2-57

2-57

Belgische Senaat

2-57

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 22 JUNI 2000 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Overlijden van een oud-senator

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Landsverdediging over «het strategisch plan voor de modernisering van het Belgisch leger en de burgers die tewerkgesteld worden door het ministerie van Landsverdediging» (nr. 2-163)

Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (Stuk 2-279) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen (Stuk 2-282) (Tweede behandeling)

Regeling van de werkzaamheden

Benoeming van een plaatsvervangend lid niet-notaris van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-374)

Stemmingen

Benoeming van een plaatsvervangend lid niet-notaris van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-374)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de systematische opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-123)

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «het terugdringen van de sociale uitsluiting van de armsten» (nr. 2-162)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de verzekering van de gezondheidszorg voor de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend» (nr. 2-166)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over «de problematiek van kinderen uit gemengde huwelijken wier ouders uit elkaar zijn en het uitstellen van de vergadering van de Belgisch-Marokkaanse commissie» (nr. 2-156)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de stand van de Belgisch-Marokkaanse betrekkingen wat de gezinsproblematiek betreft» (nr. 2-164)

Vraag om uitleg van mevrouw Marie-José Laloy aan de minister van Justitie over «het instandhouden van persoonlijke betrekkingen tussen kinderen en hun gedetineerde ouder(s)» (nr. 2-157)

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de minister van Justitie over «de wijze waarop de Staatsveiligheid vonnissen negeert en dossiers aanlegt over parlementsleden» (nr. 2-161)

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het risico van kruisbestuiving door genetisch gemanipuleerde organismen» (nr. 2-150)

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Justitie over «de bescherming van de grondwettelijke rechten in de informatiesamenleving» (nr. 2-147)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.15 uur.)

Overlijden van een oud-senator

De voorzitter. - De Senaat heeft met groot leedwezen kennis gekregen van het overlijden van de heer Dieudonné Van der Bruggen, eresenator, gewezen senator voor het arrondissement Oudenaarde-Aalst.

Uw voorzitter betuigt het rouwbeklag van de vergadering aan de familie van ons betreurd gewezen medelid.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer over «de financiering van de tweede spoorontsluiting van de Antwerpse haven» (nr. 2-299)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - De Vlaamse regering gaat heel binnenkort - wellicht morgen al - beslissen over het definitieve tracé voor de tweede spoorontsluiting van de haven van Antwerpen. Daarbij staat de zorg centraal om een inbedding van het goederenspoor te kiezen met maximale garanties voor de leefbaarheid van de gemeenten die doorsneden worden. Dit door te voorzien in sleuven en tunnels en zo de overlast zoveel mogelijk te beperken.

Maar de NMBS liet bij monde van de heren Schouppe en Martens overduidelijk verstaan dat zij deze meerkosten van naar schatting 5 miljard frank niet zien zitten of dat zij deze kosten zullen verhalen door te snoeien in andere Vlaamse spoorinvesteringen. Ze wensen geen rekening te houden met mens en milieu en kiezen voor een oplossing in de hoogte die dus enorm veel overlast zal meebrengen en dus op enorm veel protest stuit bij de lokale gemeenschap. Dit is een mooi staaltje van de ivoren-torenmentaliteit van de NMBS die meent geen rekening te moeten houden met wat leeft in de gemeenschap.

Steunt de minister de NMBS-top in deze?

Is zij ook van mening dat de NMBS geen rekening dient te houden met de gevolgen van de spoorinvesteringen voor mens en milieu, dat deze kosten afgestoten kunnen worden of verhaald op andere investeringen?

Zal zij deze opvatting aanvaarden bij de opmaak van het nieuwe tienjareninvesteringsprogramma?

Is de minister bereid, in overleg met de Vlaamse regering, een inbedding van de nieuwe spoorlijn te onderzoeken die maximale garanties biedt voor de leefbaarheid van een hele streek?

Mevrouw Isabelle Durant, vice-eerste minister en minister van Mobiliteit en Vervoer. - Zoals in elk infrastructuurdossier, is het eerste principe in dit dossier dat de nieuwe spoorinvesteringen zoveel mogelijk de leefomgeving en het milieu moeten respecteren en tegelijkertijd aan operationele en financiële criteria moeten beantwoorden. Daarvoor baseer ik mij op het nieuwe artikel 22bis in het bijvoegsel bij het beheerscontract met de NMBS dat ik heb onderhandeld en dat goedgekeurd werd bij KB van 25 mei 2000, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 juni. Volgens dit artikel zullen de verschillende projecten die opgenomen zijn in het toekomstige tienjareninvesteringsplan 2001-2010, aan mij en aan het bestuur Vervoer te land worden voorgelegd vóór de goedkeuring van het genoemde plan door de regering. Steeds volgens dit artikel zullen in elk geval van ontwikkeling of uitbreiding van de infrastructuur het belang en het voordeel van de projecten duidelijk aangegeven worden in het licht van artikel 1 van het in het beheerscontract gedefinieerde mobiliteitsbeleid. Bij de criteria die verder in het artikel geciteerd worden, is onder meer sprake van de bescherming van het milieu. Het artikel 22bis vermeldt ten slotte dat voor elk van de projecten een omstandige fiche zal worden opgemaakt die bij het ontwerpplan zal worden gevoegd.

Volgens artikel 74 zal de NMBS inzake milieu, conform de gewestelijke wetgeving en reglementeringen, de nodige maatregelen nemen om haar hoedanigheid van weinig vervuilend en milieuvriendelijk vervoerder te vrijwaren.

Volgens het aangepaste beheerscontract wordt de NMBS heel in het bijzonder verzocht om met de gewesten te onderhandelen over overeenkomsten met betrekking tot milieumateries zoals geluid, trillingen en onderhoud van de taluds.

Tegen 1 oktober 2000 zal de NMBS aan de staat, vertegenwoordigd door mezelf, verslag uitbrengen over de met de gewesten gelegde contacten en de bekomen resultaten. Indien de mogelijkheid bestaat om een milieu-overeenkomst over een materie te sluiten met een gewest, zal de NMBS snel finale onderhandelingen aanknopen.

Tegen 1 juni 2000 moest de NMBS mij volgens het bijvoegsel bij het beheerscontract, een evaluatieverslag over de uitvoering van het eerste actieplan met betrekking tot de periode 1996-1999 verstrekken en mij bovendien de krachtlijnen van het nieuwe plan 2000-2003 meedelen.

Dat zijn de verantwoordelijkheden van de NMBS en de staat die in het bijvoegsel bij het beheerscontract onderhandeld werden en die nu van kracht zijn geworden.

In het dossier van Antwerpen moeten er garanties komen over de gevolgen die de verschillende voorgestelde tracés met zich brengen zodat alle beleidsniveaus met kennis van zaken een definitieve beslissing kunnen nemen. De gevolgen op korte en lange termijn moeten volkomen duidelijk zijn. Er zal pas een keuze worden gemaakt tussen de twee oplossingen als de budgettaire en economische gevolgen enerzijds en de gevolgen voor mens en milieu anderzijds samen en op voet van gelijkheid worden behandeld. Dit dossier zal vanaf het najaar ter sprake komen bij de bespreking van het investeringsplan voor de komende tien jaar. Voor mij staat echter vast dat beide categorieën van gevolgen even zwaar moeten doorwegen in dit dossier dat zeer belangrijk is voor Antwerpen en zijn haven.

Tijdens de onderhandelingen met de NMBS over een bijvoegsel aan het beheerscontract heb ik dit principe verdedigd. Dit geldt ook voor andere dossiers waar de economische ontwikkeling van een regio op het spel staat. De economische en budgettaire gevolgen moeten even zwaar doorwegen als de gevolgen voor mens en milieu.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het verheugt mij dat milieu en leefbaarheid bij de uiteindelijke beslissing even zwaar zullen doorwegen als de economische en budgettaire aspecten. De tweede spoorontsluiting voor de Antwerpse haven zal in dit verband een tweede belangrijke test case zijn.

Mondelinge vraag van mevrouw Ingrid van Kessel aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «ereloonsupplementen» (nr. 2-295)

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Het probleem van de ereloonsupplementen houdt ons al zeer lang bezig. De minister van Sociale Zaken heeft eerder verklaard dat hij een koninklijk besluit achter de hand houdt omdat hij aan de Commissie artsen-ziekenfondsen heeft gevraagd zelf een sluitend voorstel uit te werken. Dit is een goede zaak, alleen word ik - en heel wat patiënten samen met mij - nogal ongeduldig.

Vandaag is deze commissie niet verder gekomen dan het aangeven van enkele elementen aan de minister. Een van de suggesties zou zijn om de ereloonsupplementen van geconventioneerde artsen te koppelen aan het inkomen van de patiënt die in een twee- of meerpersoonskamer in een ziekenhuis verblijft. De relevantie van ereloonsupplementen is me steeds ontgaan, maar waarom ze aan het loon moeten worden gekoppeld, begrijp ik helemaal niet.

Ondertussen blijft het aandeel van de patiënt echter stijgen. "Men" zegt dat de budgetten van de ziekenhuizen te krap zijn, dat de erelonen van de artsen niet hoog genoeg zijn en dat "we kunnen niet zonder supplementen". De patiënt is hiervan telkens de dupe.

Op zijn 1-meitoespraak heeft de minister geopperd dat moet worden overwogen om de gezondheidszorg vanaf een bepaald plafond gratis te maken. Ereloonsupplementen worden echter niet geregistreerd. Hoe kan dit plafond dan ooit worden gehanteerd?

Hoelang moeten we nog wachten op het verbod op ereloonsupplementen? Heeft de minister reeds een standpunt ingenomen? Wanneer gaat hij zelf een koninklijk besluit uitvaardigen?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De problematiek van de ereloonsupplementen is inderdaad belangrijk, omdat die kadert in de ruimere bekommernis omtrent de toegankelijkheid van de gezondheidszorg voor iedereen, zeker voor mensen met een bescheiden inkomen.

Daarover is vorig jaar wetgeving tot stand gekomen. Op basis daarvan werd een koninklijk besluit ontworpen, dat inhoudt dat een beperking van ereloonsupplementen kan worden ingevoerd vanaf het jaar 2000. Dat ontwerp van koninklijk besluit heb ik een tijd geleden voor advies voorgelegd aan de medico-mutualistische commissie, maar terzake werd geen advies uitgebracht, gelet op de verdeeldheid in die commissie.

Ik heb de gesprekspartners van de medico-mutualistische commissie erop gewezen dat ik met betrekking tot dit moeilijk probleem tussen ziekenfondsen en artsenorganisaties de voorkeur geef aan een definitieve regeling, die beantwoordt aan de zorg om toegankelijkheid en kan worden beschouwd als de definitieve beëindiging van dit probleem. Op die basis zijn dan ook gesprekken gestart.

Bovendien had ik meegedeeld dat ik een koninklijk besluit wens uit te vaardigen dat de toepassing van de wet zou omvatten tot het einde van het jaar 2000. Dit koninklijk besluit werd intussen reeds voorgelegd aan de medico-mutualistische commissie, maar ook hierover kreeg ik geen advies, omdat de meningen daaromtrent nog steeds verdeeld zijn.

Inmiddels heb ik dit koninklijk besluit voor advies naar de Raad van State gestuurd. Toch blijf ik hopen dat tussen de gesprekspartners in de medico-mutualistische commissie een akkoord kan worden gevonden over deze kwestie. In dit verband ben ik niet pessimistisch. Men heeft immers al heel wat besprekingen achter de rug en ingaande op mijn vraag werd hierover de voorbije maanden uitvoerig gediscussieerd. Er is nog wel geen definitief akkoord, maar er is ook geen breuk tussen de artsenorganisaties en de ziekenfondsen. Ik ben dan ook van oordeel dat het mogelijk is een akkoord te sluiten. Een onderhandelde afspraak met betrekking tot deze kwestie is trouwens de beste oplossing.

Het koninklijk besluit volgt evenwel de normale procedure. Zoals ik reeds vermeldde, ligt het nu voor advies bij de Raad van State. Ik heb steeds voorgehouden dat ik in geval van een bevredigend akkoord geen koninklijk besluit hoefde te publiceren en dat, indien het reeds gepubliceerd zou zijn, ik het onmiddellijk zou intrekken. Alleszins heb ik de hoop dat een akkoord zal worden gesloten tussen de artsenorganisaties en de ziekenfondsen.

Mevrouw Ingrid van Kessel (CVP). - Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. Ik ben echter iets minder optimistisch, gelet op de timing.

Niettemin wil ik het politiek signaal overmaken met betrekking tot het advies van de medico-mutualistische commissie. We zijn nu al enkele maanden verder. Een akkoord is inderdaad belangrijk, maar het mag toch niet te lang meer op zich laten wachten. Dringt de minister daarop aan? Binnen welke timing denkt hij over een akkoord te beschikken?

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik heb daar inderdaad op aangedrongen, maar deze aangelegenheid werd nooit geregeld in de periode 1963-1999. Pas in 1999 werd een regeling uitgewerkt met betrekking tot de ereloonsupplementen.

Ik wens een bevredigende regeling uit te werken die duurzaam is en niet het voorwerp uitmaakt van voortdurende conflicten. Daarbij komt het wat mij betreft niet op een week aan. Ik geef de voorkeur aan een goed definitief akkoord, maar intussen volgt het koninklijk besluit, dat intussen is voorgelegd aan de Raad van State, de normale weg.

De regering wenst een akkoord dat uitgaat van het principe van toegankelijkheid van de zorgverstrekking. Ik meen evenwel dat we een akkoord niet onmogelijk mogen maken door de gesprekken overhaast te doen afbreken. Ze zijn vruchtbaar, hoewel er nog geen definitief akkoord is, maar evenmin is er een breuk. Alle elementen zijn aanwezig op basis waarvan een akkoord kan worden gesloten.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen over «de gelijke kansendimensie (man-vrouw) in de Copernicusnota» (nr. 2-294)

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Twee weken geleden heeft een vrij uitgebreide delegatie van de Senaat deelgenomen aan de Peking+5-conferentie in New York waarop het actieplatform van Peking inzake vrouwenrechten werd geëvalueerd. Tijdens deze conferentie is eens te meer gebleken dat gender mainstreaming, het integreren van het genderperspectief, voor elke overheid een blijvende prioriteit moet zijn bij het ontwikkelen van beleidsinitiatieven. Ik meen dat ik me niet vergis als ik zeg dat dit ook voor onze regering een prioriteit is. In het debat dat we in de Senaat voor ons vertrek naar New York hebben gevoerd, heeft mevrouw Onkelinx uitdrukkelijk gezegd dat de regering het idee van de mainstreaming steunt. Ik denk en verwacht dan ook niet dat we over dit principe vandaag een debat moeten voeren.

Wel wil ik graag van minister Van den Bossche vernemen hoe hij het principe van de mainstreaming integreert in de hervormingen die hij in zijn Copernicusnota uittekent. Ik heb de nota gelezen en meer bepaald in hoofdstuk 2 gaat het over "Tendensen in human resources management". We lezen daarin onder meer: "Tendens 3: Competentie en potentieel als basis voor selectie en loopbaanontwikkeling". Dat is het kader waarin het genderthema kan passen, aangezien niemand zal ontkennen dat vrouwen, ondanks hun competentie en potentieel, nog steeds in geringe mate terug te vinden zijn op hogere posities in de federale openbare diensten. Het personeelsbeleid dat in de Copernicusnota wordt voorgesteld zal hieraan, vrees ik, niets veranderen, maar misschien interpreteer ik de nota verkeerd en ik hoop dat de minister mijn inschatting kan weerleggen. Ik heb niet de indruk dat er rekening wordt gehouden met gendereffecten, althans toch niet expliciet, zodat bestaande scheve genderverhoudingen blijven bestaan of misschien zelfs worden versterkt.

Het integreren van een genderinvalshoek in het personeelsbeleid kan een belangrijke bijdrage leveren tot de verbetering van de kwaliteit van het personeelsbeleid. Graag vernam ik dan ook van de minister waarom hieraan niet expliciet aandacht wordt besteed in de Copernicusnota. Is dat een bewuste strategie? Of zit het er wel in en dan kan de minister dit misschien expliciteren. Wat is de inbreng van de gelijkekansenambtenaren in de totstandkoming van de nota?

De voorbije jaren heeft de regering een aantal wetgevende initiatieven genomen om positieve acties in het openbaar ambt te verplichten. Het is natuurlijk niet de bedoeling dat dit enkel op de onderste niveaus gebeurt, maar ook aan de top van de administratie. Ik vraag me af hoe deze wettelijk vastgelegde beleidsprioriteit kan worden geïntegreerd in de hervorming van het openbaar ambt.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Voor de filosofie baseer ik me op een recent werkdocument van professor Annie Hondeghem. Daarin staat dat sommigen ten onrechte denken dat oorlogen worden gewonnen door wetten en reglementen goed te keuren en dan de opstelsom te maken van alle wettelijke en reglementaire veranderingen. Het staat er niet letterlijk, maar ik zou het als volgt kunnen samenvatten: alzo denken de ketters, maar zij dolen.

Eigenlijk komt het erop aan welk HRM-beleid wordt gevoerd. Daar ligt de grote uitdaging. Dat er door middel van krachtlijnen een algemene sturing kan zijn, blijkt duidelijk zowel uit de regeerverklaring als uit de Copernicusnota en de eerste beslissingen die in het kader ervan werden genomen. Van de vijf Programmatorische Overheidsdiensten is er één voor gelijkekansenbeleid, die onder de bevoegdheid van collega Onkelinx valt. Met andere woorden, in de toekomstige structuur is in het nodige voorzien. Het klopt dat dit kadert in een globaal HRM-beleid, maar als ik het werk van mevrouw Hondeghem goed heb begrepen, dan is ze tegen het principe om van het gelijkekansenbeleid een afzonderlijk punt in het HRM-beleid te maken.

Het hoort wel degelijk bij competentie- en potentialiteitbeheer. Er wordt inderdaad niet altijd voldoende aandacht besteed aan de genderverhoudingen, maar bij de discussies over arbeidsflexibiliteit zal er in elk geval rekening moeten worden mee gehouden. Het is zeker geen gedetailleerd plan, het geeft slechts de grote lijnen weer.

Mevrouw de Bethune beweert dat de scheve genderverhoudingen zullen blijven bestaan. Ik moet haar hier tegenspreken. Voor benoemingen op het hoogste niveau was de "heilige" anciënniteit tot nog toe doorslaggevend en werd de vrouw de facto benadeeld. Anciënniteit is voor mij zeker geen relevant gegeven voor bevorderingen. De rangorde naar diensttijd wordt dan ook geschrapt als overtuigend element en dat is de facto een vrouwvriendelijke maatregel. De Vlaamse Gemeenschap heeft een beperkt kader voor middelmanagement gecreëerd dat ook voor jonge ambtenaren met slechts zes jaar dienstanciënniteit werd opengesteld. Het gevolg daarvan was dat de vrouwelijke aanwezigheid in het middelmanagement spectaculair steeg, in sommige departementen zelfs tot 60 %, en dat zonder dat er speciale discriminerende maatregelen werden genomen.

Het schrappen van de anciënniteit, een rigoureus rekening houden met competentie en potentialiteit, het nemen van specifieke maatregelen inzake het samengaan van arbeid en levenskwaliteit hebben alleszins een onmiddellijk positief effect op de genderverhoudingen.

De gelijkekansenambtenaren hebben geen inspraak gekregen bij het opstellen van de Copernicusnota, omdat het geen managementexperts zijn. Mevrouw Hondeghem wordt wel geraadpleegd omwille van haar enorme human resources kennis. Deskundigen van hoog niveau moeten worden betrokken bij het opstellen en bij het uitwerken van het Copernicusplan. Het gaat hier om de filosofische definitie van de manier waarop het management zal worden ontplooid en welke lijnen zullen worden gevolgd. De wetgevende initiatieven moeten wel worden gerespecteerd, maar men mag zich niet overgeven aan formalisme en semantiek. In dat geval zouden de doelstellingen immers helemaal niet worden bereikt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Het verheugt mij dat de minister samenwerking nastreeft met mensen als mevrouw Hondeghem, die zeer deskundig is in zowel gender- als managementmaterie. Boeiend zou zijn indien we een inhoudelijke discussie over dit alles in de commissie voor de Gelijke Kansen zouden kunnen voeren in aanwezigheid van de minister en van de deskundigen.

Ik betreur evenwel dat de minister in zijn nota de genderpariteit niet expliciet als doelstelling vermeldt.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Genderpariteit kan voor mij nooit een doel op zich zijn. Voor mijn part mag zeventig procent van het topmanagement vrouwelijk zijn, als dit een juiste weergave is van de aanwezige competentie. Als Vlaams minister van onderwijs had ik een departement waarvan het middenmanagement voor zestig procent uit vrouwen bestond. Ik heb daar nooit een traan over gelaten. Bovendien waren de jongste afdelingshoofden 32 jaar. In oude ambtenarentermen waren medewerkers van die leeftijd hun kindertijd amper ontgroeid. Die jonge elementen waren echter goede elementen die de werking van het departement omhoog hebben getrokken.

Pariteit is niet het doel. Het doel moet zijn dat iedereen maximale kansen krijgt en niet benadeeld wordt door geslacht of door specifieke rollenpatronen die nog te veel aan een geslacht worden toebedeeld. Een ander doel is dat de competentie en de potentialiteit zo goed mogelijk worden in acht genomen. Als dit correct wordt nagestreefd is het voor mij in orde. Het enige probleem is dan nog de instroom: als die 70/30 is, kan ik moeilijk tot een 50/50 verhouding komen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik ben het daarmee niet helemaal eens. Ik ga akkoord dat we in het openbaar ambt niet op dezelfde manier naar een fifty-fifty-verhouding kunnen streven als in politieke organen, waar andere eisen inzake democratie worden gesteld. Wanneer echter een groep uit de samenleving ergens zwaar ondervertegenwoordigd is, zoals dat in de administratie inderdaad het geval is, dan is dat onevenwicht ook een probleem van efficiency en competentie. Het rechtrekken ervan moet daarom ook als doel op zich naar voren worden geschoven. Die discussie kunnen we echter niet uitspitten in de context van een mondelinge vraag.

De minister verwijst terecht naar enkele onrechtstreekse effecten als het afschaffen van de anciënniteitsregels en dergelijke. Hij wijst ook op de relatie arbeid en vrije tijd, arbeid en gezin. Dat is voor mij een bewijs dat het genderevenwicht in alle aspecten van het beleid moet worden toegepast en niet alleen inzake maatregelen rond arbeid en gezin of inzake de instroom. Ook betreffende promotiekansen, mentaliteitsverandering, cultuur in de administratie bestaan er in alle sectoren en op alle niveaus nog allerlei drempels. Daarom is het belangrijk het nastreven van het genderevenwicht als een doelstelling te behouden.

Ten slotte wil ik van de minister graag een verduidelijking zodat wat hij hier heeft gezegd over de gelijkekansenambtenaren, niet verkeerd wordt begrepen.

De heer Luc Van den Bossche, minister van Ambtenarenzaken en Modernisering van de openbare besturen. - Zij hebben hun specifieke opdracht en daarin steun ik hen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik hoop dat de minister zijn vertrouwen in hen bevestigt en dat hij hen steunt, aangezien ze zeer moeilijk werk verrichten. Hopelijk kunnen we samen zoeken naar een beter statuut voor deze mensen en naar meer mogelijkheden opdat ze hun werk naar behoren en efficiënter kunnen uitvoeren. Wellicht kan daar ook een en ander voor worden gedaan bij de hervorming van de administratie.

Wij zijn over het thema zeker niet uitgepraat. Hopelijk komt er snel een gelegenheid om deze discussie voort te zetten.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Marie Happart aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «het dioxinegehalte in vis» (nr. 2-297)

De heer Jean-Marie Happart (PS). - De vraag die ik vandaag wilde stellen is erg belangrijk, aangezien dioxine een gezondheidsprobleem doet rijzen dat mij als landbouwer zeer na aan het hart ligt. Minister Aelvoet is bevoegd voor het beheer van de voedselketen en dus voor de controle op de levensmiddelen en op de bestanddelen van de voedingsmiddelen.

Zonder de bekwaamheid en de capaciteiten van de heer Deleuze in twijfel te willen trekken, verkies ik toch dat mevrouw Aelvoet zelf antwoordt, want het gaat om één van de vragen die ik haar hier heb gesteld naar aanleiding van de oprichting van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen. Bovendien kan haar antwoord uiteraard bij mij nog een bijkomende vraag oproepen.

Ik hoop dan ook dat mevrouw Aelvoet mij persoonlijk zal antwoorden.

