet gebeuren, maar ik verkies werk achter de schermen boven een zoveelste aankondiging. Dat plan voor de zoveelste keer opwarmen en als maatregel presenteren, mist elke geloofwaardigheid.

De verhoging van de middelen en van het personeelsbestand van de Staatsveiligheid werd zes jaar geleden al aangekondigd. Als de regering daar effectief werk van wilde maken, had ze dat allang kunnen doen. De herhaling van die belofte heeft voor ons geen enkele betekenis.

Er zal meer aandacht worden besteed aan geweld tegen vrouwen, met de specifieke nadruk op geweld tussen partners. De procureurs-generaal zullen ertoe worden aangezet om op dat vlak nultolerantie toe te passen. Iedereen die van deze problematiek de geringste notie heeft, komt tot de onvermijdelijke vaststelling dat intrafamiliaal geweld een veel breder domein bestrijkt en dat de strafrechtelijke weg de minst waarschijnlijke is om duurzame resultaten te boeken. Bovendien worden de strafgerechten slechts met het topje van de ijsberg geconfronteerd. Wie beweert dat strafrechtelijke nultolerantie een einde zal maken aan deze problematiek, beliegt niet alleen zichzelf, maar misleidt ook de slachtoffers. Bovendien wordt in concrete gevallen de stap naar de rechter nog moeilijker. Dit is een ongeloofwaardige en zelfs contraproductieve maatregel.

Ten slotte wordt in het kader van de politiehervorming een aanpassing van het programma van de basisopleiding, de deontologische code, de interne controle en de tuchtwet aangekondigd. Dat is allemaal lovenswaardig, maar op het terrein groeit er een probleem met betrekking tot de opleiding van onze politiemensen. Er zijn tal van politiescholen, maar het programma is in elke provincie verschillend. Dat is vandaag toch onvoorstelbaar! Na zes jaar kunnen we op dat vlak nog geen enkele evolutie vaststellen.

De premier is er wel in geslaagd zijn natuurlijk enthousiasme te onderdrukken. Toch is dit opnieuw een verklaring van beloftes, zonder garanties, verbintenissen of enig zicht op wat hoe zal worden uitgevoerd. Het feit dat exact dezelfde maatregelen kunnen worden opgesomd als ťťn jaar of ťťn legislatuur geleden, is uiteraard de beste indicatie dat aan windowdressing wordt gedaan. Wij willen daar niet aan meedoen. De regering voert geen duidelijk en concreet beleid en heeft geen visie op lange termijn.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Onze fractie is verheugd over het feit dat het overleg van de regering heeft geleid tot een generatiepact. Dat toont aan dat het eindeloopbaandebat gericht is op een solidaire toekomst.

De voorbije maanden zijn er heel wat studies gemaakt waaruit blijkt dat de uitdagingen niet gering zijn om onze welvaart op peil te houden en de kost van de vergrijzing te dragen. Er is een meersporenbeleid vereist, gericht op de ondernemingen en de werknemers. Het feit dat heel wat oudere mensen niet meer actief zijn vormt een risico voor schaarste op de arbeidsmarkt, voor vertraging van de economische groei en voor een daling van het inkomen per hoofd van de bevolking. De SP.A wil ook in moeilijke dossiers verantwoordelijkheid op zich nemen en neemt geen genoegen met een status-quo.

Vanochtend heb ik heel wat simplistische verklaringen gehoord. In het eindeloopbaandebat is het niet of/of, maar en/en. De verhoging van de werkzaamheidsgraad vergt een streng budgettair beleid. De regeringsverklaring bevat daarvoor voldoende elementen. Bovendien wordt voor de zevende maal op rij een begroting in evenwicht ingediend.

Het pakket maatregelen met betrekking tot het actief ouder worden bevat heel wat interessante sporen. Het principe dat werken lonend moet zijn kan wel evident klinken, maar het is nog geen realiteit. Het is dus goed dat het generatiepact een aantal maatregelen bevat die werken aanmoedigen. Het is ook belangrijk dat het bedrijfsleven en andere relevante sociale actoren in die zin worden gesensibiliseerd. We moeten doordrongen worden van de waarde van oudere werknemers voor de arbeidsmarkt en werken aan een leeftijdsbewust beleid. De beleidsverklaring bevat in die zin diverse interessante elementen, zoals de leeftijdsconsulenten. Er zijn trouwens een aantal ondernemingen die van dat leeftijdsbewust personeelsbeleid hun handelsmerk maken en zo aantonen dat het effectief kan.

Vooral de kwaliteit van het werk bepaalt hoe lang mensen aan de slag kunnen en willen blijven. Wie zijn werk naar eigen inzichten kan organiseren, wie zich gerespecteerd voelt, wie verantwoordelijkheid krijgt, wie kan werken in gezonde omstandigheden, zal ook langer blijven werken. De mentaliteitswijziging zal mee bepalen in welke mate de structurele maatregelen succesvol zijn.

Belangrijk is ook dat we de structurele hinderpalen die ontmoedigend werken voor ouderen, wegwerken. Vanuit die context kunnen we instemmen met een kritische analyse van de huidige loonspanning tussen jongeren en ouderen. De koppeling van de afbouw van de gangbare leeftijdslogica aan betere secundaire arbeidsvoorwaarden voor oudere werknemers moet nog verder worden onderzocht.

Ook de dumpinggedachte moeten we achterwege laten. Herstructureringen mogen niet langer tot gevolg hebben dat oudere werknemers systematisch uit de arbeidsmarkt worden gestoten. In het generatiepact wordt terecht veel aandacht aan dit principe besteed. De tewerkstellingscel lijkt ons een interessante hefboom voor wedertewerkstelling.

Belangrijk is dat we de bevorderende factoren nog meer ondersteunen. Het betreft de engagementen inzake opleiding en vorming, het bonussysteem voor mensen die na de leeftijd van 60 verder blijven werken.

Kortom, het gaat om een evenwichtig pakket dat vanuit een aantal basisprincipes vertrekt en tal van concrete maatregelen omvat. Is het voldoende? Wellicht niet, maar het is wel een belangrijke aanzet.

In het generatiepact staat dat de voorgestelde maatregelen betrekking hebben op de privť-sector maar dat ook in de overheidssector gepaste maatregelen zullen worden genomen. Vanuit de werkgroep vergrijzing wil ik onderstrepen dat we in de hoorzittingen bij de analyse van de eindeloopbaanthematiek in de overheidssector vastgesteld hebben dat het systeem niet transparant is en dat er een enorme waaier aan uitstapmogelijkheden bestaat. De gehanteerde leeftijdsgrenzen steunen op geen enkele logica. Een kritische analyse lijkt dus raadzaam.

Voor de SP.A is het belangrijk dat het eindeloopbaandebat niet beperkt wordt tot de vraag hoe lang men moet werken. Voor ons komt het er eerder op aan om de mensen goed te laten werken. Het lijkt ons cruciaal te focussen op de vraag welke maatregelen nodig zijn, zowel voor werkgevers als voor werknemers opdat we `werk op maat' zouden krijgen voor wie meer levensjaren telt. Bovendien vinden we het heel belangrijk dat rekening gehouden wordt met de specifieke kenmerken van de arbeidsloopbaan van vrouwen en dat er inzake de toelatingsvoorwaarden voor het brugpensioen voor hen andere criteria worden vastgelegd.

Wie de toekomst van zijn kinderen en kleinkinderen niet wil hypothekeren, wacht geen dag langer om het eindeloopbaandebat mee verder vorm te geven. De vraag is niet hoe lang mensen Łberhaupt moeten werken. De echte inzet is hoe garanderen we vijftigers recht op respect op de werkvloer? Hoe kunnen we ervoor zorgen dat hun kapitaal aan ervaring en wijsheid niet verloren gaat voor de samenleving? We moeten samen bouwen aan een solidaire samenleving. Dat is de uitdaging en ik denk dat het beleid een belangrijke stap voorwaarts heeft gezet.

De heer FranÁois Roelants du Vivier (MR). - Midden de meest complexe gebeurtenissen, op beslissende momenten, merkt men wat grote diplomatie is. BelgiŽ en zijn minister van Buitenlandse Zaken hebben een groot aantal multilaterale en complexe dossiers op hun agenda staan. Ze vergen van onze minister een constant engagement, een scherpe zin voor diplomatie en een perfecte samenwerking met competente regeringsleden. Wij, parlementsleden, moeten realistische, maar vernieuwende voorstellen doen en minister De Gucht geregeld ondervragen over het verloop van de onderhandelingen. Hij weet dat we hem telkens met groot genoegen ontvangen in de Senaatscommissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Ons land moet zijn stem moet laten horen, zijn ethische boodschap overbrengen in een groot aantal dossiers - ik denk aan de Europese Unie en aan Centraal-Afrika - waarin onze stem wordt gehoord en gerespecteerd, maar ook wordt verwacht. Ik reageer daarmee op de wat pessimistische toon die de heer Brotcorne vanmorgen aansloeg.

Hoe kunnen we een dergelijk buitenlands beleid het best tot uitdrukking brengen? Door met betrekking tot de grote vraagstukken van onze tijd, te beginnen met Europa, ons beleid duidelijk te formuleren en onze koers nauwgezet uit te stippelen. BelgiŽ beschikt over ongelofelijke troeven die het vandaag meer dan ooit moet uitspelen.

De belangrijkste troef van de Belgische diplomatie is ons statuut als stichtend lid van de Europese Unie. Wij willen deze Unie in stand houden en uitbouwen. Via de Unie kunnen we een internationale rol spelen in complexe dossiers zoals de WTO-onderhandelingen, de relaties met Iran en de nucleaire ambities van dat land, de hervorming van de Verenigde Naties, de dialoog met ontluikende grootmachten zoals China, India, BraziliŽ en Zuid-Afrika, de politieke en economische evolutie van de Arabische wereld, het IsraŽlisch-Palestijns vredesproces, de uitdagingen inzake energie, milieu, ontwikkeling en terrorismebestrijding.

De crisis die het gevolg was van de verwerping van de Europese Grondwet door Frankrijk en Nederland en die nog vergroot wordt door het gebrek aan financiŽle vooruitzichten voor de periode 2007-2013, heeft twijfel gezaaid bij de Europeanen. Europa moet bijgevolg dringend concrete verwezenlijkingen kunnen voorleggen. Op korte termijn moeten eerst het vertrouwen en de hoop terugkeren, moeten de samenhang en de cohesie worden benadrukt. De volkeren moeten zien dat Europa toegevoegde waarde kan creŽren op zeer concrete terreinen zoals onderzoek, hoger onderwijs, innovatie. We moeten opnieuw zin krijgen om samen te werken, ervoor zorgen dat ons continent weer stilaan ambitie krijgt, kortom we moeten de Europese constructie weer zin geven. Op die manier kan het grondwettelijk debat op de vooravond van de Europese verkiezingen toch nog een goede afloop kennen. Het concept van de Europese Unie moet ook verder worden uitgediept.

Dat de grondwet werd afgewezen, mag geen reden zijn om de armen te laten hangen. We moeten onze medeburgers opnieuw een toekomstvisie van Europa kunnen aanbieden.

Op initiatief van de eerste minister krijgen we woensdag de gelegenheid onze visie op de toekomst van de Unie te toetsen. Ik zal dan het standpunt van mijn fractie uiteenzetten.

Rusland bekleedt een centrale plaats in de toekomst van ons continent. De Europeanen moet met deze belangrijke partner duurzame en op vertrouwen gebaseerde betrekkingen opbouwen. Dat is een van de grootste strategische uitdagingen waarvoor de Europese Unie zich de komende jaren geplaatst zal zien. Als een belangrijk energieleverancier met aanzienlijke politieke, economische en culturele mogelijkheden, maar genoodzaakt tot economische en politieke hervormingen, moet Rusland zijn plaats vinden in een democratisch Europa dat de rechtsstaat eerbiedigt.

De Verenigde Staten zijn onze natuurlijke partner. Amerika wordt zich opnieuw bewust van de voordelen van een op wederzijds vertrouwen en respect gebaseerd transatlantisch partnerschap. Europa moet van de gelegenheid gebruik maken om een rol te spelen in de wereld en mag zich niet achter interne moeilijkheden verschuilen. We moeten samenwerken en onze gemeenschappelijke waarden verdedigen in een gebied dat reikt van Marokko tot Pakistan. Ik denk meer bepaald aan het Midden-Oosten.

