3-169

3-169

Belgische Senaat

3-169

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 8 JUNI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van een voorstel

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie dat het doorspelen van passagiergegevens vanuit de Europese Unie aan de Verenigde Staten onwettig verklaart» (nr. 3-1685)

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand en de rechtsbijstand (Stuk 3-1674) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (Stuk 3-1645) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 1322bis in het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen die maatregelen inhouden met betrekking tot de persoon van kinderen (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-58)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en tot invoeging in hetzelfde Wetboek van de artikelen 374bis tot 374quater, betreffende de wijze van huisvesting van het kind wiens ouders gescheiden leven (van mevrouw Clotilde Nyssens en de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-1131)

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement betreffende de politie over het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat de voorrangsregeling betreft (Stuk 3-1703)

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs teneinde de houder van een rijbewijs B in staat te stellen een motorfiets te besturen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm³ en een maximaal vermogen van 11 kW (Stuk 3-1704)

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, teneinde de veiligheid van de bestuurders van tweewielige motorvoertuigen te verhogen (Stuk 3-1705)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opvolging van de XTC-kwaliteitstests» (nr. 3-1684)

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de paspoorten van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen» (nr. 3-1682)

Vraag om uitleg van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de vrijmaking van de interne markten voor gas en elektriciteit» (nr. 3-1683)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de invoering van veralgemeende brandveiligheidsnormen» (nr. 3-1695)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de basisnormen voor brandveiligheid voor industriegebouwen» (nr. 3-1689)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de Eerste minister over «het beeld bij de Vlamingen van politici, ambtenaren en overheidsinstellingen» (nr. 3-1686)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het aanbieden van alcoholhoudende dranken in drankautomaten» (nr. 3-1690)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «het aantal vrachtwagens dat niet conform is» (nr. 3-1694)

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de toegankelijkheid van de postkantoren voor mensen met een handicap» (nr. 3-1687)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «het gelijktijdig hebben van een rust- en overlevingspensioen en een vervangingsinkomen» (nr. 3-1691)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de subsidiëring van huizen voor buitenlandse studenten» (nr. 3-1664)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de uitvoering van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van de hulp» (nr. 3-1680)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Mobiliteit over «de internetdienst WebDIV» (nr. 3-1693)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Werk over «het Internet voor iedereen-project» (nr. 3-1692)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Inoverwegingneming van een voorstel

De voorzitter. - Aan de orde is de inoverwegingneming van het voorstel van resolutie van de heer François Roelants du Vivier c.s. over de doelstellingen van de VN-Toetsingsconferentie inzake het VN-Actieprogramma ter preventie, bestrijding en eliminatie van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (3-1738/1).

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat dit voorstel in overweging is genomen en verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging. (Instemming.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Frank Creyelman aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de chaotische belastingteruggave via de postkantoren» (nr. 3-1165)

De heer Frank Creyelman (VL. BELANG). - Onlangs viel bij vele belastingplichtigen een postassignatie in de brievenbus. Met deze schriftelijke betalingsopdracht kunnen de betrokkenen hun terugbetaling van de belastingen innen in om het even welk postkantoor. Het verschuldigde bedrag wordt dus niet rechtstreeks op de rekening van de belastingplichtige gestort, maar wordt via het postkantoor in baar geld uitbetaald.

Omdat het soms gaat om bedragen van enkele duizenden euro's, moet de postbediende de belastingplichtigen in bepaalde gevallen doorsturen naar een ander postkantoor, omdat er te weinig geld in kas is. Zo worden mensen soms van Pontius naar Pilatus gestuurd. In een krant wordt gewag gemaakt van iemand die 350 kilometer moest afleggen voordat hij zijn geld, zo'n 9.000 euro, kon innen.

Het probleem zou zich hoofdzakelijk in Wallonië situeren, maar er zijn ook meldingen uit Vlaanderen en Brussel. Terwijl de FOD Financiën de schuld in de schoenen schuift van De Post, wijst De Post op zijn beurt de FOD Financiën met de vinger. Hoe dan ook, op die manier kan moeilijk worden beweerd dat de overheid op een zorgvuldige en veilige manier omspringt met de teruggave van belastinggeld.