De heer Olivier Deleuze, staatssecretaris voor Energie en Duurzame Ontwikkeling. - Mevrouw Aelvoet kan vandaag niet antwoorden op de vragen van drie volksvertegenwoordigers en van de heer Happart omdat zij deelneemt aan de Europese Raad voor het Milieu in Luxemburg. Ik vraag u dan ook haar te verontschuldigen.

Mondelinge vraag van de heer Johan Malcorps aan de minister van Justitie over «de koppeling van gerechtsdossiers door het Antwerps parket» (nr. 2-290)

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Het Antwerps parket wil het dossier van een aantal brandstichtingen toegeschreven aan het «Animal Liberation Front - ALF» koppelen aan een vreedzame actie van de fietsactivisten van «Spaak en Tandrad». Het lijkt er sterk op dat men daardoor geweldloze acties ten gunste van de verkeersveiligheid en de zwakke weggebruikers tracht te criminaliseren en in een kwaad daglicht te stellen. Daarbij wordt een beroep gedaan op artikel 406 van het Strafwetboek dat kwaadwillige belemmering van het straatverkeer strafbaar stelt. In de parlementaire handelingen voorafgaand aan de wijziging van dit artikel in 1963 werd echter duidelijk gesteld dat het niet de bedoeling was het stakingsrecht te beknotten of dat - ik citeer - «het niet aangewezen lijkt passieve betogingen te beteugelen waarbij pacifistische betogers op de openbare weg gaan neerzitten». Zelfs in 1963 dacht men hier al aan. Door de nieuwe strakke interpretatie van artikel 406 door het Antwerps parket, wordt het recht op vrije meningsuiting van grote groepen kritische burgers geviseerd. De Liga voor de mensenrechten laakte gisteren dan ook de - ik citeer - «slinkse wijze waarop het Antwerps parket een vreedzame actie van zwakke weggebruikers in diskrediet wil brengen».

Kan de minister mij meedelen of hij een dergelijke koppeling van dossiers opportuun acht en of hij het eens is met een dergelijke verregaande interpretatie van artikel 406 van het Strafwetboek? Als het antwoord van de minister bevestigend is, zouden we voor complicaties kunnen staan want er zijn verschillende gelijkaardige acties van bijvoorbeeld de Fietsersbond of van Agalev. Onlangs heb ik deelgenomen aan zo een wegblokkade. De minister zou ons dan allemaal moeten laten vervolgen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik kan de heer Malcorps onmiddellijk gerust stellen. Het is niet mijn bedoeling hem te vervolgen en ik heb er trouwens niet de competentie voor.

Op acht juni heb ik per fax de vraag van de heer Malcorps gesteld aan het Parket van Antwerpen. Ik heb tot 21 juni moeten wachten op een antwoord, dat mij werd toegezonden door de substituut Procureur des Konings.

Ik zal een deel van dit antwoord citeren: "Mijn ambt heeft het inderdaad gepast geacht om de feiten van 28 oktober 1998" - dus de feiten die aanleiding hebben gegeven tot een inbreuk op artikel 406 van het Strafwetboek - "te moeten voegen aan het gerechtelijk onderzoek in verband met de brandstichtingen die toegeschreven worden aan het Animal Liberation Front, aangezien het ging om dezelfde verdachten. Het was en het is dus niet de bedoeling de beweging van de fietsactivisten Spaak en Tandrad als dusdanig te viseren. Latere acties van deze groepering hebben trouwens niet het voorwerp uitgemaakt van enige strafrechterlijke vervolging. Anderzijds werden in het bewuste gerechtelijk onderzoek ook nog andere feiten ten laste van dezelfde verdachte weerhouden."

Uit dit antwoord blijkt duidelijk dat het Antwerps Parket nooit de intentie heeft gehad om acties te vervolgen waarnaar de heer Malcorps verwijst. De terechte zorg van de senator wordt dus niet bevestigd door elementen uit het dossier. Hij kan gerust zijn.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik heb begrepen dat de minister niet instemt met een dergelijke verstrakking van de interpretatie van artikel 406 van het Strafwetboek.

Ik wil er toch op wijzen dat een aantal fietsactivisten die met de zaak van de brandstichting niets te maken hebben blijkbaar toch in zekere zin in opspraak zijn geraakt.

Mondelinge vraag van mevrouw Magdeleine Willame-Boonen aan de minister van Financiën over «het Vlaams ontwerpdecreet waarbij een korting op de personenbelasting wordt toegekend» (nr. 2-300)

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Vrijdag jongstleden heeft de Vlaamse regering haar goedkeuring gehecht aan een voorontwerp van decreet tot invoering van een belastingkrediet van 2500 frank voor een alleenstaande belastingplichtige en van 5000 frank voor een gezin. Door een forfaitair belastingkrediet in te voeren, wijzigt men ook de progressiviteit van de belastingen, aangezien het toegekend voordeel relatief groter is voor de lage inkomens.

De huidige financieringswet legt een maximum op aan de opcentiemen en de kortingen waartoe de federale overheid kan beslissen. Momenteel mogen opcentiemen en kortingen alleen in percentage van de personenbelasting worden uitgedrukt, en niet forfaitair. Dit zou immers de progressiviteit van de belastingschalen wijzigen en dat is een federale bevoegdheid.

Over het invoeren van opcentiemen of kortingen dient vooraf overleg plaats te vinden tussen de federale regering en de gewestregeringen. Patrick Dewael verwijst naar een akkoord met de federale regering. Heeft er over dit ontwerpdecreet wel degelijk een overleg tussen de federale regering en de gewestregeringen plaatsgevonden? Hoe kijkt de federale regering aan tegen het feit dat de Vlaamse regering zich zelf zo maar een fiscale autonomie toemeet en aldus een gevaarlijk precedent creëert?

Volgens de aanbevelingen van de Hoge Raad voor Financiën moet de herverdelende rol aan de centrale Staat voorbehouden blijven teneinde de solidariteit tussen de burgers van een zelfde Staat te waarborgen en te vermijden dat er een onaanvaardbare fiscale concurrentie zou ontstaan die de federale Staat uit zijn evenwicht kan brengen. De regenboog zou wel eens zon kunnen brengen in het Noorden en regen in het Zuiden...

In het slechts geval, met name als het Vlaamse parlement dit decreet goedkeurt, overweegt de federale regering dan om beroep in te stellen bij het Arbitragehof?

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Eerst en vooral wil ik u geruststellen: ik zal erover waken dat - op fiscaal vlak - de zon voor iedereen schijnt in dit land. Ik wil de tendens van de jongste tien jaar om de arbeid meer en meer te belasten, omkeren. We moeten de richting uit van een belastingvermindering. Met de indexering van de belastingschalen, de versnelde afschaffing van de crisisbelasting - die volgende week aan het Parlement wordt voorgelegd - en de fiscale hervorming in september, zitten we op de goede weg. De fiscale druk zal afnemen.

De bijzondere wet die door het Parlement werd goedgekeurd en door een van mijn voorgangers, die u wellicht goed heeft gekend, werd uitgevoerd, voorziet in opcentiemen en kortingen. Spijtig genoeg geeft de tekst hiervan geen inhoudelijke definitie. Worden de kortingen uitgedrukt in percenten of niet? Door dit gebrek aan precisie zijn er tal van interpretaties ontstaan. Noch de regering, noch het departement hebben zich de moeite getroost om een en ander uit te klaren.

Bij het in overweging nemen van de eerste teksten heeft er in de schoot van de Interministeriële conferentie voor de Financiën en de Begroting overleg plaatsgevonden tussen de federale overheid, de gewesten en de gemeenschappen.

Bij die gelegenheid kwamen de Sint-Elooisakkoorden tot stand die voorzien in een herfinanciering van de gemeenschappen en in bijkomende middelen voor het werkgelegenheidsbeleid van de gewesten. Er werd besloten dat "voor het jaar 2000 een lineaire forfaitaire vermindering van 3,2 miljard op de inkomstenbelasting verenigbaar is met de bijzondere financieringswet en geen bedreiging vormt voor de Monetaire en Economische Unie". Sindsdien was er alleen dat communiqué van vorige week. Ik heb de minister-president van de Vlaamse Gemeenschap verzocht me de tekst van het ontwerpdecreet te laten geworden. Alvorens op de inhoud ervan te reageren, wil ik er eerst kennis van nemen. Ik zal de tekst uiteraard aan de ministerraad voorleggen zodat de regering haar standpunt kan bepalen voor het in de bijzondere wet voorziene overleg.

Voor de huidige minister van Financiën is het niet altijd makkelijk om informatie in te winnen bij de fiscale administratie. Toen ik ben aangetreden heeft mijn voorganger me geen enkel dossier overhandigd. Ik heb noch over de opcentiemen, noch over de kortingen of over wat dan ook, een dossier ontvangen. Als in deze een beslissing moet worden genomen, dan zal dat door de minister van Financiën zijn en niet door de fiscale administratie. Ik weet min of meer waar deze dienst mee bezig is, maar hij is geenszins bevoegd om in deze aangelegenheid op te treden.

Er heeft wel degelijk overleg plaatsgevonden en het in december bereikte akkoord geeft een klare en precieze interpretatie van de bijzondere wet.

Van zodra ik over de tekst van het ontwerpdecreet beschik, zal ik het aan de ministerraad voorleggen zodat de regering haar standpunt kan bepalen voor het in de bijzondere wet voorziene overleg.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Na meer dan een jaar reageert de minister nog altijd opstandig tegen zijn voorganger. Zal dat nog lang blijven duren?

De minister van het Vlaamse Gewest heeft dus geen contact opgenomen met u, mijnheer de minister. Bovendien is uw antwoord geen antwoord, want u wenst uw mening pas te kennen geven wanneer u over de tekst van het ontwerp van decreet beschikt.

De heer Didier Reynders, minister van Financiën. - Ik weet niet hoe mevrouw Willame te werk gaat, maar ik geef mijn mening over een ontwerp van decreet pas nadat ik de tekst heb kunnen lezen. Voor zover ik weet, is dat ook gebruikelijk in deze assemblee voor de wetsontwerpen en wetsvoorstellen

Wees gerust, mevrouw, uw partij mag dan twaalf jaar lang het departement van Financiën hebben geleid, ik zal geen volle twaalf jaar tegen het verleden blijven protesteren

Ik neem aan dat destijds, in 1989, toen het fiscale hoofdstuk van de bijzondere wet werd opgesteld, de toenmalige minister van Financiën hierover werd geraadpleegd. Wat mevrouw Willame hier in de Senaat en de heer Poncelet in de Kamer ook mogen beweren; de bijzondere wet zegt niets over een verplichting om in percenten te voorzien. Dat geeft uiteraard aanleiding tot discussie.

Wanneer het ontwerp van decreet er is, zal ik de Senaat graag op de hoogte brengen van mijn standpunt en van dat van de regering.

Net als met de ministers-presidenten van de andere gewesten en gemeenschappen neem ik ook met de heer Dewael geregeld contact op.

Over deze materie werd in december alleszins een akkoord bereikt met alle vertegenwoordigers van de administraties van Begroting en van Financiën. Mocht dit akkoord worden gewijzigd, dan zal ik mevrouw Willame daarvan graag op de hoogte brengen.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik blijf bij mijn repliek. Dit is geen antwoord op mijn vraag.

Vraag om uitleg van de heer Ludwig Caluwé aan de minister van Landsverdediging over «het strategisch plan voor de modernisering van het Belgisch leger en de burgers die tewerkgesteld worden door het ministerie van Landsverdediging» (nr. 2-163)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Na een jarenlang durende wervingsstop in het kader van het beleid tot sanering van de openbare financiën, werd vorig jaar opnieuw gestart met wervingen voor burgerpersoneel bij het ministerie van Landsverdediging. Eindelijk kwam er opnieuw jong bloed in het burgerkader. Groot was dan ook de verbazing toen de minister op 24 mei 2000 plots besliste om opnieuw een wervingsstop in te voeren. De burgerlijke topambtenaar had nog net 4 dagen ervoor in een televisieprogramma een betrekking als burger bij het ministerie van Landsverdediging aangeprezen.

Naar verluidt wordt deze wervingsstop verantwoord door het strategisch plan. De bespreking van dit plan in het Parlement moet echter nog starten. Van de voorzitter heb ik vernomen dat dit zou gebeuren op 4 juli aanstaande. Bovendien wordt de uitvoering van dit plan over een periode van 15 jaar gespreid. Waarom vond de minister het dan toch nodig om de gestarte wervingen plots opnieuw stop te zetten?

Volgens ons zal het strategisch plan tot gevolg hebben dat na de oppensioenstelling van het huidige burgerpersoneel alle burgerfuncties bij het ministerie van Landsverdediging uitgeoefend zullen worden door gewezen militairen, met uitzondering van een beperkt aantal functies waarvoor gewezen militairen echt niet in aanmerking komen. Is dit een juiste interpretatie van wat in het plan neergeschreven staat?

Zo ja, vreest de minister niet voor de verengde cultuur binnen het ministerie van Landsverdediging die hieruit kan voortvloeien? In het verleden werd de burgermaatschappij via de dienstplichtigen in het leger gebracht? Nadien bleef hiervan een restant via het burgerpersoneel. Indien dit aspect van het strategisch plan uitgevoerd wordt, zal op termijn het ministerie nog enkel bestaan uit militairen of gewezen militairen die echter net zo goed een militaire opleiding hebben gehad en jarenlang binnen de militaire hiërarchie hebben gefunctioneerd.

Vreest de minister verder niet voor de leeftijdspiramide bij dit "burgerpersoneel"? Krijgen we dan een "verjongd leger" maar met "oude" burgers? Zal dit niet tot gevolg hebben dat het burgerpersoneel bij het ministerie van Landsverdediging erg achterloopt op de evoluties binnen de opleidingen? Elk nieuw personeelslid zal steeds al bijna 20 jaar de schoolbanken verlaten hebben.

Welk statuut zullen deze gewezen militairen hebben? Behouden zij hun geldelijk en sociaal statuut met inbegrip van de gratis gezondheidszorg? Vreest u niet dat dit aanleiding zal geven tot naijver met het burgerpersoneel, dat dezelfde taken uitoefent, maar voor een veel lagere verloning en met een slechter statuut? Komen deze gewezen militairen in plaatsen van het burgerkader terecht of wordt er voor hen een apart kader gecreëerd? Indien het eerste het geval is, hoe kan dit verzoend worden met het feit dat het bestaande statutaire burgerpersoneel aangeworven werd conform de reglementering van het voormalige VWS, vandaag SELOR? Zullen de militaire graden in het burgerkader worden ingeschaald? Op welke wijze zal dat dan gebeuren? Zal dat de bevorderingskansen van het huidige burgerpersoneel niet in belangrijke mate aantasten? Indien gekozen wordt voor de tweede optie, wat gebeurt er dan met het huidige burgerkader? Wordt dit een uitdovend kader? Kan het huidige burgerpersoneel elke kans op bevordering ook dan vergeten?

Welke toekomst hebben de huidige contractuele ambtenaren bij het ministerie van Landsverdediging? De hernieuwde wervingsstop blokkeert opnieuw en ditmaal definitief hun kansen op een statutaire functie.

Ten slotte bevat het strategisch plan ook het voorstel om de twee sociale diensten te fusioneren. Zal deze fusie in de praktijk echter kunnen werken, gelet op het totaal verschillend statuut waarin militairen en burgers vandaag functioneren?

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik zal op 4 juli 2000 in de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging van de Senaat de beleidsnota toelichten en de vragen van de commissieleden over het strategisch plan beantwoorden. Ik kan de commissie niet eerder te woord staan omdat verscheidene commissieleden op 20 juni een werkbezoek brengen aan de marine en omdat ikzelf de laatste week van juni op werkbezoek ben in Zuid-Korea en Laos.

Ik zal de vragen van de heer Caluwé en alle eventuele andere vragen op 4 juli met genoegen beantwoorden.

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Het antwoord van de minister was bijzonder kort. Wellicht zijn mijn vragen te moeilijk en wijzen ze op gebreken van het strategisch plan.

Het is volkomen normaal dat er in overleg met het Parlement een strategisch plan wordt ontwikkeld. Misschien zullen de besprekingen uitwijzen dat er een wervingsstop nodig is. Ik begrijp echter niet waarom de minister reeds op 24 mei 2000 heeft beslist dat er een wervingsstop komt. De minister handelt te vlug door de lopende aanwervingen stil te leggen en beslissingen te nemen die bij het personeel voor heel wat ongerustheid zorgen. Daarom achtte ik het mijn plicht de minister vandaag over deze beslissing te ondervragen.

De heer André Flahaut, minister van Landsverdediging. - Ik ben bereid alle mondelinge of schriftelijke vragen en vragen om uitleg zo volledig mogelijk te beantwoorden.

De beslissing om burgerpersoneel in dienst te nemen past echter in een algemeen plan. Dat is het enige probleem. Om efficiënt te zijn en tijd te winnen lijkt een algemeen debat over het onderwerp me raadzaam, want anders moet ik het strategisch plan voor de volgende 15 jaar uit de doeken doen en mij ertoe verbinden op al uw vragen terzake te antwoorden. Dat debat zou de andere leden van de assemblee wellicht snel vervelen.

De voorzitter. - De vragen van de heer Caluwé zullen op 4 juli ongetwijfeld worden beantwoord.

- Het incident is gesloten.

Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (Stuk 2-279) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (VLD), rapporteur. - Dit ontwerp werd door de Senaat geëvoceerd en besproken door de commissie voor de Justitie.

Naar aanleiding van het innoverende arrest van het Hof van Cassatie van 9 december 1997 heeft de heer Bourgeois in de Kamer een wetsvoorstel ingediend. Dit arrest introduceert een nieuwe sanctie bij overschrijding van de redelijke termijn, zoals bepaald in artikel 6 punt 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Hof van Cassatie is van oordeel dat de feitenrechter de straf beneden het wettelijke minimum kan herleiden en dat hij zelfs kan volstaan met een schuldigverklaring indien de redelijke termijn van de behandeling van een zaak wordt overschreden.

Met het oorspronkelijke wetsvoorstel wilde men tegemoetkomen aan de kritiek van de rechtsleer op dit arrest, die luidt dat elke straf een wettelijke basis moet hebben en dat de rechter geen straf beneden het wettelijk minimum mag opleggen.

Er werden amendementen ingediend, die onder meer verwijzen naar een strekking in de rechtsleer en van bepaalde vonnissen, volgens dewelke dat de rechter tegelijkertijd over schuld en straf dient te oordelen.

Deze amendementen voorzien in het verval van de strafvordering als enig mogelijke sanctie of als bijkomende sanctie als de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden. De overschrijding van de redelijke termijn zou dus enkel gevolgen kunnen hebben op het gebied van de procedure. Ons recht kent nochtans enkele rechtsfiguren die de samenhang tussen schuld en straf verbreken, zoals de opslorping en de opschorting van de uitspraak van de veroordeling. De commissie meende dus dat de voordelen van dit wetsontwerp erin bestaan dat de volledige procedure door één en dezelfde rechter kan worden afgehandeld, dat de kosten ten laste kunnen worden gelegd van de schuldig verklaarde partij, dat de belangen van de burgerlijke partij worden verdedigd, in die zin dat zij geen nieuwe procedure dient te starten die lang duurt en veel kost, en dat de verdachte er belang bij heeft dat zijn rechtspositie duidelijk wordt voor de publieke opinie.

Het wetsontwerp werd in de commissie zonder wijziging aangenomen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Dit wetsontwerp beoogt het bestraffen van het overschrijden van de "redelijke termijn".

Dit beginsel werd enkel en alleen in het voordeel van de beschuldigde in het leven geroepen. Het wil de beschuldigde behoeden voor een te lang aanslepende onzekerheid over zijn lot. Het recht van eenieder om zijn zaak binnen een redelijke termijn behandeld te zien, sluit aan bij de verjaring van de strafvordering, die belet dat iemand onbeperkt in de tijd ter verantwoording kan worden geroepen.

Volgens dit ontwerp kan de rechter, als de duur van de vervolging de redelijke termijn overschrijdt, hetzij de veroordeling uitspreken door eenvoudige schuldigverklaring, hetzij een straf uitspreken die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf.

Ik heb een amendement ingediend om de overschrijding van de redelijke termijn te bestraffen met het verval van de strafvordering. De CVP heeft een amendement in dezelfde zin ingediend. Dit standpunt wordt verdedigd door een groot deel van de rechtsleer en door verschillende vonnisgerechten. Het is eveneens de optie van de commissie Franchimont.

De bezwaren tegen artikel 2 van het ontwerp kunnen als volgt worden samengevat.

Eerst en vooral reikt het ontwerp voor een procedureel probleem een oplossing aan die een onderzoek ten gronde vergt, of de rechter nu kiest voor een straf die lager kan zijn dan de wettelijke minimumstraf of voor de eenvoudige schuldigverklaring. Deze sancties worden immers pas uitgesproken na de debatten over de schuld, d.i. wanneer de kwestie van de schending van de rechten van de verdediging reeds behandeld is. De internationaalrechtelijke bepalingen met betrekking tot de redelijke termijn gaan daarentegen uit van het vermoeden dat een persoon na enige tijd niet meer in staat is zijn rechten van verdediging op passende wijze uit te oefenen.

Het uitspreken van de straf die lager kan zijn de wettelijke minimumstraf lijkt me onwettig omdat dit strijdig is met het beginsel dat de strafrechter de strafmaat moet bepalen binnen de grenzen voorgeschreven in de artikelen 195, tweede lid, 211 en 364, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering. Volgens de daarover bestaande vaste jurisprudentie van het Hof van Cassatie is de feitenrechter overigens soeverein in zijn straftoemeting, binnen de minimum- en maximumgrenzen die de wet vaststelt voor de bestraffing van het bewezen geachte misdrijf, zn houdt hij daarbij rekening met de ernst van de feiten en de eventuele schuld van de beklaagde.

De eenvoudige schuldigverklaring is weliswaar geen ongekende rechtsfiguur, maar de toepassing is in dit geval heel anders. Ook de opschorting van veroordeling bijvoorbeeld veronderstelt een schuldigverklaring van de beschuldigde, maar is verbonden aan een reeks zeer strikte voorwaarden.

Wat er ook van zij, deze benadering schendt een van de grondbeginselen van het strafrecht, namelijk dat de rechter zich tegelijkertijd uitspreekt over de schuld en over de straf, behoudens andersluidende wettelijke bepaling. Het volstaat niet een artikel 21ter in de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering in te voegen om die schuldigverklaring in ons rechtsstelsel op te nemen. Ik verwijs naar het advies van de Raad van State.

In tegenstelling tot een strafvermindering kan het verval van de strafvordering ook door een onderzoeksgerecht uitgesproken worden en niet alleen door een vonnisgerecht. Dit sluit aan bij de evolutie van de jurisprudentie zowel van ons Hof van Cassatie als van het Europees Hof van de rechten van de mens. De recente jurisprudentie van het Hof van Cassatie begint het beginsel te aanvaarden dat artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens kan worden toegepast op de fase die voorafgaat aan de verwijzing naar het vonnisgerecht wanneer de niet-naleving van de in dat artikel voorgeschreven verplichtingen gedurende het opsporingsonderzoek of het vooronderzoek van die aard is dat het billijke karakter van het proces erdoor kan worden geschaad. Het Europees Hof van de rechten van de mens heeft trouwens al gevallen van overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld in nog lopende vooronderzoeken.

In de commissie heb ik een amendement ingediend dat de rechten van de burgerlijke partij vrijwaart. Immers, het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn kan geen nadeel meebrengen voor het slachtoffer dat zijn vordering tijdig heeft ingesteld, dat wil zeggen voordat de procedure te lang begint aan te slepen. Anderzijds is het altijd mogelijk een vordering in te stellen voor de burgerlijke rechtbanken.

Voor het verval van de strafvordering wegens overschrijding van de redelijke termijn kan steun worden gevonden in buitenlandse rechtsstelsels, voornamelijk in het Duitse, het Engelse en eventueel ook in het Nederlandse recht.

De sanctie voor de schending van de andere waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, is trouwens de nietigheid van de vervolging. Ik zie geen reden om het overschrijden van de redelijke termijn op een andere manier op te lossen.

Ik blijf geloven dat het verval van strafvordering de beste oplossing is.

Ik heb mijn amendement niet opnieuw ingediend in de openbare vergadering omdat de amendementen van de heer Vandenberghe in dezelfde zin gaan en ik zal tegen het ontwerp stemmen.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Artikel 6 van het EVRM, het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens geeft de minimumvereisten aan die bij de procesvoering dienen te worden gevolgd. Eén van deze voorwaarden is de vereiste van de behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn. Artikel 6 van het EVRM, noch enige andere bepaling van het Verdrag, geeft evenwel aan welke gevolgen de feitenrechter dient te verbinden aan de vaststelling dat de redelijke termijn in een bepaalde strafzaak werd overschreden. Wel is het zo dat artikel 13 van het EVRM bepaalt dat diegene wiens fundamentele rechten werden geschonden, recht heeft op een daadwerkelijk rechtsherstel, zonder dat dit verder wordt gespecificeerd.