We voelen aan dat nieuwe perspectieven mogelijk zijn. Na jaren van dramatische gebeurtenissen en onschuldige slachtoffers aan beide kanten moeten we alles in het werk stellen om het vredesproces opnieuw op gang te krijgen. De terugtrekking uit Gaza wekt enorm veel hoop en moet IsraŽli's en Palestijnen ertoe aanmoedigen door te gaan, stap na stap, zonder onderbreking.

Een vrede waardoor de Palestijnen over een soevereine Staat zullen beschikken en de veiligheid van de IsraŽli's wordt gegarandeerd, is het beste antwoord op het internationale terrorisme dat misbruik maakt van geopolitieke patstellingen, maar in werkelijkheid vredelievende betrekkingen tussen beschavingen fundamenteel verwerpt.

Afrika heeft een speciale plaats in ons hart. Buitenlandse Betrekkingen en Ontwikkelingssamenwerking hebben een belangrijk plan klaar voor Centraal-Afrika dat gericht is op ontwikkeling, maar ook op de vermindering en de preventie van conflicten en crisissen.

De aanstelling van de Burundese president, waardoor een overgangsproces werd afgesloten dat vijf jaar geleden in Arusha van start ging, de presidentsverkiezingen in Liberia, de komende verkiezingen in de DRC na een lange voorbereiding zijn allemaal positieve signalen voor het continent die aangemoedigd en ondersteund moeten worden. BelgiŽ moet ervoor zorgen dat Afrika een prominente plaats behoudt in de internationale gemeenschap, bovenaan de agenda's van de Veiligheidsraad, de Europese Unie en de internationale financiŽle instellingen.

Vanaf 1 januari 2006 zal BelgiŽ de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa voorzitten. Collega Pierre Chevalier was nauw betrokken bij de voorbereiding daarvan. We rekenen op hem om ons te informeren over de in de loop van 2006 gerealiseerde verwezenlijkingen.

De voortdurend evoluerende veiligheidssituatie in het begin van deze 21e eeuw plaatst ons voor nieuwe uitdagingen. De OVSE heeft een belangrijke rol te spelen voor de veiligheid van ons continent. Daartoe kan de organisatie steunen op haar gemeenschappelijk, algemeen, coŲperatief en ondeelbaar multidimensionaal veiligheidsconcept. De werking van de OVSE biedt een model van soepele regionale samenwerking die de prerogatieven van de Staten eerbiedigt. De expertise en ervaring die de organisatie heeft verworven op het gebied van preventieve diplomatie, conflictpreventie, crisisbeheer en wederopbouw, kunnen bijdragen tot de oplossing van vastgeroeste conflicten op het Europese continent. Als `Chairman-in-Office' zal ons land nauw betrokken zijn bij de oplossing van de problemen in Nagorno-Karabach, MoldaviŽ, GeorgiŽ en Kosovo.

Ons land verwacht ook een actieve rol te kunnen spelen in de traditionele bevoegdheidsdomeinen van de OVSE zoals de menselijke dimensie, de onverdraagzaamheid, het racisme. De strijd tegen de internationale criminaliteit en de promotie van de rechtsstaat vormen de leidraad van ons voorzitterschap, samen met de economische dimensie en vooral de transportsector.

Ik twijfel er niet aan dat de regering en het parlement er samen zullen in slagen een antwoord te geven op deze talrijke uitdagingen.

De voorzitter. - De heer Roelants du Vivier was bijzonder volledig. Ook de Senaat zal voor de OVSE werken.

Zelf ben ik rapporteur voor de mensenrechten. We zullen hopelijk ook een bijzonder actieve delegatie hebben. Het Europees Parlement heeft er al mee ingestemd om de plenaire vergadering in juli 2006 in het Europees Parlement te laten doorgaan.

Ik zal overigens uw raad volgen. Ik vertrek samen met enkele collega's naar Rusland voor het debat over het terrorisme. We gaan ook naar ArmeniŽ.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Na 7 jaar regeren, komt premier Verhofstadt tot inkeer. `Regeren is niet doen wat leuk is, maar wat noodzakelijk is', zei hij zelf.

Laten we echter niet te snel victorie kraaien. Papier is immers gewillig. Het is niet omdat de regering er na zeven jaar eindelijk in slaagt te vertellen wat regeren inhoudt, dat de beloftes ook werkelijk in daden zullen worden omgezet. Volgens het weekblad Trends kon de regering slechts 48% van de beloftes in de vorige beleidsverklaring realiseren.

Onze economie doet het niet goed. Er zijn dan ook dringende maatregelen nodig die leiden tot een meer productieve economie en tot meer werkgelegenheid. De door de regering voorgestelde lastenverlaging is een noodzakelijke stap om onze bedrijven competitief te maken. De in het vooruitzicht gestelde lastenverlaging is echter te weinig. Bovendien is het een slechte zaak voor het bedrijfsleven dat de problematiek van de overuren niet positief wordt aangepakt. Overuren fiscaal gunstig behandelen zou een belangrijk signaal betekenen voor mensen die willen werken. Het uitgangspunt moet nog altijd zijn dat wie wil werken voldoende wordt beloond, ook wie veel wenst te werken.

De voorgestelde maatregel om verder te investeren in onderzoek en innovatie is belangrijk. We vinden het positief dat de 50% lastenverlaging voor onderzoekers eindelijk wordt uitgebreid naar de onderzoekers van nieuw opgerichte bedrijven die zich toespitsen op innovatie en ontwikkeling. Op die manier wordt het bedrijfsleven gestimuleerd om mee te helpen de 3%-ontwikkelingsnorm te halen. Waarom moet daarmee echter gewacht worden tot 1 oktober 2006? Dat zou nu moeten gebeuren.

De regering moet voldoende maatregelen nemen om het ondernemerschap en in het bijzonder de starters te stimuleren. Alle elementen die de start van een onderneming belemmeren, dienen beleidsmatig te worden aangepakt. De administratieve rompslomp is voor starters nog altijd groot, hun sociale zekerheid nog altijd ondermaats. Ook moet er meer maatschappelijke waardering voor ondernemen komen. Bovendien moeten ze kunnen werken in een klimaat van rechtszekerheid. Dat zijn noodzakelijke voorwaarden om een appetijt voor economisch risico te ontwikkelen.

Inzake rechtszekerheid zijn we nog altijd ver van de ideale situatie verwijderd. In het Belgisch Staatsblad verschijnen voortdurend errataberichten. Ik verwijs naar een koninklijk besluit over het dwangbevel enkele dagen geleden. Het koninklijk besluit werd de dag volgend op de publicatie onmiddellijk met een nieuwe tekst rechtgezet omdat de verkeerde versie was verschenen. Dat gebeurt zeer vaak.

De franchisewet dreigt retroactief te worden ingevoerd. Retroactieve wetgeving is voor ondernemers een echte nachtmerrie.

In het holst van de nacht zonder enige raadpleging bijkomende belastingen invoeren op financiŽle producten, betekent een nieuwe aanslag op het vertrouwen van de burgers in hun overheid. Noch de banksector, noch de consumenten, weten op welke financiŽle producten de belastingen precies zullen slaan. Meer nog, onze eigen regering weet het blijkbaar zelf nog niet. Rechtsonzekerheid en onduidelijkheid zijn het resultaat.

De bijkomende gegevens die nu dagelijks doorsijpelen, doen ons nog meer verbaasd staan. Dat de belasting de totale meerwaarde van de obligatiefondsen zou treffen, is ongehoord. Inmiddels geeft de minister tips om deze belasting te vermijden.

Dit alles toont aan dat BelgiŽ lang geen betrouwbare overheid heeft. Vertrouwen is nochtans cruciaal in een samenleving, zeker in financiŽle zaken. Landen met een betrouwbare overheid presteren economisch beter. De kwaliteit van de openbare instellingen wordt steeds meer een vestigingsfactor voor buitenlandse bedrijven. Het is zorgwekkend dat BelgiŽ volgens internationale standaarden zwak scoort voor overheidsperformantie en vertrouwen van de burgers. Werk maken van een goed en efficiŽnt bestuur is dan ook cruciaal, zowel voor de welvaart van het land als voor de werkgelegenheid.

De wet van 22 juni 2005 tot invoering van een belastingaftrek voor risicokapitaal, de zogenaamde notionele interest, is in beginsel een goede zaak.

Ook CD&V heeft hierover een wetsvoorstel ingediend. In tegenstelling tot ons voorstel wil de regering via haar ontwerp de zogenaamde onbeschikbaarheidsvoorwaarden in de wet inschrijven. In de praktijk betekent dit dat de som van de aftrek gedurende drie jaar als onbeschikbare reserve moet worden geboekt, zodat ze pas na vijf jaar kan worden vrijgegeven. Hierdoor wordt het stelsel totaal onaantrekkelijk voor buitenlandse ondernemingen en hun Belgische dochters. Ze kunnen immers gedurende een vrij lange periode niet over hun reserve beschikken.

Drie van de vier meerderheidspartijen weten nu heel goed waar de klepel hangt. Ze hebben in de Kamer het amendement van CD&V duidelijk tegen hun zin niet aangenomen. Blijkbaar is minister Reynders er tijdens de recente begrotingsbesprekingen niet in geslaagd om deze vereiste te schrappen.

We geven die drie partijen een nieuwe kans om deze wet en de concurrentiepositie van ons land te redden en misschien zelfs te verbeteren. CD&V zal volgende week een wetsvoorstel indienen tot schrapping van de onbeschikbaarheidsvereisten. We kunnen alleen maar hopen dat de rede ditmaal zegeviert. Als de eerste minister meent dat deze wet kan uitgroeien tot een van de belangrijkste maatregelen voor het investeringsklimaat in de laatste 25 jaar, dan zal die onverantwoorde voorwaarde moeten worden geschrapt.

Een doeltreffende sociale zekerheid is nodig om meer mensen te motiveren ondernemer te worden. Het is positief dat de alternatieve financiering van de sociale zekerheid voor zelfstandigen wordt uitgebreid. Van de 15% van de roerende voorheffing en de 30% van de accijnzen die voor de sociale zekerheid zijn bestemd, gaat ongeveer 10%, of zo'n 60 miljoen euro, naar het sociaal statuut van de zelfstandigen. Tot op heden bedroeg de alternatieve financiering 4,24%, terwijl het aantal zelfstandigen in ons land 16 tot 17% bedraagt.

Ook positief is de aankondiging dat de uitkeringen welvaartsvast zullen worden. De vraag is echter of de aangekondigde maatregelen ook effectief worden gerealiseerd. In 2003 vond de superministerraad van Gembloux plaats. We wachten nog steeds op uitvoeren van heel wat van de toen aangekondigde maatregelen. Terwijl de eerste minister vorig jaar in zijn beleidsverklaring beloofde de maatregelen ten uitvoer te leggen, hebben we dit jaar niets meer over deze maatregelen vernomen. Nochtans zouden veel ervan tegen juli 2006 moeten ingaan.

Ik overloop enkele van die aangekondigde maatregelen. Ten eerste zouden de kleine risico's vanaf juli 2006 in het algemene stelsel worden geÔntegreerd. De regering is echter op haar stappen teruggekeerd en ze kiest blijkbaar voor een gedeeltelijke incorporatie van de starters en de gepensioneerden die onder de regeling van de IGO vallen. Zal de maatregel voor de andere categorieŽn tot 2007 of 2008 worden uitgesteld of is er sprake van afstel? Dat is volstrekt onduidelijk.

Gelukkig zijn er nog rapporten, zoals dat van het Planbureau. Hierin staat uitdrukkelijk dat de integratie van de kleine risico's slechts op 1 januari 2008 zal ingaan. Klopt dat? Wat is de reden voor dit uitstel? Blijkbaar wordt een beslissing uit 2003 pas in de volgende regeerperiode ten uitvoer gelegd.

Er rijzen ook heel wat vragen met betrekking tot de invaliditeitsuitkeringen. Zo wordt de minimumuitkering tot het niveau van de loontrekkenden verhoogd. Hoe zit het echter met de combinatie van arbeidsongeschiktheid en deeltijds werken? Voor werknemers is dat reeds lang mogelijk, zelfstandigen kunnen dat slechts voor een beperkte periode. Ik heb ook niets meer gehoord over de versterking van het verzekeringskarakter, die in het regeerakkoord in het vooruitzicht was gesteld.

Hoe zit het trouwens met de invoering van een nieuwe pensioenpijler, de eerste pijler bis, die ook vanaf 1 juli 2006 zou ingaan? Deze pijler zou zelfstandigen een bijkomend kanaal bieden om met eigen middelen een bijkomend pensioen op te bouwen. Vermits wij niets meer vernemen van deze maatregelen, gaan we ervan uit dat de eerste pijler bis over tien maanden allicht niet van kracht zal worden.

