3-119

3-119

Belgische Senaat

3-119

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 23 JUNI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Regeling van de werkzaamheden

Actualiteitendebat

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Christine Defraigne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de toename van de aanvragen inzake staatloosheid en de wijze waarop ze worden behandeld» (nr. 3-918)

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de richtlijn waarbij nieuwe verplichtingen worden opgelegd aan de hersteldiensten bij hun interventies op het autowegennet» (nr. 3-914)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst houdende oprichting van het International plant genetic resources institute, gedaan te Rome op 9 oktober 1991 (Stuk 3-1175)

Wetsontwerp houdende instemming met en uitvoering van het Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag van 1992 ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Londen op 16 mei 2003 (Stuk 3-1198)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Belgische standpunt inzake het Arms Trade Treaty» (nr. 3-901)

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de sensibilisering inzake de uitbreiding van de Europese Unie en de Europese Grondwet» (nr. 3-905)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de noodhulp» (nr. 3-906)

Mondelinge vragen

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de Fiscobus» (nr. 3-904)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de monopolisering van de cultuurmarkt» (nr. 3-899)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het toezicht op herverzekeraars» (nr. 3-908)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «het gebruik van de parkings voor gehandicapten» (nr. 3-885)

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Mobiliteit over «de invoering van de digitale tachograaf» (nr. 3-910)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Werk over «de veiligheid van pretparkattracties» (nr. 3-911)

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitvoering van de wet van 17 juni 2004 inzake de gemeentelijke administratieve sancties» (nr. 3-915)

Vraag om uitleg van mevrouw Jeannine Leduc aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de inhoudelijke aspecten van enkele verdragen inzake de nationaliteit» (nr. 3-916)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de teruggave van gestolen goederen uit het buitenland» (nr. 3-900)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de toepassing van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie» (nr. 3-913)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aanwijzing en uitoefening van managementfuncties in de federale programmatorische overheidsdiensten (POD)» (nr. 3-902)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de consequenties van de waarschijnlijke vernietiging van de benoeming van een aantal topmanagers door de Raad van State» (nr. 3-912)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de toegelaten beroepsarbeid voor arbeidsongeschikte zelfstandigen» (nr. 3-903)

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de uitvoering van de wet eenheid van loopbaan» (nr. 3-907)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Regeling van de werkzaamheden

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Ik kon de vergadering van het bureau van de Senaat niet bijwonen omdat ik aanwezig moest zijn in de commissie voor de Financiën in de Kamer. Ik vind het jammer dat de werkzaamheden niet beter op elkaar kunnen worden afgestemd.

Ik had graag dat de Senaat volgende week de programmawet bespreekt in plenaire vergadering. Sommige bepalingen moeten immers in werking treden op 1 juli, soms zelfs vervroegd. De Kamer stemt vandaag over de programmawet.

De voorzitter. - Daarover is kort gesproken in het bureau. De heer Hugo Vandenberghe heeft trouwens gewezen op het probleem met de timing. We zullen het onmogelijke doen opdat het onderzoek van de programmawet volgende week kan plaatsvinden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik kan niet aanvaarden dat de regering de agenda van de commissies en van de plenaire vergadering bepaalt.

De voorzitter. - De Senaat is helemaal vrij om zijn werkzaamheden te regelen.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Vragen staat vrij. Ik heb aangedrongen op een snelle bespreking omdat heel wat bepalingen op 1 juli in werking moeten treden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Aangezien de bespreking nog niet begonnen is in de commissie, lijkt het me voorbarig het ontwerp al op de agenda van de plenaire vergadering te plaatsen. De regering heeft overigens ruimschoots de tijd gehad om de teksten voor te bereiden.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Mag ik erop wijzen dat de programmawet heel wat positieve maatregelen bevat, bijvoorbeeld de afschaffing of vermindering van belastingen.

De voorzitter. - Drie commissies hebben de bespreking van de programmawet geagendeerd. We zullen nagaan of het mogelijk is op het verzoek van de minister in te gaan.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mevrouw de Bethune heeft gelijk. De regering wil alweer de werkzaamheden van de Senaat regelen. Overigens meen ik dat het agendavoorstel van het Bureau aan de plenaire vergadering moet worden voorgelegd.

Anderzijds protesteer ik tegen de wijze waarop het Bureau vanmiddag heeft vergaderd. Toen ik aankwam om 12.28 uur, was de vergadering al beëindigd. Ik wil wel flexibel zijn, maar dan moet ik daartoe ook de kans krijgen. Ik kan het ook niet helpen dat mijn secretaris me niet heeft kunnen bereiken.

De voorzitter. - Het Bureau heeft unaniem over de agenda beslist.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op die manier is het niet moeilijk en ik herhaal dat het voorstel van het Bureau aan de plenaire vergadering moet worden voorgelegd.

Actualiteitendebat

De opsluiting van minderjarigen in gesloten asielcentra

De voorzitter. - Tijdens zijn vergadering van deze ochtend heeft het Bureau besloten een actualiteitendebat de houden over de opsluiting van minderjarigen in gesloten asielcentra.

Het Bureau heeft de spreektijd bepaald op twee minuten per fractie.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Een tijdje geleden kregen een aantal parlementsleden van de verschillende democratische politieke fracties de gelegenheid om op uitnodiging van `Coordination et Initiatives pour et avec les Réfugiés et Étrangers' (CIRÉ) centrum 127bis te bezoeken om zich rekenschap te geven van de situatie van de kinderen die er samen met hun ouders worden vastgehouden.

De opsluiting van kinderen is uiteraard een probleem, gelet op de internationale conventie over de rechten van het kind. Bovendien moeten we ons afvragen welke gevolgen de opsluiting van kinderen heeft voor hun ontwikkeling, vooral als de detentie langdurig is, wat jammer genoeg dikwijls het geval blijkt te zijn.

Kan de minister me zeggen hoeveel kinderen die vergezeld zijn van hun familie, zich in die situatie bevinden? Ik heb het niet over niet-begeleide minderjarigen. Voor hen werden er gelukkig maatregelen getroffen na een rapport van de Senaat en onze werkgroep `Rechten van het kind'. Overigens moeten die maatregelen misschien worden geëvalueerd. Mijn vragen gaan over de begeleide minderjarigen. Wat is de nationaliteit van hun ouders en hoe lang duurt hun verblijf? Waar komen die families vandaan: werden ze aangehouden aan de grens of elders op het grondgebied? Zijn het illegalen, asielzoekers?

Welke maatregelen werden genomen om ervoor te zorgen dat die kinderen aan hun leeftijd aangepaste zorg krijgen? Uit hetgeen ik heb opgevangen over het bezoek van de parlementsleden blijkt dat die kinderen min of meer aan hun lot worden overgelaten. Ze bevinden zich in situaties die niet passen bij hun jeugdige leeftijd. Is er voor die gezinnen met kinderen geen andere oplossing dan opsluiting? Zijn die gezinnen zo gevaarlijk? Is er een reëel gevaar dat ze op de vlucht slaan? Ik denk dat het niet gemakkelijk is om te vluchten met kinderen. Een alternatieve oplossing is dringend nodig.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Het probleem van de mensen zonder papieren, vooral dat van de kinderen, is cruciaal.

Op het eind van de jaren '90 is er in verschillende onderzoeken op gewezen dat een gesloten centrum helemaal niet past voor een kind. Die studies hebben eveneens de mogelijke gevaren van de opsluiting voor het kind benadrukt, meer in het bijzonder het gevaar voor ernstige psychische schade.

Ondanks die waarschuwingen worden in sommige gesloten centra nog talrijke gezinnen met kinderen vastgehouden. Ik heb al enkele jaren de gelegenheid om samen met andere parlementsleden centrum 127bis te bezoeken en heb vastgesteld dat er enorm veel kinderen zijn. Ik heb die situatie trouwens aan de kaak gesteld in onze assemblee.

In die centra leven de kinderen in een gespannen sfeer, soms zelfs in een sfeer van geweld. Er zijn spelen, maar die zijn moeilijk en enkel op bepaalde uren toegankelijk. De dagen zijn verschrikkelijk leeg en zinloos. Het grootste deel van de tijd lopen de kinderen verloren in een rokerige en lawaaiige televisiezaal.

De aanwezigheid van minderjarigen in gesloten centra is niet alleen uit moreel oogpunt onaanvaardbaar, ze is ook een inbreuk op de internationale verplichtingen van België die voortvloeien uit het Verdrag inzake de rechten van het kind en op artikel 22bis van de Grondwet, dat onlangs door de Senaat gewijzigd werd.

In het regeerakkoord van juli 2003 staat: `Zo zullen daar afzonderlijke afdelingen voor gezinnen worden gecreëerd.'

Hoe ver staat het met de oprichting van die afdelingen? Zijn die structuren echt aangepast aan de opvang van gezinnen? Beschikken die afdelingen over voldoende plaatsen om alle gezinnen met kinderen op te vangen en komen die gezinnen automatisch op die afdelingen terecht?

Sommige kinderen volgden overigens al een onderwijsprogramma. De Franstalige televisie heeft vijftienjarigen getoond, zowel Franstaligen als Nederlandstaligen, die tot op dat ogenblik briljante leerlingen waren en die werden opgesloten in deze centra. Wij hebben nochtans de plicht de kinderen te onderwijzen, maar we komen die plicht niet na! Die jongeren zijn definitief verloren, want ik kan me moeilijk inbeelden dat ze hun studie zullen hervatten als ze 17 of 18 jaar zijn. Ik denk dat we moreel verplicht zijn oplossingen te zoeken, op zijn minst voor die kinderen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Ik heb het gesloten centrum 127bis dikwijls bezocht. Ik ben blij dat we met een groot aantal parlementsleden, uit verschillende partijen, nogmaals een bezoek hebben gebracht. Dat bezoek heeft de aandacht gevestigd op de situatie van de kinderen die er verblijven of die er met hun gezin worden vastgehouden. De nefaste gevolgen van opsluiting, voor welk kind dan ook, zelfs al wordt het samen met zijn gezin vastgehouden, zijn bekend. De gevolgen zijn vooral erg voor de kinderen die verschillende jaren in België verbleven, hier naar school gingen en van de ene op de andere dag van hun omgeving worden afgesneden met het oog op hun uitwijzing.

Ik denk niet dat gezinnen met kinderen spoorloos verdwijnen. Zelfs als uitwijzing onvermijdelijk is op het einde van de beroepsprocedures, zijn die gezinnen perfect te lokaliseren als hun kinderen de schoolleeftijd hebben. Ik zie dus niet in hoe een langdurige opsluiting kan worden gerechtvaardigd van personen die soms meerdere jaren in ons land verblijven.

Naast de vraag van mevrouw de T' Serclaes over de vastgehouden gezinnen voor de jaren 2003, 2004 en 2005 wil ik de administratieve toestand van die gezinnen kennen. Loopt hun asielprocedure, bijvoorbeeld in afwachting van een beslissing van de Raad van State in het kader van een beroep tegen een beslissing van het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (CGVS)? Of wachten ze op een beslissing van de Dienst Vreemdelingenzaken in het kader van een regularisatieaanvraag op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 1980? Of werd een dergelijke aanvraag afgewezen?

Hoe denkt de minister het probleem van die gezinnen met kinderen in de toekomst aan te pakken, gelet op het regeerakkoord? Die gezinnen horen niet thuis in dat soort centra. Als uitwijzing moet plaatsvinden, moet dat kunnen, maar dan moet in het belang van de betrokken kinderen de voorrang worden gegeven aan een ander systeem dan opsluiting.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Op 27 mei 2005 hebben verscheidene parlementsleden op initiatief van Vluchtelingenwerk Vlaanderen een bezoek gebracht aan het gesloten vluchtelingencentrum 127bis in Steenokkerzeel. Bij die gelegenheid hebben we kunnen vaststellen dat de opvang totaal ongeschikt is voor kinderen, zelfs als ze er samen met hun ouders verblijven.

Aangezien vele kinderen Nederlands en Frans spreken, hebben we kunnen vernemen hoe kinderen de hechtenis in het centrum ervaren.

Een aantal zaken hebben mij bijzonder getroffen. Zo heb ik een baby gezien die in het centrum is geboren en er nu, bijna een jaar later, nog altijd verblijft. Voorts vertelde een jongetje, die zijn opsluiting niet kan verwerken, me over zijn nachtmerries. Een klein meisje vroeg me waarom ze niet kan spelen met de kinderen die aan de andere kant van de afsluiting naar haar wuiven.

De toestand is niet nieuw. Reeds in 1999 kreeg de toenmalige minister van Binnenlandse Zaken, de heer Duquesne, kritiek op dit beleid. Kinderpsychiaters van de UCL zijn op basis van een wetenschappelijk onderzoek tot de conclusie gekomen dat de toestand in het centrum onaanvaardbaar is voor kinderen. Zolang de kinderen in het centrum zijn opgesloten, kan psychiatrische hulp niet baten. De enige oplossing is het wegnemen van de oorzaak van hun onbehagen.

Ik neem aan dat de minister het centrum zelf heeft bezocht. Kan hij dat bevestigen?

Welke plannen heeft hij dienaangaande? Volgens het regeerakkoord is het de bedoeling in een open en humane opvang te voorzien voor gezinnen.

Welke stappen werden inmiddels gedaan om een einde te maken aan deze toestand?

De opsluiting van kinderen is niet alleen ethisch onaanvaardbaar, maar gebeurt ook totaal willekeurig, afhankelijk van het toeval. Bovendien is de opsluiting van kinderen in die omstandigheden in strijd met artikel 5, §4, van het Europees Verdrag van de rechten van de mens.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik maakte op 27 mei laatstleden deel uit van de delegatie die was samengesteld uit parlementsleden van alle democratische partijen, zowel Franstaligen als Nederlandstaligen, mannen en vrouwen.

Alle aanwezige parlementsleden waren het erover eens: de oplossing is ongeschikt, onaangepast en zelfs onaanvaardbaar. In de politiek komt het zelden voor dat alle partijen samen strijden. We waren het er allen ook over eens dat de kinderen niet meer van hun ouders mogen worden gescheiden.

We hebben uiteraard nog cijfers en gegevens nodig over het precieze administratieve statuut, de afkomst, de nationaliteit en de terugleiding van die gezinnen. Het zou nuttig zijn om in de komende dagen de verscheidenheid van de gevallen van de betrokken gezinnen verder te onderzoeken.

Samen moeten we alternatieven vinden voor de opsluiting. We kunnen de problemen niet oplossen in een actualiteitendebat, maar moeten we geen ideeën lanceren?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ja, doe dat.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Welke oplossingen zijn er? Misschien centra die uitsluitend bestemd zijn voor gezinnen met kinderen? Open centra? De toewijzing van een woonplaats? Kan aan gezinnen worden gezegd waar ze moeten wonen en waar ze bereikbaar moeten zijn? Kan aan het gezinshoofd worden gezegd dat hij eventueel opspoorbaar moet zijn zodat hij kan worden ondervraagd en zijn komen en gaan kan worden gecontroleerd? Kunnen we hen sterk aansporen om vrijwillig terug te keren? En misschien zijn er nog andere mogelijkheden.

Er gebeurt wel iets, maar na jaren reflectie over een oplossing kunnen we ons niet meer tevreden stellen met het engagement om naar alternatieven te zoeken. De waardigheid van ons land staat op het spel, evenals de gezondheid van die kinderen en het respect dat wij betonen voor buitenlandse kinderen die zich meestal in een onaanvaardbare situatie van sociale uitsluiting bevinden.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik ben het ermee eens dat deze problematiek humanitair moet worden benaderd. We mogen echter niet emotioneel reageren. De toestand van de kinderen wordt misbruikt. Het gaat om families die uitgeprocedeerd zijn, illegaal in ons land verblijven en geweigerd hebben gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten. De betrokkenen wensen ook geen gebruik te maken van de procedures van terugkeer naar hun land. Met toepassing van artikel 74, 6 horen ze dan ook in een gesloten centrum. Uit hun gedrag blijkt dat geen enkele andere procedure hen aanzet het land te verlaten. De kwaliteit van hun verblijf is misschien niet ideaal, maar we mogen de zaken niet omdraaien. Voor degenen die meewerken, die hun identiteit bekendmaken en hun documenten tonen, voor wie er medewerking is van de ambassade van het land van herkomst, kan het verblijf meestal tot 14 dagen worden beperkt. Als dat voor iedereen het geval is, zullen er minder problemen inzake infrastructuur zijn. Die kan wel beter, maar er wordt wel wat gedaan. Zo is er wekelijks een bezoek van Kind en Gezin.

De problematiek moet in het juiste kader worden geplaatst. Ik geef toe dat in verband met de kinderen bijkomende maatregelen kunnen worden genomen, maar de inspanningen moeten van beide zijden komen. Te vaak wordt vastgesteld dat de procedures die te lang duren en aan de basis liggen van het probleem te wijten zijn aan een totaal gebrek aan medewerking van de betrokken families. We moeten samen met de VN en het ministerie van Binnenlandse Zaken naar een oplossing zoeken en de families vooral trachten te motiveren om terug te keren naar hun land van oorsprong.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Een gesloten centrum is voor niemand de ideale verblijfplaats, dus ook niet voor een kind. Ik geloof dus niet dat wie hier opkomt voor de rechten van het kind en zegt dat opsluiting geen ideale situatie is voor een kind, de kinderen gebruikt om dit debat te voeren. Volwassenen kunnen hun verblijf in een gesloten centrum immers enigszins duiden, maar kinderen en pubers kunnen dat niet. Vaak gaat het ook om kinderen die al heel lang in ons land verblijven, hier normaal school hebben gelopen en dan plots in een gesloten centrum worden geplaatst. Die kinderen worden geconfronteerd met vragen, waarop ze van niemand een antwoord krijgen. Dat kan voor hen enorme gevolgen hebben, vooral als hun verblijf niet van korte duur is. Ze begrijpen ook niet dat ze daar lang moeten blijven door de schuld van hun ouders. Ze zien alleen hoe lang ze daar zitten.

De kinderen in die centra krijgen weinig scholing en hebben weinig bewegingsvrijheid, maar de personeelsleden doen enorme inspanningen om het verblijf van de kinderen zo aangenaam mogelijk te maken. Ook het beleid heeft al inspanningen gedaan, maar nog niet voldoende.

We voeren dit debat nu omdat we hopen dat de minister dit jaar en de komende jaren nog meer inspanningen zal doen.

Nemen de asielcentra en de Dienst Vreemdelingenzaken nu al maatregelen om zo veel mogelijk gezinnen uit gesloten centra te houden of om hun verblijf daar zo kort mogelijk te houden?

Is de minister van plan om nog dit jaar wetgevend op te treden en om er op organisatorisch, psychologisch en pedagogisch vlak voor te zorgen dat er iets verbetert aan de huidige toestand? We hebben niet de bedoeling kinderen van hun familie te scheiden, maar er moet een betere oplossing voor de kinderen komen, conform het verdrag voor de rechten van het kind.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - We moeten deze debatten niet aangrijpen om te proberen onszelf een goed geweten te bezorgen. Er mag geen gebruik worden gemaakt van de pijnlijke situatie van die gezinnen om de minister, die de wet moet toepassen, te verwijten daar niet om bekommerd te zijn. Dat leidt tot een slecht debat. Ik heb ook kinderen en ook ik ben bekommerd om het lot van kinderen in een dergelijke situatie. Maar wie creëert die situaties en wie is daarvoor verantwoordelijk?

Ik ben bevoegd voor Binnenlandse Zaken en heb dus als taak de vreemdelingenwet te doen naleven. Als we die wet niet willen toepassen, moeten we ze wijzigen. Als we een beleid van open grenzen willen, waarbij iedereen van over de hele wereld die om welk motief ook naar ons land wil komen wordt binnengelaten en de nodige documenten krijgt, dan moeten we de wet in die zin wijzigen.

Als we de bestaande spelregels behouden, dan is het mijn taak om die spelregels te doen naleven. Dat kan gebeuren met gradaties. Als spelregels niet vrijwillig worden nageleefd, dan moeten er in bepaalde gevallen andere methodes worden toegepast. Ik verkies die niet, maar er bestaat soms geen andere keuzemogelijkheid.

Ik moet geregeld beslissingen nemen om personen de toegang tot ons land te ontzeggen of erop toezien dat personen die geen recht hebben om in ons land te blijven ons land verlaten. Dat is mijn opdracht en mijn plicht. Het parlement moet controleren of ik die plicht uitvoer binnen de wettelijke regels. Schrijnende en pijnlijke verhalen waarbij kinderen achter tralies naar buiten naar andere kinderen kijken die hen vragen waarom ze niet mee komen spelen, zijn hartverscheurend, maar wat is het alternatief? Waar pleit men voor als men dat voorbeeld geeft? Moeten we dan de deuren van de gesloten centra openzetten? Moeten we aan gezinnen met kinderen zeggen: u weigert ons land vrijwillig te verlaten, u hebt herhaalde bevelen om het land te verlaten gekregen maar legt die naast u neer, u zegt eigenlijk de rechtsstaat niet te respecteren, maar omdat u kinderen hebt laten we uw dossier voor wat het is. Vraagt u dat? Daarom vraag ik ook naar de alternatieven.

Het is gemakkelijk verontwaardigd te zijn en zich het lot van die kinderen aan te trekken, maar dan vraag ik alternatieven. Tot nader order is er een wet van 1980, die met een ruime democratische meerderheid werd goedgekeurd en ik moet die doen naleven.

Ons land respecteert ook de Conventie van Genève. Ik denk zelfs dat we die Conventie op een zeer ruime wijze toepassen. De richtlijn van de Europese Unie over het statuut B of de subsidiaire bescherming is nog niet in onze wetgeving omgezet, maar we passen de filosofie van die richtlijn op dit ogenblik wel toe. We gaan dus verder dan datgene wat strikt is voorgeschreven door de wet van 1980 en door de Conventie van Genève.

Ik kan mijn ogen niet sluiten voor inbreuken op de wet. Wanneer dus gezinnen illegaal in het land aanwezig zijn, is de vreemdelingenwet van toepassing. Men vroeg mij wat het statuut van die mensen is. Welnu, het gaat voor 90% om illegalen. De beslissing is genomen dat ze het land moeten verlaten en er moeten maatregelen genomen worden om hen die beslissing te laten respecteren. Als ik die personen zou moeten gedogen enkel omdat ze kinderen hebben, zullen we een duale samenleving zien tot stand komen. Onze wetgeving bevat tal van regelingen voor personen die bescherming nodig hebben, waaraan een verblijfsvergunning is gekoppeld. Personen die niet van een dergelijk statuut kunnen genieten moeten het land verlaten. Als ik niet optreedt tegen deze gezinnen zou dat inhouden dat deze personen een soort van vrijgeleide krijgen en dat ons land wordt geconfronteerd met steeds meer onwettig in het Rijk verblijvende families. Als men ziet dat onwettig in een land verblijven rechten creëert, dan zal er zeer vlug een aanzuigeffect ontstaan. Ik neem aan dat het niet de bedoeling is van de verschillende sprekers om te zeggen dat gezinnen met kinderen in feite niet meer moeten uitgewezen worden. De volgende vraag is of het dan hun bedoeling is dat we die gezinnen gaan scheiden, waarbij de volwassenen wel moeten worden uitgewezen en de kinderen niet. Dan zouden we pas echt in strijd met artikel 8 van het EVRM handelen.