Omtrent de sanctionering van het overschrijden van de redelijke termijn bestond er in België weinig duidelijkheid tot het Hof van Cassatie in een innoverend arrest, dat trouwens door de rapporteur werd geciteerd, het terugbrengen van de straf tot beneden het wettelijk minimum of zelfs de eenvoudige schuldigverklaring, als sanctie naar voren heeft geschoven. Dit arrest werd evenwel nooit volledig aanvaard, noch door de rechtsleer noch door de lagere rechtspraak. Meer bepaald werd ook de vervallenverklaring van de strafvordering als mogelijke sanctie behouden.

De rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens biedt nog steeds geen duidelijkheid over de sanctie bij het overschrijden van de redelijke termijn. Zowel de onontvankelijkheid van de strafvordering als de strafvermindering komen in aanmerking.

Dit alles maakt dat de verdragsstaten in hun intern recht dienen te bepalen welke de rechtsgevolgen zijn bij het overschrijden van de redelijke termijn.

Een wetgevend optreden in deze was dan ook ten zeerste gewenst. Het Hof van Cassatie mag dan wel een duidelijk standpunt hebben ingenomen, de theoretische vraag is echter of het Hof niet op de stoel is gaan zitten van de wetgever, zij het dan als gevolg van het in gebreke blijven van deze laatste. In casu dient immers verwezen te worden naar het principe uitgedrukt in artikel 7 van het EVRM "nulla poena sine lege", geen straf zonder wet.

De eenvoudige schuldigverklaring dient immers als een straf te worden aangezien, een straf waarvoor dus tot op heden geen wettelijke grondslag bestaat.

De CVP-fractie steunt dan ook het beginsel van het voorliggend wetgevend initiatief, doch stelt wel vragen bij de oplossing die werd gekozen. Meer bepaald lijkt het ons dat de vervallenverklaring van de strafvordering de voorkeur moet genieten boven de eenvoudige schuldverklaring of de strafvermindering.

Wij hebben dan ook opnieuw amendementen in die zin ingediend.

In hoofdorde vragen wij dat enkel de onontvankelijkheid van de strafvordering als sanctie in aanmerking wordt genomen. Er dient immers rekening te worden gehouden met de aard van de schending en de finaliteit van de geschonden rechtsregel.

Het voorschrift van de redelijke termijn wenst de onzekerheid die voortvloeit uit het aanslepen van een strafonderzoek op te heffen. Het overschrijden van de redelijke termijn kan er immers toe leiden dat een bestraffing ieder sociaal nut ontbeert en het tijdsverloop op zich een onrechtvaardigheid schept. In dat opzicht sluit de redelijke termijn qua concept aan bij de verjaring. Of, zoals gesteld door Marc De Swaef, advocaat-generaal bij het Hof van Cassatie in een artikel in het Liber Amicorum voor de gewezen eerste voorzitter van het Hof van Cassatie, Marc Châtel: "beide wortelen in dezelfde aarde, met die nuancering dat de kerngedachte bij de redelijke termijn een tegelijk beperkter maar verfijnder deelgebied uitmaakt van het globale verjaringsconcept".

De sanctie die wordt gesteld op de verjaring is het verval van de strafvordering. De overschrijding van de redelijke termijn, of de vaststelling dat de strafvordering onredelijk lang heeft aangesleept, dient dan ook logischerwijze op dezelfde wijze te worden gesanctioneerd.

Enkele van de argumenten die in de commissie werden ingeroepen tegen het vervallen verklaren van de strafvordering als sanctie, kan men trouwens ook tegen de verjaring aanvoeren. Zo werd betoogd dat de beklaagde er belang bij kan hebben dat er een beslissing ten gronde valt, met name wanneer hij onschuldig is. Aldus zou het voor de buitenwereld echt 100% zeker zijn dat dit ook zo is. Welnu, dit argument geldt evenzeer voor de verjaring, die zoals reeds gezegd eenzelfde finaliteit heeft.

Daarenboven wil ik verwijzen naar de Grondwet, wat in de geest van de nieuwe politieke cultuur wellicht ouderwets overkomt. Er zijn niettemin nog een paar juristen die af en toe de Grondwet lezen. Artikel 12, tweede lid van de Grondwet stelt dat niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Hieruit volgt dat het Openbaar Ministerie in de uitoefening van de strafvordering, artikel 6 van het EVRM dient te respecteren vermits dit directe werking heeft. Wanneer een feitenrechter bijgevolg vaststelt dat het Openbaar Ministerie iemand is blijven vervolgen terwijl de voorwaarden daartoe niet vervuld waren, dan zal die rechter grondwettelijk verplicht zijn het Openbaar Ministerie het recht te ontzeggen om de vervolging nog verder uit te oefenen. Bij overtreding van de wet kan het Openbaar Ministerie niet het recht van vervolging behouden, en dus niet meer vorderen dat iets strafbaar zou worden verklaard. Opnieuw leidt dit tot de conclusie dat de enige logische sanctie op de overschrijding van de redelijke termijn, het verval van de strafvordering is.

Een dergelijke sanctie is trouwens ook het enige middel om de parketten ertoe aan te zetten de redelijke termijn in acht te nemen. Het eventueel verlengen van de verjaringstermijn kan wat dit betreft immers geen oplossing bieden, vermits de vereiste van de redelijke termijn blijft bestaan.

Ten slotte kunnen, zoals collega Nyssens zojuist heeft onderstreept, ook de argumenten van de commissie-Franchimont hier worden aangehaald om ons amendement te ondersteunen.

In ondergeschikte orde stelt onze fractie voor het verval van de strafvordering toe te voegen aan de reeds voorziene sancties, met name de eenvoudige schuldigverklaring en de strafvermindering. Er is immers geen enkel principieel bezwaar om dit niet te doen terwijl er voldoende redenen zijn om het wel te doen.

Bij toepassing van het reeds aangehaalde artikel 13 van het EVRM moet worden voorzien in een passend herstel wanneer de fundamentele rechten geschonden zijn. De vraag is dan of de eenvoudige schuldigverklaring en de strafvermindering wel steeds voldoende passend zullen zijn in de zin van artikel 13. Het is immers niet ondenkbaar dat er bepaalde gevallen van flagrante overschrijding van de redelijke termijn zullen zijn, zonder dat de beklaagde daaraan enige schuld heeft en waarin zelfs de eenvoudige schuldigverklaring nog als een te zware sanctie dient te worden aangezien.

Derhalve zou eenzelfde onderscheid kunnen worden gemaakt als bij onze noorderburen, die bij de overschrijding van de redelijke termijn een afweging doorvoeren tussen enerzijds het belang dat de gemeenschap behoudt bij de normhandhaving en anderzijds het belang dat de beklaagde heeft bij het verval van de strafvordering omdat de redelijke termijn is overschreden. Overheerst het eerste belang dan zal er aanleiding zijn tot schuldvermindering. Overheerst het tweede belang dan is er aanleiding tot verval van de strafvordering. Volgens de Nederlandse Hoge Raad is de onontvankelijkheid van de strafvordering dan ook een algemeen aanvaard gevolg van de overschrijding van de redelijke termijn. Het is evenwel niet het enige mogelijke gevolg en bijgevolg zal de onontvankelijkheid enkel gehanteerd mogen worden "bij een ernstige overschrijding, als er geen enkel ander passend rechtsherstel mogelijk is voor de beklaagde". Ik verwijs hierbij naar de bijdrage van L. Arnou in het Algemeen juridisch tijdschrift, 1995-1996, op pagina 552.

Volgens dezelfde auteur is het trouwens ten zeerste de vraag of de rechtspraak van het Belgische Hof van Cassatie ten aanzien van de sanctionering van de redelijke termijn wel de toets van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zal doorstaan. Volgens deze auteur is het namelijk "duidelijk dat het niet verder uitoefenen van de strafvordering in bepaalde gevallen de enige mogelijke sanctie zal zijn, namelijk indien de redelijke termijn op een flagrante wijze is geschonden". Ook andere eminente auteurs hebben zich in die zin uitgelaten.

Vandaar dan ook dat de CVP-fractie voorstelt dat, indien de onontvankelijkheid van de strafvordering in eerste orde niet zou worden weerhouden, deze minstens zou worden toegevoegd aan de thans voorziene sancties, namelijk de eenvoudige schuldigverklaring en de strafvermindering.

Tenslotte hebben we, eveneens in ondergeschikte orde, nog een ander amendement ingediend, dat de minister zeker zal willen aanvaarden om een nieuwe veroordeling door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te vermijden, gezien het arrest dat het Hof vandaag heeft geveld in een andere zaak. In dit amendement wordt verduidelijkt dat de rechter steeds verplicht zal zijn de nodige gevolgen te verbinden aan de vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden. In de in de commissie goedgekeurde tekst staat immers het woord "kan". Dit wil zeggen dat het de rechter vrij blijft om aan de overschrijding van de redelijke termijn in de zin van artikel 6 van het EVRM, al dan niet gevolgen te verbinden. Dit is een onhoudbaar standpunt.

Inderdaad, ik heb er reeds meermaals op gewezen dat artikel 13 van het EVRM bepaalt dat elke persoon recht heeft op een daadwerkelijk rechtsherstel wanneer zijn door dit Verdrag gewaarborgde rechten geschonden zijn. Hieruit volgt dat de overschrijding van de redelijke termijn niet zonder gevolg mag worden gelaten.

De voorziene sanctie dient dan ook te gelden als een verplichting voor de rechter en niet als een vrijblijvende mogelijkheid. Het woord "kan" dient derhalve te worden verwijderd: éénmaal de rechter vaststelt dat de redelijke termijn is overschreden, moet hij daar een van de voorziene sancties aan verbinden.

In die zin verzoek ik de Senaat om de voorgelegde tekst waarvan we in beginsel de richting bijtreden, te verbeteren, zodat we in de toekomst niet met nieuwe veroordelende arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens worden geconfronteerd.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-279/4.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Vandenberghe amendement nr. 3 ingediend (zie stuk 2-279/5) dat luidt:

Op amendement nr. 3 heeft de heer Vandenberghe een eerste subsidiair amendement nr. 4 ingediend (zie stuk 2-279/5) dat luidt:

en een tweede subsidiair amendement nr. 5 (zie stuk 2-279/5) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Ik heb deze amendementen daarstraks uitvoerig toegelicht.

- De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

- De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsontwerp in zijn geheel hebben later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen (Stuk 2-282) (Tweede behandeling)

Algemene bespreking

De heer Hugo Vandenberghe (CVP), rapporteur. - Ik verwijs naar het schriftelijk verslag.

- De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Justitie, zie stuk 2-282/9.)

- De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 29 juni 2000

's ochtends te 10 uur

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 30 juli 1979 betreffende de radioberichtgeving en van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven; Gedr. St. 2-453/1 tot 4.

Vragen om uitleg :

- van de heer René Thissen aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Werkgelegenheid over "de startbaanovereenkomst" (nr. 2-154);

- van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de Minister van Economie en Wetenschappelijk Onderzoek en aan de Minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over "de verplichting tot opbaren van overledenen in een hermetische kist" (nr. 2-158).

's namiddags te 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Mondelinge vragen.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 24 van de wet van 20 juli 1971 op de begraafplaatsen en de lijkbezorging (van mevrouw Jeannine Leduc c.s.); Gedr. St. 2-258/1 tot 13.

Evocatieprocedure

Wetsontwerp tot wijziging, wat de door de werkgevers verschuldigde bijdrage voor werkloosheid wegens economische oorzaken betreft, van de wet van 29 juni 1981 houdende de algemene beginselen van de sociale zekerheid voor werknemers; Gedr. St. 2-452/1 tot 4.

Belangenconflict tussen het Vlaams Parlement en de Kamer van volksvertegenwoordigers over het wetsontwerp tot wijziging van het bijvoegsel bij het Gerechtelijk Wetboek; Gedr. St. 2-442/1 tot 3. (Pro memorie)

Vanaf 17 uur : Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg :

- van de heer Frans Lozie aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de regeling voor de veiligheidscontracten vanaf 2001" (nr. 2-159);

- van mevrouw Sabine de Bethune aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de tewerkstelling van vrouwen bij de brandweer" (nr. 2-165);

- van mevrouw Erika Thijs aan de Minister van Binnenlandse Zaken over "de verwijderingen van de Roma-zigeuners" (nr. 2-168);

- van de heer Georges Dallemagne aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over "de resolutie van de IAO over de dwangarbeid in Birma (Myanmar)" (nr. 2-171).

- De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Benoeming van een plaatsvervangend lid niet-notaris van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-374)

De voorzitter. - Aan de orde is de benoeming van een plaatsvervangend lid "niet-notaris" van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat.

Tengevolge van het ontslag van de heer Marc Faucon, effectief lid, is zijn plaatsvervanger, mevrouw Françoise Godefroid, effectief lid geworden. De Senaat moet nu dus overgaan tot de benoeming van een nieuw plaatsvervangend lid.

Zoals beslist tijdens de plenaire vergadering van 8 juni jongstleden, zal de keuze van deze plaatsvervanger gebeuren uit de bestaande lijst van kandidaten. Deze kandidaten hebben, met uitzondering van mevrouw Colette Declairfayt en de heer Philippe Delannay, allen hun kandidatuur schriftelijk bevestigd. De kandidatuur van deze beide kandidaten wordt daarom niet langer in aanmerking genomen.

De kandidatenlijst werd rondgedeeld onder het nr. 2-374/2.

Overeenkomstig artikel 38 van de wet van 25 ventôse jaar XI op het notarisambt, moet de Senaat deze plaatsvervanger benoemen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen.

Alle senatoren hebben kennis kunnen nemen van het curriculum vitae van de kandidaten.

Dientengevolge dienen de senatoren thans, bij geheime stemming, een keuze te maken uit de kandidaten. (Instemming)

Het lot wijst mevrouw Lizin en de heer Maertens aan om de functie van stemopnemer te vervullen.

Ik verzoek elk lid bij het afroepen van zijn naam zijn stembrief in de stembus te komen deponeren.

De stemming begint met de naam van de heer Lozie.

(Tot de geheime stemming wordt overgegaan.)

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp houdende instemming met de Internationale Cacao-Overeenkomst van 1993, en met de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 16 juli 1993 (Stuk 2-377)

De heer Paul Galand (ECOLO). - Ecolo en Agalev wijzen op de tegenstrijdigheid tussen dit akkoord, dat het opneemt voor de cacaoproducenten, en de Europese richtlijn, aangenomen door het Parlement op 15 maart 2000, die voor de vervaardiging van chocolade andere plantaardige vetten dan cacaoboter toelaat. Het akkoord is niet bindend, terwijl de richtlijn wordt opgelegd.

België heeft op Europees niveau altijd een coherent standpunt ingenomen, maar spijtig genoeg hebben de grote politieke partijen dat in het Europees Parlement niet gedaan.

Dankzij dit akkoord krijgt België misschien opnieuw gelegenheden om de kwaliteit van zijn chocoladeproductie te verdedigen en om het tegelijkertijd op te nemen voor het werk en de kwaliteit van de productie van de cacaoproducerende landen. Wij zullen dus voor dit akkoord stemmen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Tijdens de algemene bespreking heb ik al beklemtoond dat onze houding niet coherent is. Enerzijds stemmen we voor een tekst die tot doel heeft de consumptie van cacao te bevorderen, zodat we de cacaoproducerende landen voldoende inkomsten kunnen garanderen, maar anderzijds moeten we een Europese richtlijn toepassen die het gebruik van cacaoboter bij de vervaardiging van chocolade beperkt.

Ik weet dat België zich aanzienlijke inspanningen heeft getroost opdat deze richtlijn niet zou worden toegepast. Wij zullen voor het wetsontwerp stemmen, dat uitvoering geeft aan een akkoord dat in 1993 werd afgesloten, terwijl de richtlijn veel recenter is.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Alvorens opnieuw senator te worden, was ik Europees volksvertegenwoordiger. Wij hebben ons verzet tegen de poging om de samenstelling van de chocolade tegen onze wil in te wijzigen. Wij hebben ons moeten verzetten tegen de noordelijke landen en spijtig genoeg kon de richtlijn onmogelijk onze goedkeuring wegdragen. Om die reden hebben de Belgen overigens allemaal tegengestemd.

Bovendien staan we voor een nogal bijzondere situatie. Enerzijds beperken we de mogelijkheden van een aantal Afrikaanse landen om hun cacaobonen af te zetten en anderzijds geven wij hen altijd maar subsidies. Dat is volkomen abnormaal. Op die basis komen wij op voor zowel de derdewereldlanden als de kwaliteit van de chocolade. Wij zullen voor deze internationale overeenkomst stemmen, maar hopen desalniettemin dat, zo niet het Europese parlement, dat massaal voor de richtlijn heeft gestemd, dan toch de ministers van sommige landen een stap terug zullen zetten en zich rekenschap zullen geven van de monumentale fout die ze hebben begaan bij de beoordeling van de economische gevolgen van de negatieve beslissingen die ze ten aanzien van dit product hebben genomen.

De heer André Geens (VLD). - Natuurlijk zal de VLD-fractie dit wetsontwerp goedkeuren. Toch moeten mij twee zaken van het hart. Ten eerste is het hoog tijd dat op internationaal vlak enige rechtlijnigheid aan de dag wordt gelegd. Het conflict over cacao en de cacaovervangende producten is vooral een conflict tussen de Verenigde Staten en de Europese Unie en tussen de Angelsaksische landen en de andere Europese landen. De ontwikkelingslanden zijn het slachtoffer van dit conflict omdat de doelstellingen die in het akkoord worden nagestreefd, door de Europese maatregel worden teniet gedaan.

Ten tweede wijs ik op de lange termijn die ligt tussen de ondertekening van het internationaal verdrag en de ratificatie ervan. Ik roep u dan ook op, mijnheer de voorzitter, erop aan te dringen dat die termijn wordt ingekort. Wat nu gebeurt, grenst eigenlijk aan het belachelijke.

De voorzitter. - Wat u zegt, is juist, maar ook de Senaat ontvangt die overeenkomsten en verdragen zeer laattijdig. Het probleem ligt bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Ik heb de minister daarover aangesproken en wij mogen beterschap verwachten .

De heer Georges Dallemagne (PSC). - De PSC-fractie zal dit wetsontwerp houdende instemming met de Internationale Cacao-Overeenkomst van 1993 goedkeuren. Wij willen niettemin wijzen op de tegenstrijdigheid tussen dit internationaal verdrag en de Europese richtlijnen. De Overeenkomst bepaalt dat wij ernaar zullen streven de internationale handel in cacao en de aanvoer ervan uit de producerende landen op te drijven en de Europese consumptie van cacao te verhogen, wat in strijd kan zijn met de richtlijnen. Wij betreuren dat en hopen dat België er verder zal voor blijven ijveren dat de kwaliteit van de chocoladeproducten en het productievolume van cacao beantwoorden aan de normen die ons land wenst toe te passen.

Spijtig genoeg wordt België daarin door de andere Europese landen niet gevolgd.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming nr. 1

Aanwezig: 61

Voor: 61

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Internationale Overeenkomst van 1994 inzake tropisch hout, en met de Bijlagen, opgemaakt te Genève op 26 januari 1994 (Stuk 2-378)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Albanië inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Tirana op 1 februari 1999 (Stuk 2-390)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Het gaat hier om een typeovereenkomst inzake de bescherming van investeringen. Naar aanleiding van de ratificering van deze verdragen wil ik er nogmaals op wijzen dat het belangrijk is dat daarin sociale en milieubepalingen worden opgenomen. De minister van Buitenlandse Zaken heeft trouwens aangekondigd dat hij binnenkort de resultaten zal bekendmaken van de internationale onderhandelingen die hij hierover voert.

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Arabische Republiek Egypte inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Kaïro op 28 februari 1999 (Stuk 2-391)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag inzake de bescherming en het gebruik van grensoverschrijdende waterlopen en internationale meren, en met de bijlagen I, II, III en IV, gedaan te Helsinki op 17 maart 1992 (Stuk 2-406)

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Het zal niemand verwonderen dat de Agalev-Ecolofractie zeer tevreden is met het sluiten van dit verdrag. We danken de vice-eerste minister voor zijn belofte om bepaalde punten tijdens de onderhandelingen met Frankrijk aan te kaarten. Dit verdrag is in onze ogen een eerste stap. Waterlopen zuiveren is één ding, het duurzaam gebruik ervan een ander. Er is nog heel wat werk aan de winkel.

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Libanon inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 6 september 1999 (Stuk 2-414)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Ivoorkust inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, gedaan te Brussel op 1 april 1999 (Stuk 2-420)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag houdende het statuut van de Europese Scholen en met de Bijlagen I en II, gedaan te Luxemburg op 21 juni 1994 (Stuk 2-445)

- Voor dit wetsontwerp wordt de uitslag van stemming nr. 1 aanvaard.

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tot herziening van het Algemeen Verdrag tussen het Koninkrijk België en de Republiek Turkije betreffende de sociale zekerheid ondertekend te Brussel op 4 juli 1966 en met twee administratieve schikkingen, ondertekend te Ankara op 30 juni 1997 (Stuk 2-446)

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik heb geen enkel bezwaar tegen dit verdrag, maar toch moet men zich eens buigen over de houding van Turkije, dat kandidaat is om toe te treden tot de Europese Unie, maar de mensenrechten helemaal niet in acht neemt. Opposanten worden er gevangen gezet en het land weigert zich neer te leggen bij de VN-resolutie waarbij het 25 jaar geleden al werd veroordeeld wegens de bezetting van het noorden van Cyprus.

Wij zullen deze regeling met betrekking tot de sociale zekerheid goedkeuren, maar ik wens dat dit aspect eens van nabij wordt bekeken, want het wekt steeds meer ergernis. Wij zullen daarover een vraag om uitleg indienen of misschien nemen wij een ander initiatief. Alle elementen voor de opname van Turkije in de Europese Unie zijn positief, maar het land geeft helemaal geen blijk van enige bereidheid om een aantal specifieke problemen op te lossen: de mensenrechten, de rechtszekerheid, het respect voor het menselijk leven en de inachtneming van de VN-resoluties.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 62

Voor: 56

Tegen: 0

Onthoudingen: 6

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de artikelen 34, § 1, en 39 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-286) (Evocatieprocedure)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Het voorliggend wetsontwerp geeft uitvoering aan een arrest van het Arbitragehof en is in die zin dan ook gerechtvaardigd. Het behoudt echter wel een bepaalde vorm van discriminatie. Uitkeringen in verband met arbeidsongevallen en beroepsziekten met een vermogensvervangend karakter worden fiscaalrechtelijk gelijkgesteld met gemeenrechtelijke uitkeringen. Dit is nog steeds niet het geval voor de aanvullende uitkeringen voor werknemers of de aanvullende regelingen voor zelfstandigen. Er wordt dus een vorm van discriminatie in stand gehouden, zodat een betrokkene nog altijd naar het Arbitragehof zal kunnen gaan, dat hem op basis van dezelfde gronden in het gelijk zal stellen.

Bovendien ligt dit wetsontwerp reeds ter tafel sinds de vorming van de nieuwe regering. De regering kon het niet eens worden over de vraag welke amendementen al dan niet zouden worden ingediend. De discussie sleept nu reeds een jaar aan. Dit heeft tot gevolg dat wie zijn belastingaangifte vóór 30 juni moet invullen, nog steeds niet weet welke regels van kracht zijn bij die aangifte.

Om beide redenen zal de CVP-fractie zich onthouden.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 62

Voor: 56

Tegen: 0

Onthoudingen: 6

- Het ontwerp werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp betreffende de invoering van de euro in de wetgeving die betrekking heeft op aangelegenheden als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet (Stuk 2-431)

De heer Ludwig Caluwé (CVP). - Dit lijkt een zeer technisch en gerechtvaardigd wetsontwerp omdat het de regering de machtiging geeft om de bedragen in franken in de bestaande wetten om te zetten in euro's en transparantieaanpassingen te doen. In wezen geeft de regering zichzelf echter een vrij vergaande machtiging omdat de transparantieaanpassingen tot 20% kunnen gaan. Om die reden zal de CVP-fractie zich onthouden.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 64

Voor: 49

Tegen: 0

Onthoudingen: 15

- Het wetsontwerp is aangenomen.

- Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot wijziging van de algemene wet inzake douane en accijnzen en van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (Stuk 2-443) (Evocatieprocedure)

Stemming nr. 5

Aanwezig: 64

Voor: 64

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot invoeging van een artikel 21ter in de Voorafgaande Titel van het Wetboek van strafvordering (Stuk 2-279) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen eerst over amendement nr. 3 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 64

Voor: 12

Tegen: 46

Onthoudingen: 6

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over het subsidiair amendement nr. 4 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 64

Voor: 12

Tegen: 46

Onthoudingen: 6

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over het subsidiair amendement nr. 5 van de heer Vandenberghe.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 63

Voor: 11

Tegen: 46

Onthoudingen: 6

- Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Natuurlijk gaan we akkoord met de doelstelling van de wet om een sanctie op te leggen bij de overschrijding van de redelijke termijn. We zijn wel van oordeel dat voorliggende tekst in strijd is met artikel 13 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens waaruit moet worden afgeleid dat bij een inbreuk op een andere bepaling van het verdrag een sanctie moet volgen. Omdat mijn amendement nummer 3 werd verworpen, zal de CVP-fractie zich bij de stemming over dit ontwerp onthouden.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Wij kunnen geen vrede nemen met de gevolgen van dit ontwerp, namelijk de eenvoudige schuldigverklaring of de mogelijkheid voor de rechter om een lichtere straf uit te spreken dan de minimumstraf uit het Strafwetboek. Daarom hebben wij amendementen ingediend opdat de overschrijding van de redelijke termijn het verval van de strafvordering tot gevolg zou hebben. Die oplossing werd naar voren geschoven door de rechtsleer en de commissie-Franchimont. Wij betreuren de gevolgen van dit wetsontwerp en zullen tegenstemmen.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 64

Voor: 52

Tegen: 5

Onthoudingen: 7

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen (Stuk 2-282) (Tweede behandeling)

Stemming nr. 10

Aanwezig: 64

Voor: 64

Tegen: 0

Onthoudingen: 0

- Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht in te stemmen met het wetsontwerp.

- Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Benoeming van een plaatsvervangend lid niet-notaris van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat (Stuk 2-374)

Uitslag van de geheime stemming

De voorzitter. - Ziehier de uitslag van de stemming over de benoeming van een plaatsvervangend lid "niet-notaris" van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat:

Aantal stemmenden : 51

Blanco of ongeldige stembriefjes : 6

Geldige stemmen : 45

Tweederde meerderheid : 30

De heer Jean Goemaere behaalt 41 stemmen.

Mevrouw Dominique Jungers behaalt 2 stemmen.

De heer Jean-Michel Maguin-Vreux behaalt 1 stem.

De heer Claude Philippart de Foy behaalt 1 stem.

Bijgevolg wordt de heer Jean Goemaere tot plaatsvervangend lid "niet-notaris" van de Franstalige Benoemingscommissie voor het notariaat uitgeroepen.

De voorzitter. - Ik stel voor de vergadering even te schorsen in afwachting dat de minister van Justitie hier aanwezig kan zijn.

(De vergadering wordt geschorst om 17.05 uur. Ze wordt hervat om 17.25 uur.)

(Voorzitter: de heer Jean-Marie Happart, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu over «de systematische opsporing van baarmoederhalskanker» (nr. 2-123)

De voorzitter. - De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen, antwoordt namens mevrouw Magda Aelvoet, minister van Consumentenzaken, Volksgezondheid en Leefmilieu.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank minister Vandenbroucke dat hij namens minister Aelvoet wil antwoorden. Ik heb de vraag twee maanden geleden ingediend en indien ze vandaag niet werd behandeld, zou ze waarschijnlijk pas na het zomerreces aan bod zijn gekomen. Ik heb er dan ook op aangedrongen ze vandaag op de agenda te plaatsen.

Ons land kent een van de hoogste sterftecijfers door kanker van de Europese Unie. Bij vrouwen is baarmoederhalskanker na borstkanker de vaakst voorkomende kanker. Elk jaar opnieuw wordt in ons land bij ruim 700 vrouwen baarmoederhalskanker vastgesteld.

Nochtans kan dit soort kanker in een voorstadium met een zeer eenvoudige behandeling een halt worden toegeroepen. Door opsporing via een uitstrijkje in een vroeg stadium daalt het percentage ernstige gevallen met grotere kans op een fatale afloop drastisch. Indien baarmoederhalskanker in een vergevorderd stadium wordt ontdekt, is de vijfjaaroverlevingskans lager dan 50%.

Andere bestuursniveaus in ons land hebben terzake interessante initiatieven genomen. Ik wil hier even verwijzen naar mijn eigen provincie West-Vlaanderen waar onder leiding van gedeputeerde Vens een vrij goed screeningproject voor baarmoederhalskanker is opgezet. Hetzelfde geldt voor Oost-Vlaanderen onder de leiding van gedeputeerde Vandermeiren. Voor zover ik weet, hebben deze projecten echter geen navolging gekregen in andere provincies. Het is dus geen algemene praktijk dat screeningprojecten door het provinciaal bestuur mee worden opgezet en gefinancierd.

Ik wil even ingaan op het Oost-Vlaamse project. De bedoeling van dergelijke projecten is de doelgroep zo volledig mogelijk te bereiken. Daartoe was de voertaal van het Oost-Vlaamse project het Nederlands, maar werd er ten behoeve van bepaalde doelgroepen en personen eveneens gezorgd voor een vertaling naar het Turks en het Arabisch. Er werd samengewerkt met de Gentse universiteit en het actiemateriaal voor sensibilisering werd zowel naar gemeentebesturen gestuurd, als naar huisartsen, gynaecologen, pathologen en natuurlijk de doelgroep zelf. Ook het project in West-Vlaanderen was trouwens uitstekend.

Tot zover het provinciale niveau. Ik wil nu even terugkomen op de globale problematiek. Volgens de Europese richtlijn inzake de kwaliteitswaarborgen bij screening op baarmoederhalskanker moeten vrouwen van 25 tot 64 jaar oud om de drie jaar een uitstrijkje laten nemen. Nochtans moet in ons land worden vastgesteld dat de screenings nog te weinig voldoen aan de twee prioritaire vereisten: de optimale participatie van de doelbevolking en de kwaliteit van de afname, lezing en follow-up van de test. Dit blijkt onder meer uit het probleem van overscreening en onderscreening van bepaalde bevolkingsgroepen. De follow-up is bovendien vaak te agressief. Er wordt immers te weinig feedback gegeven, waardoor mensen die een lagere scholing hebben genoten of minder geïnformeerd zijn, nogal snel overgaan tot een hysterectomie. Dit blijkt uit verscheidene recente studies. Ik denk hierbij aan de studie van dokter Arbyn voor de 11de internationale bijeenkomst van de gynaecologische oncologie, en de studie van dokter Mertens van de Christelijke Mutualiteiten. Vrouwen met een lager inkomen lopen 20 tot 40% meer kans op een hysterectomie, terwijl een operatie vaak uitgesloten kan worden.

In de medische wereld is men steeds meer de overtuiging toegedaan dat baarmoederhalskanker in de overgrote meerderheid, in 93% van de gevallen, veroorzaakt wordt door het menselijk papillomavirus, het MPV. Het aantal onontdekte gevallen van baarmoederhalskanker zou met een nieuwe test voor MPV drastisch kunnen worden verlaagd. In ons land staat het onderzoek naar MPV echter nog in de kinderschoenen, terwijl in het buitenland reeds baanbrekend onderzoek wordt geleverd en testen voor MPV veel gemakkelijker verkrijgbaar zijn.

Ik weet wel dat een heel stuk van deze materie onder de gemeenschappen ressorteert. We zijn hier geconfronteerd met het klassieke probleem van de noodzakelijke samenwerking tussen het federale- en het gemeenschapsniveau wanneer het over preventieve geneeskunde gaat. Niettemin wil ik de bevoegde federale minister de volgende vragen stellen.

Hoe zal de minister het federaal beleid, de financiering van deze preventieve aanpak, ontwikkelen in samenwerking met de gemeenschappen die instaan voor de organisatie van de gezondheidspreventie?

Zal de federale regering de nodige middelen uittrekken om de screening op baarmoederhalskanker kosteloos te maken? Dit is immers een belangrijke voorwaarde voor succes.

Kan de bevinding betreffende het MPV-virus door de diensten worden bevestigd? Zal het departement Volksgezondheid de nieuwe ontwikkelingen inzake MPV op de voet volgen? Zijn daartoe al initiatieven genomen. Zal de federale regering middelen vrijmaken voor baanbrekend onderzoek in navolging van het buitenland?

De heer Paul Galand (ECOLO). - Met het oog op een coherent gezondheidsbeleid in dit domein en omdat de regering de eerstelijnsgeneeskunde wenst te bevorderen en de te strikte scheiding tussen curatieve en preventieve zorg wil doorbreken, lijkt het van belang de eerste lijn en de huisartsen bij de opsporing te betrekken. De follow-up op lange termijn moet immers verzekerd zijn en bij sommige vrouwen moeten psychosociale hinderpalen worden weggenomen. Ook moet worden voorzien in psychologische begeleiding, vooral bij twijfelachtige of onrustwekkende resultaten. Dergelijke resultaten veroorzaken immers angstgevoelens en hebben soms tot gevolg dat geen behandeling wordt ingezet. Die begeleiding kan het best gegeven worden door de huisarts of de gynaecoloog. De verschillende aspecten die hier worden behandeld, moeten dus een coherent beleid mogelijk maken.

Bovendien is het van belang dat alle epidemiologische gegevens ergens verzameld en met elkaar vergeleken kunnen worden. De beslissende gezondheidsfactoren en de opgespoorde pathologie moeten met elkaar in verband worden gebracht. De beste plaats hiervoor is het Instituut voor de Volksgezondheid, in samenwerking met de verschillende gezondheidsobservatoria.

Op die twee punten wou ik de aandacht vestigen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Ik lees het antwoord dat ik van minister Aelvoet gekregen heb. Momenteel zijn er geen concrete plannen voor het organiseren van een grootschalige nationale opsporingscampagne van baarmoederhalskanker, meer bepaald voor het sensibiliseren en oproepen van alle vrouwen in de doelgroepleeftijd - 25 tot 64 jaar volgens de Europese richtlijnen - om driejaarlijks een cervixuitstrijkje af te nemen, waarbij alle technische aspecten van de hele campagne aan stringente kwaliteitsvereisten inzake participatie, afname, lectuur en opvolging van screenpositieven moeten beantwoorden.

Een georganiseerde screening van baarmoederhalskanker, waarbij het initiatief van de organiserende overheid komt en vrouwen zonder klachten worden opgeroepen, is doelmatiger en vooral kosteneffectiever dan een opportunistische screening, waarbij de opsporing gebeurt op initiatief van de vrouw of haar arts. In België komt momenteel hoofdzakelijk deze laatste vorm van screening voor. Volgens gegevens van het RIZIV bedraagt de jaarlijkse kost hiervoor 1,4 miljard frank; de persoonlijke bijdragen van de vrouwen belopen 0,4 miljard frank. Deze opportunistische screening heeft inderdaad bepaalde, door senator de Bethune aangehaalde gevolgen: globaal onvoldoende partipatie, overscreening in bepaalde bevolkingsgroepen en onderscreening in andere, twijfels over de kwaliteit van afname en lezing.

De gemeenschappen zijn bevoegd voor voorlichting en preventie. Indien dergelijke grootschalige campagnes worden opgezet, is het derhalve evident dat er samenwerking met deze overheden zal zijn.

De federale overheid kan op diverse terreinen een rol spelen. Zo is er in de eerste plaats de mogelijke financiële inbreng om de drempel te verlagen en participatie te bevorderen. In de tweede plaats kunnen maatregelen worden genomen om het bevolkingsonderzoek te faciliteren. Zo kan ze in de uitvoeringsbesluiten van de wet van 11 december 1999 op de bescherming van de persoonlijke levenssfeer ten opzichte van de verwerking van persoonsgegevens bepalingen opnemen inzake bevolkingsonderzoek. In deze uitvoeringsbesluiten wordt bevolkingsonderzoek immers als principe van uitzondering op het algemeen verbod van registratie van medische persoonsgegevens beschouwd. Ook een mogelijke uitbreiding van het gebruik van het identificatienummer van de sociale zekerheid ten behoeve van bevolkingsonderzoek kan in dit kader worden overwogen.

Aangezien er momenteel nog geen concrete plannen zijn voor een nationale screening van cervixkanker, kan ik op bepaalde vragen geen concreet antwoord geven. Vragen over de te nemen maatregelen om de onderscreening van sommige kansarme bevolkingsgroepen te voorkomen, over de afstemming van het federale beleid op dat van de gemeenschappen, over het nemen van een beslissing inzake de eventuele kosteloosheid van de screening en het uittrekken van de nodige middelen zullen uiteraard aan bod komen en beantwoord moeten worden als tot een nationale campagne wordt overgegaan.

Momenteel is er overleg tussen de federale-, de gemeenschapsautoriteiten en het RIZIV over een gelijkaardig initiatief, namelijk de organisatie van een nationale campagne voor borstkankerscreening. De beslissing voor de oprichting van deze werkgroep werd genomen op de jongste interministeriële conferentie. De werkzaamheden moeten nog voor het einde van het jaar worden afgerond, zodat een beslissing kan worden genomen.

De ervaringen van deze werkgroep kunnen ongetwijfeld bijzonder nuttig zijn als men ook voor baarmoederhalskanker een gelijkaardige screening zou overwegen. Immers, de fundamentele vragen en knelpunten die hier aan de orde zijn, lopen in belangrijke mate parallel met de problematiek van screening van baarmoederhalskanker.

Humaan Papilloma Virus (HPV)-opsporingstesten worden momenteel in België niet door het RIZIV terugbetaald. Indien het nodig mocht blijken om in België bijkomend onderzoek te verrichten op het terrein van HPV-detectie, dan kan dit worden overwogen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CVP). - Ik dank de minister en zijn collega, mevrouw Aelvoet, voor dit duidelijke antwoord. Ik ben het met de beschrijving van de toestand en met de analyse volkomen eens.

Wel betreur ik dat er nog geen sprake is van een nationale campagne. Als ik het goed begrijp, sluit minister Aelvoet dit zeker niet uit en wacht ze op de resultaten van een initiatief dat werd opgestart rond borstkankerscreening.

Persoonlijk blijf ik overtuigd van het nut van een nationale campagne voor de opsporing van baarmoederhalskanker, wat de eerstkomende maanden een prioriteit in het beleid zou moeten zijn. Het zou ook goed zijn om in de begroting 2001 daarvoor de nodige middelen vrij te maken. Een dergelijke campagne komt niet alleen de gezondheid en de leefkwaliteit ten goede, maar zal uiteindelijk ook een positief saldo voor de begroting opleveren. Ook dat is voor mij een reden om zo'n nationale campagne voor de opsporing van baarmoederhalskanker in de prioriteitenlijst van het gezondheidsbeleid van de regering op te nemen. Deze eis wordt trouwens ruim gesteund, niet alleen door de brede laag van de vrouwelijke bevolking, maar ook door vele wetenschappers.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Jacinta De Roeck aan de vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie over «het terugdringen van de sociale uitsluiting van de armsten» (nr. 2-162)

De voorzitter. - De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen, antwoordt namens de heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting, Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Vaak denken we bij armoede alleen aan de Derde Wereld. Ten onrechte. Ook in het Westen en hier bij ons in België bestaat er armoede.

De voorbije weken las ik op meerdere plaatsen verontrustende informatie over de sociale uitsluiting van onze armste bevolkingsgroep.

Bij het doorlezen van de Gezondheidsenquête voor België van 1997, die de meest recente gegevens bevat, viel op dat 8,5% van de huishoudens niet alle uitgaven voor gezondheidszorg kon betalen die deze gezinnen in 1997 nodig hadden. Ik las ook dat tandartsbezoek voor vele arme gezinnen een niet te betalen luxe is en dat het gebruik van preventieve geneesmiddelen onbetaalbaar is voor armen.

Bij het doornemen van het Jaarboek 1999 Armoede en sociale uitsluiting las ik dat de armoede sinds 1992 blijft toenemen en dat de kloof tussen arm en rijk groter wordt, ook in België.

Vorige week nog las ik in een krant dat vele gezinnen de schoolrekening van hun kinderen niet kunnen betalen en dat er al scholen zijn die een sociale kas aanleggen om deze gezinnen te helpen.

Vijf jaar geleden werd er nochtans in Kopenhagen aandacht gevraagd voor de sociale ontwikkeling in de wereld. Er werd ook aandacht besteed aan de armoede, niet alleen in de Derde Wereld maar ook in de Westerse landen. Er zou werk worden van gemaakt om de armoede overal terug te dringen.

Waar staan we dan vijf jaar later als ik al die negatieve berichten lees? Een gezin dat in armoede leeft wordt sociaal en economisch uitgesloten.

Het is onze taak erop toe te zien dat gezondheidszorg, onderwijs, cultuur enzomeer openstaan en betaalbaar zijn voor iedereen.

Daarom wil ik van de minister graag een antwoord op de volgende vragen.

Welke zijn zijn aandachtspunten in het armoedebeleid? Naar ik verneem zou zijn rol coördinerend zijn. Wat houdt dat precies in?

Werd Kopenhagen geëvalueerd ter voorbereiding van de conferentie in Genève van eind deze maand? Welke conclusies zijn er eventueel getrokken?

Is er betreffende armoedebestrijding overleg met andere kabinetten, zoals dat van onderwijs, huisvesting, cultuur?

Wordt dit overleg eventueel gestructureerd?

En last but not least, worden er bij het opstellen en evalueren van armoedebeleidsplannen ervaringsdeskundigen, mensen uit de vierde wereld mensen zelf, en terreindeskundigen, mensen die deze armen begeleiden, betrokken?

Zo ja in welke structuren? Is de manier van overleg zo dat deze mensen op hun tempo kunnen meewerken en dat ze tijd vinden om hun achterban te raadplegen?

De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik sluit mij aan bij de vragen van mijn collega Jacinta De Roeck, in het bijzonder over de toepassing van het samenwerkingsakkoord tussen de federale Staat en de gemeenschappen en gewesten inzake de continuïteit van de armoedebestrijding. Krachtens dat akkoord moet onder leiding van de cel `armoede' van het Centrum voor gelijkheid van kansen een rapport over de armoede worden opgesteld. Twee jaar na de oprichting van die cel zou het nuttig zijn een balans op te maken van de samenwerking tussen de federale Staat en gemeenschappen en gewesten. Uit die balans kunnen alle betrokkenen bij de armoedebestrijding opmaken welke maatregelen succesvol zijn geweest en in de toekomst moeten worden aangemoedigd en welke niet productief waren en kunnen worden geschrapt. Dit akkoord is van groot belang en ook in de beleidsnota van de regering met betrekking tot de armoedebestrijding wordt ernaar verwezen. Het legt de nadruk op de deelname van de armen zelf en het is duidelijk dat de participatieprogramma's voor de betrokkenen en hun verenigingen een essentieel element vormen van de bestrijding van de armoede. Als de armen meewerken aan de evaluatie van de programma's, draagt dit bij tot het doorbreken van hun isolement.

De verhoging van de laagste pensioenen en van de kleinste uitkeringen is cruciaal. Wij moeten voor ogen houden dat, als iemand niet op de arbeidsmarkt aan bod komt en eventueel problemen heeft met de werkloosheid, dit zware gevolgen heeft wanneer die situatie een tijdlang voortduurt: bovenop het gebrek aan inkomen komt dan vaak de sociale uitsluiting.

Ik steun dus de verhoging van de laagste pensioenen en uitkeringen en van de sociale minima, temeer daar uit een recente enquête van de Landsbond van socialistische ziekenfondsen blijkt dat 36% van de armen in Wallonië problemen heeft om toegang te krijgen tot de gezondheidszorg.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - In tegenstelling tot de evaluatie van het actieplatform van de Wereldvrouwenconferentie in Peking, heeft de conferentie tot evaluatie van de eerste vijf jaar na de Top van Kopenhagen, die volgende week te Genève wordt gehouden, nauwelijks weerklank gehad in onze assemblee. De bedoeling van `Kopenhagen+5'is na te gaan welk gevolg gegeven werd aan de verbintenissen die te Kopenhagen inzake armoedebestrijding werden aangegaan. Is dit in België wel gebeurd? Het engagement loopt weliswaar over een periode van tien jaar, maar de vraag is of in de voorbije vijf jaar enige vooruitgang werd geboekt?

In het verslag dat destijds werd opgesteld, werd gewezen op een probleem dat niet alleen onder de bevoegdheid van de federale overheid valt, namelijk de plaatsing van kinderen. Er is enige verbetering in de aanpak van dit probleem, maar vooral in het Franstalige landsgedeelte is dat nog onvoldoende. Ik denk dat dit vandaag ter sprake moet komen omdat armoede nog vaak aangegrepen wordt om de kinderen bij hun familie weg te houden; dit blijft een grote onrechtvaardigheid ten aanzien van mensen met beperkte bestaansmiddelen.

ATD-Quart Monde lag aan de basis van de actie terzake. Nu pogen ook de grote internationale NGO's een algemeen beeld te krijgen van de armoede en de oorzaken ervan te achterhalen, zowel in rijke als in arme landen.

In rijke landen treft armoede vaak mensen met een laag pensioenen en éénoudergezinnen. In 95 % van dergelijke gezinnen gaat het om een vrouw die met veel moeite al haar taken poogt te combineren. Daarop moeten wij onze inspanningen toespitsen. Ik hoop dat met de aangekondigde dienstencheques een deel van deze problemen zullen worden opgelost. Waar nodig moeten de inspanningen worden voortgezet, zoals is gebleken tijdens de bespreking van vanochtend met de minister van Binnenlandse Zaken.

Als wij deze evolutie niet op de voet volgen, zal het probleem door het ministerie van Binnenlandse Zaken worden aangepakt, via kleine kantoren in het buitenland, waar men echt aandacht zal besteden aan de armoede van wie zich clandestien bij ons bevindt.

Sedert twee jaar ben ik rapporteur in de Commissie voor de rechten van de mens. Ik weet dat in de westerse landen armoede niet alleen voortvloeit uit geldgebrek maar ook uit een gebrek aan papieren, dat nog veel schrijnender is. Wie geen papieren heeft, is vaak laaggeschoold doch wel in staat te werken en wordt uitgebuit; vrouwen belanden in de prostitutie en mannen verrichten allerhande zware maar onderbetaalde arbeid.

Men mag niet voorbijgaan aan deze vorm van armoede als gevolg van een clandestien bestaan in een rijk land.

Vier jaar geleden poogde rapporteur Despuis in de Commissie voor de rechten van de mens een definitie te geven van de armoede. We hebben ze toen geraamd op één dollar per dag. In België zitten sommige armen daar nog onder. Het is de clandestiniteit die mensen in een dergelijke, uiterst zwakke positie dwingt.

Ik wens vandaag de rol van de organisaties te onderstrepen die zich met deze zaken bezighouden en die erin geslaagd zijn ze op de internationale agenda te plaatsen. Toch moeten ook verdere inspanningen geleverd worden inzake regularisatie, zo niet kunnen die mensen nooit geholpen worden. Ik ben zeer blij met het voorstel van de heer Mayeur. Ik hoop dat wij het zullen kunnen uitvoeren, want als men sociale bijstand weigert aan mensen die niet meteen kunnen worden geëvacueerd, negeert men een belangrijke factor van armoede.

In mijn verslag heb ik het ook over de toestand in de gevangenissen. Zelfs in de rijke landen moet het gevangenisbeleid herzien worden in het licht van de armoedebestrijding, want menig kruimeldiefje leert er van de echte boeven de knepen van het vak zodat de gevangenissen echte misdaadscholen zijn geworden.

Ik veronderstel dat de heer Vande Lanotte volgende week in Genève het woord zal voeren. Ik hoop dat men zich niet zal beperken tot een visie op armoede zoals die in België bestaat en dat men het ook zal hebben over het verantwoordelijkheidsgevoel van de rijke landen ten aanzien van wat er in de andere landen moet gebeuren. In ons land gaat het vooral om een gemeenschapsmaterie, maar de factor armoede en de negatieve spiraal die ze teweegbrengt, vormen een belangrijke handicap waarover weinig wordt gesproken. De hulp aan al wie moeite heeft om mee te draaien in de maatschappij is een element dat meer aandacht verdient.

De heer Galand wil de armen zelf laten participeren, maar dat verloopt niet altijd even vlot. Dit punt maakt deel uit van het mandaat dat de Commissie voor de rechten van de mens verleend heeft voor de tweede periode, die vorige maand een aanvang heeft genomen. Wij zullen de goede voorbeelden proberen te vinden waar inspraak wordt gegeven aan de armen zelf. Er zijn evenwel weinig gesprekspartners. Ik had het al over ATD-Quart Monde, maar denk ook aan Sint-Vincentius a Paulo en andere verenigingen. Te weinig beleidsverantwoordelijken houden rekening met wat zich buiten de organisaties afspeelt. In tien jaar tijd is er op dat punt niet veel veranderd: als men het geluk niet heeft te kunnen terugvallen op een instelling, dan blijft men uitgesloten. In het voorstel-Mayeur wordt deze vraag gedeeltelijk aangepakt met betrekking tot de mensen die geregulariseerd kunnen worden. Ik hoop dat sociale bijstand in de toekomst ook in dergelijke situaties mogelijk zal zijn.

