2-63

2-63

Belgische Senaat

2-63

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 13 JULI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van een voorstel

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Brussel op 27 september 1999, bij de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Togo inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1984 (Stuk 2-515)

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Abidjan op 28 september 1999, bij de Scheepvaartovereenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Ivoorkust, ondertekend te Abidjan op 25 november 1977 (Stuk 2-516)

Wetsontwerp houdende instemming met de wisseling van brieven gedagtekend te Dakar op 10 maart en 16 november 1998 tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Senegal inzake de handelsscheepvaart, gedaan te Dakar op 1 december 1982 (Stuk 2-517)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Republiek Kongo tot wijziging van de Scheepvaartovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre van 5 maart 1981, ondertekend te Kinshasa op 8 juni 1999 (Stuk 2-518)

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Bamako op 7 oktober 1998, bij het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Mali inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Bamako op 7 augustus 1984 (Stuk 2-519)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 2, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (Stuk 2-324) (Tweede behandeling)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 1ter van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en de gewezen leden van de Wetgevende Kamers (Stuk 2-503)

Wetsvoorstel tot bevordering van de verkeersveiligheid in de schoolomgevingen (van mevrouw Kathy Lindekens c. s., Stuk 2-261)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de oriëntatienota over de elektronische handel» (nr. 2-177)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de afschaffing van het bonus-malussysteem en het verdwijnen van de automatische vaste tariefsprongen» (nr. 2-180)

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het ontbreken van uitvoeringsbesluiten op de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en de toepassing van de EU-richtlijnen ter zake» (nr. 2-199)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het statuut van geregulariseerde personen die activiteiten als zelfstandige ontplooien» (nr. 2-174)

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubié aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van België wanneer Palestina zich onafhankelijk zou verklaren» (nr. 2-201)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is de inoverwegingneming van het wetsvoorstel van mevrouw Lizin tot vergoeding van de schade veroorzaakt bij therapeutische ongevallen (2-335/1).

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat dit voorstel in overweging is genomen en verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. (Instemming.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Frans Lozie aan de minister van Binnenlandse Zaken over "de procedure tot dringend beroep bij de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen" (nr. 2-319)

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Op basis van de wet van 15 december 1980, meer bepaald het later ingevoegde Hoofdstuk Ibis, artikel 63/2 tot en met art. 63/5 bestaat er een snelprocedure voor de behandeling van de ontvankelijkheid van een asielaanvraag. In de praktijk worden asielzoekers na een eerste kort interview door de Dienst Vreemdelingenzaken geregeld opnieuw op de dienst uitgenodigd om het resultaat van dit gesprek te horen. Meestal vernemen ze dan dat hun aanvraag niet ontvankelijk wordt verklaard. Ze ontvangen dan een attest 26bis maar worden meteen ook opgepakt en naar een gesloten centrum overgebracht. Dan krijgen zij, krachtens de bepalingen van Hoofdstuk Ibis, precies één dag om dringend beroep aan te tekenen bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die dan binnen de vijf werkdagen deze beroepen bij voorrang behandelen. In principe is er niets op tegen dat mensen in detentie voorrang krijgen voor de procedure waarvan zij het voorwerp zijn.

Bij de beslissing van de DVZ wordt vaak maar een zeer beknopte samenvatting van het interview weergegeven, niet zelden met weglating van de passages die voor de betrokkene erg belangrijk kunnen zijn bij de behandeling van het beroep. Dat heeft natuurlijk te maken met de doelstelling van de conclusie van de DVZ: de beslissing wordt gemotiveerd en vaak worden elementen weggelaten die de motivering tegenspreken.

Neemt de Commissaris-generaal in deze procedure kennis van het gehele gesprek dat de betrokkene had met de DVZ of uitsluitend met de beknopte samenvatting ervan? Wordt aan de asielaanvrager minstens één gesprek gegarandeerd met de verantwoordelijke voor zijn dossier bij het Commissariaat-generaal vooraleer een definitieve beslissing wordt genomen? Wordt het recht op een echt gesprek hier gegarandeerd?

Indien het antwoord op beide vorige vragen negatief is, kan de minister dan nog gewagen van een ernstige behandeling van de asielaanvraag, zoals door ons land gegarandeerd werd bij de ondertekening van het Verdrag van Genève?

Niet zelden worden asielzoekers, die werden opgevangen in een opvangcentrum van het OCMW volgens bovenvermelde snelprocedure, totaal onverwacht opgesloten in een gesloten centrum. Vermoedelijk gebeurt dit omdat men dan gebruik kan maken van de snelprocedure van het dringend beroep binnen de vijf werkdagen. Is dit geen oneigenlijke toepassing van het recht om asielzoekers tijdens de procedure in gesloten centra op te sluiten?

Kan de minister bevestigen dat er recent geregeld namenlijsten werden opgesteld en doorgespeeld aan de OCMW's of aan het Hoog Commissariaat, van mensen die in aanmerking komen voor deze snelprocedure? Is het juist dat hierbij nogal wat Iraniërs betrokken zijn en kan de minister de motivatie hiervoor meedelen? Bestaat er enige kans dat deze mensen snel worden teruggestuurd naar Iran? Welke garanties heeft de minister om te voorkomen dat deze mensen het slachtoffer worden van de Islamitische dictatuur in Iran?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De integrale schriftelijke neerslag van het interview zoals het na voorlezing via de tolk voor akkoord werd ondertekend door de kandidaat-vluchteling wordt overgezonden aan het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen. Ik heb geen kennis van het feit dat er geregeld bepaalde belangrijke passages zouden worden weggelaten, zoals senator Lozie stelde. Ik zou het dan ook op prijs stellen indien de heer Lozie me hiervan voorbeelden zou kunnen geven.

Een interview met de dossierbehandelaar op het Commissariaat-generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen is de standaardprocedure waar slechts in hoogst uitzonderlijke gevallen wordt van afgeweken, namelijk indien uit het interview bij de Dienst voor Vreemdelingenzaken is gebleken dat er absoluut geen elementen aanwezig zijn die verband houden met één van de criteria uit de Vluchtelingenconventie en er ook in het verzoekschrift geen andere elementen worden aangereikt. Gezien beide vorige vragen in feite positief moeten worden beantwoord, is de ernstige behandeling van de asielaanvraag gewaarborgd.

De opsluiting van asielzoekers in gesloten centra gedurende de periode dat de ontvankelijkheid van hun aanvraag wordt onderzocht, is bij wet geregeld. Over de nationaliteiten die aan deze procedure zijn onderworpen, wordt overleg gepleegd in de task force immigratie, die onder meer bestaat uit vertegenwoordigers van de dienst Vreemdelingenzaken en van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. De namenlijsten worden niet doorgegeven. De OCMW's en de open centra worden op hun verzoek en conform de administratieve praktijk op de hoogte gebracht van de opsluiting van een kandidaat-vluchteling die hen was toegewezen. Deze mededeling gebeurt pas nadat er een beslissing is genomen. De personeelsleden van de dispatchingdienst van het departement Maatschappelijke Integratie brengen de betrokken instellingen op de hoogte. Dit geldt dus enkel voor deze specifieke gevallen.

De abnormale toename van het aantal Iraanse asielzoekers gedurende de jongste maanden doet ons vermoeden dat er wel degelijk sprake is van mensenhandel. Om excessen te vermijden worden sommige personen die duidelijk misbruik maken van de asielprocedure, opgesloten terwijl de ontvankelijkheid van hun aanvraag wordt onderzocht. Dit geldt niet enkel voor de Iraniërs. De maatregel werd reeds toegepast op andere nationaliteiten na overleg met de task force, die altijd uiterst voorzichtig te werk gaat. U weet zeer goed dat de signalen die aan de buitenwereld worden gegeven, zeer belangrijk zijn. Deze personen kunnen pas naar Iran worden teruggezonden indien hun asielaanvraag wordt afgewezen. Hun dossiers worden even ernstig behandeld als die van de aanvragers uit onverschillig welk ander land. Er wordt uitsluitend overgegaan tot gedwongen repatriëring indien het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen oordeelt dat de betrokkenen geen gevaar loopt. Ik ben er overigens van overtuigd dat voor de Iraniërs bijzondere voorzorgsmaatregelen gelden, wat normaal is.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord. Het positief antwoord op mijn eerste twee vragen is bijzonder belangrijk. Toch zijn er uitzonderlijke gevallen waar de Dienst Vreemdelingenzaken van oordeel is dat er geen enkel element is dat verband houdt met de Conventie van Genève. Persoonlijk vind ik dat zelfs in die gevallen de toetsing via een interview door het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen en Staatlozen moet kunnen plaatsvinden. Ik blijf er moeite mee hebben dat aan sommigen het tweede interview niet wordt toegestaan. Als men zeker is van een dossier, zou ook in die gevallen geen enkel probleem moeten rijzen om een interview toe te staan. Ik pleit er veeleer voor om in alle gevallen minstens een tweede interview, op het niveau van het Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen en Staatlozen, toe te staan, omdat er in ieder geval een zekere externe controle ten opzichte van de Dienst Vreemdelingenzaken mogelijk moet zijn.

Wat de problematiek van de Iraniërs betreft, ben ik het eens met de minister dat er de jongste tijd een stijging is van de aanvragen en men bijzonder voorzichtig moet zijn. De betrokken diensten moeten echter ook eens onderzoeken of er een andere weg is voor terechte politieke vluchtelingen uit Iran om het land te ontvluchten dan gebruik te maken van bestaande filières. Het feit dat men langs een filière het land ontvlucht, mag geen reden zijn om een dossier als verdacht te bestempelen en er negatief tegenover te staan. Er is voor terechte politieke vluchtelingen uit Iran bijna geen andere weg dan via deze filières om uit het land te raken. Men moet zich daar bewust van zijn en deze problematiek met een open geest benaderen.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Ik herhaal dat alle dossiers ernstig moeten worden onderzocht en ik ben ervan overtuigd dat dit ook gebeurt.

De interviews moeten integraal in het dossier worden opgenomen. Indien u weet hebt van gevallen waarin dit niet is gebeurd, verzoek ik u mij daarvan op de hoogte te brengen. Ik zal dan een onderzoek gelasten.

Indien de zaken duidelijk zijn, zie ik echter niet in waarom er nogmaals een gesprek zou moeten plaatsvinden. Ondanks de verhoging van het aantal personeelsleden kampt het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen immers nog steeds met een belangrijke achterstand in de behandeling van de dossiers.

Ik heb nooit gezegd dat voor echte asielzoekers andere wegen openstaan dan de netwerken. Wij moeten de praktijken van deze netwerken bestrijden, maar de personen die aan de vereiste voorwaarden voldoen, moeten asiel krijgen, ongeacht de manier waarop ze naar België zijn gekomen. De anderen moeten echter een negatieve beslissing krijgen en effectief worden uitgewezen.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Binnenlandse Zaken over «het borstvoedingsverlof bij de politiediensten» (nr. 2-320)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Op mijn vraag om uitleg over de aandacht voor gelijke kansen van vrouwen en mannen bij de hervorming van de politiediensten antwoordde de minister vorige week dat hij begrip had voor de moeilijkheden die sommige vrouwen ondervinden om hun beroepsleven met hun gezinsleven te verzoenen.

Hetzelfde probleem rijst ook voor mannen. Het is een uitdaging voor het beleid om ervoor te waken dat vrouwen en mannen de taken kunnen delen.

De minister verklaarde dat de statuten daarom voorzien in de mogelijkheid van de vrijwillige vierdagenweek, loopbaanonderbreking en verlof voor dwingende familiale redenen.

Dit is uiteraard een eerste stap in de goede richting, maar de onzekerheid over het gezins- en vrouwvriendelijk karakter van de nieuwe statuten blijft bij vele politie- en rijkswachtvrouwen zeer groot. De tijd dringt.

Daarom had ik graag van de minister vernomen of de vrouwelijke rijkswachters hun recht op betaald borstvoedingsverlof behouden. Het gerucht doet immers de ronde dat dit in de nieuwe statuten zou worden afgeschaft. Is dit inderdaad zo ?

Zullen de gezins- en vrouwvriendelijke regelingen in de bestaande statuten van de verschillende politiediensten behouden blijven en opgenomen worden in de nieuwe statuten ? Wordt er met het nieuwe statuut een stap vooruit of een stap achteruit gedaan?

Wordt er gewerkt aan een goede regeling, inzonderheid wat betreft de vergoeding inzake bevallingsverlof, borstvoedingsverlof, vaderschapsverlof, adoptieverlof, ouderschapsverlof en palliatief verlof?

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - Het verheugt mij dat in de nieuwe wet op de geïntegreerde politiediensten het gelijkheidsbeginsel tussen mannen en vrouwen ten aanzien van de toegang tot het politieambt wordt bevestigd.

Vrouwelijke rijkswachters kunnen op dit ogenblik genieten van bezoldigd ouderschapsverlof indien het wordt aangewend als borstvoedingsverlof. Het voorontwerp van koninklijk besluit tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, dat eerstdaags aan de Ministerraad zal worden voorgelegd, voorziet eveneens in ouderschapsverlof en onder dezelfde voorwaarden als voor de federale ambtenaren. Dit ouderschapsverlof is echter onbezoldigd.

De verlofregelingen zoals opgenomen in voornoemd koninklijk besluit, zijn gelijklopend met de bestaande verlofregelingen in het openbaar ambt met inbegrip van dezelfde vrouw- en gezinsvriendelijke maatregelen.

De thans bestaande regeling van deeltijds werken voor de personeelsleden van de gemeentepolitie is niet opgenomen in het koninklijk besluit.

De toekomstige regeling zal voorzien in bevallingsverlof, loopbaanonderbreking voor ouderschapsverlof, vaderschapsverlof als omzetting van het bevallingsverlof, verlof voor adoptie of pleegvoogdij en niet-bezoldigd palliatief verlof.

Dit bevestigt de wil om het gelijkheidsbeginsel toe te passen, rekening houdend met de bijzondere situatie van de vrouwen.

Vanmorgen had ik, op verzoek van de voorzitter van de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, overigens een ontmoeting met Algerijnse politievrouwen. Ik vond hen zeer bekwaam, dynamisch en bovendien, gelet op de toestand in hun land, erg moedig. Ik ben ervan overtuigd dat de vrouwen een belangrijke rol spelen in onze politiediensten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik wil op twee punten repliceren.

Inzake borstvoedingsverlof zal het nieuwe statuut dus minder voordelig zijn dat het huidige statuut. Vrouwelijke rijkswachters hebben vandaag, mits aan een aantal voorwaarden wordt voldaan, recht op borstvoedingsverlof met behoud van 100% van hun loon. Het algemene recht op ouderschapsverlof voorziet hierin niet. Als redelijke tussenstap zouden politievrouwen minstens moeten kunnen genieten van het borstvoedingsverlof dat vandaag geldt voor risicovolle beroepen of sectoren en dat voorziet in het behoud van 60% van het loon.

Het gewone stelsel van ouderschapsverlof in het openbare ambt geeft recht op een forfaitaire vergoeding van 17.000 frank per maand, wat veel minder is dan in de risicosectoren.

Zodoende schiet de minister tekort op het vlak van de elementaire vrouwen- en kinderrechten. In onze samenleving dient borstvoeding mijns inziens te worden aangemoedigd.

Verder zullen politiemensen terecht een beroep kunnen doen op een vier-vijfdenarbeidsregeling. Waarom wil de minister niet verdergaan en ook halftijds werk toelaten? De huidige teksten voorzien niet in deze mogelijkheid. Politiepersoneel in andere landen heeft hierop wel recht. Ik denk aan het Verenigd Koninkrijk, Nederland, Duitsland, Luxemburg en Ierland. Ook de gemeentepolitie van bij voorbeeld Charleroi en Stekene hebben hierop recht. Ook in dit verband wordt de sociale klok dus achteruit gezet.

Ik roep de minister op om het verzoenen van arbeid en gezinsleven bij de politie, meer sociale wind in de zeilen te geven.

De heer Antoine Duquesne, minister van Binnenlandse Zaken. - De statuten waarover ik met de vakbonden heb onderhandeld, betekenen een belangrijke vooruitgang, zowel voor de vrouwen als voor de mannen. Sommige maatregelen werden trouwens veralgemeend. Wat het borstvoedingsverlof betreft, zullen de lokale politiediensten voortaan maatregelen genieten die tot op heden alleen voor het personeel van de rijkswacht golden.

Ik ben tot alles bereid, zowel voor de vrouwen als voor de mannen, maar dan wel rekening houdend met het operationele karakter van de politiekorpsen. Wij hebben reeds een belangrijk initiatief genomen door de vierdagenweek mogelijk te maken op voorwaarde dat de werking van de politiekorpsen niet in het gedrang komt. Zij moeten immers de klok rond paraat zijn. Deeltijds werk mag het functioneren van de diensten niet verstoren. Dit geldt in het bijzonder voor kleine diensten, waar alle personeel inzetbaar moet zijn.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Devolder aan de minister van Justitie over «de verjaring van bouwmisdrijven» (nr. 2-318)

De heer Jacques Devolder (VLD). - In de regeringsverklaring staat volgende passage: "Er zal ook voor gezorgd worden dat de rechtsonderhorigen berecht worden binnen redelijke termijnen, zoals voorzien in de Europese Conventie van de Rechten van de Mens. Om diezelfde rechtszekerheid te bevorderen zal eveneens de invoering onderzocht worden van een verjaringstermijn voor de uitvoerbaarheid van rechterlijke uitspraken".

Het niet bestaan van deze verjaringstermijn heeft gevolgen voor de ruimtelijke ordening, meer specifiek wat de illegale bouwwerken betreft. Bouwmisdrijven kunnen nog altijd niet verjaren en blijven daardoor een uitzondering op de verjaringswetgeving.

De uitvoering van vonnissen gebeurt in sommige gevallen pas na 10 jaar of meer. Dat is verre van logisch en bovendien moeilijk aanvaardbaar. Dat leidt tot wrevel, tot onmenselijke situaties en vooral tot grote rechtsonzekerheid.

Is sedert het afleggen van de regeringsverklaring iets ondernomen voor het instellen van een redelijke verjaringstermijn voor de uitvoerbaarheid van rechterlijke uitspraken?

Zullen bouwmisdrijven een uitzondering blijven of overweegt de minister daarvoor op korte termijn maatregelen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - In uitvoering van het regeerakkoord werd een technische werkgroep opgericht om de problematiek van de verjaring van bouwmisdrijven te bestuderen. Het gaat om een uitermate complexe juridische materie.

De werkgroep heeft in haar voorlopige conclusies enkele mogelijkheden opgesomd.

De eerste mogelijkheid bestaat erin de voortzetting en de instandhouding van de bouwmisdrijven te depenaliseren. Strafrechtelijke bepalingen moeten als een ultimum remedium worden beschouwd en dan ook eng worden geïnterpreteerd. Bouwmisdrijven zouden aldus conform de algemene principes na verloop van vijf jaar verjaren. Deze maatregel zal door de gewesten moeten worden toegepast en valt dus buiten mijn bevoegdheid.

Een tweede mogelijkheid zou zijn de verjaringstermijn van de herstelvordering en de uitvoering ervan te verminderen. De termijn van tien jaar die is vastgelegd in artikel 2262bis van het Burgerlijk Wetboek zou, zoals de Nederlandse wetgeving bepaalt, kunnen worden gereduceerd tot drie jaar voor de uitvoering van gerechtelijke uitspraken waar herstel bevolen wordt, en tot vijf jaar voor de verjaring van de herstelvordering.

Deze mogelijkheden moeten in de loop van de volgende weken verder worden uitgewerkt en geëvalueerd. Bovendien zal moeten worden uitgemaakt op welk niveau er beslissingen moeten worden genomen, het federale of het gewestniveau. Als de verjaringstermijn in het Burgerlijk Wetboek wordt gewijzigd, dan is het federale niveau in elk geval klaar voor de toepassing van de nieuwe maatregelen.

De heer Jacques Devolder (VLD) commissie voor de Instituionele Aangelegenheden. - Als gemeenschapssenator zal ik erop toezien dat er terzake vlug maatregelen worden genomen.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie Nagy aan de minister van Justitie over «de benoeming van de toegevoegde rechters te Brussel om de gerechtelijke achterstand weg te werken» (nr. 2-325)

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - In uw antwoord op een vraag van de heer Hordies van 25 mei jongstleden over de benoeming van toegevoegde rechters, conform het akkoord van 20 december 1999 tot bestrijding van de gerechtelijke achterstand, vooral in Brussel, zei u dat u wachtte op de circulaire van de procureur des Konings tot oprichting, op instructie van de minister en ter toepassing van het akkoord, van een nieuwe sectie in het parket van Brussel, bevoegd voor het arrondissement Halle-Vilvoorde.

Hoever staat het hiermee? Hebt u de circulaire van de procureur des Konings ontvangen? Zo ja, kan dan een wetsontwerp worden ingediend en kunnen nieuwe benoemingen plaatsvinden? Welke waarborgen hebben de Franstaligen die in dit arrondissement, maar buiten Brussel wonen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik zal het regeerakkoord over de benoeming van toegevoegde rechters om de gerechtelijke achterstand, vooral in Brussel, weg te werken, zeker uitvoeren. Het wetsontwerp is klaar en zal zo spoedig mogelijk in het Parlement worden ingediend.

