3-70

3-70

Belgische Senaat

3-70

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 8 JULI 2004 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Onderzoek van de geloofsbrieven, installatie en eedaflegging van nieuwe leden

Samenstelling van het Bureau

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het strafregister van de pedofielen» (nr. 3-350)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de zaak Fourniret» (nr. 3-349)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik, aangenomen te Genève op 21 mei 2003 (Stuk 3-681)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Stemmingen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de basisbankdienst» (nr. 3-342)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de naleving van zijn verbintenissen omtrent de lange duur van de asielprocedures» (nr. 3-338)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van individuele loonfiches voor personeelsleden van de vroegere gemeentepolitie» (nr. 3-347)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het rapport naar de leefomstandigheden van vreemdelingen in de Belgische gevangenissen» (nr. 3-337)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de benoeming van bijkomende politierechters te Leuven» (nr. 3-339)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over «de controle op internationale busdiensten» (nr. 3-340)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Werk en Pensioenen over «de cumulatie tussen een overlevingspensioen en een inkomen uit arbeid» (nr. 3-331)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Financiën over «de gevolgen van het arrest van het Arbitragehof dat de retroactieve belasting liquidatieboni vernietigt» (nr. 3-327)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de verwerping door het Hof van Justitie van de Belgische belasting op de verkoop van een aanmerkelijk belang» (nr. 3-336)

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de wet op de medische experimenten» (nr. 3-341)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de hervatting van de Europese ontwikkelingssamenwerking met Togo» (nr. 3-343)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Onderzoek van de geloofsbrieven, installatie en eedaflegging van nieuwe leden

De voorzitter. - Aan de orde is het onderzoek van de geloofsbrieven van senatoren opvolgers die in aanmerking komen om het mandaat te voltooien van leden die ontslagnemend zijn.

Het Bureau is zopas bijeengekomen om de geloofsbrieven van de opvolgers te onderzoeken.

Ik stel voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

De heer Paul Wille (VLD), rapporteur. - Overeenkomstig artikel 235 van het Kieswetboek is het Bureau overgegaan tot een aanvullend onderzoek van de geloofsbrieven van:

Het Bureau heeft vastgesteld dat deze opvolgers nog steeds aan de verkiesbaarheidsvereisten, opgelegd door de Grondwet, voldoen.

Bijgevolg heeft het Bureau de eer u voor te stellen, mevrouw Nele Jansegers, de heer Joannes Steverlynck en mevrouw Stéphanie Anseeuw als rechtstreeks verkozen senatoren toe te laten.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen.

-Mevrouw Nele Jansegers, de heer Joannes Steverlynck en mevrouw Stéphanie Anseeuw leggen de grondwettelijke eed af in het Nederlands.

De voorzitter. - Ik geef deze leden akte van hun eedaflegging en verklaar hen aangesteld in hun functie van senator. (Algemeen applaus)

Aan de orde is het onderzoek van senatoren aangewezen door het Parlement van de Franse Gemeenschap en van een senator aangewezen door het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH), rapporteur. - Het Bureau heeft vastgesteld dat ingevolge de vernieuwing van het Vlaams Parlement vijf mandaten van gemeenschapssenator vacant zijn geworden. Het betreft de mandaten van:

Ingevolge de vernieuwing van het Parlement van de Franse Gemeenschap zijn drie mandaten vacant geworden. Het betreft de mandaten van:

Daarenboven heeft de heer René Thissen van de CDH-fractie bij brief van 6 juli 2004 verzaakt aan zijn mandaat van gemeenschapssenator.

Het Bureau heeft kennis genomen van de lijsten die door de voorzitter van het Parlement van de Franse Gemeenschap aan de griffier van de Senaat werden overgezonden met toepassing van artikel 211, §4 en §7, van het Kieswetboek, teneinde te voorzien in de vervanging van deze vier senatoren.

Werden aangewezen door en uit het Parlement van de Franse Gemeenschap:

Het Bureau heeft vastgesteld dat het aantal senatoren dat werd voor elk van de fracties werd aangewezen, overeenstemt met het aantal vacante mandaten.

Voorts heeft het Bureau kennis genomen van de brief die de voorzitter van het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap op 6 juli jl. heeft gezonden aan de griffier van de Senaat waarin hij kennis geeft van de aanwijzing, door dit Parlement, van de heer Bernard Collas als gemeenschapssenator.

Het Bureau acht het overbodig de geloofsbrieven van de aangewezen gemeenschapssenatoren te onderzoeken aangezien dit onderzoek reeds door de respectieve parlementen is verricht.

Het Bureau heeft derhalve de eer de personen die door de gemeenschapsparlementen zijn aangewezen, als leden van de Senaat toe te laten.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen.

-De heren Alain Destexhe en Marcel Cheron en mevrouw Joëlle Kapompolé leggen de grondwettelijke eed af in het Frans en het Nederlands, de heer Francis Delpérée legt de grondwettelijke eed af in het Frans, de heer Bernard Collas legt de grondwettelijke eed af in het Duits, het Frans en het Nederlands.

De voorzitter. - Ik geef deze leden akte van hun eedaflegging en verklaar hen aangesteld in hun functie van senator.

Ich bestätige diesen Mitgliedern ihre Eidesleistung und erkläre Sie zu ihrem Amt eingesetzt.

(Algemeen applaus)

Bij de Senaat zijn de dossiers aanhangig van mevrouw Fauzaya Talhaoui die mevrouw Caroline Gennez vervangt als gecoöpteerd senator en van de heer Jacques Brotchi die mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton vervangt, eveneens als gecoöpteerd senator.

Het Bureau is overgegaan tot het onderzoek van de geloofsbrieven van mevrouw Talhaoui en de heer Brotchi.

Ik stel u voor onmiddellijk het verslag van het Bureau te horen. (Instemming)

De heer Paul Wille (VLD), rapporteur. - Het Bureau heeft kennis genomen van de aanwijzingen door de SP.A-SPIRIT-fractie teneinde te voorzien in de vervanging van mevrouw Caroline Gennez die op 6 juli jl. de eed heeft afgelegd als lid van het Vlaams Parlement en door de MR-fractie ter vervanging van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton, die heeft verzaakt aan haar mandaat van gecoöpteerd senator.

De SP.A-SPIRIT-fractie heeft mevrouw Fauzaya Talhaoui aangewezen.

De MR fractie heeft de heer Jacques Brotchi aangewezen.

Het Bureau heeft vastgesteld dat de lijsten voorgeschreven door artikel 220, §3, van het kieswetboek, ondertekend zijn door de meerderheid van de rechtstreeks verkozen senatoren en de gemeenschapssenatoren van de betrokken fracties.

Bovendien hebben de gekozenen bewezen dat ze de door de Grondwet gestelde voorwaarden inzake verkiesbaarheid vervullen.

Het Bureau heeft dan ook de eer u eenparig voor te stellen, mevrouw Fauzaya Talhaoui en de heer Jacques Brotchi toe te laten als leden van de Senaat.

-De besluiten van het verslag worden aangenomen.

-Mevrouw Fauzaya Talhaoui legt de grondwettelijke eed af in het Nederlands, de heer Jacques Brotchi legt de grondwettelijke eed af in het Frans en het Nederlands.

De voorzitter. - Ik geef mevrouw Fauzaya Talhaoui en de heer Jacques Brotchi akte van hun eedaflegging en verklaar hen aangesteld in hun functie van senator. (Algemeen applaus)

Elk van u, van de drie categorieën senatoren die werden geïnstalleerd, feliciteer ik van harte en ik wens u een zeer interessant mandaat toe.

(Algemeen applaus)

Samenstelling van het Bureau

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend om de heer Joris Van Hauthem als derde ondervoorzitter van de Senaat te vervangen door de heer Jurgen Ceder. (Instemming)

Dan verklaar ik de heer Jurgen Ceder verkozen tot derde ondervoorzitter van de Senaat.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Nathalie de T' Serclaes aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het ontwerp van nationaal actieplan voor kinderen» (nr. 3-386)

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Op 9 juni 2004 heeft de Ministerraad akte genomen van het ontwerp van Nationaal actieplan inzake kinderen. De op de ronde tafel van 6 mei geformuleerde opmerkingen werden overgezonden aan de verschillende regeringen die bij deze materie betrokken zijn. Er kunnen dus nog wijzigingen worden aangenomen.

Wanneer zal dit actieplan, dat ons tegen eind juni beloofd was, klaar zijn?

Zal dat actieplan aan de Senaat worden voorgelegd?

Hoe ziet de minister de overeenstemming van dit nationaal actieplan met de wet van 4 september 2002, die bepaalt dat de regering ieder jaar bij de federale kamers een verslag moet indienen over de toepassing van de bepalingen van het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind?

Ik hoop dat we vooruitgang kunnen boeken in dit dossier al enige tijd hangende is.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Sommige leden van de werkgroep waren niet alleen bijzonder bezorgd over de inhoud van het plan, maar ook over het evenwicht tussen de verschillende bijdragen. Het was dus opportuun dat de Ministerraad akte nam van het geleverde werk.

Dezelfde inspanning wordt nu gevraagd aan de Gemeenschappen en de Gewesten. De werkzaamheden van de werkgroep zullen in de loop van september worden hervat. Er zal ook rekening worden gehouden met de op de ronde tafel van 6 mei geformuleerde adviezen. De werkgroep heeft medegedeeld dat ze het actieplan tegen eind 2005 wil afronden.

De wet van 4 september 2002 heeft alleen betrekking op het federaal actieplan. Dat plan zal niet letterlijk worden overgenomen in het nationaal actieplan aangezien de doelstelling van dat laatste erin bestaat een gemeenschappelijk en met de Gemeenschappen en de Gewesten overlegd plan op te stellen. Ik zal ook het nationaal actieplan mededelen aan de Senaat.

Ten slotte is het belangrijk dat er terzake onderzoeks- en evaluatiemechanismen bestaan. We moeten nagaan hoe die zo harmonieus mogelijk op elkaar kunnen worden afgestemd, vooral om te voorkomen dat operatoren op het terrein voortdurend bezig zijn met evaluatie. Voor de Franse Gemeenschap moet om de drie jaar een verslag worden opgesteld, voor de Vlaamse Gemeenschap en het federale niveau jaarlijks en voor het Comité van Genève om de vijf jaar.

Volgens mij kan de Nationale Commissie voor de rechten van het kind, die vertegenwoordigers telt van de federale overheid en van de deelgebieden terzake nuttig denkwerk verrichten.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Het spreekt voor zich dat het er niet op aankomt voortdurend verslagen en actieplannen op te stellen. Er moet vooral vooruitgang worden geboekt.

In de vorige zittingsperiode werden in de Senaat vier wetsvoorstellen aangenomen op initiatief van de werkgroep inzake de rechten van het kind. Ze werden van verval ontheven en zijn nog steeds hangende in de senaatscommissie voor de Justitie. Ze hebben betrekking op het verhoor van kinderen, op de advocaten van minderjarigen en op de bedelarij, alsook op concrete acties uit het actieplan waarin bepaald werd dat de regering een aantal punten van die problematiek zal verwezenlijken. De parlementsleden hebben in die dossiers hun verantwoordelijkheid op zich genomen.

Mevrouw de vice-eerste minister, ik zou graag hebben dat u de debatten over die wetsontwerpen in de kamercommissie voor de Justitie bespoedigt. Ik vind dat het tijd is om die voorstellen af te ronden. Op het terrein is er vraag naar en ze verdienen het dat er vooruitgang wordt geboekt.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «jeugdcriminaliteit» (nr. 3-394)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - De voorbije twee jaar steeg het aantal zaken voor de jeugdrechter in bepaalde arrondissementen met dertig procent.

In het arrondissement Tongeren bijvoorbeeld waren er in 2001 195 nieuwe zaken aangaande strafbare feiten gepleegd door minderjarigen. In 2003, dus twee jaar later, liep het aantal nieuwe protectionele zaken op tot maar liefst 234. In het arrondissement Hasselt steeg dat aantal van 197 tot 290.

Naast de dikwijls lakse houding van ouders in de opvoeding van hun kinderen, ligt het stijgende aantal drugsexperimenten op jonge leeftijd deels aan de basis van die strafbare feiten. Uiteindelijk worden vele onopgevoede kinderen kind aan huis bij de jeugdrechtbank en later zelfs bij de correctionele rechtbanken.

Volgens het regeerakkoord zou de wet op de jeugdbescherming van 1965 gemoderniseerd worden om jongeren beter te beschermen en om meer kansen en hulp aan jongeren te bieden om zich in te passen in onze veeleisende samenleving.

Daarnaast zou het nieuwe jeugdrecht voorzien in de bestraffing van delinquente jongeren voor wie dit het enige middel is om de maatschappij tegen hun criminele activiteiten te beveiligen.

Wanneer kunnen we het nieuwe jeugdsanctierecht verwachten?

Op het niveau van het parket zouden alvorens eventuele vervolgingen tegen een minderjarige worden ingesteld, de minderjarige en zijn wettelijke verantwoordelijke door de procureur worden opgeroepen om hen op hun wettelijke verplichtingen te wijzen. Daarbij zou de mogelijkheid van bemiddeling worden ingevoerd. Hoe ver staat het daarmee?

De uithandengeving vanaf 16 jaar voor jeugdige delinquenten zou volgens het regeerakkoord uitgebreid worden. Is dat reeds beslist? Zo niet, wat is de reden daarvoor?

De zogenaamde Everberg-wet zou wegens voormelde aanpassingen worden gewijzigd. Waarom is dat tot op heden nog niet gebeurd?

Volgens het regeerakkoord zou de regering snel een wetsontwerp laten goedkeuren dat personen strafbaar stelt die minderjarigen misbruiken om strafbare feiten te plegen. Waar blijft dat wetsontwerp en waarom is er zo'n grote vertraging?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Alvorens een wetsontwerp in de Kamer kan worden ingediend, moet het een heel traject doorlopen. Na het officiële overleg met de bevoegde gemeenschaps- en gewestregeringen wordt het aan de Raad van State voorgelegd. Pas na advies van de Raad kan ik het wetsontwerp voorleggen aan het parlement. Over de duur van de behandeling in het parlement kan ik me niet uitspreken.

Niets belet het parket om onmiddellijk een vervolging tegen de minderjarige in te stellen. Dat is vandaag al mogelijk. Er wordt op het niveau van het parket ook al bemiddeling toegepast. Mijn ontwerp is erop gericht een wettelijke grondslag te verlenen aan die bemiddeling, evenals aan het herstelgerichte groepsoverleg. Op die manier zullen de praktijken kunnen worden veralgemeend en geüniformeerd binnen alle parketten. De timing hangt eveneens af van het parlement.

Ook het ontwerp tot hervorming van de procedure tot uithandengeving moet de parlementaire weg volgen. Te gepasten tijde zullen wijzigingen aan de Everberg-wet kunnen worden aangebracht, die rekening houden met de hervormingen.

De voorgenomen wijziging van de wet die personen strafbaar stelt die minderjarigen aanzetten tot het plegen van strafbare feiten, is opgenomen in een voorontwerp van wet tot verruiming van de strafrechtelijke bescherming van de minderjarigen. Dat voorontwerp is goedgekeurd door de ministerraad van 7 mei 2004. Ik wens dat te koppelen aan een ander belangrijk wetsontwerp in dit verband, met name het voorontwerp van wet inzake mensenhandel. Het voorontwerp van wet komt morgen op de ministerraad. Nadat het is goedgekeurd, zal ik beide wetsontwerpen, na advies van de Raad van State, indienen in het parlement.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - Het verheugt me dat op de ministerraad van 7 mei 2004 reeds een voorontwerp is goedgekeurd over het misbruik van minderjarigen voor het plegen van strafbare feiten.

De koppeling van dat wetsontwerp aan het voorontwerp betreffende mensenhandel is natuurlijk goed, maar ik hoop dat daardoor de zaken niet al te zeer worden vertraagd. Gelukkig is er morgen al een ministerraad.

Wij zijn ongeduldig om het jeugdsanctierecht in het parlement te behandelen. Het ontwerp moet dan wel eerst in het parlement worden ingediend. Ik vraag me af of het regeerakkoord tijdig wordt uitgevoerd. De ministerraad zegt dat de Everberg-wet `te gepasten tijde' kan worden gewijzigd. Wat houdt dat in? Een vierde van de tijd waarin het regeerakkoord moet worden uitgevoerd is al verstreken. Ik hoop dat de wijziging er komt vóór de regeertermijn volledig is verstreken.

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-José Laloy aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de Westelijke Sahara na het ontslag van VN-vertegenwoordiger James Baker» (nr. 3-388)

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Het ontslag van de speciale gezant voor de Westelijke Sahara, de heer James Baker, op 11 juni, biedt de gelegenheid de balans op te maken van een dertig jaar oud conflict dat nog door geen enkel plan uit de impasse kon worden gehaald. Die situatie verstoort de relaties tussen Algerije en Marokko, wier gemeenschappelijke grens sedert 1994 gesloten is. Ze weegt ook op de interne politieke democratisering van beide landen. Meer in het algemeen belemmert ze de noodzakelijk regionale integratie, die de basis vormt van het Euro-Mediterrane partnerschap dat vooral bestemd is voor de economische ontwikkeling van de Maghreb. Als we die crisishaard uit een situatie halen waarbij altijd één partij verliest, zou misschien een voor iedereen aanvaardbare oplossing kunnen worden gevonden.

Wat denkt de minister over het ontslag van de heer Baker?

Beïnvloedt zijn vertrek de uitvoering van een scenario waarbij van de Westelijke Sahara een autonoom gebied van Marokko wordt gemaakt voor een periode van vijf jaar, waarna een referendum zou worden gehouden over zelfbeschikking?

Of moet het VN-plan worden herzien als gevolg van het mislukken van de opdracht van de heer Baker na zeven jaar?

Kan het Marokkaanse voorstel om rechtstreeks met Algerije te onderhandelen tot een politieke regeling leiden?

Welke bijdrage kan België leveren bij het zoeken naar een duurzame oplossing die de verzuchtingen van het Saharaanse volk respecteert en de deuren opent voor een betere toekomst van het Maghrebijnse volk?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Het probleem van de Westelijke Sahara is bijzonder delicaat en zeer frustrerend. Het is bijzonder frustrerend omdat vrienden van België, bondgenoten en partners binnen de Europese Unie tegenover elkaar staan. Het zorgt voor verdeeldheid, ook in de Belgische politiek, waar voorstanders te vinden zijn van de beide tegenovergestelde strekkingen. Het is ook frustrerend omdat we soms de indruk krijgen dat er geen vooruitgang komt. We hebben de indruk dat middelen verspild worden voor diplomatieke initiatieven van de EU en de VN en voor de aanwezigheid van de VN-vredesmacht MINURSO gedurende al die jaren.

Toch is het niet waar dat er geen vooruitgang komt in het dossier. Vrij recent heeft het Polisario de jongste versie van het `Baker-plan' aanvaard. Er is vooruitgang geboekt op humanitair vlak, inzonderheid met de vrijlating van honderden Marokkaanse gevangenen de jongste maanden en de vertrouwensmaatregelen waardoor opnieuw contact mogelijk is tussen Saharaanse families die al meer dan twintig jaar gescheiden zijn.

Het is voor niemand een geheim dat de speciale gezant van de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, de heer James Baker, is weggegaan met een gevoel van ontmoediging en frustratie omdat zijn voorstellen werden geblokkeerd. Zijn opvolger, de heer Alvaro de Soto, heeft onmiddellijk verklaard dat de VN het `Baker-plan' behoudt als basis om te zoeken naar een vreedzame oplossing van het conflict.

In België is men ook van mening dat in het kader van die opdracht een vreedzame oplossing moet worden gevonden die in overeenstemming is met het internationale recht en voor alle bij het conflict betrokken partijen aanvaardbaar is.

Zo verheugt het ons dat de relaties tussen Marokko en Algerije weer wat hartelijker worden. Dat moet vooruitgang mogelijk maken in het zoeken naar een oplossing van het conflict, maar het opent ook perspectieven voor de zuid-zuid-ontwikkeling, die wordt nagestreefd in het proces van Barcelona en het Agadir-akkoord. Die toenadering is een noodzakelijke voorwaarde voor het zoeken naar een oplossing voor het conflict, maar is wellicht niet voldoende. Er moet een resultaat worden gevonden dat ook voor het Polisario aanvaardbaar is.

De bijdrage van België bestaat in bemiddeling tussen de partijen. In mijn departement worden geregeld de verschillende protagonisten ontvangen. België draagt ook bij op het humanitaire vlak, meer bepaald via voedselhulp aan de vluchtelingen van de Saharaanse kampen in Algerije.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken over «de mogelijke ontbinding van een aantal NGO's in Rwanda» (nr. 3-389)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Een Rwandese parlementscommissie heeft in het raam van een onderzoek naar de verspreiding van de `genocidaire ideologie' een aantal aanbevelingen geformuleerd waaronder een verbod op het Forum des organisations rurales (FOR) en op de grootste onafhankelijke Rwandese mensenrechtenorganisatie, Liprodhor, die financieel gesteund wordt door onder andere België, de EU, en Nederland. Bovendien dreigen verschillende leden van deze NGO's vervolgd en veroordeeld te worden. Ook internationale NGO's waaronder 11.11.11. en Pax Christi, die Rwandese NGO's financieel ondersteunen, dreigen gestraft te worden.