Ik hoop dat u deze bekommernissen zal doorspelen aan de heer Vande Lanotte opdat hij er rekening mee kan houden in zijn verklaring voor Kopenhagen+5. Ik hoop dat hij niet zal zeggen dat er in België geen problemen meer zijn; ik zal zeer aandachtig naar zijn woorden luisteren en erop toezien dat de vele resterende problemen aan bod komen.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Mevrouw Lizin heeft een aantal bijkomende vragen gesteld, zoals de vraag of minister Vande Lanotte naar Genève zal gaan. Op deze vragen kan ik niet onmiddellijk antwoorden. Ik verontschuldig mij daarvoor. Ik heb wel aandachtig geluisterd naar mevrouw Lizin. Haar bedenkingen lijken mij belangrijk.

Armoede is ook in België nog een realiteit voor heel veel mensen. Ook al is de 7,1 % armen in België in Europese en wereldtermen relatief laag te noemen, het is en blijft een fenomeen dat helemaal niet thuishoort in een hoogontwikkeld land als het onze.

Het tegengaan van armoede en sociale uitsluiting in een actieve welvaartsstaat is dan ook een van de belangrijkste doelstellingen van de huidige regering. In navolging van de bekommernissen van de armen die verwoord zijn in het Algemeen Verslag over de Armoede, werden overigens tijdens de vorige legislatuur in het kader van de Interministeriële Conferentie Maatschappelijke Integratie diverse initiatieven genomen en maatregelen uitgewerkt.

Die lijn wordt doorgetrokken en zelfs versterkt.

Armoede is een combinatie van achterstelling op diverse domeinen: inkomen, tewerkstelling, huisvesting, onderwijs, gezondheidszorg, cultuur, rechtsbedeling enzovoort. Een volgehouden structurele en geïntegreerde aanpak is dan ook noodzakelijk. We moeten investeren in perspectiefvolle tewerkstelling - de belangrijkste hefboom naar maatschappelijke integratie- , in degelijke en betaalbare huisvesting, in deugdelijke en betaalbare gezondheidszorg, in kwaliteitsvol en toegankelijk onderwijs, in de toegankelijkheid van cultuur en rechtsbedeling. Een preventieve en inclusieve aanpak moet voorkomen dat armoede wordt bestendigd of uitdeint. Armoedebestrijding mag geen restbevoegdheid zijn. Armoede is een `harde' materie. Alle sectoren, ook bijvoorbeeld justitie of economie, moeten worden betrokken om te voorkomen dat daar mechanismen in gang worden gezet die het armoederisico vergroten.

In de begroting 2000 werd om te beginnen 125 miljoen extra uitgetrokken voor armoedebestrijding. De Ministerraad keurde ondertussen ook het Lenteprogramma goed. Een belangrijke focus ligt daarbij op tewerkstelling van risicogroepen zoals bestaansminimumgerechtigden.

Belangrijk is ook het armoededebat op het Europese forum te blijven aanzwengelen door het werken naar normering en convergentiestrategieën. De Top van Lissabon heeft de noodzaak van een sociaal beleid dat armoede bestrijdt onderkend en aan de lidstaten gevraagd om nationale actieplannen op te maken. Voor België is ondertussen een Intergouvernementele Conferentie opgestart die de werkzaamheden moet coördineren via verschillende werkgroepen. Die zullen de door Europa naar voor geschoven thema's benaderen vanuit het perspectief van sociale insluiting. Deze thema's zijn: werkgelegenheid, onderwijs en opleiding, volksgezondheid, huisvesting en inkomen.

De coördinatie van het armoedebeleid wordt op Belgisch vlak geregeld door het koninklijk besluit van 20 juli 1999 houdende vaststelling van bepaalde ministeriële bevoegdheden van de minister van Maatschappelijke Integratie als bevoegd voor armoedebeleid. De inclusieve aanpak die wordt voorgestaan, vergt een afstemming en coördinatie van de inspanningen die er op verschillende terreinen en beleidsniveaus worden geleverd. Een belangrijk instrument daarbij is de Interministeriële Conferentie Maatschappelijke Integratie en Sociale Economie waarvan de minister van Maatschappelijke Integratie voorzitter is. Dit forum, dat alle regeringen bijeenbrengt, is een belangrijk zenuwcentrum in de uitbouw van een geïntegreerd armoedebeleid.

Een vooruitgangsrapport inzake de uitvoering van het Algemeen Verslag over de Armoede wordt in het kader van de IMC-werkzaamheden permanent door de cel Armoede van de bestuursdirectie Maatschappelijke Integratie geactualiseerd.

Essentieel voor de coördinatie is uiteraard het Samenwerkingsakkoord tussen de federale en gewestelijke regeringen en het `Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting' dat daarin is opgenomen. De federale regering heeft ondertussen beslist het Steunpunt onder te brengen onder de bevoegdheid van de minister van Maatschappelijke Integratie.

Als afgevaardigde van de regering zal de minister van Maatschappelijke Integratie deelnemen aan de bijeenkomst van Kopenhagen +5 eind deze maand in Genève. Ter voorbereiding hiervan is een nationaal rapport opgesteld dat een overzicht geeft van de inspanningen van de voorbije jaren. Dat rapport loopt uiteraard voor wat armoede betreft parallel met het Voortgangsrapport. Een algemene conclusie over de resultaten van Kopenhagen is dat vijf jaar een te korte periode is om de globale ambities te toetsen op het terrein. Met andere woorden, de inspanningen om de sociale rechten afdwingbaar te maken en toe te passen, dienen te worden voortgezet en zelfs verscherpt. De vastlegging van een Europese armoedenorm past daar perfect in.

Uitgaande van de vaststelling dat armoede het resultaat is van sociale uitsluitingen in diverse domeinen van het leven en dat bevordering van sociale insluiting en armoedebestrijding maatregelen vergen op tal van beleidsdomeinen die zowel tot de bevoegdheid van de federale als van de gemeenschaps- en gewestregeringen behoren, werd op 5 mei 1998 een Samenwerkingsakkoord betreffende de bestendiging van het armoedebeleid gesloten tussen de federale staat, de gemeenschappen en de gewesten. Binnen het kader van dat Samenwerkingsakkoord is er dus een permanent contactpunt.

Daarnaast is er vooral ook het engagement van alle regeringen van het land om in de schoot van de Interministeriële Conferentie Maatschappelijke Integratie inzake armoedebestrijding samen te werken. Op 26 april heeft de eerste Interministeriële Conferentie van deze legislatuur plaatsgevonden. Het voornaamste agendapunt was de problematiek van schuldoverlast. Op 28 juni is een tweede bijeenkomst gepland.

Een van de belangrijkste resultaten van het Samenwerkingsakkoord is de oprichting van een Steunpunt tot bestrijding van armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting.

De meerwaarde van het Steunpunt situeert zich precies in het feit dat het een overlegplatform is waar de verenigingen van de armen kunnen praten met beleidsverantwoordelijken, ambtenaren en wetenschappers. Hiermee werd een van de belangrijkste signalen uit het Algemeen Verslag over de Armoede, namelijk gehoord te worden en op basis van dialoog met de doelgroep het armoedebeleid gestalte te geven, in de structuur verankerd.

Het model van dialoog dat binnen het Steunpunt wordt uitgebouwd, is zelfs in Europese context uniek te noemen. In verschillende thematische werkgroepen wordt samen met de verenigingen gewerkt rond cruciale maatschappelijke thema's, zoals bijvoorbeeld gezondheid en huisvesting, en rond beleidsvoorstellen die tot sociale insluiting moeten leiden.

Bovendien is de betrokkenheid ook structureel uitgewerkt. De verenigingen van de armen zijn ook aanwezig in de Begeleidingscommissie die werd opgestart binnen het kader van het Samenwerkingsakkoord. De Begeleidingscommissie begeleidt de werking van het Steunpunt en bewaakt de methodologie, de criteria en de voortgang van het tweejaarlijks verslag. Dat verslag brengt de situatie op vlak van armoedebestrijding en armoede, bestaansonzekerheid en sociale uitsluiting in kaart en formuleert beleidsaanbevelingen.

Ook bij de Europese ontwikkelingen is het Steunpunt en bijgevolg ook ervarings- en terreindeskundigen betrokken. Daarbovenop is in het kader van de discussie over een Europese armoedenorm aan de professoren Vranken en Cantillon een bijdrage gevraagd. Het tempo voor overleg met de achterban is een kritische factor in de dialoog. Alles wordt gedaan om daar zo goed mogelijk mee rekening te houden. Dat betekent een geduldige opbouw vertrekkend van algemene plannen om uit te komen bij heel concrete voorstellen die permanent worden getoetst.

Mevrouw Jacinta De Roeck (AGALEV). - Ik weet dat het moeilijk is voor de minister om concreter te zijn, aangezien hij niet voor deze materie bevoegd is.

Ik wil wel nog een idee meegeven in verband met de begeleidingscommissie. In deze commissie hebben inderdaad ook terreindeskundigen zitting, het gaat om de vierde-wereldmensen en de armen naar wie ook mevrouw Lizin en de heer Galand hebben verwezen. Op 31 leden zijn er echter maar 5 armen. Ik heb dan ook het gevoel dat de drempel voor die arme mensen nogal hoog is. De andere leden zijn ministers, OCMW-raadsleden, kortom geschoolde mensen. Ik weet wel dat deze armen een zekere vorming hebben gekregen, maar we moeten er toch voor opletten dat de drempel voor deze mensen niet te hoog wordt.

Als een vergadering in de voormiddag begint en pas in de namiddag wordt afgerond, dan is het voor deze mensen moeilijk om terug te koppelen naar hun achterban. Zij kunnen niet zo maar iets uit hun mouw schudden, zij hebben meer tijd nodig. Daarmee moet rekening worden gehouden.

Ik heb ook gehoord dat de begeleidingscommissie nog niet heeft vergaderd en dat die mensen echt staan te springen, want zij hopen nog vóór de vakantie een vergadering te kunnen bijwonen.

Een ander idee moet ik misschien veeleer aan de gemeenschappen meegeven. Ik weet dat er vierde-wereldmensen worden opgeleid om deskundiger te worden en als woordvoerder te kunnen optreden voor hun achterban. Dat is een heel goed initiatief, maar kan niettemin een dualiteit in het leven roepen. Die ervaringsdeskundigen worden zo deskundig dat er een kloof ontstaat met de echte armen. We moeten hiermee oppassen, want we zouden wel eens bezig kunnen zijn met het inkleden van de ervaringsdeskundigen en daarbij de echte armen verliezen.

Aan mevrouw Lizin wilde ik nog meedelen dat de Parlementaire Unie op 6 juli a.s. een vergadering zal wijden aan het thema "Pauvreté et placement des enfants", waarop armen het woord zullen nemen over het plaatsen van kinderen.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - Over de opmerkingen van mevrouw De Roeck betreffende de begeleidingscommissie zal ik minister Vande Lanotte inlichten. Hij zal dan zelf uitmaken hoe hij daarop verder antwoordt.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Sociale Zaken en Pensioenen over «de verzekering van de gezondheidszorg voor de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend» (nr. 2-166)

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik ben persoonlijk aangesproken door personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend en wier gezondheidstoestand erg slecht is. Personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend, hebben in principe geen recht op terugbetaling van geneeskundige verzorging. Iedereen weet dat de meesten onder hen in een onzekere situatie leven, dat ze vaak met gezondheidsproblemen worden geconfronteerd en dat ze aarzelen, of althans wachten, om zich te laten verzorgen omdat ze geen geld hebben of geen sociale bescherming genieten.

Mevrouw Lizin verwees daarnet nog naar het wetsvoorstel van de heer Mayeur dat ertoe strekt deze personen tijdens de procedure sociale bijstand te verlenen. Mijn voorstel sluit aan bij dat van mijn collega, maar is preciezer. Ik vraag mij af of deze personen tijdens de afwikkeling van de procedure, die langer kan duren dan gedacht, geen bijzonder statuut moeten krijgen zodat ze recht hebben op bijstand. De RIZIV-bepalingen geven aan welke categorieën van personen aanspraak kunnen maken op gezondheidszorg. Een artikel sluit de illegale vreemdelingen uitdrukkelijk uit. De wetgeving bepaalt echter ook dat de Koning, bij in Ministerraad overlegd besluit, bepaalde categorieën van personen voor een bepaalde duur bescherming kan toekennen. Ik vraag mij dan ook af of het niet mogelijk is de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend, tijdens de procedure recht te geven op gezondheidszorg.

Door de goedkeuring van het wetsvoorstel dat de heer Mayeur in de Kamer heeft ingediend, zou een gedeelte van deze personen recht hebben op sociale zekerheid. Mijn voorstel is beperkt tot de terugbetaling van de gezondheidszorg.

De heer Frank Vandenbroucke, minister van Sociale Zaken en Pensioenen. - De wet op de verplichte verzekering van de gezondheidszorg somt, in de artikelen 32 en 33, de personen op die recht hebben op gezondheidszorg, als titularis of als persoon ten laste.

De personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend, kunnen onder de toepassing van die wet vallen als ze aan de wettelijke voorwaarden voldoen. Ze kunnen de hoedanigheid van bezoldigd titularis aanvragen als ze een activiteit uitoefenen waarmee ze onder de sociale zekerheid van de werknemers vallen. Ze kunnen de hoedanigheid van gehandicapt titularis aanvragen als ze laten vasttellen dat ze niet in staat zijn om te werken in de zin van de wetgeving. Ze kunnen ook de hoedanigheid van titularis in de zin van artikel 32, 15° van de bovenbedoelde wet krijgen. Deze laatste mogelijkheid veronderstelt dat deze personen in het rijksregister van de natuurlijke personen of in het wachtregister zijn ingeschreven en dat ze niet door het reglement worden uitgesloten.

De laatste twee categorieën van titularissen moeten over een effectieve verblijfplaats in België beschikken. Aangezien de kandidaten voor regularisatie hoofdzakelijk in de clandestiniteit leven, zullen de meesten onder hen waarschijnlijk niet in staat zijn een recht op gezondheidszorg te eisen, althans niet in de huidige wettelijke context.

Het is moeilijk om een juridisch antwoord te geven op de vraag van mevrouw Nyssens. Ten eerste is de toestand van de betrokken personen niet homogeen, maar uit juridisch oogpunt nogal sterk uiteenlopend.

Het kan gaan om personen die al recht hebben op gezondheidszorg via een arbeidsovereenkomst of via voorwaarde nr. 1, het kan ook gaan om echte illegalen of om illegalen die zijn uitgewezen.

Vervolgens bepaalt de wetgeving de categorieën van vreemdelingen die onder het toepassingsgebied van de ziekteverzekering vallen.

Het koninklijk besluit van 12 december 1996 betreffende de dringende medische hulp geeft elke persoon die onwettig in het Rijk verblijft reeds het recht op preventieve en curatieve medische hulp, ambulant of in een instelling, via de OCMW's. De arts beslist of de verstrekking dringend is. In dat geval betalen de OCMW's de kosten en betaalt de Staat die terug.

Ik heb mijn collega Vande Lanotte inlichtingen gevraagd omtrent de praktische toepassing van de dringende medische hulp. Hij was niet op de hoogte van gevallen waarin die hulp geweigerd werd, wat dus wijst op enige soepelheid op dat gebied.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Er rijst uiteraard geen enkel probleem als de personen die een regularisatieaanvraag hebben ingediend, aan de door de wet bepaalde voorwaarden voldoen.

Uit contacten die ik met verschillende organisaties had, is echter gebleken dat een groot aantal personen tot geen van die categorieën behoort.

De dringende medische hulp zou in ruime zin moeten worden toegepast.

Ik hoop dat de meeste mensen die gezondheidszorg nodig hebben, op de dringende medische hulp kunnen rekenen. Ik blijf er echter van overtuigd dat ze niet alle zorg zullen krijgen en dat ze geen toegang zullen hebben tot de wettelijke categorieën die u hebt opgesomd. Ik vraag u om die personen, op grond van uw bevoegdheid, voor een bepaalde periode recht te geven op gezondheidszorg.

- Het incident is gesloten.

De voorzitter. - In afwachting van de komst van de minister van Justitie, stel ik u voor de vergadering enkele ogenblikken te schorsen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik zou graag weten hoelang die schorsing zal duren. Ik wil immers een vraag om uitleg stellen aan de minister van Justitie. Vorige week wou ik over hetzelfde onderwerp een mondelinge vraag stellen, maar er werd mij toen gevraagd die uit te stellen, omdat de minister in het buitenland was.

Ondertussen is de gemengde Belgisch-Marokkaanse commissie, het onderwerp van mijn vraag, samengekomen.

Overigens wou mijn collega Lizin de minister van Justitie een mondelinge vraag stellen, maar hij heeft haar voorgesteld die vraag uit te stellen tot de volgende week.

Ik begrijp dat de regering een aantal regels en verplichtingen moet nakomen.

Toch zou ik graag weten hoelang de schorsing zal duren.

De voorzitter. - De minister van Justitie, die de regering vertegenwoordigt in de Kamer, en de minister van Sociale Zaken, die deze rol in de Senaat vervult, zullen mekaar afwisselen.

Wij zouden maar enkele minuten moeten wachten, de tijd dat de heer Vandenbroucke naar de Kamer gaat en dat de heer Verwilghen naar ons komt.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Mahoux aan de minister van Justitie over «de problematiek van kinderen uit gemengde huwelijken wier ouders uit elkaar zijn en het uitstellen van de vergadering van de Belgisch-Marokkaanse commissie» (nr. 2-156)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de minister van Justitie over «de stand van de Belgisch-Marokkaanse betrekkingen wat de gezinsproblematiek betreft» (nr. 2-164)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Vorige week wilde ik de minister een mondelinge vraag stellen over het uitstellen van een vergadering van de Belgisch-Marokkaanse commissie. Deze vraag is inmiddels omgezet in een vraag om uitleg. Ik heb tot mijn vreugde vernomen dat de commissie ondertussen heeft vergaderd. Bovendien heeft mevrouw Nyssens eveneens een vraag om uitleg ingediend en ik neem aan dat ook andere collega's het woord zullen nemen.

Aanvankelijk wilde ik mijn vraag stellen omdat ik in de pers had vernomen dat de vergadering van de commissie om een onbekende reden was uitgesteld. Mijn vragen blijven echter: wat was de reden voor dit uitstel en wie heeft erom gevraagd? Het zou wenselijk zijn dat de betrokken families, die deze dossiers en de contacten tussen België en Marokko op de voet volgen, snel worden geïnformeerd.

Wat is de taakverdeling tussen het departement van de minister en dat van Buitenlandse Zaken voor dit pijnlijke, tergende en moeilijke probleem? Hoe wordt de vertegenwoordiging verzekerd? Welke stappen doet de Belgische regering om een oplossing te vinden? Ik neem aan dat er veel mogelijkheden zijn.

Ik had de minister van Justitie, evenals zijn collega's van Buitenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking ook kunnen vragen hoe dit probleem in de samenwerkingsakkoorden wordt aangepakt, temeer daar het niet alleen om een menselijk probleem maar ook om rechtsweigering gaat.

Wat is de gecoördineerde aanpak van de regering op dit vlak? Ik heb in de krant gelezen dat de commissie is samengekomen en dat de betrokken families op initiatief van de minister werden ontvangen. Welke gevolgen worden aan deze vergaderingen gegeven? Wordt bij het onderzoek van de dossiers een directe actie ondernomen? Is de minister van plan om binnen zijn bevoegdheid dwangmaatregelen te nemen?

Neemt de minister in geval van een veroordeling contact op met zijn Marokkaanse collega om de rechterlijke beslissing te doen naleven?

Kan hij ons meedelen hoe belangrijk dit probleem is? Ik denk hierbij vooral aan de Belgisch-Marokkaanse problematiek en het belang van het probleem van de kinderen die worden ontvoerd in weerwil van het Belgische recht, ook al gaat het om een bij rechterlijke beslissing toegekend bezoekrecht. We weten dat de ontvoering van kinderen dikwijls plaatsheeft naar aanleiding van de uitoefening van het bezoekrecht. De kinderen worden dan weggenomen van diegenen aan wie ze zijn toevertrouwd. De kinderen worden door de rechtbanken dikwijls aan de vrouwen toevertrouwd en zij zijn dan ook de slachtoffers van deze ontvoeringen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Toen ik mijn vraag om uitleg opstelde, ondervond de commissie moeilijkheden om te vergaderen. Het verheugde mij dan ook in de krant te lezen dat de Belgisch-Marokkaanse commissie is samengekomen en dat de wijze waarop ze de mensen ontvangt is gewijzigd. Zij worden nu rechtstreeks gehoord in aanwezigheid van de medewerkers van de commissie.

Mijn vraag om uitleg betreft de oorzaak van het probleem. Hoe staat het met de ontwerp-overeenkomsten tussen België en Marokko? In het begin van de jaren negentig hebben de voorgangers van de minister geprobeerd een aantal burgerlijke overeenkomsten af te sluiten, over het probleem van het hoederecht, de alimentatiegelden, de tenuitvoerlegging van vonnissen en, inzake het internationaal privaatrecht, van de gevolgen in België van de Marokkaanse beslissingen met betrekking tot scheiding en verstoting.

België en Marokko hebben deze teksten ondertekend. Ze zijn nog niet geratificeerd, waarschijnlijk omdat de Maghrebijnse vrouwen die in België wonen, zich ertegen verzetten. De Belgische overheid heeft begrepen dat deze teksten niet echt in het voordeel van de betrokkenen zijn.

Ik heb vernomen dat de Belgisch-Marokkaanse commissie niet langer een juridische houding aanneemt, maar een menselijker gelaat toont. Ze ontvangt de ouders en luistert rechtstreeks naar de grieven van de moeders die op zoek zijn naar hun kinderen. Is deze aanpak wel efficiënter? Kan deze structuur nog menselijker worden gemaakt en nog meer tegemoet komen aan de ontreddering van de ouders en de moeders in het bijzonder?

Ik heb gehoord dat Child Focus zich soms met deze problematiek bezighoudt en wil weten of de organisatie tussenbeide komt in deze "ontvoeringsdossiers van kinderen" tussen België en de Maghreblanden en Marokko in het bijzonder?

Worden de ontvoerde kinderen systematisch uit de bevolkingsregisters geschrapt, met alle administratieve en juridische gevolgen van dien?

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - De Senaat heeft een studiedag georganiseerd over de Conventie van Den Haag en de toepassing ervan door een aantal landen. De problematiek van deze conventie sluit aan bij dit debat over de ontvoering van kinderen en de houding van het internationaal recht tegenover dit probleem, dat steeds gewichtiger wordt in het internationaal privaatrecht.

Dit probleem is trouwens kenmerkend voor het beschavingsniveau dat de sleutel is voor wat de "globale wereld" moet worden.

We kunnen kinderen niet aan hun lot overlaten in situaties waar elke vorm van recht afwezig is en waar de hen toegekende rechten niet worden gerespecteerd, eenvoudigweg omdat er geen eenheidsrecht bestaat.

Ik heb helemaal geen vertrouwen in de doeltreffendheid van gemengde commissies die zes maanden of in het slechtste geval een jaar of langer nodig hebben. Deze administratieve, bureaucratische en zware procedures moeten worden vervangen door een internationaal bemiddelingssysteem dat aan elk van deze zaken verbonden is. Als er te veel zaken zijn, zoals in Marokko, en het land weigert gerechtelijke of rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen, dan krijgt de zaak een politieke dimensie en moet op dat vlak worden opgetreden.

Sinds onze studiedag heeft Marokko de Conventie ondertekend en geratificeerd. De zaak lijkt de goede richting uit te gaan en de Marokkaanse minister van Justitie geeft blijk van goede wil. Zodra de Europese praktijk wordt verlaten, hangen deze dossiers echter niet meer af van de minister van Justitie, maar ook van de minister van Binnenlandse zaken van het betichte land.

De Marokkaanse minister van Justitie mag dus mooie toespraken houden, het probleem rijst pas echt op het ogenblik dat de beslissing ten uitvoer moet worden gelegd. Volgens mij moeten wij een voorbeeld nemen aan de overeenkomst tussen Frankrijk en Algerije, waarin wordt bepaald dat het probleem onmiddellijk wordt aangepakt, het kind onmiddellijk moet terugkeren naar waar het woonde en vervolgens gesproken wordt over de uitoefening van de rechten.