In de tussenkomsten hoor ik daar weinig over. Er wordt gezegd dat men in het raam van een actualiteitendebat niet de ruimte heeft om over alternatieven te praten. Men zegt gechoqueerd te zijn over het feit dat kinderen in een gesloten centrum verblijven en dat de minister daar niets aan doet. Zo'n conclusie is een democratisch debat niet waardig. Als men daar aanstoot aan neemt, wat mijns inziens voor een stuk terecht is, moet men ook verder gaan en over alternatieven kunnen praten.

Ik kan geen gedetailleerde cijfers geven ter gelegenheid van dit debat. Ik wil wel enkele aspecten van het probleem verduidelijken, in het licht van de gegevens waarover ik beschik: 81 gezinnen met 152 kinderen werden overgebracht naar het gesloten centrum van Steenokkerzeel. Een vleugel van het centrum is voorbehouden aan de gezinnen met kinderen. Dit jaar werden reeds 69 gezinnen met 112 kinderen vastgehouden in het centrum 127bis. Begin juni verbleven 9 gezinnen met 14 kinderen in het centrum. Het gaat om Russische, Moldavische, Bosnische, Roemeense en Albanese gezinnen.

De verblijfsduur hangt af van verschillende factoren. Als de gezinnen over originele identiteitspapieren beschikken en ze hun medewerking verlenen aan een onderhoud met een afgevaardigde van hun diplomatieke post, kan hun repatriëring binnen relatief korte termijn plaatsvinden.

Daar wil ik nog eens de nadruk op leggen: als men meewerkt met de instanties die interviews komen afnemen, kan het verblijf in zo'n centrum voor wie coöperatief is tot het strikte minimum worden beperkt. Het aanhoudende verblijf in zo'n centrum stoort mij ook, en het is niet de eerste van mijn opties. Het is in vele gevallen een situatie die wordt veroorzaakt en in de hand wordt gewerkt precies door het gebrek aan medewerking van de betrokkenen zelf.

Wanneer er geen medewerking is, bijvoorbeeld wanneer de betrokkenen hun identiteit verhullen, zijn de termijnen uiteraard langer.

Ook de houding van de diplomatieke post speelt een belangrijke rol. Voor de repatriëring moet immers een reisdocument worden afgegeven. Soms zijn daarvoor een diepgaand onderhoud of opzoekingen in het land van herkomst nodig. De duur van het verblijf hangt af van de snelheid waarmee dat wordt afgehandeld. De gemiddelde verblijfsduur voor gezinnen met kinderen bedraagt veertien en een halve dag.

Wij hebben bijzondere schikkingen getroffen ten gunste van de kinderen, ongeacht de beperkte duur van hun verblijf in de centra. Kinderen van vier tot twaalf jaar worden onderverdeeld in twee klassen en krijgen wiskunde- en taallessen. Ze kunnen deelnemen aan recreatieve activiteiten. Daarnaast is er uiteraard ook medisch toezicht.

Dat is inderdaad geen ideale situatie. De opvang en het onderwijs in de centra kunnen wellicht nog worden verbeterd. Mogelijk zijn daarvoor investeringen nodig.

Mijn uitgangspunt was echter dat het verblijf in een centrum perfect had kunnen worden vermeden. Er bestonden alternatieven voor de vrijheidsberoving. Personen die met hun gezin illegaal op het grondgebied verblijven, hebben de mogelijkheid om vrijwillig te vertrekken. Collega Germeaux heeft bovendien gewezen op het bestaan van de Internationale organisatie voor migratie die het vertrek uit ons land in humanitaire omstandigheden mogelijk maakt. De organisatie zorgt ook voor financiële ondersteuning. Als de betrokkenen geen gebruik maken van deze mogelijkheid, dan moeten we overgaan tot gedwongen repatriëring en opsluiting van gezinsleden.

In een aantal gevallen volstaat de opsluiting van het gezinshoofd om een identificatieprocedure door te voeren. Het is dus niet altijd nodig het hele gezin in een gesloten centrum onder te brengen. Als alleen het gezinshoofd wordt opgesloten, krijgen de partner en de kinderen de mogelijkheid om eens de repatriëring een feit is, het gezinshoofd op de luchthaven te vervoegen om samen te vertrekken. Mijn administratie voor Vreemdelingenzaken stelt echter vast dat de partner en de kinderen vaak onderduiken waardoor de gezinshereniging en de verdere onderwijskansen van de kinderen in het gedrang komen.

Ik wil onderzoeken in welke mate de gesloten centra verder kunnen worden gehumaniseerd. Gesloten centra blijven echter de allerlaatste mogelijkheid nadat alle andere pogingen zijn mislukt. Mij vragen niets meer te ondernemen als er kinderen bij betrokken zijn, komt er in feite op neer dat mensen die lang genoeg illegaal in ons land verblijven en handig genoeg zijn om aan een repatriëring te ontsnappen, nooit mogen worden ondergebracht in een gesloten centrum. In feite wordt daardoor een illegale toestand beloond. Als ik dat zou toestaan, druist dat in tegen een wetgeving die het Parlement zelf heeft goedgekeurd.

We moeten voortwerken aan de humanisering van de gesloten centra waarvoor wellicht nog financiële inspanningen nodig zijn. We mogen het hoofddoel echter niet uit oog verliezen.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Niemand van ons wou de situatie in de gesloten centra opblazen. Parlementsleden hebben de plicht zich te informeren over zorgwekkende situaties, temeer wanneer er kinderen bij betrokken zijn. Onze vragen lijken mij dan ook gerechtvaardigd.

Cijfers zijn belangrijk om de situatie te objectiveren. De Dienst Vreemdelingenzaken is het best geplaatst om een exact beeld te geven. De cijfers van de NGO's kunnen immers niet worden gecontroleerd.

Met ons debat over de niet-begeleide minderjarigen wilden wij de situatie objectiveren. Het was echter zeer moeilijk om cijfers te krijgen. De Dienst Vreemdelingenzaken is dikwijls terughoudend op dat gebied. Het is nochtans van essentieel belang te weten over welke personen het gaat, wat de duur van hun verblijf is, enzovoort.

De minister heeft een begin van antwoord gegeven op onze bezorgdheid, waarvoor mijn dank. Het dossier moet verder worden gevolgd. Wij wensen allen dat die centra zo weinig mogelijk families en kinderen herbergen. De vrijwillige repatriëring moet worden aangemoedigd. Dat is ook het beleid van de niet-gouvernementele organisaties, dat echter miskend wordt, net als de middelen die zulks mogelijk maken.

We moeten samenwerken om de centra menselijker te maken en beter rekening te houden met de situatie van de kinderen.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - We hebben de uiteenzettingen gehoord die op dat gebied gewoonlijk worden gehouden door de politici. Ik ben verrast door de uiteenzetting van de heer Germeaux, die over het algemeen grootmoediger en menselijker is. Hij zegt dat België niet alle miserie van de wereld op zich kan nemen. Dat is hier niet het geval, want we hadden het over een bepaald aantal personen en gezinnen. Zoals mevrouw de Bethune zei, krijgen ze te maken met willekeur, want in tegenstelling tot de illegalen kunnen die gezinnen met kinderen niet door de mazen van het net glippen.

Inzake illegaliteit verwijs ik naar het Verdrag voor de rechten van de mens: iemand die zijn land verlaat in de hoop zijn kinderen een betere toekomst te geven, bevindt zich niet in een illegale situatie. Ik beweer niet dat we iedereen moeten opvangen, maar we moeten toch proberen de situatie van die mensen te humaniseren, vooral voor degenen die al verschillende jaren in België verblijven. Als ze lang opgesloten blijven in die centra, kunnen ze problematisch worden voor de maatschappij.

Ik herhaal voor de zoveelste maal dat het ik het essentieel vind samen te debatteren over de wet van 1980 en ons beleid inzake immigratie en asielrecht te herzien. We moeten die problemen proberen op te lossen, zonder omwegen en zonder taboes. We kunnen samen oplossingen uitwerken.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - De minister biedt geen oplossing voor het probleem. Het gaat hier om personen die illegaal op het grondgebied verblijven en waarvoor uiteindelijk maar één oplossing bestaat: zo snel mogelijk terugkeren naar het thuisland. Sommige senatoren pleiten voor een meer humane benadering, maar eigenlijk is dat een pleidooi voor de afschaffing van de gesloten centra. Laat deze senatoren nu eens klaar en duidelijk zeggen wat ze willen, maar dat doen ze niet.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik begrijp niet waarom onze bekommernis wordt gezien als een pleidooi voor de afschaffing van de gesloten centra. We vragen niet dat families uit elkaar worden gehaald of dat de wet wordt overtreden. Wel vragen we een zo goed mogelijke opvang voor de kinderen, die uiteindelijk niet zelf voor hun situatie hebben gekozen. Minister Dewael stelt terecht dat de volwassenen kunnen vermijden om in een dergelijke situatie terecht te komen; kinderen kunnen dat echter niet.

De oprichting van een speciale vleugel voor families in een bepaald gesloten centrum is een stap vooruit. Er moet ook werk worden gemaakt van een psychologische, organisatorische en educatieve meerwaarde.

Het is jammer dat een dergelijk pleidooi altijd wordt afgedaan als een afwijzing van het beleid. Dat is geenszins mijn bedoeling. Ik wens alleen een betere situatie voor kinderen die worden geconfronteerd met de gevolgen van een beslissing die hun ouders hebben genomen. Overigens heb ik het volste begrip voor die beslissing van de ouders. In hun plaats zou ik hetzelfde doen.

Mevrouw Isabelle Durant (ECOLO). - Mijnheer de minister, u zegt dat we moeten weten wat we willen. Dat geldt voor velen onder ons. Niemand van ons heeft een systeem van open grenzen verdedigd of beweerd dat België alle miserie van de wereld op zich moet nemen.

Het probleem van de gesloten centra is evenwel reëel, vooral voor de kinderen. Andere Europese landen, die nochtans geen inschikkelijk onthaalbeleid hebben, hebben andere formules gevonden om het Verdrag van Genève toe te passen.

U hebt ons gezegd dat al die mensen hier illegaal zijn. Uiteraard, wat zouden ze anders in een gesloten centrum doen? U zegt ons dat ze daar zijn omdat ze zich onttrokken hebben aan het bevel om het grondgebied te verlaten en dat hun opsluiting dus hun eigen keuze is.

Dat is een manier om de zaken voor te stellen. Als ik in hun plaats was, zou ik wellicht ook niet zo snel gevolg geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten.

U hebt geen uitsluitsel kunnen geven over de administratieve status van de betrokkenen, en dat begrijp ik. Velen van hen wonen al vier, vijf of zes jaar in België, in afwachting van een gunstige beslissing. Hoe kunnen we hen vragen zich vrijwillig te laten opsluiten?

Ik dank u voor de cijfergegevens. Ik hoop dat we vooruitgang kunnen boeken inzake de specifieke problematiek van de kinderen en dat we betere formules vinden, althans bij langdurig verblijf. U zegt ons dat de gemiddelde verblijfsduur veertien en een halve dag is. Dat lijkt me weinig vergeleken met de informatie waarover ik beschik. Ik wil u echter graag geloven en ik zou graag hebben dat de gemiddelde verblijfsduur zo kort mogelijk is, in het belang van de gezinnen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De minister heeft reeds enkele kwantitatieve gegevens meegedeeld, maar misschien zou het nuttig zijn om ook over kwalitatieve gegevens te beschikken. Hoeveel gezinnen worden uiteindelijk uitgewezen? Op basis van welke criteria zijn de gezinnen in de gesloten centra terechtgekomen? Ik heb immers de indruk dat toeval en willekeur hierbij een zeer grote rol spelen.

Minister Dewael is bereid de leefomstandigheden voor kinderen in de centra te verbeteren. Dit is zeer belangrijk. De minister stelde ook dat er opvang was in twee klassen. Toen ik een bezoek ter plaatse bracht, bleek echter dat er onvoldoende middelen zijn om dergelijke klassen te organiseren, ook al omdat er te veel kinderen waren.

Bovendien wordt alleen in de week animatie verzorgd bij gebrek aan middelen voor activiteiten in het weekend. In opvangcentrum 127bis lossen twee opvoedsters elkaar af. We weten wat het betekent als in die beperkte ruimte tientallen kinderen verblijven. We hebben dus helemaal geen kritiek op het personeel, dat het goed meent met die gezinnen en de kinderen en dat zijn opdracht ernstig wil vervullen.

Ik ben voorstander van het amenderen van de wet. Het opsluiten van kinderen is in strijd met het EVRM. Opsluiten kan alleen in uitzonderlijke gevallen en met precieze garanties, wat thans niet het geval is. We moeten dan ook op zoek gaan naar een manier om de wet aan te passen, maar shopping en misbruiken moeten uiteraard worden vermeden.

De minister heeft niet geantwoord op mijn vraag of de gesloten centra in strijd zijn met het EVRM, maar ik ben daarvan overtuigd. Artikel 5, 1º, d, van het EVRM zegt dat een kind alleen van zijn vrijheid kan worden beroofd in het geval van rechtmatige gevangenhouding met het doel in te grijpen in zijn opvoeding of teneinde hem voor het bevoegde gezag te geleiden.

De minister vraagt ook naar alternatieven. Naar mijn oordeel moet er in de open centra meer worden ingegaan op de mogelijkheid van vrijwillige terugkeer. Met een ander soort van begeleiding en met meer inspanningen moeten op dat vlak meer successen kunnen worden geboekt. Daarom nodig ik de minister uit de discussie aan te gaan en proefprojecten op te zetten.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - We zijn dit debat niet aangegaan om onszelf een goed geweten te bezorgen.

Het was goed om aandacht te schenken aan dat probleem, dat nog lang niet is opgelost. Het is onze politieke verantwoordelijkheid verder te gaan. De ideeën zijn er. We moeten het debat voortzetten in de commissie op basis van voorstellen van wet of van vragen om uitleg, om het even.

Ik ben ervan overtuigd dat wij de internationale rechtsregels schenden. Hoe dikwijls heeft deze situatie België immers een veroordeling opgeleverd in Genève, in het verslag met betrekking tot de conventie over de rechten van het kind? Het zijn dus geen verzinsels.

De minister zegt dat hij de wet moet naleven, maar wetten kunnen worden gewijzigd. Ik heb enkele mogelijke oplossingen geschetst. Deze discussie was nuttig en niet bedoeld om medelijden te wekken.

Zij die hier het woord namen, zijn werkelijk bezorgd over het lot van de vreemdelingen. Ik maak dus nu al een afspraak in oktober, voor de bespreking van wetsvoorstellen.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik zou nog veel meer kunnen zeggen, maar dat zou dan weer replieken losweken, wat ons niet noodzakelijk verder zou brengen.

De vraagstellers vinden dat kinderen niet in een gesloten centrum kunnen worden opgesloten. Mijn vraag is: wat is het alternatief? We kunnen toch niet met twee snelheden werken.

Zoals gesuggereerd, kunnen we het debat in commissie voortzetten en ook naar aanleiding van de bespreking van begrotingen en programmawetten waar het onderwerp geregeld aan bod komt en ik benadruk dat ik altijd open sta voor een goed debat.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Lionel Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «bijkomende bescherming voor vluchtelingen» (nr. 3-758)

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Op 20 juni was het wereldvluchtelingendag met het gevolg dat de bescherming van vluchtelingen weer in de actualiteit staat. Ik wil graag een vraag stellen over de bijkomende bescherming van personen die internationale bescherming nodig hebben. Ingevolge de recente vraag van kamerlid Stijn Bex en het antwoord van de minister heb ik mijn vraag aangepast. Ik wil namelijk weten of de subsidiaire bescherming de leemte opvult die bestaat tussen de gronden van de Conventie van Genève of vluchtelingenconventie en de zogenaamde niet-terugleidingsclausule of principe van non-refoulement.

Zijn er asielzoekers die onder de zogenaamde niet-terugleidingsclausule vallen, maar niet in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming?

Zo ja, waarom wordt hen geen subsidiair beschermingsstatuut toegekend?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik wil bevestigen wat ik gisteren in de Kamer aan kamerlid Stijn Bex heb meegedeeld. Mijn diensten hebben een voorontwerp van wet tot omzetting van de `kwalificatierichtlijn' opgesteld. De tekst werd in de werkgroep besproken en op basis van de conclusies van de werkgroep wordt hij nu aangepast.

We bieden nu al subsidiaire bescherming door een ruime interpretatie van de Conventie van Genève. Wie hier komt zeggen dat we zondigen tegen de bepalingen van de Conventie van Genève, moet ik tegenspreken. België past de Conventie van Genève op een zeer ruime en extensieve manier toe. Wel is het de bedoeling een duidelijker en eenvormiger systeem van subsidiaire bescherming uit te werken. Wie het statuut van subsidiair beschermde wordt toegewezen, krijgt een tijdelijke verblijfsvergunning en toegang tot de arbeidsmarkt. Dat laatste lijkt me een heel belangrijk element.

In het kader van de overgangsbepalingen zal een regeling worden uitgewerkt om personen die nu onder de niet-terugleidingsclausule vallen, onder de toepassing van het vernieuwde subsidiaire beschermingsstatuut te brengen. Op die manier wordt het regeerakkoord maximaal uitgevoerd.

Wat de concrete vraag betreft, kan ik zeggen dat artikel 52bis van de vreemdelingenwet bepaalt dat de minister een asielzoeker kan verbieden op het grondgebied te verblijven, indien er ernstige redenen zijn om hem of haar te beschouwen als een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid. Aan die regel wordt niet geraakt. De betrokkene zal dus geen beschermingsstatuut kunnen krijgen. Ik kan de heer Vandenberghe echter geruststellen. Die bepaling wordt uitzonderlijk toegepast en ik zal in geen geval een persoon terugsturen naar een land waar zijn fysieke integriteit in het gedrang komt. De wet bepaalt trouwens uitdrukkelijk dat in dergelijke gevallen geen verwijderingsmaatregel mag worden getroffen zonder het advies van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen. De eventuele toekenning van een verblijfsrecht is afhankelijk van dat advies en van de mogelijkheid om een opvangland te vinden.

Ik wil nu niet te diep ingaan op details en technische punten. Het voorontwerp van wet zal binnenkort aan de ministerraad worden voorgelegd, maar nogmaals: de principes van de richtlijn worden door mijn administratie vandaag al gerespecteerd door een extensieve toepassing van de Conventie van Genève.

De heer Lionel Vandenberghe (SP.A-SPIRIT). - Begrijp ik het goed dat de mensen die onder de niet-terugleidingsclausule vallen, dan ook toegang krijgen tot de arbeidsmarkt?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ja, als het voorontwerp aanvaard wordt.

Vraag om uitleg van mevrouw Christine Defraigne aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de toename van de aanvragen inzake staatloosheid en de wijze waarop ze worden behandeld» (nr. 3-918)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - We stellen vast dat het aantal aanvragen inzake staatsloosheid sterk toenemen. Uitgeprocedeerde asielzoekers omzeilen de afwijzing van hun asielaanvraag - vaak op grond van ernstige feiten - door een aanvraag inzake staatloosheid in te dienen. Op die manier proberen ze een permanente verblijfsvergunning in België te krijgen.

Dit fenomeen verontrust me om minstens twee redenen.

Sommige aanvragen inzake staatloosheid zouden het werk zijn van netwerken die een beroep doen op smokkelaars en valse papieren gebruiken, wat erop wijst dat het veeleer om een georganiseerd systeem gaat dan om een toename van individuele initiatieven.

Voorts worden deze aanvragen door rechtbanken behandeld, waardoor de goede werking van onze instellingen mogelijk in gevaar wordt gebracht. De Raad van State wordt nu al overstelpt door vreemdelingendossiers. De gewone rechtspleging mag op haar beurt niet worden overbelast omwille van de onrechtmatige en georganiseerde toename van het aantal aanvragen inzake staatloosheid.

Enkele magistraten hebben me gewaarschuwd dat er in dergelijke dossiers geen voorafgaand onderzoek gebeurt door de politie of de staatsveiligheid. De deur staat dus open voor misbruiken.

Kan de minister de evolutie van de aanvragen inzake staatsloosheid schetsen? Is er een toename en in welke mate? Hoe verklaart hij dat de rechtbanken zich met dit soort aanvragen moeten bezighouden? Ik begrijp dat de rechtbank van eerste aanleg volle rechtsmacht heeft en dus wordt geadieerd. Moet echter niet worden gezorgd voor een bevoegde instantie die met de behandeling van dit soort aanvragen wordt belast?

Betekent dit dat de wetgeving en de regelgeving inzake het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen ontoereikend is? Zal de minister hieromtrent maatregelen treffen? Zal de minister iets doen aan het ontbreken van een voorafgaand onderzoek door de politie en de staatsveiligheid, zodat de kandidaat-staatloze geen gevaar betekent voor de Staat of voor de openbare veiligheid?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Deze materie valt grotendeels onder de bevoegdheid van de minister van Justitie. De vraag over de evolutie van het aantal aanvragen inzake staatloosheid kan dus beter aan haar worden gesteld.

De Belgische wet bepaalt niet welke autoriteit bevoegd is voor de erkenning als staatsloze. Overeenkomstig artikel 569 van het gerechtelijk wetboek is de rechtbank van eerste aanleg bevoegd. Deze heeft een algemene bevoegdheid over personen en kan zich bijgevolg uitspreken over de toestand van staatloosheid van een vreemdeling.

Als de rechtbank van eerste aanleg zich moet uitspreken over de staatloosheid van een vreemdeling, kan ze het advies van het parket inwinnen, dat zich op zijn beurt kan richten tot de Dienst Vreemdelingenzaken of tot het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen.

Beide diensten beschikken inderdaad vaak over documenten die de beweringen van de betrokken vreemdeling kunnen bevestigen of ontkrachten. Als het dossier informatie bevat over de openbare orde, kan ook die worden meegedeeld.

Als de rechtbank van eerste aanleg een vreemdeling als staatloze heeft erkend, moet het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de documenten van de burgerlijke stand afleveren.

De erkenning van een vreemdeling als staatloze geeft niet automatisch recht op een verblijfsvergunning.

Een staatloze blijft dus een vreemdeling op wie de wet van 15 december 1980 over het verblijf van vreemdelingen van toepassing is. Het feit dat men kandidaat-staatloze is, geeft evenmin recht op een verblijfsvergunning terwijl de procedure loopt.

De wetgeving inzake staatlozen is dus niet ontoereikend; in feite bestaat er een taakverdeling tussen de gerechtelijke en administratieve overheden. Ik heb geen weet van klachten hieromtrent.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik dank de vice-eerste minister voor zijn antwoord en zal me tot zijn collega richten.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de richtlijn waarbij nieuwe verplichtingen worden opgelegd aan de hersteldiensten bij hun interventies op het autowegennet» (nr. 3-914)

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Een ontwerprichtlijn van de federale politie wil dat de takeldiensten vanaf 1 januari 2006 voor extra bebakening zorgen bij hun interventies op autowegen.