Deze aanbevelingen zijn duidelijk gestuurd door de uitvoerende macht en misbruiken andermaal de wrede genocide van 1994 om onafhankelijke organisaties de mond te snoeren. Hierdoor dreigt het land te verglijden in een dictatoriale macht waarbij het respect voor vrije meningsuiting, voor de democratische beginselen en voor de mensenrechten dode letter wordt. De internationale gemeenschap mag dit niet meer aanvaarden en moet een krachtig signaal geven dat deze aanbevelingen onaanvaardbaar zijn.

Van de minister had ik graag vernomen of hij reeds bilateraal of multilateraal overleg heeft gepleegd met de Rwandese overheid omtrent het mogelijke verbod van voornoemde NGO's? Zo ja, welk signaal heeft hij dan gegeven?

Wat zou, rekening houdend met de door het Belgische parlement goedgekeurde aanbevelingen over Rwanda, het gevolg zijn van een verbod op die organisaties voor de relatie tussen België en Rwanda?

Zal België bereid zijn om in overleg met de andere donoren alle hulp op te schorten bij gebrek aan respect voor de mensenrechten en voor de democratische beginselen?

Zal de minister erop toezien dat de veiligheid van de leden van de bedreigde Rwandese NGO's gewaarborgd wordt?

Wat is volgens de minister het gevolg van deze aanbevelingen voor de rol van het maatschappelijke middenveld en de internationale NGO's in Rwanda?

Ik stel die vragen omdat ik zeer bezorgd ben over de conclusies van de bevoegde Rwandese Parlementscommissie. Misschien beschikt de minister over informatie die mijn bronnen tegenspreken?

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik overweeg deze problematiek aan te kaarten bij mijn Rwandese collega in de marge van de regionale top die ik op 11 juli in Brussel organiseer om de CEPGL te reactiveren.

Ik heb het hierover trouwens al met mijn collega gehad en ik zal opnieuw bij hem aandringen.

We moeten de politieke dialoog voortzetten: het is de enige weg voor de verdere democratisering na de verkiezingen in Rwanda. Een en ander neemt niet weg dat wij uiting zullen geven aan onze bezorgdheid over de beperking van de bewegingsruimte van de niet-gouvernementele actoren en over de negatieve gevolgen van een mogelijk verbod van die NGO's voor de inspanningen tot nationale verzoening.

Ik blijf nauw overleg plegen met andere donoren, in het bijzonder met Nederland, en met andere partners in Europees verband. Zolang het rapport van de Senaat niet klaar is en de regering van Rwanda nog niet heeft bepaald welk gevolg zij eraan zal geven, is het niet opportuun om een definitief standpunt in te nemen.

Ik blijf de individuele gevallen van de bedreigde Rwandese NGO's en de veiligheid van hun medewerkers op de voet volgen en zal hen eventueel de gepaste steun bieden, zonder daarbij uit het oog te verliezen welk gevolg uiteindelijk aan het rapport zal worden gegeven.

Ik betreur dat dit rapport, hoewel het zich nog in een preliminair stadium bevindt, de rol van het maatschappelijke middenveld en van de internationale NGO's op vrij ernstige wijze verder aantast, precies nu dit maatschappelijke middenveld in de buurlanden aan betekenis wint en een groeiende rol speelt in de vredes- en de overgangsprocessen. Zij spelen overigens niet alleen een rol in de eigen nationale structuren, maar ook in de voorbereiding van de Internationale Conferentie voor de Grote Meren, die eind dit jaar of begin volgend jaar wordt georganiseerd.

Zondag zal ik dus zeer sterk aandringen, want ik deel uw mening over die zaak. Mocht de houding van de regering negatief zijn en mocht zij de bewegingsruimte voor het middenveld willen beperken, dan is het niet uitgesloten dat ik maatregelen zal voorstellen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Vandaag schenkt het mij zeker voldoening; wij zitten op dezelfde golflengte. Ik kan hem slechts aanmoedigen om de zaak op de voet te volgen en om duidelijke signalen te geven aan wie ze moet ontvangen. Ook formeel kunnen wij ons volste vertrouwen hebben in de integriteit van de bedreigde NGO's.

Mondelinge vraag van mevrouw Isabelle Durant aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «de beslissingen met betrekking tot de NMBS en de effecten daarvan op de feitelijke regionalisering van de spoorwegen» (nr. 3-397)

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Het overlegcomité Staat-Gewesten heeft een aantal beslissingen genomen met betrekking tot de NMBS die op de Ministerraad in Oostende werden bevestigd.

Momenteel zijn de onderhandelingen over de vorming van de gewestregeringen bezig. Uw antwoord is van belang voor de inhoud van die regeerakkoorden en de budgettaire implicaties ervan.

Het is mijn overtuiging dat deze regering, aan de hand van beslissingen die genomen worden op de ministerraad, en niet in het ruime institutionele forum, geleidelijk de NMBS aan het regionaliseren is. Dat blijkt onder meer uit de recente beslissing om de NMBS op te splitsen in twee aparte vennootschappen; de overkoepelende holding verandert daar niets aan.

Mijn vraag gaat over verschillende beslissingen die in Oostende werden genomen. Allereerst is er de bestelling van rollend materieel voor het GEN. In het investeringsplan 2004-2007 werd in kredieten voorzien ten belope van 103,2 miljoen en de ministerraad van Oostende heeft bevestigd dat de NMBS geen enkel engagement zal nemen met betrekking tot deze aankoop zolang er geen beslissing is over het exploitatietekort dat voortvloeit uit het nieuwe GEN-aanbod. Wat is de stand van zaken?

Ik ben er altijd van uitgegaan dat dit exploitatietekort ten laste van het federale niveau moet komen, aangezien de NMBS een federale materie is. Dat was ook het uitgangspunt van eerder gesloten akkoorden.

In Oostende werd beslist dat de manier waarop dat tekort moet worden gefinancierd, in het nieuwe beheerscontract van de NMBS moet worden opgenomen. Iedereen wist dat het huidige beheerscontract eind 2001 verviel. Er werd onderhandeld over een nieuw contract, maar in 2003 werd de afronding ervan uitgesteld omdat eerst met de representatieve werknemersorganisaties een ondernemingsplan moest worden uitgewerkt. Dat plan is intussen aangenomen en ik vraag me af hoever het nu staat met het beheerscontract.

Een vol jaar is verstreken en blijkbaar wordt het exploitatietekort nu gekoppeld aan dat beheerscontract. Is het ontbreken van een beheerscontract een antwoord op de eisen van de toekomstige Vlaamse regeringscoalitie? Die wil het treinverkeer laten uitbaten door De Lijn. Moet er een verband gezien worden tussen het ontbreken van een beheerscontract van een federaal overheidsbedrijf en de Vlaamse eisen die klaarblijkelijk vaste vorm zullen krijgen in het Vlaamse regeerakkoord?

Wat de prefinanciering van sommige werkzaamheden door de gewesten betreft, die strikt omschreven is in het samenwerkingsakkoord, was bepaald dat de minister in de loop van mei 2004 aan het overlegcomité richtlijnen zou geven voor de organisatie van de aanbestedingen. Tot op heden is nog geen enkel concreet voorstel gedaan over de prefinanciering, met uitzondering van de `diabolo'-spoorverbindingen, waarvoor een ingewikkelde financiële constructie werd opgezet, zodat daar geen tijd wordt verloren.

Wat de integratie betreft van de HST-, Thalys- en ICE-dienstverlening in de openbare dienst, waartoe in een recente programmawet werd beslist, schijnt er helemaal geen vooruitgang te zijn. Men zou zelfs al bezig zijn met de afschaffing van de Thalysverbindingen langs de Waalse as. Wat is de ware toedracht? Gaat het niet om een openbare dienst?

Ik zal uw antwoorden naast de regeerakkoorden leggen alsook naast het programma van het institutionele forum, zodra ze bekend zullen zijn. Dan zal ik de puzzel van de regionalisering van het spoor kunnen reconstrueren met alle stukjes uit de beslissingen van de ministerraad, de regeerakkoorden van de deelgebieden en de laattijdige toepassing of de niet-toepassing van federale beslissingen.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - In het oude Rome beëindigde Cato al zijn toespraken met het besluit dat Carthago moest vernietigd worden.

Mevrouw Durant besluit al haar vragen met de overtuiging dat alle beslissingen die we nemen, leiden tot de regionalisering van het spoor. Deze obsessie strookt niet noodzakelijk met de waarheid.

Met betrekking tot de financiering van het GEN heeft de Ministerraad van 20 maart jongstleden beslist het exploitatietekort dat voortvloeit uit de realisatie van de eerste fase van het GEN op zich te nemen. Daarvoor wordt in 2007 en 2008 negen miljoen euro uitgetrokken, in 2009 is dat 31,5 miljoen en in 2010 45, 5 miljoen.

Die bedragen dekken niet alleen de personeels-, energie- en onderhoudskosten maar ook de financiering van de aankoop van treinstellen voor het GEN. Dat verklaart de aanzienlijke stijging vanaf 2009.

De bestekken voor de aankoop van het materieel voor het GEN zijn bijna klaar. De bestellingen zouden in mei 2005 moeten worden geplaatst. De eerste leveringen kunnen vanaf begin 2008 gebeuren en de eerste fase die door de regering is goedgekeurd zou, zoals voorzien, eind 2008 operationeel kunnen zijn.

Aan het tijdschema voor de aankoop van het materieel wordt niet geraakt en de werkgroepen die zich daarmee bezighouden werken goed voort. Het is een technische aangelegenheid en de regering heeft beslist om zoveel mogelijk met het bestaande rollend materieel verder te werken om tijd te winnen en kosten te besparen.

Nieuwe beheerscontracten zullen worden uitgewerkt in het kader van de omvorming van de NMBS tot een holdingmaatschappij, wat met regionalisering niets te maken heeft. Het lijkt me logisch om tegen 2006 per eenheid te beschikken over duidelijke beheerscontracten, zowel wat het beheer van de schuld, van de infrastructuur als van het vervoer betreft.

De prefinanciering wordt sedert begin april onderzocht, zowel aan Vlaamse zijde - de Liefkenshoektunnel - als aan Waalse zijde. De gewestregeringen hebben ons eind april of begin mei hun definitieve dossiers toegestuurd. In de loop van volgende week vindt daarover een vergadering plaats.

Rekening houdend met de gewijzigde regels voor prefinanciering, zullen we moeten onderzoeken wat de meest aangepaste formule is.

Ook al stellen de NMBS-ambtenaren deze manier van werken niet altijd op prijs, toch zal ik doorgaan op de ingeslagen weg. Ik ben ervan overtuigd dat de twee dossiers binnen de door de regering vastgestelde termijnen zullen worden afgewerkt.

Het gaat uiteraard niet om eenvoudige constructies. Dexia heeft een studie uitgevoerd met betrekking tot het spoor, een andere groep onderzocht de plannen voor de Liefkenshoektunnel. We willen niet overhaast te werk gaan om later niet te moeten horen zeggen dat de beslissingen onvoldoende voorbereid waren.

De uitbreiding van de openbare dienst tot de interne HST-dienstverlening staat in de programmawet. Men moet evenwel rekening houden met de studie over het tekort. De NMBS heeft ons daarover een eerste verslag toegestuurd. Via arbitrage moet nog het bedrag worden vastgesteld van het tekort dat de regering voor haar rekening moet nemen, conform de beslissing van 20 maart jongstleden. Dat is iets anders dan de geruchten waarop uw vraag steunde. De Geruchten mag dan wel een hoogstaand werk zijn van een groot Vlaams schrijver, maar geruchten kunnen in geen geval doorgaan voor akten van de regering.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Wars van geruchten en obsessies, neem ik akte van de bevestiging van een aantal beslissingen. Toch blijf ik bekommerd: ik huiver alleen al bij de gedachte aan een wijziging van de SEC-regels, want ik weet wat dat betekent. In het verslag van de Hoge Raad voor Financiën zien de budgettaire vooruitzichten er somber uit. Wat Thalys betreft, en rekening houdend met de moeilijkheden die de regering zal ondervinden bij het opstellen van de begroting voor 2005 en de daaropvolgende jaren, vraag ik mij af in hoever de federale regering die verbintenis zal kunnen nakomen. Nochtans is dit voor Wallonië zeer belangrijk, vooral wat de Thalys-dienstverlening op de Waalse as betreft.

De minister had het ook over de nieuwe beheerscontracten per eenheid. Wat hij ook mag beweren, hij bevestigt wat ik al dacht, namelijk dat we aparte beheerscontracten zullen krijgen voor de infrastructuur, voor de exploitatie en voor de schuld. Het is een manier om een gedifferentieerde exploitatie of een gedifferentieerd beheer van het spoor in de drie gewesten mogelijk te maken. En dat vreesde ik al.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het strafregister van de pedofielen» (nr. 3-350)

De voorzitter. - Aangezien mevrouw Lizin de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging moet voorzitten geef ik haar nu het woord voor haar vraag om uitleg.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Het strafregister is een taak voor de administratieve politie. De gemeenten hebben het in jaren bijna niet meer aangepast en het drama dat onlangs aan het licht kwam geeft aan hoe beperkt het is. Het is niet te geloven, maar blijkbaar worden niet altijd de juiste vragen gesteld. In het geval waarop ik alludeer gaat het om een persoon met de Franse nationaliteit, maar elke man die zich alleen en zonder bepaalde reden in een stad wil vestigen kan voor onderzoek in aanmerking komen.

Hoe kan het strafregister worden aangevuld zonder in achterdocht te vervallen? De affaire doet alleszins heel wat vragen rijzen. Is het denkbaar dat wordt gevraagd om bij de domiciliëring een uittreksel van het strafregister voor te leggen? Zou een dergelijke maatregel niet discriminerend zijn tegenover bepaalde Europeanen of niet-Europeanen?

Hoe denken de ministers het strafregister aan te passen om tegemoet te komen aan de onrust onder de bevolking?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik zal het theoretische kader toelichten en niet ingaan op het dossier-Fourniret.

Onderdanen van niet-EU-landen moeten reeds een uittreksel van het strafregister van hun land van herkomst kunnen voorleggen, of ze nu om een verblijfsvergunning vragen in het kader van gezinshereniging, voor werk of om studies te volgen. Met dat document kan worden nagegaan of de betrokkene een gevaar vormt voor de openbare orde of de nationale veiligheid.

De Europese Commissie staat niet toe EU-onderdanen systematisch om een uittreksel van het strafregister te vragen. De Commissie is van oordeel dat dit document niet behoort tot de documenten die krachtens de Europese richtlijnen inzake het vrije verkeer van personen zijn vereist. Ze verwijst hierbij naar richtlijn 64/221 van 25 februari 1964 die stelt dat de Belgische overheid contact moet opnemen met de overheden van het land van herkomst indien gerede twijfel bestaat dat de openbare orde in gevaar is. Alleen in geval van gerede twijfel kan een uittreksel van het strafregister worden gevraagd, niet aan de betrokkene, maar aan de overheden van het land van herkomst.

We streven altijd naar een evenwicht tussen een efficiënt veiligheidsbeleid voor alle burgers en het respect voor de individuele rechten en vrijheden. De invoering van een Europees strafregister, zoals was voorzien in Tampere, lijkt me dringend noodzakelijk. De Europese Commissie moet tegen december 2004 een voorstel van richtlijn doen. Ik heb contact gehad met het Nederlandse Voorzitterschap en ik heb collega's daarover gesproken. Ik zal op de Europese raad van 19 juli erop toezien dat de termijnen die in Tampere werden vastgelegd, worden nageleefd. Het probleem is complex. De informatie die in het Europese strafregister wordt opgenomen, moet worden gestandaardiseerd. Het lijkt me ook wenselijk na te denken over een gelijkvormige toegang tot het Europese strafregister en over de procedure van de ambtshalve uitwissing van veroordelingen. In België bestaat die ambtshalve uitwissing alleen voor politiestraffen. Voor alle andere straffen is er een procedure van herstel in eer en rechten, die nooit ambtshalve is. Voor aanrandingen van de eerbaarheid moet de vraag tot herstel in eer en rechten worden vergezeld van een medisch dossier dat aantoont welke vooruitgang werd geboekt. We mogen trots zijn op een dergelijke wetgeving. In andere landen in de situatie anders. In Frankrijk is de ambtshalve uitwissing veel uitgebreider en geldt ze in sommige gevallen ook voor aanrandingen van de eerbaarheid.

Dankzij een harmonisering van de wetgeving moeten we een beter zicht krijgen op het gevaar dat sommige personen met een verleden van seksuele aanrandingen vormen.

Wat de gegevensbank betreft, is Child Focus zeker geen vragende partij voor de invoering van een soort Staatsblad van veroordeelden. De organisatie wil beslist geen `Engels' systeem, dat tot vreselijke uitwassen leidt. Wel wil ze een gespecialiseerde gegevensbank. We beraden ons hierover, maar men moet weten dat een gespecialiseerde gegevensbank ons niet echt in staat stelt om juist in te schatten in welke mate bepaalde personen een gevaar zijn voor kinderen. Sommigen begaan geweldplegingen of zelfs misdrijven tegen kinderen, zonder dat het om seksuele aanranding gaat.

Het gamma moet dus behoorlijk breed zijn. Het Europese strafregister maakt dat mogelijk.

De gegevensbank van de politie is reeds een bron van beveiligde informatie, die wordt beschermd door wetten die het respect voor de individuele rechten en vrijheden vooropstellen.

Het werk op Europees vlak wordt voortgezet en ik zal de Senaat op de hoogte houden van de evolutie van de werkzaamheden.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Tijdens de vorige regeerperiode heb ik een tekst ingediend met de vraag om in België een spoor te bewaren. In de Verenigde Staten bijvoorbeeld worden de bewegingen van criminelen tussen verschillende staten in het oog gehouden en worden verificaties gedaan.

Zullen de engagementen van Tampere versneld worden uitgevoerd? De problemen die rijzen om tot een Europese procedure te komen, moeten tot waakzaamheid aanzetten.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In Tampere werd beslist dat het voorstel tegen december 2004 wordt ingediend. Men kan de opeenvolgende voorzitters dus niet verwijten dat ze geen tekst voor een richtlijn ter tafel hebben gebracht.

Nadat de tekst is ingediend, kan nog enige tijd verlopen voor de bepalingen binnen Europa van kracht worden. De minister van Binnenlandse Zaken en ikzelf gaan momenteel na hoe we via de procedure van de versterkte samenwerking enkele nuttige stappen kunnen doen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gebrek aan samenhang binnen de Dienst Vreemdelingenzaken» (nr. 3-393)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik had de minister begin dit jaar een vraag gesteld over de manier waarop de Dienst Vreemdelingenzaken de beslissingen toepast van de raadkamers of van de kamers van inbeschuldigingstelling over de invrijheidstelling van asielzoekers.

Het probleem is onlangs nog ingewikkelder geworden. Inderdaad, een zeventienjarige Guineeër - zijn leeftijd wordt door sommigen in twijfel getrokken - werd onlangs, na enkele maanden in een gesloten centrum te hebben verbleven, door de raadkamer in vrijheid gesteld en daarna overgebracht naar de transitzone van de luchthaven van Zaventem. Zopas kwam er een gedeeltelijke oplossing: de minderjarige werd eindelijk vrijgelaten en gisteravond in een open centrum geplaatst. De wet van 24 december 2002 betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarigen is uiteraard op hem toepassing.

De Dienst Vreemdelingenzaken evolueert in de goede richting. Niettemin roept de toegepaste werkwijze vragen op. Waarom werd de wet op de niet-begeleide minderjarigen niet onmiddellijk toegepast? Ik herinner eraan dat de jongen eerst in een gesloten centrum en daarna in de transitzone heeft verbleven. Ik neem aan dat de minister tussenbeide is gekomen om een einde te maken aan deze toestand, maar op welke basis? Welke overheid is bevoegd als er twijfel bestaat over de leeftijd van de minderjarige?

De Dienst voogdij moet een medisch onderzoek vragen, maar wat gebeurt er intussen met de minderjarige? Als het antwoord niet eenduidig is, geeft men hem de jongste leeftijd.

Uit de praktijk blijkt ook dat de wet niet duidelijk is wat betreft de vraag vanaf welk ogenblik de minderjarige aan de wet is onderworpen. Is het vanaf zijn aankomst aan de Belgische grens? Moet de datum van inwerkingtreding van de wet van december 2002, namelijk 1 mei 2004, in aanmerking worden genomen? Waar moeten de minderjaren die onder de voogdijregeling vallen, worden ondergebracht als de asielprocedure of de procedure tot toekenning van de verblijfsvergunning nog lopende is?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Wat het geval betreft dat de heer Brotcorne aanhaalt, kan ik bevestigen dat de Dienst Vreemdelingenzaken een fout heeft begaan. Ik heb die rechtgezet zodra ik ervan op de hoogte werd gebracht en dit zoveel mogelijk in het voordeel van de betrokken persoon.

De bepalingen betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarigen die op 1 mei van kracht werden, zijn van toepassing op niet-begeleide minderjarige vreemdelingen die asiel vragen of hebben gevraagd en hier illegaal aankomen of na deze datum gevat worden omdat ze illegaal op Belgisch grondgebied verblijven. De enige uitzondering betreft de toepassing op niet-begeleide minderjarigen die een voorlopige verblijfsvergunning of een verblijfsvergunning van beperkte duur hebben op de dag dat de bepalingen in werking zijn getreden, namelijk op 1 mei.