Tijdens de studiedag in de Senaat hebben we mevrouw Meyer gehoord, die niet alleen haar zaak heeft uitgelegd, maar ondertussen ook veel heeft gedaan. President Clinton heeft van de Duitse houding terzake een mediaitem gemaakt tijdens zijn onderhoud met bondskanselier Schröder enkele weken geleden. Sommigen aarzelen dus niet om het probleem op het politieke vlak aan te kaarten. Onze terughoudendheid om er een politieke kwestie van te maken in onze betrekkingen met Marokko is niet normaal. We moeten de Marokkaanse voorstanders van een evolutie van de wetgeving steunen en onze solidariteit betuigen met hen die nadenken over de toekomstige rol van het land in het Middellandse-Zeegebied. Er moet een belangrijke stap worden ondernomen.

In navolging van het Amerikaans centrum hebben we een internationaal centrum opgericht waar we veel werk insteken. Slechts twee Europese landen geven geen antwoord: Duitsland en Zweden. Ook andere landen dan Marokko, waaronder ook Europese landen, zorgen voor problemen. We hebben toegang tot de gegevensbank van de administratie van de Conventie van Den Haag. In theorie kunnen we dus minstens één maal per jaar over statistische gegevens beschikken.

De commissie voor de Binnenlandse Zaken van de Senaat heeft beslist om na het reces een halve dag te wijden aan de conclusies van onze studiedag. Ik hoop dat we zo tegemoetkomen aan de bezorgdheid van het departement van de minister. Een onmiddellijke bemiddeling voor elk individueel geval is onontbeerlijk, evenals een verbinding tussen het ministerie van Justitie en het ministerie van Binnenlandse Zaken, dat voor de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing verantwoordelijk is.

Ik heb nog een suggestie voor de zaak van mevrouw Kouhmane, die veel media-aandacht heeft gekregen, maar nog altijd niet is opgelost. De minister weet dat de situatie onaanvaardbaar is. Mevrouw Kouhmane is getrouwd met een imam, een persoon die althans door het ministerie van Justitie moeilijk kan worden bereikt. Drie jaar geleden had mevrouw Kouhmane de garantie gekregen dat ze haar kinderen mocht zien en is ze voor veertien dagen naar Marokko gegaan. Ze heeft haar kinderen niet kunnen ontmoeten, ook al beschikte ze over een duidelijke Belgische rechterlijke beslissing.

Is het niet mogelijk om in dergelijke zaken, die aan het ongelooflijke grenzen, een rogatoire commissie te sturen die op basis van het Belgisch recht nagaat of deze kinderen met de Belgische nationaliteit zich op Marokkaans grondgebied bevinden? Met een beetje meer informatie hebben we misschien meer kans om ze terug te vinden.

Tot op heden heeft geen enkele van de voorgangers van de minister het aangedurfd om in deze zaak te vragen dat de onderzoeksbevoegdheid die het Belgisch recht ons biedt, op het grondgebied van een bevriend land op een normale wijze wordt uitgeoefend. We hebben al het mogelijke gedaan. Iedereen weet dat de gemengde commissie het probleem niet zal oplossen. Is het niet mogelijk om voor mevrouw Kouhmane, die dit zeker verdient, een stap verder te gaan? Mevrouw Kouhmane heeft toegegeven dat het na vijf jaar moeilijk is om jonge kinderen terug te winnen. Zij wenst hen alleen maar te zien en te spreken. Ze stelt zich zeer redelijk op want ze eist zelfs niet langer dat ze het recht dat ze in België heeft gekregen, in Marokko volledig kan uitoefenen. In het belang van de kinderen moet worden nagegaan hoe lang Marokko nog kan doen alsof het niet weet waar de kinderen zijn.

We moeten niet rond de pot draaien. Onze wil moet groter zijn dan het stilzwijgen van onze gesprekspartner. Ik kan de minister naar aanleiding van dit debat en de vergadering van de Belgisch-Marokkaanse commissie alleen maar aanmoedigen.

De heer Paul Galand (ECOLO). - Akkoorden zoals het samenwerkingsakkoord tussen de Europese Unie en Marokko zijn gebaseerd op het respect voor de mensenrechten en dus ook de kinderrechten. Als kinderen één fundamenteel recht hebben, dan is het wel het recht om contact te hebben met hun ouders. Bij de evaluatie van het akkoord kunnen we samen met andere Europese landen deze problematiek trachten aan te kaarten. Marokko is vragende partij tegenover de Europese Unie. Dit is een belangrijk pressiemiddel, dat de punten die door mijn collega's werden aangehaald, kan versterken.

De heer Mahoux heeft onderstreept hoe belangrijk het is dat rechterlijke beslissingen worden nageleefd. Als een recht aan een Belgische rechtsonderhorige wordt toegekend en vervolgens wordt miskend, ontstaat een probleem inzake de rechtzekerheid waar we niet langer omheen kunnen.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ingevolge mijn uitdrukkelijk verzoek om een onderhoud werd ik in mei door de Marokkaanse minister van Justitie, de heer Aziman, uitgenodigd in Rabat. Naast de minister van Justitie spelen ook de ministers van Binnenlandse Zaken en van religieuze aangelegenheden een belangrijke rol.

Ik heb erop gewezen dat er een einde moet komen aan het tot nu toe gevoerde beleid en dat er vooruitgang moet worden geboekt, in het bijzonder inzake de voogdij over de kinderen en de persoonlijke dossiers. Anders zal België het volledige dossier herzien.

Ook de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken hebben deze boodschap overgebracht.

De vragen die mij vandaag worden gesteld, betreffen de raadgevende commissie en de bilaterale verdragen van 1991.

Na mijn terugkeer uit Marokko heb ik verslag uitgebracht bij de Kamercommissie voor de Justitie. Ik ben bereid dat verslag te bezorgen aan de Senatoren, zodat ze zich een duidelijk beeld kunnen vormen van wat er gedurende mijn vierdaags verblijf in Marokko werd besproken.

De Belgisch-Marokkaanse commissie voor burgerzaken is in februari 1999 voor de twaalfde maal in Rabat bijeengekomen. De dossierbeheerders hebben in juli 1999 in dezelfde stad vergaderd. Ik heb de Marokkaanse afgevaardigden uitgenodigd op de dertiende bijeenkomst te Brussel, die eventueel in maart 2000 zou plaatsvinden. Marokko ging niet akkoord met die datum. Op 27 april 2000 heb ik twee nieuwe data voorgesteld in de eerste helft van juni 2000.

Ter voorbereiding van mijn reis naar Marokko heb ik in het begin van mei de individuele dossiers bestudeerd en de betrokken ouders ontvangen.

Op 2 juni ontving ik van mijn Marokkaanse ambtgenoot een brief van 22 mei, waarin hij voorstelde de commissie te laten bijeenkomen van 21 tot 23 juni. Ik heb hiermee ingestemd en de commissie is op dit ogenblik in Brussel bijeen.

De overeenkomst bepaalt dat de commissie is samengesteld uit vertegenwoordigers van de ministeries van Justitie en van Buitenlandse Zaken. Ze wordt voorgezeten door een vertegenwoordiger van de minister van Justitie. De dienst rechtshulp in burgerlijke zaken van het ministerie van Justitie staat in voor het dagelijks beheer van de dossiers in nauwe samenwerking met de commissie voor consulaire zaken van het ministerie van Buitenlandse Zaken.

Voor specifieke maatregelen kan men rekenen op de medewerking van onze diplomatieke vertegenwoordiging te Rabat en van onze consulaten te Casablanca en Tanger. Zij begeleiden de ouders bij hun contacten met de plaatselijke overheid en verlenen steun bij het uitoefenen van hun recht op persoonlijke contacten met hun kinderen. Voorts benaderen zij de Marokkaanse overheden op verzoek van de officiële Belgische instanties.

De samenwerking met onze diplomatieke en consulaire organen verloopt uitstekend. De betrokken ouders kunnen getuigen dat onze vertegenwoordigers ter plaatse rekening houden met het menselijke aspect van de situatie.

Bovendien werd een interne samenwerking met de gerechtelijke overheden tot stand gebracht, onder meer door bemiddeling van mevrouw De Vroede, die de individuele dossiers opvolgt.

Men kan zich inderdaad afvragen of de structuur van de commissie, die twintig jaar geleden werd opgericht, beantwoordt aan de behoeften van de ouders. Op dat ogenblik konden wij van onze Marokkaanse en Tunesische partners enkel verkrijgen dat de centrale overheid zou bijdragen tot de minnelijke regeling van familiale conflicten.

De minnelijke regeling heeft een aantal beperkingen. Indien de andere ouder zich blijft verzetten, kan men nooit een positief resultaat bereiken, alle inspanningen van de Belgische ambtenaren ten spijt.

Deze commissie is tot op heden de enige toevlucht voor de ouders van wie de kinderen naar het buitenland werden ontvoerd. Wanneer de andere partij niet bereid is tot dialoog, is deze laatste hoop echter een illusie.

Bij mijn bezoek aan Rabat heb ik duidelijk gemaakt dat de Marokkaanse partner grotere inspanningen moet doen als hij deze commissie in stand wil houden. Na de huidige bijeenkomst van de commissie zal een overzicht worden gemaakt van de resultaten. De regering en het parlement zullen ervan op de hoogte worden gebracht.

In mei heb ik de Marokkaanse verantwoordelijken ontmoet om een balans op te maken van de bilaterale samenwerking op het burgerlijk vlak en om perspectieven te openen met betrekking tot de bilaterale verdragen van 1991. Er is uitvoerig gesproken over de burgerlijke samenwerking om de werkzaamheden van de Belgisch-Marokkaanse raadgevende commissie te evalueren en de huidige bijeenkomst voor te bereiden.

Wij hebben aan de Marokkaanse partner duidelijk gemaakt dat wij belangrijke vooruitgang verwachten inzake de individuele dossiers.

Ik zal de minister van Binnenlandse Zaken wijzen op de problematiek van de inschrijving in het bevolkingsregister van de kinderen die op onwettige wijze naar een andere woonplaats worden gebracht.

Ingevolge de Belgische juridische bezwaren heeft de Marokkaanse minister van Justitie zich bereid verklaard een onderscheid te maken tussen de diverse verdragen van 1991 inzake familiaal recht, die op vrijwillige basis tot stand zijn gekomen en die een geheel vormen.

Ik wil niet in detail treden, maar ik kan alvast meedelen dat de Marokkaanse partner ermee heeft ingestemd binnenkort het "voogdijverdrag" te herzien. In de herfst van dit jaar zal een groep van experts zich over deze problematiek buigen.

Het "voogdijverdrag" van 1991 is van groot belang voor België. Positief is alleszins de oprichting van een centraal gezag dat waakt over de toepassing van de verdragen van Luxemburg en van Den Haag van 1980 en dat over eigen bevoegdheden beschikt om het exequatur of de gerechtelijke terugkeer van de kinderen te waarborgen.

Er moet echter opnieuw worden onderhandeld over het verdrag van 1991 om ontvoeringen door ouders op een meer efficiënte manier tegen te gaan.

We mogen evenwel niet uit het oog verliezen dat dit instrument enkel doeltreffend is als de rechtbanken van de betrokken landen het correct toepassen.

De problematiek van de verstoting werd met de Marokkaanse partner besproken in het kader van het voorontwerp van Wetboek van internationaal privaatrecht. De bepalingen van dit voorontwerp zijn strikter dan de regels van de huidige rechtspraak. Daardoor kan het verdrag "huwelijk - ontbinding van het huwelijk" niet meer worden bekrachtigd. De Marokkaanse partner heeft dit aanvaard.

Volgens de nieuwe regels zal een verstoting die werd uitgesproken in Marokko, niet meer worden erkend in België. Op die manier kunnen misbruiken worden vermeden.

Deze maatregel is overigens niet van toepassing indien een van de echtgenoten Belg was op het ogenblik van het huwelijk.

Aangezien België het verdrag "huwelijk - ontbinding van het huwelijk" onmogelijk kan bekrachtigen, zijn de Belgische en de Marokkaanse minister van Justitie overeengekomen om een werkgroep op te richten die zich zal buigen over de regels van het toekomstige Wetboek van internationaal privaatrecht en de mogelijkheden voor een nieuw bilateraal verdrag zal onderzoeken.

Zodra het parlement het Wetboek van internationaal privaatrecht heeft goedgekeurd, moet de overeenkomst inzake de onderhoudsplicht worden herzien.

De conferentie van Den Haag, waaraan België en Marokko hebben deelgenomen, heeft aangetoond dat er een nieuw middel moet worden gezocht om de onderhoudsplicht af te dwingen.

Hoewel er vóór 2004-2005 geen nieuwe multilaterale verdragen kunnen worden aangenomen, is Marokko bereid het onderzoek van deze kwestie uit te stellen en zich aan te sluiten bij de beslissingen die op internationaal vlak worden genomen.

Ik ben gematigd optimistisch. Marokko moet nu echter zijn goede wil aantonen, zoniet zal onze regering andere maatregelen moeten nemen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De minister heeft een bevredigende verklaring gegeven voor het uitstellen van de bijeenkomst van de raadgevende commissie. Men kan zich afvragen waarom er zoveel tijd is verstreken tussen de twee bijeenkomsten.

De minister is er zich van bewust dat, wanneer men te maken heeft met een vastgelopen situatie, de raadgevende commissie een alibi kan zijn, hoewel ze door de betrokken families vaak als een laatste redmiddel wordt beschouwd.

Het zou interessant zijn te weten hoeveel zulke gevallen aan uw departement worden voorgelegd. Het aantal dossiers is belangrijk voor de keuze van de methode. Indien het om een vrij beperkt aantal gaat, ligt een individuele benadering voor de hand. Deze biedt het voordeel dat er efficiënter en met meer inzet wordt gewerkt.

Het verheugt mij dat Buitenlandse Zaken, Justitie, Binnenlandse Zaken en Ontwikkelingssamenwerking samen naar een oplossing van dit probleem zullen zoeken. Over mensenrechten, in het bijzonder over kinder- en vrouwenrechten, kan niet worden onderhandeld.

Indien niet-vertoning van een kind als misdrijf wordt beschouwd, kan dit aanleiding geven tot beschuldiging en droit de suite.

Ik zou het op prijs stellen indien de minister het verslag dat hij bij zijn terugkeer uit Marokko aan de Kamer heeft voorgelegd, ook aan de Senaat zou bezorgen en ons zou kunnen meedelen om hoeveel gevallen per land het gaat.

Mevrouw Clotilde Nyssens (PSC). - Het verheugt mij dat de minister bereid is meer druk uit te oefenen. Hoever staat het met het voorontwerp van Wetboek van internationaal privaatrecht? Werd de tekst reeds overgezonden aan de Raad van State? Zal de Senaat er in de nabije toekomst over kunnen debatteren?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik heb geëist dat de gemengde commissie de individuele gevallen zou onderzoeken, vooral om de Marokkaanse partner te overtuigen. Wat er gisteren is gebeurd, kan als een echte primeur worden beschouwd. De ouders hebben eindelijk de mogelijkheid gekregen hun verhaal te doen. Ze hebben dit overigens op een buitengewoon serene, integere en rustige manier gedaan. Deze mensen, die nochtans veel hebben geleden, zijn dus in staat hun kalmte te bewaren en hun toestand objectief te bekijken. De gemengde Belgisch-Marokkaanse commissie behandelt op dit ogenblik zeventien dossiers. Twee andere dossiers hebben betrekking op Tunesië.

Het voorontwerp van Wetboek van internationaal privaatrecht, dat door de vorige regering werd opgesteld, is een schitterend werkstuk. De tekst werd bijna tien maanden geleden aan de Raad van State voorgelegd. Ik heb persoonlijk op spoed aangedrongen omdat dit Wetboek op het gebied van het internationaal recht de grootste vooruitgang sedert tien jaar zou betekenen.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van mevrouw Marie-José Laloy aan de minister van Justitie over «het instandhouden van persoonlijke betrekkingen tussen kinderen en hun gedetineerde ouder(s)» (nr. 2-157)

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ongeveer vijftienduizend kinderen per jaar worden geconfronteerd met het probleem van gedetineerde ouders.

In zijn jaarverslag 1994-1995 heeft de algemeen afgevaardigde van de Franse Gemeenschap voor de rechten van het kind verschillende voorstellen geformuleerd, uitgaande van de conclusies van een werkgroep die mede werd voorgezeten door het Office de la Naissance et de l'Enfance, waarvan ik toen voorzitter was.

Die voorstellen hadden zowel betrekking op de verbetering van het onthaal en van de verzorging van kinderen die hun opgesloten moeder vergezellen als op de persoonlijke betrekkingen tussen de kinderen en de opgesloten ouder.

Die problematiek stond op de agenda van de Interministeriële Conferentie voor de Bescherming van de Rechten van het Kind. In die conferentie heeft een werkgroep vooral rond vijf thema's gewerkt: de subsidiëring van de "Relais Enfants-Parents", de inrichting van de gevangenissen, de pré- en postnatale opvolging van de in de gevangenissen opgevangen kinderen, de opleiding van de gevangenbewaarders en de aanpassing van de strafuitvoering.

Kan de minister mij zeggen wat de stand van zaken is van dit dossier? Welke maatregelen zijn genomen om de opsluiting te voorkomen van zwangere vrouwen of vrouwen met jonge kinderen? Hoeveel kinderen zijn in 1999 bij hun moeder in de gevangenis gehuisvest? Hoeveel gevangenissen hebben een leefeenheid "moeder-kind" buiten de cel? Welke schikkingen zijn getroffen met de gemeenschappen opdat ze binnen de gevangenissen hun opdracht inzake bescherming van moeder en kind en inzake jeugdbijstand kunnen vervullen? Hoeveel instellingen beschikken over een aangepaste infrastructuur voor het bezoek van kinderen? Welke aanpassingen aan het algemeen reglement van de gevangenissen worden overwogen om er het principe van het bezoek van kinderen in op te nemen? Welke gevangenissen hebben een structuur voor de begeleiding van het bezoek door kinderen?

De heer Paul Galand (ECOLO). - Ik deel het standpunt van mevrouw Laloy en sluit mij aan bij de vragen die ze heeft gesteld.

Het is belangrijk voor de situatie van de zuigeling en het zeer jonge kind dat zo spoedig mogelijk werk gemaakt worden van aangepaste alternatieve straffen voor zwangere vrouwen, moeders, vaders en toekomstige vaders die een veroordeling hebben opgelopen. Ik moet wel toegeven dat er al veel gedaan is om die situatie voor het kind zo weinig mogelijk traumatiserend te maken.

Het ogenblik van de scheiding kan in het geval van een langdurige opsluiting van de jonge moeder vernietigend zijn voor het psychologisch-affectief evenwicht van moeder en kind. Wordt bij gebrek aan alternatieve straffen en om de nadelige gevolgen te verminderen systematisch een beroep gedaan op de diensten van een kinderbewaarplaats buiten de gevangenis?

Het zoeken naar formules waarbij het kind niet wordt gestraft, zal ook een gunstig effect hebben op het schuldgevoel van de moeder in verband met haar rol als moeder. Ze moet immers ook haar veroordeling en het strafbaar feit dat ze heeft gepleegd, psychologisch kunnen verwerken met het oog op de relatie met haar kind en haar zelfbeeld, eenmaal haar straf is uitgezeten. Daarom moet de straf worden toegepast in sociaal-pedagogisch verantwoorde voorwaarden, met respect voor de menselijke waardigheid en de democratische wetten.

Ik wil ook aandacht vragen voor de opleiding van het personeel dat de moeilijke taak heeft de gevangenen te bewaken en de band met de moeder veilig te stellen, wat ogenblikken van intimiteit en afstand veronderstelt. Dat lijkt mij niet mogelijk zonder begeleiding van een gespecialiseerde psychotherapeut. Kunnen de gevangenbewaarders geregeld een beroep doen op die dienstverlening?

Op wetgevend gebied zou een inspanning moeten worden gedaan om de rechten en plichten van elkeen te verduidelijken.

Ik twijfel niet aan de bezorgdheid van de minister hieromtrent, gelet op zijn inzet voor de zaak van de kinderen in dramatische omstandigheden.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De maatregelen om de opsluiting van zwangere vrouwen of moeders met kleine kinderen te voorkomen, behoren tot de bevoegdheid van de rechterlijke overheid, niet tot die van het bestuur strafinrichtingen. Ik heb evenwel de aandacht van de rechterlijke overheid op dit probleem gevestigd en gezegd dat daarvoor absoluut een oplossing moet worden gevonden.

In 1999 verbleven er in totaal 51 kinderen samen met hun moeder in de gevangenis; 31 onder hen kwamen daar in dat referentiejaar terecht.

Van de zeven gevangenissen die vrouwenafdelingen hebben en waar dus jonge kinderen kunnen terechtkomen, beschikken er vier over een leefeenheid voor moeder en kind buiten de cel.

Verenigingen zoals het ONE zijn werkzaam in alle instellingen waar kinderen bij hun moeder zijn opgesloten, bijvoorbeeld voor het bezoek van pediaters of voor een tegemoetkoming in de kosten voor de kinderbewaarplaatsen. De samenwerking met die diensten doet geen problemen rijzen, al zou hun werking kunnen worden versterkt.

Drieëntwintig van de tweeëndertig instellingen hebben aangepaste infrastructuur voor het bezoek van kinderen of een speciale ruimte om hun bezoek aangenamer te maken. In verschillende gevangenissen zijn werken gepland of al aangevat om de bezoekruimtes te verbeteren, in enkele oudere, nogal kleine gevangenissen is dat heel moeilijk.

Het principe van het bezoek van de kinderen is bepaald in de artikelen 31 en 32 van het koninklijk besluit van 21 mei 1965 houdende algemeen reglement van de strafinrichtingen. Binnenkort krijgen alle inrichtingen een circulaire betreffende onder meer dit aspect van de affectieve relaties van de gedetineerden, opdat alle gevangenissen van het land minimale regels zouden toepassen inzake de frequentie van de bezoeken, de begeleiding ervan en inzake specifieke acties voor gedetineerden met kinderen.

Er zijn trouwens specifieke middelen uitgetrokken om binnen de gevangenismuren acties te bevorderen om de relaties tussen de gedetineerden en hun naasten te onderhouden: 6.800.000 frank in 1998, 9.450.000 frank in 1999 en 6.500.000 in 2000.

In meer dan twee derde van de gevangenisinrichtingen worden de kinderen bij het bezoek aan hun ouder(s) begeleid door het psychosociaal personeel van de gevangenis of van instellingen of verenigingen.

Het bestuur strafinrichtingen heeft in december 1998 contact opgenomen met de gemeenschapsoverheden om de lijst te krijgen van instellingen die hiervoor in aanmerking komen. Totnogtoe is er geen antwoord gekomen. Dit soort acties wordt meestal georganiseerd op initiatief van het bestuur strafinrichtingen ten laste van de begroting van het ministerie van Justitie. Het is wenselijk dat de gemeenschappen deze taak meer gestructureerd op zich nemen. Daarom heb ik de hiervoor bevoegde gemeenschapsministers gevraagd een standpunt in te nemen.

Mevrouw Marie-José Laloy (PS). - Ik dank de minister voor zijn precieze toelichtingen. Ik vraag hem bijzonder waakzaam te zijn en bij de rechterlijke overheid tussenbeide te komen opdat er oplossingen worden gevonden om de opsluiting van zwangere vrouwen te voorkomen. Voor hen moet absoluut naar alternatieve straffen worden gezocht, zodat de relatie moeder-kind veilig wordt gesteld.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Wim Verreycken aan de minister van Justitie over «de wijze waarop de Staatsveiligheid vonnissen negeert en dossiers aanlegt over parlementsleden» (nr. 2-161)

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - De minister weet ongetwijfeld dat het Vlaams Blok geen probleem heeft met het bestaan van een geheime dienst als de Staatsveiligheid. Wij vinden dat noodzakelijk, op voorwaarde dat die dienst zich vooral richt op daadwerkelijke schadelijke activiteiten, zoals terrorisme en proliferatie van kernmateriaal, religieus fanatisme en fundamentalisme.

Als nationalist weet ik echter dat de Staatsveiligheid zich in het verleden druk heeft bezig gehouden met de Vlaamse beweging. Daarin is niets veranderd, nu ik vaststel dat de wet op de Staatsveiligheid het `nationalisme' nadrukkelijk als te volgen bestempelt en er allerlei maneuvers werden uitgevoerd om mij weg te houden uit de parlementaire toezichtscommissie op de Staatsveiligheid.