Waarom kregen velen een postassignatie in de bus, terwijl ze de terug te betalen som normaal gezien op de bankrekening krijgen gestort? Iedereen weet dat een overschrijving veel veiliger is. Hoeveel belastingplichtigen kregen een dergelijke assignatie thuisgestuurd?

Klopt het dat belastingplichtigen in Wallonië in de loop van de maand maart een brief in de bus kregen met de vraag een rekeningnummer in te vullen, zodat de terugbetaling om veiligheidsredenen niet langer via het postkantoor moeten gebeuren? Met welke bedoeling werd die brief verstuurd en waarom alleen in Wallonië? Welke en hoeveel belastingplichtigen kregen deze brief?

Hoe komt het dat de postkantoren niet beschikken over voldoende contanten? Werden ze dan niet voldoende betrokken bij de terugbetaling van de belastingen?

Wat zal worden gedaan om de uitbetalingen toch soepel te laten verlopen? Kunnen de belastingplichtigen alsnog vragen het geld op hun rekening te ontvangen? Zo ja, op welke manier?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Allereerst wijs ik erop dat de belastingteruggave op een bankrekening wordt gestort indien het rekeningnummer van de belastingplichtige bij de FOD Financiën bekend is. Dat is de normale gang van zaken.

De FOD Financiën tracht de belastingplichtigen ertoe aan te zetten terugbetalingen zo veel mogelijk via een rekening te laten verlopen, te meer omdat, ingevolge de belastinghervorming van 2001, meer en vaak hogere bedragen worden terugbetaald. In mei werd bijvoorbeeld 410 miljoen euro meer terugbetaald dan in de vorige maand.

De FOD Financiën heeft daartoe de volgende initiatieven genomen.

Op de aangifte van de personenbelasting kan de belastingplichtige in een speciaal daarvoor bestemd vak het rekeningnummer vermelden waarop de terugbetaling kan geschieden.

Ingeval van belastingteruggave wordt de belastingplichtige via het aanslagbiljet uitgenodigd om alsnog - binnen 8 dagen ná ontvangst van het aanslagbiljet - aan het plaatselijk bevoegd ontvangkantoor een rekeningnummer mee te delen.

Bedraagt de teruggave méér dan 750 euro, dan wordt de belastingplichtige, ná toezending van het aanslagbiljet, met een afzonderlijke brief uitgenodigd om een rekeningnummer mee te delen, waarbij ook expliciet gewezen wordt op de nadelen van de terugbetaling via assignatie.

Indien deze maatregelen geen resultaat opleveren en omdat er geen wettelijke verplichting bestaat voor natuurlijke personen tot het hebben van een bank- of postrekening, is de vereffening via postassignatie het enige alternatief.

Wat de belastingteruggaven voor de maand mei betreft, werden in het totaal 67.244 Franstalige assignaties, voor een bedrag van 37.630.508,81 euro en 85.794 Nederlandstalige assignaties, voor een bedrag van 47.900.728,41 euro, uitgegeven.

Volgens de laatste statistieken van 2006, worden er slechts 16,59% van het totaal aantal ingekohierde belastingteruggaven via assignatie vereffend. De rest wordt vereffend via overschrijving.

De derde vraag betreft de werking van De Post. Die valt niet onder mijn bevoegdheid. De bevoegde staatssecretaris meldt me evenwel dat `omwille van de onvoorziene concentratie van uitbetalingen van postassignaties in een bepaalde periode en in bepaalde plaatsen, in sommige kantoren onvoldoende contanten aanwezig waren. Dit probleem werd ondertussen opgelost door de kantoren van de nodige kasvoorraden te voorzien.'

In elk geval wordt De Post tijdig door mijn administratie ingelicht van het aantal uit te reiken postassignaties en het totaalbedrag.

De belastingplichtigen die een postassignatie hebben ontvangen, kunnen zich, met het oog op de inning ervan, in principe opnieuw bij een postkantoor aanbieden.

Bovendien kunnen belastingplichtigen die het bedrag van de postassignatie op hun financiële rekening wensen te ontvangen, de assignatie aan mijn administratie terugbezorgen, waarbij in voorkomend geval De Post gevraagd wordt het overeenstemmende bedrag terug te boeken aan de Administratie der Thesaurie. Die zal vervolgens, door bemiddeling van de rekenplichtige der geschillen, overgaan tot de uitbetaling op de rekening. Deze procedure zal een zekere tijd in beslag nemen.