Overeenkomstig artikel 7 van de wet op de voogdij wordt het medische onderzoek dat moet uitwijzen of de vreemdeling minder- of meerderjarig is, uitgevoerd onder toezicht van de Dienst voogdij.

Het regeerakkoord bepaalt dat alles in het werk gesteld moet worden opdat niet-begeleide minderjarigen niet in gesloten centra aan de grens worden opgevangen, maar in beveiligde instellingen die aangepast zijn aan hun leeftijd. Hiervoor is de medewerking nodig van Fedasil en van de gemeenschappen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik dank de minister voor dit antwoord en voor het feit dat hij toegeeft dat Vreemdelingenzaken zich heeft vergist. De procedure die uitgewerkt werd in de wet op de voogdij over niet-begeleide minderjarigen en die ervoor zorgt dat de rechten van de minderjarigen beter worden gerespecteerd, wordt hiermee toegepast.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de zaak Fourniret» (nr. 3-349)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Vijftien jaar geleden, op 20 december 1989, verdween Élisabeth Brichet in haar woonplaats Saint-Servais, nabij Namen. Op 3 juli 2004 werd haar lichaam opgegraven bij het Kasteel van Sautou in Noord-Frankrijk. Op dezelfde plaats werd nog het lichaam van een ander slachtoffer, Jeanne-Marie Desramault, gevonden. De Franse studente verdween in 1989 op 22-jarige leeftijd in het Franse Charleville-Mézières.

De in België aangehouden Franse boswachter Michel Fourniret bekende de twee moorden aan zijn ondervragers. Daarnaast zou de seriemoordenaar nog minstens acht andere moorden hebben gepleegd.

Fourniret werd tussen 1966 en 1983 in Frankrijk drie keer veroordeeld voor in totaal 15 gewelddadige ontvoeringen en verkrachtingen. Zijn zwaarste straf bedroeg vijf jaar en in 1987 werd hij voorwaardelijk vrijgelaten. In het begin van de jaren '90 kwam hij naar België en breidde er zijn actieterrein uit.

Er ontstond de afgelopen dagen heel wat commotie rond volgende vaststellingen. Toen Fourniret zich permanent in België vestigde, was niemand op de hoogte van het gerechtelijke verleden van deze seriemoordenaar. Hij kreeg van de Belgische overheid een bewijs van goed zedelijk gedrag en schopte het zelfs tot bewaker in de gemeenteschool van Sart-Custinne. Hier rijzen natuurlijk vragen omtrent het doorgeven van het strafregister. Ik weet dat er in het kader van de bestrijding van het terrorisme, in de vergadering na de aanslag in Madrid van maart jongstleden, reeds een eerste beslissing werd genomen. Het is ook belangrijk te weten hoe we in de toekomst zullen omgaan met het witwassen van het strafregister, wat momenteel na een aantal jaren automatisch gebeurt. Moeten misdrijven die een gevaar inhouden voor de toekomst niet opnieuw worden onderzocht?

Er rijzen ook heel wat vragen bij de huiszoeking op verzoek van de Franse gerechtelijke overheid bij Fourniret in 1996, in een zaak van wapenhandel. Uit niets blijkt dat men op de hoogte was van het criminele verleden van de betrokkene. Mocht dat wel het geval geweest zijn, dan zou men bij bepaalde verdwijningen of ontvoeringen onmiddellijk een link hebben kunnen leggen naar Fourniret. Ik lees vandaag in de pers dat er nog andere pogingen tot ontvoering geweest zijn, onder meer van een verpleegster op een parkeerplaats van het AZ in Jette. Omdat de slachtoffers de dader niet konden identificeren, was er geen enkele aanduiding voorhanden om hem te vatten.

In juli 2003 liep Fourniret tegen de lamp toen hij in Ciney een meisje van 13 probeerde te ontvoeren. Het meisje kon ontsnappen en dankzij haar gedetailleerde persoonsbeschrijving werd de dader snel gevat. Fourniret belandde in de gevangenis. De bal ging eind vorige maand pas goed aan het rollen nadat de echtgenote van Fourniret, in de nasleep van de veroordelingen in de zaak Dutroux, aan het praten ging.

Uit de vaststellingen van de afgelopen dagen en uit de verklaringen van de minister van Justitie blijkt dat het hier om een uiterst ingewikkelde zaak gaat, niet in het minst omdat verschillende misdrijven in Frankrijk werden gepleegd, wat aanleiding kan geven tot allerlei procedurele en bevoegdheidsproblemen.

De procureur-generaal van Reims pleit ervoor alle onderzoeken naar de moorden die Michel Fourniret zou hebben gepleegd, zowel in België als in Frankrijk, te centraliseren bij de gerechtelijke instanties van Charleville-Mézières.

Dit dossier doet ons terugdenken aan de gebeurtenissen van 1996. Niemand kon zich acht jaar geleden indenken dat we ooit opnieuw met een dergelijke zaak zouden worden geconfronteerd.

In de veronderstelling dat de vice-eerste minister met het parket overleg pleegt over de beleidslijnen voor de procedurele behandeling van het dossier, had ik graag van haar vernomen of al werd beslist op welke manier deze zaak zal worden behandeld. Zal ze in haar geheel voor eindbeoordeling aan het Franse gerecht worden overgedragen of worden andere oplossingen overwogen?

Welke concrete maatregelen kunnen we nemen om de strijd tegen pedofilie en seriemoordenaars op te drijven? Ik denk in dat verband aan het uitwisselen op Europees vlak van gegevens omtrent gevaarlijke misdadigers en het veralgemenen van de toegang tot het strafregister in de Europese Unie, voor bepaalde misdrijven. Op welke manier kan dat op korte termijn worden gerealiseerd?

Kunnen er vandaag al stappen worden gedaan om het onderzoek naar dergelijke misdrijven in de toekomst nauwgezetter te laten verlopen? Het zijn toch de gerechtelijke overheden van Dinant die erin zijn geslaagd de betrokkene te ontmaskeren.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik sluit me volledig aan bij de vaststelling over het doeltreffende optreden van de gerechtelijke overheden van Dinant.

Gelet op de scheiding der machten zal ik niet ingaan op het individuele dossier. Ik kan wel bevestigen dat de Belgische en Franse gerechtelijke overheden een permanente en constructieve dialoog onderhouden. Tot op heden zijn er geen problemen. De gerechtelijke overheden hebben beslist dat elke procureur en elke onderzoeksrechter bevoegd blijft voor de dossiers die hij behandelt.

Wat het dossier van Élisabeth Brichet betreft, heeft het Franse gerecht bij het parket van Namen voor de feiten gepleegd in Frankrijk, in Sautou en Floing, een officiële aanklacht ingediend wegens vrijwillige doodslag. Op die wijze kan iedereen werken aan het dossier dat in het eigen arrondissement werd ingeleid.

Of nu fouten werden gemaakt of niet, het systeem kan inderdaad worden verbeterd op Europees vlak zodat risico's kunnen worden vermeden en personen die een gevaar vormen voor de samenleving, en met name voor onze kinderen, sneller kunnen worden opgespoord.

In mijn antwoord op de vraag om uitleg van mevrouw Lizin heb ik reeds gewezen op de noodzaak van een Europees strafregister. Zo zou een overheid geen bewijs van goed zedelijk gedrag meer kunnen uitreiken zonder dat ze toegang heeft tot een strafregister dat niet alleen informatie over feiten in België bevat, maar ook over feiten in de andere EU-landen. Hiermee is niet alles opgelost, gelet op het probleem van de uitwissing van veroordelingen.

De Belgische situatie is helemaal niet dezelfde als die in andere EU-landen. In België is een tamelijk goede controle van de dossiers mogelijk omdat de ambtshalve uitwissing enkel geldt voor politiestraffen. Voor andere straffen hangt de uitwissing af van een procedure tot herstel in eer en rechten. Voor personen die veroordeeld zijn voor aanranding van de eerbaarheid of andere seksuele misdrijven moet het verzoek tot herstel in eer en rechten vergezeld zijn van een medisch dossier, dat een controle van de situatie mogelijk maakt. Dat is niet het geval in andere landen zoals Frankrijk, waar de automatische uitwissing veel uitgebreider is. Zelfs als men toegang heeft tot het strafregister zal men dus niet de informatie vinden die in de lidstaat in kwestie is uitgewist. We zullen dan ook werk moeten maken van de uniformering van de gegevens, de raadpleging, de uitwissing en het herstel in eer en rechten. Dat is een hele opdracht. Heel wat collega's in Europa hebben koudwatervrees. België daarentegen is voorstander van harmonisering in dit domein.

We hebben ook vooruitgang geboekt inzake de voorwaardelijke invrijheidstelling. Er bestaat een Europees Verdrag over het toezicht op de voorwaardelijk veroordeelde en in vrijheid gestelde personen. Het werd op 30 november 1964 ondertekend te Straatsburg en het werd goedgekeurd bij wet van 15 juli 1970.

Dit verdrag is zeer belangrijk omdat het binnen het kader van het vrije verkeer van personen toelaat dat een gastland blijft controleren of een persoon die voorwaardelijk in vrijheid werd gesteld de voorwaarden van zijn vrijlating naleeft.

Het verdrag werd echter nooit in Belgisch recht omgezet. Op de bijzondere ministerraad Justitie-Binnenlandse Zaken van 31 maart jongstleden werd een wetsontwerp voorgesteld betreffende de overbrenging van veroordeelde personen. Dankzij deze tekst zal het eindelijk mogelijk zijn dat personen die voorwaardelijk in vrijheid worden gesteld aan België worden aangegeven zodat ons land kan nagaan of de betrokkenen op ons grondgebied de voorwaarden voor hun vrijlating naleven. Dit is een grote stap vooruit.

Ik heb het gehad over het Europese strafregister, de harmonisering van de wetgeving en de voorwaardelijke invrijheidstelling. Een laatste punt is de wederzijdse rechtshulp, die de Kamer en de Senaat onlangs hebben goedgekeurd en die een systematische samenwerking inzake grenscriminaliteit mogelijk maakt.

We moeten hier lering uit trekken. We zullen zien wat de uitkomst is van de lopende onderzoeken en de toekomstige vonnissen en arresten. Ondertussen hebben de regering en het parlement reeds werk gemaakt van belangrijke hervormingen waardoor we doeltreffender preventief kunnen optreden tegen dergelijke misdadigers.

Velen vragen zich af waar het fout is gegaan. Het zoeken naar een fout is in feite een vorm van collectieve bescherming. Het is een schild: we gaan ervan uit dat de misdadigers niet had kunnen handelen mocht er geen fout zijn gemaakt. Ik denk dat de situatie complexer is en dat de geschiedenis van alle samenlevingen aantoont dat er altijd dergelijke misdadigers zijn geweest.

Dankzij de moderne gerechtelijke geschiedenis moeten we beter kunnen voorkomen dat die misdadigers meerdere feiten plegen of hervallen. Daar wil de regering voor zorgen. Ze heeft die taak aangevat en zal ze in de komende weken en maanden voortzetten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het antwoord van de minister toont aan dat er de volgende maanden nog heel wat technisch-juridische moeilijkheden moeten worden weggewerkt om een modern systeem voor de uitwisseling van informatie tussen de verschillende landen van de Europese Unie te kunnen ontwikkelen. Dat is uiteraard niet alleen van belang voor het opsporen van seriemoordenaars en andere misdadigers, maar ook voor het bestrijden van het terrorisme.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de handelszaken die niet voldoen aan de bestaande regelgeving» (nr. 3-391)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - In de plenaire vergadering van 11 december 2003 heb ik al mijn ongerustheid geuit over de enorme groei in de sector van de phone shops en het ontbreken van een duidelijke reglementering inzake bescherming van de consument en tarifering.

De heer Verwilghen heeft mij toen geantwoord dat volgens uw diensten niet voldoende klachten inzake frauduleuze tarifering werden ingediend om te kunnen spreken van een belangrijk probleem. Hij voegde eraan toe dat als mocht blijken dat het probleem toch omvangrijker is dan het lijkt, zowel voor de verbruikers als voor de jonge ondernemingen, er oplossingen voor moeten worden gezocht.

Ondertussen heeft de politie in die sector verscheidene operaties uitgevoerd in Brussel, Vlaanderen en Wallonië. Na de jongste operatie, onder de stigmatiserende benaming `Tam Tam 2', werden alle bezochte winkels om diverse redenen gesloten. Zeer verbazend was dat van de 36 bezochte phone shops 23 niet in het bezit waren van een vergunning van het Belgisch Instituut voor postdiensten en telecommunicatie.

Hoe is het mogelijk dat in de zeer gespecialiseerde sector van de telecommunicatie bedrijven kunnen worden opgericht zonder enige administratieve vergunning?

Bent u van plan concrete oplossingen te zoeken voor deze problematiek en ervoor te zorgen dat deze activiteit nog kan worden uitgeoefend door wie dat op een ernstige en legitieme wijze wil doen? Zo kan bijvoorbeeld worden gedacht aan een gedragscode, aan overleg inzake faillissementen, BTW, sociale wetten, handelsregister, stedenbouw en aan niet-stigmatiserende politieacties.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Volgens de jongste ramingen bieden ongeveer vierduidend winkels, waarvan meer dan duizend in Brussel, de gelegenheid om telefoondiensten te kopen: telefoongesprekken, hoofdzakelijk naar het buitenland, of toegang tot het internet. De markt van de phone shops is een bijzonder veranderlijke markt, met veel openingen, sluitingen en verkoop van handelszaken. Dat soort diensten aan het publiek geeft aanleiding tot enorm veel fraude en staat soms ook in verband met de grote criminaliteit.

Volgens de wetgeving inzake telecommunicatie moeten de exploitanten van phone shops hun activiteiten bij het BIPT aangeven vóór ze met hun dienstverlening aan het publiek beginnen. Zoals mevrouw Bouarfa terecht opmerkt, lijken niet alle exploitanten deze verplichting na te leven.

Het BIPT is zich bewust van dat probleem. Sedert begin 2000 heeft het instituut diverse initiatieven genomen om die markt beter te controleren. Zo is er een bepaling van de programmawet van december 2001 waarin de niet-voorafgaande aangifte bij het BIPT wordt bestraft.

Het BIPT heeft ook contact genomen met Belgacom om ervoor te zorgen dat die maatschappij de phone shops alleen aansluit als ze het bewijs kunnen leveren dat ze hun activiteiten bij de regulator hebben aangegeven. Het BIPT wordt ook geregeld betrokken bij de controles in de sector van de phone shops, vooral met betrekking tot de naleving van de sociale wetgeving, de hygiëne of de tariefreglementering, die onder de bevoegdheid van de economische inspectie valt. Dat beleid werpt nu vruchten af. De gevallen waarbij geen aangifte werd gedaan, zijn van 90 tot 50% gedaald. Aangezien diverse departementen bevoegd zijn voor de diverse overtredingen, kunnen alleen gecombineerde controles worden uitgevoerd.

Ik sta evenwel open voor elke suggestie om die markt te saneren. Ik zal het BIPT nogmaals vragen Belgacom en de andere operatoren die infrastructuur leveren te verzoeken op hun netwerk alleen de phone shops aan te sluiten die kunnen bewijzen dat ze hun activiteiten bij het BIPT hebben aangegeven. Het gaat hier wel degelijk om een aangifte, niet om een voorafgaande toelatingsaanvraag.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik dank u voor uw antwoord. Ik wil helemaal niemand stigmatiseren. U bent trouwens niet als enige minister betrokken bij deze situatie. Ik heb die zaak in 1996-1997 ook al aangekaart, want toen begon te situatie te ontaarden. Men heeft niet ingegrepen. Nu gebeuren er menselijke drama's. Er zijn mensen die deze phone shops geopend hebben omdat ze geen werk vonden. Men had ze kunnen regulariseren. Men moet werken aan preventie en deze mensen steun geven voor hun vestiging. Dat is beter dan repressieve en stigmatiserende operaties.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het actieplan voor hittegolven» (nr. 3-387)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Wij namen met belangstelling kennis van het actieplan inzake de zomerhitte. Ik steun het initiatief van de minister. Ik heb daarover zelf een wetsvoorstel ingediend.

Het verbaast me dat de statistieken vandaag gewag maken van 1.300 sterfgevallen die rechtstreeks of onrechtstreeks het gevolg waren van de hittegolf van vorig jaar. De minister verklaarde destijds immers dat ons land gespaard was gebleven en dat de uitzonderlijke hitte slechts enkele sterfgevallen méér had veroorzaakt in vergelijking met het normale gemiddelde sterftecijfer.

Vanwaar komt dat verschil tussen de realiteit en de uitlatingen van toen? Was het optimisme van de minister niet te voorbarig? Was hij slecht geïnformeerd of mocht de waarheid niet gezegd worden? Waarom zijn de echte cijfers pas zo laat bekend?

Ik stel vast dat het actieplan enkel de hitteperiodes betreft. Men mag niet uit het oog verliezen dat ook uitzonderlijke wintertoestanden dodelijke slachtoffers maken. In beide situaties zijn de risicogroepen dezelfde. Moet het actieplan ook geen rekening houden met de in ons land toch relatief veel voorkomende hevige winterkoude?

Hittegolven zijn vooral gevaarlijk voor mensen die afgezonderd wonen. Het is essentieel zo vlug mogelijk ingelicht te worden over noodsituaties binnen die risicogroep. De minister voorziet hiervoor het optreden van lokale structuren zoals gemeenten, OCMW's en de lokale politie. Hoe zullen die diensten over moeilijke situaties worden geïnformeerd?

Om het grondgebied van bepaalde gemeenten te kunnen bestrijken, zal men in een korte tijdspanne moeten kunnen rekenen op heel wat extra personeel. Ik ben er niet van overtuigd dat alle gemeenten over voldoende en geschikt personeel beschikken. Kan de minister mij verduidelijken hoe hij het noodzakelijke optreden op het terrein ziet?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Wat het aantal slachtoffers van de hittegolf van de zomer van 2003 op het einde van de maand augustus betreft, heb ik een inventaris gevraagd van de uitzonderlijke sterfgevallen in ziekenhuizen die met de hitte in verband kunnen worden gebracht. Daarvoor werd gesteund op een representatief staal van instellingen verspreid over het hele Belgische grondgebied. Wij kwamen aldus tot ongeveer 150 zulke sterfgevallen voor die maand augustus.

Destijds kwam een gelijkaardig onderzoek in Nederland, waar de temperatuur veel gunstiger was, tot een cijfer van 175 uitzonderlijke sterfgevallen.

In België hebben de gemeenten theoretisch de tijd tot de twintigste van de volgende maand om een overlijden in het nationaal register in te schrijven. Helaas wordt dat in de praktijk twee tot drie maanden. Die vertraging verklaart evenwel niet alles. Het aantal overledenen in augustus 2003 steeg met 44 tussen 1 januari en 1 juni 2004.

Ik heb dat probleem vastgesteld zodra ik op het departement kwam. Vanaf 2 september heb ik het gemeld aan de bevoegde minister Patrick Dewael. Vanaf december hebben we de methode van screening, met name inzake volksgezondheid, gewijzigd door te werken met wekelijkse steekproeven om te kunnen zien hoe die evolueren. De ruwe cijfers waren vanaf het begin van het jaar beschikbaar, maar ze moesten opnieuw worden geïnterpreteerd.

De cijfers in Frankrijk, waarnaar zo dikwijls wordt verwezen, werden in het begin niet door de officiële instanties, maar door de begrafenisondernemers verstrekt. Onze methodologie is veel wetenschappelijker. Bij ons heeft het Instituut voor Volksgezondheid de cijfers geanalyseerd. In tegenstelling met Frankrijk betreffen de Belgische ruwe cijfers de maanden juli en augustus, alsook de postmortaliteit in september.

Een bizar fenomeen, dat ik nog niet heb kunnen verklaren, is dat bijna de hele postmortaliteit van 400 personen in de maand september alleen Vlaanderen betreft. In elk geval vertonen de cijfers een paradox. In de maanden juni, juli, augustus en een deel van september kan men niet spreken van een aanzienlijk hoger sterftecijfer.

De analyse toont een lager sterftecijfer aan in de leeftijdsgroepen beneden 65 jaar en een hoger sterftecijfer boven 65 jaar. Een nauwkeurig analyse toont aan dat ongeveer 934 gevallen specifiek aan de hittegolf kunnen worden toegeschreven.

Interpreteren is echter gevaarlijk. De 934 gevallen die betrekking hebben op de maanden juli en augustus stemmen overeen met het aantal personen die tijdens de hittegolf zijn overleden. Dat betekent echter niet dat die personen uitsluitend ingevolge de hitte zijn overleden. Voor sommige mensen die terminaal ziek waren heeft de hitte het overlijden versneld. Men kan dus zeggen dat er een rechtstreeks verband is, maar die mensen zouden anders wellicht in september of oktober zijn overleden. Dat element moet nog worden geanalyseerd. Wij zullen daarover later antwoorden hebben.

De cijfers werden verfijnd opdat we er, in ruwe vorm, tegen eind mei over konden beschikken. Het hitteplan was tijdens diezelfde periode in voorbereiding. Wij hebben toen beslist de cijfers bekend te maken en er tegelijk een logica uit te halen voor het actieplan tegen de hitte. Over dat plan werd op verschillende niveaus overleg gepleegd.