Deze bekommernissen leven uiteraard vooral bij het Vlaams Blok; er zijn echter ook andere bekommernissen die zouden moeten leven bij alle partijen in dit halfrond. Zo is er, ten eerste, de bekommernis dat de Staatsveiligheid uiteraard de regels van de democratische rechtsstaat moet respecteren, inclusief het respect voor rechterlijke uitspraken. Er is ten tweede de bekommernis dat parlementsleden niet het voorwerp mogen uitmaken van spionage door de staatsveiligheid. Parlementsleden behoren immers tot de wetgevende macht, de Staatsveiligheid tot de uitvoerende; parlementsleden horen dus controle uit te oefenen op de activiteiten van overheidsdiensten en niet omgekeerd.

Het verslag 1999 van het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten roept ter zake echter enkele belangrijke vragen op.

Vanaf p. 12 wordt beschreven hoe een onderzoek werd verricht naar de wijze waarop de Staatsveiligheid parlementsleden volgt.

Vooreerst wordt vastgesteld dat persoonlijke dossiers worden aangelegd op basis van nota's die dateren van voor de inwerkingtreding van de wet van 30 november 1998 inzake de Staatsveiligheid. Nochtans voorziet de wet belangrijke procedures, o.a. ter bescherming van de privacy. Zijn deze nota's nog verantwoord? Zijn zij nog in overeenstemming met de wet? Is het niet hoog tijd om die bewuste nota's onmiddelijk te doen verdwijnen?

Vervolgens wordt op p. 15 van datzelfde verslag bevestigd dat `een aantal van de 221 parlementsleden een persoonlijk dossier op hun naam bij de Veiligheid van de Staat' hebben. En daaraan wordt veelzeggend toegevoegd: `...het overgrote deel van deze dossiers werd geopend vooraleer de titularis ervan in het parlement was verkozen'. Met andere woorden: er werden door de Staatsveiligheid wel degelijk persoonlijke dossiers geopend over een aantal parlementsleden nadat zij verkozen werden. Dit lijkt mij volkomen onaanvaardbaar. Ik wens van u dus te vernemen bij hoeveel van de 221 parlementsleden een persoonlijk dossier werd geopend na hun verkiezing. Tot welke fractie of fracties behoren deze parlementsleden? Welke was de aanleiding voor het openen van deze dossiers?

Op p. 17 kan men lezen dat er wel degelijk nog dossiers over parlementsleden bewaard worden. Over hoeveel dossiers gaat het?

Op p. 16 en 17 wordt stilgestaan bij de uitspraak die de rechtbank van eerste aanleg te Brussel op 5 december 1997 op mijn verzoek gedaan heeft met betrekking tot het verzamelen van persoonsgegevens in strijd met de bepalingen van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens. De rechtbank heeft toen bevestigd dat de Belgische Staat in strijd met dit Europees mensenrechtenverdrag persoonsgegevens verzamelt, o.a. over mijn persoon, en heeft de Belgische Staat formeel verbod opgelegd om dit nog te doen.

Er werd beroep aangetekend, doch tot op heden is mij geen arrest in deze zaak bekend. Intussen is de uitspraak van de rechtbank van eerste aanleg voldoende duidelijk. Ik lees wel op p. 17, dat de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat verklaart dat `hij de mening is toegedaan dat dit vonnis achterhaald is'. Bij mijn weten heeft het hoofd van een overheidsdienst niet te beoordelen of een vonnis, dat een duidelijk verbod uitspreekt om iets te doen, `achterhaald' is. Zolang een hoger rechtscollege geen andere beslissing heeft genomen, is er helemaal niets achterhaald. De vraag is dus: werd de beslissing van de rechtbank van eerste aanleg van 5 december 1997 al of niet gerespecteerd? Werd er inderdaad gestopt met het verzamelen van persoonsgegevens? Zoniet, sedert wanneer is men opnieuw begonnen met het verzamelen v an gegevens in strijd met dit vonnis? Waarom meent men dat dit zou mogen, tegen de uitspraak van de rechtbank in?

Mijn vragen kunnen worden samengevat in twee slotvragen: meent de minister dat het aanvaardbaar is dat de staatsveiligheid persoonlijke dossiers bijhoudt over parlementsleden, die geopend worden naar aanleiding van hun verkiezing? Meent hij dat de Staatsveiligheid uitspraken van de rechtbank moet respecteren en welke stappen zal hij zetten om te verifiëren dat dit in dit geval ook effectief gebeurt?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik zal een drieledig antwoord geven.

Op grond van de bepalingen van artikel 13 van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst, kan de Veiligheid van de Staat "inlichtingen en persoonsgegevens opsporen, verzamelen, ontvangen en verwerken die nuttig kunnen zijn om haar opdrachten te vervullen en een documentatie bij te houden betreffende de gebeurtenissen, de groeperingen en de personen die een belang vertonen voor de uitoefening van haar opdrachten". Hieruit volgt dat voor de uitoefening van haar opdrachten vermeld in het artikel 7 van dezelfde wet, de Veiligheid van de Staat gemachtigd is inlichtingen in te winnen over personen of groeperingen, onder meer wat betreft de activiteiten opgesomd in het artikel 8, 1° van de wet.

Door de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat werd mij bevestigd dat deze dienst geen gegevens verzamelt over de activiteiten en handelingen van parlementsleden in de uitoefening van hun mandaat, noch gegevens naar aanleiding van hun verkiezing. De heer Verreycken verwijst naar het activiteitenverslag 1999 van het Comité I, meer in het bijzonder naar het onderzoek over de verzameling van gegevens over parlementsleden. Ik verwijs naar het algemeen besluit van dit verslag dat vermeldt: "Het Comité I bevestigt dat noch de Veiligheid van de Staat, noch de Services Généraux de Renseignements onderzoek instellen naar handelingen die in het kader van de uitoefening van het parlementair mandaat worden gesteld".

De vordering van drie parlementsleden van het Vlaams Blok die ertoe strekt de Belgische Staat te horen veroordelen omdat deze zich zou schuldig maken aan aantasting van de persoonlijke levenssfeer omdat de Veiligheid van de Staat persoonlijke gegevens zou verzamelen omtrent leden van die partij, heeft het voorwerp uitgemaakt van het vonnis van 5 december 1997 van de rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Tegen dit vonnis werd hoger beroep ingesteld. Tot nu toe werd over het hoger beroep geen uitspraak gedaan. De inzet van dit proces heeft evenwel veel aan belang verloren wegens de inwerkingtreding op 1 februari 1999 van de wet van 30 november 1998, die duidelijk stelt in welke omstandigheden de Veiligheid van de Staat persoonsgegevens mag verzamelen.

De heer Wim Verreycken (VL. BLOK). - Ik apprecieer het antwoord van de minister.

Ik heb alleen problemen met de wijze waarop hij sommige mensen uit de wind zet. Het is inderdaad duidelijk dat bij een nieuwe wet, de wetgever de mening kan zijn toegedaan dat een vorige wet achterhaald is. Een overheidsambtenaar heeft echter niet het recht te verklaren dat hij vindt dat een uitspraak van een rechtbank achterhaald is. Hij wordt geacht de uitspraak van de rechtbank na te leven.

Mijn vraag was zeer concreet namelijk of de minister meent dat zoiets kan. Ik hoop dat een en ander in beroep bevestigd zal worden. Daaruit zal dan blijken in hoever sommige wetten achterhaald zijn en sommige onderzoeken naar laakbare praktijken, die mogelijk nog voortduren, in het Comité I aan bod zullen komen.

Ik zal niet nalaten om onze vertegenwoordiger van de Kamer over het antwoord van de minister te informeren zodat de toezichtscommissie daarmee in haar volgend verslag rekening kan houden.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Johan Malcorps aan de minister van Landbouw en Middenstand over «het risico van kruisbestuiving door genetisch gemanipuleerde organismen» (nr. 2-150)

De voorzitter. - De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie, antwoordt namens de heer Jaak Gabriëls, minister van Landbouw en Middenstand.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Recent werd ontdekt dat Britse boeren meer dan 15.000 hectaren landbouwgrond bezaaid hebben met genetisch gemodificeerd koolzaad, zonder dat ze zich daarvan bewust waren. Het zaad kwam uit Canada en werd besmet via kruisbestuiving door een nabijgelegen veld waar de firma Monsanto experimenteerde met genetisch gemodificeerde organismen, GGO's. Dit bewijst dat er wel degelijk een risico op kruisbestuiving bestaat tussen proefvelden of andere velden met commerciële toepassingen van GGO's en andere velden van landbouwers die zich van geen kwaad bewust zijn.

Tevens werd bewezen dat dit fenomeen zich op korte tijd wereldwijd kan verspreiden. Het besmette zaad werd verkocht aan verschillende landen, waaronder naast Groot-Brittannië ook Frankrijk, Zweden en Duitsland. Voor zover ik weet werd het zaad niet in België verkocht, maar de mogelijkheid bestaat dat landbouwers besmet zaad hebben in Frankrijk aangekocht. In Luxemburg zijn gevallen bekend van landbouwers die in Frankrijk besmet zaad hebben gekocht.

Het Vlaams Parlement bereidt een debat voor over de risico's verbonden aan genetisch gemodificeerde organismen en biotechnologie in het algemeen. Verschillende adviesraden hebben in dit verband rapporten opgesteld. De SERV en de MINA-raad wijzen in hun recente GGO-rapporten op de gevaren van kruisbestuiving op Belgische velden. Er blijken immers heel wat proefvelden met GGO's te bestaan. In 1996 ging het om 53 lokaties in België, in 1997 om 111, in 1998 om 97 en in 1999 om 122. De exacte lokatie van deze proefterreinen is niet bekend, alleen de naam van de gemeente wordt meegedeeld. Ik heb de ministers Aelvoet en Gabriëls hierover al vragen gesteld. Dat betekent dat in België biologische landbouwers of andere landbouwers die niets met GGO's willen te maken hebben, niet weten of op het perceel naast hun landbouwgrond met dergelijke organismen wordt geëxperimenteerd en of ook hun gewassen het risico lopen te worden besmet.

Heeft de minister weet van GGO-besmettingen van zaad in België? Kunnen zijn diensten dit soort van besmetting wel op het spoor komen en voorkomen? Zijn er voldoende controles? Zijn de diensten uitgerust om dergelijke organismen op te sporen of weten we het gewoonweg niet? Ik vrees het laatste. Het is dan ook mogelijk dat de vervuiling zich via kruisbestuiving of andere methodes voortzet. Het gaat hierbij niet om chemische vervuiling, maar om biologische vervuiling: organismen en polluenten die zich niet alleen verspreiden, maar ook nog voortplanten waardoor een exponentiële groei kan ontstaan.

Wat met het risico op kruisbestuiving op proefvelden in eigen land? Zijn er afdoende controles? Is GGO-besmetting van wilde variëteiten uit te sluiten? Zo neen, is het voortzetten van vrijzettingen van GGO's op proefvelden dan nog te verantwoorden?

De Europese richtlijn 90/220 werd via het koninklijk besluit van 1998 in de Belgische wetgeving omgezet. Moet de bevolking niet beter worden geïnformeerd? Er is heel wat te doen om de etikettering van voedingsmiddelen waarin GGO's zijn verwerkt. Ook landbouwers en omwonenden moeten worden geïnformeerd over de exacte lokaties waar proeven met GGO's worden gedaan. Er moet net als voor alle hinderlijke activiteiten of inrichtingen, een openbaar onderzoek worden georganiseerd. Daarin was in de Europese richtlijn voorzien, maar dit werd niet in het Belgisch recht omgezet. De mensen weten bijgevolg niet waar ze aan toe zijn.

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - Ik doe voorlezing van het antwoord dat mijn collega Gabriëls heeft voorbereid. Het ministerie van Landbouw en Middenstand is op de hoogte van de besmetting van loten zaaizaden van lentekoolzaad, met name de variëteiten Hyola 38, Hyola 330 en Hyola 401. Deze besmetting heeft zich voorgedaan in vier lidstaten van de EU, namelijk Frankrijk, Duitsland, Groot-Brittannië en Zweden.

De besmetting van een lot zaaizaden afkomstig van Canada gebeurde met genetisch gemodificeerde zaaizaden die resistent zijn tegen glyfosaat en die niet toegelaten zijn overeenkomstig richtlijn 90/220/EEG.

België is gelukkig niet betrokken geweest bij de contaminatie waarvan hier sprake is. In België is een beperkte oppervlakte, ongeveer 300 hectare, met lentekoolzaad ingezaaid. Alleen twee kleinere loten van de soort FORTE van de firma Advanta Seeds, die aan de basis van deze zaak ligt, werden in 2000 ingevoerd. Deze soort heeft niets te maken met de drie verdachte Hyola-soorten.

Dit sluit echter niet uit dat bepaalde landbouwers zich zouden hebben kunnen bevoorraden in een naburige lidstaat, zonder dat de overheid hiervan kennis heeft, zoals dit het geval was bij enkele landbouwers van het Groothertogdom Luxemburg, die zich bevoorraad hebben bij een Franse coöperatieve vereniging.

Er zijn dan ook door de diensten van het ministerie van Landbouw en Middenstand administratieve controles uitgevoerd op basis van dossiers die ingediend werden om Europese steun te krijgen in de sector van non-foodkoolzaad. Uit dit onderzoek is gebleken dat er geen aanwijzingen zijn dat in België besmet zaaizaad is gebruikt.

De voorzorgsmaatregelen genomen door de Belgische overheid om dit soort contaminaties te voorkomen zijn:

-de douane is, bij invoer, verplicht om, alvorens de goederen vrij te geven, de bevoegde dienst te verwittigen met het oog op een administratieve controle op de effectieve inschrijving van de ingevoerde soorten in de nationale of Europese catalogus;

-de dienst Kwaliteit van de grondstoffen en analyses voert nu reeds controles uit op aanwezigheid van genetische gemodificeerde organismen in partijen veevoeders die op de Belgische markt gebracht worden.

In Belgische laboratoria zijn recent een aantal controlemethodes ontwikkeld die de detectie van genetisch gemodificeerde organismen mogelijk maken. De technologie is evenwel nog in volle ontwikkeling. Dit is een situatie die niet enkel geldt voor België, maar voor de hele Europese Unie. Deze technieken zullen in de toekomst gebruikt kunnen worden om partijen zaaizaad te controleren.

In de vergadering van het permanent comité voor de zaaizaden hebben de vertegenwoordigers van het departement de opdracht gekregen om volgende standpunten te verdedigen:

-een Europees monitoringprogramma voor ingevoerde zaaizaden moet worden uitgewerkt;

-bij besmetting moet de invoerder aansprakelijk worden gesteld;

-bij vaststelling van een ongeoorloofde besmetting dienen het gecontamineerd materiaal en de uitgezaaide gewassen onder toezicht vernietigd te worden;

-er moeten duidelijke tolerantiedrempels voor de zuiverheid van niet-transgene zaaizaadloten worden vastgelegd.

Wat de proefnemingen betreft uitgevoerd in België, heeft de Bioveiligheidsraad zich gebogen over deze kwestie en heeft ze een gedragscode uitgewerkt die toelaat om het contaminatierisico, door bijvoorbeeld stuifmeeloverdracht, aanzienlijk te verminderen (isolatieafstand, toezicht op het perceel voor de aanwezigheid van verwant onkruid, enzovoort). In de loop van dit seizoen zullen controles worden uitgevoerd op elk proefperceel en zijn omgeving.

Er is dus geen enkele reden om de proefnemingen in België stil te leggen. Veel van deze proefopstellingen hebben trouwens een wetenschappelijk onderbouwde risico-evaluatie tot doel.

Tot hier het antwoord van minister Gabriëls.

De heer Johan Malcorps (AGALEV). - Ik ben blij met het antwoord van de minister, waaruit blijkt dat deze zaak voldoende wordt opgevolgd en gecontroleerd en dat nu reeds vaststaat dat, als een besmetting wordt vastgesteld, effectief tot vernietiging wordt overgegaan, zoals nu ook in Zweden beslist werd.

Het is immers van cruciaal belang de consumenten te verzekeren dat er geen genetisch gemodificeerde organismen in de voedselketen terechtkomen. In België hebben we de jongste tijd voldoende ervaring om te weten dat we beter tijdig reageren en de dingen niet op hun beloop mogen laten gaan.

- Het incident is gesloten.

Vraag om uitleg van de heer Vincent Van Quickenborne aan de minister van Justitie over «de bescherming van de grondwettelijke rechten in de informatiesamenleving» (nr. 2-147)

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik heb al meermaals gewezen op het belang van ICT en internet voor de samenleving van de toekomst. Een van de elementen die parlement en regering tot nog toe te weinig hebben behandeld, is de bescherming van de grondwettelijke rechten in het kader van de moderne media. Er werden terzake wel enkele initiatieven genomen. Er is het Actieplan Informatiemaatschappij van de vorige regering, dat dateert van 30 mei 1997, maar dat betrof vooral de communicatie binnen de administratie en de toegankelijkheid van die administratie voor de burger. In het regeerakkoord van de Vlaamse regering staat ingeschreven dat wordt gewerkt aan een digitaal actieplan om tegen 2002 een vierde van alle overheidsdiensten via internet toegankelijk te maken. Het jaarverslag van het Raadgevend Comité voor Telecommunicatie pleit dan weer voor een soort coregulering. De huidige regering heeft een nota over de elektronische handel opgesteld die volop wordt besproken. Daarnaast staan er een aantal wetsontwerpen op stapel, meer bepaald over de informaticacriminaliteit en de digitale handtekening. Dat laatste werd trouwens, als ik me niet vergis, in de Kamer afgerond.

We stellen echter vast dat over de grondwettelijke rechten en bepalingen nog wat vaagheid en onduidelijkheid bestaat. De kernvraag is meer bepaald of deze grondrechten compatibel zijn met de enorme gevolgen van de informatiemaatschappij. Zijn de grondwettelijke bepalingen meer bepaald voldoende "techniekonafhankelijk" om ook in de informatiesamenleving gevrijwaard te kunnen worden. Ik verwijs in het bijzonder naar de Nederlandse commissie Grondrechten in het digitale tijdperk, die voortreffelijk werk heeft geleverd onder leiding van een aantal ministers, onder meer minister Van Boxtel en minister van Justitie Korthals. Onlangs heeft deze commissie aan het parlement een rapport voorgelegd met de bedoeling een aantal grondwetswijzigingen aan te brengen. Mijn eerste vraag peilt dan ook naar de werkmethode. Is de minister van plan eveneens zo'n commissie op te richten of vindt hij dat het parlement een dergelijk initiatief moet nemen?

Daarnaast heb ik een aantal concrete vragen over de huidige grondwetsartikelen en hun toepasbaarheid op de informatiesamenleving. Allereerst is er de vrijheid van drukpers, waarover al veel geschreven is. Uit de rechtspraak blijkt dat "drukpers" moet worden gezien al een techniek, een wijze van publiceren in de traditionele betekenis van het woord. Televisie en radio vallen dus niet onder dat grondwetsartikel en ik vermoed dat dit bijgevolg ook geldt voor de moderne informatie- en communicatiemiddelen. Met andere woorden, denkt de minister dat artikel 25 van de Grondwet moet worden aangepast om het van toepassing te maken op de vrijheid van informatieverspreiding in het algemeen? Zo ja, hoe wordt dit het beste voorbereid en aangepakt?

Artikel 25 van de Grondwet voert de successieve aansprakelijkheid in bij publicatie van strafbare meningsuitingen via de drukpers. Deze aansprakelijkheidsregeling is interessant in het licht van de moderne communicatietechnieken. Er is nogal wat te doen over de aansprakelijkheid van internetproviders voor informatie van strafbare aard die via hun kanalen wordt verspreid. Zelfs in de Senaat wordt daarover gesproken. In de Kamer heeft de minister op een vraag van Peter Vanhoutte van Agalev over revisionistische literatuur geantwoord dat de verantwoordelijkheid van de provider beperkt is, tenzij hij op de hoogte is gebracht van een illegale inhoud. Graag kreeg ik wat meer duidelijkheid over dit "op de hoogte brengen van een illegale inhoud". Moet dit door een overheidsorgaan gebeuren of is het voldoende dat een individueel gebruiker klacht indient bij de provider met bijvoorbeeld het verzoek de betreffende website van de server te halen?

Meer in het algemeen kunnen we ons afvragen of de succesieve aansprakelijkheid van toepassing kan zijn op ICT.

De bescherming van het briefgeheim werd besproken tijdens de hoorzittingen in de commissie voor de Justitie in aanwezigheid van de afgevaardigden van de National Computer Crime Unit en vertegenwoordigers van de rijkswacht. De vraag werd gesteld of e-mail ressorteert onder artikel 29 van de Grondwet, dat het briefgeheim beschermt, dan wel gewone informatie is die geen extra bescherming behoeft. Het antwoord van de afgevaardigden van de National Computer Crime Unit was niet zo duidelijk. Ook zij wachten de rechtspraak af. De regering of het parlement moeten het signaal geven dat het briefgeheim ook van toepassing is op e-mail. Dit kan immers niet worden afgeleid uit artikel 29 of uit de desbetreffende wet van 1930.

Het rechtstreeks contact van de burger met de overheid komt meer en meer op gang. Daarom zou een nieuw grondwetsartikel de toegang tot de overheidsinformatie moeten garanderen. Het gaat hier immers om meer dan de openbaarheid van bestuur. Zo zou volgens mij de toegang tot internet als een grondrecht moeten worden omschreven.

Het Strafwetboek stelt grenzen aan de vrijheid van meningsuiting. Off line en on line criminaliteit moeten op dezelfde wijze worden behandeld. Er moeten geen nieuwe reglementeringen komen. Het Strafwetboek bestempelt verschillende categorieën van meningsuitingen als strafbaar. "Daden, woorden, gebaren, bedreigingen" en "zinnebeelden, voorwerpen, films, foto's, dia's of andere beelddragers" zijn weliswaar ruime begrippen, maar lijken niet absoluut techniekonafhankelijk te zijn om wat er op internet gebeurt te dekken.

Er zij in ons land vrijwel geen gepubliceerde uitspraken van rechterlijke instanties over vraagstukken in verband met de basisrechten en de moderne media. Er is maar één uitspraak bekend, het fameuze Central Stationarrest, dat zegt dat de verspreiding van geschriften op internet niet mag gebeuren zonder toestemming van de auteur. Wat is het standpunt van de minister terzake? Is hij van mening dat de verspreiding via internet een nieuwe en afzonderlijke exploitatievorm is die een meerwaarde omvat? Of meent hij dat het gaat om een essentieel recht van de burger op informatie?

Meerdere keren vroeg ik al aan de ministers die de internetproblematiek op Europees vlak behandelen, onder meer aan de minister van Economie en de minister van Telecommunicatie, op welke manier België inspraak heeft bij de voorbereiding van Europese richtlijnen. Zo was de Copyright directive het onderwerp van een discussie op Europees niveau. Ik heb de indruk dat het parlement te weinig inspraak heeft in het standpunt dat de Belgische vertegenwoordiger inneemt.

Kan de minister tot slot een overzicht geven van de verschillende initiatieven, voorstellen, adviezen of richtlijnen die momenteel op Europees niveau aanhangig zijn met betrekking tot deze problematiek?

De heer Marc Verwilghen, minister van Justitie. - De heer Van Quickenborne verwijst in zijn vraag naar het jaarverslag 1998 van het Raadgevend Comité voor Telecommunicatie waarin het Comité pleit voor de ontwikkeling van gedragscodes wegens de geringe efficiëntie van andere handhavingsinstrumenten. Als beleidsmakers moeten we de voor- en nadelen van zelfregulering en van overheidsoptreden afwegen en bekijken hoe de twee mekaar kunnen aanvullen.

Een eerste opmerking betreft hier de praktijk van gedragscodes zelf. Gedragscodes zijn niet afdwingbaar en vormen derhalve enkel een aanvulling bij of een bevestiging van afdwingbare regelgeving van de federale of de regionale overheid. Gedragscodes vervangen de wetgeving niet of maken nieuwe wetgeving niet overbodig.

Een voorbeeld hiervan is het onder de vorige regering afgesloten samenwerkingsprotocol tussen de toenmalige ministers van Justitie en Telecommunicatie en de Vereniging van Internet Service Providers. Dit protocol had tot doel een samenwerking tot stand te brengen tussen de ISP's en de gerechtelijke politie voor allerlei inbreuken via het internet. Hoewel het strafrecht de middelen heeft om de inbreuken te bestraffen, bleek het in de praktijk moeilijk te zijn om de effectieve daders te vervolgen. Als gevolg hiervan werden de ISP's als toegangsleverancier tot het internet als schuldige aangewezen. Daarom heeft de industrie met de hulp van gerechtelijke autoriteiten een eigen code ontwikkeld die het mogelijk moet maken ongeoorloofd gedrag op het internet efficiënter te bestrijden. Dit toont aan dat de sector zelf terzake een inspanning wil leveren.

De praktijk van de gedragcodes vervangt niet de wetgeving, ze is enkel aanvullend. In zijn Voorstel van Richtlijn van het Europees Parlement en de Raad betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt, heeft de Commissie uitdrukkelijk het nut van deze gedragscodes aangegeven.