De regering voert ook haar voornemen niet uit om reeds in 2005 een nieuw systeem voor de vennootschapsbijdrage te creŽren dat bijkomende rechten voor de zaakvoerders inhoudt. Papier is verduldig!

Sta me toe nog even te blijven stilstaan bij de bonussen. De initiatieven in het kader van het eindeloopbaandebat staan in het teken van positieve maatregelen, evenwel niet voor de zelfstandigen. Zij worden nog steeds geconfronteerd met een ernstige financiŽle bestraffing wanneer ze tussen 60 en 65 jaar met pensioen gaan. Bij de werknemers is van bestraffing van wie vůůr zijn vijfenzestigste met pensioen gaat allang geen sprake meer.

Het systeem van de financiŽle bestraffing voor de zelfstandigen zou nu enkel worden `gehermoduleerd', een nieuwe paarse term. Het houdt nauwelijks steek, want de zelfstandige die op 60 jaar met pensioen gaat, zal na de hermodulering de rest van zijn leven nog steeds meer dan een vijfde minder pensioen krijgen. Het is een regelrechte schande, vooral omdat in de leeftijdscategorie van 55 tot 65 jaar dubbel zoveel zelfstandigen actief zijn dan werknemers.

Ik wil ook even dieper ingaan op de situatie van hen die noodgedwongen een overlevingspensioen genieten. Na herhaald aandringen van diverse fracties krijgen ze nu eindelijk meer kans om extra beroepsinkomsten te verwerven zonder hun overlevingspensioen te verliezen. Voor vele alleenstaande weduwen met kinderlast is gaan werken vaak noodzakelijk om maandelijks rond te komen, maar omdat ze wegens kinderlast meestal niet in staat zijn fulltime te werken, hebben ze dat overlevingspensioen broodnodig.

Ik begrijp dan ook niet waarom de regering eraan denkt jonge weduwen en weduwnaars het overlevingspensioen te ontnemen. Via een zogenaamd uitdovend beleid zullen jonge weduwen worden verplicht fulltime te werken, terwijl de combinatie gezin en fulltime werken voor velen onder hen helemaal niet haalbaar is.

Tot slot wil ik nog even stilstaan bij het impulsfonds voor de vestiging van jonge huisartsen en groepspraktijken.

In tegenstelling tot het beeld van de vrije beroepen bij het grote publiek hebben vele beoefenaars van vrije beroepen het niet gemakkelijk. De administratieve lasten wegen loodzwaar en bij velen staat de rentabiliteit onder druk. Het wordt dan ook hoog tijd dat de overheid meer tijd besteedt aan de grote groep de beoefenaars van vrije en dienstverlenende intellectuele beroepen. Hopelijk is het impulsfonds een eerste maatregel in een reeks van vele. Hierop kom ik evenwel later nog terug.

Zal de regering er dit parlementair jaar in slagen de aangekondigde dossiers te realiseren? Dat is alleszins op zijn minst nodig om het vertrouwen te herstellen van de ondernemers en van de bevolking. De paarse regering heeft het verleden alvast tegen.

De heer Luc Willems (VLD). - Er is hier al veel gesproken over het loopbaaneinde, de begroting en de fiscale maatregelen, maar de beleidsverklaring bevat ook een belangrijke passage over de energiemarkt. Ik zal mijn uiteenzetting beperken tot dat onderdeel.

In augustus deed het Franse SUEZ een openbaar bod op alle aandelen van Electrabel die de groep momenteel nog niet in handen heeft. Voor elk aandeel wordt een behoorlijke prijs plus een aantal SUEZ-aandelen gegeven. Volgens berekeningen levert dat bod de Vlaamse gemeenten meer dan 400 miljoen euro op. Het is dus een goede zaak dat de gemeenten hun Electrabel- en SUEZ-aandelen te gelde kunnen maken. Binnen de vrijgemaakte energiemarkt heeft een gemeente immers niet veel meer te zoeken in productie en verkoop van energie.

Volgens mij is het bod een hefboom om beweging te krijgen in bepaalde gebetonneerde posities in de energiemarkt. Op papier is BelgiŽ immers relatief ver gevorderd in de vrijmaking van de elektriciteitsmarkt, maar in de praktijk blijft deze markt overwegend monopolistisch waardoor noch de consument, noch het leefmilieu de baten van de vrijmaking voelen. De negenproef hiervoor is dat de elektriciteitsprijs in ons land hoog blijft. Uit een studie van London Economics blijkt dat de producent in BelgiŽ een marge van 22% heeft op de eindprijs van de stroom, terwijl het in de buurlanden maar over 6% gaat.

Momenteel is dit een actueel thema, maar ik herinner me dat de topman van SUEZ tijdens een algemene vergadering in juni nog verklaarde dat er van een bod geen sprake was. De situatie is dus blijkbaar veranderd en het bod is een feit. Daarmee formaliseert SUEZ juridisch wat in de feiten al bestaat: SUEZ is de alfa en de omega van het beleid van Electrabel. In de beleidsverklaring pikt de eerste minister daarop in met belangrijke uitspraken over het bod van SUEZ en doet hij positieve verklaringen over de terugtrekking van Electrabel uit de ingenomen posities. Aan de andere kant wil hij nog enige vat blijven hebben op de organisatie en kondigt hij daarvoor een vijftal maatregelen aan. Die wil ik even evalueren.

Deze evaluatie vertrekt enerzijds vanuit het standpunt dat productie, transport, distributie en verkoop van energie volledig uit elkaar moeten worden gehaald, en anderzijds vanuit de vaststelling dat we in BelgiŽ een feitelijke monopoliepositie kennen. Zullen de maatregelen van de beleidsverklaring er mee voor zorgen dat de markt wat meer wordt opengetrokken en dat de vier onderdelen wat meer gescheiden van elkaar kunnen werken? In ons land wordt de productie, die al jaren is vrijgegeven, in de praktijk door het gebrek aan nieuwe sites gemonopoliseerd door Electrabel. De andere leveranciers op de markt, die de energie moeten aankopen, worden met dat monopolie en de hoge prijzen geconfronteerd. Van de beweging die er nu is, zou de overheid gebruik moeten maken om de vrije concurrentie op het productievlak te laten spelen. Het heeft volgens mij geen zin dat de overheid nog minderheidsaandeelhouder blijft in een grote internationale holding die op een concurrentiŽle markt opereert. Op termijn kan dat zelfs contraproductief zijn. De vraag is alleen of de aangekondigde maatregelen ertoe zullen leiden dat productie en levering steeds vrijer worden en dat de greep van Electrabel op de productie, die tot 90% van de totale productiecapaciteit gaat, wordt verkleind.

Een ander element betreft het transport en de distributie. Het gaat hier om een monopoliepositie waaraan de overheid de nodige aandacht moet schenken. Degenen die aan het begin van de keten staan, de producenten, en zij die aan het einde van de keten staan, de leveranciers, moeten in de vrije markt kunnen opereren. Volgens het recente advies van de CREG moet Electrabel haar blokkeringminderheid in de distributie opgeven. Als de blokkeringminderheid lager is dan 25% bestaat er weer een georganiseerde, gecontroleerde sector.

De premier verwees naar de Belgische verankering, waarin een deel van de participaties kan worden ondergebracht. Ik kijk daar naar uit. Heeft de overheid nog de bedoeling om bij SUEZ-Electrabel invloed te blijven uitoefenen op het vlak van de productie?

Het wetsvoorstel dat de heer Bart Martens en ikzelf hebben ingediend reikt een middel aan om in een periode van tien ŗ vijftien jaar de productiecapaciteit langzamerhand af te bouwen en die uiteindelijk op de markt te brengen zodat andere producenten er zich op kunnen richten. Dat houdt een vrijmaking van de markt in.

Er werd in de beleidsverklaring niet gesproken over de nucleaire provisies die binnen Electrabel werden opgebouwd. Ik verwijs naar de desbetreffende wet van 2003. De voorzieningen die werden aangelegd zijn op de tarifering van de Belgische consument opgebouwd. De provisies moeten dienen voor de ontmanteling van de nucleaire installaties en voor de opslag van de afval. Wat gebeurt er met die provisies op het moment dat Electrabel helemaal is opgeslorpt door SUEZ? Zullen ze terug voor de Belgische markt kunnen worden aangewend? Komen ze bij het nucleaire passief?

Voor het overige verwijs ik naar de uiteenzetting van deze ochtend van onze fractievoorzitter. We zijn heel enthousiast over het beleid van deze regering.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Bijzonder positief aan de federale beleidsverklaring is het grote deel over het generatiepact. We staan inderdaad voor de grote uitdaging om een steeds toenemende groep van ouderen een comfortabel pakket uitkeringen en voorzieningen te garanderen.

Een zware last komt hierdoor op de schouders van de jongere generatie. Deze groep is ondervertegenwoordigd in vakbondskringen en beleidsorganen. Daardoor weerklinkt de bezorgdheid om de eindeloopbaanproblematiek in de media veel harder dan de thematiek van de tewerkstelling van jongeren. Willen we een echt duurzaamheidsbeleid ťn een fundamentele rechtvaardigheid en solidariteit dat moeten we nochtans alle aandacht besteden aan de voorbereiding en de integratie van jongeren op de arbeidsmarkt.

Ik ben dan ook heel tevreden dat er een volwaardig generatiepact werd opgesteld. Het eerste hoofdstuk ervan is integraal aan die jongerenproblematiek gewijd. Als parlementslid zal ik samen met Christel Geerts, die deze problematiek ook volgt, nauw erop toezien dat de geplande maatregelen strikt worden uitgevoerd, ondanks de moeilijke economische omstandigheden.

Ik betrap onze generatie van veertigers en vijftigers er voortdurend op dat we vooral gefocust zijn op het brugpensioen, op de gevolgen van herstructureringen voor ouderen en dergelijke meer, maar dat we de moeilijkheden van jongeren om hun weg te vinden op de arbeidsmarkt, naar de achtergrond verschuiven. We vergeten al te vaak dat de stabiliteit van de sociale zekerheid op termijn steunt op de arbeid en toekomstkansen van de jongeren. Het is misschien dankzij onze jonge minister van Werk dat dit onderdeel zo nadrukkelijk aanwezig is.

Bij de begroting heb ik kritische bedenkingen. Net als vorig jaar houden de fiscale maatregelen de begroting in evenwicht. Dat is positief, maar het doet ook heel wat stof opwaaien. Voor de zevende keer op rij is onze begroting in evenwicht. Dat is positief. Ik heb het echter moeilijk met sommige fiscale bepalingen. Wie in het verleden zijn beroepsinkomen `vergat' aan te geven en nu tot inkeer komt, kan daarover de spons vegen. Het volstaat de ontdoken belastingen volledig - wel volledig - te betalen. Ik begrijp dat de overheidsfinanciŽn zich in een precaire situatie bevinden en dat bijzondere maatregelen nodig zijn. Dat we hierbij wat mild zijn voor de tot inkeer gekomen zondaars is niet echt het grote probleem. Het probleem is dat er geen enkele vorm van boete, hoe klein ook, is. Wie als handelaar zijn BTW enkele dagen te laat overschrijft of als particulier zijn directe belastingen niet tijdig betaalt, krijgt meteen een nalatigheidsinterest als sanctie. Dat gebeurt automatisch, zonder pardon en zonder onderscheid. Of die laattijdigheid te wijten is aan onwil, nalatigheid of financiŽle problemen maakt geen verschil.

De spontane regularisatie voor de belastingplichtigen is dan ook een doorn in het oog van velen die het fiscale spel wel correct spelen. We hadden op zijn minst een symbolische boete verwacht, naast een correct toegepaste nalatigheidsinterest. (Applaus van mevrouw De Schamphelaere)

Zou dat trouwens veel mensen hebben tegengehouden om de beroepsinkomsten die ze tot nu toe in het buitenland hebben geparkeerd, legaal terug te halen? Indien de regeling goed zou worden gecommuniceerd aan de betrokken doelgroep, dan zou ze volgens mij nauwelijks minder succes kennen. Het zou in elk geval het gevoel van wrevel, dat nu opnieuw de kop opsteekt, in de kiem hebben gesmoord.