Waarom werden enkel maatregelen inzake de hitte genomen? Wij wilden een antwoord geven op een probleem van volksgezondheid dat rees op het moment dat de nieuwe regering aantrad. De conventie die met het Koninklijk Meteorologisch Instituut werd afgesloten is evenwel niet enkel een investering met betrekking tot hitteperiodes, maar is een eerste stap in een lange reeks. De conventie kan worden uitgebreid tot voorspellingen over relatief lange periodes waarin abnormale lage of hoge waarden worden vastgesteld. Het kan ook gaan om neerslaggegevens of andere elementen die een weerslag hebben op de volksgezondheid in de brede betekenis van het woord. Wij hebben de ruimte gecreëerd voor nieuwe projecten om aan abnormale weerkundige verschijnselen het hoofd te bieden, dus ook aan noodsituaties die buiten de zomer kunnen plaatsvinden.

De derde vraag betreft de kenmerken van het plan. De twee centrale kenmerken zijn solidariteit en vooruitzien. Een tijdig ingrijpen geldt voor alle problemen die ik heb aangehaald. Solidariteit is belangrijk, want zonder dat houdt geen enkele gezondheidsstructuur in dit land stand. Hoe kan bijvoorbeeld het verschil qua aantal dodelijke slachtoffers tussen Frankrijk en België worden verklaard? Natuurlijk was de temperatuur in Frankrijk hoger dan in België. Er waren wel verschillen tussen Vlaanderen en Wallonië enerzijds en tussen stedelijke en landelijke gebieden anderzijds wegens de vervuiling en het feit dat in de steden de hitte sterker wordt vastgehouden. Frankrijk beschikt over een minder goed georganiseerd gezondheidssysteem, met name inzake de thuisopvang van bepaalde personen, in het bijzonder de bejaarden. De grote toevloed van die personen heeft in Frankrijk een dubbele crisis in de gezondheidszorg veroorzaakt. Ten eerste was het aantal doden vier tot vijf maal hoger dan in België. Daarnaast werden ziekenhuizen en gezondheidscentra overspoeld. Sommige kenden een bezettingsgraad van 115%, terwijl dat bij ons erg redelijk is gebleven.

Onze gemeenten en OCMW's zijn essentieel voor de solidariteit. Het eerste OCMW dat onze oproep heeft beantwoord, is het OCMW van Oostende dat onmiddellijk informatie heeft verspreid. Alles is nu in gang gezet. Er werd een brochure ter beschikking gesteld van de verschillende actoren in de gezondheidszorg en op het terrein. Daarin staan een aantal raadgevingen inzake aanpak, hulpverlening en begeleiding van personen om de nefaste gevolgen van temperatuursschommelingen, die zouden kunnen optreden tijdens een hittegolf dit jaar of later, te verzachten of op te heffen.

Het opsporen van kwetsbare personen staat centraal in onze maatregelen. De middelen die daarvoor worden ingezet, zijn reeds vrij aanzienlijk. Ze worden niet als dusdanig opgenomen in begrotingsposten, maar zijn geïntegreerd in gebruikelijke posten, zoals de terugbetalingen van het RIZIV. We kunnen dat in de commissie meer in detail bekijken als u dat wenst, mevrouw Defraigne.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De uitleg van de minister over de statistische gegevens doet bij mij de vraag rijzen of het niet eenvoudiger was geweest om zich te wenden tot de begrafenisondernemers.

Ik heb een wetsvoorstel ingediend dat de gemeenten de mogelijkheid biedt een beroep te doen op het PWA om een thuisdienst te verzorgen voor bejaarden die in een noodsituatie zouden kunnen terechtkomen. Dat is gerechtvaardigd omdat de toestand uitzonderlijk is en niet noodzakelijk de inzet van permanent personeel vergt. Een snelle reactie maakt het overigens mogelijk om op korte termijn veel extra personeel op het hele grondgebied van de gemeente in te zetten. Het gaat slechts om één stukje van de puzzel, maar ik hoop dat dit de aandacht van de minister krijgt.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de moslimsegregatie» (nr. 3-398)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - Op dinsdag 6 juli publiceerde de Franse binnenlandse inlichtingendienst een rapport waaruit blijkt dat er een groeiende segregatie bestaat tussen moslims en de rest van de bevolking. De Franse inlichtingendienst bestudeerde 630 wijken waar veel moslims wonen, en constateerde dat in bijna de helft daarvan sprake is van wat de Fransen `communautarisme' noemen, de onwil of de onmogelijkheid om te integreren. Imams laten in die wijken steeds meer hun invloed gelden in scholen, kinderdagverblijven en sportverenigingen. Voorts staat in het rapport dat vrouwen van Noord-Afrikaanse afkomst geregeld het slachtoffer zijn van geweld, dat scholieren steeds vaker weigeren lessen te volgen die zij als strijdig met de moslimleer zien en dat een groeiend aantal werknemers hun werkgever vraagt om een gebedsruimte bij de werkvloer in te richten.

Zoals u weet, druppelt het in Brussel als het in Parijs regent. Deze fundamentalistische benadering van de islam bestaat spijtig genoeg ook in ons land. Ook in België worden moslimvrouwen onderdrukt, trachten sommigen het superieure gedrag van moslims tegenover anderen dan geloofsgenoten te legitimeren en voedt men de minachting voor moderne democratische waarden.

Het regeerakkoord stelt hierover het volgende: "België moet een open samenleving blijven waarbinnen mensen van verschillende culturen kunnen samenwerken in een sfeer van openheid, ontmoeting, verdraagzaamheid en wederzijds respect, een open samenleving die doordrongen is van uiteenlopende gevoeligheden, afkomsten en culturen, die permanent in ontwikkeling is en gehecht is aan de gemeenschappelijke, fundamentele waarden van de grondwet en van de rechten van de mens."

Is de minister op de hoogte van de Franse studie? Wordt de toenemende segregatie vanuit de moslimgemeenschap ook in ons land in kaart gebracht? Welke maatregelen worden er genomen om deze segregatie te voorkomen?

Mevrouw Marie Arena, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - België is Frankrijk niet. Ons land heeft een eigen model van interculturaliteit, gebaseerd op het begrip `samenleven'.

Het verslag van de Franse inlichtingendienst is een politieverslag en mag dus niet worden verward met een wetenschappelijke studie.

Ik wil het in zichzelf keren van de moslimgemeenschap in België niet dramatiseren, maar ook niet verhullen. Het fenomeen bestaat, maar het betreft een minderheid van de moslimbevolking. In sommige probleemwijken profiteren politiek-religieuze groepen wel van de sociale en economische malaise om een radicale en antidemocratische islam te prediken.

Er moet worden gewerkt op vier vlakken. Ten eerste, op het vlak van opvoeding en socialisatie, ten tweede, op het vlak van sociale ongelijkheid en rassendiscriminatie. Ten derde, moet er op het strafrechtelijke en politieke vlak een kordate actie tegen het islamisme komen, zodat het onderscheid tussen een ideologie van regressie en verdrukking en de vreedzame islam, die wordt beleden door miljoenen in Europa, duidelijk wordt. Ten vierde, moeten we een manier vinden om de islamitische eredienst te institutionaliseren.

Mevrouw Van dermeersch maakt zich zorgen over de samenwerking tussen verschillende culturen en citeert in dit kader het regeerakkoord. Ik ben verbaasd over haar gebrek aan informatie. Het is precies op basis van de geciteerde paragraaf dat de regering de interculturele dialoog wil starten. In februari van dit jaar heb ik een commissie opdracht gegeven een stand van zaken inzake interculturaliteit in België op te maken aan de hand van vier thema's: de fundamentele principes van de overheidsdiensten, de religie en de overtuigingen, de gelijkheid tussen mannen en vrouwen en het burgerschap.

Ik heb de commissie twee gedragslijnen opgelegd: ze moet een breed overleg voeren met de personen, groepen en beroepssectoren die te maken hebben met de interculturele relatie, en, in het licht van het resultaat van dit overleg, ingaan op de principes en regels die aan de basis liggen van ons samenleven in een democratische en pluralistische maatschappij.

De commissie zal eind oktober 2004 een tussentijds verslag overhandigen en in februari 2005 een definitief verslag.

Ondanks de problemen ben ik meer dan optimistisch over de integratie van mensen van vreemde origine. Die mensen zijn hier soms sinds drie, vier generaties. Onder hen zijn er verschillende mandatarissen die zitting hebben in gemeenteraden, in de gewest- en gemeenschapsparlementen en in het federale parlement, alsook wetenschapsmensen. Velen werken in onze ondernemingen en doen dus onze economie draaien. Anderen zijn kunstenaar geworden. Ik denk met name aan de heer Cherkaoui, een vooraanstaande figuur in de hedendaagse Vlaamse dans, erkend in de hele wereld. Wij hebben prominenten onder ons die volledig in onze samenleving zijn geïntegreerd.

Mijn antwoord aan hen die deze integratiewil betwisten is het volgende. Ik zal eerst en vooral de strijd aanbinden tegen racisme, antisemitisme en xenofobie, vervolgens tegen het extremisme, van waar het ook komt, en ten slotte tegen de sociale uitsluiting die de bevolking, van welke origine ook, leidt naar een communautaristische reflex of naar het extremisme.

Om die fenomenen, die ons dagelijkse leven vergiftigen, te bestrijden, zal ik volgende week op de ministerraad een actieplan voorleggen om het racistische, antisemitische en xenofobe geweld te bestrijden. Vanaf september zal ik een interministeriële conferentie organiseren over racisme, antisemitisme en xenofobie. Bij de voorstelling van het definitieve rapport in februari 2005 zal ik een interministeriële conferentie over interculturaliteit organiseren.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BLOK). - Ik dank de minister voor haar antwoord, maar ik moet haar tegenspreken. In België en Frankrijk hangen we in grote mate dezelfde waarden en normen aan.

Ik ben blij met acties die de minister zegt te zullen ondernemen op het vlak van integratie, maar het segregatieprobleem, dat naar ik vermoed ook in België de kop opsteekt, wordt niet in kaart gebracht. Dat moet eerst gebeuren vóór men er iets aan kan doen. Het probleem rijst juist waar er geen wil tot integratie is of waar de integratie moeilijk verloopt of onmogelijk wordt.

Mondelinge vraag van mevrouw Jeannine Leduc aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de import van fruit uit Polen en de Tsjechische republiek dat nadien als Belgisch fruit wordt verkocht» (nr. 3-390)

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De import in België van Poolse en Tsjechische fruitsoorten, op het ogenblik vooral kersen, bedreigt de Belgische fruitsector. In de praktijk blijken die tonnen Pools of Tsjechisch fruit namelijk verkocht te worden als Belgisch fruit.

Oorzaak van die praktijk is het feit dat een seizoensarbeider in België om en bij de 125 euro per dag kost, terwijl een Poolse of Tsjechische arbeider slecht 125 euro per maand kost. Het mag duidelijk zijn dat op die manier enerzijds malafide invoerders zich onrechtmatig grote winsten toe-eigenen en dat anderzijds Belgisch fruit door productie-, pluk- en sorteerkosten niet meer concurrentieel is met op die manier ingevoerd fruit. Hier rijst de vraag naar controle.

Een ander probleem betreft de kwaliteit van het aangeboden fruit. De fruitteelt in de voormalige Oostbloklanden is aan minder strikte regelgeving onderhevig dan de Belgische teelt. Ik denk daarbij in de eerste plaats aan het gebruik van sproeiproducten. Belgische fruitkwekers hebben strikte schema's over welke hoeveelheden product ze wanneer mogen gebruiken, terwijl in Polen of Tsjechië de regelgeving minder streng is. De aangeboden producten van Oost-Europese bodem garanderen dus niet dezelfde kwaliteit, met alle gevolgen voor de volksgezondheid.

1.Is de minister op de hoogte van de misbruiken inzake het kwaliteitslabel Belgisch fruit? Overweegt ze een onderzoek en maatregelen?

2.Wordt de herkomst van het product en het nummer van de teler vermeld op elke kist? Inzake vleesproductie bijvoorbeeld kan men de herkomst van elk stuk vlees natrekken. Dat zou ook het geval moeten zijn voor fruit. Dan kunnen misbruiken vastgesteld worden door de productiecapaciteit van een teler te relateren aan zijn aanbod.

3.Wordt de kwaliteit van het aangeboden fruit stelselmatig onderzocht? Zo ja, zijn er gevallen bekend waarbij te grote hoeveelheden giftige restanten van sproeistoffen werden gedetecteerd?

Persoonlijk denk ik dat het invoeren van fruit moet kunnen op voorwaarde dat het op kwaliteit wordt gecontroleerd. Het is evenwel duidelijk dat het misbruik van het Belgische label onder geen enkel beding mag worden toegestaan.

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Uit navraag blijkt dat de Directie Controle en Bemiddeling van de FOD Economie geen klachten heeft ontvangen over de vermelde problematiek.

De meeste soorten fruit of groenten, inclusief appels, peren, kersen, aardbeien, sla, tomaten, paprika, zijn onderworpen aan de Europese kwaliteitsnormen. Die handelsnormen bepalen dat op alle verpakkingen van fruit en groenten de herkomst vermeld moet zijn, evenals het nummer van de teler. Dat geldt zowel voor producten van Europese oorsprong als voor producten die in de EU ingevoerd worden. De kwaliteit van de producten komende uit Polen en Tsjechië wordt op hetzelfde ogenblik gecontroleerd als de etikettering.

Tot 1 mei 2004 werden alle producten uit Polen of Tsjechië aan de buitengrens van de EU gecontroleerd. Vanaf 1 mei zijn ze onderworpen aan hetzelfde regime als de Belgische producten. Alle vermoedens van frauduleuze praktijken werden gecontroleerd, maar konden tot op heden nooit bewezen worden. De productiecapaciteit van een teler kan moeilijk vergeleken worden met zijn aanbod, omdat de productie van jaar tot jaar sterk kan variëren.

In 2003 werden 40 stalen van appels en 60 stalen van peren afkomstig van veilingen, invoerders en groothandelaars onderzocht op resten van sproeistoffen. Er werden slechts twee overschrijdingen bij peren vastgesteld, echter zonder gevaar voor de volksgezondheid. Voor 2004 zijn 60 stalen voor appels en 50 voor peren gepland; voor 2005 50 stalen voor elk.

In totaal werden in 2003 1.197 stalen fruit, groenten en granen genomen, waarvan er 52 of 4,3% de MRL of Maximum Residue Limit overschreden. Voor 2005 zijn 1.490 stalen gepland waarvan 59% Belgische producten en 41% producten van andere EU- of derde landen.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - De invoer gebeurt daadwerkelijk. Ik zal mijn gegevens aan de minister bezorgen zodat de malafide invoerders kunnen worden gecontroleerd.

Mondelinge vraag van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de reglementering van tatoeages en piercings» (nr. 3-392)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Geregeld duiken in de media en het parlement vragen op rond de hygiëne en veiligheid bij het aanbrengen van tatoeages en piercings. De problematiek is vooral acuut in de zomermaanden wanneer ongeruste ouders hun kinderen zien vertrekken naar festivals en vrezen dat ze terugkomen met een piercing of tatoeage op arm, buik of intiemere lichaamsdelen.

Onder druk van het Onderzoeks- en Informatiecentrum van de Verbruikersorganisaties (OIVO) en op vraag van de betrokken sector stelde de minister een ontwerp van koninklijk besluit op om deze activiteiten voortaan te reglementeren. Wij juichen dat toe. Eindelijk zullen de amateurs en naaldpiraten makkelijker op te sporen en te bestraffen zijn. Een echte vakman oefent zijn job uit met de grootst mogelijke professionaliteit en voorzichtigheid. Een goede tatoeage is een kunstwerk; een slechte is een gevaar voor de gezondheid! Daarom is het logisch dat de vertegenwoordigers van de sector zo tuk zijn op een strenge regelgeving: de knoeiers geven het beroep een nog slechter imago dan het al heeft.

Toch vind ik alles niet even duidelijk en het koninklijk besluit zal te laat komen voor deze festivalzomer. Heeft de minister niettemin maatregelen genomen om de hygiëne nu al te waarborgen in de tatoeagestands op de festivals en andere evenementen? Zijn er extra controles? Wanneer treedt het koninklijk besluit in werking? De naleving van het koninklijk besluit zal gegarandeerd worden door gezondheidsinspecteurs. Welke bevoegdheden hebben ze bij mobiele tatoeagezaken? Hoe zullen overtreders worden aangepakt? Aan welk sancties stellen ze zich bloot? Heeft de minister de sector en de jongeren geraadpleegd in verband met het ontwerp-KB? Worden ze bij de opvolging van het koninklijk besluit betrokken?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Piercings en tatoeages vormen inderdaad een gezondheidsprobleem en daarom hou ik mij met de materie bezig. Voor de zomerfestivals komt het koninklijk besluit te laat. Als het om gezondheidskwesties gaat, moeten twee zaken tegen elkaar worden afgewogen. Enerzijds is er de urgentie waarmee maatregelen moeten worden genomen teneinde de burger te beschermen; anderzijds moet men de nodige tijd nemen om de juiste maatregelen te nemen.

Ik heb geen regels opgesteld voor de tatoeagestands die deze zomer op de festivals te vinden zijn. Ik kan immers niet buiten de bestaande reglementeringen om optreden. Aangezien er geen specifieke bepalingen bestaan, kan ik de inspecteurs dus geen opdrachten doen vervullen die hen nog niet zijn toegewezen. Het ontwerp van koninklijk besluit wil die leemte opvullen.

Ik kan nog niet zeggen op welke datum het koninklijk besluit in werking zal treden. Het is de bedoeling dat de tekst zo snel mogelijk wordt toegepast, liefst voor het einde van het jaar. De tekst wordt momenteel voor advies voorgelegd aan de Hoge Gezondheidsraad, die geen vooropgestelde termijnen moet respecteren. Vervolgens zal de tekst aan de Ministerraad en voor advies aan de Raad van State worden voorgelegd.

Aangezien het de bedoeling is de mobiele tatoeagestands te verbieden, is de vraag naar een controle ervan niet aan de orde. Wel is er op dit ogenblik overleg over de controle op de specifieke tatoeagefestivals, een controle die alleszins zeer strikt zal zijn. Mijn medewerkers hebben de sector geraadpleegd en zullen dat in de toekomst ook blijven doen, onder meer door de beroepsverenigingen ertoe aan te zetten de regels na te leven.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Voor de zomerfestivals zal het koninklijk besluit jammer genoeg te laat komen. Ik hoop dat de ruchtbaarheid die in de pers aan deze materie werd gegeven de jongeren en de betrokken sector heeft wakker geschud. Het ontwerp van koninklijk besluit is zeer omvangrijk en gedetailleerd. Het is alleen jammer dat overleg met de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, waar twee wetsvoorstellen terzake waren ingediend, onmogelijk was. Ik hoop dat de sector ook bij de opvolging van het koninklijk besluit zal worden betrokken.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het regeringsstandpunt is de afgelopen maanden sterk gewijzigd. Mijn voorgangers hebben altijd een zelfcontrole door de sector als uitgangspunt genomen. Dit bleek echter niet te werken. De sector heeft zelf vastgesteld dat de overheid maatregelen moest nemen. Nu de programmawet is goedgekeurd, kan met de sector worden overlegd over de koninklijke besluiten.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de financiële ondersteuning van de palliatieve zorg» (nr. 3-395)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De Vlaamse, Waalse en Brusselse Federaties Palliatieve Zorg lanceerden gisteren een oproep om aandacht te besteden aan de financiering van hun sector. Omdat de federale regering zich momenteel vermoedelijk bezighoudt met de voorbereiding van een begrotingscontrole, met het oog op een regeringsverklaring in september of oktober, is het tijdstip van hun oproep dan ook uitstekend gekozen.

Op dit ogenblik bedraagt het globale federale budget 74 miljoen euro. Een budgetverhoging met 20% is absoluut noodzakelijk, onder meer om te investeren in ondersteuningsteams die ziekenhuisartsen kunnen helpen kiezen voor een behandeling die patiënten in de terminale fase nog levenscomfort geeft.

Een tweede argument is dat de thuisverzorging beter moet worden gesteund omdat het merendeel van de patiënten thuis in familiekring wenst te sterven. Voor velen is dat thans onmogelijk.

Wat is het globale budget dat dit jaar werd uitgetrokken voor de ondersteuning van de palliatieve sector? Welke initiatieven heeft de minister dit jaar reeds genomen en welke plant hij bij de volgende begrotingsopmaak? Welke budgetten worden daarvoor vooropgesteld? Zal hierbij rekening worden gehouden met de vragen van de federaties? Zal de minister een wetgevend initiatief nemen over een kader voor de medische beslissingen bij het levenseinde, zoals werd gevraagd in een resolutie in de Kamer? Wordt hieromtrent een evaluatie gemaakt?

Volgens de euthanasiewet moet de federale Evaluatiecommissie Euthanasie haar evaluatierapport en statistisch verslag uiterlijk op 20 september 2004, dus binnen twee maanden, overmaken aan het Parlement. Zal die timing worden gehaald?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het globale budget voor palliatieve zorg dat door de federale overheid via Volksgezondheid en via het RIZIV in 2004 beschikbaar werd gesteld bedraagt afgerond 112 miljoen euro, wat merkelijk meer is dan het bedrag dat door de federaties wordt aangehaald. Voor bepaalde gedeelten van dit bedrag moet ik me baseren op de uitgaven van 2003, aangezien ze een onderdeel vormen van een globaal budget en dus niet apart worden begroot. Ik sluit evenwel niet uit dat de uitgaven in 2004 meer zullen bedragen dan de vermelde 112 miljoen euro.