De minister is bevoegd voor de federale politie. Overeenkomstig de richtlijn zullen de vergunningen voor de takeldiensten die aan de nieuwe verplichtingen voldoen, moeten worden uitgereikt door het MET, het Waalse ministerie van Uitrusting en Vervoer. Het Waalse Gewest is dus bevoegd voor de vergunningen.

Welke schikkingen werden getroffen om de federale en gewestbevoegdheden beter op elkaar af te stemmen? Wat gebeurt er in dat verband in het noorden van het land?

De vooropgestelde bebakening zou bebakening op een aanhangwagen en waarschuwingsmaterieel omvatten.

Allereerst zal de aanschaf van dit materieel aanzienlijke extra kosten met zich meebrengen. Voorts moet de takeldienst die op een autoweg wil takelen, een aanhangwagen gebruiken die hij op 100 of 200 meter van de plaats van het ongeval moet laten, de verongelukte auto op zijn vrachtwagen laden en vervoeren, waarna hij moet terugkeren om zijn bebakeningssysteem op te halen. Ofwel moet hij vertrekken met twee voertuigen, een voor de verongelukte auto en een andere voor het bebakeningssysteem.

Beide oplossingen brengen uiteraard extra kosten met zich mee: tijdverlies en een dubbel traject in het eerste geval, de betaling van twee bestuurders in het tweede. De kosten zullen onvermijdelijk worden verhaald op de gebruiker.

Op dit ogenblik weten de takeldiensten niet of ze een bijkomende waarborg BA Uitbating van hun verzekeringsmaatschappij zullen krijgen. Het zou interessant zijn te weten op welke manier zij het probleem zullen regelen en vooral met hoeveel de premies zullen stijgen.

Volksvertegenwoordiger Bart Tommelein heeft de minister hierover op 17 november 2003 al een parlementaire vraag gesteld. Hij stelde voor de taakverdeling voor de takelopdrachten waarvoor de vzw Detabel, de Groepering van Takel- en Bergingsbedrijven van België, al 9 jaar samenwerkt met de provinciale verkeerseenheid van Brabant, tot alle Belgische provincies uit te breiden.

De verantwoordelijken van de groepering klagen dat de minister hen niet wil ontvangen. Kunt u hen spoedig ontmoeten?

De groepering vestigt ook de aandacht op het feit dat de investeringen die nodig zijn voor de aanschaf van het nieuwe materieel, de ondernemingen in de sector voor problemen stellen. De talrijke kleine bedrijven zullen bijgevolg niet meer op autowegen kunnen takelen en zo een groot deel van hun omzet verliezen.

Hoewel de ontwerprichtlijn tegemoetkomt aan de behoefte aan meer veiligheid, is de bebakening van de hindernissen die de rijstroken van de autowegen versperren, een opdracht van openbaar nut die de taak is van zowel de federale politie, het Waalse MET als de bijstandsorganisaties, die hiervoor overheidsgeld krijgen en daartoe zijn opgeleid.

Een eerste vergadering met de federale politie op 23 mei mislukte. Een andere, waarvan ik de afloop niet ken, had vandaag plaats.

Hoewel ik de doelstelling van de richtlijn volledig begrijp, namelijk meer veiligheid bij interventies op autowegen, wens ik het standpunt van de minister te kennen over de vragen die bij de takeldiensten rijzen. Ik wijs ook op het nut van een ontmoeting met de groepering.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het ontwerp dat momenteel ter discussie ligt, is een gezamenlijk initiatief van de wegbeheerders en de federale politie. Het streeft meer veiligheid na voor alle hulpverleners op autowegen en voor alle weggebruikers.

De politiediensten blijven bevoegd voor het beheer van de takeldiensten die over een vergunning van het Waalse Gewest beschikken. Wat betreft het soort materieel dat moet worden gebruikt en de vergunningsprocedure, lopen de besprekingen nog.

In Vlaanderen zal de toestand op het terrein dezelfde zijn. Alleen zal de gevolgde methode verschillen. Het Vlaams Gewest heeft een openbare aanbesteding uitgeschreven voor een volledige autoweg, de E17, en de opdracht toegewezen aan één enkele takeldienst. Die procedure kan in Wallonië niet worden toegepast omdat de Waalse takelbedrijven kleiner zijn en de grote steden met een dergelijk systeem niet kunnen worden bediend.

Een eerste overleg met de verschillende partners van het project - het Waalse Gewest, de federale politie, de bijstandsorganisaties zoals Touring Wegenhulp, VTB-VAB en Europ Assistance, de verzekeringsmaatschappijen vertegenwoordigd door Assuralia en de takeldiensten vertegenwoordigd door Detabel - vond al plaats op 23 mei 2005. Tijdens deze vergadering werden alle problemen behandeld, ook de gevolgen voor de verzekeringskosten. De voorstellen moeten echter nog door alle partners worden besproken en goedgekeurd.

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Ik stel vast dat de onderhandelingen nog lopen. We zullen dit dossier blijven volgen.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst houdende oprichting van het International plant genetic resources institute, gedaan te Rome op 9 oktober 1991 (Stuk 3-1175)

Algemene bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Dit onafhankelijk internationaal instituut is opgericht in 1991 en beoogt de plantgenetische rijkdom van onze planeet te bevorderen. Het functioneert in het kader van de FAO (Voedsel- en Landbouworganisatie van de UNO).

Bijzondere aandacht gaat naar de noden van de ontwikkelingslanden. Zo zal het instituut de noden inventariseren, het behoud en het duurzaam gebruik van deze rijkdommen promoten en de internationale wetenschappelijke samenwerking versterken.

Om de plantgenetische rijkdommen te behouden zal het instituut strategieën en technieken ontwikkelen en een internationale informatiedienst oprichten. Het instituut verzorgt onderzoeksprogramma's, bouwt netwerken uit en zorgt voor informatie-uitwisseling inzake de bescherming van de plantgenetische rijkdommen. Het kan daarbij zowel lokale, als nationale of internationale initiatieven nemen.

Het oorspronkelijke verdrag werd in oktober 1991 gesloten en werd het jaar daarop door ons land ondertekend.

De goedkeuring van het ontwerp heeft geen budgettaire gevolgen.

De commissie heeft het wetsontwerp eenparig goedgekeurd.

De Senaat heeft aanbevelingen inzake het verwezenlijken van de millenniumdoelstellingen aangenomen. Het wetsontwerp komt tegemoet aan een paar van die aanbevelingen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Ik betreur alleen dat het zo lang heeft moeten duren vooraleer we deze overeenkomst, die dateert van 1991, konden bekrachtigen.

Bij de bespreking van het volgende agendapunt zal ik de regering echter gelukwensen met de ratificatie van een verdrag van 2003.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1175/1.)

-De artikelen 1 en 2 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp houdende instemming met en uitvoering van het Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag van 1992 ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Londen op 16 mei 2003 (Stuk 3-1198)

Algemene bespreking

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT), rapporteur. - Het Protocol van 16 mei 2003 roept een bijkomend fonds van 670 miljoen euro in het leven, naast het Internationaal Fonds van 1992 dat 250 miljoen euro bedroeg. Na enkele zware rampen met olietankers, zoals de Erika en de Prestige, was immers gebleken dat de aangerichte schade het in 1992 voorziene schadefonds ver overtrof. Het Protocol was dus een absolute noodzaak. Het bijkomend fonds wordt gefinancierd door de invoerders van olie via zeetransport.

De goedkeuring van het ontwerp is nodig om ons land te laten toetreden tot het Protocol van 2003. Het ontwerp komt ook tegemoet aan de vraag van de Europese Commissie en de Raad om zo snel mogelijk een internationaal mechanisme op te richten dat een snelle procedure en een volledige schadevergoeding waarborgt bij zware olierampen in de Europese wateren.

De commissie heeft het ontwerp eenparig aangenomen.

De heer François Roelants du Vivier (MR). - Het verheugt me dat België dit belangrijke protocol zo snel bekrachtigt. In 1992 bedroeg de vergoeding van schade door een olieramp 250 miljoen euro. Als zich vandaag een dergelijke ramp zou voordoen - wat we niet hopen - zal een bedrag van 920 miljoen euro kunnen worden uitbetaald. Dankzij dit protocol zal het principe dat de vervuiler betaalt, worden toegepast.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het wetsontwerp. Zie stuk 3-1198/1.)

-De artikelen 1 tot 11 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het Belgische standpunt inzake het Arms Trade Treaty» (nr. 3-901)

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Bij de VN ligt een ontwerp van verdrag klaar over de handel in conventionele wapens, het zogenaamde Arms Trade Treaty (ATT). Het verdrag moet uitmonden in een conventie die een reeks internationale minimumnormen oplegt voor de controle op de wapenhandel. De normen zijn gebaseerd op de verantwoordelijkheden die het internationaal recht nu al oplegt aan de staten.

Het verdrag spitst zich toe op de controle op conventionele wapens of handwapens zoals geweren en pistolen. Daarmee slaat de internationale gemeenschap een nieuw pad in op het vlak van conflictpreventie. Voorheen voerde men binnen de internationale instellingen strijd tegen massavernietigingswapens, waarvoor nu bindende verdragen en controlemechanismen bestaan. Dit ontwerp van verdrag erkent dan ook dat lichte wapens een grote impact hebben op het escaleren van conflicten, meer bepaald wegens hun grote beschikbaarheid, lage prijzen en maatschappelijke aanvaarding.

Voorlopig heeft België zich nog niet uitgesproken over zijn houding tegenover het ATT-verdrag. De steun van België aan het ATT is nodig, zeker omdat België vanaf 1 januari 2006 voorzitter is van de OVSE. Bovendien vindt tussen juni en juli 2006 ook de VN-wapenconferentie plaats in New York, een extra reden en gelegenheid om ons standpunt inzake het ATT duidelijk te stellen. De expliciete steun van België aan het ontwerpverdrag zou een grote opsteker zijn. In 1997 sprak ons land zich uit over het verbod op antipersoonsmijnen, tijdens de Conventie van Ottawa. Dat lokte toen veel waardering uit bij de internationale actoren. Op internationaal vlak neemt vooral Groot-Brittannië het initiatief. Het zal zijn steun aan het ATT bevestigen op de top van de G8. Finland en Duitsland hebben hun goedkeuring verleend aan het ontwerpverdrag.

In juli 2005 zal de tweede Tweejaarlijkse Vergadering van Staten plaatshebben over de uitvoering van het VN-actieprogramma, aangenomen in juli 2001 op de VN-Conferentie over lichte wapens. Het ontwerpverdrag van het ATT zal ter bespreking worden voorgelegd. Dit is een goed moment om een duidelijk standpunt aan te nemen tegenover het ATT. Op het vlak van ontwapening en peacekeeping heeft België de troeven in handen om een voortrekkersrol te spelen. Deze regering heeft eerder tegenover de oorlog in Irak bewezen geen grijze muis te zijn op het internationale toneel. Ik hoop stellig dat ons land opnieuw vastberaden optreedt ten opzichte van het ATT.

1. Welke houding neemt België aan ten opzichte van het ATT? Steunt ons land het ontwerpverdrag in al zijn facetten?

2. Wanneer zal de minister binnen de Verenigde Naties omtrent het ATT een standpunt innemen?

3. Op welke manier, en op welk bestuurlijk niveau werkt ons land mee aan een regelgeving rond lichte wapens?

4. Om wettelijk bindend te zijn, moeten de staten het ATT opnemen in hun nationale wetgeving. Voorlopig geldt de federale wapenwet nog, omdat er op gewestelijk gebied nog geen decreten bestaan over de wapenexport. De regio's kunnen geen verdragen binnen de VN afsluiten, omdat ze niet bevoegd zijn. In het geval van wapenhandel moet België verdragen afsluiten over een bevoegdheid die het als staat niet heeft. Welke acties zal de minister ondernemen, of onderneemt hij al, om de gewesten beter te betrekken bij het internationaal beleid, waaronder wapenexport, en voor een betere taakplanning tussen de verschillende overheden? Zijn er afspraken met de gewesten over de vertegenwoordiging op internationale fora?

5. Hoewel de wapenexport geregionaliseerd is, moet de minister toch het Belgische standpunt formuleren binnen de VN. Zal hij over dat standpunt overleg plegen met de gewesten?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het concept van het ATT wordt vandaag gepromoot door het Verenigd Koninkrijk via diverse informele demarches. De bedoeling is het terrein te verkennen en de slaagkansen preciezer in te schatten voor een latere formele introductie van het concept.

Het Verenigd Koninkrijk zal wellicht van zijn EU-voorzitterschap, dat op 1 juli ingaat, gebruik maken om hierover consultaties op te starten met zijn EU-partners. Dat lijkt raadzaam in het licht van het belangrijke EU-acquis terzake, met op de eerste plaats de EU-gedragscode inzake wapenhandel. België zal zijn houding in deze context bepalen zodra het Verenigd Koninkrijk dit thema op de agenda plaatst en aan de EU-partners een voorstel van tekst bezorgt. Daarop anticiperend ondersteunt België het concept van een internationale stapsgewijze aanpak van de wapenhandel op basis van juridisch bindende engagementen.

In het kader van de Verenigde Naties bestaat sinds 2001 een actieplan inzake illegale handel in kleine wapens in al zijn facetten. België neemt deel aan de follow-upactiviteiten gelanceerd in het kader van het actieplan. Het actieplan bevat een aantal brede politieke richtsnoeren en een follow-up. De aanpak is vooral bottom-up en beoogt via een graduele uitdieping van de engagementen te komen tot een allesomvattend, uitvoerbaar en verifieerbaar regime. Die aanpak vergt vastberadenheid en ambitie, maar ook zin voor realisme. De hoge standaarden die al bestaan op het niveau van de EU kunnen immers niet automatisch universeel getransponeerd worden. Zo bleek het helaas niet mogelijk om op de recente bijeenkomst van VN-experts over markeren en traceren van kleine wapens een akkoord te bereiken over het door de EU voorgestelde juridisch bindende karakter van concrete internationale afspraken terzake. Ongetwijfeld zal het Verenigd Koninkrijk hiermee rekening wensen te houden, wanneer het overweegt het voorstel van het ATT te introduceren in de Verenigde Naties.

Regelgeving rond lichte wapens wordt in België uitgewerkt en opgevolgd door de minister van Justitie, die hierover ongetwijfeld meer gedetailleerde informatie kan verschaffen. In het kader van de EU volgt de raadswerkgroep COARM de opvolging en actualisering van de EU-gedragscode inzake wapenhandel.

Ik kan tevens aankondigen dat ons land de intentie heeft om van het komende voorzitterschap van de OVSE gebruik te maken om het Verenigd Koninkrijk een platform te bieden om verdere informatie te verschaffen over zijn voorstel voor een internationaal verdrag inzake wapenhandel. De OVSE heeft immers eveneens interessante concepten ontwikkeld die terzake als nuttige building blocks kunnen worden aangewend.

Wanneer de kwestie van een onderhandelingsmandaat voor een internationaal verdrag inzake wapenhandel ter sprake komt, zal mijn departement hierover zoals steeds overleg plegen met alle betrokken besturen. Op het ogenblik organiseert mijn departement al zulk overleg aangaande de bepaling van de Belgische standpunten inzake de opvolging van het 2001 VN-Actieplan. Coördinatievergaderingen werden georganiseerd in voorbereiding op de bijeenkomsten van VN-experts inzake markeren en traceren van kleine wapens en de biënnale follow-upbijeenkomst over het VN-Actieplan die in juli plaatsvindt.

Verwelkoming van een buitenlandse delegatie

De voorzitter. - Ik begroet een delegatie van vrouwelijke parlementsleden van de Democratische Republiek Congo. Dit is een mooi symbool van de Congolese aanwezigheid in ons midden. Ik wens haar een vruchtbaar verblijf toe. (Algemeen applaus)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de sensibilisering inzake de uitbreiding van de Europese Unie en de Europese Grondwet» (nr. 3-905)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De Europese Grondwet werd in de Kamer op 19 mei en in de Senaat op 28 april 2005 goedgekeurd. In de regionale parlementen moet het debat nog worden gevoerd. De voorbije weken is er heel wat commotie ontstaan op Europees vlak, hoofdzakelijk door het resultaat van het referendum in Frankrijk en in Nederland. Hadden de regeringen de burgers meer bij het Europese gebeuren moeten betrekken en hen beter moeten doen beseffen wat er op de Europese agenda staat?

De ratificatieprocedure in Kamer en Senaat heeft er zeker niet toe bijgedragen de desinteresse van de burgers voor Europa te doen keren. Tijdens dat debat heb ik benadrukt dat de ratificatie van de essentiële tekst op een drafje is verlopen. De Europese instellingen hebben er in december vorig jaar wel over gedebatteerd om de problematiek voor een groter publiek toegankelijk te maken. Dat heeft de Grondwet echter niet dichter bij de mensen gebracht. Ik ben er niet zo zeker van dat een referendum in België tot een positief resultaat zou hebben geleid. Er is nog heel wat werk aan de winkel om Europa dichter bij de burger te brengen, zodat deze zich meer betrokken voelt.

Het succesverhaal van de euro toont aan dat het nochtans mogelijk is een Europees item aan de man te brengen. De invoering van de euro werd niet alleen technisch en financieel voorbereid, maar er werd ook uitgebreid over gecommuniceerd. De introductie van de euro heeft het Europese gevoel heel wat aangewakkerd.

Het verhaal van de Europese Grondwet, weliswaar een meer abstracte zaak, heeft daarentegen gefaald. De Europese Commissie en de Europese Unie maar ook de Belgische regering voerden weinig campagne.

Welke concrete initiatieven heeft de minister genomen om de bevolking te informeren en te sensibiliseren omtrent de uitbreiding van Europa en de goedkeuring van de Grondwet?

Wanneer werden die initiatieven gerealiseerd en tot welk doelpubliek waren ze gericht? Wat waren de budgettaire implicaties? Die vragen komen te laat maar ik ben bij wijze van evaluatie, geïnteresseerd in het antwoord.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Belgische regering heeft inderdaad een aantal initiatieven genomen. De verbetering van de communicatie over Europa is een prioriteit voor de regering, onder andere in het kader van de uitbreiding van de Unie en van het ratificatieproces van de Europese Grondwet. België heeft in 2005 samen met de Europese Commissie het memorandum van overeenstemming ondertekend en hiermee zijn wil tot samenwerking bekrachtigd om de burger beter in te lichten over Europa. Met dat memorandum wordt gestreefd naar een coördinatie van de voorlichting en van de communicatiestrategieën over de Europese Unie van de Commissie, de Belgische overheid en het Europees Parlement. Dat gebeurt in het kader van een partnerschap dat enerzijds gericht is op het geven van algemene voorlichting over de Europese Unie en anderzijds op de belangrijk prioritaire voorlichtingsthema's waaronder de Europese Grondwet. Daartoe werd gemeenschappelijk besloten in het kader van het Prince-programma.

Conform de federale beleidsverklaring van 12 oktober 2004 is op 23 mei 2005 een voorlichtingscampagne rond de Europese Grondwet van start gegaan. Die campagne liep gedurende drie weken en werd georganiseerd door de Federale Overheid in samenspraak met de Europese instanties, namelijk de Vertegenwoordiging in België van de Europese Commissie, het Informatiebureau voor België bij het Europees Parlement en het informatienetwerk Europe Direct in België.

In het verlengde van de festiviteitenkalender van 1 mei 2004 `Brussel viert de uitbreiding van Europa', die werd uitgewerkt door de federale overheid in samenwerking met verschillende Europese, federale en regionale instellingen, werd een nieuw informatiedossier samengesteld met aanvullende informatie inzake de uitbreiding van de Europese Unie. De burger kan dat dossier raadplegen op de site van de FOD Buitenlandse Zaken, Buitenlandse Handel en Ontwikkelingssamenwerking.

De lijst van concrete initiatieven beslaat twee bladzijden. Ik zou die kunnen voorlezen, maar ik geef er de voorkeur aan ze aan mevrouw de Bethune te laten overhandigen. Ook de budgettaire implicaties van de initiatieven staan in mijn nota vermeld.

Mevrouw de Bethune maakt de vergelijking met de euro, maar die gaat hier niet op. De invoering van de euro, een nieuwe munt, was een concrete gebeurtenis waarin iedereen uiteraard was geïnteresseerd. De aandacht was uiteraard groter voor een nieuwe munt dan voor een grondwet, die ontzettend belangrijk is, maar vooral draait rond de verbetering van de Europese besluitvormingsprocedures. Het is altijd mijn persoonlijke overtuiging geweest dat de organisatie van een referendum de enige mogelijkheid is om een publiek debat te krijgen. Een referendum lokt publieke discussie uit. Men kan zoveel informatiecampagnes organiseren als men maar wil, ze zijn belangrijk, maar zij kunnen nooit een echte politieke discussie in de maatschappij loswerken.

Verder beklemtoont spreekster dat de euro positief is onthaald. Dat is juist voor België, maar één van de elementen om het resultaat van het referendum in Nederland uit te leggen is precies de invoering van de euro, waardoor de levensduurte in Nederland aanzienlijk zou zijn gestegen. De verschillende elementen die worden ingeroepen gaan uit van een verschillende kijk op de zaak.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal de acties en de cijfers bekijken, maar wij staan hoe dan ook voor de uitdaging om beter te communiceren over Europa en de burger zowel bij concrete als abstracte thema's te betrekken. Er moeten nieuwe vormen worden gevonden om deze dialoog te voeren. Een referendum is niet het aangewezen middel, dat werd in Frankrijk en Nederland bewezen. De complexiteit van een grondwet leent zich niet tot een debat dat wordt afgerond met een ja of een neen, zij vergt een ander soort participatie. Die opdracht staat in ieder geval op onze agenda.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de noodhulp» (nr. 3-906)

De voorzitter. - De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt namens de heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - In de begroting 2005 werd 22 miljoen euro ingeschreven voor preventie, noodhulp, hulp voor rehabilitatie op korte termijn en humanitaire actie. De wet betreffende de internationale samenwerking van 1999 en het koninklijk besluit van 19 november 1996 vormen de wettelijke basis voor de noodhulp.

De noodzaak van deze budgetlijn werd door de Tsunami-ramp nog maar eens aangetoond. Voor de getroffen landen werden grote budgetten vrijgemaakt, zowel voor noodhulp als voor wederopbouw. De vrees werd uitgesproken dat die bedragen de rest van de begroting voor noodhulp in gevaar zou brengen.