De vraag toont nogmaals aan dat de belastingplichtigen er alle belang bij hebben om in hun aangifte, die ze binnenkort moeten indienen, hun bankrekening te vermelden. Ik kan hun enkel de raad geven om dat te doen. Dat is de beste oplossing, zowel voor de belastingplichtige als voor de administratie.

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de reis van sommige regeringsleden naar de Democratische Republiek Congo» (nr. 3-1168)

De voorzitter. - Aangezien minister Reynders deelgenomen heeft aan deze reis naar Congo, staat hij erop ook te antwoorden. De beide ministers antwoorden dus.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Minister Reynders is onlangs samen met minister De Decker en staatssecretaris Mandaila Malamba naar de Democratische Republiek Congo gereisd. Men kan zich dan ook afvragen of het om een delegatie ging van de regering of van de MR.

Gelet op de komende verkiezingen in Congo doet dit bezoek een aantal problemen rijzen.

De situatie in Congo is gespannen. De hyperactiviteit van de internationale gemeenschap wordt in Congo soms gezien als een steun aan bepaalde beschermelingen en wordt als dusdanig aan de kaak gesteld door de Congolese openbare opinie. Het bezoek enkele weken vóór de verkiezingen lijkt te zijn opgevat als steun aan Joseph Kabila, kandidaat voor het presidentschap, en dus als een inmenging in de Congolese politiek.

Volgens de krant L'Écho is de minister van Financiën ook niet met lege handen in Congo aangekomen. Hij had enkele geschenken mee voor Kabila, die net zijn vijfendertigste verjaardag vierde, namelijk de belofte om een derde van de schuld van de Democratische Republiek Congo aan België kwijt te schelden en een plan voor technische samenwerking met ambtenaren van Financiën.

Dat zijn verkiezingsgeschenken, of in ieder geval nuttige geschenken voor de huidige president, wiens financieel beheer onlangs bestraft werd door het IMF, dat de mogelijkheid voor Congo om nog een beroep te doen op speciale trekkingsrechten heeft geschorst. Het bericht dat België een derde van de schuld zou kwijtschelden, heeft in die context voor veel ophef gezorgd.

Werd over de reis van onze liberale beleidsmensen overleg gepleegd met het kabinet van Buitenlandse Zaken?

Is de heer Reynders naar de DRC gereisd als voorzitter van de MR, als vice-eerste minister of als minister van Financiën?

Welk mandaat had hij van de regering gekregen indien hij in zijn hoedanigheid van minister van Financiën is afgereisd? Wat was het werkelijke doel van dit bezoek, twee maanden vóór de Congolese verkiezingen?

De Congolese regering zal binnenkort alleen nog de lopende zaken afhandelen. Zou het dan ook niet wijzer geweest zijn te wachten tot na de vorming van de nieuwe regering om de kwijtschelding van een derde van de schuld en het plan voor administratieve samenwerking aan te kondigen?

Wat houdt dat plan voor administratieve samenwerking juist in? Heeft dat alleen betrekking op ambtenaren van Financiën? Als het dat kader overschrijdt, waarom heeft de heer Reynders dan de primeur voor de aankondiging gekregen?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Die reis had plaats in nauwe samenwerking en in nauw overleg met mijn departement, dat al zes maanden geleden werd ingelicht over dit plan.

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van Financiën. - Enkele maanden geleden heb ik het Paleis, de eerste minister en de minister van Buitenlandse Zaken ervan op de hoogte gebracht dat ik naar Congo zou gaan als vice-eerste minister en minister van Financiën, samen met de minister van Ontwikkelingssamenwerking en de Staatssecretaris voor het Gezin.

Ik dank mijn collega van Buitenlandse Zaken voor zijn actieve steun bij dit bezoek. Ook de ambassade heeft mij ter plaatse zeer efficiënt gesteund. Bij mijn aankomst heeft VN-ambassadeur de heer Swing, die verheugd was over dit contact, mij bedankt voor en gefeliciteerd met dat bezoek. Aangezien het om een contact ging met de overgangsregering heb ik de president van de Democratische Republiek Congo, één van de vice-presidenten en verschillende regeringsleden ontmoet, onder wie mijn collega van Financiën.