Het regeerakkoord bevat verschillende elementen die met elkaar verbonden zijn om een voor iedereen aanvaardbaar evenwicht te bereiken. Daarom wil ik het ook in zijn geheel uitvoeren.

De regering wacht nog op de richtlijn van de procureur-generaal en de procureur des Konings van Brussel, alhoewel die maar betrekking zal hebben op de organisatie van het parket van Brussel. Er is hier dus geen sprake, zoals sommigen wensen, van een splitsing van het gerechtelijk arrondissement Halle-Vilvoorde. Er is evenmin sprake van een afwijking op de wet van 1935 op het gebruik der talen. Indien een Franstalige in het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde een overtreding begaat, zal het proces-verbaal in het Nederlands worden opgesteld.

De organisatorische maatregelen hebben betrekking op drie zaken. Ten eerste moet een Nederlandstalige magistraat deelnemen aan de overlegvergaderingen tussen de politie en de gerechtelijke overheden van het rechtsgebied Halle-Vilvoorde. Ten tweede moeten de politiebeambten van het arrondissement Halle-Vilvoorde een Nederlandstalige magistraat van dienst kunnen contacteren voor de dossiers die 's nachts of tijdens het weekend worden opgesteld. Ten derde moeten de administratieve overheden van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde voor de behandeling van administratieve dossiers contact kunnen opnemen met Nederlandstalige personeelsleden of magistraten. De Franstalige inwoners van het arrondissement lopen dus geen enkel gevaar. De richtlijn heeft trouwens alleen betrekking op de organisatie van het parket.

Zolang ik de richtlijn van de procureurs niet gekregen heb, kan ik mij niet uitspreken over eventuele nieuwe benoemingen.

Ik heb de procureurs herhaaldelijk, onder meer vorige week nog, gewezen op het dringend karakter van dit document. Zodra ik over alle gegevens beschik, zal ik het nodige doen.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik ben enigszins verbouwereerd door het antwoord van de minister. Van de vier punten van het regeerakkoord moest er één snel worden uitgevoerd, namelijk de indiening van een wetsontwerp tot benoeming van toegevoegde magistraten. Een ander punt betrof de circulaire over de organisatie van de parketten. De procureurs maken gewag van een reeks moeilijkheden om de sectie voor buiten Brussel in werking te doen treden, omdat de maatregel eigenlijk een volledige reorganisatie van de parketten vergt. U vraagt hen eigenlijk de parketten met dezelfde middelen volledig te reorganiseren. Er zijn nochtans bijkomende middelen ter beschikking om het arrondissement Halle-Vilvoorde te reorganiseren, hoewel er in Brussel toch de meeste problemen zijn.

De personen die in Brussel op een beslissing wachten, zullen inmiddels al wel minimum een jaar verloren hebben. Er zal tussen het tijdstip van de vaststelling dat er te weinig magistraten zijn om de Franstalige dossiers in Brussel te behandelen, december 1999, en de indiening van het wetsontwerp, waarschijnlijk in oktober of november 2000, immers een jaar verlopen zijn.

Het is niet evident dat de sectie Halle-Vilvoorde met dezelfde middelen kan worden gereorganiseerd zonder de middelen van het gehele arrondissement, Brussel inbegrepen, sterker te moeten aanspreken.

De personen die op een beslissing van de minister met betrekking tot de gerechtelijke achterstand te Brussel wachten, worden als het ware gegijzeld. De reorganisatieproblemen worden afgewenteld op de rug van de procureurs-generaal en procureurs des Konings, wat niet gemakkelijk kan worden uitgelegd en aanvaard.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De regering gijzelt niemand. Ik verwijs naar de aankondiging van 20 december 1999, die zeer duidelijk is. Vier zaken moeten worden gerealiseerd. Drie daarvan werden aan de wetgevingstechniek getoetst.

De Ministerraad heeft een beslissing genomen. De Raad van State heeft zich uitgesproken. Ik heb van in het begin gezegd dat de procureur des Konings en de procureur-generaal van Brussel hun verantwoordelijkheid op zich moesten nemen. Als het probleem werkelijk zo scherp is, wat ik beaam, hadden de procureurs een grotere inspanning kunnen doen. Dat was totnogtoe helaas niet het geval.

Ik wijs nogmaals op het belang van dit dossier. De wil tot slagen moet van de procureurs komen. Ik hoop dat zij zich daar bewust van zijn. Ik heb er hen al vaak op gewezen. Het zou te eenvoudig zijn te concluderen dat wij nu kunnen opschieten omdat het wettechnische werk nu al enkele maanden geleden is beëindigd. Het parket moet nu reageren.

Ik zou dit dossier liever al behandeld hebben in Kamer en Senaat in plaats van te moeten wachten zoals nu.

De voorzitter. - Mijnheer de minister, u spreekt zeer duidelijk taal. Ik neem aan dat de magistraten uw boodschap hebben gehoord.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik wens met de minister geen discussie aan te gaan, maar wijs er toch op dat hij tegen de heer Hordies gezegd heeft dat de procureurs hem reeds op 8 mei geantwoord hebben.

Er is een verschil tussen de verklaring dat dit antwoord niet bevredigend is en de bewering dat de hoge magistraten hun werk niet hebben gedaan. De vraag die in het kader van het regeerakkoord werd geformuleerd is, wat middelen en organisatie betreft, veel belangrijker dan men laat uitschijnen.

Mondelinge vraag van de heer Jean-François Istasse aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «het dragen van een veiligheidsgordel in touringcars» (nr. 2-323)

De heer Jean-François Istasse (PS). - Het tragische ongeval van dinsdag, waarvan kinderen uit Jurbise het slachtoffer waren, kan ons niet onberoerd laten. Dit ongeval toont aan dat het dragen van een veiligheidsgordel in touringcars zeer belangrijk is.

Een Europese richtlijn van 17 juni 1996 maakt het installeren van deze gordels in touringcars mogelijk. Het gaat echter niet om een verplichting en er zijn problemen inzake de omzetting in Belgisch recht. De mogelijkheid bestaat echter wel om de aanwezigheid van gordels in de nieuwe voertuigen verplicht te maken. Ondanks de persberichten werd er blijkbaar nog geen enkele maatregel in die zin genomen.

Het is moeilijk om de voertuigen aan te passen die reeds in het verkeer zijn en bovendien worden dergelijke voertuigen afgeschreven op vijf of tien jaar of zelfs meer. Er moet dus opgetreden worden.

Mevrouw de vice-eerste minister, wat zult u doen om veiligheidsgordels in nieuw ingeschreven touringcars zo vlug mogelijk te verplichten?

Kan men via de reglementering of door stimuli de aanpassing van een deel van de oudere voertuigen niet versnellen?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Het tragische ongeval waarvan de kinderen van Jurbise het slachtoffer waren, heeft onze aandacht gevestigd op twee veiligheidsproblemen bij touringcars: de rust- en werktijden van de chauffeurs en de veiligheidsgordels.

Hoewel wij de resultaten van het onderzoek moeten afwachten, werd het drama wellicht veroorzaakt door het insluimeren van de chauffeur.

De rij- en rusttijd is nochtans onderworpen aan strenge Europese richtlijnen. De naleving ervan wordt in België regelmatig door het personeel van het MVI gecontroleerd op basis van de tachygraaf.

Ik zal dieper ingaan op de vraag van de heer Vankrunkelsven over het aantal controles en overtredingen.

Het nut van veiligheidsgordels in touringcars en in om het even welk ander voertuig kan niet worden betwist.

De Europese richtlijn waarnaar u verwijst, mijnheer Istasse, laat de lidstaten toe het aanbrengen van veiligheidsgordels in nieuwe touringcars op te leggen. Het gaat echter om een mogelijkheid en niet om een verplichting.

Persoonlijk vind ik dat deze verplichting zo snel mogelijk moet worden opgelegd voor nieuwe touringcars.

Deze verplichting moet ten laatste medio 2001 van kracht worden.

In sommige van de touringcars die reeds in gebruik zijn, zijn geen bevestigingspunten voor de gordels aanwezig. De noodzakelijke aanpassing vergt een aanzienlijke investering en is bovendien soms onmogelijk in oude touringcars.

Ik zal dit punt volgende week aankaarten tijdens mijn ontmoeting met de vertegenwoordigers van de verenigingen van touringcar-exploitanten.

Zij zijn eveneens voorstanders van een verbetering van de veiligheid.

Indien het dragen van de veiligheidsgordel verplicht wordt in alle of in sommige voertuigen, zullen de huurprijzen onvermijdelijk stijgen. Indien men besluit een voertuig te huren om personen te vervoeren, moet men goed beseffen dat bodemprijzen vaak het gevolg zijn van het veronachtzamen van bepaalde regels.

Statistisch gezien is de touringcar nog altijd een van de veiligste middelen om zich over de weg te verplaatsen, al klinkt deze opmerking op dit ogenblik misschien belachelijk of zelfs misplaatst. Hoewel verbeteringen ongetwijfeld nodig zijn, moet men redelijk blijven.

De heer Jean-François Istasse (PS). - Het tragische ongeval zou ongetwijfeld minder zware gevolgen hebben gehad indien de passagiers een veiligheidsgordel hadden gedragen. Het ogenblik is aangebroken om de veiligheidsmaatregelen in deze sector, die overigens relatief veilig is, te verhogen. Wij beseffen dat de verplichtingen voor de touringcarbestuurders erdoor toenemen en dat de tarieven zullen verhogen. Dat is nu eenmaal de prijs die wij moeten betalen voor de veiligheid.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer, aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Justitie over «de tachografen en de snelheidsbegrenzers» (nr. 2-326)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik stel deze vraag naar aanleiding van het busongeval eergisteren in Frankrijk. Het toenemend vrachtvervoer op de weg veroorzaakt een toenemend subjectief en objectief onveiligheidsgevoel. Hoewel het gemeenschappelijk vervoer per autocar bekend staat als één van de veiligste, gebeuren er al te vaak tragische ongevallen. Vaak worden de chauffeurs van de zware voertuigen met de vinger gewezen, soms terecht, vaak onterecht. Het zijn vooral de werkgevers die onhaalbaar hoge eisen stellen en hun werknemers de facto onder druk zetten om te knoeien met de voertuigen. De chauffeurs zijn eigenlijk een beetje de moderne slaven van de weg.

Dat de ongevallen niet aan toeval te wijten zijn blijkt duidelijk uit de cijfers van het Centrum voor duurzame ontwikkeling en van het Belgische Instituut voor verkeersveiligheid. Knoeien met reistijden en met snelheidsonderbrekers blijkt meer regel dan uitzondering.

Deze problematiek sleept al jaren aan. Niettemin is de problematiek volgens de reactie van het kabinet niet zo dringend en zal ze later wel worden bekeken. Ik vond deze reactie niet adequaat.

De echte oorzaak van deze misdrijven ligt bij de werkgevers, die hun chauffeurs verplichten onmogelijke opdrachten te vervullen en zeer lange reistijden te doen. Welke maatregelen neemt de regering om de bron van deze misbruiken te bestrijden?

Hoeveel controles van tachografen gebeurden er het voorbije jaar en hoeveel procent van het aantal betrokken voertuigen werd er op die manier gecontroleerd? Hoeveel procent van het geschatte aantal ritten houdt dit in? In welke mate kunnen deze controles opgedreven worden?

Zal de regering wetgevende initiatieven nemen om geknoei met snelheidsbegrenzers of tachografen ernstig te bestraffen? Zal de opdrachtgever of eigenaar van het voertuig medeverantwoordelijk gesteld worden?

Op welke manier en tegen wanneer zullen de technische controles van voertuigen worden geoptimaliseerd?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - De medeverantwoordelijkheid van de opdrachtgever, de verlader, de vervoerscommissionair of de commissionair-expediteur, ingevoerd bij artikel 37, §1, van de wet van 3 mei 1999 betreffende het vervoer van zaken over de weg, geldt onder meer wanneer deze personen instructies hebben gegeven of daden hebben gesteld die geleid hebben tot inbreuken inzake het niet-naleven van de voorschriften inzake rij- en rusttijden en de overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van de voertuigen. Dit is ook het geval als zij door beloften of bedreigingen deze inbreuken hebben uitgelokt of rechtstreeks aan het plegen ervan hebben meegewerkt.

De controleurs en wegbrigadiers van het Bestuur van het vervoer te land vermelden bij vaststelling van bovenvermelde inbreuken in het pro justitia alle eventuele elementen die in de richting van een medeverantwoordelijkheid kunnen wijzen. Behoudens uitdrukkelijke elementen die de medeverantwoordelijkheid aantonen, ligt de uiteindelijke bewijsvoering bij het later gerechtelijk onderzoek.

Aangezien deze maatregel nog vrij recent is, is het aangewezen dat het college van procureurs-generaal duidelijke richtlijnen uitvaardigt.

Het nieuwe ontwerp van koninklijk besluit betreffende de inning en de consignatie van een som bij het vaststellen van sommige inbreuken inzake het vervoer over de weg, dat binnenkort in werking zal treden, voorziet in een onmiddellijke inning van een bedrag van 50 000 frank bij vaststelling van manipulaties die tot doel hebben de goede werking van de tachograaf of de correcte registratie door dit apparaat te verhinderen.

In 1999 werden op de 78 013 gecontroleerde vrachtwagens 13 019 inbreuken vastgesteld. Bij het personenvervoer werden 3 139 autocars gecontroleerd en hierbij werden 379 inbreuken vastgesteld. Bij het goederenvervoer voor rekening van derden werden 3 096 of 27,90% inbreuken inzake rij- en rusttijden en 2 224 of 20,04% inbreuken inzake gebruik van de tachograaf vastgesteld.

Bij het goederenvervoer voor eigen rekening bedragen die cijfers respectievelijk 143 of 7,44% en 267 of 13,88%. Bij het personenvervoer voor rekening van derden werden 19 of 6,01% inbreuken inzake de rij- en rusttijden en 61 of 19,30% inbreuken inzake het gebruik van de tachograaf vastgesteld.

In 2000 is het aantal controles merkelijk opgevoerd. Dat kon omdat de in 1998 en 1999 in dienst genomen wegbrigadiers en controleurs nu volledig zijn opgeleid en over de nodige middelen beschikken om volwaardig aan de controles deel te nemen.

In de periode van januari tot en met april zijn 33.089 controles uitgevoerd. Het aantal vastgestelde inbreuken bedroeg 6 182 op 32 126 gecontroleerde vrachtwagens en 251 op 963 gecontroleerde autocars. Bij het goederenvervoer voor rekening van derden werden 1 178 of 26,18% inbreuken inzake de rij- en rusttijden vastgesteld en 896 of 19,92% inbreuken inzake het gebruik van de tachograaf. Bij het goederenvervoer voor eigen rekening bedragen die cijfers respectievelijk 246 of 17,18% en 27 of 1,89%. Bij het personenvervoer voor rekening van derden werden 14 of 5,58% inbreuken inzake de rij- en rusttijden vastgesteld en 32 of 12,75% inzake het gebruik van de tachograaf.

Om de wegcontrole te optimaliseren hebben de Beneluxlanden en Frankrijk in oktober 1999 een overeenkomst gesloten om hun controlediensten nauw te laten samenwerken. Deze overeenkomst zal de komende maanden waarschijnlijk worden uitgebreid tot Duitsland, Spanje, Groot-Brittannië en Ierland. Door dat soort van samenwerking kunnen bepaalde voertuigen op een adequate wijze over de volledige rit worden gevolgd. Er zijn al specifieke controles uitgevoerd op autocars die tussen Spanje en België rijden. Die initiatieven zullen worden uitgebreid.

In het kader van de invoering van een technische controle langs de weg, een initiatief van de Europese Unie, wordt een samenwerkingsvorm tussen de wegcontrole en de automobielinspectie uitgewerkt.

De vraag rijst ook of we in de toekomst geen betere apparatuur moeten aanschaffen. De automobielinspectie moet in ieder geval elke overtreding melden.

De administratie moet ook meer controle kunnen uitvoeren op de centra voor technische controle en ze verplichten elke overtreding te melden. De GOCA en de centra moeten de mogelijkheid krijgen om snelheidsbegrenzers te controleren.

Binnen het raam van de Belgische en Europese wetten wil ik, zoals ook in de luchtvaartsector, alle initiatieven steunen en zelf initiatieven nemen om de controle te versterken, zodat er geen risico bestaat op belangenvermenging.

De directie Controle zou in deze context kunnen worden uitgerust met specifieke computerapparatuur om op een stilstaand voertuig technische elementen te testen zoals de tachograaf, het remvermogen en de snelheidsbegrenzer. Deze toestellen kosten wel ongeveer 1,5 miljoen frank.

Controle is dus heel belangrijk en moet worden opgedreven, maar het is onmogelijk om elke vrachtwagen en autocar te controleren. We moeten ook proberen het gedrag van de chauffeurs te beïnvloeden zodat ze de regels respecteren, zelfs zonder controle.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik dank de minister voor het omstandige antwoord en de recente cijfers die ze gegeven heeft. Die cijfers bewijzen dat het aantal overtredingen per controle zeer hoog ligt, soms zelfs tot 25%. Wellicht scoren weinig overtredingen zo hoog. Dit bewijst dat dit soort van fraude in deze sector nog veel te frequent voorkomt. Moeten wij de wetgeving dan niet aanpassen en de boetes optrekken om het afschrikkingseffect te vergroten? Dit soort van cijfers vind ik immers onaanvaardbaar.

Mondelinge vraag van de heer Louis Siquet aan de minister van Financiën over «de aanpassing van de berekening van de personenbelasting wanneer één van de echtelieden in Luxemburg werkt» (nr. 2-322)

De heer Louis Siquet (PS). - In december 1999 vroeg ik of en wanneer de administratie der belastingen maatregelen zou nemen om gevolg te geven aan het arrest van het Arbitragehof van 17 december 1997 over de berekeningswijze van de personenbelasting wanneer één van de echtelieden in Luxemburg werkt.

Hoever staat het met dit dossier? Heeft de administratie, zoals u had aangekondigd, deze rechtspraak in regels omgezet,? Welk tijdschema heeft men daarvoor uitgewerkt? Zullen er tegen december, drie jaar na het arrest, concrete resultaten zijn?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik geef u enige toelichting bij deze rechtspraak.

Ik zal werk maken van de toepassing van een aantal rechterlijke beslissingen waaraan op wetgevend of regelgevend vlak nog geen gevolg is gegeven. Wij hebben dit onlangs nog gedaan voor de rente die wegens een arbeidsongeval of beroepsziekte wordt uitgekeerd. De Senaat heeft hier trouwens aan meegewerkt. Voor de grensarbeiders zal ik in dezelfde zin te werk gaan, alleszins voor de gezinnen waarvan een van de echtgenoten een inkomen uit Luxemburg ontvangt.

Het grootste probleem is de berekening van de progressiviteitsreserve en de discriminatie die daaruit voor de gehuwden voortvloeit.

Ik heb de administratie der directe belastingen gevraagd om door middel van een automatische berekeningswijze voor de belasting, het systeem dat op dit type belastingplichtige van toepassing is, te herzien, zodat de klachten niet meer individueel moeten worden behandeld.

Bij de administratie der directe belastingen van Aarlen zijn er 15.000 klachten ingediend, waarvan er 10.000 op dit specifiek probleem betrekking hebben. Zoals voor de arbeidsongevallen en beroepsziekten kan een groot deel van de dossiers door een algemene maatregel worden weggewerkt.

Volgens de administratie der directe belastingen zullen de eerste resultaten van deze nieuwe berekeningswijze nog vóór het einde van het jaar zichtbaar zijn. Dat geldt zeker voor een eerste belastingjaar en geleidelijk wellicht ook voor meer jaren.

Indien u en de commissie voor de Financiën en de Economische aangelegenheden dat wensen, kunnen wij in het najaar een ontmoeting organiseren met de administratie der directe belastingen om na te gaan hoe deze maatregel progressief in werking zal treden en welke berekeningswijze zal worden toegepast om de duizenden dossiers niet afzonderlijk te moeten behandelen.

De heer Louis Siquet (PS). - Het antwoord van de minister verheugt mij en ik apprecieer de mogelijkheid die hij biedt om de administratie der directe belastingen te ontmoeten.

Mondelinge vraag van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de benoeming van de leden van de Raad voor de mededinging» (nr. 2-321)

Mondelinge vraag van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de vernietiging door de Raad van State van de benoeming van de voorzitter van de Raad voor de mededinging» (nr. 2-324)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Om iets te doen aan de slechte werking van de Raad voor de Mededinging werd de wet van 5 augustus 1991 op de bescherming van de economische concurrentie op initiatief van de Senaat aangepast. Krachtens de nieuwe wet van april 1999 kreeg de Raad een permanente staf van vier leden, een voorzitter en een ondervoorzitter uit de magistratuur en twee leden gekozen op grond van hun expertise op het gebied van de economische mededinging.

Minister Di Rupo richtte eind april een eerste oproep tot de kandidaten, maar geen enkele kandidaat werd benoemd.