De minister van Ontwikkelingssamenwerking verklaarde in een interview in Knack van 12 januari 2005: `Het geld komt inderdaad van de bestaande begroting voor noodhulp. Ik zal dus de komende maanden meer geld vragen aan de minister van Begroting. Anders zullen andere landen dit jaar niet meer krijgen. Op de Raad van ministers zijn we vorige week onder de Europese collega's in elk geval overeengekomen dat de budgetten die we nu uitreiken, bovenop de bestaande begroting moeten komen.'. De minister antwoordde in dezelfde zin op mijn vragen om uitleg 3-607 en 3-608. Hij verklaarde toen dat hij in het kader van de begrotingscontrole 20 miljoen bijkomende middelen zou vragen.

Heeft de minister na de begrotingscontrole in het algemeen en specifiek voor de budgetlijn noodhulp extra middelen verkregen?

Welk bedrag van de budgetlijn noodhulp voor 2005 heeft op dit ogenblik al een bestemming en hoeveel werd al effectief uitgegeven?

Welke projecten, in welke landen en voor welke bedragen, werd via de budgetlijn een dotatie toegewezen? Welke bedragen zijn bestemd voor de getroffen landen van de tsunami?

Hoe gebeurt de verdeling in absolute en procentuele cijfers van de al vastgelegde kredieten voor 2005 tussen Belgische NGO's, multilaterale organisaties, de administratie en de BTC?

Wordt voor de noodhulp ook rechtstreeks gewerkt met lokale NGO's of instellingen die over de nodige capaciteiten beschikken?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De minister van Buitenlandse Zaken en de minister van Ontwikkelingssamenwerking zijn gezamenlijk bevoegd voor noodhulp aan partnerlanden.

Het budget voor noodhulp, dat 22 miljoen euro bedraagt, werd na de begrotingscontrole gehandhaafd. Daarvan werd 5 miljoen euro gereserveerd voor het Tsunami-project.

Een bedrag van 3.443.604 euro heeft al een bestemming gekregen en werd al betaald. Op de begroting voor 2005 werd een bedrag van tien miljoen euro gereserveerd voor gemeenschappelijke aanvragen van de Verenigde Naties: drie miljoen voor Congo, twee miljoen voor Burundi, een miljoen voor Uganda en vier miljoen voor Ethiopië, Palestina, Soedan en Ivoorkust.

Een bedrag van 1.599.885 euro is bestemd voor de Tsunami-landen: 184.073 euro voor de bouw van scholen en gezondheidscentra in Indonesië in samenwerking met Landsverdediging; 142.812 euro voor noodhulp in Indonesië via het Rode Kruis; 450.000 euro voor de opbouw van een vluchtelingenkamp in Indonesië via B-Fast; 823.000 euro voor de heropbouw van woningen in Sri Lanka via de NGO Protestantse Solidariteit.

Op 23 juni 2005 werd aan een aantal partners een bedrag van 3.443.604 euro toegewezen, waarvan 13,06% aan Landsverdediging, 20,3% aan UNICEF en 66,6% aan Belgische NGO's. In Sri Lanka hebben we een project gefinancierd voor de heropbouw van 75 woningen en twee scholen, en voor de aanleg van een weg. Landsverdediging heeft zijn medewerking aan dit project verleend via het ter beschikking stellen van het personeel. Buitenlandse Zaken heeft het materiaal en het plaatselijk personeel betaald. Zodoende hebben we in de getroffen streek meegewerkt aan het verschaffen van werkgelegenheid.

Er wordt gewerkt met lokale NGO's als de gelegenheid zich voordoet. Het is zelfs een te volgen praktijk, omdat dit ervoor kan zorgen dat rechtstreeks op de plaatselijke noden wordt ingespeeld.

Er is vaak samenwerking tussen de plaatselijke NGO's en de erkende NGO's. De erkende NGO's zijn dikwijls het doorgeefluik naar plaatslelijke NGO's. De erkende NGO's blijven dan verantwoordelijk voor de uitvoering van de projecten. Officieel kunnen wij immers op een dergelijke samenwerking niet aangaan. Volgens de koninklijke besluiten kunnen wij werken met Belgische erkende NGO's, met humanitaire VN-organisaties en met het Rode Kruis.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Luc Willems aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de verhoging van de invaliditeitsuitkeringen voor zelfstandigen» (nr. 3-748)

De heer Luc Willems (VLD). - Begin 2004 heeft de regering beslist om het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen voor zelfstandigen die hun activiteit volledig hebben stopgezet gevoelig te verhogen. Het was de bedoeling dat die uitkeringen zouden worden gelijkgesteld met de minimumvergoedingen die aan invalide werknemers worden uitbetaald.

Tot op heden zijn de invaliditeitsuitkeringen voor zelfstandigen echter nog steeds niet aangepast.

Waarom is de beslissing van de regering om de invaliditeitsuitkeringen voor zelfstandigen met stopzetting van activiteit te verhogen nog steeds niet uitgevoerd?

Zal de dagvergoeding effectief worden opgetrokken, zowel voor zelfstandigen met gezinslast als voor zelfstandigen zonder personen ten laste?

Met hoeveel zal de dagvergoeding uiteindelijk worden opgetrokken?

Zal de verhoging worden toegekend met terugwerkende kracht tot 1 januari 2004 conform de beslissing van de ministerraad van januari 2004?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De verbetering van de vergoedingsverzekering voor zelfstandigen maakt het voorwerp uit van een diepgaand en geregeld overleg tussen mijn kabinet en het kabinet van de minister van Sociale Zaken. Slechts vanaf 1 januari 2006 is er in een begroting van ongeveer 15 miljoen voorzien. De eerste beleidsvoorstellen die voor advies aan het Beheerscomité moeten worden voorgelegd zijn gepland voor eind 2005. Ze betreffen voornamelijk de verhoging van de minimale forfaitaire invaliditeitsvergoeding tot het niveau van het minimum van de loontrekkenden in geval van invaliditeit met stopzetting van de onderneming.

De vergoeding zal worden verhoogd zowel voor de zelfstandigen met gezinslast als voor de zelfstandigen zonder personen ten laste. Aan de huidige index zou de dagvergoeding worden verhoogd van 34,38 naar 38,73 euro wanneer de begunstigde ten minste één persoon ten laste heeft en van 25,78 naar 27,73 euro in de andere gevallen. Deze maatregel heeft geen terugwerkende kracht. De Ministerraad van Gembloers heeft daarvoor in 2004 en 2005 geen middelen voorzien. De maatregel geldt dus vanaf 1 januari 2006.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik steun de minister in haar doelstellingen. Het betreft schrijnende situaties. Ik hoop dat de verhoging effectief tegen 1 januari 2006 zal worden gerealiseerd. Dat is dan wel twee jaar later dan voorzien.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst houdende oprichting van het International plant genetic resources institute, gedaan te Rome op 9 oktober 1991 (Stuk 3-1175)

Stemming 1

Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met en uitvoering van het Protocol van 2003 bij het Internationaal Verdrag van 1992 ter oprichting van een Internationaal Fonds voor vergoeding van schade door verontreiniging door olie, opgemaakt te Londen op 16 mei 2003 (Stuk 3-1198)

Stemming 2

Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 30 juni 2005

a) 's ochtends om 10 uur

1. Wetsontwerp houdende instemming met het samenwerkingsakkoord van 30 april 2004 tussen de Federale Staat, de gewesten en de gemeenschappen betreffende de actieve begeleiding en opvolging van werklozen; Stuk 3-1118/1 en 2.

2. Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 259bis, 314bis, 504quater, 550bis en 550ter van het Strafwetboek en van de wet van 23 maart 1995 tot bestraffing van het ontkennen, minimaliseren, rechtvaardigen of goedkeuren van de genocide die tijdens de tweede wereldoorlog door het Duitse nationaal socialistische regime is gepleegd; Stuk 3-1135/1 tot 4.

3. Over te zenden door de Kamer en onder voorbehoud van evocatie - Evocatieprocedure
Ontwerp van programmawet; Stuk 51-1820/1 tot 14.

4. Vragen om uitleg:

b) 's namiddags om 15 uur

1. Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

2. Inoverwegingneming van voorstellen.

3. Eventueel, hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

4. Vragen om uitleg:

De heer Philippe Mahoux (PS). - Mevrouw de Voorzitter, wanneer bespreken we de programmawet en de ontwerpen van de regering? Kunt u ons inlichten over de regeling van onze werkzaamheden terzake?

De voorzitter. - De minister van Financiën die tevens bevoegd is voor de betrekkingen met het Parlement heeft zopas meegedeeld dat de regering de dringende behandeling van de programmawet vraagt. Die staat op het punt te worden goedgekeurd in de Kamer.

Wij hebben nog niet geopteerd voor de dringende behandeling, aangezien de Kamer zich nog niet heeft uitgesproken. Mocht het echter nodig zijn om in te gaan op het verzoek van de regering, dan zou de programmawet moeten worden toegevoegd aan de agenda van volgende week en dan zouden ook de commissievoorzitters van de bevoegde commissies ze snel op hun agenda moeten plaatsen, eventueel al vanaf maandag.

Twee commissies hebben de programmawet al ingeschreven op hun agenda van volgende week.

De heer Paul Wille (VLD). - Met die regeling zijn wij het eens.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het is volledig voorbarig ons nu uit te spreken over een stemming over het ontwerp van programmawet volgende week, want we hebben de tekst nog niet in de commissie besproken. Ik neem aan dat we de normale parlementaire weg volgen. We zullen wel zien wat de kwaliteit van de teksten is en wat we vinden van de maatregelen die worden voorgesteld. Op basis daarvan zullen we te gepasten tijde stemmen.

De heer Paul Wille (VLD). - Ik begrijp wel dat mevrouw de Bethune niet op dezelfde manier denkt als onze fractie. Wij dringen erop aan dat, indien nodig, de bespreking van de programmawet aan de agenda van volgende week wordt toegevoegd.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De agenda van de plenaire vergadering wordt vastgelegd door de plenaire vergadering. Ik vraag nu een stemming over de agenda van volgende week.

De voorzitter. - Mijnheer Wille, wilt u uw voorstel nog eens herhalen alvorens we erover stemmen?

De heer Paul Wille (VLD). - Het voorstel is dat volgende week donderdag over de programmawet wordt gestemd indien de omstandigheden dat toelaten.

De voorzitter. - We zullen bij zitten en opstaan stemmen over de agenda van volgende week.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Mevrouw de voorzitter, ik vraag een hoofdelijke stemming.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik denk dat zo'n stemming ongeldig is bij gebrek aan voorwerp.

De voorzitter. - We kunnen onder voorbehoud stemmen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De Senaat heeft het recht om wetteksten die van de Kamer komen, te bespreken. Hoe kunnen we vandaag oordelen hoe het verloop van die discussie zal zijn als ze nog in alle commissies moet beginnen? We hebben daar volstrekt geen zicht op. In ieder geval, als de meerderheid denkt dat ze de programmawet op die manier kan bespreken, dan beloven we volgende week een vuurwerk dat langer zal duren dan de debatten over de programmawet in de Kamer.

De voorzitter. - Dat debat is in de Kamer heel rustig verlopen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik denk dat het quorum op het ogenblik niet bereikt is. Het gaat niet op om zomaar eventjes op de vraag van de regering in te gaan. Over de agenda van de plenaire vergadering wordt in de plenaire vergadering gestemd. Als we nu stemmen, verlaten we de vergadering en dan zal u zien dat het quorum niet is bereikt.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Die ontwerpen moeten in elk geval worden geëvoceerd. Het Bureau van de Senaat kan op elk ogenblik worden samengeroepen. Bovendien kunnen we de agenda van de plenaire vergadering van volgende week ook nog wijzigen tijdens de vergadering zelf.

De voorzitter. - Het probleem ligt bij de commissies. We moeten klaar zijn tegen de plenaire vergadering van volgende donderdag. Daarom lijkt het me raadzaam het voorstel van de heer Wille te volgen uiteraard onder het voorbehoud dat het ontwerp in de Kamer wordt goedgekeurd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We kunnen toch niet bij zitten en opstaan het reglement wijzigen. Er is een reglement dat bepaalt op welke wijze het parlement teksten bespreekt in de commissies, hoe het verslag wordt gemaakt, welke termijnen in acht dienen te worden genomen. We kunnen niet bij zitten en opstaan beslissen dat dit allemaal niet in acht hoeft te worden genomen. De regels van de democratie moeten worden gerespecteerd, ook al heeft de paarse regering daar soms veel moeite mee.

Ik begrijp dat de meerderheid het debat wil verhinderen. Ze is immers intern zo verdeeld dat ze enkel nog wil stemmen zonder een debat te voeren.

De voorzitter. - Vraagt nog iemand het woord? We stemmen nu over het voorstel om het ontwerp van programmawet aan onze agenda van volgende week toe te voegen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Maar dat ontwerp is nog niet in de commissie ingediend. U kunt evengoed beslissen om nu meteen over de tekst zelf in de plenaire vergadering te stemmen.

De voorzitter. - Mijnheer Wille, wilt u uw voorstel nog eens herhalen alvorens we erover stemmen?

De heer Paul Wille (VLD). - Het voorstel is dat volgende week donderdag over de programmawet wordt gestemd indien de omstandigheden dat toelaten.

-Het voorstel wordt aangenomen bij zitten en opstaan.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Wim Verreycken aan de minister van Landsverdediging over «het aankoopdossier van militaire transportvliegtuigen» (nr. 3-755)

De voorzitter. - De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt namens de heer André Flahaut, minister van Landsverdediging.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Het opvolgingscomité, dat moest waken over een redelijke en evenwichtige verdeling van de economische return bij de aankoop van de militaire transporttoestellen van het type A400M, kwam vorige vrijdag voor de eerste keer bijeen, vier jaar na zijn oprichting.

Op de vooravond van die vergadering vroeg ik de minister hier in plenaire vergadering of hij die bijeenkomst niet rijkelijk laat achtte, hoe de economische return tot dan toe was verdeeld en of hij bijkomende compensatiebestellingen kon aankondigen.

Minister Flahaut wilde op geen enkele vraag antwoorden omdat hij, zo beweerde hij, al geantwoord had op gelijkaardige vragen van een CD&V-collega. Ik heb echter vastgesteld dat minister Flahaut nog op geen enkele van die vragen had geantwoord.

Zij die over enige dossierkennis terzake beschikken, zullen het met me eens zijn: dit dossier stinkt uren in de wind. Waarschijnlijk is dat de reden waarom minister Flahaut weigert te antwoorden. Hij wou bijvoorbeeld vorige week niet bevestigen dat Barco, een van de Vlaamse vier pijlers van FLABEL, zich uit FLABEL had teruggetrokken. Daardoor kwam er drie kwart in Waalse handen en bleef er slechts één vierde over voor Vlaanderen. Erger nog was dat de minister me in mei 2005 antwoordde dat Barco nog lid was van FLABEL, terwijl de raad van bestuur van Barco al op 11 februari 2005 had beslist zich terug te trekken. Dat bewijst opnieuw dat minister Flahaut de vergadering flagrant voorliegt.

Waarom heeft minister Flahaut niet geantwoord op mijn vraag?

Wie is verantwoordelijk voor het feit dat het opvolgingscomité nu pas, vier jaar na zijn oprichting, voor het eerst bijeenkwam?

Wat was de agenda van die vergadering? Niet alleen de oppositie, ook de meerderheid, in casu de heer Cortois, stelde vragen over de agenda van die vergadering. Minister Flahaut antwoordde aan de opvolgingscommissie dat meer gedetailleerde cijfers werden bezorgd. De heer Cortois hoefde dus niet over die cijfers te beschikken. Kan de minister me die gedetailleerde cijfers bezorgen?

Wat is de taak van minister Flahaut als lid van de Board of Supervisors van OCCAR, het hoogste beslissingsorgaan binnen het Europese aankoopagentschap?

Waarom maakt Barco niet langer deel uit van FLABEL?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De Ministerraad heeft op 11 maart 2005 beslist hoe het Opvolgingscomité van het programma A400M moest vergaderen. Het comité heeft op 17 juni vergaderd.

Op die vergadering waren vertegenwoordigers van de Eerste minister, van de ministers van Landsverdediging, Economie en Begroting en van de drie gewesten aanwezig. Er werd gesproken over de historiek, de wettelijke basis, de organisatie, het doel, de principes en de planning van het programma. Ook de werkverdeling werd in detail besproken.

Het A400M-programma voorziet niet in compensaties voor de industrie in de klassieke zin. De participatie van de industrieën uit de deelnemende landen is gebaseerd op het competitiviteitsprincipe. De hoofdcontractant, Airbus Military SL, is verantwoordelijk voor de werkverdeling en voor de selectie van de onderaannemers. Krachtens het contract moet Airbus Military SL een redelijke inspanning doen om de werklast te verdelen over bedrijven uit de verschillende deelnemende landen. Hij moet hierbij uitgaan van het aantal bestelde vliegtuigen. Voorwaarde is wel dat de bedrijven wat kwaliteit, prijs en leveringsvoorwaarden betreft, competitief zijn.

Uit de cijfers over de werkverdeling die Defensie op de vergadering van het opvolgingscomité heeft meegedeeld, blijkt dat Vlaanderen momenteel 32,6% heeft ontvangen van de contracten die momenteel aan België zijn toegewezen. Hierin zijn de recente contracten met ASCO Industries en SABCA Limburg niet inbegrepen.

Op een volgende vergadering van het opvolgingscomité zal verdere informatie worden uitgewisseld. Defensie heeft voorafgaandelijk aan de vergadering van 17 juni geen contact opgenomen met belangenorganisaties.

Hoofdcontractant Airbus Military SL heeft, zoals gezegd, geen garanties gekregen inzake bestellingen. Wel is er een verbintenis dat ernaar gestreefd wordt om de bestellingen onder de deelnemende landen te verdelen, mits bepaalde voorwaarden inzake competitiviteit worden nageleefd. In het contract staat dat OCCAR - en dus de deelnemende landen - om de zes maanden een overzicht krijgt van de werkverdeling. Zo kunnen de bestuursorganen van OCCAR nagaan of Airbus Military SL de verbintenis naleeft.

Bij de oprichting van FLABEL werd eveneens een verdeling van de aandelen onder de deelnemers vastgelegd. Krachtens de FLABEL-overeenkomst moest die participatieverdeling tegen einde 2004 worden herbekeken.

Aangezien Barco op dat ogenblik nog geen opdracht uit het A400M-programma had ontvangen, moest het normaliter FLABEL verlaten. Er was nochtans afgesproken dat het nog één aandeel mocht behouden en dat het als waarnemer aan de vergaderingen van de raad van bestuur kon blijven deelnemen.

Het behoort niet tot de bevoegdheden van de minister van Landsverdediging om zich uit te spreken over de participatieverdeling tussen de bedrijven.

De heer Wim Verreycken (VL. BELANG). - Ik waardeer het dat minister Demotte het antwoord van minister Flahaut wil voorlezen, maar dat sluit elke mogelijkheid tot een debat uit. Minister Flahaut laat telkens een uitvoerig antwoord voorlezen, maar als hij in het halfrond aanwezig is, weigert hij onze vragen te beantwoorden. Hij gedraagt zich als het ware als een peetvader die meent niet te moeten ingaan op de vragen van het Parlement.

Welke cijfers werden er aan de Opvolgingscommissie voorgelegd? Deze concrete vraag die maandag door collega Cortois en vandaag door mijzelf werd gesteld blijft onbeantwoord. Minister Flahaut laat voorlezen dat uit de cijfers iets kan worden afgeleid maar stelt de cijfers zelf niet ter beschikking.

Waarom krijgen we niet meer gegevens over de werklastverdeling die in de officiële documenten gewichtig work share wordt genoemd? Wat is er zo geheimzinnig aan de aandelenverhouding binnen FLABEL?

ASCO heeft 299 aandelen, Barco 1, SABCA 360 en SONACA 341. Meer dan 75% van de aandelen is dus in handen van Waalse bedrijven. Met zijn enige aandeel heeft Barco geen stemrecht, maar enkel een adviserende stem. Barco kan dus alleen als waarnemer optreden.

Waarom weigert minister Flahaut die cijfers te bezorgen aan een parlementslid dat toch de opdracht heeft te controleren?

Gelet op de talrijke calamiteiten van deze minister, vraag ik me trouwens af of we hem niet moeten convoceren of een onderzoekscommissie moeten instellen. We zouden bijna vermoeden dat hij een opvolger is van de drie Guy's ...

Waarom worden wij met een kluitje in het riet gestuurd? Waarom krijgt het Parlement geen informatierecht in dit stinkende dossier?

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de rationele aanwending van het bloed» (nr. 3-735)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg is een parastatale die de opdracht heeft studies te maken ter voorbereiding van de politieke besluitvorming inzake gezondheidzorg en ziekteverzekering. Dat centrum brengt nu een rapport uit over de rationele aanwending van bloed en bloedderivaten in de ziekenhuizen.

Uit die studie blijkt dat er voor bepaalde ingrepen grote verschillen zijn tussen ziekenhuizen inzake het gebruik van bloed. Sommige zijn spaarzaam, andere verbruiken erg veel. Daaruit moeten echter geen overhaaste conclusies worden getrokken.

De transfusiecomités vormen het sleutelelement in het transfusiebeheer. Ze werden in 2002 in elk ziekenhuis opgericht. Ze moeten worden ondersteund in de ontwikkeling en de follow-up van guidelines, te meer omdat nog niet alle ziekenhuizen in 2005 daarover beschikken.

Informatie over het aantal transfusies per ziektebeeld zou de transfusiecomités kunnen helpen om het transfusiebeleid van hun ziekenhuis te situeren en de kwaliteit ervan te evalueren.

Bloed is kostbaar. Het wordt gratis en belangeloos aan onze medeburgers verstrekt. Het wordt echter steeds zeldzamer omdat de bevolking veroudert en het voorzorgsprincipe steeds meer donoren uitsluit. Vele donoren mogen geen bloed meer geven omwille van medische antecedenten. Het voorzorgsprincipe moet strikt worden gehanteerd en dat brengt een vermindering van de hoeveelheid bloed met zich mee.

De desbetreffende studie stelt dat een vrij eenvoudig systeem van waarschuwingssignalen de grote verbruikers kan opsporen. Bij een alarmfase zou een dialoog worden opgestart en zouden voorstellen worden gedaan aan het transfusiecomité om het beleid te verbeteren.

Ik ben ervan overtuigd dat uw departement aandacht heeft voor de conclusies van de studie van het Federaal Kenniscentrum. Welke maatregelen werden genomen om een meer kwalitatieve analyse van het transfusiebeleid in ons land mogelijk te maken? Het is niet mijn bedoeling me op ongepaste wijze te mengen in een strikt medische aangelegenheid. Mijn vraag heeft tot doel, via een algemene evaluatie, het rationeel verbruik van bloed verbeteren.

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De strikte toepassing van het voorzorgsprincipe veroorzaakt inderdaad een vermindering van de hoeveelheid beschikbaar bloed. Het Interdepartementeel comité van experts inzake bloed, organen, weefsels en cellen bij de FOD Volksgezondheid heeft zich over het probleem gebogen. Het zal indicatoren invoeren - systemen van waarschuwingssignalen - die een gebruik dat afwijkt van het gemiddelde kunnen detecteren. Tegelijk zal aan de Hoge Gezondheidsraad worden gevraagd om zo snel mogelijk een handboek goede praktijken inzake transfusie op te stellen dat als referentiekader zal dienen.