In dat bilaterale kader heb ik bevestigd dat we geen intresten meer zouden aanrekenen op de schuld tussen de beide centrale banken die, in het kader van het Europees monetair beleid, werd overgenomen door de thesaurie van het ministerie van Financiën. De schuld bedraagt thans 93,8 miljoen euro, met inbegrip van 29 miljoen intresten.

Op de begrotingsdebatten zal ik voorstellen die schuld zonder meer kwijt te schelden. Dat heeft voor ons geen gevolgen omdat die operatie al in de begroting is opgenomen, maar ze kan dan wel verrekend worden als een bijkomende vorm van ontwikkelingssamenwerking. Met die operatie kunnen we bovendien de noodzakelijke herstructurering realiseren van de Centrale Bank van Congo zodat ze werkelijk onafhankelijk van de regering kan optreden.

Het parlement heeft zijn goedkeuring gehecht aan het akkoord inzake bescherming van de investeringen. Wij onderhandelen thans over een akkoord tot voorkoming van dubbele belasting. De eerste besprekingsronde heeft plaats in Kinshasa en de tweede, die betrekking zal hebben op de conclusies, wordt medio juli in Brussel gehouden.

De Belgische Technische Coöperatie heeft al enige tijd een samenwerkingsprogramma inzake overheidsdiensten lopen met de overgangsregering. De begroting voor dat programma bedraagt drie miljoen euro.

Mijn departement is wellicht één van de eerste departementen die zijn ingegaan op het verzoek van mijn collega van Ambtenarenzaken. Wij organiseren opleidingen en ondersteunen de hervorming van het departement Financiën. De mensen hebben elkaar ontmoet tijdens mijn reis naar Kinshasa en zullen hun technische werkzaamheden aanvatten. Er zullen ook opleidingen worden gegeven inzake douane en BTW en op het niveau van beide centrale banken.

Ik zal eventueel in de commissie terugkomen op de overige elementen inzake bilaterale samenwerking.

Ik heb ook een tiental kandidaten voor het presidentschap en een groot aantal van de zowat 9.000 kandidaten voor de parlementsverkiezingen ontmoet.

De voorzitster van uw partij werd dat weekend ook in Kinshasa verwacht, maar ze was weerhouden in België om deel te nemen aan de televisiedebatten die werden gehouden over de streek rond Charleroi. Ze werd vervangen door een vrouwelijk parlementslid van uw partij.

Ik was verheugd dat uw partij dat weekend ook in Kinshasa aanwezig wilde zijn. U lijkt ongerust te zijn, maar ik hoop in ieder geval dat die contacten zeer goed verlopen zijn en dat ze niet tot al te veel discussies geleid hebben binnen uw partij. Ikzelf heb dat bezoek niet gebracht als vertegenwoordiger van een partij, maar wel degelijk als regeringslid, met aandacht voor concrete elementen.

De belangrijkste boodschap die ik, met instemming van de minister van Buitenlandse Zaken, ter plaatse heb meegegeven, is dat het verkiezingsproces moet worden voortgezet onder dezelfde voorwaarden als die waarin het werd aangevat, zonder steun te betuigen aan enig kandidaat. De voorzitter van de onafhankelijke verkiezingscommissie, priester Malu Malu, die ik ontmoet heb, is het daarmee eens. Hopelijk aanvaardt iedereen de uitslag van de verkiezingen.

Een andere boodschap is dat na de verkiezingen in het bestuur van Congo een culturele revolutie moet plaatsvinden. Als na de democratische verkiezingen de aangestelde regering en de president geen grondige wijziging van het bestuur doorvoeren, zullen we een belangrijke kans hebben gemist.

Ik heb in Congo twee dagen gesproken over de strijd tegen corruptie, over de traceerbaarheid van de overheidsuitgaven en een beter bestuur. Die boodschap geldt overigens niet alleen voor Congo, maar voor alle landen.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Met zijn gebruikelijke handigheid wekt de heer Reynders de indruk dat de ook reeds lang geleden geplande reis van enkele eminente vrouwelijke politici van dit land met de bedoeling opleiding, steun en informatie te geven aan de vrouwelijke kandidaten voor de Congolese verkiezingen, uiteraard niets gemeen heeft met het bezoek van de minister van Financiën en vooral, met de informatie die hij ter plaatse heeft gegeven.