Het is echter makkelijk praten als parlementslid, als men niet moet důen. Ik moet dan ook toegeven dat, indien ik als regeringslid de keuze had moeten maken tussen deze maatregel en een BTW-verhoging om onze begroting in evenwicht te houden, ook ik zonder aarzelen voor deze regularisatie zou kiezen. Een BTW-verhoging treft immers elke burger en zeker de zwaksten onder ons.

De maatregel om de meerwaarde van de kapitaliserende beleggingsfondsen die voor een belangrijk deel uit vastrentende waarde bestaan, vanaf het volgende inkomstenjaar zoals kasbons te belasten, met andere woorden er een roerende voorheffing van 15% op te heffen, lijkt politiek correcter. Er is namelijk niet direct een reden te bedenken om de ene obligatie fiscaal gunstiger te behandelen dan de andere.

Maar ook over deze maatregel rees de voorbije dagen wrevel. Dat blijkt uit de ontelbare vragen die bezorgde burgers aan hun bank stellen omdat vele voorwaarden nog niet zijn meegedeeld. Een goede, snelle en volledige communicatie aan de bevolking is dus nodig om het vertrouwen van de burger in het beleid niet verder aan te tasten. Daarin is een belangrijke taak weggelegd voor minister Reynders.

De regering wenst hernieuwbare en zuinige energie te bevorderen. Dat is heel goed, maar er worden geen concrete voorbeelden gegeven.

De verklaring verwijst wel naar een aantal goede initiatieven, zoals het Energiebesparingsfonds en de aangepaste betaling en korting voor huisbrandolie en aardgas. Ik vraag me echter af hoe de regering het begrip hernieuwbare energie invult, aangezien ze gewoon een fonds ter beschikking stelt en het daarbij laat. Wat gebeurt er specifiek voor mensen in armoede? Wat gebeurt er voor gezinnen die zich elektrisch verwarmen? Hoe zullen zij een korting op hun verwarmingsfactuur kunnen bekomen? Hoe zal de korting op aardgas worden doorgerekend? Als het Sociaal Energiefonds daarvoor moet instaan, dan breidt men de doelstellingen van dat fonds uit zonder de wet aan te passen. Dat komt neer op een uitholling.

U zult mij niet over horen klagen dat er meer geld wordt uitgetrokken voor het drukken van de energiefactuur, maar daardoor blijft er minder geld in het potje voor preventie. Preventie is nu al een zwak broertje. Ik vertrouw erop dat de regering de middelen op een andere manier ter beschikking zal stellen. In verband hiermee bereid ik trouwens een wetsvoorstel voor.

Het Energiebesparingsfonds moedigt duurzaam energieverbruik aan, maar enkel voor de vermogende bouwer of verbouwer. Leningen worden terugbetaald met een lage rentevoet en er worden fiscale voordelen toegekend. Vooral de laagste inkomensgroepen wonen in slecht geÔsoleerde huizen. Hun inkomen is echter vaak te laag om een lening aan te gaan of om uitgaven fiscaal af te trekken. Dat fonds zal niets aan hun situatie veranderen. Hiervoor moet er meer worden geÔnvesteerd in sociale woningbouw en moeten verhuurders op de privť-markt worden aangemoedigd om hun huizen beter te isoleren. Ik reken erop dat er maatregelen zullen worden genomen die tegemoetkomen aan de specifieke noden van mensen in armoede. Ik mis elk initiatief om het energieverbruik met gedragsaanpassingen preventief te drukken. Wellicht verschijnt daarover een hoofdstuk in de concrete uitwerking.

Ik heb daarin het volste vertrouwen. Ik heb hierover in augustus al een schriftelijke vraag gesteld aan de bevoegde minister en zal er alleszins op toezien dat hieraan gevolg wordt gegeven.

Inzake de invoer van biobrandstoffen blijft ons land nog altijd ver onder de doelstellingen. Ik kan niet begrijpen dat in het tijdperk van de biotechnologie en van de kenniseconomie zo lang wordt gewacht met investeringen in hernieuwbare energie. Bedrijven hadden al veel vroeger moeten worden aangemoedigd om te investeren in infrastructuur. Dergelijk investeringen scheppen bovendien werkplaatsen. Door die aarzelende aanpak zullen de Belgen pas in 2007 biobrandstof kunnen tanken.

Politici, zowel als boeren, producenten en investeerders wachten op de uitvoeringsbesluiten van minister Reynders. De regering heeft aangekondigd dat er twee aanbestedingen zullen worden uitgeschreven. Over pure plantaardige olie (PPO) werd niets gezegd. Als dat betekent dat er geen aanbesteding voor PPO wordt uitgeschreven, dan vind ik dat positief, aangezien de boer dan zelf kan instaan voor de productie en de verkoop van PPO. De boeren zijn trouwens al bezig met het oprichten van coŲperatieven. Dat is van primordiaal belang voor de invoering van PPO. Het blijft wel uitkijken naar de Duitse productnorm waarover zeer binnenkort wordt beslist.

Er bestaan nog veel vraagtekens, maar ik blijf erop hameren dat dergelijke technologische vernieuwingen sneller ingang moeten kunnen vinden in BelgiŽ. Soms lijkt het of ons land inzake technologische vernieuwing altijd achterop hinkt. Het gaat om ecologisch verantwoorde innovaties die heel wat werkgelegenheid kunnen scheppen.

Mevrouw de Bethune is al uitgebreid ingegaan op de begroting voor ontwikkelingssamenwerking. Jaarlijks wordt een evenwichtsoefening gedaan om in de buurt van het groeipad te blijven. Het vertrouwen in de haalbaarheid van de 0,7%-norm tegen 2010 kreeg vorig jaar een flinke deuk. Wil de regering zich vooralsnog herpakken, dan moet in 2006 minstens 0,5% van het bruto nationaal inkomen of 1,5 miljard euro aan ontwikkelingssamenwerking worden besteed. Dat is een absoluut minimum wil ons land op internationale fora geloofwaardig blijven wanneer het de verwezenlijking van de millenniumdoelstellingen bepleit. Ik sta erop om hierover in discussie te treden met de minister van Ontwikkelingssamenwerking zowel in de openbare vergadering als in de commissie.

Als ik de beleidsverklaring van de regering lees, verwacht ik dat ze in de loop van het jaar nog veel van mijn vragen zal beantwoorden bij de concrete uitwerking van haar plan.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De beleidsverklaring is interessant omdat ze de visie van de regering weergeeft op de problemen en haar antwoord daarop, maar ook omdat ze aantoont voor welke problemen de regering geen visie heeft of waarover ze het niet eens geraakt. Onze fractieleidster wees al op een aantal belangrijke thema's die totaal ontbreken in de verklaring: armoedebeleid, gezinsbeleid, Noord-Zuiddialoog, het communautaire en het interculturele beleid.

In verband met het interculturele thema stond in de federale regeringsverklaring van 2003: `De regering zal de komende vier jaar veel aandacht besteden aan de samenlevingsproblemen in ons land. We willen de geest van openheid en wederzijds respect in de interculturele relaties versterken. Het racisme en het antisemitisme, evenals de discriminatie van migranten zullen bij het zoeken naar een job systematisch worden tegengegaan. Het familierecht zal worden aangepast aan de moderne ontwikkelingen.'

In het toenmalige federale regeerakkoord dat op andere momenten door de meerderheidspartijen druk wordt geciteerd, staat een belangrijk hoofdstuk 10, getiteld: `De verdraagzame samenleving'. Ik citeer even daaruit: `De regering zal bijzonder aandachtig zijn voor de vraagstukken die verbonden zijn aan de ontwikkeling van de interculturele samenleving en aan de conflicten en spanningen die in die context kunnen ontstaan.' Het onthaalbeleid zou worden verbeterd, de strijd tegen racisme opgevoerd, de strijd tegen discriminatie inzake het werk aangepakt enzovoort. In de federale beleidsverklaring van 2005 vinden we daar geen woord meer over terug. Moeten we daaruit afleiden dat de opdracht is volbracht, dat de problemen zijn opgelost, dat we leven in een oase van interculturele rust? Neen. Chomsky zei: Problems are not solved by the government, they are dropped from the agenda. Ik denk dat het waar is. In mei 2005 heeft minister Dupont het eindverslag van de Commissie voor interculturele dialoog voorgesteld, en verder gaat de regering blijkbaar niet. De voorzitter van die commissie, Annemie Neyts, noemde het rapport destijds een mijlpaal. Die mijlpaal blijkt maar een zucht te zijn als we zien welk belang de regering in haar verklaring hecht aan de conclusies van dat rapport. Nochtans heeft de minister van Sociale Integratie tal van werkgroepen en interministeriŽle conferenties opgezet in het voorjaar. Na de regeringsverklaring moeten we daar in 2006 echter niet veel van verwachten. Er is nochtans werk op de plank. De discriminaties bij sollicitaties en op de werkvloer blijven een feit. Minister Dupont wilde praktijktests invoeren. Dat leidde tot een gigantische ruzie tussen liberalen en socialisten. Omdat de minister werd teruggefloten moest en zou hij een alternatief voorstellen. Daar hebben we niets meer van gehoord. Het enige resultaat lijkt een totaal overbodig charter van burger-zijn in BelgiŽ. Blijkbaar zijn de multiculturele problemen opgelost en hoeft de regering op dat gebied geen beleid meer te formuleren. Bij de volgende zwarte zondag die deze keer niet alleen Vlaanderen staat te wachten, zal men weer moord en brand schreeuwen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De heer Beke heeft het over de initiatieven die minister Dupont heeft aangekondigd. Wat de discriminatie op de werkvloer betreft, zouden spionnen worden uitgestuurd. De heer Beke zegt dat dit initiatief niet gerealiseerd werd. Is hij daar dan voorstander van?

De heer Wouter Beke (CD&V). - Neen, ik ben het niet eens met het oorspronkelijke ontwerp van minister Dupont. Hij heeft evenwel gezegd dat hij een alternatief voorstel zou doen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het leek alsof de heer Beke het jammer vond dat het initiatief over de spionnen niet gerealiseerd werd.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Iedereen ziet welke problemen er op de werkvloer bestaan. De regering moet iets doen. We hadden woensdag in de commissie de gelegenheid om daarover te discussiŽren. We zijn het niet eens met het voorstel van minister Dupont, maar kijken wel uit naar het alternatieve voorstel dat hij heeft beloofd.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Het was maar een vraag.

Een tweede thema dat volledig afwezig blijft, is het communautaire. Vorig jaar kwam de federale premier ons in zijn beleidsverklaring vertellen: `De regionale verkiezingen van juni 2004 hebben een nieuw tijdperk ingeluid. Het is de ambitie van deze regering en van haar meerderheid om wijzigingen aan te brengen teneinde de federale staatsordening grondig te verbeteren. In een geest van openheid en wederzijds vertrouwen zal worden gezocht naar homogene bevoegdheidspakketten. Door sommige beperkte bevoegdheidsverschuivingen kan vaak een veel meer coherente en efficiŽnte aanpak worden bekomen. Het zal een belangrijke opdracht zijn van het forum om na te gaan welke taken het best op welk niveau kunnen worden uitgeoefend.' `Een nieuw tijdperk, ambitie, een belangrijke opdracht', allemaal grote woorden, maar we weten allemaal wat er het voorbije jaar is gebeurd: niets, niets en nog eens niets. We weten sinds deze week ook wat we volgend jaar mogen verwachten: niets, niets en nog eens niets. Ik kan het verweer al raden: de regering zal zeggen dat de sociaal-economische problemen voorrang moeten krijgen, gezien de ernst van de situatie. Maar hier schuilt natuurlijk de paradox: willen we in BelgiŽ de problemen van werkgelegenheid en werkzaamheidsgraad aanpakken, dan zullen we de regio's daarvoor bevoegdheden moeten geven.