Bij het begin van deze regeerperiode richtte minister Demotte een nieuwe oproep tot de kandidaten, waarna de voorzitter en de ondervoorzitter werden benoemd. In december 1999 werd een nieuwe oproep gedaan, maar de voorzitter heeft niemand benoemd. Op 27 juni jongstleden heeft de Raad van State bovendien de benoeming van de voorzitter vernietigd.

Zo wordt de wens van de wetgever met voeten getreden en loopt het werk van de Raad een steeds grotere achterstand op. Wat denkt de minister te ondernemen om de rechtsonzekerheid weg te nemen die inzake bescherming van de economische mededinging nog altijd heerst? Binnen welke termijn denkt hij dat te doen?

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Een Franstalige Kamer van de Raad van State heeft de benoeming van Olivier Gutt tot voorzitter van de Raad voor de Mededinging vernietigd. De vorige voorzitster was door de Raad voor de Mededinging unaniem voorgedragen voor een verlenging van haar mandaat. Volgens persberichten droeg de voorganger van de minister de verlenging van haar benoeming voor aan de ministerraad, maar trok hij het voorstel ter zitting in als gevolg van partijpolitieke druk.

In december 1999 bracht de voorganger van de minister het dossier opnieuw op de Ministerraad met een formule om de benoeming van de uittredende voorzitster te ontwijken. Hij vond het "opportuun het voorzitterschap alternerend toe te kennen aan een Nederlandstalige en een Franstalige". Aangezien de vorige voorzitter van de Nederlandstalige taalrol kwam, benoemde hij een Franstalige. Deze keuze is echter nergens op gebaseerd, noch op enig wetsartikel, noch op een vaststaande praktijk. Het verbaast dan ook niemand dat de Raad van State deze benoeming vernietigde. De benoemde kandidaat voldeed zelfs niet aan de wel wettelijk verplichte tweetaligheidsvereiste.

Op welke wijze zal de minister reageren op de vernietigingsbeslissing van de Raad van State? Zal hij het unanieme voorstel van de Raad van Mededinging tot verlenging van het mandaat van de uittredende voorzitster dan toch voorleggen aan de Ministerraad? Of zal hij een nieuw middel zoeken om dit voorstel te ontwijken?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Het is juist dat de Raad van State artikel 1 van het koninklijk besluit houdende de benoeming van de heer Gutt tot voorzitter van de Raad voor de Mededinging nietig heeft verklaard. De Raad van State oordeelde dat "de rechtvaardiging van de kennis van de andere taal dan deze waarin de examens van doctor in de rechten werden afgelegd, alleen kon worden aangetoond conform artikel 43 van de wet van 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken". Anders gezegd, de kennis van de andere taal kon enkel worden aangetoond door een wettelijk attest van tweetaligheid.

Het komt me niet toe commentaar te geven bij de beslissing van de Raad van State. Toch moet ik vaststellen dat de nietigverklaring te betreuren is met het oog op de goede werking van de Raad voor de Mededinging, vooral omdat alle leden van die Raad het eens waren over de beroepsbekwaamheden van de heer Gutt.

We moeten maatregelen nemen opdat de Raad normaal kan functioneren.

Gisteren heb ik in de Kamercommissie geantwoord dat ik van plan ben een voorzitter ad interim te benoemen om de continuïteit van de dienst te verzekeren. Mevrouw Ponnet, lid van de Raad voor de Mededinging en rechter bij de handelsrechtbank te Hasselt, beschikt over een tweetaligheidsattest en zal eerlang in deze functie worden aangesteld.

Er moet zo snel mogelijk een nieuwe oproep tot de kandidaten komen en binnen enkele weken moet er een voorzitter met een taalattest worden benoemd.

Het spreekt vanzelf dat de kandidaten aan de voorwaarden zullen moeten voldoen.

Ik heb mij tevens beraden over de achterstand in de behandeling van de dossiers.

Ik ontken niet dat er een achterstand in het onderzoek van de dossiers bestaat. Ik reken evenwel op het aanwerven van 22 adjunct-adviseurs om de continuïteit van de werking van de Raad te waarborgen.

Wij hebben een voorlopige oplossing gevonden, maar zeer binnenkort moet er dus een oproep tot de kandidaten komen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). -

Het komt me voor dat de hele staf moest worden benoemd.

De minister heeft ons uitvoerig onderhouden over het voorzitterschap en over de taalaspecten, waarover de heer Caluwé vragen heeft gesteld. Mijn vraag had echter betrekking op de gehele werking van de Raad voor de Mededinging en op de staf.

Er is nu een voorzitter, zij het ad interim, maar ik neem aan dat zij normaal zal kunnen werken. Wat de anderen betreft, blijf ik met het antwoord van de minister een beetje in de kou staan.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik steun de vraag van mevrouw Willame. Zal er een oproep zijn voor de vier functies of alleen voor het voorzitterschap?

De voorganger van de minister is verantwoordelijk voor de vertraging die is opgelopen bij de benoeming van een voorzitter van de Raad voor de Mededinging. Om partijpolitieke redenen is iemand benoemd die niet aan de wettelijke voorwaarden voldeed. Dat is een laakbare praktijk.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Brussel op 27 september 1999, bij de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Togo inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1984 (Stuk 2-515)

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Abidjan op 28 september 1999, bij de Scheepvaartovereenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Ivoorkust, ondertekend te Abidjan op 25 november 1977 (Stuk 2-516)

Wetsontwerp houdende instemming met de wisseling van brieven gedagtekend te Dakar op 10 maart en 16 november 1998 tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Senegal inzake de handelsscheepvaart, gedaan te Dakar op 1 december 1982 (Stuk 2-517)

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Republiek Kongo tot wijziging van de Scheepvaartovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre van 5 maart 1981, ondertekend te Kinshasa op 8 juni 1999 (Stuk 2-518)

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Bamako op 7 oktober 1998, bij het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Mali inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Bamako op 7 augustus 1984 (Stuk 2-519)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Ik stel voor deze vijf wetsontwerpen samen te bespreken. (Instemming)

De heer Michiel Maertens (AGALEV), rapporteur. - De vijf wetsontwerpen betreffen de instemming met vijf vrachtverdelingsclausules inzake de handelsscheepvaart met vijf Afrikaanse landen, zijnde Togo, Ivoorkust, Senegal, Congo en Mali.

Congo sloot een protocol af met België. De andere landen met de Belgisch-Luxemburgs Economische Unie.

De ontwerpen hebben betrekking op drie aanvullende protocollen, één protocol en één wisseling van brieven. Ze werden tussen 1977 en 1984 ondertekend. Voor de vijf landen heeft de Europese Commissie per brief van 14 december 1999 laten weten dat ze instemde met de aanpassingen en de publicatie ervan als wet in het Belgisch Staatsblad. Ze zou daardoor afstand doen van de klacht die ze bij het Hof van Justitie in Luxemburg indiende en waardoor België dreigde veroordeeld te worden tot de betaling van een dwangsom van vijf maal 7 miljoen frank.

Het Europees Hof veroordeelde de BLEU al op 14 september 1999 omdat ze verzuimd had de nodige maatregelen te treffen om ofwel de overeenkomsten aan te passen, ofwel ze op te zeggen.

De commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging stelde nochtans vast dat de Raad van State slechts drie dagen heeft gekregen om ter zake een advies uit te brengen. De commissie, die de stukken pas op 12 juli jongstleden ontving, heeft ze dezelfde dag nog goedgekeurd om te vermijden dat ons land de dwangsom moest betalen, ook al was de brief van de Europese Commissie gedateerd op 14 december 1999, zeven maanden vroeger dus.

De commissie betreurt dat de wetsontwerpen niet eerder bij de Senaat werden ingediend en vindt deze werkwijze een onaanvaardbare miskenning van de wetgevende bevoegdheden van de Hoge Vergadering. Dit mag in de toekomst niet meer gebeuren.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de teksten aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en de Landsverdediging, zie de stukken 2-515/3, 2-516/3, 2-517/3, 2-518/3 en 2-519/3.)

- De artikelen 1 en 2 van de verschillende wetsontwerpen worden zonder opmerking aangenomen.

- Over elk wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 2, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (Stuk 2-324) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

De heer Mohamed Daif (PS), rapporteur. - Op 29 februari laatstleden heeft de commissie voor de Binnenlandse Zaken het wetsvoorstel van mevrouw Lizin goedgekeurd. Deze tekst werd als wetsontwerp op 17 maart 2000 aan de Kamer overgezonden.

Het wetsvoorstel strekte ertoe de verstoting uit de Belgische reglementering inzake bevolkingsregisters te bannen.

De parketten geven vandaag nog uiteenlopende richtlijnen in verband met de vermelding van de verstoting op identiteitsstukken. De ambtenaren van de burgerlijke stand laten meestal hun persoonlijke voorkeur gelden.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat heeft door middel van amendementen de betrokken registers zo nauwkeurig mogelijk opgesomd.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Kamer kwam tot het besluit dat onze definitie nog geen voldoening schonk, waarop de regering een louter technisch amendement indiende.

De Kamer heeft onze tekst dus verbeterd. Daarom heeft onze commissie hem eenparig goedgekeurd met zeven stemmen bij één onthouding.

Vertrouwen werd geschonken aan de rapporteur, voor het uitbrengen van een mondeling verslag in de plenaire vergadering.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-324/10.)

- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 1ter van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en de gewezen leden van de Wetgevende Kamers (Stuk 2-503)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Wille verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Marc Hordies (ECOLO). - Als gemeenschapssenator ligt dit wetsontwerp mij bijzonder na aan het hart.

Het zal niemand verbazen dat nog niet één inwoner op tienduizend op de hoogte is van dit bijzonder statuut. Reeds herhaalde malen werd ik geconfronteerd met mensen die dachten dat ik lid van het Waals Parlement was en verbaasd waren dat ik in de Senaat zit. Als ik hen dat heb uitgelegd, vragen ze me hoe ik beide functies kon cumuleren. Als ik dan zeg dat ik als Waals Parlementslid ook nog deel uitmaak van het Parlement van de Franse Gemeenschap begrijpt mijn gesprekspartner niets meer van onze institutionele doolhof. Het wordt nog erger wanneer ik hem vertel dat ik de drie mandaten onmogelijk volledig kan uitoefenen en een keuze moet maken.

Een voorbeeld: gisterenochtend moest ik tegelijkertijd in de plenaire vergadering van het Waals Parlement, in de commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat en in een werkgroep van de Senaat over de herziening van de wet op de vzw's aanwezig zijn.

De burger vraagt zich terecht af of we onze mandaten wel op een degelijke wijze kunnen uitoefenen. De regering heeft zich ertoe geëngageerd de cumulatie van mandaten terug te dringen, op een ruimere schaal dan de 21 gemeenschapssenatoren.

In de regeerverklaring staat dat de cumulatie de burger doet twijfelen aan de goede uitoefening van de politieke mandaten en dat de parlementen zelf zullen beslissen over een eventuele versterking van het verbod op de cumulatie van ambten.

In dit wetsontwerp wordt een versterking van de cumulatie voorgesteld, eerder dan een verstrakking van het verbod. Het is een - weliswaar kleine - stap in de verkeerde richting, en dan nog kort vóór de gemeenteraadsverkiezingen. Dit is een klein, maar fout signaal.

Ik had vandaag veel liever gestemd over een wet die de gelijkheid bevordert of een verdere stap zet met betrekking tot de aanwezigheid van vrouwen op kieslijsten. Een dergelijke wet heeft vertraging opgelopen en zal bij de aanstaande gemeenteraadsverkiezingen nog niet van kracht zijn. Dat is jammer want een dergelijke wet zou een positief signaal sturen naar miljoenen burgers die pas in 1948 de weerstand van de mannen om hen stemrecht te verlenen hebben kunnen overwinnen.

Nog te weinig vrouwen oefenen een politiek mandaat uit. Dit is een echte discriminatie. Ik neem de Senaat als voorbeeld: 28% van de senatoren zijn vrouwen, maar slechts één van hen, dus 5%, is gemeenschapssenator.

Deze discriminatie, die voortvloeit uit een gebrek aan pariteit, vind ik belangrijker dan de onmogelijkheid waarin enkele senatoren zich bevinden om hun mandaat te cumuleren met dat van regionaal parlementslid en gemeenteraadslid.

De cumulatie van ambten is volgens mij ook een van de redenen waarom er zo weinig vrouwelijke gemeenschapssenatoren zijn.

Ik zal deze kleine bijkomende cumulatie, dit kleine signaal in de verkeerde richting, dan ook niet goedkeuren. Het gaat in tegen de regeerverklaring en de verzuchting van de burgers van dit land om de politieke mandaten onder meer mensen te verdelen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Dit wetsontwerp zal de grote massa's niet beroeren, maar gaat enkele collega's rechtstreeks aan. Om die reden heb ik het in de commissie goedgekeurd.

Vandaag zal ik mij echter onthouden. In tegenstelling tot de vorige spreker vind ik het interessant om de band tussen de gemeente en het federaal parlementair mandaat te behouden. Anders dreigt het contact met de realiteit van de beslissingen op lagere niveaus verloren te gaan.

Ik vind het echter onaanvaardbaar dat de commissie voor de Binnenlandse Zaken maandenlang moet wachten op het wetsontwerp met betrekking tot de pariteit, omdat de Raad van State geen advies heeft uitgebracht binnen de maand zoals de regering had gevraagd. Dit ontstemt mij meer dan de inhoud van dit wetsontwerp waarin ik mij wel kan vinden.

Voor heel wat collega's, vooral uit kleinere gemeenten, is het van belang dat ze ook op dat niveau aanwezig kunnen zijn.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Agalev staat normaal gesproken het cumuleren van een lokaal mandaat en een mandaat op gewestelijk of federaal niveau niet toe. We zijn immers voorstander van het principe dat de politieke verantwoordelijkheid over zoveel mogelijk mensen moet worden verdeeld. Dat dient de democratie het best. Aangezien het mandaat van gemeenteraadslid een "vrijetijdsmandaat" is, vinden heel wat van mijn partijgenoten en ikzelf dat het niet uitgesloten hoeft te zijn dat een professioneel politicus zijn mandaat als parlementslid combineert met een mandaat in de gemeenteraad. We zijn dan ook geen voorstander van een wettelijk verbod op het cumuleren van deze twee mandaten.

Daartegenover staat natuurlijk het cumuleren van een parlementair mandaat met een uitvoerend mandaat van burgemeester of schepen. Het voordeel van het wetsontwerp dat we vandaag bespreken is dat gemeenschapssenatoren de toestemming krijgen ook gemeenteraadslid te zijn, maar dat hen tegelijk verboden wordt een ambt van burgemeester of schepen uit te oefenen. Dat vinden we goed, dat ligt helemaal in de lijn van onze filosofie.

In de Kamer van Volksvertegenwoordigers werden echter tegelijkertijd twee wetsvoorstellen besproken. Enerzijds werd daarbij het cumuleren met een gemeenteraadsmandaat toegestaan, maar anderzijds werd het cumuleren van een parlementair mandaat met een uitvoerend gemeentelijk mandaat verboden, niet alleen voor de gemeenschapssenatoren, maar meteen voor alle parlementsleden, of ze nu zitting hebben in een gewestelijk, een gemeenschaps- of het federale parlement. Het ene wetsvoorstel werd in de Kamer wel aangenomen, het andere niet. Dit is voor ons een probleem.

Hoewel we over de hele lijn akkoord kunnen gaan met het wetsontwerp dat we vandaag bespreken, zullen we toch geen ja-stem uitbrengen, precies omdat de lijn van het verbod op cumulatie voor leden van gewest- en gemeenschapsparlementen niet wordt doorgetrokken naar de leden van het federale parlement. Onze houding zal dus anders zijn dan in de Kamer en we zullen het wetsontwerp niet goedkeuren.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Van 1995 tot 1999 was ik een van die zeldzame vrouwelijke gemeenschapssenatoren. Wel had ik het voordeel dat ik uit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kwam zodat ik binnen dit gebouw tussen het halfrond van de Senaat en het Huis der Parlementsleden kon pendelen. De heer Hordies stelt terecht dat de cumulatie van mandaten de werkorganisatie bemoeilijkt en dat de dossiers zich opstapelen.

Gemeenschapssenator zijn is zeer zwaar en ik ken de problemen van mijn collega's die in het Waals Parlement in Namen zitting hebben en gemeenschapssenator zijn.

Ik ben het eens met wat de heer Hordies zei over het verschil tussen de theorie en de praktijk binnen de meerderheid. Er werden grote betogen gehouden over politieke vernieuwing en er werd zelfs een commissie opgericht. Alles zou veranderen, cumulatie zou worden verboden en het verbod zou worden versterkt. Het lijkt erop dat we slecht zijn begonnen. Een gemeenschapssenator maakt reeds van drie assemblees deel uit. Als hij gemeenteraadslid wordt, komt daar een vierde bij.

Een gemeentelijk mandaat slorpt veel tijd en energie op. Hoe kan een gemeenschapssenator die reeds in een Gewest, een Gemeenschap en de Senaat moet aanwezig zijn, zijn gemeentelijk mandaat efficiënt uitoefenen? Ik heb veel respect voor het gemeentelijk mandaat. Wat ons vandaag wordt gevraagd, kan niet. Mijn fractie zal dan ook tegen dit wetsontwerp stemmen.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik ben het slachtoffer geweest van de onverenigbaarheid die we vandaag kunnen afschaffen. Ik heb als gemeenschapssenator aan de gemeenteraadsverkiezingen deelgenomen en hoewel ik werd verkozen, mocht ik geen zitting hebben in de gemeenteraad.

Denk niet dat de burgers dit toejuichten. Iedereen wist dat ik op de lijst stond, dat ik als parlementslid stemmen had getrokken en dat ik mijn bekendheid had doen toenemen. Ik moest vertrekken en was niet langer Luikenaar.

Zo heeft de bevolking de zaken aangevoeld. Om die reden zal ik dit wetsontwerp goedkeuren. Ik denk niet dat het nieuwe cumulaties mogelijk maakt. Als men het mandaat van gemeenschapssenator en federaal senator en dat van gemeenteraadslid uitoefent, cumuleert men niet. Ik ben, net als een grote meerderheid van mijn fractie, gekant tegen de echte cumulaties, zoals die van een parlementair mandaat met dat van burgemeester of schepen. Sommige collega's kunnen hun taken in het federaal, gewest- of gemeenschapsparlement niet naar behoren uitoefenen omdat sommige ambten zoveel vergen dat ze onmogelijk kunnen worden gecombineerd.

Dankzij een gemeentelijk mandaat, dat bijna niet bezoldigd is, kan men permanent op het terrein aanwezig zijn. Ik weet hoe moeilijk het is om politiek klankbord te zijn als men geen gemeenteraadslid is en dus geen deel uitmaakt van de instelling die zich bezighoudt met de dagelijkse problemen van de bevolking. Om die reden is dit voorstel interessant. Het is jammer dat het niet werd gekoppeld aan andere bepalingen die ertoe strekken de cumulatie van ambten als schepen of burgemeester met een parlementair mandaat af te schaffen. Een gemeenteraadslid hoeft niet dag en nacht in zijn gemeente te zijn. Een federaal verkozene moet de kans krijgen om te luisteren naar de concrete en plaatsgebonden problemen van de mensen.

Het is eigenaardig dat in ons land 21 verkozenen het recht wordt ontzegd om een officieel contact met hun gemeente te hebben, terwijl alle anderen mogen doen wat ze willen. Het is onaanvaardbaar dat die 21 nergens zitting kunnen hebben omdat ze gemeenschapssenator zijn. Iedereen moet gelijk zijn. Een gemeenschapssenator verdient trouwens niet meer dan een senator.

Om al die redenen vind ik dit een goed voorstel. Ik blijf wachten op een regeling van het belangrijke probleem van de cumulatie van een parlementair mandaat met een mandaat dat veel tijd opslorpt. Voor het overige meen ik dat een parlementslid naar de bevolking moet luisteren en moet weten wat er op het terrein gebeurt. Om die reden zal ik het wetsontwerp goedkeuren.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Mijn oude vriend en gewezen partijgenoot, Hugo Coveliers, heeft als lid van de VLD, een partij die zich bij uitstek profileert als voorstander van de nieuwe politieke cultuur, een schijnbaar verlokkelijk voorstel gedaan waarmee hij een discriminatie tegenover de gemeenschapssenatoren ongedaan wil maken. Hoewel zijn voorstel voor mijn partij uiterst aanlokkelijk is, zijn we er allerminst over verheugd. Het is het slechtste signaal dat in het kader van de nieuwe politieke cultuur kan worden gegeven. Het druist regelrecht in tegen het voornemen om cumulaties met het parlementair mandaat te verbieden. De gemeenschapssenatoren moeten soms in twee of drie parlementen tegelijk functioneren. Het VLD-voorstel om ze ook nog eens zitting te laten hebben in plaatselijke besturen lijkt ons dan ook totaal onaanvaardbaar.