Ik ben werkelijk ontsteld door het lacuneuze antwoord van de minister van Buitenlandse Zaken die me eenvoudig zegt dat hij al zes maanden op de hoogte was van dat bezoek. Over de grond van de zaak heb ik geen antwoord gekregen.

Was het opportuun anderhalve maand vóór de verkiezingen in Congo aan te komen met een voorstel tot schuldkwijtschelding, terwijl het Internationaal Monetair Fonds onlangs Congo nog heeft bestraft?

Ware het niet beter die maatregel aan te kondigen als de concretisering van de voorstellen tot opleiding van de ambtenaren en, in ieder geval, ermee te wachten tot na de bekendmaking van de verkiezingsuitslag? Zo zouden we in deze verdachte periode niet de indruk wekken dat wij één van de kandidaten voortrekken.

Ik had verwacht dat minister De Gucht het hier zou hebben gehad over de politieke opportuniteit van deze reis.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Het antwoord is eenvoudig. De eerste minister en ikzelf hebben terzake een zeer expliciete brief gekregen.

Dat de heer Reynders naar Congo is gegaan, wil zeggen dat hij de volle steun had van de regering.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de definitie van rechtvaardige handel» (nr. 3-1161)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - In een vorige plenaire vergadering hebben we al de gelegenheid gehad te debatteren over de definitie van rechtvaardige of eerlijke handel.

U hebt ons destijds verklaard dat u erg begaan was met de rechtvaardige handel, wat me alleen maar verheugt.

U legde volgende verklaring af: `Het risico bestaat dat steeds meer initiatieven zich op het label "eerlijke handel" beroepen, hoewel ze niet zozeer tot doel hebben een bepaald ontwikkelingsmodel te steunen. Ze willen vooral economische winst maken en beroepen zich daarvoor op de eisen die hen door de economische actoren uit het Noorden worden opgelegd. Er is dus op Belgisch en/of Europees vlak nood aan een soort van erkenning voor rechtvaardige handel zodat de positieve gevolgen van dergelijke handelsrelaties voor het Zuiden kunnen worden gevrijwaard en verhoogd.' Ik deel die opvatting volkomen.

U hebt in dezelfde vergadering bovendien aangekondigd dat ten behoeve van het Fair Trade Center van de BTC opdracht gegeven werd een studie te maken over de verschillende mogelijkheden om de rechtvaardige handel officieel te erkennen.

Welke conclusies trekt u uit die studie? Welke visie hebt u op de toekomst van het Fair Trade Center van de Belgische Technische Coöperatie? Ik weet dat de kredieten in 2005 drastisch verhoogd werden en ik hoop dat men dat ook in de komende jaren zal blijven doen.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De studie van het bureau CAP Conseil bewijst dat België dringend een heldere definitie van rechtvaardige handel moet geven. Die studie kan worden geraadpleegd op de website van het Fair Trade Center: www.fairtradecentre.be.

Als gevolg van die strenge enquête bevestig ik mijn voornemen om de rechtvaardige handel te vrijwaren en uit te breiden omdat het een efficiënt instrument is in de strijd tegen armoede en ongelijkheid. Daarom pleit ik ook voor de officiële erkenning van de rechtvaardige handel in België en/of Europa.

Het Fair Trade Center heeft vorige maand in dat opzicht alle democratische partijen bijeengebracht, alsook de NGO's van de sector en de vertegenwoordigers van de grootdistributie om te discussiëren over een officiële definitie van de rechtvaardige handel. Die vergadering was zeer vruchtbaar en de vertegenwoordigers van de verschillende politieke partijen zullen in het parlement een gezamenlijk wetsvoorstel behandelen, wat me verheugt.

Ik heb in juni 2005 met de BTC een overeenkomst ondertekend om het programma van het Fair Trade Center uit te voeren. Die overeenkomst is geldig tot 29 juni 2008.