`Als we willen dat iedere werkzoekende in zijn eigen omgeving de beste ondersteuning krijgt, moeten we de werkgelegenheidsbevoegdheden in hun geheel naar de gewesten halen. Ook daar moeten we sterk gedecentraliseerd kunnen werken per subregio. Dit houdt in dat de regelgeving inzake werkloosheidsuitkeringen, brugpensioen, tijdskrediet, uitzendarbeid en terbeschikkingstelling, arbeidsvergunningen, betaald educatief verlof en het leerlingenwezen integraal naar de gewesten moet worden gebracht. De gewesten kunnen dan autonoom vorm geven aan een eigen beleid in overleg met de sociale partners.' Dit citaat komt niet uit de federale regeerverklaring. Het is van vice-premier Vande Lanotte. Het oogst applaus op alle banken langs Vlaamse zijde, maar het is alleen een intentieverklaring. De gewezen Franse president Pompidou heeft ooit gezegd dat een stuk hout nog geen vis wordt als je het jarenlang in het water legt. Welnu, de werkgelegenheidsbevoegdheden worden nog niet geregionaliseerd door er voortdurend mooie intentieverklaringen over te schrijven. De Vlaamse socialisten hebben een kans gemist om de daad bij het woord te voeren. We moeten inderdaad werk maken van een grotere responsabilisering van de deelstaten. De deelstaten moeten mede financieel verantwoordelijk gesteld worden voor de werkloosheids- en de gezondheidsuitgaven. Dit betekent niet dat voor de solidariteit tussen gemeenschappen en de solidariteit binnen gemeenschappen verschillende ethische principes zullen gelden, maar vermits beleidsbeslissingen van de ene deelstaat de kostprijs van de solidariteit beÔnvloeden, is het niet meer dan normaal dat de deelstaten mee financieel verantwoordelijk gesteld worden.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik onderschrijf helemaal wat de heer Beke zegt, maar dan moet hij mij eens uitleggen waarom de Vlaamse minister-president heel vlug en heel gretig ingaat op de vraag van de federale premier om een aantal gelden die via de financieringswet naar de gewesten gaan, te parkeren zodat het boekhoudkundig plaatje voor Europa klopt. Los van het feit dat de heer Leterme dat vrij goed heeft opgelost, althans wat de bestemming van die middelen betreft, stel ik toch een contradictie vast. Wat is de financieringswet nog waard, waarom nog pleiten voor fiscale autonomie, als men op een vingerknip de federale regering direct ter wille is. Volgens mij klopt daar iets niet.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik zie geen contradictie. Of de deelregeringen nu al dan niet ingaan op de vraag van de federale premier, maakt geen enkel verschil voor het overbrengen van de bevoegdheden naar de deelstaat.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De Vlaamse regering had inderdaad zelf een gelijksoortige beslissing kunnen nemen. Alleen gebeurde het nu op bevel. Door zo vlot in te gaan op dat bevel van de federale regering houdt het Vlaamse pleidooi voor fiscale autonomie evenwel geen steek meer.

De heer Wouter Beke (CD&V). - De middelen zijn autonoom naar Vlaanderen en WalloniŽ overgeheveld. De al dan niet overheveling van bevoegdheden inzake werkgelegenheid naar Vlaanderen, zou geen invloed hebben gehad op de manier waarop de Vlaamse regering de middelen zou hebben besteed.

(Onderbreking door de heer Van Hauthem)

Ik had het niet over fiscale autonomie, maar wel over de overheveling van bevoegdheden inzake werkgelegenheid naar de deelstaten. Meer fiscale autonomie is nodig om de Vlaamse werkgevers competitiever te maken. Daarom willen we de Elia-taks vanaf 2008 afschaffen.

De middelen voor de ziekteverzekering zullen in 2006 in totaal 18,5 miljard euro bedragen. De beleidsverklaring besteedt hieraan welgeteld ťťn zin. Volgens de regering kunnen we op beide oren slapen. De begroting is volledig in evenwicht.

Het budget is echter zoals de Noordzee bij de golfbreker op een mooie zomerdag. Ogenschijnlijk is alles rustig, maar onder het water zijn er verschillende stromingen in alle richtingen. Ogenschijnlijk is de begroting in evenwicht. Structureel is de gezondheidszorg echter niet voorbereid op de vergrijzing. De regering bespaart niet structureel, maar conjunctureel. Bij een budgetoverschrijding wordt hier en daar een beetje afgepitst. Als er geen budgetoverschrijding is, lijkt alles in orde.

Ik geef ťťn voorbeeld. In het geneesmiddelenbeleid zijn de besparingen volledig gericht op de prijszetting van de geneesmiddelen en niet op het volume. De regering kan proberen de prijs ťťn keer, twee keer, uitzonderlijk zelfs drie keer, maar niet oneindig te doen dalen. Veel beter kan het volume van de geneesmiddelen worden aangepakt. Het geneesmiddelenverbruik moet in eerste instantie naar beneden. De eerstelijn kan hiertoe een cruciale bijdrage leveren. In de plaats van de eerstelijn te betrekken, wordt ze echter gefrustreerd. De artsenhonoraria mogen niet worden geÔndexeerd.

Hetzelfde geldt voor de farmaceutische sector, die steeds zwaarder wordt belast. Dit kan natuurlijk niet blijven duren. Bovendien blaast de regering tegelijk warm en koud. De farmaceutische sector is voor de federale regering voortdurend kop van jut. Nochtans speelt de sector een cruciale rol in het Waalse Marshallplan en heeft minister Verwilghen het Belgisch Topberaad Farmaresearch geÔnstalleerd om het belang ervan te onderstrepen.

Op het terrein echter is de chaos compleet. De terugbetalingstarieven voor geneesmiddelen werden verminderd om het gebruik van generische geneesmiddelen te versterken. De artsen zien door de bomen het bos niet meer. Ze zijn niet geÔnformeerd over de wijzigingen en schrijven daardoor geneesmiddelen voor die niet noodzakelijk de goedkoopste zijn. Het zijn de patiŽnten die mogen betalen. Inzake geneesmiddelen is bovendien een afruil aan de gang.

Ingevolge dit geneesmiddelenbeleid mag de patiŽnt twee miljard frank extra betalen uit eigen portemonnee. De maximumfactuur kan wel een en ander opvangen, maar geldt alleen voor een beperkt aantal gezinnen. De modale gezinnen betalen twee keer.

De uitgaven voor de gezondheidszorg worden steeds meer op hen afgewenteld en via het nieuwe fiscale beleid worden ze nog bijkomend belast.

Tijdens de bespreking van de gezondheidswet heeft CD&V haar alternatieven voorgesteld. Sommige aspecten werden zelfs door de meerderheid aanvaard. Van een concrete realisatie is vooralsnog nog geen sprake.

Eigenlijk moet in eerste instantie niet de vraag worden gesteld of er sprake is van een budgetoverschrijding of niet, maar wel of en hoe de sociale zekerheid en de ziekteverzekering in de toekomst houdbaar blijven. Als we de welvaartsstaat wensen te behouden, dan moeten we bevoegdheden naar de deelstaten overhevelen. Als we een echte interculturele samenleving willen creŽren, dan zullen we het inburgeringsbeleid moeten aanpassen. Als we de essentie van de ziekteverzekering willen behouden, dan zullen we structurele wijzigingen moeten aanbrengen. Dat wordt momenteel nagelaten.

Lord Chesterton zei ooit: `Heer, geef ons het geduld te verduren wat niet gewijzigd kan worden, de kracht te veranderen wat voor verbetering vatbaar is en het verstand het ene van het andere te onderscheiden'. We zullen geduld moeten hebben, want het beleid van deze paarse regering zal niet kunnen worden veranderd. We beschikken wel degelijk over de kracht om verbeteringen voor te stellen. Ik blijf tegen beter weten in hopen dat de regering ooit haar verstand zal gebruiken.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik heb de algemene beleidsnota ven de eerste minister gelezen vanuit het standpunt van vrouwen.

De voorgestelde maatregelen inzake pensioenen hebben geen negatieve gevolgen voor de vrouwen, aangezien ze de pensioenregeling spreiden in de tijd.

Wat mij in de aangekondigde maatregelen over de voltijdse loopbaanonderbreking het meest verontrust, is dat de periode die in aanmerking genomen wordt als gelijkgestelde periode voor het (brug-)pensioen voortaan maximaal drie jaar zal bedragen. De onderbreking kan evenwel langer dan drie jaar duren. Ik vraag me dus af waarom die beperking wordt ingesteld. Het is duidelijk dat die maatregel, die vooral vrouwen aangaat, geen goede zaak is.

Ik heb aandachtig het hoofdstuk Justitie gelezen. We hadden het vooral over de sociaal-economische aspecten, maar ik wil nu Justitie belichten.

Ik stel vast dat een aantal zaken ontbreken in de nota die door mevrouw Onkelinx is opgesteld.

Vooreest is er het probleem van de juridische bijstand en van de evaluatie van de huidige wetgeving. In antwoord op mijn vraag om uitleg over de evaluatie van de hervorming van de juridische bijstand kondigde mevrouw Onkelinx een zespuntenplan aan. Ik vraag me, gelet op het belang van de toegang tot de justitie, af waarom dat plan niet in de algemene beleidsnota is opgenomen.

Ik hoop dat mevrouw Onkelinx in de komende weken aan de regering haar plan zal durven voorstellen om de juridische bijstand te hervormen, maar ook om werk te maken van de aangekondigde mutualisering of solidarisering van de juridische risico's.

Ik kom nu tot de terugvorderbaarheid van de erelonen. Advocaten en rechtspractici wachten op een wetgevend initiatief. Het Hof van Cassatie heeft daarover op 2 september van vorig jaar een arrest geveld en advocaten en magistraten weten niet goed waar ze aan toe zijn. Een wetgevend initiatief is onontbeerlijk. De minister heeft altijd gezegd dat ze haar standpunt duidelijk zou maken, maar ik heb daar nog niets over gehoord.

In de beleidsnota is er opnieuw sprake van het Themisplan betreffende de decentralisatie van de bevoegdheden inzake justitie met het oog op een grotere autonomie. Met die decentralisatie zou men iets willen doen aan het feit dat de middelen zo krap zijn, maar ik begrijp niet hoe een gedecentraliseerde rechterlijke orde verantwoordelijk kan worden gesteld voor het beheersen van de gerechtskosten. Ik had daar graag meer uitleg over gekregen in de nota.

In de nota staat ook niets over de veelbesproken herinrichting van de gerechtelijke arrondissementen. Staat die herinrichting nog altijd op de agenda? Politiemensen vragen zich af welke hervormingen ze moeten verwachten.

Nog een interessant punt is de aangekondigde oprichting van een instituut voor de opleiding van de rechterlijke orde. De idee bestaat al lang en ik ben blij dat ze opnieuw opduikt. Zal de Hoge Raad voor de Justitie betrokken worden bij de oprichting van dit instituut? De raad is immers altijd vragende partij geweest voor een dergelijk project?

Er zou een band moeten komen tussen die twee. Ik zal de minister daarover nog eens ondervragen.

In de beleidsverklaring wordt veel gesproken over de overbevolking in de gevangenissen. Het gevangenispersoneel vestigt daar terecht geregeld de aandacht op. Er worden wel mogelijke oplossingen geformuleerd, maar er moet nog veel gebeuren. Elektronisch toezicht geldt maar voor een beperkt aantal mensen en is nog altijd geen aparte straf. De aanpassing aan de wet op de voorlopige hechtenis is louter cosmetisch, terwijl ingrijpende maatregelen nodig zijn.

De minister spreekt al lang van een vereenvoudiging van het juridisch taalgebruik. Wetsvoorstellen worden ingediend in de Kamer en in de Senaat. Deze maatregelen, die in de regeringsverklaring van 2004 werden aangekondigd, moeten worden uitgevoerd. Het is de allereerste eis van de rechtzoekenden.

De Senaatscommissie voor de Justitie heeft de Franchimont-hervorming goedgekeurd. Ik nodig de diensten van de minister uit om de kostprijs ervan te evalueren. Het volstaat niet wetten goed te keuren, men moet ook de effectieve uitvoering ervan verzekeren. Met de hulp van het departement kan het nieuwe wetboek tegen het einde van het jaar klaar zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De rol van de Senaat is niet veranderd ten opzichte van de vorige legislatuur, maar de toenmalige senatoren van de meerderheid waren wel actiever aanwezig bij de politieke debatten.

Ik vind het arrogant 's ochtends tijdens de vergadering te verklaren dat de toespraak die men houdt totaal nutteloos is - sommige leden van de meerderheid hebben inderdaad niets te zeggen - en dan de zaal te verlaten. Dat was tijdens de vorige legislatuur alleszins niet gebruikelijk. Toen bestond nog een minimum aan hoffelijkheid.

(Protest van mevrouw De Roeck)

Ik doelde op de huidige meerderheid. U anticipeert op gebeurtenissen in de toekomst. Mijn partij behoort alsnog tot de oppositie.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Onze fractie is als enige bijna voltallig.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Nu wel!

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Tijdens de vorige legislatuur werd, zoals het past in een democratische assemblee, door meerderheid en oppositie gediscussieerd over de wederzijdse standpunten naar aanleiding van de zogeheten State of the Union.