Een jaar naar het aantreden van de regering is nog niets gebeurd inzake nieuwe politieke cultuur en decumulatie, zodat ik mij begin af te vragen of er in de komende jaren terzake nog iets zal gebeuren. De meerderheidspartijen hadden een nieuwe politieke cultuur aangekondigd, maar de praktijk ziet er blijkbaar helemaal anders uit. Ik hoop dan ook dat de Senaat het voorstel van de heer Coveliers, dat intussen ontwerp is geworden, niet zal goedkeuren. Wij zullen in elk geval tegenstemmen.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Als betrokken partij was ik niet van plan het woord te nemen, maar de voorgaande uiteenzettingen dwingen me ertoe. Het debat over decumulatie moet worden voortgezet. Ik begrijp evenwel niet goed dat de burgemeester van Laakdal hier het woord voert. Een burgemeesterschap zal in de toekomst een volwaardige taak zijn. Ook de remuneratie is in belangrijke mate aangepast. Het mandaat van de gemeenschapsenatoren wordt beperkt tot dat van gemeenteraadslid, het gaat helemaal niet over schepen- of burgemeesterambten.

Het betoog van de heer Lozie van Agalev verwonderde me enigszins. In de gegeven omstandigheden mag een gemeenschapssenator immers minder dan een minister. Mevrouw Vogels is bijvoorbeeld kandidaat gemeenteraadslid voor de grote stad Antwerpen en mevrouw Dua voor Gent.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Zij zullen, in tegenstelling tot de CVP-ministers, nooit een effectief mandaat uitoefenen.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Ik ben benieuwd of mevrouw Vogels aan haar kiezers zal zeggen dat ze het mandaat niet zal opnemen. Ze heeft immers steeds beweerd dat ze na haar ministerschap zal terugkeren naar de stad Antwerpen. Ze hoopt wel dat het tien jaar zal duren, maar of haar hoop bewaarheid wordt zal de toekomst uitwijzen.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Dat is een andere discussie.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - We zullen zien of ze zich daaraan houdt.

De heer Monfils heeft er terecht op gewezen dat de kiezer de wettelijke bepalingen inzake de cumulbeperking voor gemeenschapssenatoren niet kent. Onder meer daardoor komt het dat deze regeling een pervers effect heeft, aangezien hij de indruk in het leven roept dat de gemeenschapssenatoren hun neus ophalen voor het nederige mandaat van gemeenteraadslid, dat dit voor hen te min is. De voorgestelde regeling komt hieraan tegemoet, omdat ze deze senatoren de mogelijkheid biedt om volwaardig te participeren aan het lokale gemeenschapsleven.

Over de samenstelling van de Senaat moeten wij op een ander tijdstip een veel grondiger discussie voeren. Persoonlijk pleit ik voor meer gemeenschapssenatoren als een goede manier om de band tussen de deelstaten en de deelparlementen en de federale instellingen te verbeteren. Een groter aantal gemeenschapssenatoren garandeert immers dat de gemeenschappen in de Senaat beter aan bod komen dan vandaag het geval is. Dat is belangrijk, omdat de Senaat vandaag zijn rol als Senaat der gemeenschappen onvoldoende speelt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat heeft niets met dit voorstel te maken.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Het verwondert me dat de heer Vankrunkelsven het daar niet mee eens is, want zijn partij heeft altijd gepleit voor een Senaat als een Tweede Kamer die de deelstaten vertegenwoordigt.

Ik herinner er ten slotte nog aan dat we tijdens de vorige legislatuur een verslag over deze kwestie hebben goedgekeurd, zij het dat er geen volledige consensus over alle punten daarvan kon worden bereikt. Sommigen waren ervoor dat de gemeenschapssenatoren in het deelparlement werden vervangen door hun opvolgers, anderen pleitten voor een verhoging van het aantal gemeenschapssenatoren. Op één punt was er echter wel unanimiteit, namelijk dat de kleine cumulbeperking voor gemeenschapssenatoren die nog in de wet was vastgelegd, diende te worden geschrapt. Vandaag doen wij niets anders dan ten uitvoer brengen wat de Senaat reeds in april 1999 goedkeurde.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en de Administratieve Aangelegenheden, zie stuk 2-503/3.)

- De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

- Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsvoorstel tot bevordering van de verkeersveiligheid in de schoolomgevingen (van mevrouw Kathy Lindekens c. s., Stuk 2-261)

Algemene bespreking

Mevrouw Mimi Kestelijn-Sierens (VLD), rapporteur. - De commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden heeft aan het wetsvoorstel tot bevordering van de verkeersveiligheid in schoolomgevingen, van mevrouw Lindekens, drie vergaderingen gewijd. Op de eerste vergadering van 22 maart werd beslist dat de gewestregeringen bij de behandeling van dit wetsvoorstel moesten worden betrokken. De reden hiertoe is dat het wetsvoorstel betrekking heeft op enerzijds de regels van de algemene politie en de reglementering op het verkeer en het vervoer, en anderzijds op de bijzondere wet van 1980 tot hervorming van de instellingen. Door de ministers-presidenten van de respectieve gewestregeringen werden vertegenwoordigers afgevaardigd in de commissie. De commissie heeft bij de totstandkoming van dit wetsvoorstel dan ook met hun standpunten rekening gehouden.

De auteur van het voorstel baseerde haar initiatief op een recent onderzoek van de Verenigde Naties over het welzijn van kinderen in Europa. Dat toonde aan dat België zeer goed scoort op het vlak van voorzieningen in verband met kinderrechten in het algemeen, maar tekortschiet wat de veiligheid van kinderen in het verkeer betreft. In 1997 raakten niet minder dan zesduizend kinderen tussen nul en veertien jaar gewond in het verkeer en vierenvijftig onder hen verloren het leven. Een analyse van deze ongevallen leert dat een groot deel van deze ongevallen zich voordoen op de weg van en naar de school.

De bedoeling van het wetsvoorstel is om aan elke schoolomgeving een eigen statuut te geven en er een duidelijk herkenbare omgeving van te maken. Er moet een snelheidsbeperking van dertig kilometer per uur worden ingevoerd vóór en na de schooluren, dus tijdens de periode dat de kinderen zich effectief op de weg bevinden. Daartoe wordt voorgesteld een verkeersbord A23bis te creëren dat duidelijk wordt gemaakt door lichtsignalisatie, fluorescerende achtergrond en melding van de beperking van dertig kilometer per uur. De auteur stelt ook een federale subsidieregeling voor, bovenop de subsidieregeling van de gewesten voor gemeentelijke investeringen in verkeersveilige inrichting van schoolomgevingen.

Er werd een hoorzitting georganiseerd met het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid. In de discussie werden voorstellen geformuleerd voor een globalere aanpak, meer bepaald met het oog op de veiligheid van de volledige schoolroute, om schoolvervoerplannen in te voeren en het verkeersreglement aan te passen aan het voetgangersverkeer. Andere leden hadden dan weer vragen over de subsidieregeling die is opgenomen in het wetsvoorstel, meer bepaald op welke wijze de federale overheid een toelage kan toekennen aan de gewesten. Tijdens de discussie kwam ook naar voor dat niet zozeer de schoolomgeving zelf gevaarlijk is voor kinderen, maar wel de weg van en naar de school. De veiligheid in de nabijheid van scholen dient samen met de problematiek van de weg naar de school als geheel te worden aangepakt.

Het probleem is dat men telkens met andere wegbeheerders te maken heeft omdat het altijd om andere schoolomgevingen gaat en het altijd andere wegen betreft.

De gewesten hebben ook elk hun ervaringen en initiatieven toegelicht. Het Vlaams Gewest heeft een onderzoek gedaan naar de plaat met bi-flashes en punctuele verlichting. In het kader van de herinrichting van schoolomgevingen heeft de Vlaamse regering een module tien ontworpen. Het betreft een herinrichting van schoolomgevingen die dicht bij een gewestweg liggen. Het Brussels Gewest heeft samen met het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid een programma opgesteld voor een eerste reeks scholen die aan gewestwegen liggen. De vertegenwoordiger van het Waalse Gewest heeft melding gemaakt van een aantal maatregelen voor de systematische strijd tegen de onveiligheid in het verkeer. Het wetsvoorstel ligt volledig in de lijn van de inspanningen van het Waalse Gewest op het vlak van verkeersveiligheid in de omgeving van scholen.

Bij de artikelsgewijze bespreking was er onder meer discussie over artikel twee en drie. Deze artikels betreffen de mogelijkheid om nabij de scholen verkeersborden te plaatsen voor een snelheidsbeperking tijdens sommige uren. Gezien de begrippen "in de nabijheid van scholen" en "voor en na de lesuren" problemen doen rijzen, hebben de indieners van het wetsvoorstel amendementen ingediend omdat het beter is dat de wetgever de uren niet star vastlegt, maar overlaat aan de minister die samen met de gemeenschappen en het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid kan bepalen wat de beste uren zijn. Door de amendementen wordt het voorstel aldus omgevormd tot een soort kaderwet. In dezelfde zin werd ook een amendement ingediend met als doel de afbakening van de schoolomgeving door de Koning te laten bepalen om juridische betwistingen te vermijden over het feit dat een bestuurder zich de facto in een schoolomgeving bevindt, zonder dat die als dusdanig is afgebakend.

Artikel vier had de bedoeling om aan de gewesten een toelage toe te kennen, doch de financiering van gemeenschappen en gewesten geschiedt krachtens de bepalingen van de desbetreffende bijzondere wet. Dit kan niet in het wetsvoorstel worden opgenomen. Het is wel mogelijk dat de federale overheid steun geeft aan gemeenten om de doelstelling vlugger te bereiken. Daarom werd er een amendement ingediend dat inhoudt dat ook de Koning aan de gemeenten een toelage kan toekennen voor projecten die de verkeersveiligheid in de schoolomgeving bevorderen.

Er heeft zich ook een hele discussie ontsponnen over de financiering van aangepaste signalisatie. De minister heeft erop gewezen dat het ministerie van Verkeerswezen en Infrastructuur geen middelen begroot om maatregelen te subsidiëren. Borden met variabele signalisatie zijn bovendien erg duur. Er bestaat een dubbele zorg: aangepaste signalisatie die rekening houdt met de veiligheidsproblemen, en het probleem van de begroting. Daarom werd een amendement ingediend waarin wordt bepaald dat het uitzicht van de borden nog moet worden vastgesteld.

Het aldus geamendeerde wetsvoorstel werd eenparig aangenomen door de acht aanwezige leden van de commissie.

Ik wil nogmaals benadrukken dat de gewesten bij het debat werden betrokken, zoals blijkt uit het verslag waarin alle vertolkte standpunten werden opgenomen.

Tenslotte wil ik ook de diensten van de Commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden danken voor hun wezenlijke en zeer geapprecieerde bijdrage tot het opstellen van het verslag.

Namens mijn fractie wil ik hieraan nog toevoegen dat wij volledig achter dit voorstel staan, dat overigens mede door collega De Grauwe werd ondertekend. De veiligheid van kinderen is zeer belangrijk en dit wetsvoorstel zal hiertoe bijdragen.

Deze maatregelen moeten echter worden aangevuld. Ik ben het trouwens volkomen eens met de auteur van een artikel dat gisteren in "De Morgen" verscheen. Hij beklemtoont dat er werk dient te worden gemaakt van een duurzaam veiligheidsbeleid en vermeldt een aantal initiatieven, zoals de aanpassing van het verkeersreglement en de uitbouw van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid dat zowel aan de beleidsvoorbereiding als aan de wetenschappelijke ondersteuning van het verkeersveiligheidsbeleid vorm dient te geven. Misschien kan de commissie hieraan verder aandacht besteden.

Tenslotte wil ik mevrouw Lindekens hartelijk feliciteren met haar initiatief.

Mevrouw Kathy Lindekens (SP). - Wanneer in de politiek over veiligheid wordt gesproken, wordt er niet altijd in de eerste plaats aan verkeersveiligheid gedacht. Toch is de snelheid en de agressie waarmee zeer velen zich door het verkeer bewegen, meer en meer een probleem geworden voor de zwakste weggebruikers, de voetgangers en de fietsers, zeker wanneer ze klein zijn en dus minder gemakkelijk worden gezien. Wij verplaatsen ons elke morgen naar het werk, vaak gehaast om toch nog op tijd te komen. De kinderen stromen elke ochtend toe aan de schoolpoorten en hun kwetsbaarheid tegenover onze haast geeft een spanning in het verkeer waarvan wij, de volwassenen, ons niet altijd bewust zijn.

Oudercomités en directies van scholen over het hele land trekken geregeld aan de alarmbel. Zij worden immers dagelijks geconfronteerd met de gevaren in de schoolomgeving. Vanuit de scholen zelf worden er allerlei maatregelen genomen om de veiligheid voor de kinderen te verhogen, zoals het inzetten van leraars en ouders om de schoolkinderen naar de overkant van de straat te begeleiden.

Op sommige plaatsen worden, na soms langdurige acties, waarschuwingstekens gezet. De verscheidenheid is troef. Zo komt men wel eens een bord tegen met "Pas op, schoolgaande kinderen!" of "U nadert onze school!", soms zijn er knipperlichten of accentverlichting. In elke gemeente tracht men naar eigen inzicht de aandacht te vestigen op het gevaar rond de school. De eenvormigheid is ver te zoeken. Het verkeersbord A 23, de driehoek met de overstekende kinderen, wordt zeker niet automatisch geplaatst en het gedragseffect ervan op de automobilisten is zo goed als onbestaande.

Een klein percentage van de scholen ligt in een zone 30. Daar zijn de infrastructuuringrepen duidelijk en wordt er vanzelf stiller gereden. Daar is de veiligheid voor de schoolpoort gegarandeerd. Eveneens een klein percentage van de scholen ligt langs een weg waar een maximumsnelheid van 90 kilometer per uur geldt. De overgrote meerderheid van de scholen ligt in straten van de bebouwde kom waar maximum 50 kilometer per uur mag worden gereden.

Het verschil in remafstand tussen 30 en 50 kilometer per uur bedraagt echter 15 meter. Hoe sneller men rijdt, hoe meer men zijn blik richt op wat zich verder afspeelt en hoe smaller het gezichtsveld wordt. In de meeste gevallen zijn er geen onoverkomelijke ingrepen nodig om de rijsnelheid in de schoolomgeving tot 30 kilometer per uur te beperken.

De grootste problemen doen zich voor in de omgeving van scholen die in de bebouwde kommen langs drukke invalswegen liggen. In sommige van deze straten is er een drukke doorstroming van het verkeer op het ogenblik dat de schoolpoort openstaat. Als moeder vergelijk ik het oversteken van kleine kinderen op deze plaatsen met een Russische roulette.

Ook het openbaar vervoer slalomt op deze plaatsen soms te snel tussen de schoolkinderen door. De doorstromingsfunctie moet worden gereduceerd ten voordele van de zwakste weggebruikers. Toch blijkt het concept van de zone 30, - dat voor de inrichting van woonbuurten wordt gebruikt, wegens de grote diversiteit niet steeds mogelijk voor de afbakening van een schoolomgeving. Daarom verdedigen wij het principe om de schoolomgeving, zowel van de basis- als van de secundaire scholen, een juridisch statuut te geven. Deze omgeving moet worden afgebakend met duidelijk zichtbare borden en zowel vóór als na de schooluren moet er een snelheidsbeperking gelden van 30 kilometer per uur. De tijdsperiode moet op basis van een onderzoek worden vastgesteld. Het gaat niet enkel om de tijdsperiode vlak vóór en vlak na de schoolbel. Het is rond de school immers veel gevaarlijker op de tijdstippen dat de kinderen druppelsgewijs aankomen of weggaan, tijdens de uren van voor- of nabewaking, dan op de echte spits, die maar een tiental minuten duurt.

De directe omgeving van de schoolpoort heeft eigen kenmerken die een bijzonder statuut rechtvaardigen: veel oversteekbewegingen, veel kinderen en jongeren op en rond de openbare weg en een drukte die zich sterk toespitst op specifieke uren.

Ik bedoel hiermee hoegenaamd niet dat wij geen oog moeten hebben voor de problematiek van de onveiligheid langs de schoolroutes. Deze moeten echter afzonderlijk worden aangepakt. Met behulp van de beschikbare instrumenten moet de wegbeheerder de toegangswegen van en naar de school optimaal beveiligen voor de fietsende en stappende leerlingen. Er is nood aan een gerichte aanpak op maat. Het is dan ook belangrijk dat alle gemeenten een inventaris opstellen van de gevaarlijke punten op de belangrijkste schoolroutes. Deze inventaris mag niet enkel door deskundigen en ambtenaren worden gemaakt. De schoolteams en vooral de kinderen en jongeren moeten een belangrijke stem hebben bij de opstelling ervan.

Ik ben het eens met de opvatting dat alles niet eindigt met het toekennen van een duidelijk statuut aan de onmiddellijke schoolomgeving. Er is een meerjarenplan nodig voor een duurzaam verkeersveiligheidsbeleid. Er zijn betere opleidingen en beter wetenschappelijk onderzoek terzake nodig en verkeersovertredingen moeten veel strikter worden afgehandeld. Tevens moet er meer worden geïnvesteerd in veilige fietspaden en oversteekplaatsen. De straten moeten opnieuw verkeersveiliger worden, niet alleen voor kinderen, maar voor iedereen.

Dit neemt niet weg dat de omgeving van de scholen op korte termijn kan worden aangepakt, zodat ze een katalysator vormen voor een zorgzamer verkeer. Dit is de uiteindelijke doelstelling van dit wetsvoorstel. Het sluit aan, en liep vorig jaar zelfs vooruit, op het federaal veiligheidsplan, dat bepaalt dat alle schoolomgevingen in woonkernen tegen 2003 als zone 30 moeten worden aangeduid.

Dit wetsvoorstel creëert een kader binnen hetwelk de regering werk kan maken van deze bepaling. Op deze manier geeft de Senaat een signaal dat de optie van de federale regering breed wordt ondersteund en geeft hij via de inhoud weer hoe alles concreet moet worden geregeld.

Artikel 4 geeft de Koning de mogelijkheid subsidies uit te keren voor gemeentelijke projecten die de veiligheid in de schoolomgeving bevorderen. Dit is in feite niets meer dan een bijkomende rechtsgrond voor de subsidies die de federale overheid op basis van vier verschillende koninklijke besluiten uitkeert voor gemeentelijke projecten inzake verkeersveiligheid. Het spreekt vanzelf dat wij na de goedkeuring van dit voorstel en de uitvoeringsbesluiten rekenen op een betekenisvolle verhoging van de ondersteuning.

Tot slot bedank ik de rapporteur, de commissiesecretaris en de commissiediensten voor hun degelijk en snel werk. Tevens bedank ik de voorzitter en de collega's van de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden voor de positieve en constructieve sfeer waarin de besprekingen zijn verlopen. Ik vermeld in dit verband Marie Nagy, die zeer veel energie heeft gewijd aan het zoeken van oplossingen.

Ik hoop dat ons wetsvoorstel in het najaar door de Kamer positief zal worden beoordeeld zodat niemand in de loop van het schooljaar 2001-2002 nog een school zal voorbijrijden zonder rekening te houden met de kinderbevolking ervan. Ik hoop ook dat dit principe ruimer wordt toegepast en dat de hele verkeerssituatie in de loop van de volgende jaren op basis van inventarissen en plannen wordt aangepakt ten voordele van de zwakste weggebruikers.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Op verzoek van de Algemene Politiesteundienst heeft Dimarso de burgers ondervraagd over de oorzaken van hun onveiligheidsgevoel. Voor 43% van hen is overdreven rijsnelheid de eerste oorzaak. Door de zwaksten, oude mensen en kinderen, wordt dit probleem nog sterker aangevoeld.

Verkeersongevallen zijn trouwens de eerste doodsoorzaak bij kinderen onder de 14 jaar.

Wanneer het op veiligheid aankomt heeft het leven van een kind geen prijs. De federale, gewestelijke en gemeentelijke wegennetbeheerders lijken dat echter niet te begrijpen. Dit wetsvoorstel, dat ik mee heb ondertekend, bevat dan ook een belangrijk opvoedkundig element: het vestigt er de aandacht op dat voor kinderen de weg naar en de omgeving van de school gevarenzones zijn, waar de rijsnelheid drastisch moet worden beteugeld.

Het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid bevestigt dat de schade bij een verkeersongeval met een voertuig dat tegen 30 kilometer per uur rijdt, beperkt blijft. Dat rechtvaardigt onze keuze voor deze snelheidslimiet die sommigen ook buiten schoolomgevingen willen opleggen.

Wat mij betreft mag dat de normale rijsnelheid in de stad worden, maar ik weet niet of de mentaliteit daarvoor al rijp is.

In afwachting vraagt het voorstel alleen een specifieke signalisatie op de weg naar school en in de schoolomgevingen.

Wij hebben het voorstel geamendeerd met het oog op een soepele toepassing ervan en om de uitvoeringsmodaliteiten aan de Koning over te laten. Aangezien het om een hoofdbekommernis van de huidige regering en van de bevoegde minister gaat, is dat een goede zaak.

Ik hoop dat dit voorstel ook in de Kamer wordt goedgekeurd zodat het binnen een redelijke termijn kan worden uitgevoerd en ongevallen in de schoolomgeving niet langer te wijten zijn aan zorgeloosheid of overdreven snelheid.

Gelukkig kwam het over dit voorstel tot een akkoord met de gewesten. De voorzitter van de commissie heeft daar sterk toe bijgedragen, waarvoor ik hem dank. Verkeersveiligheid blijft een federale materie; de federale overheid moet haar sensibiliserende en opvoedkundige rol blijven spelen zodat het aantal verkeersongevallen wordt gedrukt.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik ben heel blij met dit wetsvoorstel dat onze fractie mee heeft ondertekend. Ik hoop dan ook dat het straks hier in de Senaat wordt goedgekeurd en nadien in de Kamer.