Beide maatregelen maken het mogelijk na te gaan of het verbruik conform de richtlijnen is.

Er werd aangetoond dat het bestaan van een handboek door de normalisering van de praktijken het verbruik van bloed vermindert.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De wijze houding van de minister zal ongetwijfeld resultaat opleveren. In een medische aangelegenheid mag niet dwingend worden opgetreden.

Ik vestig terloops de aandacht op de situatie van de getuigen van Jehova. Omwille van hun filosofische overtuiging werden bijzondere technieken ontwikkeld om bloedtransfusies te vermijden.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de niet-indexering van de erelonen van artsen» (nr. 3-757)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De artsen zijn niet te spreken over het voorstel om hun erelonen dit jaar niet te indexeren. Het Syndicaat van Vlaamse Huisartsen spreekt van een onwettige maatregel en wil de indexering desnoods via juridische weg opeisen. Ook de Belgische Vereniging van Artsensyndicaten is misnoegd.

Het akkoord artsen-ziekenfondsen van december 2003 voorzag in een indexering van de erelonen van de artsen. Eind 2004 gingen de geneesheren ermee akkoord om de indexsprong voor 2005 tijdelijk te bevriezen. De minister wou de middelen vrijmaken als de artsen binnen hun budget blijven en er een trendbreuk komt in het voorschrijfgedrag voor bloeddrukverlagers. Die trendbreuk is nog niet echt duidelijk.

Welke maatregelen wil de minister nemen om met de artsen tot een vergelijk te komen?

Acht hij het raadzaam om, gezien het ongenoegen van de artsen, het voorstel over hun voorschrijfgedrag bij te sturen?

Is hij van plan op korte termijn met de artsenvakbonden overleg te plegen om acties, eventueel juridische, te voorkomen?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - De bevriezing van de indexsprong ingeval er geen trendbreuk komt, werd met de artsenvakbonden overeengekomen in het kader van het akkoord huisartsen-ziekenfondsen en de begrotingsronde 2005. Er is slechts in één van de categorieën die in het akkoord waren vastgelegd een trendbreuk vastgesteld. We kunnen dus bezwaarlijk zeggen dat een indexering van de medische honoraria gerechtvaardigd is. Het deel van de indexering dat niet afhangt van de trendbreuk zal, zoals bepaald in het akkoord huisartsen-ziekenfondsen, worden vrijgemaakt op voorwaarde dat de ter beschikking gestelde middelen in 2005 duidelijk aantonen dat de gedeeltelijke doelstelling voor de medische erelonen voor 2005 enkel bereikt wordt als de indexering niet wordt toegekend.

De regering heeft een termijn van meer dan zes maanden toegestaan om in het kader van het overleg huisartsen-ziekenfondsen een voorstel uit te werken wat het voorschrijfgedrag van de artsen betreft. Ik denk dat ze aldus ruimschoots blijk geeft van goede wil om een compromis te bereiken. Die termijn loopt overigens nog steeds, maar het voorstel moet wel vóór 30 juni worden voorgelegd.

Als er echter geen akkoord wordt bereikt, stel ik de regering voor de nodige beslissingen te nemen. Iedereen zal het met me eens zijn dat het bepalen van realistische doelstellingen inzake het voorschrijven onder stofnaam of het voorschrijven van generische middelen een absolute voorwaarde is voor de duurzaamheid van ons systeem van gezondheidszorg.

Ik heb geregeld contact met de leiders van de artsenvakbonden die in het overleg huisartsen-ziekenfondsen vertegenwoordigd zijn. Ik sta open voor elk overleg en ik blijf ervan overtuigd dat ons overlegmodel een troef is, indien een houdbare groeinorm van de gezondheidsuitgaven onze gemeenschappelijke doelstelling kan zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord, hoewel het me niet de gelegenheid geeft precies in te schatten wat we kunnen verwachten. De minister laat niet in zijn kaarten kijken. Ik weet niet of hij met een aas of een heer speelt. We zullen dus de reacties van de geneesheren op het terrein eind deze maand moeten afwachten.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Financiën over «de Fiscobus» (nr. 3-904)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Met het zopas verleende uitstel van twee maanden, moeten de belastingaangiften nu eind augustus ingevuld zijn.

Het aangifteformulier ziet er dit jaar anders uit. De aangifte bestaat nog slechts uit vier pagina's met codes. Deze manier van werken moet het mogelijk maken de formulieren in te scannen en de verwerking vlotter te laten verlopen.

Naast het gegeven dat een telefooncentrale ter beschikking staat voor belastingplichtigen met problemen bij het invullen van hun aangifte, is er nog de Fiscobus. Die bus doet voor het tweede jaar een aantal steden aan om de inwoners gratis te helpen bij het invullen van hun belastingformulier.

Op mijn schriftelijke vraag van 13 juli 2004, nr. 3-1023, antwoordde de minister dat de Fiscobus op 16 juni 2004 drie steden met name Gent, Leuven en Hasselt zou aandoen. Dankzij dat initiatief konden 200 personen worden geholpen bij het invullen van hun belastingaangifte.

Verder antwoordde de minister: `het ligt inderdaad in mijn bedoeling om het concept van de Fiscobus uit te breiden tot andere steden, zowel in Vlaanderen als in Wallonië, dit als aanvulling op de acties die nu reeds plaatshebben in een aantal handelscentra'.

Naast Leuven, Hasselt en Gent werden dit jaar Oudenaarde en Geel door de Fiscobus bezocht.

Op basis van welke criteria werden de steden geselecteerd om als stopplaats voor de Fiscobus in aanmerking te komen?

Werd een specifieke informatiecampagne opgestart om de bevolking in te lichten over de komst van de Fiscobus?

Is er dit jaar een merkelijke stijging van het aantal bezoekers aan de Fiscobus waar te nemen wegens de nieuwe belastingformulieren?

Acht de vice-eerste minister het wenselijk het initiatief van de Fiscobus volgend jaar verder uit te breiden?

Zal de overheid naast de Fiscobus en de twee telefooncentrales bijkomende initiatieven nemen om de bevolking te helpen bij het invullen van de belastingformulieren?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Financiën moet `klantvriendelijker' optreden en dat is de bedoeling van de Fiscobus.

Welke steden door de Fiscobus worden aangedaan is een politieke keuze. Normaal moesten we bijvoorbeeld ook naar Oostende, Knokke en Brugge gaan. Bij de selectie van de lokaliteiten werd echter rekening gehouden met de 59 steden die in aanmerking werden genomen voor de centra Tax-on-web-ambtenaar en voor de acties voor de hulp bij het invullen van het aangifteformulier in de commerciële centra `SOS Belastingen'.

De informatiecampagne werd ondersteund door persberichten, de gemeentediensten en, aan Nederlandstalige kant, door Radio Donna. Er werd over het algemeen een groot aantal aangiften behandeld en de reacties van de mensen was zeer positief.

De weerslag van de verschillende acties zal binnenkort worden geëvalueerd. Op basis van de resultaten van Tax-on-web zal een actieplan worden uitgewerkt zodat de hulp bij het invullen van de aangifteformulieren in 2006 opnieuw kan worden verzekerd. Dat geldt ook voor de Fiscobus.

Het is de bedoeling tot de laatste dag van aangifte, dus tot eind augustus, actie te voeren. Voor volgend jaar overweeg ik een nieuw soort actie, waarover ik nog overleg pleeg met mijn collega van Mobiliteit, namelijk de Fiscofiets. Misschien wordt het een Fiscotandem, maar vandaag houd ik het bij de Fiscobus.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De minister zegt dat hij objectieve criteria heeft gebruikt bij zijn keuze van de steden die door de Fiscobus worden bezocht. Persoonlijk vind in die criteria niet de beginselen terug van redelijkheid en proportionaliteit.

Het idee van de Fiscofiets verrast mij zeer. Het is het eerste echt nieuwe idee van de paarse regering sinds twee jaar. Ze moet er dan wel voor zorgen dat die fiets geen lekke band krijgt. (Vrolijkheid)

De minister zegt niet te weten hoeveel mensen de Fiscobus hebben bezocht. Ik hoop dat het er meer zijn dan de 200 die dat vorig jaar hebben gedaan, zoniet is de inspanning totaal buiten proportie.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Het idee van de Fiscofiets lijkt me echt wel iets voor Brugge voor volgend jaar.

Ik heb in mijn antwoord vermeld dat het aantal bezoeken aan de Fiscobus hoger ligt dan 200 maar ik kan alsnog geen preciezere cijfers geven.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Mobiliteit over «de luchthaven van Zaventem» (nr. 3-754)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Op 18 juni jongstleden heeft vice-premier Reynders het oude idee opgerakeld om een tweede `nationale' luchthaven uit te bouwen in Bierset, Charleroi of Oostende. Dat zou de luchthaven van Zaventem kunnen ontlasten.

Het was een ongelukkige uitspraak, omdat de minister van Mobiliteit al genoeg in de penarie zit en met de luchthaven van Zaventem al geen kant meer uit kan. Hij moet al erkennen dat hij in een complete impasse komt als de verschillende gewesten het niet eens geraken over de geluidsnormen. Hij zei zelfs in dat geval Zaventem te moeten sluiten.

Veel mensen zijn daar vrij lichtzinnig over gegaan, maar Zaventem sluiten betekent een verlies - rechtstreeks en onrechtstreeks - van 60.000 jobs. De minister weet dat ook en probeert daarom de geluidsnormen in de verschillende gewesten op elkaar af te stemmen. De Vlaamse regering heeft miljoenen euro veil om te investeren in de verkeersinfrastructuur en in bedrijfsterreinen in Zaventem.

En nu lanceert vice-premier Reynders het voorstel om na te denken over een tweede nationale luchthaven! Dat is een bijzonder lichtzinnig voorstel. Bedrijven in en rond Zaventem verkeren al in onzekerheid. Ze weten niet wat er met de luchthaven gaat gebeuren. Potentiële investeerders worden door die onzekere toekomst afgeschrikt.

Wat denkt de minister van Mobiliteit over de idee van vice-premier Reynders? Wat is de stand van zaken omtrent de overeenstemming van de geluidsnormen tussen het Brussels en het Vlaams gewest? Die overeenstemming is de sleutel om tot een oplossing te komen.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - De gezondheid van de bevolking wordt in ons land zeer sterk door de Grondwet beschermd. Dat is een goede zaak. De diverse gerechtelijke uitspraken over Zaventem vormen samen echter een probleem voor het voortbestaan van een luchthaven in de buurt van Brussel. De rechter stelde dat de geluidsnormen die Brussel hanteert een correcte toepassing zijn van artikel 23 van de Belgische Grondwet. Dat doet de vraag rijzen op welke manier een luchthaven in Zaventem kan worden behouden.

De beslissing van de Brusselse regering om het arrest van het hof van beroep voorlopig niet te betekenen, ging uit van de wens om de luchthaven in Zaventem te behouden. In dat kader heb ik momenteel contacten met de Brusselse en de Vlaamse regering. Hopelijk leidt dat de komende dagen tot resultaten.

Een eventueel akkoord zal over de toekomst van Zaventem handelen. We zullen dan duidelijke afspraken moeten maken over de toekomstige capaciteit van Zaventem. Daarom beschouw ik het idee van collega Reynders, dat overigens niet nieuw is, niet zomaar als negatief. Er circuleren ook andere ideeën, die in de richting van een afbouw van de capaciteit van Zaventem gaan. Er zijn tal van discussiepunten die we zullen moeten oplossen.

Ik hoop alleen dat we erin slagen om de internationale wereld duidelijk te maken dat we de logistieke economie in België belangrijk vinden en dat we daaromtrent een toekomstvisie hebben. Een toekomstvisie over de logistieke economie in België houdt ook een toekomstvisie over alle Belgische luchthavens in.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - De minister is nogal op de vlakte gebleven. Ik begrijp dat ook wel.

Dat het Brussels Gewest hem een maand uitstel gunt en wacht met het betekenen van de uitspraak, interpreteert de minister als een teken van wil om de luchthaven te behouden. Dat kan best zijn, maar het Brussels Gewest heeft er toch maar voor gezorgd dat er nooit een echt spreidingsplan is kunnen komen. Dat weet de minister ook.

Verder zegt de minister dat hij het idee van minister Reynders niet verwerpt. De minister heeft zelf gezegd dat de luchthaven uiteindelijk zal moeten sluiten als het Brussels Gewest geen stap doet. Hij kan dan als minister immers niets meer doen, omdat alles zal worden aangevochten voor een rechtbank. De minister zegt dat hij een wetsontwerp zal indienen om te beletten dat de mensen bij elke nieuwe beslissing naar een rechtbank stappen. Op zich is dat een goede zaak. Maar wat zal er in dat wetsontwerp staan?

De minister blijft de speculaties voeden wanneer hij het idee van minister Reynders over een tweede grote internationale luchthaven niet verwerpt. De mensen vragen zich af of de luchthaven van Zaventem zal blijven bestaan, als zelfs de minister vreest dat er aan sluiting moet worden gedacht. Weet de minister wel wat dat betekent voor het bedrijfsleven, voor eventuele investeerders en voor de werkgelegenheid van 60.000 mensen? Vele politici, zeker Brusselse, maar zelfs de minister springen daar bijzonder lichtzinnig mee om.

Ik kan aannemen dat de minister niet al zijn plannen in de Senaat kan ontvouwen, maar ik hoop dat er eindelijk eens duidelijkheid komt. We zitten al meer dan een jaar in onzekerheid en dat moet nu eens moeten ophouden.

Mondelinge vraag van de heer Flor Koninckx aan de minister van Mobiliteit over «de proeven die worden opgelegd om het rijbewijs terug te krijgen» (nr. 3-759)

De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Wie betrapt wordt op dronken sturen moet, in Vlaanderen, sinds maart vorig jaar medische en psychologische proeven afleggen bij de dokters en de psychologen van de VDAB om zijn rijbewijs terug te krijgen. In twee jaar tijd is het aantal aanvragen voor die proeven bijna vertienvoudigd. De VDAB kan die toevloed niet meer aan en de tests kunnen niet meer binnen een redelijke termijn worden afgewerkt. Voor heel wat veroordeelde chauffeurs betekent dat een bijkomende straf, want ze moeten daardoor hun wagen langer aan de kant laten dan de rechter beslist heeft. Dat kan eigenlijk niet door de beugel.

Ik lees deze week in de krant dat de VDAB vier extra krachten in dienst heeft genomen, maar dat dit niet volstaat. De VDAB heeft inmiddels de kwestie bij de minister en bij zijn collega van Justitie aangekaart. Beide ministers zouden bereid zijn de opdracht over te hevelen naar een andere organisatie en het Belgisch Instituut voor de Verkeersveiligheid zou in principe bereid zijn de taak over te nemen.

Zijn er al gesprekken gestart tussen de minister of beide ministers en het BIVV over de overheveling van de taak? Binnen welke termijn zou de minister die overheveling willen realiseren? Hoeveel personen zijn intussen zwaarder gestraft doordat ze hun wagen langer aan de kant hebben moeten laten dan de rechter had beslist? Welk percentage vormt dat van het aantal veroordeelden en over welke termijnen gaat het? Welke maatregelen zal de minister nemen om te voorkomen dat de problemen die de VDAB vandaag kent, zich morgen herhalen bij het BIVV? Zal de betrokken dienst voldoende bemand worden, zodat de wettelijke termijnen geëerbiedigd kunnen worden?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Vorig jaar heb ik, in mijn hoedanigheid van toezichthoudend minister over de VDAB, de problematiek aangekaart bij de minister van Mobiliteit. Thans heb ik als minister van Mobiliteit al aan de huidige toezichthoudende minister geantwoord dat we het probleem zouden aanpakken. Vandaag neemt de raad van bestuur van het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid een beslissing inzake de voorbereiding van een regeling, die op 1 januari 2006 van toepassing zal worden.

In 2005 moeten in Vlaanderen ongeveer 3000 medische onderzoeken en 3300 psychologische onderzoeken worden uitgevoerd. In Wallonië verwacht de FOREM 800 medische en 840 psychologische onderzoeken en in Brussel verwacht de BGDA 370 medische en 400 psychologische onderzoeken. In vergelijking met vroeger zijn dat zeer grote aantallen. Aangezien de rijvaardigheid moet kunnen worden getest, moet daartoe ook in de mogelijkheid worden voorzien.

Om te vermijden dat er in de toekomst opnieuw problemen ontstaan, moet het aantal onderzoeken drastisch verminderen. In de nieuwe verkeerswet zal de rechter meer ruimte hebben om een beslissing te nemen en genuanceerde uitspraken te doen. De huidige verkeerswet is in dat opzicht immers vrij streng.

Voorts moet in een nieuw erkenningsmechanisme worden voorzien om de taak van de vroegere RVA voor het uitvoeren van psychologisch onderzoek over te nemen. Daarvoor kan eventueel ook een beroep worden gedaan op privé-organisaties. We moeten er alleszins voor zorgen dat de dienst tegen een redelijke prijs kan worden aangeboden.

De heer Flor Koninckx (SP.A-SPIRIT). - Als een deel van de dienstverlening via een erkenningsmechanisme naar de privé-sector wordt overgeheveld, moet de veroordeelde instaan voor de kosten. Ik reken erop dat die kosten niet hoger zullen zijn dan die voor een onderzoek bij de BIVV.

Mondelinge vraag van de heer Etienne Schouppe aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over «de dringende bus-aan-busbedeling voor zaken van algemeen belang» (nr. 3-743)

De voorzitter. - De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Op vrijdag 3 juni 2005 werd de streek rond Veurne geteisterd door een hevig onweer met op sommige plaatsen meer dan 30 liter regen op minder dan een half uur en dikke hagelstenen die dakvensters, auto's, serres en landbouwgewassen ernstig beschadigden.

De gemeente wilde via de gouverneur een tussenkomst van het rampenfonds bekomen. De schade moet daarvoor echter minstens 1 miljoen euro bedragen. Daarom vroeg het stadsbestuur via een bus-aan-bus-bedeling aan de inwoners om de omvang van de geleden schade te melden. Groot was de verbazing van het stadsbestuur wanneer het van De Post vernam dat de bedeling slechts op 22 juni kon plaatsvinden omdat volgens interne instructies slechts twee bus-aan-busbladen per dag mogen worden besteld.

Het stadsbestuur van Veurne heeft uiteindelijk via het kabinet van de minister en de Gedelegeerd Bestuurder van De Post verkregen dat de bedeling op 14 juni kon gebeuren, dus 11 dagen na het onweer. Volgens informatie bekomen bij de ombudsdienst van De Post blijkt dat het huis aan huis bestellen van drukwerk van een openbare dienst niet tot de prioritaire dienstverlening van het openbaar bedrijf De Post behoort. Het is merkwaardig dat dit in het beheerscontract zou staan.

Is het juist dat De Post per dag en per uitreikingskantoor slechts twee bus-aan-busbezorgingen aanvaardt? Moet in dringende omstandigheden de betaalde dienstverlening aan de bevolking door een openbare dienst om redenen van algemeen belang geen voorrang krijgen op reclamefolders? Moet die dienstverlening niet zo snel mogelijk gebeuren? Is het niet aan te bevelen dat de plaatselijke en gewestelijke directies van een algemeen ambtelijk principe zouden mogen afwijken en zelf zouden mogen beslissen een extra blaadje van algemeen nut supplementair en zo snel als mogelijk rond te delen?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Er bestaat inderdaad een regeling voor niet-geadresseerd drukwerk. Ik weet niet of die regeling neerkomt op slechts twee bus-aan-busbezorgingen. De regel bestaat erin dat op een termijn van een drietal weken een planning wordt uitgevoerd. Er moet immers een evenwicht worden bewaard, gelet op de bestaande capaciteit. Ook de kwaliteit van het geadresseerde drukwerk moet worden bewaakt. De lokale verantwoordelijke mag evenwel afwijken van het principe, uiteraard met inachtneming van de kwaliteit. Men kan zich dan ook afvragen of de stad Veurne overlegd heeft met de lokale verantwoordelijke.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Ik begrijp dit antwoord niet. Het is onbegrijpelijk dat de stad Veurne uiteindelijk de gedelegeerd bestuurder van De Post en het kabinet van de minister moest inschakelen voor een openbare dienstverlening aan de bevolking. Het lijkt mij nogal grof nu te doen uitschijnen dat de stad Veurne niet de juiste persoon in het postkantoor van Veurne heeft aangesproken. Ik zou graag hebben dat De Post als overheidsbedrijf de openbare dienstverlening die de bevolking van haar mag verwachten correct uitvoert.

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Er is ondertussen een gesprek geweest met de regiomanager en alle problemen zijn opgelost.

De heer Etienne Schouppe (CD&V). - Ondertussen zijn er ook meer dan drie weken verstreken.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de monopolisering van de cultuurmarkt» (nr. 3-899)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Met de grote zomerfestivals in aantocht is in de media opnieuw een discussie op gang gekomen over de aanwezigheid van de multinational Clear Channel op de Vlaamse en Europese cultuurmarkt. Clear Channel is een reusachtig Amerikaans entertainmentbedrijf dat concerten van buitenlandse en binnenlandse artiesten organiseert, tickets verkoopt, artiesten boekt, het management verzorgt en promotie voert via reclame.

De vrees bestaat dat Clear Channel de Europese entertainmentmarkt geleidelijk inpalmt en monopoliseert, ten koste van de kleinere en lokale cultuurspelers. Die monopolisering zou steeds duurdere ticketprijzen en package deals of verplichte combinatieverkoop met zich meebrengen en de culturele diversiteit beknotten.

In de Verenigde Staten is Clear Channel intussen het negende grootste bedrijf geworden nu het actief is in uiteenlopende mediasectoren. In Vlaanderen heeft het bedrijf aandelen verworven in het Sportpaleis in Antwerpen, in de NV De Schone Schijn en in Vorst Nationaal. De organisator van Rock Werchter krijgt uit linkse hoek kritiek omdat hij zijn festival aan Clear Channel heeft `doorverkocht'.

Men maakt zich ook zorgen over de bijna-monopoliepositie die de betrokken vennootschap in ons land inneemt. Wordt terzake de mededingingswetgeving door Clear Channel in België gerespecteerd, met name het monopolieverbod? Acht de minister het raadzaam dat lokale cultuurbedrijven worden overgenomen door internationale concerns? Moet de overheid de kleinere en lokale initiatieven niet steunen om een divers cultureel aanbod te garanderen?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Clear Channel is inderdaad een grote speler geworden op wat men de cultuurmarkt zou kunnen noemen. Het lijkt me echter overdreven om hierbij te spreken van een monopoliepositie.

De dienst voor de mededinging en het korps van de verslaggevers volgen de sector momenteel van nabij. Zij monitoren de sector en verzamelen op dit ogenblik alle informatie op die zij kunnen verkrijgen om enerzijds een duidelijk beeld te krijgen van de betrokken industrie en anderzijds om de naleving van de mededingingsregels te garanderen. Daarbij staan zij in contact met een aantal academici van de VUB die op dit ogenblik onder leiding van professor Katia Segers een studie maken over de sector. Zij kijken met belangstelling uit naar de resultaten hiervan.