Het Fair Trade Center kon in het jaar 2005 beschikken over een bedrag van 1.022.712 euro. Al dat geld kon niet worden uitgegeven omdat de overeenkomst pas in juni 2005 werd ondertekend. Conform de overeenkomst werd het niet opgebruikte bedrag, namelijk 416.066,73 euro, overgedragen naar 2006,

Het Fair Trade Center beschikt in 2006 dus over de 992.000 euro die in de begroting zijn ingeschreven en de overgedragen 416.066,73 euro, of in totaal 1.408.066,73 euro, wat overeenstemt met het bedrag dat voor 2006 oorspronkelijk in de overeenkomst was ingeschreven.

Voor 2007 voorziet de administratie in een bedrag van 1.647.712 euro.

De begroting van het Fair Trade Center stijgt dus wel degelijk.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Mijnheer de minister, hoe vertaalt men `commerce équitable' in het Nederlands?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Eerlijke handel.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - In het debat over het verslag in de commissie weigerden onze Nederlandstalige collega's die term te gebruiken omdat die onjuist zou zijn. We proberen hen van het tegendeel te overtuigen omdat die term zelfs door de Europese Gemeenschappen wordt gebruikt. Ik hoop dat dit geen verdere hindernis is voor het publiceren van de conclusies van de hoorzittingen.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de gevolgen van het arrest van het Hof van Justitie dat het doorspelen van passagiergegevens vanuit de Europese Unie aan de Verenigde Staten onwettig verklaart» (nr. 3-1685)

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken over «het vonnis van het Europese Hof van Justitie aangaande het doorseinen van persoonsgegevens over vliegtuigpassagiers aan de Verenigde Staten van Amerika» (nr. 3-1166)

De voorzitter. - Ik stel voor de vraag om uitleg en de mondelinge vraag samen te voegen. (Instemming)

De heer Karim Van Overmeire (VL. BELANG). - Het Europese Hof van Justitie heeft op 30 mei het akkoord tussen de Europese Unie en de Verenigde Staten van Amerika over de overdracht van passagiersgegevens in de luchtvaart nietig verklaard. Meer precies gaat het over het besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de douaneautoriteiten van de Verenigde Staten. Het akkoord omschreef de voorwaarden waaronder de Amerikaanse autoriteiten toegang kregen tot 34 elementen van informatie - en niet 50 zoals de Amerikanen hadden gevraagd - over de passagiers naar en vanuit de Verenigde Staten. De Amerikanen wilden die gegevens 50 jaar lang bewaren, het akkoord beperkte de opslagtermijn tot 3,5 jaar.

Hiermee haalt het Europees Parlement, althans voorlopig, zijn slag thuis.

Het vonnis steunt op een louter juridisch-technische argumentatie volgens dewelke artikel 95 van het unieverdrag niet de juiste basis is om dat soort akkoord te sluiten. Het Hof gaat niet in op argumenten ten gronde zoals de mogelijke schending van de privacy.

Hoe dan ook moet de thans geldende regeling ten laatste op 30 september worden beëindigd. Meteen rijst de vraag wat er daarna verder zal gebeuren en hoe een goed evenwicht kan worden gevonden tussen de bescherming van de burgerrechten en de privacy, en de strijd tegen het terrorisme, waarvan ik hoop dat Europa die even belangrijk vindt als de Verenigde Staten.

Graag kreeg ik van de minister een antwoord op de volgende vragen.

Heeft hij reeds enig zicht op een nieuwe regeling die de huidige moet vervangen en wat is het standpunt van België in heel de discussie, ook in het licht van de Belgisch-Amerikaanse relaties?

Wat gebeurt er intussen met de persoonsgegevens afkomstig uit de Europese Unie die momenteel opgeslagen zijn in de Amerikaanse databanken, zonder dat daarvoor, zoals nu blijkt, een voldoende rechtsgrond bestond?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Bij arrest van 30 mei 2006 heeft het Hof van Justitie het besluit vernietigd van de Europese Ministerraad waardoor de Europese Commissie in naam van de Europese Unie een overeenkomst mocht afsluiten met de Verenigde Staten.

De overeenkomst bepaalde dat Europese luchtvaartmaatschappijen die verbindingen naar of vanuit de Verenigde Staten verzorgen of over het grondgebied van de VS vliegen, aan de Amerikaanse autoriteiten elektronische toegang moeten geven tot de gegevens in het boeking- en vertrekcontrolesysteem.

Het slaat op 34 gegevens, gaande van identiteit en adres tot en met de eetgewoonten.