De vrijwaring van de rechten van de burger in de informatiemaatschappij moet derhalve onderbouwd zijn door wetgeving, waarbij gedragscodes een ondersteunende rol vervullen.

De heer Van Quickenborne stelt hier de vraag naar de wenselijkheid van een aanpassing van de Grondwet. Meerdere artikelen van Titel II van de Grondwet, getiteld "De Belgen en hun rechten", verwijzen voor hun nadere toepassing naar een wet of decreet. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de artikelen 11, 12, 22, 23 en 29. De meeste van deze wetten zijn ondertussen aangepast aan een digitale omgeving of waren reeds van toepassing verklaard op het internet, door rechtspraak en rechtsleer, zonder dat een ingrijpen van de wetgever noodzakelijk was. De ontwikkeling van informatiemaatschappij vereist dan ook geen wijziging van de grondwet.

Volledigheidshalve vermelden we dat een toegang tot het internet en tot de verschillende diensten die via dit kanaal worden aangeboden, zoals overheidsinformatie, eventueel wel een economisch recht kan uitmaken conform artikel 23 van de Grondwet. Dit laatste vooronderstelt dan evenwel een aanpassing van het begrip "universele dienstverlening" in artikel 84 van de Wet van 21 maart 1991 op sommige economische overheidsbedrijven of de Telecomwet.

In verband met de specifieke grondwetsbepalingen hebben verschillende auteurs in de rechtsleer en ook de rechtspraak in het verleden een duidelijk standpunt hebben ingenomen voor de toepassing van de aansprakelijkheidsregeling van artikel 25 van de Grondwet op het internet. Desondanks lijkt de Europese Commissie een andere weg te zijn ingeslagen. In zijn voorstel van Richtlijn betreffende bepaalde juridische aspecten van de elektronische handel in de interne markt maakte de Europese Commissie een onderscheid naar gelang de technische betrokkenheid van de tussenpersoon bij het op het internet plaatsen van informatie. De Europese regelgever streeft niet naar een cascadesysteem en zal de tussenpersoon enkel aansprakelijk stellen wanneer hij werkelijk kennis had van de inbreuk. De ratio van deze benadering is dat de tussenpersoon niet verondersteld wordt de grote hoeveelheid data die hij doorzendt of beheert te kennen. Derhalve luidt de conclusie betreffende artikel 25 dat deze aansprakelijkheidsregeling enkel op de schrijvende pers van toepassing blijft.

De vrijheid van meningsuiting van artikel 19 van de Grondwet blijft onverkort gelden op het internet. Hetzelfde geldt evenwel voor het voorbehoud in artikel 19 aangaande de bestraffing van de misdrijven die bij de uitoefening van het recht op vrije meningsuiting worden gepleegd. Laster en eerroof op het Internet zijn dus even strafbaar als bijvoorbeeld in de geschreven pers. Hetzelfde principe geldt ook voor racistische uitlatingen op het internet.

In dat verband is er in België reeds een eerste vonnis geveld: op 22 december 1999 veroordeelde de correctionele rechtbank van Brussel een officier van de GP en Vlaams Blok-lid tot zes maanden voorwaardelijk wegens racistische uitlatingen op diverse discussiegroepen op het internet. Aan het Centrum voor Gelijke Kansen en Racismebestrijding diende de betrokkene 100.000 frank schadevergoeding te betalen.

Een probleem is hier het territoriaal toepassingsgebied: wat met racistische meningen op Amerikaanse websites, te meer daar de wetgeving inzake vrijheid van meningsuiting in de VS liberaler is dan in Europa?

Zoals gezegd gaat het hier om een voorstel van richtlijn dat nog voor verdere aanpassingen vatbaar is.

Voor artikel 29 van de grondwet in verband met het briefgeheim wordt algemeen aangenomen dat het "briefgeheim" van boodschappen verzonden of ontvangen via datanetwerken zoals het Internet, geregeld wordt door twee verschillende wetsbepalingen: artikel 314bis van het Strafwetboek en artikel 109ter van de Wet van 21 maart 1991 op sommige economische overheidsbedrijven.

Het eerste artikel viseert het onderscheppen van telecommunicatie tijdens de transmissie. Het tweede artikel verbiedt het al dan niet met bedrieglijk opzet kennis nemen van gegevens van telecommunicatie. Door interpretatie gaat men ervan uit dat dit artikel betrekking kan hebben op hackersactiviteiten en dergelijke. Deze problematiek wordt evenwel op meer sluitende wijze geregeld door het wetsontwerp inzake informaticacriminaliteit dat momenteel ter bespreking ligt in de commissie voor de Justitie.

Wat de wijzigingen aan het strafrecht betreft is het zo dat het zonder toestemming verzamelen en verhandelen van gegevens uit databanken eerder valt onder het toepassingsgebied van de Wet van 30 juni 1994 betreffende het auteursrecht en de naburige rechten en de Wet van 31 augustus 1998 houdende omzetting in Belgisch recht van de Europese Richtlijn van 11 maart 1996 betreffende de rechtsbescherming van databanken.

Overeenkomstig deze wetgeving kan de producent van een databank de opvraging of het hergebruik van het geheel of van een in kwantitatief of kwalitatief opzicht substantieel deel van de inhoud van zijn databank verbieden. Het herhaald en systematisch opvragen of hergebruiken van niet-substantiële delen van de inhoud van de databank is evenmin toegestaan indien het strijdig is met de normale exploitatie.

Wat de auteursrechten betreft is het zo dat de verspreiding van een auteursrechtelijk werk via Internet zonder enige twijfel een reproductie uitmaakt van dat werk. Dergelijke reproductie doet dan ook het recht ontstaan op een vergoeding voor de auteur en, in geval van audiovisuele werken, op een aparte vergoeding voor de producenten en uitvoerende muzikanten.

Het lot van de intellectuele eigendomsrechten over het Internet maakt op dit ogenblik het voorwerp uit van een voorstel van richtlijn aangaande de auteursrechten in de informatiemaatschappij. Het huidige Portugese voorzitterschap hoopt een politiek akkoord over dit voorstel van richtlijn te bewerkstelligen vóór Frankrijk het voorzitterschap van de Europese Unie overneemt begin juli. België verdedigt in dit debat de positie van de rechthebbende tegenover deze van de digitale industrie.

De heer Van Quickenborne vroeg tenslotte of we de trein niet missen, of we het risico niet lopen dat er vanuit het Parlement niet voldoende kan worden bijgestuurd. België kent, in tegenstelling tot Nederland of Denemarken, geen procedure om deze materies voorafgaandelijk te bespreken. Ik heb mij in ieder geval in de Kamer geëngageerd om telkens wanneer de agenda van de informele raad van de ministers van Binnenlandse Zaken en Justitie ter sprake komt, voorafgaandelijk de inhoud van de bespreking te kennen en er ook een parlementair standpunt over te vormen. We zijn nog ver verwijderd van de wijze van procederen van Nederland waar een voorbehoud wordt gemaakt via een geëigende procedure in het parlement, een maand vóór de uiteindelijke bespreking. Onze Nederlandse collega's kunnen bijgevolg op een vergadering meedelen of al dan niet een parlementair voorbehoud bestaat. We kunnen alleen maar hopen dat we dezelfde weg opgaan. We volgen deze werkwijze nu al een beetje de facto, maar die zou beter reglementair of wettelijk worden vastgelegd.

De heer Vincent Van Quickenborne (VU-ID). - Ik dank de minister voor zijn uitvoerig antwoord. Toch heb ik nog enkele opmerkingen.

In het licht van de initiatieven die in Nederland en in Frankrijk worden genomen - ik denk onder andere aan de speciale commissie ICT in de Assemblée - vind ik de ambitie van de Belgische regering of het Belgisch Parlement maar pover. In zijn antwoord stelt de minister niet eens de oprichting van een werkgroep in het vooruitzicht. Na anderhalf jaar voorbereidend werk kwam de Nederlandse commissie Grondrechten tot het besluit dat de Nederlandse Grondwet op een aantal punten diende te worden aangepast. Vindt de minister de huidige toestand dan misschien bevredigend?

Met zijn standpunt over de cascade-verantwoordelijkheid staat België alleen op Europees niveau. Dat blijkt althans uit de reactie van de minister op de vraag van de heer Van Hauthem. Heeft de minister zich hierbij inmiddels neergelegd? De minster knikt en lijkt dit dus te beamen.

Voor de toepasselijkheid van de bescherming op het briefgeheim verwijst de minister naar artikel 14bis van het Wetboek van Strafvordering en naar artikel 109ter van de Telecomwet. Ik vroeg me echter af of er geen supplementaire bescherming nodig is voor de E-mailberichten. Krachtens voornoemde artikelen kunnen deze berichten wel worden onderschept, maar de procedure op de bescherming van het briefgeheim is veel strenger. Om een brief onder gesloten omslag te kunnen openen, moet kunnen worden aangetoond dat de brief vermoedelijk afkomstig is van een verdachte of in verband staat met criminele feiten. Zijn deze bepalingen naar analogie van toepassing op de E-mailberichten? Een en ander heeft voor verwarring gezorgd bij de ambtenaren van de National Computer Crime Unit.

De stellingname van de minister over de inspraak van het nationaal Parlement verheugt me ten zeerste. Uit mijn ervaring met de Copy-writerichtlijn en ook met andere technische en vooral toekomstgerichte dossiers heb ik immers geleerd dat ons parlement vaak weinig zicht, laat staan controle, heeft op de standpunten die worden ingenomen door de Belgische vertegenwoordigers of ambassadeurs op supranationaal niveau. Ik zal alleszins documentatie verzamelen over de procedure die ter zake in Nederland gangbaar is en dienaangaande een wetsvoorstel indienen.

- Het incident is gesloten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergaderingen vinden plaats donderdag 29 juni 2000 om 10 en om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.55 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Van den Brande, met opdracht in het buitenland.

- Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming nr. 1

Aanwezig: 61
Voor: 61
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 2

Aanwezig: 62
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 3

Aanwezig: 62
Voor: 56
Tegen: 0
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 4

Aanwezig: 64
Voor: 49
Tegen: 0
Onthoudingen: 15


Voor

Michel Barbeaux, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, René Thissen, Louis Tobback, Myriam Vanlerberghe, Iris Van Riet, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Vincent Van Quickenborne, Wim Verreycken.

Stemming nr. 5

Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Stemming nr. 6

Aanwezig: 64
Voor: 12
Tegen: 46
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 7

Aanwezig: 64
Voor: 12
Tegen: 46
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Paul Wille, Alain Zenner.


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 8

Aanwezig: 63
Voor: 11
Tegen: 46
Onthoudingen: 6


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Erika Thijs, René Thissen, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel, Magdeleine Willame-Boonen.


Tegen

Marcel Cheron, Marcel Colla, Christine Cornet d'Elzius, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Martine Taelman, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Alain Zenner.


Onthoudingen

Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Roeland Raes, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Joris Van Hauthem, Wim Verreycken.

Stemming nr. 9

Aanwezig: 64
Voor: 52
Tegen: 5
Onthoudingen: 7


Voor

Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Louis Tobback, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

Michel Barbeaux, Georges Dallemagne, Clotilde Nyssens, René Thissen, Magdeleine Willame-Boonen.


Onthoudingen

Ludwig Caluwé, Sabine de Bethune, Mia De Schamphelaere, Theo Kelchtermans, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Ingrid van Kessel.

Stemming nr. 10

Aanwezig: 64
Voor: 64
Tegen: 0
Onthoudingen: 0


Voor

Michel Barbeaux, Ludwig Caluwé, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Christine Cornet d'Elzius, Frank Creyelman, Mohamed Daif, Georges Dallemagne, Sabine de Bethune, Olivier de Clippele, Armand De Decker, Jean-Marie Dedecker, Paul De Grauwe, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Nathalie de T' Serclaes, Jacques Devolder, Josy Dubié, Paul Galand, André Geens, Jean-Marie Happart, Marc Hordies, Jean-François Istasse, Meryem Kaçar, Theo Kelchtermans, Mimi Kestelijn-Sierens, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Kathy Lindekens, Anne-Marie Lizin, Frans Lozie, Chokri Mahassine, Philippe Mahoux, Johan Malcorps, Jean-Pierre Malmendier, Guy Moens, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Marie Nagy, Clotilde Nyssens, Francis Poty, Roeland Raes, Didier Ramoudt, Jan Remans, Jacques Santkin, Louis Siquet, Gerda Staveaux-Van Steenberge, Martine Taelman, Erika Thijs, René Thissen, Louis Tobback, Hugo Vandenberghe, Chris Vandenbroeke, Joris Van Hauthem, Ingrid van Kessel, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Vincent Van Quickenborne, Iris Van Riet, Wim Verreycken, Magdeleine Willame-Boonen, Paul Wille, Alain Zenner.


Tegen

N.


Onthoudingen

N.

Indiening van voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 82 en 83 van de hypotheekwet van 16 december 1851, wat betreft de keuze van de woonplaats (van de heer Olivier de Clippele; St. 2-463/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 219 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (van de heer Olivier de Clippele; St. 2-468/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 4 van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 op de kerkfabrieken (van de heer Frank Creyelman; St. 2-473/1).

Wetsvoorstel betreffende de rechten van de patiënt (van de heer Patrik Vankrunkelsven; St. 2-474/1).

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 104 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, wat betreft de aftrekbaarheid van adoptiekosten (van mevrouw Sabine de Bethune; St. 2-482/1).

Wetsvoorstel betreffende het medisch zorgcontract en de rechten van de patiënt (van mevrouw Ingrid van Kessel; St. 2-486/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie over het federale plan inzake duurzame ontwikkeling (van de heer Johan Malcorps; St. 2-472/1).

Voorstel van resolutie over het vluchtelingenbeleid (van mevrouw Erika Thijs; St. 2-484/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Er zal later over de inoverwegingneming worden beslist.

Voorstellen tot herziening van de Grondwet

Voorstel van de Regering tot herziening van titel II van de Grondwet, om een nieuw artikel in te voegen betreffende het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen (St. 2-465/1).

Herziening van titel II van de Grondwet, om een nieuw artikel in te voegen betreffende het recht op gelijkheid van vrouwen en mannen (van mevrouw Sabine de Bethune; St. 2-483/1).

- Deze voorstellen zullen worden vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

- Deze voorstellen werden verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover (van mevrouw Erika Thijs c.s.; St. 2-481/1).

- Dit voorstel werd vertaald, gedrukt en rondgedeeld.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstel

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in verband met de vermindering voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.; St. 2-444/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van bijzondere wet

Artikel 77 van de Grondwet

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging, wat de luchthaven van Zaventem betreft, van artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (van de heer Wim Verreycken; St. 2-435/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende de maatregelen die genomen moeten worden ter regulering van de mondiale kapitaalmarkt (van de heren Michel Barbeaux en Georges Dallemagne; St. 2-457/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 72 van de Grondwet, om het op te heffen (van de heren Wim Verreycken en Roeland Raes; St. 2-454/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Voorstel tot oprichting van een onderzoekscommissie

Voorstel tot instelling van een parlementaire onderzoekscommissie naar aanleiding van de dramatische dood van 58 migranten op een overzetboot van Zeebrugge naar Dover (van mevrouw Erika Thijs c.s.; St. 2-481/1).

- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

van Mevrouw Erika THIJS aan de Minister van Binnenlandse Zaken over «de verwijderingen van de Roma-zigeuners» (nr. 2-168)

van de heer Johan MALCORPS aan de Eerste Minister over «de uitvoering door België van de in het Kyoto-protocol aangegane verbintenissen» (nr. 2-169)

van Mevrouw Erika THIJS aan de Minister van Landsverdediging over «het militair hospitaal in Neder-over-Heembeek» (nr. 2-170)

van de heer Georges DALLEMAGNE aan de Vice-Eerste Minister en Minister van Buitenlandse Zaken over «de resolutie van de IAO over de dwangarbeid in Birma (Myanmar)» (nr. 2-171)

van de heer Vincent VAN QUICKENBORNE aan de Minister van Telecommunicatie en Overheidsbedrijven en Participaties over «het veilen van draadloze UTMS-frequenties» (nr. 2-172)

- Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden .

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 15 juni 2000 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp tot bepaling van de voorwaarden waaronder de plaatselijke overheden een financiële bijstand kunnen genieten van de Staat in het kader van het stedelijk beleid (St. 2-456/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Non-Evocaties

Bij boodschappen van 15 en 21 juni 2000 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de koninklijke bekrachtiging, de volgende niet-geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten (St. 2-467/1).

Wetsontwerp tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de provincie- en gemeenteraden en het Europese Parlement (St. 2-475/1).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 8 en 15 juni 2000 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van diezelfde dagen werden aangenomen:

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek, van de wet van 22 december 1998 tot wijziging van sommige bepalingen van deel II van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de Hoge Raad voor de Justitie, de benoeming en aanwijzing van magistraten en tot invoering van een evaluatiesysteem en van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (St. 2-477/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 22 juli 1985 betreffende de wettelijke aansprakelijkheid op het gebied van de kernenergie (St. 2-466/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 9 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 26 juni 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 8 juni 2000.

Wetsontwerp houdende bekrachtiging van de koninklijke besluiten van 4 december 1998, 30 maart 1999 en 24 juni 1999 tot wijziging van het KB/WIB 92 op het stuk van de bedrijfsvoorheffing (St. 2-476/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 16 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 3 juli 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 juni 2000.

Wetsontwerp tot wijziging van diverse bepalingen betreffende de regeling inzake automatische vergoeding van de schade, geleden door zwakke weggebruikers en passagiers van motorrijtuigen (St. 2-478/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 16 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is maandag 3 juli 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 juni 2000.

Artikel 79 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van het Wetboek van strafvordering, van artikel 27 van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis en van artikel 837 van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de rechtspleging voor het hof van assisen te stroomlijnen (St. 2-282/1).

- Het ontwerp werd ontvangen op 9 juni 2000; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 26 juni 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 8 juni 2000.

Artikel 80 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur en de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten (St. 2-467/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 9 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is woensdag 14 juni 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 8 juni 2000.

Wetsontwerp tot beperking met de helft van de devolutieve kracht van de lijststemmen en tot afschaffing van het onderscheid tussen kandidaat-titularissen en kandidaat-opvolgers voor de verkiezing van de provincie- en gemeenteraden en het Europese Parlement (St. 2-475/1).

- Het wetsontwerp werd ontvangen op 15 juni 2000; de uiterste datum voor evocatie is dinsdag 20 juni 2000.

- De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 15 juni 2000.

Indiening van een wetsontwerp

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Ontwerp van wet houdende instemming met de Uitwisseling van brieven tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Noorwegen ondertekend te Oslo op 9 mei 1997 en te Brussel op 25 juli 1997, gebaseerd op de Verordening (EEG) nr. 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de gemeenschap verplaatsen en op de Verordening (EEG) 574/72 tot vaststelling van de toepassingsmodaliteiten van de Verordening (EEG) nr. 1408/71 (St. 2-479/1).

- Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

- het arrest nr. 67/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake het beroep tot vernietiging van de artikelen 1, 2, 4°, 3, 4 en 5 van het decreet van het Waalse Gewest van 19 november 1998 tot invoering van een belasting op de verlaten woningen in het Waalse Gewest, ingesteld door de v.z.w. Algemeen Eigenaarssyndicaat en anderen (rolnummer 1612);

- het arrest nr. 68/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 52 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, gesteld door de Arbeidsrechtbank te Brugge (rolnummer 1626);

- het arrest nr. 69/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vraag over artikel 5 van de wet van 8 juli 1977 houdende goedkeuring van volgende internationale akten:
1. Verdrag betreffende de eenmaking van enige beginselen van het octrooirecht, opgemaakt te Straatsburg op 27 november 1963;
2. Verdrag tot samenwerking inzake octrooien, en uitvoeringsreglement, opgemaakt te Washington op 19 juni 1970;
3. Verdrag betreffende de verlening van Europese octrooien (Europees octrooiverdrag), uitvoeringsreglement en vier protocollen, opgemaakt te München op 5 oktober 1973;
4. Verdrag betreffende het Europees octrooi voor de gemeenschappelijke markt (gemeenschapsoctrooiverdrag), en uitvoeringsreglement, opgemaakt te Luxemburg op 15 december 1975,
gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 1653);

- het arrest nr. 70/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen over artikel 67 van het koninklijk besluit van 16 maart 1968 tot coördinatie van de wetten betreffende de politie over het wegverkeer, gesteld door de Correctionele Rechtbank te Ieper (rolnummers 1677, 1678 en 1679: samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 71/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vraag betreffende artikel 195, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering, gesteld door het Hof van Cassatie (rolnummer 1726);

- het arrest nr. 72/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende artikel 21, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, gesteld door de Raad van State (rolnummer 1756);

- het arrest nr. 73/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 263 en 267 en volgende van het koninklijk besluit van 18 juli 1977 tot coördinatie van de algemene bepalingen inzake douane en accijnzen, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen, door de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde en door de Correctionele Rechtbank te Antwerpen (rolnummers 1763, 1764, 1769, 1780, 1784, 1785, 1790, 1793, 1823 en 1824: samengevoegde zaken);

- het arrest nr. 74/2000, uitgesproken op 14 juni 2000, inzake de vordering tot schorsing van de artikelen 27 en 34 van de wet van 7 mei 1999 op de kansspelen, de kansspelinrichtingen en de bescherming van de spelers, ingesteld door de n.v. Tony Rus Activities en anderen (rolnummer 1941).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

- de prejudiciële vraag betreffende artikel 57, §2, lid 3 en 4, van de organieke wet van 8 juli 1976 betreffende de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, zoals gewijzigd door artikel 65 van de wet van 15 juli 1996, gesteld door de Arbeidsrechtbank van Brussel (rolnummer 1921);

- de prejudiciële vragen betreffende artikel 323 van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld door de vrederechter van het tweede kanton Doornik (rolnummers 1944 en 1951: samengevoegde zaken).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroep

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

- het beroep tot vernietiging van de artikelen 2 tot 9 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 26 april 1999 houdende bevestiging van het referentiesysteem voor de basisvaardigheden en houdende wijziging van de terminologie betreffende de bevoegdheid uitgeoefend door het Parlement met toepassing van de artikelen 16, 25, 26, 35 et 43 van het decreet van 24 juli 1997 dat de prioritaire taken bepaalt van het basisonderwijs en van het secundair onderwijs en de structuren organiseert die het mogelijk maken ze uit te voeren, ingesteld door de vzw "Libre Ecole Rudolf Steiner" en andere (rolnummer 1895).

- Voor kennisgeving aangenomen.

Rekenhof

Bij brief van 8 juni 2000 zendt de Eerste Voorzitter van het Rekenhof aan de Senaat, een kopie van de notulen van de algemene vergadering van 5 juni 2000 en van de brief die het richt aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Vorming, aan de Franse gemeenschapsminister van secundair onderwijs en aan de Franse gemeenschapsminister van Kinderwelzijn, belast met het Lager Onderwijs, betreffende het onderzoek van de geschiktheid van de bestanden ter uitvoering van artikel 3, §2, 1°, van de wet van 23 mei 2000 tot bepaling van de criteria bedoeld in artikel 39, §2, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten.

- Neergelegd ter Griffie.

Nationale Delcrederedienst

Bij brief van 13 juni 2000 zendt de Nationale Delcrederedienst aan de Voorzitter van de Senaat, overeenkomstig artikel 22 van de wet van 31 augustus 1939, het verslag over de werkzaamheden van de Dienst tijdens het dienstjaar 1999.

- Neergelegd ter Griffie.

Europees Parlement

Bij brief van 6 juni 2000 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

- een resolutie over de aanbeveling van de Commissie inzake de globale richtsnoeren voor het economisch beleid van de lidstaten en van de Gemeenschap (opgesteld overeenkomstig artikel 99, lid 2, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap);

- een resolutie over de jaarlijkse evaluatie van de uitvoering van de stabiliteits- en convergentieprogramma's;

- een resolutie over de mededeling van de Commissie betreffende een ontwerp van een richtlijn tot wijziging van richtlijn 80/723/EEG betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven;

- een resolutie over de mededeling van de Commissie aan de Raad, het Europees Parlement, het Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de regio's "Naar een Europese onderzoekruimte";

- een resolutie over de situatie in Sierra Leone;

- een resolutie over Iran;

- een resolutie over de mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement "Over nieuwe maatregelen ter bestrijding van de vrouwenhandel".

- Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Verzoekschrift

Bij verzoekschrift uit Bouffioulx zendt Laurence Delaye aan de Senaat een motie betreffende de werkgelegenheidspolitiek.

- Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse en Administratieve Aangelegenheden, belast met de verzoekschriften.