Op dit ogenblik zijn aan de dienst en het korps geen specifieke klachten meegedeeld, noch is er formeel een klacht ingediend bij de Raad voor de Mededinging. Deze situatie zou kunnen veranderen in het licht van de studie die nu wordt uitgevoerd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik verwijs naar acties van bepaalde cultuurgroepen ten aanzien van deze monopoliepositie in Brussel. Ik ben in die groepen niet actief. Ik stel alleen vast. Als ik de minister goed begrijp moeten we wachten op de resultaten van de studie om deze bezwaren te kunnen objectiveren.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Ik weet dat er acties zijn ondernomen, maar ik herhaal dat er geen formele klacht is binnengekomen bij de bevoegde diensten.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De minister heeft wel een initiatiefrecht.

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Op basis van dat initiatiefrecht werd die studie opgestart.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «het toezicht op herverzekeraars» (nr. 3-908)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Tot op heden zijn de Belgische herverzekeraars aan geen specifieke wetgeving onderworpen.

Op 7 juni laatsleden keurde het Europees Parlement de herverzekeringsrichtlijn goed. Deze richtlijn heeft als doel een wettelijk kader voor het bedrijfseconomisch toezicht op herverzekeringsactiviteiten in de Europese Unie vast te leggen. De nationale toezichthouder is verantwoordelijk voor het toezicht op de reglementering.

De herverzekeraars zijn vragende partij voor een spoedige omzetting van de richtlijn naar nationale wetgeving. Een wettelijk kader zal immers het vertrouwen van verzekeringsondernemingen in herverzekeraars doen toenemen.

Hoe staat de minister tegenover de nieuwe reglementering?

Is de minister de wens van de herverzekeraars voor een spoedige omzetting van de Europese richtlijn genegen?

Op welke manier zal de herverzekeringsrichtlijn omgezet worden in nationale wetgeving?

Op welke termijn zal dit gebeuren?

Hoe zal het toezicht op Belgische herverzekeraars geregeld worden?

Welke zullen de voorschriften zijn inzake verplichte reserves die door de herverzekeraars moeten aangelegd worden? Hoe zal de solvabiliteitsmarge moeten berekend worden en hoe gaat men daarbij rekening houden met de onbeperkte dekkingen bij schade?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - De op 7 juni door het Europees Parlement goedgekeurde richtlijn maakt deel uit van de communautaire wetgeving op verzekeringsgebied. Die richtlijn brengt in de sector de interne markt tot stand en voorziet de Unie van een geharmoniseerd toezichtkader voor het herverzekeringsbedrijf.

De richtlijn bevindt zich in de ontwerpfase en moet nog worden goedgekeurd door de Europese Raad. Volgens het voorliggende ontwerp zullen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking moeten doen treden uiterlijk twee jaar volgend op de dag van de bekendmaking van de richtlijn in het publicatieblad van de Europese Unie.

Hoewel de richtlijn een geharmoniseerde toezichtregelgeving beoogt, zijn er toch belangrijke punten die elke lidstaat zelf moet invullen. Dat geldt in het bijzonder voor de berekening van de vereiste solvabiliteitsmarge en de technische voorzieningen in levensherverzekeringen, de bepaling van de herverzekeringsactiviteiten waarvoor een egalisatiereserve dient te worden aangelegd, en de door de herverzekeraars na te leven beleggingsregels.

Het voorbereidend en regelgevend werk zal wellicht aanzienlijk zijn, temeer daar de toepassing van de richtlijn ook wijzigingen in de huidige reglementering betreffende het toezicht op directe verzekeringsondernemingen zal vereisen. Het is bijgevolg voorbarig nu reeds te antwoorden op specifieke vragen over de concrete toepassing, de termijnen en de wijze van omzetting van de richtlijn.

Het is evenwel de bedoeling de voorbereidende werkzaamheden spoedig aan te vatten. Er zal overleg met de sector worden gepleegd en de adviezen van de Commissie voor verzekeringen en de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen zullen worden ingewonnen.

In het voorstel van richtlijn zijn geen bijzondere voorschriften opgenomen die de voorwaarden regelen waaraan herverzekeringsovereenkomsten moeten voldoen. Nochtans zullen de herverzekeraars volgens het nieuwe toezichtstelsel hun activiteiten op een voorzichtige wijze moeten uitoefenen. Dat houdt in dat ze in hun herverzekeringsovereenkomsten geen waarborgen zullen kunnen verlenen die ze financieel niet kunnen dragen. We zullen dus plafonneringen moeten instellen.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - We hebben inderdaad wat marge bij de omzetting van de richtlijn. De concurrentiemogelijkheden van onze herverzekeraars moeten echter gewaarborgd blijven. In ons land zijn niet zo veel maatschappijen actief in dat domein. Ze moeten bij de omzetting voldoende kansen krijgen.

De minister zei dat een plafonnering nodig zal zijn. Kan hij daarover iets meer zeggen? Er bestaat immers een verschil tussen de dekking van schade aan personen en aan goederen. Hoe zal dit dossier worden aangepakt?

De heer Marc Verwilghen, minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid. - Er zal een onbeperkte dekking komen voor lichamelijke schade, maar voor materiële schade zal een plafond worden ingevoerd.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Mobiliteit over «het gebruik van de parkings voor gehandicapten» (nr. 3-885)

De heer Berni Collas (MR). - Ik werd meermaals benaderd door leidinggevenden van VZW's die onder meer instaan voor het vervoer van ernstig zieken. Ze beklagen zich erover dat ze aan het ziekenhuis de parkeerplaatsen voor gehandicapten niet mogen gebruiken. Dat is hinderlijk, zowel voor de chauffeurs als voor de zieken.

VZW's in het noorden en het zuiden van de Duitstalige Gemeenschap, die ongeveer 150 vrijwilligers tellen, worden met dit probleem geconfronteerd. Ik begrijp dan ook de ontevredenheid van die mensen als ze geen parkeerplaats kunnen vinden die de toegang voor de zieken en hun begeleiders moeten vergemakkelijken.

Velen van die vrijwilligers stellen zich na een lange dagtaak ter beschikking van die VZW's om zonder vergoeding ernstig zieken te vervoeren.

Ik veronderstel dat dit probleem zich ook elders in het land voordoet. Is het voorbehouden van parkeerplaatsen voor gehandicapten dichtbij de ingang van ziekenhuizen gereglementeerd?

Is het niet mogelijk die VZW's wettelijk te machtigen de parkeerplaatsen te gebruiken die gereserveerd zijn voor de gehandicapten, althans voor de wagens van de VZW's?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Het voorbehouden van parkeerplaatsen voor gehandicapten op privé-terrein is niet gereglementeerd. De eigenaar mag handelen volgens zijn eigen doelstellingen.

Op de openbare weg daarentegen is de wegbeheerder verantwoordelijk voor het afbakenen van voor gehandicapten gereserveerde parkeerplaatsen. Hij volgt daarbij zijn eigen stationeerbeleid, uiteraard met de bedoeling bepaalde diensten beter toegankelijk te maken voor gehandicapten.

De ministeriële omzendbrieven van 3 april 2001 en 25 april 2003 geven richtlijnen om de parkeergelegenheid voor gehandicapten goed te organiseren. De algemene aanbeveling bestaat erin 6% van de plaatsen op voldoende grote parkeergelegenheden te reserveren voor gehandicapten.

Het gebruiksrecht van de parkeerplaatsen die gereserveerd zijn voor gehandicapten wordt geregeld door de volgende wettelijke bepalingen:

Die teksten bepalen de voorwaarden voor de toekenning en het gebruik van de parkeerkaart voor mensen met een handicap. Alleen mensen van wie de handicap erkend werd volgens de criteria die bepaald werden door deze reglementering, kunnen de kaart krijgen. Het bepalen van de criteria voor de toekenning van de kaart valt onder de bevoegdheid van de FOD Sociale Zekerheid.

De kaart is strikt persoonlijk en de reglementering bepaalt dat ze alleen mag worden gebruikt wanneer de houder ervan in het geparkeerde voertuig wordt vervoerd of wanneer hij dat voertuig zelf bestuurt.

Niets belet dus dat een voertuig waarin een persoon met kanker wordt vervoerd - ook al wordt het bestuurd door een vrijwilliger - op een gereserveerde plaats geparkeerd wordt, op voorwaarde dat de zieke houder is van een parkeerkaart voor personen met een handicap, die overeenkomstig de wettelijke bepalingen werd toegekend.

De huidige reglementering voorziet echter niet in de mogelijkheid om een parkeerkaart te geven aan rechtspersonen.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de minister voor zijn zeer gedetailleerde antwoord, waaruit ik afleid dat de VZW's niet gemachtigd kunnen worden om die parkeerplaatsen te gebruiken. Dat is jammer, maar dat is vandaag nu eenmaal de wet.

Vraag om uitleg van de heer Frank Creyelman aan de minister van Mobiliteit over «de invoering van de digitale tachograaf» (nr. 3-910)

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Het Europees Parlement besloot op 13 april om de invoering van de digitale tachograaf met een jaar uit te stellen tot 5 augustus 2006 voor de nieuw geproduceerde trucks en tot 5 augustus 2007 voor de ingeschreven trucks. De Raad van de ministers van transport en de Europese Commissie kunnen zich echter niet achter dit uitstel scharen. De digitale tachograaf moet volgens hen hoe dan ook op 5 augustus worden ingevoerd. Hiermee is Europa in een patstelling verzeild geraakt. In september zou een verzoeningsprocedure worden opgestart. Tot die tijd zal onzekerheid blijven bestaan.

De drie grote Europese transportverenigingen, waaronder de International Road Transport Union - waarbij ook Febetra is aangesloten - menen dat de deadline van 5 augustus hoe dan ook niet haalbaar is. Zeventien Europese landen zullen op die datum nog niet klaar zijn. Volgens Febetra zou ook België verre van klaar zijn om het systeem op de vooropgestelde datum te introduceren, in tegenstelling tot wat minister Landuyt onlangs in de kranten beweerde. Het koninklijk besluit ter zake ligt momenteel nog voor advies voor bij de Raad van State.

Er blijven nog veel vragen bestaan. Op welke basis worden de werkplaatsen die tachografen installeren, controleren of herstellen, erkend? Hoe worden de ambtenaren of de instellingen aangewezen die belast zijn met de controle van die werkplaatsen? Welke voorwaarden gelden voor de uitreiking, het gebruik en de teruggave van de bestuurderskaarten, bedrijfskaarten, werkplaatskaarten en controlekaarten?

Het Instituut voor Wegtransport kan dan ook nog steeds geen tachograafkaarten uitreiken, hoewel de Europese verordening stipuleert dat de kaarten reeds drie maanden voor de invoering van het systeem moesten kunnen worden uitgereikt. Bovendien worden de systemen veel te laat door de leverancier aangeleverd, loopt de installatie mank en is de opleiding hieromtrent één groot vraagteken.

De wegtransporteurs zijn dan ook vragende partij om de invoering uit te stellen, zodat het systeem in alle Europese landen gelijktijdig kan worden ingevoerd, zo niet komt de eerlijke concurrentie in het gedrang en zal de invoering op zijn zachtst gezegd chaotisch verlopen. Groot-Brittannië en Duitsland beslisten daarom al het systeem op vrijwillige basis in te voeren.

Klopt het dat het dossier op Europees niveau geblokkeerd zit tot september?

Bevestigt de minister dat er bij gebrek aan een koninklijk besluit nog geen enkele tachograafkaart werd uitgereikt, dit in tegenstelling tot wat hij op 21 februari in de kamercommissie Infrastructuur, Verkeer en Overheidsbedrijven beweerde? Is hij bovendien van mening dat het koninklijk besluit ruimschoots te laat komt om de invoering van de digitale tachografen nog op een redelijke wijze door te voeren?

Overweegt de minister om van de deadline van 5 augustus 2005 af te stappen en de transportsector meer tijd te geven om het systeem te implementeren, gezien de opgesomde organisatorische moeilijkheden en het uitblijven van het koninklijk besluit? Overweegt de minister in plaats daarvan - en in navolging van Duitsland en Groot-Brittannië - om het systeem op vrijwillige basis in te voeren?

Zal de minister er bij zijn collega-ministers op aandringen om het systeem gelijktijdig in te voeren, zodat de eerlijke concurrentie gegarandeerd blijft?

De heer Renaat Landuyt, minister van Mobiliteit. - Het klopt inderdaad dat na het zomerreces een eerste officiële overleg is gepland over het uitstel dat is ontstaan ten gevolge van de amendementen van het Europees Parlement. In de tweede week van juli zal evenwel al informeel overleg worden gepleegd.

Ik heb op 21 februari in de kamercommissie letterlijk het volgende gezegd: `Iedereen stelt mij gerust dat de voorbereiding voor de verdeling van de kaarten in het juiste tempo verloopt'. Ik heb dus niet beweerd dat reeds tachograafkaarten werden uitgereikt.

Aangezien België op schema ligt, zijn we geen vragende partij voor uitstel. Wel zijn we voorstander van een eenvormige aanpak op Europees niveau.

Dit onderwerp zal dinsdag op de Europese Raad Transport worden besproken.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Werk over «de veiligheid van pretparkattracties» (nr. 3-911)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Voor alle duidelijkheid, mijn vraag gaat niet over de Senaat, maar over het pretpark Disney World in Florida in de Verenigde Staten, waar een jongetje van vier overleden is tijdens een rit in een achtbaan die een raketlancering simuleert. Wellicht is zijn dood te wijten aan de grote druk die ontwikkeld werd in de reuzencentrifuge waarin het kind zich met andere passagiers bevond. Enkele andere passagiers werden met pijn in de borststreek naar het ziekenhuis overgebracht.

In ons land is lichaamslengte de maatstaf om toegelaten te worden tot een attractie. Over een minimumleeftijd voor risicovolle attracties wordt niets gezegd.

Het koninklijk besluit van 1998 bepaalt dat als kinderen uitzonderlijk toegelaten worden tot een attractie de eigenaars een bijkomende risicoanalyse moeten doen. De wet van 11 april 1994 bepaalt dat pretparken rekening moeten houden met kwetsbare groepen.

Graag had ik van de minister vernomen of de voorbije jaren in onze pretparken ongevallen zijn gebeurd zoals in Florida. Welke maatregelen wil de minister nemen om dergelijke ongevallen te voorkomen? Is de minister van plan een leeftijdsgrens op te leggen voor risicovolle attracties?

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - De doodsoorzaak van het jongetje is officieel nog onbekend. De resultaten kunnen worden verwacht binnen zes tot acht weken. Het is niet eenvoudig die informatie te verkrijgen, maar middels onze contacten met de Amerikaanse inspecteurs hebben we informeel al enkele gegevens kunnen bekomen.

Volgens de lokale spoedgevallendiensten is het toestel `Mission: SPACE' verantwoordelijk voor het merendeel van de opnames van ziek of onwel geworden personen.

In de Verenigde Staten is de wetgeving terzake per staat opgedeeld. De wetgeving in Florida is nogal op maat van het Disney-park geschreven, in die zin dat pretparken die er meer dan 1.000 werknemers tewerkstellen hun toestellen niet hoeven te laten keuren door een onafhankelijk organisme en dat de overheid niet eens controle- of inspectiebevoegdheid heeft. Daarenboven bestaat geen meldingsplicht voor ongevallen.

Het toestel werd bij oplevering niet gekeurd door de fabrikant. Het pretpark heeft de toegang van de fabrikant geweigerd omwille van een financieel dispuut en heeft het toestel zelf gekeurd. De eigenaar beschikt dus niet over een veiligheidscertificaat van een onafhankelijk organisme.

De Amerikaanse norm voor attractietoestellen houdt nergens rekening met kleine kinderen. Het zou kunnen dat de leeftijd van het jongetje een factor was in het ongeval. Voor een definitieve conclusie is het wachten op de resultaten van het onderzoek. Geen enkel Belgisch pretpark heeft een dergelijk toestel staan. Dat hebben we meteen nagegaan.

Sinds de invoering van de meldingsplicht voor ongevallen op attractietoestellen zijn er geen ongevallen met dodelijk afloop gemeld.

De Belgische wetgeving is eigenlijk vrij volledig. Er moet altijd een onafhankelijke controle zijn door een geaccrediteerd organisme. Er moet per toestel een specifieke risicoanalyse worden opgesteld die rekening houdt met kwetsbare groepen: kinderen, maar ook ouderen. Een periodieke keuring is verplicht en de inspectie gebeurt door de overheid, die daarvoor een onafhankelijk organisme aanwijst.

In België wordt een attractietoestel als veilig beschouwd wanneer het aan de specifieke Europese norm EN 13814 voldoet. Daaraan hebben we nog extra verplichtingen toegevoegd: preventiemaatregelen die door onafhankelijke organismen worden opgelegd. Ze kunnen van technische, maar ook van organisatorische aard zijn. Ik denk hierbij aan toezicht en een informatieplicht bij de ingang van het toestel over mogelijke gevolgen of gevaren voor bepaalde groepen mensen. De wetgeving lijkt me vrij adequaat, al moeten we natuurlijk heel goed nagaan wat de oorzaken van het ongeval in Florida waren en desgevallend hier en daar iets aanpassen. Ik sta daar zeker open voor.

In de praktijk wordt meestal met een minimumlengte gewerkt omdat dat eenvoudig te controleren is. Kinderen dragen meestal hun identiteitsbewijs niet op zak, maar het zou organisatorisch ook lastig zijn dat bij de ingang van de toestellen te controleren. Er hangt dus een lat en wie kleiner is mag niet binnen. Indien uit het onderzoek naar het ongeval in Florida blijkt dat voor bepaalde toestellen een leeftijdsgrens opportuun is, dan wil ik dat wel overwegen. Alleen moeten we dan nagaan hoe we dat in de praktijk kunnen organiseren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor het antwoord en heb genoteerd dat we het onderzoek in Florida afwachten om eventueel bij ons een verdere risicoanalyse uit te voeren en de Belgische wetgeving aan te passen.

Vraag om uitleg van de heer Jean-Marie Cheffert aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de uitvoering van de wet van 17 juni 2004 inzake de gemeentelijke administratieve sancties» (nr. 3-915)

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Bij de toepassing van de wet van 17 juni 2004 inzake de gemeentelijke administratieve sancties, die op 1 april 2005 van kracht werd, rijzen heel wat problemen. Ik licht enkele ervan toe.

De techniek van de administratieve sancties is niet nieuw. Reeds in 1999 wou de wetgever de gemeentelijke instellingen dat bijkomende wapen verlenen.

Toen was er al kritiek gerezen over het gebrek aan financiële en logistieke middelen die de gemeenten ter beschikking zouden krijgen voor de invoering van die maatregel.

In 2004 werd het toepassingsgebied van dat soort administratieve sancties aanzienlijk uitgebreid ingevolge het uit het strafrecht halen van openbare overlast zoals nachtlawaai of graffiti spuiten, via de opheffing van Titel X van het Strafwetboek en van de besluitwet van 29 december 1945 houdende verbod tot het aanbrengen van opschriften op de openbare weg. De nodige middelen waren toen evenmin voorhanden.

Ongeoorloofde handelingen die niet in het gemeentereglement voorkomen, blijven onbestraft.

De gemeenten die beslissen die gedragingen in hun gemeentereglement in te schrijven, zijn evenwel niet verplicht het stelsel van administratieve sancties toe te passen. Ze kunnen opteren voor politiestraffen.

Gelet op de problemen kiezen heel wat gemeenten voor die tweede mogelijkheid en maken ze een groot aantal onbehoorlijke gedragingen opnieuw strafbaar, waardoor ze weer bij af belanden.

De wetgever wilde een jaar geleden iets doen aan het seponeren van overtredingen vervat in Titel X van het Strafwetboek door de parketten die overstelpt zijn met werk.

De gemeenten passen voor die gedragingen politiestraffen toe. Bij vaststelling van de inbreuk wordt het proces-verbaal teruggestuurd naar het parket, dat geen enkele reden heeft om zijn vroegere houding te wijzigen en het dossier opnieuw zonder gevolg klasseert.

Gemeenten die opteren voor de techniek van de administratieve sancties, moeten een `strafambtenaar' aanstellen die de straf oplegt.

Die functie moet worden uitgeoefend door een ambtenaar van niveau 1. In kleine gemeenten is de gemeentesecretaris vaak de enige die aan de diplomavereiste voldoet. De indienstneming van een andere ambtenaar van niveau 1 blijkt financieel onmogelijk te zijn.

Voor die functie is de gemeentesecretaris evenwel niet de geschikte persoon. Hij heeft niet noodzakelijk de nodige kennis noch ervaring. Hij is niet altijd licentiaat in de rechten.

De gemeentesecretaris van mijn gemeente is licentiaat in de economische wetenschappen. Hoe kan hij zich als magistraat uitspreken terwijl hij daartoe niet is opgeleid? Bovendien heeft hij genoeg omhanden met zijn opdracht als gemeentesecretaris en hij staat vaak heel dicht bij de bevolking over wie hij een oordeel zou moeten vellen.

Het toekennen van rechtsbevoegdheid aan de gemeentesecretaris doet dus in elk geval vragen rijzen.

De wet bepaalt tevens dat de gemeenten `vaststellende' ambtenaren kunnen aanwijzen. Het gaat daarbij om gemeenteambtenaren, ambtenaren van de vervoersmaatschappijen of bewakingsagenten. Het vaststellen van inbreuken is dus niet meer de exclusieve bevoegdheid van de politiediensten.

Anderzijds zijn de nieuwe beambten niet in staat de overtreder te verplichten zijn identiteit op te geven. Enkel politieambtenaren en wettelijk gemachtigde ambtenaren hebben dat recht.

De ambtenaar die de overtreding vaststelt, kan niet veel doen: ofwel beperkt hij zich tot de vaststelling dat de overtreder niet werd geïdentificeerd, ofwel roept hij de politiediensten op om de persoon te identificeren!

Deze wet bevat dus heel wat onvolmaaktheden en onduidelijkheden, zonder dan nog te spreken over de kosten waarmee ze de gemeenten opzadelt.

In de pers verscheen onlangs het bericht dat de minister van Justitie van plan is de inbreuken gepleegd door minderjarigen beneden de zestien jaar opnieuw voor de correctionele rechtbank te brengen. Op dit ogenblik kunnen jongeren van die leeftijdsgroep volledig straffeloos handelen omdat de gemeenten niet bevoegd zijn hen een sanctie op te leggen. In de Kamer wordt ter zake overigens een ontwerp besproken.

Deze aangelegenheid vergt volgens mij andere aanpassingen.

Overweegt de minister op vrij korte termijn een evaluatie of zelfs een globale hervorming van deze wetgeving?

Zal ze in de wet in de mogelijkheid voorzien om een `strafambtenaar' per politiezone, plus één per gemeente in dienst te nemen? In sommige Waalse provincies, in het bijzonder in Namen, werd vooruitgang geboekt op het vlak van de financiering en de parketten zijn voorstanders van de indienstneming van gepensioneerde vrederechters, van wie de vergoeding een bepaalde grens niet mag overschrijden.