Mijn beleid inzake palliatieve zorg is de voortzetting van het vorige beleid. Thans gebeurt er een dubbele evaluatie. Enerzijds gebeurt dit bij het RIZIV voor de initiatieven die door deze instantie worden gefinancierd. De evaluatie wordt eerstdaags afgewerkt en er volgt een eindrapport. Anderzijds verwacht ik binnen een vrij korte termijn ook van de Evaluatiecommissie Palliatieve Zorg een rapport. Nieuwe initiatieven kunnen pas worden overwogen nadat ik kennis heb genomen van de beide evaluatierapporten en moeten worden geraamd binnen de budgettaire mogelijkheden voor 2005.

Momenteel overweeg ik geen nieuwe wettelijke maatregelen inzake het levenseinde. Zoals mevrouw De Schamphelaere zelf al aangaf, zal het eerste officiële verslag van de Evaluatiecommissie Euthanasie, dat krachtens de euthanasiewet elke twee jaar moet worden gemaakt, in de maand september worden ingediend. Het is dus te vroeg om nu al beslissingen te nemen.

De resolutie inzake een prospectieve studie over de medische verrichtingen bij het levenseinde, die eind april door de Kamer werd goedgekeurd, bepaalt uitdrukkelijk in haar eerste punt dat ze kadert in de globale prioriteiten inzake volksgezondheid. Ik ben van plan om het punt van een dergelijke studie, met inbegrip van de manier waarop ze concreet moet worden uitgevoerd en de punten die ze moet analyseren, te bestuderen zodra ik in het bezit ben van het verslag van de Evaluatiecommissie Euthanasie. Het is immers van belang dat de nieuwe studie zich eerder richt op de punten die de Evaluatiecommissie Euthanasie niet behandelt en een aanvulling biedt op de eventuele vragen die het verslag van de Evaluatiecommissie oproept.

Ten slotte kan ik vanzelfsprekend niet in de plaats van de Evaluatiecommissie Euthanasie garanderen dat de termijnen worden nageleefd. Ik zal de voorzitter van de commissie vragen het verslag, voor zover mogelijk, binnen de vastgestelde termijnen aan het parlement te overhandigen.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Fundamenteel vraagt de goed uitgewerkte nota, waaraan alle Federaties Palliatieve Zorg van het land hebben meegewerkt, een verhoging van het budget. Zij spreken van 74 miljoen euro. De minister heeft het over 112 miljoen. Ofwel zien de Federaties meer dan een kwart van wat de minister wenst te besteden aan palliatieve zorg niet, ofwel heeft de minister het over andere zaken. De vraag is eigenlijk of de minister zal luisteren naar de vragen van de sector palliatieve zorg en of hij bij de volgende begrotingsopmaak met deze vragen rekening zal houden.

De federale Evaluatiecommissie heeft vooral de opdracht om de euthanasiewet te evalueren. De vraag in de resolutie die in de Kamer werd goedgekeurd is echter ruimer. Ze gaat over alle medische beslissingen bij het levenseinde waarvoor de euthanasiewet uitdrukkelijk geen wettelijk kader biedt. Wachten op het rapport van de evaluatiecommissie om een beslissing te nemen over een onderzoek naar alle medische beslissingen bij het levenseinde, vind ik dan ook merkwaardig. We zullen dus zeker nog terugkomen op deze zaak.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging over «het verstrekkingsregister» (nr. 3-396)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Ik verneem dat kinesitherapeuten zowel via de Kafka-site van de staatssecretaris als tijdens de gezondheidsdialogen hun ongenoegen hebben geuit over het invullen van het verstrekkingsregister, dat behalve de kinesitherapeuten bijvoorbeeld ook zelfstandige verpleegkundigen en logopedisten moeten invullen. Deze verplichting wordt opgelegd door artikel 76 van de gecoördineerde wet van 14 juli 1994 op de ziekte- en invaliditeitsverzekering. De toepassing ervan wordt geregeld door een koninklijk besluit van 25 november 1996, waarin we lezen: "Onder verstrekkingenregister moet worden verstaan: ofwel een boek of schrift, samengesteld uit vooraf gebonden bladen; ofwel, voor de zorgverlener die een gegevensverwerking per computer gebruikt, de afdruk van de lijst van de verleende verzorging op papier, vast samengevoegd door vastnieten of kleven, minimum éénmaal per gewerkte kalendermaand. Elk verstrekkingenregister wordt per week bijgehouden en ondertekend door de zorgverlener na inschrijving van de laatste verstrekking van die week. Voor de toepassing van dit artikel dient onder `week' te worden verstaan, een periode van zeven opeenvolgende dagen, die ingaat op maandag en eindigt op zondag."

De kinesitherapeuten moeten dus ook het aanvangsuur en het einduur van de door hen geleverde verstrekkingen noteren. Nogal wat betrokkenen vechten de zin van dit verstrekkingsregister aan. Ze betwisten bijvoorbeeld dat dit het werk van de controleurs van het RIZIV zou vergemakkelijken. Mij lijkt dit register totaal nutteloos omdat de ontvangstbewijzen en de getuigschriften voor verstrekte hulp in principe beschikbaar zijn bij de ziekenfondsen en omdat bovendien een dubbel ervan bewaard wordt bij de kinesitherapeut. Deze documenten bevatten alle nuttige gegevens. Het enige wat ontbreekt is het tijdstip waarop de kinesitherapeut zijn dagtaak aanvangt en beëindigt. Maar mijns inziens is dat totaal nutteloze informatie.

De belangrijkste reden waarom de kinesisten het register toch stipt invullen, is dat anders hun ereloon met een vierde wordt verminderd. Het lijkt mij dan ook een geknipte opdracht voor de staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging om een einde te maken aan deze kafkaiaanse verplichting die kinesitherapeuten en beoefenaars van andere paramedische beroepen verplicht om tijdens de weekends of na een zware dagtaak deze irriterende en totaal overbodige informatie neer te schrijven. Het zou daarenboven nuttig zijn om na te gaan wanneer deze informatie voor het laatst is geraadpleegd door een controleur. Ik vermoed dat dit jarenlang niet is gebeurd.

Ik heb dan eigenlijk ook maar één vraag. Wil de staatssecretaris inspanningen doen om het verstrekkingsregister af te schaffen? Zo ja, binnen welk tijdsbestek denkt hij deze maatregel te kunnen nemen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik dank de heer Vankrunkelsven voor zijn voorstel vooral omdat hij als eerste parlementslid van Kamer en Senaat een concrete suggestie doet om een document af te schaffen.

Het klopt dat er bij de 25.000 kinesitherapeuten een ongenoegen leeft over de papieren rompslomp, die vandaag voor hen bijzonder groot is. Ik overloop even de lijst van documenten die ze moeten bijhouden: ontvangstbewijzen en getuigschriften voor verstrekte hulp, het fiscaal dagboek, de correspondentie met de behandelende artsen en de adviserende artsen van de ziekenfondsen over de door hen geleverde behandeling en de terugbetaling ervan, het patiëntenbestand, de correspondentie met de patiënten en ten slotte de bank- en kasverrichtingen die bij elk financieel beheer horen. Daarbovenop komt dan nog het verstrekkingsregister, dat in het jaar 1994-1995 werd ingevoerd.

Ik heb een kinesitherapeut eens laten berekenen hoeveel tijd hij aan al dat papierwerk besteedt. Dat is twee à drie uur per dag, ofwel een hele zondag. Op den duur is een kinesitherapeut meer bezig met zijn papier dan met zijn patiënten.

Het lijkt me inderdaad perfect mogelijk om de controle op de verstrekkingen van de kinesitherapeuten te handhaven zonder een dergelijk register. De lange reeks van bestaande documenten moeten daarvoor volstaan. Het lijkt me dus aangewezen om het verstrekkingsregister af te schaffen. Op die manier kan één van de doelstellingen van het regeerakkoord van juli vorig jaar worden bereikt. In het hoofdstuk Betere gezondheidszorgen staat immers: "De regering wil ook de administratieve lasten die op de zorgverstrekkers wegen, verlichten, zonder te raken aan de efficiëntie van de controle." Door het afschaffen van het verstrekkingsregister wordt aan beide bekommernissen voldaan.

Ik zal de suggestie van de heer Vankrunkelsven volgen, na overleg met de minister van Sociale Zaken, die net de gezondheidsdialogen achter de rug heeft. Hopelijk is hij bereid deze administratieve vereenvoudiging te realiseren. Er moet ook nog over worden besproken in een aantal advies- en overlegorganen van het RIZIV. Ik hoop wat de heer Vankrunkelsven voorstelt, binnen het jaar te kunnen realiseren.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD). - Ik hoop dat de staatssecretaris erin slaagt het voorstel een voorspoedig parcours te laten doorlopen.

Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik, aangenomen te Genève op 21 mei 2003 (Stuk 3-681)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Vankrunkelsven voor een mondeling verslag.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VLD), rapporteur. - We hebben deze kaderovereenkomst daarnet besproken in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen. We zijn heel snel tot de conclusie gekomen dat dit een goed kaderakkoord is. De negen aanwezige leden hebben dan ook de artikelen 1 en 2, alsook het geheel van het wetsontwerp eenparig aangenomen.

De commissie dringt er bij de regering wel op aan de regeringen van andere landen aan te sporen om de overeenkomst snel te laten goedkeuren, want anders blijft ze zonder voorwerp.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) inzake de bestrijding van het tabaksgebruik is een belangrijke stap in onze internationale strijd tegen tabaksverslaving als één van de belangrijkste bedreigingen voor de volksgezondheid.

Belgische diplomaten en deskundigen hebben actief meegewerkt aan de formulering van de tekst van de Overeenkomst in de WGO. CDH verheugt zich erover dat België, anders dan bij de ondertekening, nu één van de eerste landen is die de Overeenkomst ratificeert.

De Kaderovereenkomst is de eerste internationale tekst die door de WGO is opgesteld en die verplichtingen inhoudt voor de landen die ze hebben geratificeerd. Bovendien reikt de tekst echte instrumenten aan in de strijd tegen het tabaksgebruik.

De tekst is geen loutere verbodsbepaling, maar bevat een heel arsenaal van complementaire maatregelen. Die maken mogelijk wat we al lang vragen, namelijk een geïntegreerde aanpak van het tabaksverbruik, onder meer door een verhoging van de verkoopprijs van tabaksproducten, de bescherming van rokers en niet-rokers, de beperking van tabaksreclame, de bescherming van minderjarigen en de bestrijding van illegale handel in tabaksproducten.

De meeste maatregelen staan al vermeld in het door de minister voorbereid plan en in diverse voorstellen die, onder meer door onze fractie, zowel in de Kamer als in de Senaat werden ingediend. Sommige van die voorstellen gaan trouwens verder dan de verplichtingen opgelegd door de Overeenkomst. We kunnen dit alleen maar toejuichen.

We zijn ons er wel van bewust dat de efficiëntie van de nationale bepalingen die door de minister zijn voorbereid, afhankelijk is van het al dan niet voorhanden zijn van gelijksoortige maatregelen in de buurlanden. Tot nog toe werd in de EU de Kaderovereenkomst alleen nog maar door Slowakije geratificeerd. De minister moet dus op de Raad van ministers van Volksgezondheid onze Europese partners sensibiliseren voor het belang van de ratificatie van deze Kaderovereenkomst. We kunnen ook aan de minister van Buitenlandse Zaken vragen dat hij het principe van de ratificatie door alle lidstaten op de agenda van de Raad Algemene zaken plaatst. Dat zou een echte stap voorwaarts betekenen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik lees voor uit artikel 16, 1. c) van deze kaderovereenkomst. "Het verbieden van de vervaardiging en de verkoop van zoetwaren, zoutjes, speelgoed en voorwerpen in de vorm van tabaksproducten die minderjarigen aanspreken;" De ironie wil dus dat wij dadelijk eenparig het verbod van chocoladen sigaretten goedkeuren. Deze maatregel, die door mevrouw Aelvoet als minister van Volksgezondheid werd voorgesteld, werd indertijd geridiculiseerd.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Deze overeenkomst bepaalt dat de Staat die ze bekrachtigt, zich ertoe verbindt ervoor te zorgen dat de strijd tegen het tabaksgebruik niet beïnvloed wordt door commerciële en andere belangen van de tabakssector. In artikel 12 hekelt ze ook het feit dat instellingen die nauw met de tabaksindustrie verbonden zijn, bij de strijd tegen het tabaksgebruik worden betrokken.

We zullen deze overeenkomst met genoegen bekrachtigen. Ik heb echter vragen bij de mogelijke erkenning van de Rodin-stichting. Als ze erkend wordt, zal deze nieuwe VZW door de tabaksindustrie onder meer belast worden met de verbetering van de wetenschappelijke kennis over de verslaving. Ik wijs op de contradictie tussen beide, ook al mag niet de minste bestaan over de ratificatie.

De heer Marc Van Peel (CD&V). - Wat de diabolisering van mevrouw Aelvoet betreft, moet ik toch zeggen dat ze destijds is aangepakt niet omdat ze tegen chocoladen sigaretten was, maar wel omdat ze voor die sigaretten veel strenger was dan voor de soft drugs. Dat was nogal contradictorisch.

We zetten veel spoed achter de goedkeuring van deze Kaderovereenkomst. Terecht zou ik zeggen, aangezien het om een groot gezondheidsprobleem gaat. Anderzijds moet ik vaststellen dat diverse internationale verdragen tegen het drugsgebruik om onverklaarbare redenen in de schuif blijven steken. Die dubbele standaard hebben wij in het verleden aangeklaagd en zullen wij blijven aanklagen. Wij zijn hartsgrondige voorstanders van de Kaderovereenkomst, maar wij zouden wensen dat het drugsgebruik even onverschrokken wordt bestreden in plaats van goedgepraat.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het preventiebeleid inzake tabaksgebruik moet transparant en onafhankelijk zijn. De verklaring van de minister is in dat opzicht zeer belangrijk.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik zou even iets willen rechtzetten. Mevrouw Aelvoet heeft nooit in één zin gepleit voor de afschaffing van de chocoladen sigaretten én voor een gedoogbeleid inzake soft drugs. De chocoladen sigaretten kwamen in de pers naar aanleiding van een antwoord op een vraag in de Kamer over gezondheid en snoepgoed, maar dat antwoord hield geen verband met het drugsbeleid. Die verwarring werd geschapen door buitenstaanders.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ik wens te verduidelijken dat we deze spoedprocedure hebben voorgesteld op verzoek van de minister en dat deze procedure enkel slaat op de tekst van de Wereldgezondheidsorganisatie. Zoals mevrouw Van de Casteele in de commissie heeft gezegd, maken alle nationale maatregelen het voorwerp uit van een ander debat.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-681/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Voorstel van resolutie tot uitbreiding van de verplichtingen van het mandaat van de internationale financiële organisaties (van mevrouw Anne-Marie Lizin, Stuk 3-25)

Stemming 1

Aanwezig: 54
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal worden meegedeeld aan de eerste minister, aan de vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Financiën.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Woensdag 14 juli 2004 om 14 uur

1. Migranten en ontwikkeling: krachten voor de toekomst; Stuk 3-351/1 en 2.

2. Voorstel van resolutie inzake de invoering van sportcheques; Stuk 3-706/1 en 2.

Donderdag 15 juli 2004

a) 's ochtends om 10 uur

1. Mensenhandel en visafraude; Stuk 3-547/1. (Pro memorie)

2. Vragen om uitleg:

b) 's namiddags om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Mondelinge vragen.

3. Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en tot uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de installatiepremie; Stuk 3-796/1 en 2.

4. Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp houdende vervanging van de datum van 8 mei 1945 door 2 september 1945 in bepaalde statuten van nationale erkentelijkheid; Stuk 3-24/12 tot 14.

5. Wetsvoorstel tot aanvulling van het Strafwetboek met een hoofdstuk over doodslag en lichamelijk letsel door toedoen van gezelschapsdieren (van de heer Francis Poty); Stuk 3-126/1 tot 6.

6. a) Over te zenden door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Stuk 51-1201/1 tot 4.

b) Wetsontwerp tot wijziging van artikel 71 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Stuk 51-1202/1 tot 4. (Pro memorie)

Vanaf 17.30 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

7. Vragen om uitleg:

Vrijdag 16 juli 2004 om 14.30 uur

Over te zenden door de Kamer van volksvertegenwoordigers
Wetsvoorstel tot oprichting van een Commissie belast met de hernieuwing van de organen van de islamitische eredienst; Stuk 51-1275/1. (Pro memorie)

Vanaf 15.30 uur: Naamstemming over het afgehandelde wetsontwerp in zijn geheel.

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Stemmingen

Wetsontwerp houdende instemming met de Kaderovereenkomst van de Wereldgezondheidsorganisatie inzake de bestrijding van het tabaksgebruik, aangenomen te Genève op 21 mei 2003 (Stuk 3-681)

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de basisbankdienst» (nr. 3-342)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Sedert 1 september 2003 is de wet van 24 maart 2003 tot instelling van een basisbankdienst van kracht. Deze wet bepaalt dat iedereen die in België is gedomicilieerd en nog geen bankrekening heeft, een zichtrekening kan openen voor maximaal twaalf euro per jaar. Deze dienst is bedoeld om de uitsluiting van de armsten in onze samenleving tegen te gaan. Een bank kan de basisbankdienst weigeren aan een klant in financiële moeilijkheden die nog een lening heeft openstaan.

De ombudsdienst van de financiële sector telde 313 weigeringen in de laatste vier maanden van 2003. In vele gevallen gaat het om klanten die nog een krediet hebben lopen. Een lopend krediet bij een bank wordt immers beschouwd als een `gebonden dienst' op basis waarvan de bank de basisbankdienst kan weigeren.

Tot voor kort werd ook personen met een afbetalingsplan bij een incassobureau de deur gewezen, maar de ombudsdienst heeft voor die dossiers kunnen bemiddelen bij de banken. Een afbetalingsplan bij een incassobureau wordt niet langer beschouwd als een krediet bij een kredietinstelling, waardoor mensen met zo'n plan dus een basiskrediet kunnen krijgen. Ten slotte werden ook aanvragers geweigerd omdat ze al een zichtrekening hadden of niet over een wettelijke woonplaats in België beschikten. De financiële ombudsdienst vindt de basisbankdienst voorlopig geen succes en dringt aan op een tweede wetgevend initiatief, namelijk de bescherming tegen inbeslagname, waardoor mingegoeden niet meer bang moeten zijn van beslag door schuldeisers.

Hoeveel aanvragen voor het verkrijgen van een basisbankdienst werden sedert de inwerkingtreding van de wet op 1 september 2003 ingediend? Hoeveel weigeringen werden reeds geteld? Welke conclusies trekt de minister uit de cijfers en de opmerkingen van de financiële ombudsdienst? Welke wetgevende maatregelen zal de minister nemen om de bescherming tegen inbeslagname te realiseren?

Mevrouw Fientje Moerman, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Er bestaan geen exacte cijfers, maar na contacten met de vier grote banken deelde de Belgische Vereniging van banken op maandag 5 juli 2004 mee dat er sedert de inwerkingtreding van de wet op 1 september 2003 ongeveer 1.500 aanvragen werden ingediend.

De ombudsman voor de financiële sector heeft telefonisch meegedeeld dat er dit jaar 207 weigeringen werden geteld. Zes mensen dienden een klacht in bij de ombudsdienst. Voor vier daarvan heeft de ombudsdienst al een oplossing gevonden, zodat ook die personen een zichtrekening bij een bank hebben gekregen. Twee dossiers zijn nog in behandeling.

De lage cijfers kunnen het gevolg zijn van de vrees voor beslag op sociale uitkeringen die op een rekening worden gestort en vanaf dat ogenblik niet meer beschermd zijn. Bedragen waarop geen beslag kan worden gelegd, zoals het loon tot een bepaald bedrag en sociale uitkeringen, verliezen die bescherming immers eens ze op een rekening staan. Dan kan er op vraag van een schuldeiser beslag op worden gelegd.

Wat de bescherming tegen inbeslagname betreft, verwijs ik naar de wet van 14 juni 2004 betreffende de onvatbaarheid voor het beslag en de onoverdraagbaarheid van de bedragen vermeld in de artikelen 1409, 1409bis en 1410 van het Gerechtelijk Wetboek wanneer die bedragen op een zichtrekening zijn gecrediteerd. Deze wet is op 2 juli 2004 in het Belgische Staatsblad verschenen. Door deze wet vervalt de vrees voor een eventueel beslag op de sociale uitkeringen die op een rekening worden gestort en zullen er in het kader van de basisbankdienst wellicht meer rekeningen worden geopend.