Er werd hier al veel over kinderrechten gesproken. Het recht op verkeersveiligheid is een typisch voorbeeld van een kinderrecht. Er sterven inderdaad nog altijd te veel kinderen in het verkeer en het verkeer veroorzaakt nog te veel verminkte kinderen.

Naast het recht op veiligheid is er ook het recht op bewegingsvrijheid. Kinderen moeten zich in de mate van het mogelijke zelf kunnen verplaatsen naar school, hun vrienden en de jeugdbeweging. Onze kinderen zijn te veel een achterbankgeneratie geworden. Ouders brengen hun kinderen met de auto naar school omdat het te onveilig is, zodat alle andere ouders verplicht worden hetzelfde te doen. Zo ontstaat er een vicieuze cirkel. Het gaat dus ook om bewegingsvrijheid voor de ouders, die worden gereduceerd tot taxi-ouders. Daarom steunen wij het voorstel van harte.

Net zoals in het Vlaams Parlement, waar ik de discussies als gemeenschapssenator heb gevolgd, werden er in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden verschillende opmerkingen gemaakt, onder meer aangaande de financiering. Er werd gezegd dat de gewesten hiervoor een hoge prijs zullen betalen. De signalisatie is duidelijk een federale materie en daarvoor moet in de nodige middelen worden voorzien. Er moet ook een duidelijk statuut voor de schoolomgeving komen. Die twee elementen horen samen. Ik wil dan ook pleiten voor een samenwerking tussen de verschillende overheden, namelijk de gemeenten, de gewesten, de gemeenschappen en de federale overheid. Een nieuw statuut voor de schoolomgeving, de zone 30 en de signalisatie, is belangrijk, maar even belangrijk is dat er iets gebeurt met de wegen zelf. Ik geef het voorbeeld van de Grote Steenweg in Berchem, een grote invalsweg met drie baanvakken in elke richting met aan de twee kanten grote scholen. Kinderen die de tram nemen die op de middenberm rijdt, moeten de drie baanvakken oversteken. Je kan daar een zone 30 maken, maar dan zal er toch ook iets moeten gebeuren om die weg aan het nieuwe statuut aan te passen. Dat is een gewestbevoegdheid. We zijn vragende partij om daarvan dringend werk te maken en de doorstroming van de auto ondergeschikt te maken aan de veilige schoolomgeving en het openbaar vervoer. De gewesten zullen hun verantwoordelijkheid moeten nemen. Dat zal inderdaad geld kosten. Er zal een keuze moeten worden gemaakt tussen dit soort investeringen of investeringen in nieuwe wegen die vooral voor doorstroming bedoeld zijn.

In het Vlaams Parlement werd er terecht ook op gewezen dat de schoolomgeving zelf een deel van het probleem is, maar dat de schoolroutes een veel groter probleem zijn. Het organiseren van fietspoolen is daarom heel belangrijk. Daarom ook worden door de gewesten initiatieven genomen in het kader van de mobiliteitsconvenanten, in verband met de schoolroutes waar wegens het ontbreken van fietspaden, nog meer ongevallen gebeuren dan in de onmiddellijke schoolomgeving. Daar moet dus nog heel wat gebeuren.

We moeten komen tot schoolvervoerplannen naar analogie met bedrijfsvervoerplannen. Die discussie kan je maar aanzwengelen als je over de verschillende niveaus heen durft na te denken en je tussen de verschillende overheden tot een samenwerkingsakkoord komt om ervoor te zorgen dat elke school een schoolvervoersplan opmaakt en in de nodige middelen voorziet om kinderen te begeleiden, bijvoorbeeld door het organiseren van fietspoolen. Die mogen geen doekje voor het bloeden zijn. Er moet effectief iets worden gedaan om de infrastructuur veilig te maken zodat in een verdere toekomst ook fietspoolen niet meer nodig is en kinderen autonoom naar school kunnen. De gewesten, de gemeenschappen en de federale overheid werken hier best samen.

Ik betreur dat in het Vlaams Parlement onmiddellijk de discussie op gang kwam over de vraag of de wegcode dan niet moet worden geregionaliseerd zodat alles op het Vlaamse niveau kan worden opgelost.

Ik geloof niet dat dit de oplossing is. Ik meen dat het goed is dat een aantal aspecten van verkeersveiligheid op het federale niveau worden geregeld, dat er geen aparte regeling wordt uitgewerkt in Vlaanderen, Wallonië of Brussel.

Onze fractie zal dit wetsvoorstel van harte goedkeuren in de hoop dat het een aanzet zal zijn

tot een gezamenlijk beleid op de verschillende beleidsniveaus.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). -

Een kind vindt stap voor stap zijn plaats in zijn leefomgeving. De weg is lang en niet zonder gevaar. Het gezin heeft in dit langdurig leerproces een wezenlijke rol te spelen. Gedurende zijn eerste drie levensjaren ondergaat het kind het rijgedrag van zijn ouders passief. Als het begint school te lopen, sport beoefent, lid wordt van een jeugdbeweging, wordt het onafhankelijker en zelfstandiger. Zijn toenemende behoefte aan mobiliteit moet gelijke tred houden met een groeiend inzicht in de omgeving waarin het beweegt en de gevaren die er dreigen.

Ik ben ervan overtuigd dat het beleid kan bijdragen aan dit leerproces. Dit wetsvoorstel is daarvan een voorbeeld. Ik dank mevrouw Lindekens voor haar initiatief, maar betreur dat ze mij niet heeft uitgenodigd om het mee te ondertekenen.

Ik onderschrijf de filosofie van het voorstel, maar ik wil toch ook wijzen op de beperkingen. Het voorstel had preciezer kunnen zijn. Waarom wordt de definitie van de onmiddellijke schoolomgeving aan de Koning overgelaten? Waarom wordt de periode waarbinnen de snelheidsbeperking van 30 kilometer per uur geldt, niet in de wet vastgelegd? Deze lacunes zullen de verwezenlijking van het gestelde doel onvermijdelijk vertragen.

Om de snelheidsbeperking door de automobilisten te doen respecteren, zullen de gemeentelijke, provinciale en regionale wegennetbeheerders de nodige signalisatie moeten aanbrengen. Als dat niet gebeurt, dreigen de federale subsidies niet het gewenste effect te sorteren.

De PSC zal, ondanks de onvolkomenheden, dit kindvriendelijke wetsvoorstel goedkeuren.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik wens mevrouw Lindekens te feliciteren met haar initiatief. De PS-fractie zal dit voorstel goedkeuren.

De bepaling "voor en na de schooluren" is vaag. Verder geldt de snelheidsbeperking, behoudens voor de gebieden die deel uitmaken van een zone 30. Ik neem aan dat bedoeld wordt dat de snelheidsbeperking in die zone voortdurend geldt, terwijl ze in de schoolomgeving enkel geldt voor en na de schooluren.

Het zou goed zijn mocht de veiligheid van de kinderen te allen tijde in de schoolomgeving en elders op de openbare weg worden verbeterd.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Onze fractie zal dit voorstel van harte goedkeuren. Het is trouwens medeondertekend door collega de Bethune. Wij zijn het immers eens met de doelstelling van het voorstel; ook wij zijn bezorgd om de veiligheid van onze kinderen op de weg naar de school.

Toch hebben we enkele bedenkingen. Het voorstel biedt namelijk maar een gedeeltelijke oplossing. Het grootste aantal ongelukken gebeurt immers op de weg van en naar de school, in mindere mate in de onmiddellijke schoolomgeving. Daar heerst immers meestal onmiddellijk vóór en na de schooluren een zodanige chaos dat het niet mogelijk is snel te rijden, wat voor veiligheid zorgt.

Het voorstel beoogt in wezen de invoering van een signalisatie. Als die niet goed wordt begeleid, houdt ze eerder gevaren in omdat ze een illusie van veiligheid creëert. Het komt er niet op aan te zorgen dat de automobilisten maar 30 km per uur mogen rijden, maar wel dat ze maar 30 km per uur kunnen rijden. Dat biedt pas een effectieve veiligheid.

Als met signalisatie en borden wordt gewerkt, moet ervoor worden gezorgd dat de automobilisten zeer duidelijk merken dat ze op dat ogenblik maar 30 km per uur mogen rijden, en dat ze dit teken niet kunnen negeren. Het moet voor de automobilisten ook zeer duidelijk zijn dat ze zware boetes kunnen oplopen als ze binnen die uren meer dan 30 km per uur rijden.

Ondanks deze bedenkingen en hoewel de geschiktheid van dit wetsvoorstel zal worden bepaald door de uitvoering, zullen wij het goedkeuren.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden, zie stuk 2-261/5.)

- De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.

- Over het wetsvoorstel in zijn geheel wordt later gestemd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit (Stuk 2-392) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 6 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 58
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 0

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over amendement nr. 7 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 60
Voor: 17
Tegen: 43
Onthoudingen: 0

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement nr. 20 van de heer Van Quickenborne.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 60
Voor: 13
Tegen: 47
Onthoudingen: 0

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Wij zullen dit wetsontwerp uiteraard goedkeuren. Vandaag lees ik in De Morgen dat de regering het er niet mee eens is dat de Senaat het door de commissie gewijzigde ontwerp zal goedkeuren. De discussie draait om artikel 6 dat een onderscheid maakt tussen hacking met bedrieglijk opzet en het binnendringen van een computersysteem zonder bedrieglijk opzet. De regering zou de intentie hebben het wetsontwerp in de Kamer te laten wijzigen. Indien dat haar bedoeling is dan had ik dat graag hier vernomen - spijtig genoegen zijn er geen regeringsleden aanwezig -, want dan zouden we de discussie hier nog kunnen voeren in de plaats van in de Kamer.

Mevrouw Meryem Kaçar (AGALEV). - Onze fractie is verheugd omdat we straks een wet zullen goedkeuren die in een regeling voorziet voor een misdrijf dat kenmerkend is voor onze technologische maatschappij. Deze regeling is de eerste, maar zal zeker niet de laatste zijn. Wij zullen de wet in zijn geheel goedkeuren, maar wij hebben toch twee opmerkingen.

Ten eerste, met betrekking tot artikel 6, waarin, zoals collega Van Quickenborne zonet heeft gezegd, via een amendement een onderscheid werd ingevoerd tussen hacking en cracking, dat evenwel in de commissie niet werd gesteund door de regering. Door hacking te aanvaarden laat men de aantasting van de integriteit toe omdat het met zogenaamd goede bedoelingen gebeurt. Dat is tegen de basisprincipes van de wet, namelijk dat een rechtsgoed moet beschermd worden en dat daarbij het vertrouwen van de maatschappij in de technologie moet verhoogd worden. Om de technologie of de verdere ontwikkelingen in de informaticawereld te stimuleren dienen wij als wetgever de nodige garanties te bieden. Door hacking toe te laten geeft men die zekerheid van rechtsbescherming niet. Zo zijn er belangrijke instanties die zeker een bescherming nodig hebben, zoals ziekenhuizen, mutualiteiten, bankinstellingen en dergelijke. Een systeem laten controleren tegen de `kraakbaarheid' is belangrijk, maar deze gevallen vielen eigenlijk buiten het oorspronkelijke ontwerp. Ook de alarmsystemen moeten op hun deugdelijkheid getest worden.

Het met goede bedoelingen inbreken in systemen was in het oorspronkelijke wetsontwerp niet strafbaar gesteld. Hacking kan gelijkgesteld worden met huisvredebreuk, wat in Nederland gehanteerd wordt als computervredebreuk. Eén van de redenen die gisteren door collega Vandenberghe werden aangehaald, namelijk dat hacking in de praktijk toch geen gevolgen heeft, betreur ik. Er wordt inderdaad veel geseponeerd. Betekent dit dan dat wij geen straffen mogen vaststellen? Daarom juist moet dat verschil weggewerkt worden.

Mijn tweede opmerking betreft de termijn die geregeld wordt in artikel 14. Wij hadden graag gezien dat de oorspronkelijke minimumtermijn van 12 maanden niet werd veranderd, gelet op het belang om voldoende ruimte te geven aan het opsporingswerk van de gerechtelijke diensten. Dat is belangrijk, ook voor het evenwicht in de bescherming van de privé-gegevens. In dat opzicht heb ik vertrouwen in de regering, waarvan ik op dit ogenblik geen leden zie, om de minimumtermijn zo te regelen dat de wet niet uitgehold wordt.

Tot slot wens ik van de gelegenheid gebruik te maken om ervoor te pleiten dat analfabetisme op het vlak van informatica wordt aangepakt, gelet op het feit dat het OESO-rapport vermeldt dat één vierde van de bevolking in de ontwikkelde landen niet in staat is om voluit te participeren aan de informaticamaatschappij. Ik reken dan ook op een wetgevend initiatief om dit analfabetisme aan te pakken.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - De commissie heeft belangrijk werk geleverd. Ze heeft zowel de operatoren gehoord, die kritiek hadden op het ontwerp zoals het in de Kamer werd goedgekeurd, als de gerechtelijke instanties die de informaticacriminaliteit moeten vervolgen.

Een belangrijk amendement werd unaniem goedgekeurd. Het gaat over de termijn gedurende dewelke de operatoren de gegevens moeten bewaren.

Het ontwerp dat door de Kamer is goedgekeurd, stelt dat de Koning een minimumtermijn van twaalf maanden bepaalt voor de bewaring van de gegevens door de operatoren en verstrekkers. Tot hun tevredenheid hebben wij van die minimumtermijn, een maximumtermijn gemaakt.

Wat het door de heer Van Quickenborne aangehaalde punt betreft, is het vanzelfsprekend dat in bepaalde artikelen bijzondere vormen van bedrog werden opgenomen. Dat geldt met name voor artikel 6, waar bepaald wordt dat een bijzonder opzet om schade toe te brengen, vereist is. Dat is dus strikter dan de aanbevelingen van de Europese Commissie en de Raad van Europa die in straffen voorzien voor wie in een netwerk binnendringt, zelfs zonder de bedoeling schade toe te brengen. De tekst die wij zullen goedkeuren, zal dus waarschijnlijk niet overeenstemmen met de wetgeving in de buurlanden. Hij moet ook nog terug naar de Kamer. De Europese Commissie heeft terzake nog geen advies geformuleerd en het zou me verwonderen als daarover geen opmerkingen kwamen. Ik hoop dat de Kamer geen wijzigingen meer aanbrengt, maar het advies van de Europese Commissie kan er ons eventueel toe nopen om de tekst te herzien.

De heer Jean-François Istasse (PS). - We zullen deze tekst goedkeuren omdat hij de bescherming van de netwerken en de informaticafraude regelt, voor meer veiligheid zorgt in het informaticagebruik en een positief element vormt in de informaticasamenleving. Nochtans ontbreekt het advies van de Europese Commissie. Dat advies kan aanleiding geven tot nieuwe opmerkingen, met name over de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en de extra-territoriale effecten van dit ontwerp. We zijn bereid dit probleem opnieuw in de Senaat te bestuderen op basis van de bemerkingen van de Europese Commissie. In afwachting zullen we de tekst zoals hij uit de commissie is gekomen, goedkeuren.

De voorzitter. - De stemming begint.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

- Het wetsontwerp is aangenomen. (Applaus)

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Ik heb bij deze stemming en bij de vorige stemmingen per vergissing gestemd op de plaats van mijn collega, mevrouw van Kessel.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Brussel op 27 september 1999, bij de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Togo inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1984 (Stuk 2-515)

Stemming nr. 5

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Abidjan op 28 september 1999, bij de Scheepvaartovereenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Ivoorkust, ondertekend te Abidjan op 25 november 1977 (Stuk 2-516)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 5 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de wisseling van brieven gedagtekend te Dakar op 10 maart en 16 november 1998 tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Senegal inzake de handelsscheepvaart, gedaan te Dakar op 1 december 1982 (Stuk 2-517)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 5 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Republiek Kongo tot wijziging van de Scheepvaartovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre van 5 maart 1981, ondertekend te Kinshasa op 8 juni 1999 (Stuk 2-518)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 5 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Bamako op 7 oktober 1998, bij het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Mali inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Bamako op 7 augustus 1984 (Stuk 2-519)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 5 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 2, eerste lid, van de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters en de identiteitskaarten en tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen (Stuk 2-324) (Tweede behandeling)

Stemming nr. 6

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

- Aangezien de Senaat beslist heeft in te stemmen met het ontwerp zal het aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 1ter van de wet van 6 augustus 1931 houdende vaststelling van de onverenigbaarheden en ontzeggingen betreffende de ministers, gewezen ministers en ministers van Staat, alsmede de leden en de gewezen leden van de Wetgevende Kamers (Stuk 2-503)

Stemming nr. 7

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 16
Onthoudingen: 4

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsvoorstel tot bevordering van de verkeersveiligheid in de schoolomgevingen (van mevrouw Kathy Lindekens c. s., Stuk 2-261)

Stemming nr. 8

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

- Het wetsvoorstel is aangenomen. (Applaus)

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 23, §1, van de gemeentekieswet en artikel 11, §1, van de provinciekieswet, inzake de naam van vrouwelijke kandidaten (van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen en mevrouw Iris Van Riet, Stuk 2-411)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - We hebben bedenktijd gekregen om te beraadslagen over dit wetsvoorstel waarop in plenaire vergadering twee amendementen werden aangenomen.

Ik vraag namens onze fractie de terugzending van dit wetsvoorstel naar de commissie. Het tweede punt van het voorstel dat bepaalt dat de echtgenote, de naam van de echtgenoot kan dragen, indien deze daarin toestemt, betekent een stap achteruit in de emancipatie van de vrouw. Over dit tweede punt heeft de commissie niet gestemd.

De voorzitter. - De heer Van Quickenborne vraagt om dit wetsvoorstel terug te zenden naar de commissie.

De heer Philippe Mahoux (PS). - We hebben in plenaire vergadering over de twee betrokken amendementen gestemd. Volgens het reglement moet er een termijn in acht worden genomen vooraleer over het geheel te stemmen.

De voorzitter. - Dat hebben we gedaan

De heer Philippe Mahoux (PS). - Welke mogelijkheden zijn er volgens het reglement in een dergelijk geval?

De voorzitter. - De tekst werd in de commissie besproken. Mevrouw Willame heeft in de plenaire vergadering amendementen ingediend. Die amendementen werden aangenomen. Het is dus logisch dat we nu aan de eindstemming toe zijn. Als de heer Van Quickenborne de terugzending naar de commissie vraagt, moet de Senaat zich daarover uitspreken.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - Het reglement voorziet in een week bedenktijd, precies om over onverwachte wendingen in de plenaire vergadering te kunnen nadenken.

Ik steun het voorstel van collega Van Quickenborne tot terugzending naar de commissie omdat de stemming zeer nipt was en het goed is dat de commissie zich nog even over het ontwerp beraadt.

De voorzitter. - Artikel 40, 3°, bepaalt dat steeds het woord mag worden gevraagd om de terugzending naar een commissie voor te stellen. In dit geval acht ik het aangewezen dat de vergadering zich over dit verzoek uitspreekt.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Het verbaast me dat de heer Van Quickenborne die vraag nu stelt. Hij had dat beter gedaan toen de amendementen van mevrouw Willame werden goedgekeurd. We hadden dan de commissie dringend kunnen bijeenroepen en een aanvullend mondeling verslag kunnen vragen zodat we vandaag konden stemmen. Over die amendementen werd in de commissie overigens gediscussieerd. Ze werden verworpen en in plenaire vergadering opnieuw ingediend. Iedereen weet waarover het gaat.

De tekst moet nog terug naar de Kamer; een terugzending naar de commissie zou ons veel tijd doen verliezen. Ik verkies vandaag over het wetsvoorstel te stemmen en ik zal tegen de terugzending naar de commissie stemmen.

De heer Louis Tobback (SP). - Ik zal dit ontwerp goedkeuren. Maar ik veroorloof me een oproep te doen om, op negentig dagen vóór de gemeente- en provincieraadsverkiezingen, op te houden met sleutelen aan de kieswetten. Hier komen moeilijkheden van. Er zullen vergissingen gebeuren, ook in hoofde van de voorzitters, die alle moeite van de wereld hebben om nog bij te houden wat er allemaal in laatste instantie wordt gewijzigd.

Het zou goed zijn een soort van moratorium uit te vaardigen en het bij de bestaande kieswetten te laten, ongeacht of de voorliggende voorstellen mijn sympathie hebben of niet.

Ik zou de voorzitter willen vragen bij de minister aan te dringen dat het Belgisch Staatsblad de goedgekeurde ontwerpen bij urgentie zou publiceren, zodat de administraties in gemeenten en provincies en de voorzitters van de kiesbureaus met een duidelijke kieswet kunnen vertrekken.

Ik vind het ongeoorloofd dat men zo kort voor de verkiezingen altijd maar verder blijft sleutelen aan deze wetten.

De voorzitter. - Ik zal de regering vragen het Belgisch Staatsblad te verwittigen.

De heer Marc Hordies (ECOLO). - Een terugzending naar de commissie dreigt de stemming in de Kamer te vertragen, zodat de wet niet van toepassing zal zijn voor de volgende gemeenteraadsverkiezingen.