Als dit soort vaststellingen door andere ambtenaren dan door de wijkagenten kan worden gedaan, moeten ze over de nodige middelen beschikken om efficiënt te kunnen handelen. Zo moeten ze kunnen eisen dat de overtreder zijn identiteitskaart voorlegt.

Overweegt de minister wijzigingen op dat vlak? Is ze van plan hen bepaalde bevoegdheden toe te kennen?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik dank de heer Cheffert voor zijn vraag. Ze geeft me de kans de wetgeving ter zake, die de gemeentebesturen enige zorgen baart, toe te lichten.

Aangezien het parket inbreuken op gemeentereglementen niet meer vervolgde, besliste de wetgever de inbreuken uit Titel X van Boek II van het Strafwetboek te halen zodat de gemeenten tegen deze inbreuken zouden kunnen optreden.

De inbreuken worden opgesomd in de rondzendbrief van 20 januari 2005. Ik zal de heer Cheffert een kopie van die rondzendbrief overhandigen.

De wet van 17 juni 2004 werd op 1 april jongstleden van kracht. De gemeenten kunnen thans drie soorten inbreuken in hun gemeentereglement opnemen: inbreuken van louter administratieve aard, waarvan een volledige lijst is opgenomen in circulaire OOP 30bis; lichte gemengde inbreuken en zware gemengde inbreuken.

De gemeenten moeten zeggen of ze die twee laatste soorten inbreuken aanvaarden. Voor de gemeenten die wensen dat de zaak door het parket wordt behandeld, is het probleem dus opgelost. Iedereen doet wat hij wil.

Persoonlijk weet ik wat ik in mijn gemeente zou doen, maar de mogelijkheid wordt nu eenmaal geboden. Als ze dat niet wensen, hoeven de gemeenten lichte en zware gemengde inbreuken niet te behandelen.

Het gaat in beide gevallen om strafrechtelijke overtredingen die, als ze in het gemeentereglement voorkomen en op voorwaarde dat het parket het ermee eens is, het voorwerp kunnen uitmaken van een administratieve sanctie. Als aan die voorwaarden niet is voldaan, maken ze het voorwerp uit van een strafrechtelijke sanctie.

Om de door de wet van 17 juni 2004 geboden mogelijkheden te kunnen benutten, moeten de gemeenten drie aanpassingen realiseren.

Ten eerste, de aanpassing van het politiereglement van de gemeente of van de zone, in het bijzonder de invoeging van de inbreuken die uit het strafrecht werden gelicht. Samen met de minister van Binnenlandse Zaken zijn we thans bezig met het opstellen van een typevoorbeeld voor een gemeentereglement waarop de gemeenten zich kunnen baseren.

Ten tweede, de aanwijzing van een strafambtenaar.

Ten slotte, de vaststelling van inbreuken op het reglement overlaten aan een efficiënte wijkpolitiedienst of gemeenteambtenaren aanwijzen die met die taak worden belast. De politiediensten blijven evenwel volledig bevoegd voor het vaststellen van dit soort inbreuken.

De maatregel kan op een vrij eenvoudige manier worden toegepast zodra er een typereglement is goedgekeurd en er een `vaststellende' ambtenaar - bijvoorbeeld de politie - en een `strafambtenaar' is aangewezen.

Ik ben voornemens samen met de ministers van Binnenlandse Zaken en van Justitie het geheel van de wetgeving op de administratieve sancties te evalueren.

Die evaluatie kan na de zomer beginnen, zodat de resultaten bij het begin van het tweede trimester van 2006, een jaar na de inwerkingtreding van de wet, bekend zijn.

Op basis van de resultaten van de evaluatie zullen we nagaan of sommige bepalingen dienen te worden aangepast.

Aangezien bij het van kracht worden van de wet onmiddellijk bleek dat er problemen waren met betrekking tot de minderjarigen beneden de zestien jaar, die vrijgesteld zijn van administratieve sancties, hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en ikzelf beslist die problemen snel aan te pakken door vier inbreuken opnieuw in titel X van boek II van het Strafwetboek op te nemen. Het gaat om inbreuken die vaak door minderjarigen worden gepleegd: mishandeling van dieren, nachtlawaai, opzettelijke beschadiging van omheiningen en feitelijkheden. Ze maken het voorwerp uit van een aantal bepalingen van de programmawet, die op dit ogenblik in de Kamer wordt besproken.

Wat het aanbrengen van graffiti betreft, is het niet de bedoeling de besluitwet van 29 december 1945, die een deel van die materie behandelt, opnieuw in de strafwet op te nemen.

Het aanbrengen van graffiti staat niet meer in het strafrecht. Het staat de gemeenten vrij die inbreuken in hun gemeentereglement op te nemen teneinde die vorm van overlast te bestrijden. Als zulke inbreuk wordt gepleegd door een minderjarige beneden de zestien jaar, kan het parket de minderjarige vervolgen op basis van artikel 526 bij beschadiging van overheidsgoederen, van artikel 559 bij beschadiging van roerende privé-eigendommen, en van de artikelen 545 en 563.2º bij beschadiging van onroerende privé-eigendommen.

Sommige gemeenten stellen inbreuken op de gemeentereglementen strafbaar met een politiestraf. Dat komt in feite neer op het oude systeem, dat erin bestaat inbreuken op gemeentereglementen door de parketten te laten vervolgen. De parketten, die te kampen hebben met werkoverlast, zullen die zaken gemakkelijk seponeren. De gemeenten moeten zich daarvan bewust zijn. Opteren voor administratieve sancties lijkt in dit geval veel efficiënter.

Elke gemeente is uiteraard vrij te beslissen op welke manier ze de openbare veiligheid wil waarborgen en te kiezen tussen politiestraffen of administratieve sancties.

De aanwijzing van een `strafambtenaar' per politiezone kan nu reeds. Er werd zelfs voorzien in de mogelijkheid provinciale `strafambtenaren' aan te wijzen.

Daartoe moeten de huidige teksten niet worden gewijzigd.

Ik ben niet bevoegd om te antwoorden op de laatste vraag van de heer Cheffert, maar op dit ogenblik is het verlenen van bevoegdheid aan de gemeentelijke `vaststellende' ambtenaren om het voorleggen van de identiteitskaart te kunnen eisen, niet aan de orde.

Als uit de evaluatie van de wet blijkt dat dit probleem moet worden opgelost om een efficiënte aanpak te verzekeren, zal die kwestie zeker opnieuw worden onderzocht.

Het voorleggen van de identiteitskaart is overigens enkel zinvol in geval van heterdaad. Alle andere vaststellingen - bijvoorbeeld het onderzoek van afval - wordt uitgevoerd op basis van andere verdenkingen. In kleine gemeenten en steden kent men de mensen en is het niet nodig hun identiteitskaart te vragen. De opmerking van senator Cheffert is evenwel belangrijk. De zaak zal zonodig worden onderzocht in het kader van de evaluatie van de wet. We moeten er evenwel voor zorgen dat we niet in aanvaring komen met de wet op de bescherming van het privé-leven.

De heer Jean-Marie Cheffert (MR). - Ik heb niets toe te voegen aan een zo volledig antwoord. Ik dank de minister van harte.

Vraag om uitleg van mevrouw Jeannine Leduc aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de inhoudelijke aspecten van enkele verdragen inzake de nationaliteit» (nr. 3-916)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Jeannine Leduc (VLD). - Volgens artikel 22, §1, 1º, van het Wetboek van de Belgische nationaliteit verliest de Belg die de leeftijd van 18 jaar bereikt heeft, zijn nationaliteit wanneer hij vrijwillig een vreemde nationaliteit heeft verkregen. Het verlies van de Belgische nationaliteit leidt automatisch tot het verlies van stemrecht en diplomatieke bescherming. Vele landgenoten willen daarom liever geen afstand doen van de Belgische nationaliteit. Soms worden ze echter door omstandigheden in het buitenland daartoe genoodzaakt.

De grondslag voor deze bepaling ligt besloten in artikel 1.1. van de Overeenkomst van de Raad van Europa van 6 mei 1963 betreffende de beperking van gevallen van meervoudige nationaliteit en betreffende militaire verplichtingen in geval van meervoudige nationaliteit. In de bijlage van deze overeenkomst konden de lidstaten evenwel een voorbehoud formuleren om de stringente regeling van dit artikel af te zwakken. België formuleerde geen voorbehoud, zodat de meest verregaande en strenge bepalingen op ons land van toepassing zijn.

In het tweede protocol tot wijziging van de overeenkomst van mei 1963 liggen meer mogelijkheden tot behoud van de oorspronkelijke nationaliteit, maar België bekrachtigde dit protocol nog niet.

In het kader van de Raad van Europa kwam vervolgens in 1997 een conventie over de nationaliteit tot stand die de individuele staten de vrijheid geeft om te bepalen of een persoon die vrijwillig een andere nationaliteit verwerft, zijn oorspronkelijke nationaliteit kan behouden. Deze bepaling druist echter in tegen de overeenkomst van 1963.

Wanneer België de dubbele nationaliteit wenst in te voeren, dient het dus eerst de overeenkomst van 1963 op te zeggen en vervolgens de conventie van 1997 te ondertekenen en te bekrachtigen. Vóór deze beide procedures van start kunnen gaan, moeten eerst de inhoudelijke problemen, die onder de bevoegdheid van de minister van Justitie ressorteren, uitgeklaard worden.

Waarom schrapte België tot op heden de overeenkomst van 1963 nog niet en/of ratificeerde het de conventie van 1997 nog niet? Wat zijn de juridische bezwaren en hoe denkt de minister ze aan te pakken? Hoe ziet de minister de verdere ontwikkeling in beide procedures?

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De minister van Justitie sprak zich reeds herhaaldelijk uit over de door de overeenkomst van 1963 gerezen problemen en over de noodzaak om de conventie van 1996 te ratificeren, zodat de meervoudige nationaliteit in onze wetgeving kan worden ingeschreven.

De administratie werkt op het ogenblik een ontwerp uit dat verschillende bepalingen van de conventie van 1997 ten uitvoer legt, zoals de meervoudige nationaliteit, de motiveringsplicht van de beslissing tot naturalisatie en de mogelijkheid van hoger beroep tegen die beslissingen. Dat ontwerp kan echter niet goedgekeurd worden zolang de overeenkomst van 1963 niet opgezegd is.

Het CADHI, het comité van juridische adviseurs internationaal publiek recht bij de Raad van Europa, heeft in 2002 vastgesteld dat in de overeenkomst van 1963 geen procedure voor de gedeeltelijke opzegging is opgenomen. In een dergelijke situatie bepaalt artikel 44, §1 van het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht dat de gedeeltelijke opzegging maar mogelijk is mits schriftelijk akkoord van alle verdragspartijen.

Zoals de vraagsteller weet, hadden alleen België en Luxemburg hun akkoord over die opzegging nog niet gegeven, wat de ratificatie van de conventie van 1997 blokkeerde. De minister van Justitie heeft onlangs aan haar collega's van Buitenlandse Zaken gevraagd zich akkoord te verklaren met de gedeeltelijke opzegging van de overeenkomst van 1963.

Volgens recente inlichtingen van de Raad van Europa is Luxemburg van plan om zich akkoord te verklaren met de gedeeltelijke opzegging van de overeenkomst van 1963, maar wil het vooraf zijn nationaliteitswetgeving wijzigen. Dat is uiteraard verheugend nieuws, aangezien zodoende de laatste hindernis voor de ratificatie van het verdrag van 1997 en voor de invoering van de meervoudige nationaliteit in ons recht uit de weg wordt geruimd. Het ontwerp inzake het verdrag van 1997 zou vóór de opening van het volgende parlementaire jaar klaar moeten zijn.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de teruggave van gestolen goederen uit het buitenland» (nr. 3-900)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Een tiental jaren geleden werd bij een welbepaald persoon tijdens een inbraak een aantal waardepapieren gestolen, zijnde Nederlandse, Franse en Duitse aandelen. De persoon in kwestie legde hiervoor klacht neer. Bijna tien jaar later kreeg hij bericht van de politie dat de stukken in Duitsland werden aangeboden en in beslag werden genomen. Hij nam toen contact op met het parket in Leuven, kreeg na lang aandringen inzage in het dossier en via de referenties daarin ook contact met interpol. Ondanks veel moeite kreeg hij de bewuste stukken niet terug.

Een kennis vertrouwd met het rechtswezen, raadde hem aan om zich rechtstreeks te richten tot de Staatsanwalt. Na een schrijven kreeg hij de bewuste waardepapieren na enkele weken wel terug.

Dit is een vereenvoudigde versie van de feiten, maar in essentie komt het erop neer dat mocht hij die informatie niet per toeval hebben gekregen, die stukken hoogst waarschijnlijk niet waren terugbezorgd.

Op welke manier komt het Belgische gerecht doorgaans tussenbeide bij teruggave van gestolen goederen die in het buitenland zijn teruggevonden? Bestaat hiervoor een geijkte procedure? Welke wetgeving is hiervoor van toepassing? Werd in dit concrete geval de wettelijke reguliere procedure gevolgd? Indien niet, wat is hier dan misgelopen? Heeft de vice-eerste minister behalve van dit dossier nog weet van gevallen waarbij de teruggave niet naar behoren is verlopen? Waaraan is dit dan te wijten? Hoe wil de vice-eerste minister dit in de toekomst verhelpen?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De teruggave van in beslag genomen goederen wordt binnen de Europese Unie geregeld door het Europees Verdrag van 20 april 1959 betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken.

De signalering van een gestolen voorwerp en de regeling inzake de teruggave wordt eveneens geregeld in de Schengen-overeenkomst van 1990. Dat houdt in dat de autoriteit die gesignaleerde goederen aantreft overeenkomstig zijn nationaal recht, het nodige doet om die goederen veilig te stellen. De autoriteit die het signalement heeft verstuurd, wordt dan verwittigd. Dit betekent eigenlijk dat de afhandeling van de transfer door de politiediensten gebeurt. De Belgische parketten komen dus nauwelijks tussenbeide.

Voor de parketten bestaan bijgevolg geen bijzondere richtlijnen of procedures voor de teruggave van goederen uit het buitenland die in België werden gestolen. Dit betekent dat de diverse parketten, voor zover een beroep op hen wordt gedaan, een eigen houding aannemen tegenover deze problematiek.

Een aantal parketten beperken zich ertoe het slachtoffer mee te delen dat diens goederen werden teruggevonden en laten het aan die laatste over om de nodige stappen te doen. In de overgrote meerderheid van de gevallen wordt de teruggave van de goederen uitgevoerd door de politiediensten.

Uit de gegevens die ik van de diverse parketten ontving, blijkt dat er zich zelden problemen voordoen bij de eigenlijke overdracht. Er kan echter een probleem optreden wanneer de buitenlandse gerechtelijke autoriteiten de bedoelde goederen aan een onderzoek wensen te onderwerpen, bijvoorbeeld een DNA-onderzoek of een sporenonderzoek. In dat geval dient beroep te worden gedaan op een rechtshulpverzoek.

Een ander probleem kan zijn wanneer niet duidelijk is aan wie het eigendomsrecht van de goederen die worden teruggevonden, toekomt. Soms worden goederen slechts jaren na de diefstal aangetroffen waardoor zij soms terechtgekomen zijn bij een eigenaar die volledig te goeder trouw is. Slechts uitzonderlijk worden zij teruggevonden in de handen van een bezitter te kwader trouw.

Het interne recht van het land waar de zaken worden gevonden is dan ook niet altijd onbelangrijk, vermits de rechtsfiguur van de bezitter te goeder trouw niet steeds in ander wetgevingen of rechtsstelsels is gekend. Een parket is bovendien niet de geschikte dienst om zich uit te spreken over de rechten van de ene of de ander partij ten aanzien van de betreffende goederen.

Op grond van de gegevens uit de vraag om uitleg is het voor het Leuvense parket onmogelijk om na te gaan over welk dossier het gaat. Het is dan ook onmogelijk te onderzoeken wat er kan misgelopen zijn.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik blijf met een wrang gevoel zitten over het feit dat bestolen burgers waarvan de gestolen goederen worden teruggevonden, blijkbaar op een verkeerd spoor worden gezet. Er wordt onvoldoende informatie gegeven aan die burgers en ze kunnen hun goederen enkel bij toeval terugvinden. De overheid blijft op zijn minst op het vlak van informatie in gebreke. De burger moet weten bij wie hij terecht kan om zijn goederen terug te vinden. Het is niet duidelijk of hij zelf contact moet opnemen met het buitenland, dan wel of elk parket en elke politiedienst op zich handelt. Ik heb één concreet voorbeeld gegeven waar het probleem werd opgelost. Ik vermoed dat er ook voorbeelden zijn van gestolen goederen die worden teruggevonden, maar waar de burger niet weet bij welke dienst hij terecht kan. Daaraan moet worden verholpen.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de toepassing van de wet van 29 juni 1964 betreffende de opschorting, het uitstel en de probatie» (nr. 3-913)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Wanneer een rechtbank een voorwaardelijk uitstel uitspreekt, waarbij de veroordeelde de opgelegde voorwaarden moet respecteren, is één van de essentiële voorwaarden in gevallen van zedendelicten met minderjarigen dat de veroordeelde geen contact meer mag hebben met zijn jonge slachtoffer.

In de praktijk wordt die voorwaarde dikwijls al te beperkend geïnterpreteerd door de medewerkers van de justitiehuizen of door de probatiecommissie zelf.

Ik ken het voorbeeld van een gescheiden vader die een bezoekrecht heeft voor zijn minderjarig kind. Dat kind is het slachtoffer geweest van seksueel misbruik door een derde, die daarvoor werd veroordeeld en probatoire maatregelen kreeg opgelegd waaronder het niet hebben van contact met zijn slachtoffer. Enkele tijd na zijn vrijlating kocht die persoon een huis, dat hij bewoont, op twintig meter van de woonplaats van de vader van het kind waar zijn slachtoffer om de veertien dagen verblijft. De verblufte vader is naar de probatiecommissie gestapt. Die besliste dat ze de door de rechtbank opgelegde voorwaarden niet kon verstrengen. Mijns inziens kon ze die wel verduidelijken en aanpassen aan de omstandigheden.

Volgens mij kan het komen wonen op twintig meter van de woon- of verblijfplaats van het slachtoffer worden geïnterpreteerd als een wilsuiting van de veroordeelde om de probatievoorwaarde niet na te leven omdat hij weet dat de nabijheid ontmoetingen, zelfs onvrijwillige, tussen hem en zijn slachtoffer onvermijdelijk maakt.

Deelt de minister mijn mening dat probatievoorwaarden niet zo strikt mogen worden geïnterpreteerd dat ze hun inhoud verliezen, maar dat ze in het voordeel van het slachtoffer moeten worden geïnterpreteerd, in het bijzonder in gevallen van zedendelicten met minderjarigen? Houdt de voorwaarde voor de veroordeelde om geen contact meer te hebben met zijn slachtoffer geen verbod in om in dezelfde straat te komen wonen waar zijn slachtoffer woont of verblijft?

Hoe kunnen de vergissingen van de medewerkers van de justitiehuizen of van de probatiecommissie worden `rechtgezet', in het bijzonder wanneer de beroepstermijnen verstreken zijn?

Het wetsontwerp over de externe rechtspositie van de gedetineerden, dat nu wordt onderzocht, behandelt de problematiek van de hervorming van de probatie niet. Volgens de mensen van de praktijk liggen de schrijnendste en prioritaire noden nochtans op dat vlak en op het vlak van het sociaal verweer. Overweegt de minister een dergelijke hervorming? Zo ja, in welke richting zal die gaan?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van mevrouw Onkelinx.

Ik zal niet ingaan op individuele dossiers, maar de algemene manier van werken uitleggen.

De rechter legt de probatievoorwaarden op en omschrijft ze. Hij kan zich vooraf informeren via een sociaal onderzoek. De opgelegde voorwaarden worden op concrete wijze besproken met de justitieassistent tijdens contacten met de veroordeelde. De probatiecommissie waakt over de evaluatie en de opvolging. De commissie kan de voorwaarden nuanceren en wijzigen, maar niet verstrengen. Het is dus belangrijk dat de voorwaarden duidelijk omschreven zijn om eventuele interpretaties tot een minimum te beperken. Het doel van de voorwaarden die met het slachtoffer te maken hebben, is de rechten van dit slachtoffer te garanderen. Bij de interpretatie en concretisering van de voorwaarden moet inderdaad rekening worden gehouden met de belangen van het slachtoffer.

Veroordeelden voor zedendelicten krijgen dikwijls een verbod opgelegd om contact op te nemen of op een bepaalde plaats te komen. Dat zijn twee verschillende zaken. Het contactverbod houdt in dat de veroordeelde geen contact mag hebben met het slachtoffer of dat hij, bij een toevallige ontmoeting, geen contact mag zoeken. Een plaatsverbod betekent dat de veroordeelde niet naar een bepaalde plaats mag gaan, hetzij in een straat, hetzij in een wijk. Zo kan hij het verbod krijgen op bepaalde plaatsen te wonen. Ik kan moeilijk algemene richtlijnen uitvaardigen over de herziening van bepaalde beslissingen. Het individuele dossier moet worden onderzocht. De probatiecommissie moet eventueel een rechtzetting doen.

Mijn wetsontwerpen over de strafuitvoeringsrechtbanken en de externe rechtspositie van de gedetineerden behandelen noch de probatie, noch het sociaal verweer.

In navolging van de aanbevelingen van de commissie-Holsters heb ik me momenteel toegespitst op het probleem van de uitvoering van de vrijheidsberovende straffen. Deze hervorming is slechts een eerste stap. De strafuitvoeringsrechtbanken moeten in de toekomst ook bevoegd worden voor de opvolging van de probatie en de internering. Aan die hervorming ben ik nog niet begonnen. Ik wens nu de eerste hervormingen tot een goed einde te brengen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het antwoord gaat in de richting van wat ik heb gezegd. Het zou misschien raadzaam zijn om, bijvoorbeeld via een rondzendbrief, de probatiecommissies en justitiehuizen op de noodzaak te wijzen om de voorwaarden zo duidelijk mogelijk te omschrijven zodat situaties die ik heb vermeld, kunnen worden voorkomen. Gewoon stellen dat er een contactverbod met het slachtoffer wordt opgelegd zonder nadere preciseringen is onvoldoende. Dan komt men in situaties zoals ik heb beschreven, en die duidelijk ingaan tegen de opgelegde voorwaarden.

Ik heb ook gehoord dat de probatiecommissie zo nodig haar beoordelingsfouten kan rechtzetten. Dat is een belangwekkend element.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de aanwijzing en uitoefening van managementfuncties in de federale programmatorische overheidsdiensten (POD)» (nr. 3-902)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik heb vernomen dat de ministerraad tijdens zijn vergaderingen van 29 april en 13 mei 2005 een ontwerp van koninklijk besluit heeft besproken houdende wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten.