Aangezien de wet betreffende de basisbankdienst pas op 1 september 2003 in werking is getreden en ook de wet van 14 juni 2004 zeer recent is, vind ik het nu nog te vroeg om al een evaluatie te doen en nieuwe wetgevende maatregelen aan te kondigen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de naleving van zijn verbintenissen omtrent de lange duur van de asielprocedures» (nr. 3-338)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In een persmededeling van 14 augustus 2003 verklaarde de minister dat vanaf dat ogenblik een regularisering mogelijk werd van elke persoon die het statuut van vluchteling had aangevraagd en die geen uitvoeringsbeschikking had gekregen, binnen de drie jaar voor gezinnen met schoolgaande kinderen of binnen de vier jaar voor alleenstaanden of koppels zonder kinderen. Deze mogelijkheid was, volgens de minister, voorbehouden aan personen die geen gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekenden. Deze individuele regularisatie zou volgens de minister steunen op artikel 9, §3, van de wet van 15 december 1980 op de vreemdelingen.

Deze aankondiging, die gedaan werd naar aanleiding van de oplossing van de crisis met de Afghaanse hongerstakers, betrof alle asielzoekers. Het perscommuniqué preciseert dat regularisering in de toekomst ook mogelijk zal zijn voor elke persoon die op het ogenblik van zijn regularisatieaanvraag aan hoger genoemde voorwaarden voldoet. De krant Le Soir bestempelde deze verklaring als een belangrijke vooruitgang voor de rechten van de vreemdelingen en had het over de invoering van een vast regularisatiecriterium.

CDH heeft deze aankondiging toen toegejuicht. Hoewel we van mening zijn dat de asielprocedure in België structureel moet worden hervormd en we hiertoe een wetsvoorstel hebben ingediend, zijn we niettemin voorstander van een regularisatieprocedure. Dat stond overigens in ons programma voor de parlementsverkiezingen van 2003.

Spijtig genoeg is tot op heden niets gebeurd. De verbintenissen van augustus 2003 zijn nog steeds niet uitgevoerd. Volgens onze informatie wordt de aanvraag van asielzoekers die al 3 of 4 jaar procederen afgewezen omwille van redenen die geen verband houden met de openbare orde of de openbare veiligheid. We vinden het onmenselijk dat asielzoekers die drie, vier jaar of langer legaal in België verblijven, ertoe gedwongen worden het grondgebied te verlaten.

Hoeveel personen hebben sinds meer dan drie jaar voor gezinnen met schoolgaande kinderen of sinds meer dan vier jaar voor alleenstaanden of koppels zonder kinderen, een asielaanvraag ingediend zonder van de Belgische overheid een definitief antwoord te hebben gekregen? Hoever staat het met hun procedure? Hoeveel personen wachten op een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken zowel wat betreft de ontvankelijkheid als de gegrondheid, van het CGVS zowel wat betreft de ontvankelijkheid als de gegrondheid, van de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen of van de Raad van State?

Bevestigt de minister zijn verbintenissen van augustus 2003? Welke maatregelen heeft hij genomen om deze te concretiseren? Werden richtlijnen gegeven aan de bevoegde ambtenaren? Is een wetsontwerp of rondzendbrief ter zake in voorbereiding? Is de minister het niet met ons eens dat een structurele hervorming van de asielprocedure zich opdringt? Heeft hij plannen in die zin?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zal aan de hand van een reeks cijfers trachten aan te tonen dat ik mijn verbintenissen nakom. Ik wil er meteen al op wijzen dat bij de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele asielaanvraag drie jaar of meer blijft liggen.

Het Commissariaat-generaal beschikt niet over cijfers over asielzoekers met of zonder schoolgaande kinderen, noch over aanvragen die meer dan drie of vier jaar geleden werden ingediend. Ik kan u niettemin enkele algemene gegevens meedelen.

Bij het Commissariaat-generaal zijn 5.468 asielaanvragen van 1999 of voordien hangende: 1.745 daarvan bevinden zich in de ontvankelijkheidsfase en 3.723 in de gegrondheidsfase. Er zijn 4.273 aanvragen die dateren van 2000, waarvan 672 in ontvankelijkheidsfase en 3.601 in de gegrondheidsfase. Voor het jaar 2001 telt men 2.351 aanvragen waarvan 20 in de ontvankelijkheidsfase en 2.331 in de gegrondheidsfase.

Bij de Vaste beroepscommissie voor vluchtelingen zijn de 1.963 asielaanvragen die van 1999 tot 2001 werden ingediend, in behandeling.

De Raad van State, ten slotte, beschikt niet over cijfers volgens de datum van indiening van de asielaanvraag.

Wat mijn verbintenissen van augustus 2003 betreft, kan ik u meedelen dat 373 vreemdelingen definitief en 1.729 tijdelijk werden geregulariseerd in het jaar 2003. Voor de periode januari-mei 2004 bedroegen deze cijfers respectievelijk 260 en 928.

Wat betreft de toepassingscriteria van artikel 9, §3, van de wet van 15 december 1980, herinner ik eraan dat de rondzendbrief van 19 februari 2003 bepaalt dat dit artikel een procedureregel is en geen wettelijke basis voor welk verblijfsrecht ook. De praktische toepassing van dit artikel maakt het niet mogelijk een lijst met precieze criteria op te stellen die automatisch tot regularisering leiden. Een onderzoek geval per geval moet dus de regel blijven. Niettemin wordt altijd rekening gehouden met de duur van de procedure, de integratie van de persoon, het feit dat hij geen gevaar betekent voor de openbare orde of de nationale veiligheid, dat hij geen veroordeling heeft opgelopen voor misdrijven van gemeen recht, werkwillig is en het bezit van een paspoort.

De vrij algemene formulering van artikel 9, §3, maakt het mogelijk de situaties geval per geval te beoordelen. Dat is volgens mij de beste manier van werken.

Overeenkomstig het regeerakkoord moet de asielprocedure worden verbeterd om de aanvragen binnen een redelijke termijn te kunnen afhandelen, zonder echter al te grote wijzigingen in te voeren.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - We zullen het antwoord van de minister aandachtig bestuderen. Mogelijk zal ik er later op terugkomen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «het ontbreken van individuele loonfiches voor personeelsleden van de vroegere gemeentepolitie» (nr. 3-347)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Een groot deel van de politieambtenaren beschikt sinds jaren niet over individuele gedetailleerde loonfiches. Het probleem dateert van 2002 en is een gevolg van de politiehervorming uit 1998. Het betreft de personeelsleden van de vroegere gemeentepolitie, zowat de helft van het politiepersoneel.

De betrokkenen kregen de jongste twee jaar een aangiftefiche voor hun belastingen, waarop de details van de totalen niet worden vermeld. Ondertussen worden allerhande verrekeningen uitgevoerd om totale betalingen uit te stellen. De Centrale dienst der vaste uitgaven - CDVU - is niet in staat de juiste loonfiches voor de voorbije jaren op te stellen, zodat de politieambtenaren niet weten op welke bedragen ze recht hebben. Zo weten sommigen zelfs niet of ze nu al of niet geregulariseerd zijn in de nieuwe weddenschalen en of ze al een Copernicuspremie hebben gekregen.

Sinds 2004 wordt uitsluitend een loonfiche opgemaakt als er iets gewijzigd is in vergelijking met de vorige maand. Sommige ambtenaren schrikken zich een hoedje als ze hun belastingaanslag krijgen, maar hebben geen enkel verweer omdat ze niet over gedetailleerde fiches beschikken.

Die toestand heeft bovendien ook verregaande sociale gevolgen. De huurprijs van een sociale woning wordt berekend op basis van de belastingaanslag. Ingevolge de toepassing van de 80/20-regel verdienden de betrokkenen in 2003 meer, maar indertijd was niet duidelijk of de toepassing van die regel een voordeel dan wel een nadeel zou betekenen. Ook de toekenning van een sociale lening gebeurt op basis van het aanslagbiljet en de prijs van kinderopvang is meestal afhankelijk van het inkomen.

Alleenstaanden hebben in principe recht op voorschotten op onderhoudsgeld, maar verliezen dat recht als ze geen correcte loonfiches kunnen voorleggen. Bij de aanvraag van studietoelagen rijst een gelijkaardig probleem.

Is de minister op de hoogte van de problematiek? Welke stappen zal hij doen om aan die situatie een einde te maken? Wanneer zal de voorgestelde oplossing effect sorteren, ook voor de in het verleden misgelopen voordelen?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Op een punt kan ik mevrouw de Bethune alvast geruststellen: ik ken het probleem. Personeelsleden van de politie krijgen net als andere personeelsleden van wie het dossier door de CDVU wordt beheerd, enkel een loonfiche als de berekeningen ten opzichte van de vorige maand zijn gewijzigd. Zowel mijn diensten als de representatieve vakbonden hebben al meermaals aangedrongen op het uitreiken van een maandelijkse loonfiche. Tot op heden is de CDVU, die overigens onder de FOD Financiën ressorteert, wegens een te beperkte technische capaciteit, niet bij machte om aan dat verzoek te voldoen.

Wat de in 2002 en 2003 uitgevoerde regularisatieoperaties betreft, hebben de personeelsleden via hun dienst de door de CDVU opgemaakte overzichtsstaten ontvangen.

De 80/20-regel vindt zijn oorsprong in artikel 408 van de programmawet van 24 december 2002. Dat artikel is ingelast om de door mevrouw de Bethune aangehaalde problemen te vermijden. De betrokken personeelsleden werden in 2002 minstens voor een deel van het jaar op basis van artikel 248 van de wet op de geïntegreerde politie uitbetaald onder de vorm van netto voorschotten. Voorschotten worden fiscaal in principe niet als loon beschouwd. De toepassing van de 80/20-regel liet dat evenwel toe, met als gevolg dat de genoemde problemen werden vermeden. De politiehervorming had onder meer tot doel het weddenbeheer te centraliseren bij de FOD Financiën, meer bepaald bij de Centrale dienst der vaste uitgaven.

Om dat probleem te verhelpen heb ik aan de ministerraad van 30 en 31 maart voorgesteld - en die is mij daarin gevolgd - om het sociaal secretariaat te verzelfstandigen. Dat betekent dat zowel de federale als de lokale politie via een aantal burgemeesters, korpschefs en rekenplichtigen een vorm van medebeheer krijgen. Dat is belangrijk omdat op die manier degenen die op het terrein de problemen ervaren, rechtstreeks worden betrokken. Het wetsontwerp zal eerstdaags op de ministerraad worden behandeld.

Ik heb ook de regularisatie van de achterstallen van 2001 voorgesteld via een vereenvoudigde versnelde procedure. We zullen een eenmalige attestering van de vroegere prestaties moeten uitschrijven. In plaats van te blijven zoeken naar de betrokken documenten, is het beter om op die manier te werken. Het betreft dus prestaties die werden geleverd door mensen van de voormalige gemeentepolitie.

Een volgende maatregel is het aanstellen van een expert die de procedures en documenten tussen het federale en lokale niveau beter op mekaar moet afstemmen. Die expert heeft inmiddels zijn werkzaamheden aangevat.

Ten slotte werd beslist dat het personeel bij de CDVU dringend moet worden versterkt. Ook werd beslist dat er bijkomende investeringen in informatica moeten komen. Het behoort tot de bevoegdheid van collega Reynders om die maatregelen toe te passen. Ik zal niet nalaten hem daar geregeld op te wijzen. Met een versterkte en meer geïnformatiseerde CDVU kunnen de kinderziekten stilaan tot het verleden gaan behoren.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik neem er akte van dat de minister recent een aantal maatregelen heeft genomen om het probleem op te lossen. Ik noteer wel dat er een wetswijziging nodig is. Het zal dus nog enkele maanden duren voor de situatie in orde komt. Ik dring aan op spoed, want gezien de sociale gevolgen, is de situatie voor heel wat gezinnen onaanvaardbaar.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het wetsontwerp waarover ik sprak betreft enkel de verzelfstandiging van het sociaal secretariaat. Dat staat los van de problematiek van het weddenbeheer, wat de bevoegdheid is van de CDVU. De versterking van de CDVU is het hoofdprobleem en dat kan worden aangepakt zonder dat het ontwerp moet worden goedgekeurd.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Wat betreft het gecentraliseerde sociaal secretariaat van de federale politie, hebben we vorige maand in de gemeenteraad nog een aantal barema's moeten corrigeren. Ofwel zorgt men ervoor dat deze dienst werkt, ofwel decentraliseert men hem en brengt men hem dichter bij de zones zodat deze zelf interne regels kunnen uitwerken waardoor spontane acties uitsluitend omwille van vertragingen of fouten kunnen worden vermeden. Om de goede verstandhouding tussen beide onderdelen van de eengemaakte politie te verzekeren, is een goede werking van primordiaal belang.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «het rapport naar de leefomstandigheden van vreemdelingen in de Belgische gevangenissen» (nr. 3-337)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Op vraag van de Koning Boudewijnstichting onderzocht een team criminologen van de VUB de leefomstandigheden van vreemdelingen of mensen zonder de Belgische nationaliteit in onze gevangenissen. Het onderzoek gebeurde tussen november 2003 en januari 2004.

Uit de cijfers blijkt dat de populatie vreemdelingen in de Belgische gevangenissen vooral de laatste vijf jaar sterk is aangegroeid, althans in absolute aantallen. In procenten gaat het om een verhouding van 55 procent Belgen en 45 procent niet-Belgen.

In 2003 verbleven er mensen met 108 verschillende nationaliteiten in de Belgische gevangenissen. De meesten zijn Europeanen, met een groot aandeel Oost-Europeanen. Ongeveer 65 procent van alle gedetineerde vreemdelingen is tussen 18 en 35 jaar oud. De meeste vreemdelingen zitten in voorlopige hechtenis, maar het aantal langgestraften - meer dan drie jaar - neemt toe.

Met zoveel verschillende nationaliteiten is communicatie geen vanzelfsprekende zaak. Het goede verloop van gesprekken is vaak afhankelijk van de goodwill van de gesprekspartners. Zo zullen gedetineerden meer moeite doen wanneer het gaat om een invrijheidsstelling of een andere gunst en zullen ze zich bij confrontaties verschuilen achter het taalprobleem. Volgens de onderzoekers is schriftelijke communicatie een ramp. Een groot deel van de communicatie binnen de gevangenissen gebeurt met `rapportkaarten'. Met deze kaarten moeten alle, dus ook de analfabete gedetineerden, gesprekken aanvragen met bijvoorbeeld de directie.

Ook op cultureel vlak zijn er vaak botsingen. Schuldinzicht en slachtofferschap worden loze begrippen, daar bepaalde volkeren een delict niet als criminaliteit, maar als een zaak van eer beschouwen.

De onderzoekers maken ook gewag van institutioneel racisme. Zo is het penitentiair personeel hoofdzakelijk autochtoon en worden vertrouwensposten binnen de gevangenis vaak voorbehouden voor Belgische gedetineerden. Toch speelt het meeste racisme zich af tussen de gedetineerden zelf. Het feit dat de meeste jobs in de gevangenissen ingevuld wordt door Belgen, ligt dan weer aan de taalproblemen bij vreemdelingen.

Daarnaast valt de vraag naar meer uitgebouwde bibliotheken met vooral woordenboeken bijzonder op. Ook op het vlak van telefonie zijn er wat klachten omdat er geen collect calls meer worden gemaakt vanuit de gevangenis, waardoor de vreemdelingen vaak verstoken blijven van nieuws van het thuisfront.

Een ander punt is het penitentiair verlof of elektronisch toezicht. Door hun vreemdelingenstatuut en het feit dat ze geen recht op verblijf in ons land hebben, kunnen heel wat gedetineerden geen gebruik maken van dit penitentiair verlof of elektronisch toezicht. Deze groep vreemdelingen zou volgens de onderzoekers voor de grootste humane problemen zorgen, omdat de dienst Vreemdelingenzaken hen na hun gevangenisstraf in de cel kan houden wegens hun verblijfsstatuut.

De onderzoekers stellen dat men op korte termijn werk dient te maken van taalcursussen, tolken en juridische informatie voor de gedetineerden en van meer vorming en meer allochtone aanwervingen op personeelsvlak. Op wettelijk vlak pleiten de onderzoekers voor een herziening van de procedure tot strafopschorting. Die wordt door veel vreemdelingen geaccepteerd omdat het de enige manier is om vervroegd vrij te komen.

Welke conclusies trekt de minister van Justitie uit dit onderzoek?

Acht de minister het raadzaam op korte termijn werk te maken van taalcursussen, tolken en juridische informatie voor de gedetineerden en van meer vorming en meer allochtone aanwervingen op personeelsvlak?

Acht de minister het wenselijk de procedure tot strafopschorting, zoals gesuggereerd door de onderzoekers, te herzien?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Het kabinet van minister Onkelinx werd door de Koning Boudewijnstichting nauw betrokken bij de conclusies van het rapport van de VUB waarnaar naar verwijst.

De stichting heeft in januari laatstleden twee rondetafels georganiseerd met de mensen die op het terrein bij de problematiek betrokken zijn. Een van de medewerksters van de minister was daarop aanwezig. Tijdens de twee vergaderingen werden ideeën uitgewisseld over de manier waarop in de praktijk tegemoet kan worden gekomen aan bepaalde situaties, zoals de communicatie met gedetineerden van buitenlandse nationaliteit die noch Nederlands, Frans of Engels spreken, de problemen in verband met racisme, de opvang van de gedetineerde, het verstrekken van informatie over het huisreglement, de voorlopige invrijheidsstelling met het oog op de verwijdering en een aantal andere problemen.

De minister nam kennis van de conclusies van het rapport van professor Snacken. Meerdere elementen van dat rapport sluiten aan bij de dossiers waaraan ze momenteel werkt, zoals de opleiding van het personeel, de interne rechtspositie van de gedetineerden op basis van het project van professor Dupont, de externe rechtspositie van de gedetineerden, de oprichting van een strafuitvoeringsrechtbank en de toepassing in het interne recht van diverse internationale conventies, waaronder de Europese Conventie van 30 november 1964 inzake het toezicht op de veroordeelde personen of die onder voorwaarden in vrijheid werden gesteld en het aanvullend Protocol bij de Conventie over de overdracht van veroordeelde personen van 18 december 1997.

Sedert deze rondetafels werden de contacten tussen de Koning Boudewijnstichting en het kabinet van de minister voortgezet. De aandacht gaat uit naar twee aspecten.

Het eerste betreft de vraag hoe buitenlandse gedetineerden worden opgevangen. De administratie van de minister maakt op vraag van de Koning Boudewijnstichting een inventaris op van de verschillende initiatieven die hierover in de Belgische gevangenissen werden genomen, zoals brochures in verschillende talen. Het is de bedoeling om deze praktijken te harmoniseren en om elke gevangenis te voorzien van de nodige instrumenten.

Het tweede betreft de samenwerking tussen de penitentiaire administratie en de dienst Vreemdelingenzaken in het kader van de beslissingen tot voorlopige invrijheidstelling met het oog op de verwijdering. Een vergadering met de verschillende betrokken autoriteiten is gepland voor september.

Taalcursussen voor de gedetineerden is een bevoegdheid van de deelstaten. Wat de rechtshulp en het beroep op tolken betreft, gaat het project-Dupont uit van het principe dat elke gedetineerde toegang moet hebben tot de diensten voor rechtshulp en dat hij/zij de essentiële informatie moet ontvangen in een taal die hij/zij begrijpt.

De inwerkingtreding van deze bepalingen moet, zoals de heel wet, gepland worden in het kader van een meerjarig begrotingsplan. De minister is het ermee eens dat het om essentiële problemen gaat.

De procedure van voorlopige invrijheidsstelling met het oog op verwijdering zal worden herzien in het kader van het wetsontwerp dat de minister momenteel voorbereidt over de externe rechtspositie van de gedetineerde en van de strafuitvoeringsrechtbank.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De taalcursussen zijn inderdaad een bevoegdheid van de gemeenschappen. De minister kan echter een overleg organiseren. De toegang tot de gevangenissen kan immers niet door de deelstaten worden afgedwongen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de benoeming van bijkomende politierechters te Leuven» (nr. 3-339)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Onder meer de politierechtbank van Leuven kampt al geruime tijd met werkoverlast of, anders uitgedrukt, met een te uitgebreide werkvoorraad. De totale bevoegdheid van de politierechtbank inzake verkeerszaken en het in Leuven gevoerde verkeersbeleid is hier niet vreemd aan.

Concreet telt de politierechtbank te Leuven thans drie rechters. In het jaar 2003 werden 7.917 nieuwe strafzaken ingeleid en 1.450 nieuwe burgerlijke zaken. Er waren daarnaast nog 1.340 hangende zaken.

Ter vergelijking: Voor de politierechtbank te Namen, welke eveneens drie rechters telt, werden in 2003 4.061 nieuwe strafzaken ingeleid en 576 burgerlijke zaken. Daar waren er nog 719 hangende zaken.

Er is dus een duidelijk verschil in werklast tussen de verschillende politierechtbanken. Rekening houdend met de werklast van de politierechtbank te Leuven, dienen daar twee bijkomende politierechters te worden benoemd.

Het tekort aan politierechters in Leuven leidt er toe dat bijvoorbeeld op één en dezelfde zitting een dossier met betrekking tot een dodelijk ongeval samen met 60 andere zaken zoals overdreven snelheid, dronkenschap, vluchtmisdrijf enzovoort dient te worden behandeld.

Daarnaast dreigen vele zaken te verjaren.

Bovendien dienen in tal van complexe dossiers met omvangrijke vorderingen de burgerlijke belangen nog te worden afgehandeld.