De premier stelde dinsdag de beleidsverklaring voor. Vandaag wordt in een miljoenenoplage een Asterix-boek gepubliceerd, met als titel Le ciel lui tombe sur la tÍte. Ik vraag me af of tussen beide feiten een verband bestaat, vooral omdat de Senaat vandaag de beleidsverklaring bespreekt. Op de Nederlandse vertaling van Le ciel lui tombe sur la tÍte kom ik later terug.

De eerste minister is bezig met een grote vernieuwingsoperatie. Hij heeft een nieuwe bril en nu ook een nieuwe stijl. Hij vraagt zich tevens af waarom Yves Leterme in de peilingen zo populair is. Ondanks zijn eigen meeslepende discours, waarin hij aankondigde dat de wereld onder zijn beleid met de paarse toverstok van uitzicht zou veranderen, is iemand die men een grijze muis noemt ťťn van de populairste politici van Vlaanderen geworden.

De eerste minister wordt omringd door een schare marketingspecialisten en houdt een State of the Union nieuwe stijl. Terloops moet ik toegeven dat marketing inderdaad de sterkte van zijn beleid vormt.

Hij komt nu met beide voeten op de grond en zweert de verklaringen af die hij vorig jaar deed, bijvoorbeeld over het aantal nieuwe jobs. Hij kon niet anders, want hij had een ontmoeting met TINA, niet met Tina Turner, wel met TINA...

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - There is no alternative.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Inderdaad, mijn goede student heeft het onmiddellijk door: er is geen alternatief.

Vanmorgen sprak de heer Wille over de toestand van de oppositie. Ik neem de handschoen op en spreek over de toestand van de meerderheid. Van de PS is hier niemand... (gelach) behalve natuurlijk onze voorzitter... (gelach). De voorzitter van de PS onderstreepte een maand geleden nog tot twee maal toe de kracht waarmee de partij aan de onderhandelingen over het loopbaaneinde en aan het debat over het evenwicht van de financiŽn zou deelnemen. Met ťťn vingerknip kon de PS de regering doen vallen of de eerste minister de laan uit sturen. U ziet het, het is altijd gevaarlijk arrogant te zijn.

De heer Paul Wille (VLD). - Het geknakte riet zal hij niet breken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Arrogant zijn is altijd gevaarlijk, want in de politiek kan de sfeer zeer snel omslaan en weet je nooit welke omstandigheden zich zullen aandienen. We kijken naar de peilingen. Ik weet wel dat u zenuwachtig wordt, als we daarover beginnen. Peilingen zijn geen voorspellingen, maar als er maandag een peiling komt, kijkt men al van zondagmiddag voortdurend zijn sms'jes na om te weten te komen wat die peiling zegt. Dat peilingen onbelangrijk zijn en geen invloed hebben, is natuurlijk theorie. In het microklimaat van de politiek speelt dit element wegens de machtsfactor wel mee. Door omstandigheden, waarover ik geen oordeel uitspreek, is de toestand van de PS vandaag geheel anders dan zes weken geleden.

Wat de SP.A betreft, weten we niet wat er aan de hand is. De grote roerganger, Steve Stevaert, is onverhoeds naar Hasselt vertrokken. Er ging een ideologisch congres komen onder voorzitterschap van Steve Stevaert en plots was hij gouverneur van Limburg.

De jarige minister van Binnenlandse Zaken zei gisteren op zijn groot feest in de Koningstraat: Steve Stevaert eet een vlaai op het provinciehuis in Hasselt, terwijl wij bezig zijn met de begroting en het sociaal plan. Dat was toch niet echt vriendelijk. De peilingen waren echter van die aard dat de regering wel verplicht was om tot een akkoord te komen.

De MR, die buitengezet is in de Waalse regering en in de regering van de Franse Gemeenschap, houdt vast aan de ministerportefeuille. Als men in de gewest- en de gemeenschapsraden al in de oppositie zit, zal men er alles aan doen om in de federale regering te blijven. De MR zal zich dus ook niet zo opstellen dat de regering in moeilijkheden komt, maar naar een akkoord zoeken.

Tot slot het koninginnenstuk, de VLD en dus de eerste minister. Er is een hele discussie over de Nederlandse vertaling van `Le ciel lui tombe sur la tÍte'. Naar het schijnt, is de aangepaste vertaling `Het Geheime Wapen'. Nu ik de inhoud van de maatregelen ken, begrijp ik de vertaling ten volle. Het gaat om de manier van besluitvorming: alles gedurende verschillende weken laten sudderen, op het laatste alles samen leggen en het financiŽle gat dichtrijden. Hoe werd getracht de begroting, althans op papier, te redden? Er was een enorm financieel deficit en de laatste vierentwintig uur werden maatregelen genomen die haaks staan op de verklaringen van de meerderheid van deze ochtend. Er was een tijd dat de leden van de MR over `la rage taxatoire du gouvernement Dehaene' spraken. De belastingdruk is nu echter groter dan onder de regering Dehaene.

Het feit dat belastingen worden geheven op spaargeld terwijl de fraudeurs op hun wenken worden bediend, komt bij de publieke opinie natuurlijk heel slecht over. Dat is het meesterstuk dat de regering gebruikt om het deficit dicht te rijden.

De belasting op de obligatiefondsen, die met terugwerkende kracht geldt, bedraagt 15% op de meerwaarde ervan, niet op de rente. Dat was het geheime wapen.

Die meerwaardebelasting op de obligatiefondsen wordt door sommigen verdedigd met het argument dat met de opbrengst ervan een put van honderden miljoenen wordt gevuld. Mevrouw Defraigne zei vanochtend echter dat die belasting niet in die zin moet worden gezien, maar dat het doel van die belasting erin bestaat het risicokapitaal te ondersteunen. Wie voor het einde van het jaar overstapt naar aandelenfondsen moet de meerwaardebelasting immers niet betalen. Ofwel is die belasting een maatregel om het deficit te dekken, ofwel is het een ondersteuning van het risicokapitaal. Het kan niet beide samen zijn. Als alle titularissen van de obligatiefondsen vůůr 1 januari 2006 overstappen naar aandelenfondsen, is de opbrengst van die post nul euro. Ik denk niet dat voor die opbrengstpost in de begroting ook nul euro is ingeschreven? Het gaat dus duidelijk om een truc.

De liberalen zeiden dat dankzij de coalitie tussen de liberalen en de socialisten er geen amalgaam van duistere compromissen is, maar twee klare standpunten, een liberaal en een socialistisch. Le choc des idťes fait le grand compromis. Het grote compromis is de belasting van de kleine man, de kleine spaarder, waarvan de enen zeggen dat ze moet dienen om het deficit te dekken en de anderen dat het een ondersteuning is van het risicokapitaal en dus nul euro opbrengt. De kleine spaarder zal het geweten hebben. Le ciel lui tombe sur la tÍte.

Het meesterstuk van de beleidsverklaring is de permanente fiscale regularisatie. Dat doet me denken aan Leuven kermis: op de laatste marktdag, als alle handelaars hun producten van de hand willen doen, laten ze de prijzen zakken. Vorig jaar was er de eenmalige bevrijdende aangifte. Degenen die met hun zwart geld niet naar BelgiŽ zouden terugkomen, moesten opletten! Er zou 100 procent belasting worden geheven! Dat heeft minister Reynders in het Parlement gezegd. De heer Van der Maelen, de grootinquisiteur van de fiscale eerlijkheid, waarschuwde degenen die na 1 januari 2005 nog ťťn euro zwart geld zouden bezitten voor een belasting van honderd procent. De regering is snel van mening veranderd.

Ik heb altijd gezegd dat paars de regering van de sofismen is en dat ze daarom niet zal standhouden. We zien opnieuw een sofisme: de regering zegt dat de fiscale amnestie - nu regularisatie genoemd - ertoe leidt dat wie geen belastingen betaalt, nu toch belastingen betaalt. De gewone burger betaalt belastingen, wordt gecontroleerd, zijn belastingen worden gerectificeerd, krijgt belastingverhoging enzovoort. Anderzijds is er de burger die niet betaalt en gedurende jaren zijn geld kan beleggen in projecten die meerwaarde opleveren. Nu redeneert de regering als volgt: die burger betaalt toch geen belastingen, dus iedere euro die hij betaalt is een euro winst. We zijn in de techniek van de fiscale braderie beland. Eerst werd 100% boete aangekondigd, het jaar daarna wordt de belasting bepaald op 15%, zonder boete, vanuit de redenering dat die burger anders geen belasting zou betalen en er nu in ieder geval 15% opbrengst is in plaats van niets. Zo kunnen we doorgaan en de fraudeurs jaar na jaar minder belasten, want al wat de fraudeurs betalen is winst in vergelijking met niet betalen. De fiscale regularisatie wordt een structurele maatregel.

Die maatregelen worden genomen met twee socialistische partijen in de regering. Dat is onbegrijpelijk. De kleine spaarder wordt belast en de fraudeur is men ter wille. Er heerst geen rechtvaardigheidsgevoel in deze regering. De fiscale maatregelen zijn onevenwichtig en oneerlijk en bovendien ongrondwettelijk.

Hoe zal die belasting in overeenstemming worden gebracht met de successie- en registratierechten, die onder Vlaamse bevoegdheid vallen? Hoe zal 15% worden geheven? Als iemand een vermogen van 500.000 euro bovenhaalt, volgt er automatisch een onderzoek over de oorsprong van het vermogen. Er wordt nagegaan of het bedrag afkomstig is uit een schenking, een nalatenschap, of uit roerende goederen uit het buitenland, waarop successie- of registratierechten moeten worden betaald.

Weet u wat de truc is? Om vrijgesteld te worden van successie- of registratierechten moet er een bijzondere wet met een bijzondere meerderheid worden goedgekeurd en een decreet in het Vlaams Parlement.

De heer Paul Wille (VLD). - De heer Leterme heeft al aangekondigd dat hij daaraan niet zal meewerken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - `Niet meewerken' is vatbaar voor interpretatie, want de fiscus moet werken. De fiscus in Vlaanderen die de aangifte op naam van een roerend vermogen ziet, moet de oorsprong van dat vermogen onderzoeken. Als de fiscus dat niet doet, dan heft de federale regering 15% belastingen ter vervanging van de successie- en de registratierechten die toekomen aan het Vlaams Gewest.

Met andere woorden het is een dubbele operatie. Niet alleen wordt men vrijgesteld van de successie- en de registratierechten, maar daarenboven gaan die rechten naar de federale overheid. De federale regering doet hier een zeer goede zaak. Dat is echter onaanvaardbaar en we zullen dat met alle middelen bestrijden. Indien dergelijke voorstellen worden gedaan, stappen wij naar het Arbitragehof. Ik neem trouwens aan dat de Vlaamse regering zich evenmin zal laten doen. Dit is een onaanvaardbare aantasting van de bevoegdheidsverdeling.

Ik kom nu bij het sociaal overleg en bij de omstandigheden waarin een sociaal akkoord met de vakbonden moet worden gesloten. Ik ga ook in op de weerslag die de houding van de vakbonden, ook die van het ACV, zou kunnen hebben op de politieke toestand in het land.

Het ABVV heeft een algemene staking uitgeroepen tegen de plannen van de regering en het ACV heeft zich constructief opgesteld. Velen vragen zich nu af of hier sprake is van dubbele bodems en of ze nu ook weer worden gerold. Zelfs als het tot een akkoord komt dat het ACV eventueel kan onderschrijven - ik veronderstel dat alleen maar, want ik wil mij zeker niet in de plaats stellen van de vakbond - zou het dan niet kunnen dat sommige regeringsleden niet echt een akkoord met het ACV wensen?

De heer Paul Wille (VLD). - Waarom denkt u dat, mijnheer Vandenberghe?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Omdat ik denk dat als men echt een akkoord had willen bereiken, men anders te werk had moeten gaan. Wie het overleg leidt, moet niet alleen oog hebben voor de marges, maar ook voor de presentatie van het ontwerpakkoord. Als de presentatie van het akkoord de verdediging ervan bemoeilijkt, rijst onmiddellijk de vraag welk spel er wordt gespeeld. Zou het dan niet kunnen dat sommigen dat akkoord niet gunnen? Zij vinden misschien dat als er geen akkoord mogelijk is met het ABVV, er beter ook geen akkoord met het ACV komt. Een en ander zou dan eventueel een weerslag kunnen hebben op CD&V. Dat is misschien de redenering. Ik onderschat niemand en zeker niet als het erop aankomt dubbele bodems aan te wenden bij het sluiten van akkoorden met een paarse regering. Dat dossier is nog niet gesloten. We wachten de ontwikkeling ervan volgende week af. Voorzichtigheid blijft geboden.