Het was de Europese Commissie die onderhandelde met de Verenigde Staten omdat de Europese regels over de gegevensbescherming in het geding waren.

Op 14 mei 2004 oordeelde de Commissie dat het Amerikaanse Bureau voor Douane- en Grensbescherming voldoende bescherming waarborgt.

Drie dagen later al kwam er een besluit van de Europese Ministerraad waardoor de Commissie groen licht kreeg om een overeenkomst te sluiten met de Verenigde Staten die 28 mei 2004 werd ondertekend in Washington en ook meteen van kracht werd. De bezwaren van het Europese Parlement werden daarbij opzij geschoven.

Het Hof van Justitie heeft die beslissing nu vernietigd maar de vernietiging heeft pas effect op 30 september 2006.

Daarenboven heeft het Hof van Justitie er rekening mee gehouden dat de overeenkomst voorziet in een opzegtermijn van 90 dagen.

Volgens het Hof van Justitie heeft de overeenkomst geen grondslag in het Europese recht daar artikel 95 van het Europese unieverdrag over de interne markt niet kan worden ingeroepen voor overeenkomsten van die aard.

Inderdaad, dergelijke overeenkomsten betreffen de openbare veiligheid en het strafrecht.

Ook het inroepen van de Europese gegevensbeschermingsrichtlijn van 1995 is niet relevant. Die richtlijn kan niet worden ingeroepen voor de verwerking van persoonsgebonden gegevens voor de openbare veiligheid, de landsverdediging, de veiligheid van de Staat en het optreden van de Staat in strafvervolging.

Hoewel de verkoop van vliegtuigtickets en de gegevens die daarbij worden verzameld onder het gemeenschapsrecht vallen, kan dat er niet toe leiden dat de Commissie een beslissing neemt die verband houdt met de bescherming van de openbare orde en het belang van de strafvervolging.

Welke conclusies trekt de regering uit het arrest van het Hof van Justitie?

Op welke rechtsgrond kan volgens de regering eventueel worden teruggevallen om dat soort overeenkomst met de Verenigde Staten na 30 september 2006 alsnog te realiseren?

Vindt de regering dat er een voldoende rechtsgrond aanwezig is om tot een oplossing te komen, zodat het doel dat door de vernietigde overeenkomst werd nagestreefd kan worden bereikt? Welke procedure moet daarbij worden gevolgd?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De Belgische regering is van plan zich aan te passen aan het arrest. De Europese Commissie verklaart in het persbericht van 30 mei zich eveneens te willen aanpassen aan het arrest.

In samenspraak met de andere lidstaten en de Commissie reflecteert de regering over de gevolgen die aan het arrest moeten worden gegeven. Het Hof heeft zich niet uitgesproken over de inhoud van het akkoord, maar over de afwezigheid van een adequate juridische basis waarbij verwezen wordt naar de Richtlijn bescherming van de gegevens 95/46/EG.

Overigens heeft de Commissie laten weten dat de VS hun wil hebben getoond het akkoord voort te zetten zo lang het geldig blijft en voor onderhandelingen over een akkoord op een andere juridische basis.

Er zal dus een nieuw akkoord moeten worden getekend.

Wat een juridische oplossing betreft, is artikel 24 van het Verdrag betreffende de Europese Unie een mogelijke basis. Dat artikel stelt dat `Wanneer het noodzakelijk is een akkoord te sluiten met één of meerdere staten of internationale organisaties, kan de Raad unaniem het Voorzitterschap - bijgestaan indien nodig door de Commissie - de toelating geven onderhandelingen op te starten. Dergelijke akkoorden worden gesloten door de Raad die zich unaniem uitspreekt op aanbevelen van het Voorzitterschap.'

Dit artikel is toepasbaar op de domeinen vermeld onder titel VI van het Verdrag betreffende de Europese Unie, zoals artikel 38 van het Verdrag bepaalt. Deze titel `Schikkingen met betrekking tot de samenwerking van de politie, gerecht inzake strafrecht' dekt ook misdaadpreventie, meer bepaald tussen de bevoegde overheden van de lidstaten, naast de politie- en douanediensten (artikel 29 alinea 2, eerste streepje).