Het veranderen van mening tussen het onderzoek in de commissie en de discussie in de plenaire vergadering heeft iedereen verrast. In de commissie waren we tot een unaniem oordeel gekomen. Die verandering noopt tot een reflectietermijn en verantwoordt de vraag tot terugzending naar de commissie.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Wat hier gebeurt, verbaast mij. Is het dan zo verwonderlijk dat men, na de commissiewerkzaamheden, door argumenten die tijdens de plenaire vergadering naar voren worden gebracht, van mening verandert? Waarom is er anders een plenaire vergadering? Het is juist dat dit wat laat gebeurt, als men wil dat de Kamer de tekst nog goedkeurt. Ik betreur dat. De bepaling van ons reglement, dat een termijn in acht moet worden genomen tussen de goedkeuring van amendementen in plenaire vergadering en de eindstemming, moet worden nageleefd. Ik benadruk evenwel dat we een reeks teksten bespreken over de verkiezingen, zoals het ontwerp over de pariteit. Die teksten zijn niet dringend, al beweert de regering het tegendeel. We hebben daarover in plenaire vergadering gestemd. Wat de eindstemming over dit wetsvoorstel betreft, moet iedereen maar doen wat hij nodig acht. Deze situatie geeft een onaangenaam gevoel.

De voorzitter. - Ik wil erop wijzen dat de Kamer volgende week nog kan stemmen over dit ontwerp.

- Het voorstel tot terugzending naar de commissie wordt, bij zitten en opstaan, niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 62
Voor: 33
Tegen: 22
Onthoudingen: 7

- Het wetsvoorstel is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Gaat de Senaat akkoord om vertrouwen te geven aan zijn voorzitter om de agenda van de volgende plenaire vergadering te bepalen? (Instemming)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de oriëntatienota over de elektronische handel» (nr. 2-177)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). Teneinde de achterstand op de rest van het e-peloton te verkleinen, heeft de Belgische regering onder de impuls van de toenmalige minister van Economie op 18 februari 2000 een oriëntatienota over de elektronische handel besproken.

De conclusie luidde toen: "De overheid heeft de belangrijke taak om de omgevingsvoorwaarden en voorafgaande voorwaarden voor de ontwikkeling van de elektronische handel te creëren. Terzelfder tijd dient zij ervoor te zorgen dat een licht en flexibel regulatorisch kader wordt opgesteld om grondrechten te waarborgen en eventuele misbruiken, waaronder op het gebied van de bescherming van de consument en van de persoonlijke levenssfeer of de dreiging van een duale samenleving aan te kunnen pakken." Bovendien werd afgesproken dat het de taak is van de regering, gecoördineerd door de minister van Financiën, de minister van Justitie, de minister van Telecommunicatie, de minister van Consumentenzaken en de minister van Economie, om hiervoor te zorgen.

Intussen is de overlegronde met de sectoren achter de rug. Bedrijven uit zowel de Brusselse als de Vlaamse en de Waalse regio werden aangesproken.

Kan de minister de belangrijkste opmerkingen en wijzigingen aan de nota bekendmaken? Vereisen ze een grondige bijsturing van de nota?

Hoeveel bedrijven waren aanwezig op deze rondes? Waren de internetproviders uitgenodigd op deze vergaderingen? Kan de minister de lijst van de deelnemers bezorgen?

Wat is de volgende stap? Op welke manier zal de nota worden geïmplementeerd? Hoe verhoudt ze zich ten opzichte van de richtlijn met betrekking tot de elektronische handel die intussen door het Europees Parlement werd goedgekeurd?

Hoe zal de discussie hierover in het Parlement worden gestimuleerd?

Hoe zullen de ICT-inspanningen worden gecoördineerd? Minister Van den Bossche heeft immers ook al een nationale gemengde commissie in het leven geroepen om een aantal vraagstukken te onderzoeken.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Zoals de heer Van Quickenborne heeft vastgesteld, diende mijn voorganger, de heer Demotte, in februari een oriëntatienota over de elektronische handel in bij de Ministerraad. De raad heeft minister Daems en mijzelf belast met het voorleggen ervan aan de betrokken sectoren.

Sindsdien werden drie vergaderingen georganiseerd: één in Brussel, een andere in Gembloux en een derde in Antwerpen. Deze vergaderingen brachten meer dan 200 deelnemers samen, weliswaar minder dan ik had gehoopt, maar waaronder vertegenwoordigers van de industrie, de consumentenverenigingen, de vakbonden, de internetproviders en gespecialiseerde advocaten.

Deze vergaderingen werden georganiseerd in samenwerking met de Kamers voor koophandel en industrie.

Een geamendeerde versie van de oriënteringsnota, die rekening houdt met de opmerkingen die tijdens de ontmoetingen werden gemaakt, zal morgen aan de Ministerraad worden voorgelegd. Over deze tekst werd reeds vergaderd met de betrokken kabinetten. Daarbij kon iedereen zich uitspreken over de wijzigingen in de tekst. Ik wil kort enkele vragen en opmerkingen overlopen. Ten eerste werden er opmerkingen gemaakt over het potentieel aan creatie van niet-gekwalificeerde arbeidsplaatsen en de nieuwe vormen van arbeid. Ten tweede kwam de bescherming aan bod van de consument en in het bijzonder van kinderen tegen het internetgebruik. Ten derde werd ingegaan op het nut van doelgerichte sensibiliseringscampagnes, inzonderheid aan het adres van kleine en middelgrote ondernemingen.

Voor het opvolgen van de oriëntatienota zullen binnenkort verscheidene maatregelen worden genomen. De eerste is ongetwijfeld de snelle omzetting in Belgisch recht van de Europese richtlijn van mei 2000 over de elektronische handel. Daartoe moet in het begin van het jaar 2001 een wetsontwerp zijn opgesteld dat zo vlug mogelijk aan het Parlement zal worden voorgelegd.

Voor de coördinatie van de aanpassing van het reglementair kader dat op de elektronische handel van toepassing is, zal het departement van Economische Zaken instaan, dat belast is met de reglementering van de handel in het algemeen. In dit verband herinner ik eraan dat de opdrachten van de nationale gemengde commissie met betrekking tot de belemmeringen op de informatiemaatschappij beperkt zijn tot "de betrekkingen tussen de openbare besturen onderling en tussen de openbare besturen en hun klanten".

De heer Van Quickenborne vroeg ook naar de lijsten van de deelnemers aan de vergaderingen. Ik heb deze lijsten niet. Ze werden opgesteld door de Kamers van koophandel en industrie die, zoals gezegd, instonden voor de organisatie van de vergaderingen. Ik veronderstel echter dat ze ermee akkoord zullen gaan mij die lijsten te bezorgen en dan zal ik ze uiteraard doorspelen.

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). -. Volgens de minister zullen de belangrijkste opmerkingen in de tekst van de oriëntatienota worden opgenomen. Ik meen ook te begrijpen dat het punt op de agenda van de Ministerraad van morgen staat. De gewijzigde tekst zal dus aan de voltallige regering worden voorgelegd en ik veronderstel dat erover dus een beslissing wordt genomen of ten minste een discussie wordt gevoerd. Is het mogelijk de tekst daarna zo snel mogelijk ter beschikking te stellen van het Parlement en van de bevolking, eventueel, zoals bij de vorige nota, door een publicatie op de website?

Een aantal sectoren hebben kunnen deelnemen aan het debat. Ik hoop dat ook een maatschappelijk debat over de nota rond elektronische handel mogelijk wordt gemaakt. Ook dit kan eventueel via de website, zodat de burgers een rechtstreekse inbreng kunnen hebben in dit belangrijk thema.

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Indien de oriëntatienota wordt goedgekeurd, heb ik er vanzelfsprekend geen bezwaar tegen het Parlement op de hoogte te brengen.

Wat het parlementair debat over de omzetting van de Europese richtlijn betreft, hoop ik dat onze werkzaamheden in november zijn afgerond en dan ben ik uiteraard bereid op dat ogenblik mijn bijdrage te leveren tot een debat in het Parlement.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de afschaffing van het bonus-malussysteem en het verdwijnen van de automatische vaste tariefsprongen» (nr. 2-180)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Midden januari 2000 raakte bekend dat de toenmalige minister van Economische Zaken, de heer Rudy Demotte, het bonus-malussysteem zo snel mogelijk via een koninklijk besluit wilde afschaffen. Daardoor zouden de automatische vaste tariefsprongen ingevolge strijdigheid met het Europees recht verdwijnen. Gelijktijdig dacht hij aan een wetsontwerp dat een aantal problemen rond de autoverzekering uit de wereld moet helpen. Zijn voorstellen betreffen het recht op een verzekering, een systeem om niet-verzekerden sneller op te sporen, het statuut van de zwakke weggebruiker tegenover trams en treinen, moeilijk verzekerbare of geweigerde risico's die zouden getransfereerd worden naar een verzekeringspool bij het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds. Een dergelijke pool bestaat reeds, maar niet alle verzekeraars, zoals bijvoorbeeld OMOB, zijn erbij aangesloten. De verzekeraars zouden voortaan verplicht worden om zich bij die pool aan te sluiten. Zijn wetsontwerp voorziet ook in een systeem om niet-verzekerden sneller op te sporen. Hun aantal wordt op 50.000 geschat. Bedoeling is via de bestaande gegevensbank bij het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds, die alle nummerplaten en de autopolisnummers bevat, systematisch alle niet-verzekerde voertuigen op te sporen. Nu wordt deze gegevensbank enkel gebruikt om inlichtingen te verstrekken over de verzekeringsmaatschappijen van de partijen die bij een ongeval zijn betrokken.

Het wetsontwerp komt tenslotte tegemoet aan een aantal arresten van het Arbitragehof rond de schending van het gelijkheidsbeginsel. Zo geldt vandaag het wettelijk onweerlegbaar vermoeden van fraude als familieleden met hun respectieve wagens in een ongeluk betrokken raken.

Wat is de stand van zaken in deze dossiers? Tegen wanneer mogen wij de aangekondigde maatregelen verwachten? Waarom is er vertraging opgelopen? Is de minister van plan nieuwe maatregelen toe te voegen? Is er overleg geweest met de verzekeraars?

De heer Charles Picqué, minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek. - Zoals de heer Van Quickenborne zegt moet de sector van de autoverzekeringen op heel wat punten veranderingen ondergaan. Het koninklijk besluit tot wijziging van het bonus-malus systeem is voor advies voorgelegd aan de Commissie voor verzekeringen en de Controledienst voor de verzekeringen. De consultatieronde loopt op haar einde en het koninklijk besluit zal in de komende weken voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd. De verschillende problemen waarnaar de heer Van Quickenborne verwijst, werden door mij in een uitvoerige nota toegelicht.

Over het statuut van de zwakke weggebruiker ten aanzien van trams en treinen is uitvoerig in de Kamer gediscussieerd naar aanleiding van het wetsvoorstel van heer Ansoms.

Dat wetsvoorstel werd op 15 juni jongstleden in de Kamer goedgekeurd, zodat de Senaat dat desgewenst kan evoceren.

Over de problematiek van de niet-verzekerden en de toegang tot de verzekering heb ik gisteren ook al een vraag beantwoord in de commissie voor het Bedrijfsleven van de Kamer. Ik heb de commissarissen meegedeeld dat het fenomeen van de niet-verzekering wel uitbreiding neemt, maar toch nog geen dramatische proporties aanneemt. We mogen immers niet vergeten dat het Gemeenschappelijk Motorwaarborgfonds de slachtoffers vergoedt van ongevallen die door niet-verzekerden zijn veroorzaakt.

Toch wordt naar een oplossing gezocht in de richting van wat de heer Van Quickenborne voorstelt. Daarover is trouwens een wetsvoorstel aanhangig bij de Senaat.

Persoonlijk denk ik dat repressie moet samengaan met preventie. Er moeten maatregelen worden genomen om de premies voor eenieder op een redelijk niveau te handhaven. Daarom wordt nu grondig nagegaan hoe de pool kan worden hervormd waarbij rekening wordt gehouden met de moeilijkst te verzekeren risico's.

Van haar kant boog de commissie voor Verzekeringen zich onlangs over de wet op de burgerlijke aansprakelijkheid in de sector van de autoverzekering. De commissie kwam tot het besluit dat sommige bepalingen van de wet moeten worden gewijzigd, onder meer om de wet op de autoverzekering in overeenstemming te brengen met de regelingen voor andere verzekeringstakken. Ik denk bijvoorbeeld aan de termijnen, de verschillende formaliteiten, de verjaringstermijnen en dergelijke meer.

Ik vermeld nog dat België binnenkort ook een vierde Europese richtlijn over de autoverzekering in het Belgisch recht moet omzetten. Hoewel deze richtlijn nog niet is gepubliceerd, heeft mijn administratie de voorbereiding van deze omzetting reeds aangevat.

Ik ben van plan de verschillende wetswijzigingen in een keer te laten gebeuren. De meeste teksten zijn klaar en de officiële raadplegingen zullen in de loop van het vierde kwartaal van dit jaar kunnen beginnen. Zowel de verzekeraars als de gebruikers worden door de commissie voor Verzekeringen geraadpleegd.

Ik hoop dat de heer Van Quickenborne tevreden is met dit antwoord. Zoniet kan ik hem nog een uitvoerige en erg technische tekst bezorgen over de bonus-malusregeling en de andere nieuwe maatregelen.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - De technische nota waar de minister naar verwijst, wil ik graag krijgen.

De minister heeft veel goede bedoelingen en plannen. Jammer genoeg ondervinden we dat die maar al te vaak op de lange baan geschoven worden. In januari was er al sprake van voornoemd ontwerp. Er kwam al een arrest van het Arbitragehof dat van oordeel was dat er een schending was van het gelijkheidsbeginsel. Daarna nam een adviesronde liefst zes maanden in beslag, waarna het wetsontwerp nog voor advies aan de Raad van State moet worden voorgelegd vooraleer het bij het Parlement kan worden ingediend. Een schending van het gelijkheidsbeginsel is niet niets, zij raakt de grondwet zelf. Ik versta niet waarom het niet sneller gaat. Ik hoop dat de nieuwe minister van Economie de zaken met meer zin voor efficiëntie aanpakt.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Michiel Maertens aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het ontbreken van uitvoeringsbesluiten op de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu en de toepassing van de EU-richtlijnen ter zake» (nr. 2-199)

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Op 7 januari 1999 heeft de Europese Commissie, overeenkomstig artikel 226 van het EEG-verdrag, aan België een aanmaningsbrief gestuurd. Op 10 februari 2000 heeft de Europese Commissie een met redenen omkleed advies uitgebracht en op 16 maart laatstleden heeft ze ons land nog eens berispt omdat het, ten aanzien van Natura 2000 en de milieurichtlijnen 79/409 en 93/43, met name de Vogelrichtlijn van 2 april 1979 en die van 21 mei 1992 over de Natuurlijke Habitats, op "onjuiste wijze en onvolledig omzet in de nationale wetgevingen". De Belgische omzettingen beantwoorden volgens de Europese Commissie niet aan de eisen inzake de bescherming van toekomstige beschermingszones, de zogenaamde SAC's en SPA's, Special Area's of Conservation en Special Protection Area's. Gelukkig valt slechts één Habitatgebied onder de federale bevoegdheid, met name dit van de Vlaamse Banken, waar de zwarte zee-eend komt foerageren. Alle andere habitats zijn Gewestelijke bevoegdheid. Ons Ramsargebied wordt al bijna dertig jaar internationaal beschermd, maar dat werd nog nooit nationaal geïmplementeerd.

Volgens mijn informatie heeft de minister daarover aan de Commissie geantwoord dat er een voorontwerp van koninklijk besluit terzake in de maak is, maar het is mij onbekend welke timing de minister daarbij voorziet, en dit is nochtans erg belangrijk.

Deze Europese berisping komt hard aan, gelet op de "ingeslikte" uitvoeringsbesluiten die uw voorganger Jan Peeters, auteur van de wet op het mariene milieu, net voor de verkiezingen op onbezonnen wijze de wereld instuurde. Die werden op bijzonder groot protest onthaald door de gebruikers van de zee, vooral de vissers. Inhoudelijk was dit protest voor een groot deel onterecht, maar procedureel was het zeer terecht. Er werd immers te weinig overleg gepleegd, maar gelukkig heeft de minister dat ondertussen bijgespijkerd. Ik waardeer dit.

Het Europees Parlement wil op middellange termijn de boomkorvisserij verbieden. Die ploegt met zijn zware wekkerkettingen en schoenen de bodem van de zee om, en tast daardoor hoe langer hoe meer het bodemleven aan. De Belgische visserij is voor negentig procent boomkorvisserij, wat een enorme tegenstand laat voorzien. Als dit verbod niet lukt, zullen er vermoedelijk reservaten moeten komen waaruit de boomkor dan wordt geweerd, ook al is dit eigenlijk niet eens nodig. We moeten daarop dus kunnen anticiperen, ofwel verdwijnt onze visserij voorgoed. Het meest recente nummer van "Visserijnieuws" in Nederland van 7 juli 2000 meldt: "LNV denkt serieus na over gesloten delen Noordzee", en: "Bedrijfsleven reageert woedend: te gek voor woorden." De strijd die wij bijna een jaar geleden onder Jan Peeters al hebben moeten verdragen, is er duidelijk aan de gang. Ik verklaar me nader: ofwel verdwijnt de boomkor en wordt er "duurzaam gevist" in "beschermde gebieden", ofwel moeten er reservaten komen omdat de visserij niet duurzaam wil vissen. Eenvoudig en duidelijk. De keuze ligt eigenlijk bij de sector en niet bij het beleid. Volksvertegenwoordiger Leterme stelde zes maand geleden, op 5 januari 2000, enkele vragen aan de minister over de uitvoeringsbesluiten van de wet op het mariene milieu. Daarop antwoordde de minister dat het operationeel maken van de wet op het mariene milieu een veertigtal koninklijke besluiten vergde en dat daarvan een viertal, waaronder deze over het storten van stoffen, procedures voor vergunningen, milieueffectrapportering en grindwinning, tegen 31 januari aan de Raad van State zouden worden voorgelegd. Het zijn duidelijk geen koninklijke besluiten over "Mariene Reservaten", waarmee minister Peeters de zaak wat had bezwaard. Ondertussen vernam ik dat ook het advies van de Federale Raad voor Duurzame Ontwikkeling werd gevraagd, wat mij verheugt. De minister antwoordde nochtans aan de heer Leterme dat ze geen gedetailleerde timing wou geven, maar dat de mariene reservaten en de beheersplannen in de loop van deze legislatuur, dus voor midden 2003, zouden gedefinieerd worden. De weg is dus nog lang. Te lang, want de minister negeert op deze wijze de Europese Commissie en het Parlement, wat zeker sterke reacties en wellicht ook sancties kan opleveren.

Ik verklaar mij nader. Wat de beschermingsvoorschriften betreft, zijn de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn duidelijk gelijklopend. Maar uit de interpretatie van artikel 4 van de Vogelrichtlijn door het Europees Hof blijkt dat de beleidsvrijheid erg beperkt is: enkel objectieve en ecologische criteria, met uitsluiting van elke sociale en economische overweging, dus ook visserij en toerisme, zijn in deze beslissend. In zijn verdere interpretatie van artikel 4, lid 1, 2 en 4 van de Vogelrichtlijn wijst het Hof erop dat de richtlijn het karakter heeft van een Verordening. Ze is dus afdwingbaar vanaf haar inwerkingtreding, met name reeds vanaf 6 april 1981! Ook artikel 7 van de Habitat is van toepassing op de Vogelrichtlijn. Belangrijk in dit verband is vooral artikel 6, lid 2, van de Habitatrichtlijn: "De lidstaten treffen passende maatregelen om ervoor te zorgen dat de kwaliteit van de natuurlijke habitats en de habitats van soorten in de speciale beschermingszones niet verslechtert en er geen storende factoren optreden voor de soorten waarvoor de zones zijn aangewezen, voor zover die factoren, gelet op de doelstellingen van deze richtlijn, een significant effect zouden kunnen hebben". Het gaat hier vooral om de zwarte zee-eend. Maar nergens heeft de Habitatrichtlijn - en Natura 2000 - tot doel reservaten te creëren, waarin geen economische activiteiten meer mogelijk zouden zijn! Hierover had de voorganger van de minister andere opvattingen, maar de minister zelf moet hierover nu een beslissing nemen. Sociale en economische activiteiten blijven er dus mogelijk, op voorwaarde dat het einddoel niet wordt geschaad, namelijk de handhaving en/of het herstel van natuurlijke Habitats, en soorten van communautair belang waarborgen. De mogelijkheid bestaat hier dus om de Commissie en de zeegebruikers voldoening te geven, zonder reservaten te creëren. Ik spreek me niet uit over de richting die de minister moet nemen. Dat is zijn bevoegdheid.