Niet alleen voor de strafzittingen, maar ook voor de burgerlijke zittingen worden de vaststellingstermijnen steeds langer. Deze vaststellingen doen afbreuk aan de doelstellingen van het beleid waaronder de afhandeling van dossiers binnen een voor alle betrokken partijen redelijke termijn.

Binnen welke termijn zal er gelet op het relatief gezien groot aantal in 2003 ingeleide zaken, met name 8.367, een kaderuitbreiding bij de politierechtbank te Leuven plaatsvinden?

Hoeveel bijkomende politierechters zullen worden benoemd?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De minister van Justitie kent de cijfers en de parameters die de FOD Justitie normaliter gebruikt om het aantal politierechters per arrondissement te bepalen. Ze weet dan ook dat het arrondissement Leuven aanspraak kan maken op een uitbreiding van de bestaande formatie. De politierechtbank moet immers het consequente vervolgingsbeleid van het parket kunnen volgen.

De minister van Justitie kent de noden op het terrein goed. Ze wenst die noden echter ook in te passen in een aangepast budgettair kader. De financiële realiteit dwingt haar er toe een voorzichtige houding aan te nemen. Festina lente. Ze heeft dan ook protocollen gesloten met een aantal gerechtelijke overheden, met enkele andere zal dit spoedig gebeuren. Zodoende moet het mogelijk zijn met beperkte middelen de grootste behoeften te dekken.

Ook het hof van beroep van Antwerpen heeft om negentien bijkomende raadsheren gevraagd. De minister heeft met het hof een akkoord gesloten voor een geleidelijke uitbreiding met twaalf raadsheren. De financiële ruimte die hierdoor werd vrijgemaakt zorgt ervoor dat ook de behoeften van andere rechtbanken aan bod kunnen komen. De minister denkt hierbij aan de politierechtbanken van Brugge en Leuven. Het is dan ook haar bedoeling om vanaf september 2005 één bijkomend politierechter te benoemen in Leuven. Ze overweegt nog een bijkomende versterking in de loop van 2006.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit het antwoord is mij vooral de uitdrukking `Festina lente' bijgebleven. Het zal immers nog een tijdje duren vooraleer er effectief politierechters bijkomen. Vanaf 2005 kan worden gestart met de aanwerving, het zal dus al 2006 zijn vooraleer de eerste bijkomende rechter zal worden benoemd.

Er zit dan ook niets anders op dan de bevoegde overheden in Leuven erop te wijzen dat de rage om steeds maar processen-verbaal uit te schrijven en strafvorderingen in te leiden tot niets leidt, tenzij tot verjaringen. Bovendien zullen complexe zaken, zoals de afhandeling van dodelijke ongevallen, vertraging oplopen of worden uitgesteld omdat de strenge arm van de wet de minste bewegingen in de Leuvense straten voor de politierechtbank wenst te brengen.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Mobiliteit en Sociale Economie over «de controle op internationale busdiensten» (nr. 3-340)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Dinsdagnacht 22 juni voltrok zich een zwaar ongeval met een Belgisch-Marokkaanse bus, waarbij twaalf mensen om het leven kwamen. De betrokken busdienst bleek geen correcte vergunning te hebben, maar reed toch geregeld vanuit een vaste locatie in Brussel naar Marokko. Volgens de Federatie van de Belgische Autobus- en Autocarondernemers, de FBAA, is de situatie onhoudbaar. Ze stelt dat momenteel 95 procent van het personenvervoer per bus van en naar Marokko in illegale handen is. Slechts drie firma's zijn in België gemachtigd om regelmatig reizen te organiseren tussen ons land en Marokko.

De FBAA merkt op dat niet alleen de chauffeurs de rusttijden niet respecteren en de bussen overvol geladen zijn, maar er ook mensen en drugs uit en in ons land worden gesmokkeld. Ook de veiligheid van de andere weggebruikers is in het geding.

Vorige week antwoordde de regering op een vraag om uitleg in de Kamer dat de controle van autocars een prioriteit is voor de FOD Mobiliteit en Vervoer, maar desondanks en niettegenstaande het proces-verbaal dat deze bus onlangs had gekregen, bleef het bedrijf zijn illegale vervoerspraktijken ongehinderd voortzetten.

De FOD Mobiliteit en Vervoer heeft zich in de week van 1 juli gebogen over de problematiek van de Belgisch-Marokkaanse buslijnen. Wat zijn de resultaten hiervan?

Werden er nieuwe maatregelen genomen naar aanleiding van het ongeval? Zal de minister er in de toekomst voor zorgen dat bussen die niet aan de Belgische regelgeving voldoen, niet meer worden ingezet voor langeafstandsvervoer?

Is het niet aangewezen dat bij vertrek in België strenger wordt gecontroleerd of de vergunningen in orde zijn en of er geen illegale goederen worden vervoerd? Moeten er niet meer strengere controles worden uitgevoerd, bijvoorbeeld in afspraak met Eurocontrol, aan belangrijke grenspunten, zoals aan de grens tussen Spanje en Marokko?

De heer Bert Anciaux, minister van Mobiliteit en Sociale Economie. - Voor het toezicht op de naleving van de wetgeving en de reglementering inzake het vervoer van personen over de weg zijn meerdere controlediensten bevoegd. De federale politie, die dergelijke controles voornamelijk op het autowegennet uitvoert, en de lokale politie, die veeleer moet optreden op de plaatsen van waaruit vertrokken wordt, spelen inderdaad een rol bij die controles.

De verkeersveiligheid is een van de prioritaire doelstellingen van het Nationaal Veiligheidsplan 2004-2007. Het plan voorziet er onder meer in dat het aantal controles op het personenvervoer jaarlijks progressief wordt verhoogd, in het bijzonder de controle op de voorschriften inzake rij- en rusttijden, het overladen en het onderling afstand houden.

Aangezien politiediensten geen hoofdrol hebben inzake bijzondere wetten waarvoor bijzondere inspectiediensten bestaan, wordt verwezen naar de uitvoering van het actieplan betreffende de samenwerking tussen verschillende controlediensten met het oog op de coördinatie van de controles van het personen- en goederenvervoer over de weg, alsmede naar acties die op Europees niveau worden gepland.

In het kader van dit actieplan werd een directiecomité belast met het verwoorden van de voorstellen om het werk op het terrein, de controlerichtlijnen, de organisatie van de controles en de uitwisseling van informatie te verbeteren.

Binnen dit actieplan werden negen provinciale cellen Vervoer opgericht, evenals een permanente coördinatiecel en een directiecomité. Maken daarvan deel uit: het directoraat-generaal Vervoer te land van de FOD Mobiliteit en Vervoer, de federale en lokale politie van de FOD Binnenlandse Zaken, de administratie van douane en accijnzen van de FOD Financiën, de inspectie van de sociale wetten van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de directie van de sociale inspectie van de FOD Sociale Zekerheid, de inspectiedienst van de Rijksdienst voor sociale zekerheid en de FOD Justitie.

De FOD Mobiliteit en Vervoer, die het directiecomité voorzit, heeft de controle op het personenvervoer steeds beschouwd als een prioritaire doelstelling. Zowel nationaal als internationaal worden door de diverse bevoegde controlediensten voortdurend inspanningen geleverd om de verkeersveiligheid van het personen- en goederenvervoer over de weg permanent te verbeteren. Deze diensten voeren ten minste eenmaal per maand een grote controleactie op het wegvervoer uit in elke. Terzijde, Vlaams- en Waals-Brabant worden nog steeds als één provincie beschouwd.

Er wordt bijzondere aandacht geschonken aan de controle op autocars.

Het directiecomité van 1 juli 2004 heeft beslist op donderdag 8 juli 2004 de provinciale cel Brabant samen te roepen. Hierin zijn alle controlediensten vertegenwoordigd en het is de bedoeling een specifiek actieplan op te stellen voor de controle op het vervoer van en naar Marokko. Het probleem zal dan opnieuw onder de aandacht worden gebracht van een vertegenwoordiger van de FOD Justitie, die eveneens werd uitgenodigd. Aanvullend zullen eveneens op nationaal vlak extra controles op het autocarvervoer worden georganiseerd.

De dienst Controle van het Wegvervoer telt 41 wegcontroleurs en 22 bedrijfscontroleurs. Dit personeel dient, in normale omstandigheden weliswaar, zo ingezet te worden dat er een redelijk toezicht is op het totale transport over de weg, zowel in het goederen- als in het personenvervoer. De dienst organiseert geregeld specifieke controleacties op het autocarvervoer, zowel tijdens als buiten de kantooruren. Deze acties vinden zowel in de bedrijven als op de weg plaats. Zo worden er geregeld controles uitgevoerd aan het Brusselse vertrekpunt op de Stalingradlaan.

Van de lokale politie wordt verwacht dat ze de nodige initiatieven neemt om de pakkans te verhogen door een grotere zichtbaarheid en meer gerichte controles. Zo verleent de lokale politie steeds steun aan de controleacties van de directie Controle van het Bestuur van het Vervoer te land. Zoals ik vorige week in de Kamer reeds verklaarde, werd recentelijk nog een dergelijke controle uitgevoerd. Zelf controleert de lokale politie hoofdzakelijk op technische eisen en verzekeringen. De politie van de zone Brussel-Hoofdstad-Elsene voert geregeld dergelijke controles uit op eigen initiatief of op gerechtelijk vlak. Die controles leiden in sommige gevallen tot het immobiliseren van de betrokken bus en er werden ook al belangrijke hoeveelheden verdovende middelen aangetroffen.

Op 5 oktober 1999 werd het internationale samenwerkingsakkoord `Euro Contrôle Route' (ECR) gesloten. De transportministers van acht landen hebben het akkoord nu ondertekend, namelijk België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Spanje, Duitsland, Ierland en het Verenigd Koninkrijk. Vier landen hebben in afwachting van de ondertekening van het akkoord het statuut van waarnemer, namelijk Polen, Roemenië, Noorwegen en Oostenrijk. Binnen Euro Controle Route houden twee werkgroepen zich bezig met operationele controles op de weg. De werkgroep Gecoördineerde Controles streeft naar een grotere harmonisering van onder andere de controleprocedures en naar het onderling uitwisselen van controlegegevens over zware overtredingen begaan door buitenlandse bestuurders die afkomstig zijn uit ECR-landen. Zowel tijdens de zomer- als tijdens de wintervakanties organiseren alle ECR-landen gecoördineerde controles op het autocarvervoer.

De werkgroep ad hoc is samengesteld uit België, Nederland, Luxemburg, Frankrijk, Spanje en Marokko en legt zich specifiek toe op het autocarvervoer over deze as. Het is precies in dit kader dat de diverse partners een adequate methode zoeken voor een multidisciplinaire aanpak van de problematiek. Hierbij zijn immers meerdere actoren met hun specifieke bevoegdheid betrokken.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik dank de minister voor het uitvoerige overzicht van alle diensten die betrokken zijn bij de controles. Er wordt inderdaad heel wat overlegd en vergaderd, maar de vraag is of er niet vooral een zware bureaucratie wordt opgebouwd. De vertrekpunten van mogelijk illegale busreizen zijn nochtans ruim bekend, zeker in sommige Brusselse wijken. Voor wie echt controles wil uitvoeren, is het echt niet moeilijk om resultaten te boeken.

Het verbazingwekkende in dit geval was dat de busuitbater al een proces-verbaal had gekregen en dat hij desalniettemin zijn gewone gang kon blijven gaan. De vraag is of het departement en al de mensen die de controles moeten uitvoeren, wel echt tot resultaten willen komen. Ik vrees dat ook hier de vraag rijst naar de slagkracht van onze al te bureaucratische administratie.

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de minister van Werk en Pensioenen over «de cumulatie tussen een overlevingspensioen en een inkomen uit arbeid» (nr. 3-331)

De heer Luc Willems (VLD). - Gepensioneerden mogen in beginsel geen beroepsbezigheid uitoefenen, tenzij het inkomen dat zij daaruit verwerven niet hoger ligt dan een bedrag dat varieert naargelang van hun leeftijd en eventuele kinderlast. Indien een rechthebbende dat toegelaten bedrag overschrijdt, kan hij vrij zware sancties oplopen.

Gezinnen met kinderen waarvan een van de ouders komt te overlijden, komen vaak ook in financiële moeilijkheden. Voor deze rechthebbenden geldt de pensioenleeftijd niet. Veelal gaat het over jonge mensen die de kinderen alleen opvangen en daarnaast zorgen voor een gezinsinkomen. De begrenzing van de toegelaten arbeid maakt voltijdse tewerkstelling onmogelijk. De betrokkene wordt hierdoor bovendien geremd in zijn of haar loopbaan.

Een ruimere cumulatie toelaten zal bij gezinnen met kinderen de bestaansonzekerheid doen afnemen. Het zal eveneens leiden tot een betere combinatie van gezin en arbeid.

De groep van rechthebbenden die een overlevingspensioen combineren met een inkomen uit arbeid en jonger zijn dan 45 jaar, zou ongeveer 2.600 personen tellen.

Een versoepeling van het systeem zou de controle van de inkomenscumul tevens administratief heel wat vlotter doen verlopen. Vandaag moet een hele batterij ambtenaren zich daarmee bezighouden.

Heeft de regering al studiewerk verricht rond de budgettaire impact van het verruimen of zelfs afschaffen van de cumulatiegrenzen van overlevingspensioen met inkomen uit arbeid?

Is de regering bereid om op korte termijn de cumulatiegrenzen uit te breiden zodat voor rechthebbenden van overlevingspensioenen met kinderlast een betere combinatie van gezin en arbeid mogelijk is?

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - De CD&V heeft een interessant wetsvoorstel over deze problematiek ingediend. Dat voorstel is nog hangende in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden. We hebben ook al amendementen ingediend op de verschillende programmawetten, maar de VLD-collega's zijn ons toen niet gevolgd. Misschien is er hoop op verbetering in de toekomst en kunnen onze wetsvoorstellen nog tot een resultaat leiden.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Met ingang van 1 januari 2004 werden de grenzen van de toegelaten arbeid voor gepensioneerden die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, in de regeling voor werknemers en zelfstandigen en in de regeling voor de publieke sector verhoogd met 25%.

Deze verhoging vormde de laatste maatregel vóór het uitwerken van een definitieve regeling inzake toegelaten arbeid voor gepensioneerden binnen de globale aanpak van de eindeloopbaanproblematiek. Het overleg over het einde van de loopbaan is aangekondigd voor de tweede helft van het jaar.

De regering wil een significante versoepeling van de toegelaten arbeid voor gepensioneerden die de wettelijke pensioenleeftijd hebben bereikt, maar hoedt er zich tegelijkertijd voor maatregelen te nemen die het vervroegd vertrek bevoordelen.

Deze doelstelling, ingeschreven in het regeerakkoord, impliceert dat het niet meer opportuun is de grenzen van de toegelaten arbeid voor gepensioneerden die de wettelijke pensioenleeftijd nog niet hebben bereikt te verhogen. Er moet immers een duidelijk signaal worden gegeven dat het noodzakelijk en van algemeen belang is de pensioenleeftijd effectief te verhogen.

Wat de langstlevende echtgenoten betreft, zijn de bedragen van de toegelaten arbeid in de loop der jaren reeds substantieel opgetrokken. De toegelaten beroepsbezigheid voor weduwnaars en weduwen met kinderlast is aldus gebracht op 18.553,93 euro, wat allerminst te verwaarlozen is.

We moeten vaststellen dat zelfs nadat de regering twee maal maatregelen heeft genomen ten voordele van de personen die de leeftijdslimiet overschreden hebben, de voordelen verleend aan de categorie van de langstlevende echtgenoten de belangrijkste blijven.

De groep van 2.600 rechthebbenden op een overlevingspensioen zijn weduwen (en enkele weduwnaars) van minder dan 45 jaar met ten minste één kind ten laste die een toegelaten beroepsbezigheid uitoefenen.

Daarnaast zijn er vele duizenden langstlevende echtgenoten (vooral weduwnaars) die, bij het overlijden van hun partner, hetzij het overlevingspensioen niet aanvragen daar ze voltijds verder blijven werken, hetzij het overlevingspensioen wel aanvragen maar geen uitbetaling bekomen daar hun beroepsinkomsten te hoog zijn.

De afschaffing van de grenzen inzake cumulatie van een overlevingspensioen met toegelaten arbeid, zou betekenen dat elk overlevingspensioen zou moeten worden uitbetaald. Dat zou een belangrijke meerkost met zich brengen. Alleen al in het werknemersstelsel kan die kost geraamd worden op 331,2 miljoen € op jaarbasis. Dat moet verder besproken worden op begrotingsvlak.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor het duidelijke antwoord.

Ik begrijp dat er een budgettair keurslijf bestaat en dat men de cumulatiegrenzen dus niet tot plus oneindig kan optrekken. Ik erken ook dat de regering al belangrijke inspanningen heeft gedaan.

Voor personen die zich in bedoelde categorie bevinden, bestaat er een sociale val. Wie er alleen voor staat met kinderen ten laste en recht heeft op een overlevingspensioen, is geneigd om niet meer of slechts in beperkte mate te gaan werken. Betrokkenen moeten hun arbeidsuren mathematisch fijn stellen om de plafonds niet te overschrijden. Een en ander is niet bevorderlijk voor een normale beroepsloopbaan.

Mevrouw De Schamphelaere weet overigens dat ook onze fractie wetsvoorstellen in die zin heeft ingediend.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de minister van Financiën over «de gevolgen van het arrest van het Arbitragehof dat de retroactieve belasting liquidatieboni vernietigt» (nr. 3-327)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het Arbitragehof vernietigde op 23 juni 2004 twee wetsartikelen die de uitkering van liquidatie- en inkoopboni belasten met terugwerkende kracht tot 1 januari 2002. Beide artikelen staan in de wet van 24 december 2002 tot wijziging van de vennootschapsbelasting. De retroactieve heffing is volgens het Arbitragehof strijdig met de Grondwet en het rechtszekerheidsbeginsel. De heffing kan slechts voor uitkeringen na 1 januari 2003.

In een eerste arrest wordt artikel 32, paragraaf 1, lid 1, vernietigd, maar worden de beroepen tegen de artikels 2 tot 5 verworpen. Het tweede arrest vernietigt artikel 33, bevestigt de vernietiging van artikel 32 paragraaf 1, lid 1, en verwerpt de beroepen tegen de artikelen 15 en 16. De beroepen werden ingediend door enkele vennootschappen in vereffening en door de respectieve genieters van de liquidatieboni.

Hoeveel vennootschappen in vereffening zullen dankzij de arresten geen roerende voorheffing van 10 procent op de uitgekeerde meerwaarde moeten betalen?

Hoeveel vennootschappen kunnen de al gestorte voorheffing terugvorderen? Wat is de financiële omvang van die verplichting voor de overheid?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik kreeg soortgelijke vraag in de Kamer en zal in mijn antwoord dezelfde redenering proberen te volgen.

Het Arbitragehof vernietigt in zijn arresten artikel 32, paragraaf 1, van de wet van 23 december 2002, maar uitsluitend voor liquidatieboni die vóór 1 januari 2003 werden toegekend of betaalbaar werden gesteld. Met andere woorden de roerende voorheffing blijft van toepassing op liquidatieboni toegekend of betaalbaar gesteld vanaf 1 januari 2003. Het aantal betrokken vennootschappen dat zich in het door de arresten van het Arbitragehof beoogde geval bevindt, is niet bekend. De administratie deelt mij tevens mee dat het aantal vennootschappen dat de gestorte voorheffing kan terugvorderen, evenmin bekend is. De geboekte ontvangsten in het begrotingsjaar 2003 van 10,5 miljoen euro bevatten inningen met betrekking tot de aanslagjaren 2003 en 2002. Een afsplitsing van de inningen voor het aanslagjaar 2002 is volgens mijn administratie onmogelijk. De exacte budgettaire impact van de vernietigingsarresten kan dus niet worden berekend. Overeenkomstig artikel 18 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof beschikken de geïnteresseerde vennootschappen over een nieuwe termijn van 6 maanden te rekenen vanaf de bekendmaking van de kwestieuze arresten in het Belgische Staatsblad, om een bezwaarschrift in te dienen tegen de belastingen die gevestigd werden op grond van de vernietigde wetsbepalingen.

De administratie zal niet overgaan tot de automatische herziening van de belastingtoestand van de betrokken vennootschappen.

Terugbetaling zal geschieden, rekening houdend met de datum waarop de bevoegde directeur van de belastingen een beslissing over het bezwaarschrift heeft genomen. Die terugbetaling gebeurt op het einde van de tweede maand volgend op de maand waarin de beslissing tot terugbetaling werd genomen. Op die bezwaarschriften zijn eveneens de artikelen 418 en 419 van het Wetboek van Inkomstenbelastingen 1992 betreffende de toekenning van moratoriumintresten van toepassing.

Staatssecretaris Jamar werkt aan een wetsontwerp voor fiscale procedures ten einde bepaalde elementen te versoepelen. Een jaar geleden is iets gelijkaardigs gedaan voor de arbeidsongevallen. Een automatische terugbetaling voor de vennootschappen is op het ogenblik niet mogelijk, maar ik ben bereid om daarover een grondige discussie te voeren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik kan het antwoord van de minister in twee zinnen resumeren.

Wat betreft de vragen naar omvang en aantal beroept de minister zich op exceptio ignorantiæ. Dat mag, een goede advocaat beroept zich ook geregeld op uitzonderingen.