Het zogezegd louter technische ontwerp zou meer bepaald tot doel hebben de federale programmatorische overheidsdiensten op te nemen in het systeem van de managementfuncties.

Eigenlijk heeft men zich er na meer dan vier jaar rekenschap van gegeven dat men vergeten was de federale programmatorische overheidsdiensten op te nemen in de welbekende Copernicushervorming. Het gaat om de POD Maatschappelijke Integratie, Armoedebestrijding en Sociale Economie, de POD Duurzame Ontwikkeling, de POD Wetenschapsbeleid en de POD Consumentenzaken. Al die federale programmatorische overheidsdiensten zouden ontsnapt zijn aan de toepassing van het oorspronkelijke koninklijk besluit en toch blijken er voor die functies topmanagers benoemd te zijn.

Als die wijziging nodig is, dan gaat het wel om een verrassende of zelfs surrealistische wijziging.

Eens te meer blijkt dat bij de Copernicushervorming heel wat improvisatie te pas kwam.

Kan de minister die informatie bevestigen en eventueel concreet uitleggen wat men beoogt met de wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001? Betreft die wijziging wel degelijk alle managementfuncties bij de federale programmatorische overheidsdiensten? Is de minister voornemens om de geplande bepalingen terugwerkende kracht te geven?

Zijn er titularissen die al functies van Niveau 1 of Niveau 2 bekleden bij één of meerdere POD's? Zo ja, welke functies? Lopen er al selectieprocedures voor functies N-1 of N-2 bij een POD? Zo ja, voor welke functies? Kunt u me de lijst geven van de leden van de selectiecommissies die belast zijn met het onderzoek van de kandidaturen?

Vreest de minister niet - en hiermee loop ik vooruit op de volgende vraag - dat hij zich opnieuw blootstelt aan beroepen bij de Raad van State?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Wij stellen ons altijd bloot aan beroepen bij de Raad van State. De rechtsstaat wil dat en dat is een heel goede zaak. Het komt erop aan er niet te veel te verliezen.

De wijziging van het koninklijk besluit van 29 oktober waarnaar u verwijst, heeft de bedoeling een vergetelheid recht te zetten. Het betreft hier de continuïteit van de Staat en ik neem die vergetelheid dus voor mijn rekening. In feite werd dat koninklijk besluit al toegepast in de federale programmatorische overheidsdiensten. Precies de voorzitters van de POD's worden trouwens in het corpus van de tekst genoemd. De titel van het koninklijk besluit preciseerde echter niet dat het ook de managementfuncties bij de POD's betrof. Ik geef toe dat het toepassingsgebied van het oorspronkelijke koninklijk besluit niet volledig was, vermits er geen sprake in was van de POD's.

Vanwege de rechtszekerheid heb ik de regering voorgesteld om die vergetelheid recht te zetten en zij is op mijn suggestie ingegaan. Het ontwerp van koninklijk besluit voorziet effectief in terugwerkende kracht voor de corrigerende bepalingen.

Op dit ogenblik wordt wel degelijk voorzien in managementfuncties N-1 bij de POD Maatschappelijke Integratie en bij de POD Wetenschapsbeleid. Momenteel is geen enkele van die functies ingenomen. Die functies worden vermeld in de personeelsplannen die de verschillende POD's hebben goedgekeurd.

De selecties voor de twee functies N-1 bij de POD Maatschappelijke Integratie en voor twee van de drie functies N-1 bij de POD Wetenschapsbeleid staan evenwel op het programma van SELOR, maar zij zullen niet plaatsvinden vóór september. Vandaag zijn de selectiecommissies dus nog niet samengesteld en bijgevolg kan ik de samenstelling ook niet meedelen.

De functies N-2 zullen niet meer worden ingevuld naar het voorbeeld van wat is gepland voor de FOD. Ik ben immers voornemens ze op te nemen in het stelsel van de A-loopbanen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De minister heeft een soms moeilijk beheersbare situatie geërfd waarvoor hij zelf niet verantwoordelijk is. Ik hoop dat hij enkele zaken wint voor de administratieve rechtscolleges.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de consequenties van de waarschijnlijke vernietiging van de benoeming van een aantal topmanagers door de Raad van State» (nr. 3-912)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Nu al kunnen we ervan uitgaan dat sommige benoemingen van topmanagers die gebeurd zijn krachtens de oude procedure van het koninklijk besluit van 29 oktober 2001, eerlang door de Raad van State dreigen te worden vernietigd. Het gaat om de functies van voorzitter van het directiecomité van de FOD P&O, van de FOD Financiën en van de FOD Budget- en Beheerscontrole.

De auditeurs hebben al twee adviezen uitgebracht op basis van de `Delwaide'-jurisprudentie waar wordt vastgesteld dat de gelijke behandeling van de kandidaten niet is gewaarborgd omdat ze geëvalueerd kunnen worden door twee parallelle selectiecommissies, een Franstalige en een Nederlandstalige.

Kan de minister een en ander bevestigen? Hoeveel functies kunnen eventueel door de Raad van State worden vernietigd? Is de minister voornemens om in geval van vernietiging maatregelen te nemen om de goede werking van de FOD te verzekeren? Zullen de bevoegde ministers een ambtenaar aanstellen tot dienstdoend voorzitter van het directiecomité?

De wijzigingen inzake taalsamenstelling, die het koninklijk besluit van 15 juni aanbrengt aan het koninklijk besluit van 29 oktober 2001 betreffende de aanduiding en de uitoefening van de managementfuncties in de federale overheidsdiensten, dreigen tot nieuwe beroepen aanleiding te geven. Zal een evaluatie door eentalige leden, van kandidaten van de andere taalrol, niet op een juridisch obstakel stuiten? Welke waarborg hebben kandidaten dat de leden van de selectiecommissie bekwaam zijn om hen correct te evalueren als ze tot de andere taalrol behoren?

Is het raadzaam de selectiecommissie te laten voorzitten door de gedelegeerd bestuurder van Selor als die zijn kennis van de tweede landstaal niet heeft bewezen zoals de gecoördineerde wetten op het taalgebruik in administratieve zaken dat voorschrijven, zelfs als hij wordt bijgestaan door een wettelijk tweetalige?

Is het niet paradoxaal dat de wettelijk tweetalige ambtenaar geen beslissende stem heeft, terwijl hij het best geplaatst is om kandidaten van beide taalrollen te beoordelen en niet de ééntalige gedelegeerd bestuurder van Selor? Waarin bestaat de opdracht van de wettelijk tweetalige ambtenaar die de gedelegeerd bestuurder van Selor bijstaat? Hoe oefent hij die opdracht uit?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Allereerst wens ik te preciseren dat de Raad van State tot op vandaag geen enkele aanstelling van voorzitters van directiecomités van FOD's heeft vernietigd. Beroepen via de middelen die vraagsteller vermeldt, hebben betrekking op drie voorzitters van directiecomités bij de FOD P&O, Budget - en Beheerscontrole en Financiën - en twee N-1: één bij de Kanselarij van de Eerste minister en één bij de FOD Financiën.

Mocht de Raad van State die aanstellingen vernietigen, dan zou ik de procedure volgen die geldt voor elke selectie van managers.

Op verzoek van de bevoegde minister wordt de selectie aan Selor toevertrouwd. Een enige tweetalig paritaire commissie staat in voor de selectie van alle kandidaten voor eenzelfde functie, zoals voor elke managementfunctie overigens.

De voorzitter - de gedelegeerd bestuurder van Selor of zijn afgevaardigde - moet zijn kennis van de andere landstaal hebben aangetoond. Zo niet zal hij worden bijgestaan door een wettelijk tweetalige om de eenheid van jurisprudentie te waarborgen. Desalniettemin laat de kennis van het Frans van de afgevaardigde bestuurder van Selor, die niet wettelijk tweetalig is, niets te wensen over.

Bovendien zal de commissie zijn samengesteld uit twee externe experts, één in management en één in human resources, twee externe experts specialisten in het domein van de kandidaat en twee ambtenaren.

Die commissie zal de specifieke bekwaamheden voor de vacante functie en de managementcapaciteiten van de kandidaten evalueren.

Om de continuïteit van de openbare dienst te verzekeren moet iedere betrokken minister een ambtenaar aanstellen om de leiding van zijn departement te verzekeren. Het algemene beginsel van de continuïteit van openbare dienst gaat voor op elke andere regel. In voorkomend geval neemt de Koning een reglementaire maatregel ad hoc om de continuïteit van de dienst te verzekeren tussen de vernietiging en de nieuwe aanstelling.

Inzake de tweetaligheid van de commissie kan ik u geruststellen.

Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State is een commissie tweetalig als ze is samengesteld uit leden van de twee taalgroepen en minstens één tweetalig lid telt of een beroep kan doen op een taaladjunct: ik verwijs meer bepaald naar de arresten nr. 12.951 van 10 mei 1968 en nr. 120.122 van 3 juni 2003.

Of het nu om de voorzitter gaat of om diens assistent, volgens de Raad van State is de wettelijk tweetalige aanwezig om aan de andere leden van de commissie de exacte inhoud uit te leggen van de documenten en van de betogen in de andere taal dan de hunne.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de toegelaten beroepsarbeid voor arbeidsongeschikte zelfstandigen» (nr. 3-903)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De mogelijkheden voor arbeidsongeschikte zelfstandigen om nog een beperkte beroepsactiviteit uit te oefenen zijn sterk beperkt in vergelijking met de mogelijkheden in de werknemersregeling. Arbeidsongeschikte werknemers mogen, mits goedkeuring door de medische adviseur van het ziekenfonds, onder bepaalde voorwaarden onbeperkt in de tijd hun uitkering cumuleren met een beperkte beroepsbezigheid.

Voor arbeidsongeschikte zelfstandigen is die cumulatiemogelijkheid beperkt in de tijd tot maximum 6 maanden wanneer tijdens de periode van arbeidsongeschiktheid een andere beroepsbezigheid wordt uitgeoefend en tot maximum 18 maanden als de arbeidsongeschikte zelfstandige zijn vroegere zelfstandige activiteit hervat. De betrokken zelfstandigen ervaren deze ongelijke behandeling als onbillijk.

Reeds in de vorige regeerperiode heb ik aangedrongen op een meer soepele regeling ter zake en heb ik de voormalige minister van Sociale Zaken verzocht de invoering van een blijvende deeltijdse arbeidsongeschiktheid te onderzoeken.

Medio 2004 heeft de minister van Sociale Zaken het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen een advies gevraagd over de mogelijke uitbreiding van de mogelijkheden van deeltijdse arbeidshervatting door arbeidsongeschikte zelfstandigen.

In december 2004 heeft hij dat advies, met concrete voorstellen, ontvangen. Toen ik de minister daarover op 9 juni jongstleden in de plenaire zitting van de Senaat ondervroeg, antwoordde hij dat hij een analyse heeft laten uitvoeren `waarbij rekening gehouden werd met de huidige budgettaire context en met de genoteerde verhoging van de uitgaven in ongeschiktheid en invaliditeit in de zelfstandigensector'. Hieromtrent zou regelmatig overleg worden gepleegd met de beleidscel van Middenstand en Landbouw, vooral met het oog op een evaluatie van de budgettaire impact van deze maatregel. De minister gaf evenwel duidelijk te kennen dat we niet te veel hoop moesten koesteren op een spoedige wettelijke regeling.

Het antwoord van de minister van Sociale Zaken ontgoochelde mij enigszins. Het creëren van mogelijkheden voor arbeidsongeschikte zelfstandigen om zonder beperking in de tijd nog op een beperkte wijze arbeidsactief te zijn, net zoals dat in de werknemersregeling wél mogelijk is, is geen louter budgettaire aangelegenheid.

Het is vooral een kwestie van sociale rechtvaardigheid en van een maatschappelijke doelstelling: het vermijden van sociale uitsluiting bij een kwetsbare groep. Overigens, wat het budgettaire aspect betreft, mag men niet vergeten dat arbeidsongeschikte zelfstandigen die nog een beroepsbezigheid uitoefenen, ook nog sociale bijdragen betalen, in tegenstelling tot degenen die opteren voor het behoud van hun uitkeringen en de stopzetting van hun activiteit. Het is dus niet enkel een kwestie van uitgaven, maar ook van extra inkomsten. Daarmee wordt onvoldoende rekening gehouden.

Gezien het onbevredigende antwoord van de minister van Sociale Zaken, had ik graag van de minister van Middenstand vernomen hoever het staat met het overleg. Wat zijn de budgettaire implicaties van de mogelijke invoering van de maatregelen zoals voorgesteld door het Beheerscomité van de uitkeringsverzekering voor zelfstandigen? Wanneer zal de minister de eerste concrete beleidsvoorstellen doen? Welke aanpassingen mogen we verwachten? Wanneer zal de huidige onbillijke regeling van de betrokken zelfstandigen worden aangepast?

Op de superministerraad in Gembloers van 16 en 17 januari 2004 werd ook een verbetering van de arbeidsongeschiktheids- en invaliditeitsverzekering van de zelfstandigen in het vooruitzicht gesteld. In hoeverre werden op dat vlak reeds initiatieven genomen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De verbeteringen die aan de vergoedingenverzekering van de zelfstandigen dienen te worden aangebracht, maken het voorwerp uit van een diepgaand en regelmatig overleg tussen mijn kabinet en het kabinet van de minister van Sociale Zaken.

We zijn ons ten volle bewust van de noodzaak om het probleem van de voortgezette gedeeltelijke werkhervatting op te lossen. Een soepeler regelgeving is inderdaad onontbeerlijk. De verscheidenheid en de overvloed aan zelfstandige werkpraktijken maakt het formuleren van eenduidige en toepasbare teksten evenwel bijzonder ingewikkeld.

Het Beheerscomité heeft de - mogelijk negatieve - budgettaire weerslag van de voorgestelde maatregelen niet besproken. Samen met het kabinet van Sociale Zaken onderzoeken wij andere maatregelen die voor advies aan het Beheerscomité zullen worden voorgelegd, onder meer met het oog op de raming van de kostprijs ervan.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - De minister haalt opnieuw enkel het budgettaire aspect aan. Er zijn echter niet veel invalide zelfstandigen. Er zijn er nog minder die een activiteit willen hervatten. Het budgettaire effect zal dus niet groot zijn. Zij betalen trouwens ook bijdragen. Dat ze niet beroepsactief kunnen blijven is voor die mensen erg frustrerend. Dat aspect wordt onderschat. Zo blijft een stuk sociale onrechtvaardigheid bestaan onder het voorwendsel van een zeer kleine budgettaire kost. Ik betreur het dat niet meer inspanningen worden geleverd voor een kleine groep mensen die zich sterker sociaal geïntegreerd zou kunnen voelen.

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Ik heb daarjuist aan collega Willems gezegd dat de uitkeringen vanaf 1 januari 2006 met ongeveer 20% zullen worden verhoogd. Ik ga ermee akkoord dat het niet alleen een budgettair probleem betreft. Er is evenwel ook een probleem van controle. Een zelfstandige heeft geen vaste uren waardoor de controle erg moeilijk wordt.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Dat is juist, maar die moeilijkheden bestaan ook vandaag al. Die problemen kunnen worden opgelost. Wanneer er gedurende langere tijd een cumul wordt uitgeoefend, dan moeten er maatregelen komen om de invaliditeitsuitkering te verminderen. Nu komen de mensen in de problemen op het ogenblik dat de periode van 6 of 18 maanden ten einde loopt. Dan moeten ze ofwel volledig terug in de invaliditeit, terwijl ze nog activiteiten kunnen verrichten, ofwel moeten ze volledig actief worden hoewel ze dat niet kunnen onder volledige rendabele omstandigheden.

Vraag om uitleg van de heer Jan Steverlynck aan de minister van Middenstand en Landbouw over «de uitvoering van de wet eenheid van loopbaan» (nr. 3-907)

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Op 16 april 2002 diende ik een wetsvoorstel in over de toepassing van het principe van eenheid van loopbaan bij gemengde loopbanen. Het principe van dit wetsvoorstel was dat bij overschrijding van de eenheid van loopbaan de effectief minst voordelige jaren zouden wegvallen, ongeacht in welk stelsel die jaren zijn gepresteerd.

Dit wetsvoorstel werd tijdens de vorige legislatuur unaniem aanvaard door het Parlement en resulteerde in de wet van 11 mei 2003 tot wijziging van diverse bepalingen betreffende het rust- en overlevingspensioen voor werknemers en zelfstandigen met het oog op de uitvoering van het principe van de eenheid van loopbaan. Deze wet werd gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 24 juni 2003. De wet bepaalt evenwel dat de Koning de datum van inwerkingtreding bepaalt.

Op 27 oktober 2004 vroeg ik aan de minister van Leefmilieu en Pensioenen hoever het staat met de uitvaardiging van de nodige uitvoeringsbesluiten om de wet in werking te laten treden. De minister liet mij weten dat hij eerst de financiële impact van de maatregel wil laten berekenen alvorens op mijn vraag te kunnen antwoorden.

Op 13 januari 2005 ondervroeg ik de minister van Leefmilieu en Pensioenen hierover opnieuw. De minister antwoordde toen dat hij de `vaste intentie' had om de wet van 11 mei 2003 uit te voeren. Zijn diensten zouden tegen eind 2005 klaar zijn. Hij kon echter niet spreken namens zijn collega van Middenstand.

Welke werkzaamheden werden sinds de publicatie van de wet van 11 mei 2003 inzake eenheid van loopbaan binnen uw diensten reeds verricht ter uitvoering van deze wet? Welke uitvoeringsproblemen zijn er? Wanneer zullen de diensten klaar zijn met alle voorbereidingen en wanneer zal de wet van kracht kunnen worden?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - De betrokken pensioenadministraties, RVP en RSVZ, hebben overleg gepleegd met het oog op de uitvoering van de wet van 11 mei 2003. De uitvoering van de voormelde wet zal immers een zeer nauwe en uitgebreide samenwerking vergen tussen beide instellingen.

Er is een werkgroep met medewerkers van de 2 instellingen samengesteld om een grondige analyse te maken van de weerslag van de wet op de huidige werkprocedures en om een nieuwe concrete werkwijze uit te tekenen. Ik heb vernomen dat er heel wat praktische, administratieve uitvoeringsmodaliteiten zijn.

Ik kan de heer Steverlynck verzekeren dat ik samen met mijn bevoegde collega van Pensioenen de werkzaamheden van de werkgroep van nabij zal opvolgen en tussentijdse rapporten zal vragen omtrent het verloop van de werkzaamheden en de vastgestelde uitvoeringsmoeilijkheden. De wet zal zo spoedig mogelijk in werking treden. Ik kan echter geen precieze datum geven.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Er zijn mensen die minder pensioen ontvangen dan het bedrag waarop ze recht hebben. De wet is al een tweetal jaren oud. Ik vind het dan ook gepast dat de nodige inspanningen worden gedaan om ervoor te zorgen dat de praktische moeilijkheden bij de diensten snel worden opgelost.

De minister zegt dat dit zo snel als mogelijk zal gebeuren maar kan geen concrete datum geven. De minister van Pensioenen heeft de indruk gegeven dat de werkzaamheden tegen het einde van het jaar zouden kunnen worden afgerond. Blijft de minister bij dat standpunt of bedoelt ze met `zo snel mogelijk' `onverwijld', zodat we niet goed weten wanneer dat zal zijn?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Ik ben misschien voorzichtiger dan mijn collega. Ik hoop dat we tegen het einde van het jaar de maatregelen effectief kunnen toepassen.

Ik wil liever geen precieze datum vermelden. We werken inderdaad al vele maanden aan dat project en ik hoop het zo snel mogelijk te kunnen afronden.

Omdat dit dossier mij bijzonder na aan het hart ligt, ben ik er ook in geslaagd mijn collega's ertoe te bewegen het pensioen van de zelfstandigen op te waarderen. Er blijft alleszins nog veel te doen op dat vlak. Ik herhaal nogmaals dat elke verbetering van het pensioen en van het sociaal statuut van de zelfstandigen en ook een meer billijke behandeling van alle statuten, van wezenlijk belang zijn.

De heer Jan Steverlynck (CD&V). - Ik dank de minister voor haar vaste belofte. Ik zal haar eind dit jaar herinneren aan die belofte.

De voorzitter. - De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 30 juni 2005 om 10.00 uur en om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.00 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Thijs, wegens andere plichten, de heren Van den Brande en Wilmots, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 48
Voor: 48
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Francis Delpérée, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 53
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Mimount Bousakla, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Jan Steverlynck, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot vereenvoudiging van de indeling van de zware verkeersovertredingen (van mevrouw Anke Van dermeersch en de heer Frank Creyelman; Stuk 3-1243/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 13 van de wet van 13 augustus 2004 betreffende de vergunning van handelsvestigingen teneinde de warenhuizen te verplichten gratis toiletten ter beschikking te stellen van hun klanten (van mevrouw Marie-José Laloy; Stuk 3-1246/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de in eigen land ontheemden (van mevrouw Isabelle Durant; Stuk 3-1251/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 16 juni 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, wat betreft de wedden van de referendarissen en de parketjuristen bij de hoven van beroep en bij de rechtbanken van eerste aanleg, van de griffiers en de secretarissen van het parket en tot wijziging van de artikelen 259duodecies en 285bis van hetzelfde Wetboek (Stuk 3-1247/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp houdende wijziging van de wet van 20 januari 1999 ter bescherming van het mariene milieu in de zeegebieden onder de rechtsbevoegdheid van België (Stuk 3-1248/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 17 juni 2005; de uiterste datum voor evocatie is maandag 4 juli 2005.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met de bij briefwisseling gesloten Overeenkomst tussen de Regeringen van het Koninkrijk België, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg, enerzijds, en de Regering van Peru, anderzijds, inzake de afschaffing van de visumplicht met betrekking tot diplomatieke en speciale of dienstpaspoorten, ondertekend te Lima op 12 en 23 februari 2001 (Stuk 3-1249/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Helleense Republiek tot het vermijden van dubbele belasting en tot het voorkomen van het ontgaan van belasting inzake belastingen naar het inkomen, ondertekend te Athene op 25 mei 2004 (Stuk 3-1250/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Mededeling van koninklijke besluiten

Bij brief van 20 juni 2005 heeft de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid aan de Senaat, voor de publicatie in het Belgisch Staatsblad, overeenkomstig artikel 58, §6, van de wet van 27 april 2005 betreffende de beheersing van de begroting van de gezondheidszorg en houdende diverse bepalingen inzake gezondheid, volgende koninklijke besluiten overgezonden:

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Auditoraat-generaal

Bij brief van 16 juni 2005 heeft de procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2004 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 13 juni 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Nationale Arbeidsraad

Bij brief van 17 juni 2005 heeft de voorzitter van de Nationale Arbeidsraad, overeenkomstig artikel 1 van de organieke wet van 29 mei 1952 tot inrichting van de Nationale Arbeidsraad, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd tijdens zijn plenaire vergadering van 16 juni 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 7 juni 2005 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 9 tot 12 mei 2005.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.