Een tweede punt waarop ik de volle aandacht van de minister wil vestigen, is de rechtspraak van het Europees Hof. Daaruit moet worden afgeleid dat artikel 6, lid 2 tot lid 4, van de Habitatrichtlijn, ook directe werking heeft! Dit betekent dat deze bepalingen nu al van kracht zijn, ook al heeft een lidstaat de betrokken voorschriften niet of verkeerd en onvolledig omgezet in intern recht. Aangezien we ook hier kunnen concluderen dat deze richtlijn het karakter heeft van een EU-verordening, is België ter zake respectievelijk 20 en 8 jaar in overtreding, en was de Commissie bijzonder tolerant om tot 7 januari 1999 te wachten met de ingebrekestelling. Er zijn bij de Commissie immers een aantal klachten ingediend, vooral tegen de gewesten, maar eveneens tegen de federale overheid. Gelukkig heeft de Commissie nog geen juridische procedure op gang gebracht, maar ze kan dat elke dag doen.

Ik wil er de minister op wijzen dat - en hier komen we tot de cruciale punten - als zij nog langer wacht, de Commissie de zaak bij het Europees Hof meteen aanhangig kan maken, vermits de lidstaat het met redenen omklede advies niet binnen de gestelde termijn is nagekomen. Wat is de termijn die de minister heeft vooropgesteld in zijn antwoord aan de Commissie? Dat is mijn eerste vraag en meteen ook de belangrijkste, omdat ik het antwoord erop wil vergelijken met het antwoord dat de minister, uiteraard na het ontvangen van de E. C. -aanmaningsbrief, maar wel nog vóór het advies van de Commissie, aan Kamerlid Leterme heeft gegeven. Blijft de minister de non-timing zoals meegedeeld aan kamerlid Leterme al dan niet handhaven?

Nog later kwam de brief van de Commissie van 16 maart 2000 (IP/00/266°) die er duidelijk op wijst dat de lidstaten zonder uitstel maatregelen moeten nemen, of dat anders artikel 38.2 van het reglement op de structuurfondsen (1260/99 van 21 juni 99) of artikel 12 van het reglement op de cohesiefondsen (1161/94, gewijzigd door 1264/99) zullen worden toegepast. Het niet tijdig uitvoeren van Natura 2000 via de ontbrekende K. B.'s kan voor België een enorm dure zaak worden door het blokkeren van de EU-subsidies. Over de mogelijkheid van de Commissie om fondsen te bevriezen wegens niet-naleving van de milieurichtlijnen, is al heel wat discussie geweest. Het Hof van Justitie heeft in de zaak "An Faisce" bevestigd dat de commissie de mogelijkheid, maar niet de verplichting heeft om EG-fondsen te bevriezen voor nationale projecten die een miskenning inhouden van de MER-richtlijn. Naar aanleiding daarvan en in het licht van het integratiebeginsel, heeft de commissie beslist om nauwer toe te zien of er bij nationale projecten waarbij EG-fondsen betrokken zijn, geen overtredingen zijn van de milieurichtlijnen. De Commissie geeft in haar brief van 16 maart ook duidelijk te kennen dat deze maatregelen onder andere betrekking kunnen hebben op de schorsing van steun. Met betrekking tot het Life-programma geldt een gelijkaardige bepaling. Nu vrees ik dat de controverse tussen de uitvoering van de wet op het mariene milieu en de visserijbelangen er zullen toe leiden dat de Europese steun aan de visserij volledig zal worden opgeschort. En dit zou wel eens het begin kunnen zijn van echte mariene reservaten voor onze kust, maar tegelijk ook het door niemand gewenste einde van de Belgische visserij. Er moeten dus keuzes worden gemaakt, en niet alleen door de minister. Mijn voorkeur gaat naar een win/win-situatie. Conclusies en besluiten zijn dus dringend nodig. Commissaris Willockx kan daarover nog gaan bemiddelen, maar in dit specifieke geval heeft de regering geen enkel juridisch verweer: het Ramsargebied op de "Vlaamse Banken" had al 20 jaar beschermd moeten zijn, maar is dit nog altijd niet, terwijl de schorsing van deze fondsen met andere woorden een duidelijke beleidslijn is van de Commissie, waarvoor zij ook juridisch volledig ingedekt is.

De motie van het Europees Parlement voor de resolutie over de structuurfondsenprogramma's en de nationale implementering van de Europese milieudecreten, de B5/227/2000 van 14 maart 2000, werd goedgekeurd. De Europese Groenen vragen in dit verband zonder omwegen aan de Commissie de structuur- en cohesiefondsen te blokkeren als Natura 2000 niet uitgevoerd wordt.

Waarom werden de vier aangekondigde koninklijke besluiten nog altijd niet gepubliceerd, en binnen welke tijdspanne denkt de minister dit vooralsnog te kunnen doen?

Welke uitvoeringsbesluiten denkt hij in de loop van de komende twaalf maanden nog te kunnen publiceren en in welke timing is daartoe voorzien?

Heeft hij terzake na 16 maart reeds met de Europese Commissie contact genomen, en zo ja, wanneer, en met welke resultaten?

Binnen welke tijdspanne zullen de "Vlaamse Banken" en niet alleen het Ramsargebied, van een beschermd statuut en van beheersmaatregelen kunnen genieten?

Is het juridisch mogelijk dat de minister eerst overgaat tot een "beschermings"- en pas later tot een "reservaatsstatuut"? Waarom wel of waarom niet? Welke beleidsoptie zal hij op dit specifieke punt nemen?

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - De Europese Commissie heeft België inderdaad een aanmaningsbrief gestuurd met betrekking tot de uitvoering van de Habitat- en Vogelrichtlijnen. De aanmaningsbrief van de Europese Commissie en het advies van 1 februari 2000 betreffen hoofdzakelijk de omzetting van de richtlijnen door de drie gewesten. De betrokkenheid van de federale overheid is beperkt tot de bescherming van de zogenoemde Vlaamse banken. Deze maken het voorwerp uit van vrij marginale opmerkingen van de Commissie.

De bewering dat België geen speciale beschermingszone zou hebben aangeduid in de Belgische kustzone is onjuist. Artikel 4 van de Habitatrichtlijn verplicht de lidstaten speciale beschermingszones voor te stellen door de gepaste informatie toe te zenden aan de Commissie. Dit is reeds in 1996 gebeurd met de aanwijzing van het Trapegeer-Stroombankgebied. De permanente vertegenwoordiging heeft deze brief op 25 april 1996 naar de Commissie gestuurd.

Krachtens het tweede lid van artikel 4 moet de Commissie aan de hand van het voorstel de lijst van gebieden van communautair belang vaststellen. Dit is nog niet gebeurd. Wanneer een gebied volgens deze procedure tot een gebied van communautair belang is uitgeroepen, wijst de betrokken lidstaat dat gebied uiterlijk binnen zes jaar aan als speciale beschermingszone. Het Trapegeer-Stroombankgebied kan momenteel dus niet als gebied van communautair belang worden aangeduid. Wij wachten op de beslissing van de Commissie. Ik zal overigens niet nalaten deze aangelegenheid volgende maandag onder de aandacht van mevrouw Wallström te brengen. Voor het overige werd de Koning bij wet van 20 januari 1999 gemachtigd de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn uit te voeren.

De brief van 16 maart jongstleden waar het geachte lid naar verwijst, heeft betrekking op maatregelen die door de gewesten moeten worden genomen. België heeft zowel voor als na 16 maart regelmatig contact gehad met de Europese Commissie en dit zowel op administratief niveau als op kabinetsniveau. Tijdens deze contacten heeft de federale overheid de Commissie laten weten hoever zij staat met de uitvoering van de Habitatrichtlijn.

Inzake de bevoegdheidssfeer van de federale overheid heeft de Commissie haar opmerkingen hoofdzakelijk beperkt tot twee vraagstukken. Ten eerste de onzekerheid voor wat betreft de oppervlakte van het Trapegeer-Stroombankgebied in verhouding tot de totale oppervlakte van habitat categorie 11.25, namelijk permanent met zeewater van geringe diepte overstroomde zandbanken. Het is niet zeker of de oppervlakte beantwoordt aan de vastgestelde norm. Hoewel het Belgische voorstel van 25 april 1996 dienaangaande niets vermeldt, bestrijkt het Stroombankgebied feitelijk meer dan 20% van de oppervlakte van de ondiepe zandbanken.

Ten tweede wordt er gewezen op het gebrek aan een referentie naar de steur in het Belgische voorstel. Deze vissen zijn in België de jongste vijftig jaar echter niet meer gesignaleerd.

Tot daar het Europese deel.

Wat de uitvoering van de wet op het mariene milieu betreft, is het KB over het storten van baggerspecie al in het Staatsblad verschenen. Het KB dat de Consultatieve Commissie voor de Exploitatie van het Continentaal Plat moet oprichten is getekend door de minister van Economische Zaken. Het ligt nu bij mij en ik zal het onmiddellijk tekenen. De KB's inzake de vergunningen voor de exploitatie van het continentaal plat zijn in voorbereiding bij het ministerie van Economische Zaken dat piloot is voor dit dossier. Het KB over vergunningen en milieu-effectenbeoordeling is afgewerkt op mijn niveau en voorgelegd aan de Inspectie van Financiën en aan de Commissie Duurzame Ontwikkeling. Deze laatste heeft op 20 juni haar advies gegeven. Ook de Inspectie van Financiën heeft gunstig gereageerd. Dit ontwerpbesluit ligt nu voor ondertekening bij de minister van Begroting. Dit dossier zal dus de volgende maanden worden afgerond. Daarnaast zullen de ontwerpen van KB's voor de afbakening van beschermde mariene gebieden, de bescherming van soorten in de zeegebieden en de beperking van bepaalde visserijtechnieken in de loop van dit jaar opnieuw worden voorgelegd aan de betrokken departementen en belangengroepen. Het is juridisch mogelijk maar ecologisch zinloos gebieden in de zee af te bakenen en aan te duiden als beschermde mariene gebieden zonder maatregelen te nemen om die bescherming op een coherente manier te concretiseren. Die houding komt niet overeen met onze beleidsfilosofie. De enige activiteiten onder federale bevoegdheid die een permanente schade veroorzaken aan het ecosysteem van de ondiepe kustbanken van de territoriale zee zijn de visserijactiviteiten. Een beheersplan zal deze aspecten prioritair moeten behandelen. Op dit ogenblik behoren de visserijactiviteiten tot de bevoegdheid van de minister van Landbouw. Wij rekenen op de samenwerking van deze minister en de visserijorganisaties om die zaak niet te laten aanslepen. Wij doen het nodige om de druk op de ketel te houden.

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - Het antwoord was bijzonder verhelderend en gedetailleerd. Maar ik wil toch nog wat meer opheldering.

Volgens de minister gaan de aanmaningsbrief van de Europese Commissie en het advies van 1 februari enkel over de Vlaamse banken. Dat is vanzelfsprekend want er is geen andere beschermingszone onder federale bevoegdheid. Al de rest is gewestmaterie. Ik wil wel vernemen of wat de minister marginale opmerkingen van de Commissie noemt - ik vind die niet zo marginaal - invloed zullen hebben op de visserij en de recreatie en zo ja, in welke mate. Daarover moet worden onderhandeld in een opbouwende sfeer en niet, zoals in de vorige legislatuur, met betogingen op de Visserskaai in Oostende.

De minister verklaart dat ik zou gezegd hebben dat België geen speciale beschermingszone heeft aangeduid in de kustzone. Dat is onjuist. Ik heb enkel gezegd dat België nog geen beschermingsmaatregelen heeft uitgewerkt. Dat is iets anders. Welk nut heeft het een gebied gedurende dertig jaar op papier te beschermen, maar er feitelijk geen beschermingsmaatregelen aan te verbinden? Ik geef toe dat de Commissie wellicht zelf in gebreke is door na vier jaar de Trapegeer- en Stroombank nog niet formeel te hebben aangeduid als speciale beschermingszone. Zal ze dit ooit doen en kan ze dit juridisch, aangezien het hier een internationaal beschermd Ramsargebied betreft? We draaien vermoedelijk in een juridisch cirkeltje. Het mariene milieu is daarvan het slachtoffer. Dit moet worden nagetrokken.

Over de vraagstukken rond de oppervlakte van de Trapegeer- en Stroombank en de steurpopulatie moet ons land een antwoord geven aan de Commissie en onderzoek verrichten. Er wordt met geen woord gerept over de zwarte zee-eend. Als de Commissie die internationaal beschermde eend niet in haar opmerkingen heeft opgenomen, gaat ze voorbij aan de Ramsarbescherming.

Wat de stand van zaken van de uitvoeringsbesluiten van de wet-Peeters betreft, ben ik blij dat de minister duidelijker is dan in de Kamer. We weten nu waar we aan toe zijn inzake de timing.

Ik wijs er nogmaals op dat de problematiek van de boomkorvisserij, zoals die in Nederland aan de orde is, een ernstige hypotheek legt op onze kustvisserij en dat wij hier zeer snel op moeten anticiperen en een win-winsituatie kunnen voorstellen.

Ecologie en economie komen dikwijls met elkaar in concurrentie, maar in het mariene milieu is dit zinloos. Er zijn creatieve oplossingen genoeg als we ons er maar over willen beraden. In Nederland wordt op een creatieve manier onderhandeld met alle betrokken sectoren.

Ik stel dan ook voor dat de minister tijdig de nodige besluiten publiceert om de plaatsing van windmolens op zee mogelijk te maken. We moeten ons daarbij wel afvragen of dit niet het eerste gesloten gebied is of zou kunnen zijn, dat ook economisch kan renderen, zoals bijvoorbeeld voor hangmosselcultuur of voor oesters. De proefperiodes daarvoor in Nieuwpoort en Oostende zijn al afgelopen en hebben bewezen dat die cultuur economisch rendabel is. Aquacultuur op zee in gesloten gebieden vormt dus een duidelijk voorbeeld van een win/win-situatie. Ik denk dat het kan en dat we nog meer in die richting moeten evolueren. Natuur, milieu en economie kunnen perfect samengaan. We moeten alleen maar voldoende creatief zijn.

Mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu. - Ik heb twee opmerkingen. Ik blijf over deze materie in contact met de Commissie. De ontbrekende informatie wordt bezorgd. Ik verwacht hier geen moeilijkheden. Er is geen sprake van onzekerheid. Wij kunnen precieze informatie geven over de oppervlakte en over de steur. De zaak van de zwarte zee-eend zal ik laten onderzoeken. Daar had de Commissie blijkbaar zelf niet aan gedacht.

Wat de werken aan de beschermde mariene gebieden betreft, moet het ene na het andere worden aangepakt. Ik kan geen engagementen nemen als niet eerst een akkoord wordt afgerond op het niveau van landbouw. Landbouw is nu nog federaal en is bevoegd voor de visserij. Volgend jaar zal het een gemeenschapsbevoegdheid zijn; misschien zal het dan gemakkelijker gaan.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het statuut van geregulariseerde personen die activiteiten als zelfstandige ontplooien» (nr. 2-174)

De voorzitter. - De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Deze problematiek heeft al heel wat stof doen opwaaien. Onlangs is ook de vraag gerezen of een geregulariseerd persoon of een persoon die in de regularisatieprocedure zit een beroep kan doen op het bestaansminimum. Daaromtrent zijn al enkele vonnissen geveld. De regering is op dat gebied een bepaalde mening toegedaan. Mijn vraag gaat echter over iets anders.

Op 4 februari 2000 besliste de Ministerraad de reglementering te wijzigen om personen die zullen worden geregulariseerd te ontslaan van de verplichting een arbeidsvergunning en een arbeidskaart aan te vragen, om hen gemakkelijker toegang te geven tot de arbeidsmarkt.

Ik heb destijds de aandacht van de minister gevestigd op de problematiek van personen die geregulariseerd worden en een zelfstandige activiteit willen uitoefenen. Collega Mahassine heeft mij daarbij gesteund met zijn mondelinge vraag. De minister heeft toen gezegd dat de regering van plan was een voorontwerp uit te werken om ervoor te zorgen dat mensen die geregulariseerd worden zonder te veel procedures een zelfstandige activiteit kunnen beginnen. Dat is van belang omdat de in hoofdzaak niet-Europese vreemdelingen krachtens de wet van 1965 nog steeds verplicht zijn een beroepskaart aan te vragen.

De minister heeft beloofd om via een koninklijk besluit de betrokkenen vrij te stellen van een verplichte aanvraag. Bijgevolg werd de stemming over een wetsvoorstel van mezelf in de commissie voor de Financiën en de Economische Aangelegenheden uitgesteld.

Nu de regularisatieoperatie op gang is gekomen en de eersten positief nieuws hebben gekregen, wordt een beslissing dringend.

Kan de minister meedelen wat hij sinds onze vragen op 17 februari jongstleden heeft ondernomen? Is er een voorontwerp klaar? Wanneer wordt het voorgelegd aan de Ministerraad? Wat is de inhoud van dit voorontwerp?

Is de minister nog steeds van mening dat een dergelijke belemmering die de beroepskaart is en waar Unizo ook negatief tegenover staat, moet blijven bestaan? Wat te denken van de discriminerende bepaling in de wet van 1965 waarbij onder meer verwezen wordt naar de voorwaarde dat de betrokkene geen besmettelijke ziektes mag hebben om zelfstandige te worden? Ik heb er in de commissie en in de plenaire vergadering al meermaals op gewezen dat wanneer dit probleem aanhangig wordt gemaakt voor een rechtbank of voor het Arbitragehof, deze van oordeel zullen zijn dat die voorwaarde een absolute discriminatie inhoudt.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op deze vragen.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Ik lees het antwoord voor van collega Gabriëls. Deze heeft inderdaad beloofd om, onder meer in het raam van de regularisatieoperatie, de reglementering inzake beroepskaarten voor vreemdelingen te wijzigen naar analogie van de reglementering betreffende de arbeidskaarten voor werknemers.

Een ontwerp van wet tot wijziging van de wet van 19 februari 1965 heeft inmiddels de normale procedure doorlopen, werd in de Ministerraad goedgekeurd en op dit ogenblik ligt het koninklijk besluit tot indiening van het wetsontwerp ter ondertekening voor aan het Staatshoofd. De effectieve indiening in de Kamer mag dus eerstdaags worden verwacht.

Van zodra deze wetswijziging in werking treedt zal via een koninklijk besluit een vrijstelling van beroepskaart worden verleend aan de vreemdelingen die recht hebben op vestiging en aan de vreemdelingen die recht hebben op onbeperkt verblijf, met andere woorden : de houders van een "identiteitskaart voor vreemdelingen" en de houders van een "bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister", zonder de vermelding "tijdelijk verblijf". Ik vermeld hier nog bij dat collega Gabriëls hierdoor de categorieën die in aanmerking komen voor de vrijstelling nog verruimt in vergelijking met het ontwerp van de vorige regering en met het voorstel van uzelf, mijnheer Van Quickenborne, waarin de laatste categorie niet was opgenomen.

Met betrekking tot de tweede vraag naar de verwijzing van afwezigheid van besmettelijke ziekten, kan ik meedelen dat de huidige procedure, in tegenstelling tot wat daarstraks werd gesteld, bepaalt dat wanneer een beroepskaart buiten België wordt aangevraagd, er inderdaad een medisch attest moet worden bijgevoegd. Het departement Middenstand beoordeelt dit attest niet, maar zendt het door naar de Dienst Vreemdelingenzaken, die overeenkomstig artikel 7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het Rijk, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, moet nagaan of de aanvrager geen drager is van de in de bijlage van die wet opgesomde ziekten.

Het medisch attest berust dus op een reglementering die tot de bevoegdheidssfeer behoort van de minister van Binnenlandse Zaken. De heer Gabriëls deelt evenwel mee dat hij niet zal nalaten om met zijn collega Duquesne te onderzoeken of deze verplichting eventueel kadert in het raam van enige internationale verplichting en of een versoepeling of aanpassing mogelijk is.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik ben blij dat dankzij het aandringen van collega Mahassine en van mijzelf zoiets spoedig in orde kan komen. Ik hoop dat de mensen die geregulariseerd worden die regeling zo spoedig mogelijk kunnen genieten.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Josy Dubié aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van België wanneer Palestina zich onafhankelijk zou verklaren» (nr. 2-201)

De voorzitter. - De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen, antwoordt namens de heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - De gebeurtenissen in het Nabije Oosten kennen een stroomversnelling. We hopen dat de onderhandelingen in Camp David resulteren in een rechtvaardige en evenwichtige oplossing. Indien men realistisch is, weet men echter dat de kansen daarop klein zijn. De situatie is ernstig, omdat zich belangrijke beslissingen opdringen die het kruitvat in het Nabije Oosten opnieuw kunnen doen ontvlammen. De Centrale Palestijnse Raad heeft inderdaad aangekondigd dat president Arafat op 13 september de onafhankelijkheid van Palestina zal uitroepen. Een substantiële vooruitgang in het vredesproces kan deze datum nog doen uitstellen. Dat is echter weinig waarschijnlijk. Het niet respecteren van akkoorden, zoals die van Oslo, Wye Plantation en Charm el Cheik, en vertragingsmanoeuvres van Israël hebben de Palestijnen geërgerd en in het nauw gedreven. In elk geval heeft de Centrale Palestijnse Raad beslist dat de onafhankelijkheidsverklaring zal gebeuren vóór het einde van 2000. De Israëlische overheid heeft daarop zeer negatief gereageerd en gedreigd, in weerwil van alle VN-resoluties, alle gebieden die zij in Cisjordanië en Gaza controleert te annexeren en de rest van Palestina totaal te blokkeren. Deze Israëlische houding moet worden veroordeeld. Ik herinner eraan dat de situatie vandaag geblokkeerd is omdat de staat Israël, sinds zijn oprichting ingevolge een beslissing van de VN, systematisch de resoluties van de VN die haar aanbelangen weigert te aanvaarden. Eén van de eerste, daterend van 1948, voorziet uitdrukkelijk in de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen of ten minste een schadevergoeding voor hen.