Onder de afwezigen die ik vandaag betreur, mis ik vooral Dedecker. Waar is Dedecker? Ik zoek hem al dagen. Winter en zomer verschijnt hij elke dag in radio-interviews, tv-interviews, geeft hij verklaringen in de pers, spreekt hij over allerlei zaken waarin ik niet gespecialiseerd ben, en hijzelf overigens ook niet. Er werd aangekondigd dat hij eindelijk recht zou hebben op een chauffeur. Nu hij de laatste greep moet doen, is Dedecker afwezig. Hij is een kandidaat-minister die zich niet durft aan te melden voor het parlementaire debat. Hij legt overal buiten het parlement verklaringen af, maar hier, waar het debat gevoerd wordt, durft hij niet te komen.

Wat is er aan de hand met kandidaat-minister Dedecker? Of is hij reeds ex-kandidaat-minister Dedecker? Wordt hij minister in de federale regering of in de Vlaamse regering? Wie moeten dan allemaal verdwijnen? Over minister Verwilghen zal ik het niet hebben, want die heeft al genoeg onheil moeten verwerken. Dedecker heeft zich echter zo aangesteld, hij heeft voortdurend gezegd dat hij minister moet worden of dat er anders heibel zou komen. Zoveel percent van de VLD-kiezers heeft immers voor hem als voorzitter van de partij gestemd.

De heer Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, had de jongste dagen wel de eer en het genoegen Dedecker te zien. Ik heb in de pers immers gelezen dat hij in Kortrijk een `banket' heeft georganiseerd, waarop Dedecker aanwezig was. In welke hoedanigheid was hij daar? Ik heb gelezen dat hij daar gevierd werd. In ieder geval is Dedecker hier vandaag niet aanwezig.

We moeten wachten tot volgende week om iets meer te vernemen over de herschikking van de regering, om te weten wie de nieuwe vice-premier wordt, wie minister wordt van onbenullige zaken. Pas volgende week zullen we dus weten of de paarse regering voor de verklaring over de twee punten waarover ik het had, een volstrekt onvoldoende krijgt. Iedereen zal wel begrepen hebben dat we, net als in het verleden, ons met alle middelen moeten verdedigen tegen een regeringsverklaring waarvan de schijn langzaam verdwijnt.

De zomer heeft lang geduurd, maar langzaamaan komt de werkelijkheid van de herfst tot uiting. Dat geldt ook voor de State of the Union. Ik ben benieuwd wat de komende maanden ons zullen brengen. Ik voorspel dat het zeer spannend wordt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik wil het graag hebben over het generatiepact.

De eerste minister heeft ons deze week gezegd dat het generatiepact integraal deel uitmaakt van de federale regeringsverklaring. Als federaal parlementslid zouden we er dan ook kunnen van uitgaan dat de regering de beleidsvoorstellen die erin staan, met daadkracht onmiddellijk en minstens tijdens het komende parlementaire jaar zal uitvoeren. De onderhandelingen over de eindeloopbaan duren nu echter al ruim twee jaar. Wie op zoek gaat naar onmiddellijk uitvoerbare maatregelen, blijft toch wel in het duister tasten. Over ongeveer elke maatregel die wordt aangekondigd, is nog verder overleg nodig.

Ik overloop ze kort. Over het opzetten van diversiteitsplannen in de bedrijven zal de regering in overleg en met de regionale overheden initiatieven ontwikkelen. In verband met vorming en opleiding zal de regering in overleg met de gewesten de nodige maatregelen uitwerken. In overleg met de arbeidsbemiddelingsdiensten zal de regering inspanningen doen om ook de instroom in de knelpuntberoepen te vergemakkelijken. De beroepsopleiding zal beter aangepast worden aan de noodzaak van de individuele werknemers in overleg met de gemeenschappen. In verband met de verworven competenties zal onderzocht worden, samen met de gemeenschappen, hoe het stelsel van de attesten versneld kan worden toegepast. Zo kunnen we nog een tijdje doorgaan.

Eigenlijk erkent de federale regering duidelijk dat het zo noodzakelijke sociaal-economische beleid vandaag vastloopt op het institutionele kader. Dat geeft ons land vandaag onvoldoende de mogelijkheid om het sociaal-economische beleid van de deelstaten te richten op de specifieke kenmerken. Vooral de economische structuren en de arbeidsmarkt zijn te veel uit elkaar gegroeid. Indien ons land economisch wil groeien en onze sociale bescherming betaalbaar wil houden, moeten de belangrijkste sociaal-economische hefbomen van het beleid worden overgeheveld van de federale staat naar de deelstaten. Concreet hebben we het hier niet alleen over inkomensvorming, maar ook over het werkgelegenheidsbeleid, over alle onderzoek en ontwikkeling en tevens over de vennootschapsbelasting. Alleen op die manier kan Vlaanderen zijn economische vleugels breed openslaan en kan ook WalloniŽ de eigen economische ambities waarmaken.

Voor onze partij moet de overheveling van de economische hefbomen in elke geval en ten laatste na de verkiezingen van 2007 bij de regeringsonderhandelingen op tafel komen. Er kan voor ons geen nieuwe federale regering tot stand komen zonder die institutionele doorbraak.

Ondertussen kunnen we reeds werk maken van een grote responsabilisering van de deelstaten. De deelstaten moeten mede verantwoordelijk worden voor de werkloosheidsuitgaven. Dat betekent voor ons niet dat voor solidariteit tussen gemeenschappen en voor solidariteit binnen de gemeenschappen verschillende ethische principes gelden. Het doel is en blijft solidariteit tussen personen op een zo breed mogelijk niveau te organiseren. Maar vermits beleidsbeslissingen van de deelstaten de kostprijs van die solidariteit beÔnvloeden, is het niet meer dan normaal om die deelstaten financieel meer verantwoordelijk te maken. Als solidariteit niet mag stoppen aan de taalgrens, dan kan daar de verantwoordelijkheid ook niet stoppen. Het ene kan niet zonder het andere.

De deelstaten moeten dus op korte termijn mee financiŽle verantwoordelijkheid dragen voor het stelsel van de werkloosheidsverzekering.

Het werkloosheidsrisico is op het vlak van de deelstaten gedeeltelijk beheersbaar met arbeidsbemiddeling en werkgelegenheidsinitiatieven. In Vlaanderen en nog veel meer in WalloniŽ is de controle op de werkwilligheid echter in aanzienlijke mate weggevallen omdat de instellingen die voor de arbeidsbemiddeling zorgen, regionaal zijn, terwijl de instelling die de werklozen uitbetaalt en mag schorsen, federaal is gebleven. Pas als de financiŽle verantwoordelijkheid wordt gedragen daar waar de werkloze geld kost, kan de controle op de werkwilligheid effectief worden. Omgekeerd moeten de deelstaten mee de vruchten plukken van een succesvol werkgelegenheids- en activeringsbeleid.

Op korte termijn kan er met het oog op die grotere regionale responsabilisering binnen de RVA een autonoom beheer en een autonome boekhouding komen van de regionale werkloosheidsuitgaven. De baten van een goed beheer in elke regio kunnen dan geÔnvesteerd worden in opleiding en vorming in de betrokken regio, rekening houdend met de noden van die streek.

Eveneens op korte termijn moet de lat gelijk worden gelegd inzake de toepassing van de werkloosheidsreglementering.

Ten slotte kan binnen de deelstaten een actieve betrokkenheid van de lokale overheid nodig zijn om specifieke groepen in bepaalde wijken of steden terug aan het werk te krijgen.

We weten al voldoende dat het aantal werkenden in BelgiŽ laag ligt in vergelijking met de andere landen van de Europese Unie. De Belgische achterstand is in het bijzonder heel groot bij jongeren, ouderen, laaggeschoolden en niet-Europese allochtonen. Het meest opvallend zijn echter nog altijd de discrepanties tussen de drie gewesten, met een werkgelegenheidsgraad van 64% voor Vlaanderen en 55,5% voor WalloniŽ en Brussel.

Ook het aantal jonge werklozen onder de 25 jaar verschilt heel sterk naargelang de regio. In Vlaanderen waren er in 2004 ongeveer 28.000 jonge werklozen, in WalloniŽ 38.000 en in Brussel bijna 10.000.

Een eerste probleem, voor Vlaanderen althans, is dat de werkloosheidsgraad, die 4 ŗ 5% bedraagt, dicht bij het structurele peil ligt. Een conjunctuuropleving brengt voor een aantal risicogroepen zoals laaggeschoolden en allochtonen dan geen soelaas. De inschakeling van die niet-werkende werkzoekenden vereist dan ook vooral structurele maatregelen.

Het tweede probleem is dat de lage werkgelegenheidsgraad bij ons gepaard gaat met een lage activiteitsgraad, de verhouding van de beroepsbevolking tot de bevolking op beroepsactieve leeftijd. Dus niet alleen voor het aantal werkenden, maar ook voor een aantal potentieel werkenden scoren we Europees gezien ondermaats. Bovendien zal het arbeidsaanbod in Vlaanderen meer afnemen door de vergrijzing. De bevolking op arbeidsleeftijd is determinant voor het economisch groeipotentieel. De spanningen die hier kunnen optreden, zullen zich wellicht vertalen in te hoge inkomensstijgingen en dus inflatie, met een verlies aan concurrentiekracht en arbeidsplaatsen tot gevolg.

Vlaanderen moet dus maatregelen kunnen nemen om de huidige werkloosheid te bestrijden zonder de toekomstige problemen van de arbeidsmarkt onder druk van de vergrijzing nog te vergroten. Onze toekomstige welvaart zal in de eerste plaats afhangen van het vermogen van onze economie om de arbeidskrachten in grote getale te mobiliseren. We beschikken nog over een reservoir aan arbeidspotentieel. Vandaag springen we echter slordig om met ons menselijk kapitaal.

De federale regering doet weliswaar enkele schuchtere stappen.

Ze fixeert zich echter te zeer op het probleem van de eindeloopbaan en hierbij verliest ze een omvattend loopbaanbeleid uit het oog. Arbeidstijd en vrije tijd moeten niet alleen evenwichtiger worden verdeeld over de verschillende bevolkingsgroepen, maar ook een evenwichtigere spreiding binnen de individuele levensloop is nodig. Het is niet verantwoord om alle arbeidsinspanningen tussen de leeftijd van 30 en 50 jaar te concentreren. Die periode valt meestal samen met de opvoeding van jonge kinderen. Wie zorg voor kinderen verkiest, loopt het risico heel wat loopbaankansen te missen. Hierdoor kiezen relatief weinig mannen in die leeftijdscategorie ervoor zorgtaken te vervullen.

De ondernemingen moeten meer oog hebben op de behoeften van ouders die werk en zorg combineren. De periodes van tijdskrediet met een hoge maatschappelijke toegevoegde waarde, zoals de zorg voor kinderen of zieke familieleden, vrijwilligerswerk of vorming, moeten volgens CD&V bij de pensioenberekening volledig met beroepsarbeid worden gelijkgesteld. Ook betere arbeidsomstandigheden voorkomen een vroegtijdig uittreden. De technische en belastende beroepen, zoals in de gezondheids- en de welzijnssector, moeten in elk geval aantrekkelijker worden.

Ook moet het gemiddeld aantal gewerkte jaren worden verhoogd door alle personen die inactief zijn in te schakelen, dus niet alleen de werkzoekenden, maar ook personen zonder beroep of personen die vervroegd zijn uitgetreden. De vraag naar arbeid moet dus worden ondersteund en de bereidheid om te werken moet worden aangemoedigd en/of opgelegd. Ook het belastingstelsel moet worden hervormd met als leidraad de verhoging van de activiteits- en werkgelegenheidsgraad. CD&V is vragende partij voor een drastische verlaging van de personenbelasting, een soort eindeloopbaanbonus, voor iedereen die werkt en ouder is dan 58 jaar of een loopbaan van meer dan 40 jaar achter de rug heeft.