Voor de grond van de zaak etaleert de minister, zoals gewoonlijk, zijn goede bedoelingen. Ik neem daar akte van en ik hoop dat ze tot resultaten zullen leiden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Financiën over «de verwerping door het Hof van Justitie van de Belgische belasting op de verkoop van een aanmerkelijk belang» (nr. 3-336)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Een uitspraak van het Europese Hof van Justitie naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de fiscale rechtbank van Antwerpen in juni 2003 stelt dat de belasting op meerwaarden die een particulier moet betalen wanneer hij een aanmerkelijk belang in een Belgische vennootschap verkoopt aan een buitenlands bedrijf, strijdig is met de Europese regels inzake vrijheid van vestiging en vrij verkeer van kapitaal.

Het Europese Hof van Justitie oordeelt dat de Belgische meerwaardebelasting in strijd is met het Europees recht. Voor de verkoper wordt een transactie met buitenlandse overnemers immers minder aantrekkelijk gemaakt.

In zijn beslissing van 8 juni 2004 merkt het Hof van Justitie op dat de lidstaten hun bevoegdheid inzake directe belastingen in overeenstemming met het gemeenschapsrecht moeten uitoefenen. Vervolgens bepaalt het Hof, verwijzend naar eerdere rechtspraak, dat het onthouden van een fiscaal voordeel bij overdracht aan een buitenlandse vennootschap een ongeoorloofde belemmering vormt van de vrijheid van vestiging. Dat zou het geval zijn omdat de overdracht van de betrokken aandelen of deelbewijzen aan in een andere lidstaat gevestigde ondernemers minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Aangezien de vrijheid van vestiging ook het beheer van ondernemingen omvat vindt het Hof dit alleszins het geval als de overgedragen deelneming de houder ervan een zodanige invloed op de besluiten van de vennootschap verleent dat hij de activiteiten ervan kan bepalen. Als dat niet het geval is, stelt het Hof bijkomend vast dat het verschil in behandeling een beperking van het vrije verkeer van kapitaal inhoudt, aangezien de overdracht van de betrokken aandelen of deelbewijzen aan een in een andere lidstaat gevestigde ondernemer opnieuw minder aantrekkelijk wordt gemaakt. Er bestaat volgens het Hof geen enkele mogelijke rechtvaardigheidsgrond voor die beperkingen.

De uitspraak van het Hof heeft belangrijke gevolgen. Ze maakt de verkoop van Belgische bedrijven aan buitenlandse groepen uit de EU eenvoudiger en aantrekkelijker. Ingewikkelde constructies ter vermijding van deze meerwaardebelasting op aandelen lijken voortaan niet meer noodzakelijk.

Welke conclusies trekt de minister uit de uitspraken van het Europese Hof van Justitie?

Welke financiële gevolgen heeft deze uitspraak voor de schatkist?

Hoeveel Belgische bedrijven kwamen de voorbije vijf jaar door de verkoop van een aanmerkelijk belang in buitenlandse handen?

Hoeveel geschillen over deze belasting zijn er momenteel hangende?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Wanneer een arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen aantoont dat een bepaling van de interne wetgeving van een Lidstaat onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, is die Lidstaat verplicht om de betrokken bepaling derwijze aan te passen dat die onverenigbaarheid wordt opgeheven. Uit de beschikking die het Hof recent heeft genomen in de zaak C-268/03 - Jean-Claude De Baeck tegen de Belgische Staat - volgt dat de bepalingen van de artikelen 67, 8º, en 67ter van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, thans artikel 90, 9º, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, een ongerechtvaardigde hinderpaal vormen op het vlak van de vrijheid van vestiging of van het vrije verkeer van kapitaal, al naargelang de omstandigheden.

Ik zal mijn administratie bijgevolg de opdracht geven na te gaan welke de beste weg is om deze bepaling van het WIB 1992 aan de beschikking van het Hof aan te passen.

Wat de financiële gevolgen betreft stel ik voor om, gelet op het beperkte aantal gevallen en het technische karakter van het antwoord, de antwoordgegevens rechtstreeks aan de senator te geven.

Ik geef een voorbeeld. Voor het aanslagjaar 1999, inkomsten van het jaar 1998, zijn er 17 gevallen. Het belastbaar bedrag van de meerwaarde bedraagt 503.139 euro. De belastingontvangst gerealiseerd bij taxatie tegen 16,5% bedraagt 83.018 euro. De meerwaarden, verwezenlijkt buiten de uitoefening van een bedrijfsactiviteit ter gelegenheid van de gehele of gedeeltelijke overdracht van belangrijke deelnemingen in buitenlandse vennootschappen, zijn belastbaar als diverse inkomsten.

Voor de aanslagjaren 1999, 2000, 2001 en 2002 zijn de bovengemelde gegevens in deel 1 van de aangifte in het vak VI, C, 5 code [174] opgenomen. Die meerwaarden zijn belastbaar volgens het regime van de afzonderlijke taxatie tegen een tarief van 16,5% - artikel 171, 4º, e, WIB 1992 - behalve indien het regime van de globalisatie voor de belastingplichtige voordeliger is.

Het aantal gevallen, het totaal onder code [174] aangegeven bedrag alsook de impact van de hiervoor vermelde belasting, zijn voor de aanslagjaren 1999 tot en met 2002 in de tabel opgenomen.

De administratie gaat in dit geval uit van de hypothese dat de afzonderlijke taxatie van 16,5% normaliter de meest voordelige voor de belastingplichtige is. Wat het aantal geschillen over deze belasting betreft, beschikt de Administratie niet over de nodige gegevens om een afdoend antwoord op de vraag te verstrekken.

Vraag om uitleg van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de wet op de medische experimenten» (nr. 3-341)

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Op 1 mei werd een nieuwe wettelijke regeling van kracht voor het uitvoeren van proeven, studies en onderzoeken op mensen met het oog op de ontwikkeling van biologische of medische kennis. In deze wet wordt een belangrijke rol toegekend aan de ethische comités. Zo kan een experiment niet starten zonder een gunstig advies van het ethisch comité. De minister verklaarde - en dat hoorden wij ook tijdens de interessante hoorzittingen - dat er een evaluatie komt van de wet inzake de praktische moeilijkheden die deze oproept bij de werking van de comités. We moeten hier op vooruitlopen. Er worden immers nu al problemen gesignaleerd inzake de uitvoering van deze wet. Momenteel kunnen er nog enkel studies worden beoordeeld die volgens de nieuwe richtlijnen van de wet werden opgemaakt. Bij vele ethische comités liggen er nog studies die niet volgens die nieuwe richtlijnen van de wet van 1 mei zijn opgemaakt. Daarvoor bestaan geen overgangsmaatregelen. Al die mogelijke nieuwe studies zijn dus geblokkeerd. Dat is vooral problematisch voor de vervolgstudies.

Kan er nog een overgangsregeling worden uitgewerkt voor onderzoeksprotocollen die reeds waren opgemaakt maar nog niet behandeld vóór 1 mei 2004? Op welke andere manier kan dat overgangsprobleem eventueel worden opgelost? Wanneer voorziet de minister de evaluatie van de toepassing van deze wet?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Momenteel kunnen enkel die situaties worden beschouwd die vóór 1 mei 2004 voorwerp van advies van een ethisch comité waren. Conform de Europese voorschriften heeft de wet 1 mei als de datum van inwerkingtreding opgelegd. Opdat nieuwe aanvragen tot vergunningen zouden kunnen worden ingediend bij het directoraat-generaal geneesmiddelen en opdat nieuwe verzoeken voor een gunstig advies zouden kunnen worden ingediend bij de ethische comités zijn er verschillende uitvoeringsbesluiten nodig. Door mijn kabinet en mijn administratie werden drie teksten opgesteld. Twee daarvan zijn er vorige vrijdag in het Staatsblad verschenen. Een derde, dat betrekking heeft op de bijdragen en retributies die de promotor schuldig is aan het directoraat-generaal geneesmiddelen en aan de ethische comités, ligt bij de minister van Begroting wiens akkoord vereist is. De Inspectie van Financiën heeft over deze tekst al een positief advies verstrekt. Eens deze tekst gepubliceerd is, zullen de aanvragen voor nieuwe experimenten kunnen worden ingediend. Ik verwacht het advies van mijn collega van Begroting zeer snel. De tekst zal dus snel kunnen verschijnen. Ik ben dan ook niet van plan overgangsmaatregelen te nemen.

Voor de evaluatie van de ethische comités worden geregeld vergaderingen tussen mijn kabinet en mijn administratie belegd. Op basis van het eerste jaarverslag van de ethische comités zal men bovendien een evaluatie van de toepassing van de wet kunnen maken. Dit eerste verslag zal wellicht tegen juni 2005 aan mijn administratie en het raadgevend comité voor bio-ethiek moeten worden bezorgd.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Ik dank de minister, maar zijn antwoord is toch wel merkwaardig. Hij bevestigt dat de uitvoeringsbesluiten nog volop worden uitgewerkt, terwijl de wet al van kracht werd op 1 mei, zowat zes weken geleden dus. De situatie is dus geblokkeerd en de minister voorziet ook niet in overgangsmaatregelen.

Op welke manier moeten op dit moment de lopende dossiers bij de ethische comités worden behandeld? Daar heeft de minister geen oplossing voor. De wet moest nochtans dringend op 1 mei in werking treden. Dat schijnt nu in de praktijk onmogelijk te zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de hervatting van de Europese ontwikkelingssamenwerking met Togo» (nr. 3-343)

De voorzitter. - De heer Didier Reynders, minister van Financiën, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Meer dan tien jaar geleden heeft de Europese Unie elke vorm van ontwikkelingssamenwerking met Togo stopgezet. Enkele weken geleden heeft de Europese Unie echter beslist om in toepassing van artikel 96 van het ACP-EU akkoord van Cotonou het overleg met de Togolese overheden over het heropnemen van deze samenwerking te openen.

Voor de EU zijn, conform artikel 9 van het akkoord van Cotonou, het respect voor de democratische instellingen, de mensenrechten en de rechtsstaat noodzakelijke bestanddelen van een eventueel partnerschap. Op 14 april laatstleden heeft Togo 22 engagementen voorgesteld om binnen een periode van zes weken tot een jaar een democratisch klimaat en de rechtsstaat in eigen land te bevorderen.

De zending van de EU die van 3 tot 5 juni laatstleden in Togo aanwezig was om de opvolging van deze engagementen na te gaan, verklaarde dat het veel te vroeg was om een balans op te maken.

De Internationale Liga voor de mensenrechten en de Togolese Liga voor de mensenrechten hebben op 7 juni laatstleden een kritisch rapport uitgebracht over de situatie van de mensenrechten in Togo. Zij gaan akkoord met een eventuele hervatting van de Europese ontwikkelingssamenwerking met Togo, op voorwaarde dat de belofte van de Togolese overheid om de mensenrechten te respecteren, concreet wordt geïmplementeerd, dat dit internationaal wordt nagetrokken en dat de 22 engagementen, die hoofdzakelijk betrekking hebben op politieke rechten, uitgebreid worden tot sociale, economische en culturele rechten.

Is het hernemen van de Europese ontwikkelingssamenwerking met Togo aan de orde geweest op de Europese Raad of op de laatste EU-ACP-top en wat is hierover op politiek niveau afgesproken;

Wat is het Belgische standpunt ter zake;

Hoe zal dit dossier worden gevolgd op het niveau van het Belgische ontwikkelingsbeleid, het Europese en het buitenlandse beleid;

Welke vormen van ontwikkelingssamenwerking bestaan er tussen ons land en Togo?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - De samenwerking tussen de Europese Unie en Togo werd in oktober 1992 opgeschort. Hierdoor kon Togo niet rekenen op een toelage vanuit het 8e Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) of op een notificatie van een bedrag uit het 9e EOF. Toen in juni 1998 de telling van de resultaten van de presidentiële verkiezingen werd stopgezet, besliste de Europese Unie op 14 december 1998 de steun niet meer te hervatten.

Tijdens een onderhoud tussen eerste minister Sama en Europees Commissievoorzitter Prodi op 2 oktober 2003 vroeg de Togolese regering om in het kader van artikel 96 van het Cotonou-akkoord het overleg over het hervatten van de steun op te starten. Hij verklaarde zich daarbij bereid maatregelen te nemen op het vlak van de democratie en de mensenrechten.

Artikel 96, dat betrekking heeft op de essentiële elementen van het Cotonou-akkoord, stelt dat, ongeacht de regelmatige politieke dialoog die tussen de Europese Unie en een ACP-land plaatsvindt, een consultatiemechanisme wordt opgestart indien één van de twee partijen vaststelt dat de andere een verplichting die voortvloeit uit de principes van eerbiediging van de mensenrechten, democratie en de rechtsstaat niet naleeft. Dit mechanisme moet de betrokken staat ertoe leiden de nodige maatregelen te nemen om aan deze verplichtingen tegemoet te komen. Indien geen aanvaardbare oplossing kan gevonden worden of deze consultatie wordt geweigerd, kunnen specifieke maatregelen, zoals opschorting van de steun, worden genomen.

De Europese Unie heeft deze vraag positief onthaald en de dialoog met Togo op 14 april jongstleden hervat. In een eerste rapport heeft Togo zich ertoe verbonden 22 maatregelen te nemen, waarvan de uitvoering ter plaatse op de voet wordt gevolgd. Voor het einde van de consultatieperiode, die afloopt op 14 juli, moet Togo een tweede rapport voorleggen. Dit rapport zal dan door de diensten van de Commissie worden onderzocht en leiden tot een voorstel tot hervatting van de steun of behoud van de opschorting. De Raad zou zich in september, of meer waarschijnlijk in oktober, over dit voorstel moeten uitspreken.

België betreurt dat de vroegere houding van de Togolese autoriteiten tot op heden een hervatting van de Europese steun in de weg stond. Ons land zou een dergelijke hervatting ondersteunen indien de Togolese regering duidelijk blijk zou geven van goede wil om het democratiseringsproces op gang te brengen en de rechten van de mens te eerbiedigen. De complexiteit van de dialoog met Togo is niet zozeer te wijten aan het grote aantal hervormingsmaatregelen - op socio-economisch of cultureel vlak bij voorbeeld -, maar aan het gebrek aan goede wil van de regering.

Bilateraal is er geen Belgische samenwerking met Togo. Togo behoort niet tot de partnerlanden van de directe bilaterale samenwerking. Togo bevindt zich op de 141ste plaats in het Human Development Report. Het land behoort tot de groep van de Medium Human Development-landen. De ministerraad van 7 november 2003 die het aantal partnerlanden gereduceerd heeft tot 18, heeft Togo niet opgenomen in de lijst van partnerlanden.

Toch werden in het verleden, in het kader van de schuldverlichting, betalingen uitgevoerd. In 1998 was dit 2.875.317 euro, in 2002 481.300 euro.

In het kader van de indirecte samenwerking is een zevental NGO's actief in Togo. In de sector landbouw wil het project van Vredeseilanden bijdragen tot de duurzame garantie van voedselzekerheid in het perspectief van gelijkheid door middel van de ontwikkeling van productie-, conservatie- en commercialiseringssystemen van veelbelovende landbouwspeculaties en de verbetering van toegangsmogelijkheden. Voorts is er ook het Nationaal programma ter ondersteuning van boerenorganisaties van het Komyuniti-consortium.

In de gezondheidszorg is een aantal projecten specifiek gericht op de gezondheid en meer bepaald op de ondersteuning van sociale zekerheidssystemen. Vooral Louvain Développement is zeer actief met de volgende projecten: Soutien aux mutuelles de santé; La santé communautaire dans les savanes au nord Togo; Amélioration de l'accès aux soins de santé pour les populations de la région des savanes; Appui à la santé communautaire dans la préfecture de Kpendjal (Région des savanes - Togo); Renforcement des capacités mutualistes pour la mise en place de systèmes de micro-finance dans la région des Savanes.

Ook Wereldsolidariteit (WSM) is aanwezig met het project Mutualisme in Afrika (ODSTA). Wereldsolidariteit steunt ook de projecten Sociale economie Afrika (ODSTA) en Vakbeweging Afrika (FOPADESC).

Eén NGO richt zich tot de blinden met het project Aveugles: formation personnel et soins préventifs 5 centres (SHC: Sensorial Handicap Cooperation/Volens)

Met betrekking tot de gemeenschapsopbouw waren er in de periode 1998 tot 2002 activiteiten rond de promotie van nieuwe communicatievormen in ruraal milieu en socio-economische en culturele zelfpromotie van dorpsgemeenschappen.

De voorzitter. - De volgende vergadering vindt plaats woensdag 14 juli 2004 om 14.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Wilmots, wegens andere plichten, de heer Coveliers, in het buitenland, de heer Van den Brande, om familiale redenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 54
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 2

Voor

Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Antoine Duquesne, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Francis Detraux.

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Stefaan De Clerck, Armand De Decker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Antoine Duquesne, Isabelle Durant, Pierre Galand, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Christiane Vienne, Luc Willems, Paul Wille.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 60, 65 en 70 van het Gerechtelijk Wetboek betreffende de politierechtbanken en vrederechters (van de heer Christian Brotcorne en mevrouw Clotilde Nyssens; Stuk 3-790/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 2 van de wet van 5 maart 1998 betreffende de voorwaardelijke invrijheidstelling teneinde er in geval van wettelijke herhaling voor te zorgen dat een groter gedeelte van de vrijheidsbenemende straf wordt uitgezeten (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton en mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-786/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot aanvulling van boek II, titel Iter, van het Strafwetboek teneinde het aanzetten tot of de verheerlijking van terrorisme te beteugelen (van de heer Alain Destexhe en mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-787/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot oprichting van een Fonds voor de asbestslachtoffers (van de heer Alain Destexhe; Stuk 3-788/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging, wat de Hoofdstedelijke Dienst voor brandweer en dringende medische hulp betreft, van artikel 32 van de wet van 16 juni 1989 houdende diverse institutionele hervormingen (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-789/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie met bepalingen over de rol van de apotheker en het gebruik en de beschikbaarheid van euthanatica (van mevrouw Annemie Van de Casteele c.s.; Stuk 3-791/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 105novies van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, teneinde er de verplichting in op te nemen om de telefoonoproepen per seconde aan te rekenen (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-793/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Strafwetboek, wat de mishandeling van bejaarden betreft (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 3-794/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de preventie van borstkanker (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 3-792/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Samenstelling van commissies

Bij de Senaat zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Werkgroep "Ruimtevaart":

-Voor kennisgeving aangenomen.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Waals Parlement

Bij boodschap van 29 juni 2003 heeft het "Parlement wallon" aan de Senaat laten weten dat het zich ter vergadering van die dag geconstitueerd heeft.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 6 juli 2004 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en tot uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de installatiepremie (Stuk 3-796/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 8 juli 2004 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop (Stuk 3-797/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt (Stuk 3-798/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Informele mededeling van een verdrag

Bij brief van 25 juni 2004 heeft de minister van Financiën aan de Senaat ter kennisgeving overgezonden, de tekst van de Overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting met Azerbeidzjan, ondertekend op 18 mei 2004.

Deze tekst zal tevens worden gepubliceerd op de website van de Federale Overheidsdienst Financiën www.fiscus.fgov.be.

Deze Overeenkomst werd nog niet aan de Kamers ter goedkeuring voorgelegd.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 1 juli 2004 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging, wat insolventieprocedures betreft, van inzonderheid de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen (Stuk 3-801/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiënt door de invoeging daarin van het voor eenieder geldend recht om op pijnbestrijding gerichte zorg toegediend te krijgen, alsmede van koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen (Stuk 3-795/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 oktober 2004.

Wetsontwerp tot wijziging van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en tot uitbreiding van het personele toepassingsgebied van de installatiepremie (Stuk 3-796/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 oktober 2004.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 september 1933 op de bescherming van de titels van hoger onderwijs, wat de door de Koninklijke Militaire School verleende academische graden betreft (Stuk 3-799/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 oktober 2004.

Wetsontwerp tot invoering van een heffing op omwisselingen van deviezen, bankbiljetten en munten (Stuk 3-800/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 oktober 2004.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen, de wet van 9 juli 1975 betreffende de controle der verzekeringsondernemingen, de wet van 2 augustus 2002 betreffende het toezicht op de financiële sector en de financiële diensten en de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen (Stuk 3-802/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is maandag 11 oktober 2004.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 10 juni 1997 betreffende de algemene regeling voor accijnsproducten, het voorhanden hebben, en het verkeer daarvan en de controles daarop (Stuk 3-797/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 7 juli 2004.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt (Stuk 3-798/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 7 juli 2004.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende vervanging van de datum van 8 mei 1945 door 2 september 1945 in bepaalde statuten van nationale erkentelijkheid (van mevrouw Anne-Marie Lizin; Stuk 3-24/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 2 juli 2004; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 11 oktober 2004.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hof van Beroep

Bij brief van 29 juni 2004 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Brussel, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2003 van het Hof van Beroep te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 juni 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 30 juni 2004, heeft de voorzitster van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, §1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens de algemene vergadering van de Hoge Raad voor de Justitie van 23 juni 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Economische Overheidsbedrijven - NMBS

Bij brief van 22 juni 2004 heeft de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven, overeenkomstig artikel 162nonies van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, aan de Senaat overgezonden, het verslag 2003 over de toepassing van de Titel I en V van de wet van 21 maart 1991.

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.