Vandaag verklaren de Israëli dat er geen kwestie kan van zijn over de vluchtelingen te spreken. Voor Barak is dit de rode lijn die hij niet zal overschrijden. Dat is volledig onaanvaardbaar. De houding van minister van Binnenlandse Zaken, Nathan Chtcharansky, heeft me bijzonder getroffen. Hij heeft ontslag genomen uit de regering om te protesteren tegen de onderhandelingen in Camp David die het vredesproces willen voorthelpen. Hij protesteert daarmee tegen eventuele toegevingen. De voornaam van Nathan Chtcharansky was destijds Anatoly. Hij werd in Oekraïne geboren. In de jaren zeventig hebben sommigen onder ons gemobiliseerd te zijnen voordele, omdat hij toen één van die Joden was die de Sovjet-Unie wou verlaten omdat zij het slachtoffer waren van onverdraaglijke discriminaties. Wij steunden toen die strijd. Chtcharansky werd veroordeeld en opgesloten in een goelag. Wij hebben daartegen betoogd. De slogan was: "Let my people go!" In 1986 kon hij naar Israël vertrekken waar hij een politieke partij oprichtte vooraleer minister van Binnenlandse Zaken te worden. Hij die naar Palestina kon terugkeren, verbiedt nu de Palestijnen naar huis terug te keren, terwijl sommigen onder hen reeds meer dan vijftig jaar buiten hun vaderland wonen. Dat is betreurenswaardig en onaanvaardbaar.

In paragraaf 5 van de "Verklaring van de Raad over het vredesproces in het Midden-Oosten" stelde de Europese Unie op de Europese top van 26 maart 1999 te Berlijn: "De Europese Unie herbevestigt het permanente en onbeperkte recht van de Palestijnen op zelfbeschikking met inbegrip van een Staat, dat wil zeggen, de onafhankelijkheid, wenst de snelle verwezenlijking van dat recht en verklaart zich bereid ten gepaste tijde de erkenning van een Palestijnse Staat te overwegen." Ik dank dat dit moment er nu is. Het is niet aan ons, maar aan de Palestijnen om dat vast te stellen, zoals de resolutie het stelt. Is de regering, in overeenstemming met deze verklaring die België heeft onderschreven, bereid om de onafhankelijkheid van Palestina te erkennen wanneer ze wordt uitgeroepen door de legitieme vertegenwoordigers van het Palestijnse volk?

De heer Michiel Maertens (AGALEV). - De problematiek die de heer Dubié aanhaalt, is bijzonder belangrijk en dringend en bovendien van die aard dat geen tussenweg mogelijk is. Zoals het spreekwoord luidt, kunnen de kool en de geit niet worden gespaard.

De minister zal duidelijk moeten antwoorden welke houding België zal innemen indien Palestina eenzijdig zijn onafhankelijkheid zou proclameren en Israël die niet zou erkennen. Zijn antwoord kan en zal allicht weer heel pragmatisch zijn - wait and see - net als dit van zijn collega, aan wie ik op 29 juni vragen stelde in verband met het afgelaste bezoek aan Israël en Palestina en de toepassing van de fameuze VN-resolutie 194/III over de terugkeer van de Palestijnse vluchtelingen, waarnaar de heer Dubié ook verwezen heeft. Minister Michel heeft toen leuk om mijn vraag heen gefietst door een goede en lange uiteenzetting te geven over de situatie, daarbij vermeldend dat iedereen blijk zal moeten geven van realisme en politiek pragmatisme en dat België aan "deze oefening zal deelnemen". Met andere woorden, minister Michel heeft geen standpunt ingenomen, maar alleen geantwoord dat we terzake realistisch en pragmatisch moeten zijn. Daarop heb ik gerepliceerd: "Words, words, words."

Wat hij toen heeft geantwoord, is geen politiek, maar gezwets. Het zou me geenszins verwonderen indien de minister aan de heer Dubié zo dadelijk eenzelfde "kool-en-geit"-antwoord geeft. Daar kunnen we evenwel geen vrede mee nemen. Het Parlement heeft het recht het standpunt van de regering terzake te vernemen. Als dit een standpunt blijkt te zijn dat er geen is, moet ik daaruit besluiten dat de regering de verantwoordelijkheid terzake niet op zich wil nemen en vraag ik op de man af: waarom?

Meer nog, als er geen standpunt kan worden ingenomen, bemoeilijkt België de vreedzame oplossing van het Israëlisch-Palestijns conflict. Iedereen weet trouwens dat alleen Israël de internationale akkoorden permanent aan zijn laars lapt.

We moeten de eerlijkheid en de moed hebben aan de Europese Unie openlijk te verklaren dat we haar steunen en dat wij het Palestijns recht op zelfbeschikking voluit onderschrijven. Op die wijze verhoogt ons land de druk op Israël om dit recht in de feiten ook te erkennen en toont het dat het niet bang is de waarheid te zeggen, ook al kan dit een staartje krijgen in onze handelsbetrekkingen met Israël. Want ik vermoed dat daar het probleem ligt.

We moeten de keuze durven te maken. Dan zal de Europese Unie wel oordelen over onze politieke betrouwbaarheid en ons zogezegd pragmatisme.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Naar aanleiding van de vraag om uitleg van collega Dubié wensen we te informeren naar de houding die de Belgische Staat zal aannemen als de Palestijnse Staat zou worden erkend.

We hebben een parlementaire ondersteuningsgroep opgericht die hierop waakzaam zal toezien en ervoor moet zorgen dat België en Europa in dit opzicht op diplomatiek vlak een dynamiserende rol spelen.

De heer Dubié moet beter uitkijken als hij iemand steunt, want Nathan Chtcharansky heeft over zijn zionistische opvattingen nooit enige twijfel laten bestaan.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Als de mensenrechten worden geschonden, wie ook het slachtoffer ervan is, moeten we reageren. Nathan Chtcharansky zat in de gevangenis omwille van zijn opvattingen.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Voor bepaalde van zijn opvattingen. Er zijn ook Serviërs die heel correct zijn, behalve als het over Albanezen gaat.

De Israëlische Staat neemt een positieve houding aan in bepaalde dossiers, zoals Rwanda bijvoorbeeld. Als daarentegen de Arabische wereld ter sprake komt, krijgt wantrouwen de bovenhand en miskent Israël in zijn expansiedrang zelfs de internationale overeenkomsten.

België moet voorzichtig stelling nemen tegenover de Palestijnse onafhankelijkheid, en dit indien mogelijk nog vóór of tegelijkertijd met de onderhandelingen in Camp David, in de hoop dat deze in verband met de erkenning tot resultaten leiden.

Op 13 september krijgen de Palestijnen van de VN het recht hun onafhankelijkheid uit te roepen. De Nationale Palestijnse Raad oefent dan ook druk uit op Yasser Arafat, die nog voor uitstel kan zorgen. Maar vóór het einde van dit jaar zal hij een onomkeerbare daad moeten stellen.

Om hem te helpen moet Europa druk uitoefenen op de onderhandelingen in Camp David en mag het geen vrede nemen met de minderwaardige rol die de Amerikaanse diplomatie het toebedeelt. Europa zou iets kunnen doen waarbij het naar een onafhankelijkheidsdatum verwijst. Ik hoop dat de minister in positieve zin zal reageren. We moeten nu zeggen waar we voor staan.

In de regio zijn ondemocratische ontwikkelingen niet uitgesloten. In Libanon kent de situatie van de Arabieren en meer bepaald van de moslims, een grondige ommekeer. Na de oorlog keerden christenen en Libanezen terug, wat tot een minorisering van de Hezbollah leidde. De Hezbollah, die vooral aan de Israëlische grens actief waren, zijn er evenwel in geslaagd de Palestijnen ervan te overtuigen dat de Israëlische terugtrekking uit Zuid-Libanon aan hen te danken is. Daardoor kunnen ze nu een vooraanstaande rol opeisen binnen het Palestijnse kamp.

Het zou getuigen van intelligentie en lange-termijnvisie als Europa de oprichting van een democratische Palestijnse staat zou ondersteunen.

Ik dring aan op spoed. Tevens vraag ik dat de minister van Buitenlandse Zaken het statuut van de PLO-vertegenwoordiger in Brussel zou herzien.

De verbetering van zijn statuut maakt geen deel uit van de erkenning van de Palestijnse staat, maar staat er wel symbool voor. Wil de minister zo vriendelijk zijn dit verzoek van de parlementaire ondersteuningsgroep aan de minister van Buitenlandse Zaken over te maken?

De heer Mohamed Daif (PS). - Ik herinner eraan dat de akkoorden van Oslo tot op vandaag voor het Palestijnse volk niets opgeleverd hebben. De kolonisatie en de bezetting van gronden gaan door. De Palestijnse producten blijven onder embargo. De progressieve krachten willen een doorbraak bewerkstelligen en streven naar vrede maar de Israëlische staat stelt daar niets tegenover.

We moeten de Palestijnse Autoriteit en in het bijzonder president Arafat bijstaan in hun strijd. De toestand dreigt gevaarlijk te worden als de erkenning geen rechtstreekse steun krijgt. We hopen op een compromis en op een erkenning door Israël. Als de Palestijnse Staat unilateraal zou worden uitgeroepen, moet België duidelijk aangeven dat het steun geeft aan het Palestijnse volk, dat zoveel geleden heeft en dit lijden niet langer kan dragen.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - In de verklaring van de Europese Raad van Berlijn van 25 maart 1999 bevestigde de Europese Unie het zelfbeschikkingsrecht van de Palestijnen, daaronder begrepen het recht een Staat op te richten, en verklaarde zich bereid op dat ogenblik de erkenning van een Palestijnse Staat te onderzoeken. De Europese Unie geeft er duidelijk de voorkeur aan dat die Staat wordt opgericht op grond van rechtstreekse onderhandelingen tussen de partijen over de definitieve regeling van het Palestijnse vraagstuk.

Naar aanleiding van de Europese Raad van Santa Maria da Feira van 20 juni 2000 heeft de Europese Unie benadrukt dat bij de besprekingen over het permanente statuut ten volle rekening moest worden gehouden met de leefbaarheid van een Palestijnse Staat.

Samen met zijn Europese partners volgt België aandachtig het verloop van de onderhandelingen die op 11 juli jongstleden op het hoogste niveau in Washington werden hervat en waaraan de Amerikanen actief deelnemen. De hoop is dat het overleg dit keer onverwijld leidt tot een akkoord, dat de basis legt voor de definitieve regeling van het Palestijnse vraagstuk.

In die context lijkt het mij voorbarig om nu al te bespreken hoe wij de Palestijnse Staat zullen erkennen. Dit vraagstuk zal in samenspraak met de Europese partners onderzocht worden als wij met zekerheid weten op welke wijze de Staat zal worden opgericht. Wij hopen van harte, en ik leg hier de nadruk op, dat die Staat in het kader van een politiek akkoord met Israël wordt opgericht.

Het is duidelijk dat het uitroepen van een Palestijnse Staat als resultaat van een akkoord met Israël, de internationale erkenning ervan ten zeerste zal vergemakkelijken.

De heer Josy Dubié (ECOLO). - Het antwoord van de minister ontgoochelt me diep. Het voluntaristische beleid van de minister gaf me hoop op een sterk Belgisch gebaar.

Ik interpreteer de verklaring van de Europese Raad in Berlijn totaal anders. Ik had gewild dat België het zelfbeschikkingsrecht van het Palestijnse volk erkende op het ogenblik dat zijn legitieme vertegenwoordigers dat hadden beslist. Niet de Europese Unie of wie ook, moet beslissen op welk ogenblik de Palestijnen hun onafhankelijkheid mogen uitroepen. Daarover moeten zij beslissen en niemand anders. De groep waarover mevrouw Lizin het had en waarvan ik deel uitmaak, zal daarvoor blijven ijveren.

Ten slotte dring ook ik aan op een beter statuut voor de permanente vertegenwoordiger van de PLO in België en op meer garanties voor zijn veiligheid, die inderdaad net zo goed wordt bedreigd als die van sommige Amerikaanse diplomaten.

- Het incident is gesloten.

- De Senaat gaat tot nadere bijeenroeping uiteen.

(De vergadering wordt gesloten om 19.30 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw van Kessel, om gezondheidsredenen, de heer Colla, in het buitenland.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 58
Voor: 16
Tegen: 42
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 60
Voor: 17
Tegen: 43
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 60
Voor: 13
Tegen: 47
Onthoudingen: 0


Voor

Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Mia De Schamphelaere, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.


Tegen

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 61
Voor: 41
Tegen: 16
Onthoudingen: 4


Voor

Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, André Geens, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Jacinta De Roeck, Josy Dubié, Paul Galand, Marc Hordies, Meryem Kaçar, Frans Lozie, Michiel Maertens, Johan Malcorps, Jacky Morael, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

Marie-José Laloy, Anne-Marie Lizin, Philippe Moureaux, René Thissen.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Michiel Maertens, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Jacky Morael, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 62
Voor: 33
Tegen: 22
Onthoudingen: 7


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Marie-José Laloy, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Louis Siquet, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Luc Van den Brande, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Alain Zenner.


Tegen

Marcel Cheron, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Marc Hordies, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Jeannine Leduc, Frans Lozie, Michiel Maertens, Johan Malcorps, Jacky Morael, Marie Nagy, Didier Ramoudt, Jan Remans, Martine Taelman, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Paul Wille.


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

In overweging genomen voorstel

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot vergoeding van de schade veroorzaakt bij therapeutische ongevallen (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Gedr. St. 2-335/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van de heer Josy DUBIÉ aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de houding van België wanneer Palestina zich onafhankelijk zou verklaren» (nr. 2-201)

van Mevrouw Marie-José LALOY aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de uitvoering van de Euro-mediterrane overeenkomst in het Midden-Oosten» (nr. 2-202)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de werkzaamheden van het interdepartementaal Comité in de strijd tegen de wapentrafieken» (nr. 2-203)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «de toepassing van artikel 10 van de wet van 5 augustus 1991 op de wapenhandel, en meer in het bijzonder voor wat de vervolgingsbevoegdheid betreft» (nr. 2-204)

van de heer Michiel MAERTENS aan de Minister van Financiën en aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek over «het in de handel brengen van producten en diensten door bepaalde VZW's en de contributies daarop» (nr. 2-205)

van Mevrouw Anne-Marie LIZIN aan de Minister van Binnenlandse Zaken en aan de Staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling over «de nucleaire veiligheid, inzonderheid de veiligheid van de werknemers in Tihange, en het onderzoek van het Telerad-systeem» (nr. 2-206)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de acute aidsproblematiek» (nr. 2-207)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking over «de acute aidsproblematiek in Afrika» (nr. 2-208)

van de heer Michel BARBEAUX aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de toepassing van de sociale franchise op samenwonende werklozen» (nr. 2-209)

van de heer Michel BARBEAUX aan de Minister van Sociale Zaken en Pensioenen en aan de Minister van Financiën over «de noodzaak om de overheidsfinanciering van het wetenschappelijk onderzoek in België te verhogen door een verlaging van de federale lasten» (nr. 2-210)

van Mevrouw Sabine de BETHUNE aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het dierenleed bij vervoer over lange afstanden» (nr. 2-211)

van Mevrouw Iris VAN RIET aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het uitstippelen van een doeltreffende strategie voor de identificatie en de aanpak van stoffen waarvan vermoed wordt dat ze de hormoonhuishouding van mensen en in het wild levende dieren ontregelen» (nr. 2-212)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «de werking en de bevoegdheden van de Ombudsdienst Telecommunicatie en de protocolovereenkomsten die deze kan afsluiten» (nr. 2-213)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Eerste Minister, aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid, aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken en aan de Minister van Binnenlandse Zaken over «de mogelijkheid tot heroriëntering van de immigratiemogelijkheden» (nr. 2-214)

van Mevrouw Anne-Marie LIZIN aan de Minister van Binnenlandse Zaken over «de politiehervorming» (nr. 2-215)

van de heer Jacques SANTKIN aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «het dreigend gevaar voor het Distributiecentrum voor zegels van Jemelle» (nr. 2-216)

van de heer Jacques SANTKIN aan de Minister van Financiën over «het beginsel van de verhoudingsgewijze vermindering van de inkomsten die krachtens internationale overeenkomsten zijn vrijgesteld en de toepassing daarvan op de Belgische werknemers die in het Groothertogdom Luxemburg werken» (nr. 2-217)

- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 11 juli 2000 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot geleidelijke afschaffing van de aanvullende crisisbijdrage op de inkomsten van de natuurlijke personen (Gedr. St. 2-508/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Non-evocaties

Bij boodschappen van 11 juli 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de grenzen tussen de stad Waregem en de gemeente Wielsbeke (Gedr. St. 2-488/1).

Wetsontwerp tot wijziging van sommige wetten inzake de verkiezing van de provincie-, gemeente- en districtsraden en raden voor maatschappelijk welzijn, wat de verkiezingsuitgaven betreft (Gedr. St. 2-489/1).

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 6 juli 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van sommige bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de voogdij over minderjarigen (Gedr. St. 2-510/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsontwerp tot aanpassing van de terminologie van de vigerende wettelijke bepalingen van de gewijzigde Franse benaming aan de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Gedr. St. 2-513/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de federale Wetgevende Kamers en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (Gedr. St. 2-514/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van verscheidene wetsbepalingen inzake de voogdij over minderjarigen (Gedr. St. 2-509/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 7 juli 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 10 oktober 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 juli 2000.

Wetsontwerp tot invoering van het gebruik van telecommunicatiemiddelen en van de elektronische handtekening in de gerechtelijke en de buitengerechtelijke procedure (Gedr. St. 2-511/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 7 juli 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 10 oktober 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 juli 2000.

Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn met het oog op een wijziging van de Franse benaming van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (Gedr. St. 2-512/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 7 juli 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 10 oktober 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 juli 2000.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot geleidelijke afschaffing van de aanvullende crisisbijdrage op de inkomsten van de natuurlijke personen (Gedr. St. 2-508/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 7 juli 2000; de uiterste datum voor evocatie is vrijdag 14 juli 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 6 juli 2000.

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Brussel op 27 september 1999, bij de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Togo inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Brussel op 19 oktober 1984 (Gedr. St. 2-515/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Abidjan op 28 september 1999, bij de Scheepvaartovereenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Ivoorkust, ondertekend te Abidjan op 25 november 1977 (Gedr. St. 2-516/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de wisseling van brieven gedagtekend te Dakar op 10 maart en 16 november 1998 tot wijziging van de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Senegal inzake de handelsscheepvaart, gedaan te Dakar op 1 december 1982 (Gedr. St. 2-517/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol, tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Republiek Congo tot wijziging van de Scheepvaartovereenkomst tussen het Koninkrijk België en de Republiek Zaïre van 5 maart 1981, ondertekend te Kinshasa op 8 juni 1999 (Gedr. St. 2-518/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, gedaan te Bamako op 7 oktober 1998, bij het Akkoord tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Republiek Mali inzake de handelsscheepvaart, ondertekend te Bamako op 7 augustus 1984 (Gedr. St. 2-519/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met het Akkoord tussen de regering van het Koninkrijk België en de Zwitserse Bondsraad inzake samenwerking bij de aanwending van kernenergie voor vredelievende doeleinden en de Uitwisseling van brieven, ondertekend te Bern op 3 juli 1992 (Gedr. St. 2-520/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van :

- het arrest nr. 84/2000, uitgesproken op 5 juli 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 277 van het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 13 juli 1994 betreffende de hogescholen in de Vlaamse Gemeenschap, gesteld door de Raad van State (rolnummer1636);

- het arrest nr. 85/2000, uitgesproken op 5 juli 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 14 van de wet van 3 juli 1967 betreffende de schadevergoeding voor arbeidsongevallen, voor ongevallen op de weg naar en van het werk en voor beroepsziekten in de overheidssector, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Brussel (rolnummer 1690);

- het arrest nr. 86/2000, uitgesproken op 5 juli 2000, inzake de beroepen tot vernietiging van de artikelen 63 tot 68, 84 tot 91 en 202 van het Vlaamse decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, ingediend door P. Snoy, M.-N. Orban, J. De Backer, P. Nys en M. Nys, F. Kamp en de Beroepsvereniging van de Vastgoedsector (rolnummers 1700, 1701, 1703, 1710, 1725 en 1832, samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 87/2000, uitgesproken op 5 juli 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de wet van 15 december 1998 tot wijziging van de wet van 19 december 1974 tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakbonden van haar personeel en van de wet van 1 september 1980 betreffende de toekenning en de uitbetaling van een vakbondspremie aan sommige personeelsleden van de overheidssector en aan de in die sector tewerkgestelde werklozen, ingesteld door de Algemene Centrale der Openbare Diensten (rolnummer 1717).

- Voor kennisgeving aangenomen.