Onze toekomstige welvaart zal immers afhangen van de mate waarin we erin slagen alle arbeidskrachten te mobiliseren. Wat dit betreft, verschillen onze voorstellen inzake de loopbaan en de eindeloopbaan van de voorstellen van het generatiepact. Wij stellen algemene maatregelen voor die niet alleen op oudere werklozen zijn gericht. In het hoofdstuk `Een nieuwe kans voor oudere inactieven' van het generatiepact wordt immers enkel rekening gehouden met diegenen die reeds een band hebben de arbeidsmarkt. Het gaat om verplicht outplacement bij ontslag van oudere werknemers of om werkhervattingstoelagen voor oudere werklozen. Opnieuw vallen de niet-actieven, de mensen zonder beroep, uit de boot. Heel vaak gaat het om vrouwen die gedurende een lange periode zorgarbeid hebben verricht. In het door de regering voorgestelde beleid komen de herintreedsters niet meer aan bod. De regering voert een beleid op korte termijn dat enkel is gericht op oudere werknemers die reeds aan de slag zijn.

Wij pleiten daarentegen bewust voor een levensloopbaanbeleid waarin arbeid, zorg en ontplooiing volwaardig aan bod komen. Alleen wanneer mensen tijd krijgen voor wat belangrijk is in het leven, kan ook langer of tot later werken zinvol worden. Een langetermijnvisie op de loopbaan ontbreekt tot nu toe. Dit probleem zal niet worden opgelost door een beetje te morrelen aan de pensioenen voor vrouwen. De regering stelt alleen maar anekdotische oplossingen voor.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Iedereen mag gerust zijn: we hebben de gelegenheid gehad om het gehele debat te volgen en ik dank de sprekers voor de kwaliteit van hun uiteenzettingen.

We moeten de regeringsbeslissingen vanuit verschillende oogpunten bekijken. Wat mij het meest interesseert is de maatschappelijke herverdeling, in het bijzonder de sociale zekerheid.

Het uitgangspunt van ons project is de vaststelling dat de productiefactor arbeid in onze maatschappij steeds meer wordt belast. Om economische activiteit te creŽren en ons concurrentievermogen op het peil van onze buurlanden te houden moet de belasting van de factor arbeid in sterk mate worden verlicht. Dat geldt vooral voor de laagste lonen.

De regering kon ofwel de bijdragen lineair verlagen, wat een invloed zou hebben op alle loonniveaus, ofwel een niet-lineaire verlaging invoeren die rekening houdt met de leeftijd. We hebben deze optie gekozen. We hebben lastenverlagingen mogelijk gemaakt voor twee categorieŽn werknemers. Voor de jonge werknemers tussen 18 en 30 jaar hebben we trapsgewijze verlagingen van de sociale bijdragen vastgesteld die hoger zijn in het begin en geleidelijk verminderen naarmate de leeftijd van 30 jaar wordt bereikt. We hebben het omgekeerde gedaan voor de oudere werknemers. De korting op de sociale bijdrage stijgt naarmate de werknemer ouder wordt, zodat bedrijven worden aangemoedigd om die werknemers te houden. De evolutie van de loonschaal is vaak de reden waarom ze worden ontslagen. We meenden dat we dat via de sociale bijdragen konden bijsturen.

We worden geconfronteerd met een fenomeen dat als een paradox kan overkomen. Hoe kunnen we oudere werknemers langer aan het werk houden en meer jongeren aanwerven door gebruik te maken van een en dezelfde hefboom, met name de sociale bijdragen? De vraag stellen is ze beantwoorden. Het vroege uittreden en het te laat starten op de arbeidsmarkt heeft te maken met de overbelasting van de factor arbeid waar ik het zonet over had. Aangezien arbeid te duur is, helpen we, door de last die erop weegt te verlichten, niet enkel de jonge maar ook de oudere werknemers. Als de factor arbeid te zwaar wordt belast opteert men voor mechanisering en automatisering en gaat die productiefactor geleidelijke aan inkrimpen.

Een tweede element is dat we focussen op de relatief lage lonen: 2000 euro voor jonge en 4000 euro voor oudere werknemers. Waarom? Wat de 2000 euro betreft, staat het antwoord in alle wetenschappelijk studies. Wat de bijdragevermindering betreft, is het zo dat de economische efficiŽntie van de lastenverlaging beter tot uiting komt naarmate het loon dichter bij het minimumloon komt te liggen. We zijn dus zeer goed bezig.

Wat de 4000 euro voor de oudere werknemers betreft, hebben we een coŽfficiŽnt toegepast. Aangezien de lonen in het systeem evolueren, was het logisch dat we, rekening houdend met de leeftijd, ingrepen op de als vrij laag beschouwde lonen. Dat is de filosofie achter onze lastenverlaging.

We hebben niet alleen gewerkt met lastenverlagingen maar hebben ook aandacht besteed aan de zorgwekkende opdroging van de inkomsten van de sociale zekerheid. Het gros van de financiering van de sociale zekerheid komt van de bijdragen. Van de 52 miljoen euro in de sociale zekerheid is 35 tot 36 miljoen afkomstig van de sociale bijdragen.

Om de redenen die ik hierboven heb uiteengezet, krimpen de sociale bijdragen. Er moeten dus alternatieve financieringsbronnen gevonden worden voor de sociale zekerheid. De regering heeft daarover een wijs besluit genomen, welke karikaturen daar deze dagen ook van gemaakt worden. Waarom? Er wordt uitgegaan van het principe dat 15% van de roerende inkomsten, van welke aard ook, voorbehouden worden voor de financiering van de sociale zekerheid. Een structureel bedrag van 400 miljoen euro zal de kas van de sociale zekerheid stijven.

Met een deficit van ongeveer een miljard klopt onze rekening nog niet, maar we zitten in een systeem waarin we moeten berekenen wat er naast de inkomsten van de sociale zekerheid moet bijkomen als zogenaamde alternatieve financiering.

Anders gezegd, het deficit van de sociale zekerheid wordt steeds aangepast zodat op het einde van het jaar kan bepaald worden hoeveel er nog van de algemene middelenbegroting moet komen. Het is een delicate oefening omdat er eerst moet gepoogd worden zo weinig mogelijk uit te geven. Kleine inspanningen zijn misschien nog mogelijk, maar heel veel kan er op dit ogenblik in de sociale zekerheid niet meer gesnoeid worden. Er moest dus aan andere oplossingen worden gedacht. Daarom verdedig ik hier het creatieve regeringsstandpunt.

Verschillende ministers hebben een al even spitsvondige tweede structurele factor op tafel gelegd. Veeleer dan te werken met gereserveerde bedragen, zoals de accijnzen op tabak, waarbij 100 of 150 miljoen wordt gegeven, wordt een percentage gegeven, namelijk 30% van de inkomsten uit consumptiegoederen die de gezondheid kunnen schaden. Tabak is daarvan een goed voorbeeld. In die context hebben we die middelen aangewend en komen we, voor de sociale zekerheid van de zelfstandigen en van de werknemers samen, uit op een bedrag van meer dan 600 miljoen euro.

Niet alleen is de sociale zekerheid voor de zelfstandigen in evenwicht, maar er tekent zich voor dit jaar een bonus af van 61 miljoen euro. Aan wie mij zegt dat dit niet klopt, is mijn antwoord dat 61 miljoen euro vervroegd zullen teruggestort worden als terugbetaling van de schuld voor de zelfstandigen, terwijl een 20-tal miljoen euro zal worden geÔnvesteerd in sociale maatregelen ten voordele van de zelfstandigen.

Waarom? Er waren al lang correcties nodig. Een treffend voorbeeld was dat medicatie voor de behandeling van een aantal weesziekten niet beschikbaar was voor kinderen van zelfstandigen of voor de zelfstandigen zelf. Dat was duidelijk niet normaal.

Die toestanden uit andere tijden dienden te worden bijgestuurd. Dat gebeurt nu.

Wat de sociale zekerheid van de werknemers betreft, zijn eveneens interessante koerswijzigingen tot stand gebracht, onder meer in de gezondheidszorg. De natuurlijke tendens was niet een stijging van 4,5%, maar over een middellange tot lange periode was dat 5,7 tot 6%. In het licht van de vergrijzing is een dergelijke tendens natuurlijk niet houdbaar.

De regering heeft vorig jaar dwingende bepalingen aangenomen in de machtigingswetten. Die wetten werden in deze assemblee besproken en zijn nu van kracht.

Wat is er gebeurd? Voor 2004 was er een overschrijding van onze groeinorm met zowat 9%, vooral in de sectoren geneesmiddelen en erelonen. Er is nu een belangrijke trendbreuk tot stand gekomen, zodat ongeveer 750 miljoen structurele besparingen kunnen worden toegekend aan de gezondheidszorg. Het is de eerste keer in de geschiedenis van de gezondheidszorg dat een ommekeer van die omvang bereikt wordt in zo'n korte tijd.

Daardoor beschikken we nu over zowat 141 miljoen euro waarmee een eerlijker spreiding teweeg kan worden gebracht.

Zo hebben bijvoorbeeld de kinesitherapeuten veel te lijden gehad van de genomen maatregelen. Op de eerste 18 kinebeurten zullen we nu het remgeld enigszins kunnen verhogen.

Er zijn ook problemen in de logopedie. De leeftijdsplafonds voor stotteraars of kinderen met spraakproblemen zullen worden geschrapt.

We zullen daar in de toekomst nog kunnen op terugkomen.

We hebben dus keuzes gemaakt inzake lastenverlaging die de economie een nieuwe dynamiek moet geven, uitgaande van de stelling dat sociale zekerheid en economie geen tegenpolen zijn van elkaar. Als economie en het sociale vangnet hand in hand gaan, kan men de sociale zekerheid gebruiken als een instrument om personen en samenleving te dynamiseren en economische activiteit te creŽren. Dat is het waagstuk dat we voor ogen hebben met de lastenverlaging.

We hebben met creatieve methodes gepoogd de sociale zekerheidsstelsels van zelfstandigen en werknemers in evenwicht te brengen en af te stemmen op de reŽle noden van vandaag.

We denken evenwel dat dit nog onvoldoende is. In 1981 bestond er nog een systeem van perequatie van de uitkeringen. Dat mechanisme heeft de regering destijds noodgedwongen moeten opheffen. Wat is daarvan nu het gevolg? Sommige inkomens en in het bijzonder de vervangingsinkomens zijn na al die jaren aanzienlijk geŽrodeerd. Een vervangende uitkering bedraagt momenteel 30% van een basisinkomen. Dat betekent dat mensen het steeds moeilijker hebben om in de samenleving mee te draaien.

Hoe wil de regering dit bijsturen? In Oostende werd al een beslissing genomen die economisch verdedigbaar was. Gelijklopend met de tweejaarlijkse loononderhandelingen werd iedereen gedwongen dezelfde berekeningen te maken in verband met de uitkeringen. Rekening houdend met de groei van de economie werd dit mechanisme opgestart en er werd een startfonds van 75 miljoen euro aan toegevoegd.

Wat heeft de regering beslist?

We zullen het eerst optrekken met tranches van 15 miljoen euro en vervolgens met 85 miljoen, tot we een eindbedrag van 225 miljoen euro bereiken dat gebruikt zal worden voor dringende sociale correcties. Dit is ongetwijfeld een gulle maatregel om de mensen te helpen van wie de vervangingsinkomens in reŽle termen zijn gedaald.

Een laatste punt betreft het algemene evenwicht. Iedereen kan er inderdaad van uitgaan dat hier of daar liberale of socialistische accenten werden gelegd. Ik heb daarnet de vergelijking gehoord met de waggelgang van een eend. Die eend weet echter wel waar hij naartoe wil en ik vind dat hij zich vrij goed vooruit beweegt.

-De bespreking is gesloten.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 20 oktober 2005 om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

3. Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende diverse bepalingen betreffende de termijnen, het verzoekschrift op tegenspraak en de procedure van collectieve schuldenregeling; Stuk 3-1207/1 tot 4.

4. Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 81, 104, 569, 578, 579, 580, 583 et 1395 van het Gerechtelijk Wetboek; Stuk 3-1210/1 tot 3.

5. Voorstel tot wijziging van artikel 84 van het reglement van de Senaat (van de heer Paul Wille c.s.); Stuk 3-1393/1. (Pro memorie)

Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

6. Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 20 oktober 2005 om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 17.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Anseeuw en Hermans, de heren Brotcorne, Dedecker, Wilmots en Germeaux, wegens andere plichten, de heer Brotchi, in het buitenland, en de heer Van Peel, om gezondheidsredenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de regeling van de overlijdensverklaring en de aangifte van overlijden (van mevrouw Mia De Schamphelaere en de heer Wouter Beke; Stuk 3-1371/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel tot herziening van het Reglement

Voorstel tot wijziging van artikel 84 van het Reglement van de Senaat (van de heer Paul Wille c.s.; Stuk 3-1393/1).

-Verzonden naar het Bureau.