Wat de inhoud betreft, dient te worden opgemerkt dat, ook al is de richtlijn 95/46/EG niet toepasbaar, alle lidstaten van de Unie toch het bijkomend protocol hebben getekend bij Conventie nr. 108 van de Raad van Europa, toepasbaar voor politie en gerecht gerelateerde materies. Dat protocol stelt dat overdracht van persoonsgegevens enkel kan aan een staat buiten de Conventie die een hoge graad van bescherming biedt.

Hoewel deze zaak zich situeert in het kader van de Europese Unie en niet in dat van de Raad van Europa, moeten de ondertekenende lidstaten het protocol dat ze hebben ondertekend, eerbiedigen en in het toekomstige akkoord, waarover dit keer zal worden onderhandeld door de Raad van de Europese Unie - zal daarmee rekening moeten worden gehouden.

Bovendien wordt momenteel in de Raad onderhandeld over een ontwerp van kaderbeslissing met betrekking tot de bescherming van de persoonsgegevens in het kader van de samenwerking tussen politie en gerecht. Dat ontwerp stelt eveneens dat een overdracht van persoonsgegevens slechts kan aan een derde staat die een hoge graad van bescherming biedt.

Zolang de huidige overeenkomst van kracht is, dat wil zeggen tot 30 september 2006, verandert er concreet niets aan de bestaande situatie met betrekking tot de gegevens die onder de overeenkomst werden verstrekt en nog verstrekt zullen worden, noch aan de huidige praktische regeling inzake de bewaring van die gegevens. De Commissie stelt deze oplossing voor om rechtsonzekerheid te vermijden.

Er werd met de VS een akkoord gesloten over deze aangelegenheid. Beide partijen wensen dat te respecteren. Het spreekt vanzelf dat de interne juridisch-technische afhandeling ervan onder het gemeenschapsrecht, de verantwoordelijkheid is van de Unie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De minister heeft terecht verwezen naar het protocol bij de Conventie nr. 108 van de Raad van Europa. Dat is inderdaad een aanvulling op de basisovereenkomst van 1981 in het kader van de Raad van Europa op de bescherming van persoonsgebonden gegevens. Zoals de minister zegt is de Europese Unie uiteraard indirect gehouden die Conventie na te leven.

Uit het antwoord van de minister leid ik af dat zal worden gezocht naar een ad-hocformule om de juridische problemen vóór 30 september op te lossen.

De voorzitter. - Ik neem net kennis van het communiqué dat de heer De Gucht gepubliceerd heeft ter gelegenheid van de dood van al-Zarqawi. Ik feliciteer hem met dat initiatief. Dit is inderdaad een historisch moment.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de koppeling van de strafregisters van vier Europese landen» (nr. 3-1163)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Sehr geehrte Frau Vorsitzende, es ist immer wieder ein Vergnügen, hier an dieses Rednerpult zu treten, weil Sie mich immer wieder so freundlich in meiner Muttersprache dazu einladen.

Mevrouw de voorzitter, u bent altijd zo vriendelijk om mij in mijn moedertaal uit te nodigen hier het woord te voeren. Ik doe dat dan ook met veel genoegen.

Op 6 juni heeft de minister van Justitie, samen met haar Duitse, Spaanse, Franse, Tsjechische en Luxemburgse collega's, een akkoord voorgesteld over de koppeling van de strafregisters van die vier landen.

In La Dernière Heure van woensdag 7 juni verklaarde de minister dat zij spoedig wil vragen om de wettelijke recidive aan te passen aan dat nieuwe systeem. Recidive is momenteel slechts van toepassing voor feiten die op Belgisch grondgebied werden gepleegd.

Zij heeft ook een rondzendbrief aangekondigd om de gemeentelijke overheid de mogelijkheid te bieden het Europese strafregister te raadplegen voor personen die een bewijs van goed gedrag en zeden vragen voor een risicoberoep. Iedereen herinnert zich de zaak-Fourniret.

Ik wens de minister met dat initiatief te feliciteren. Het zal mijns inziens leiden tot meer veiligheid voor de burgers en de taak van de politie en de gerechtsinstanties vergemakkelijken.

Ik had al de gelegenheid om de minister te ondervragen over de nood aan harmonisatie tussen het Belgische en het Duitse strafrecht. Het lijkt erop dat met het Europese strafregister een harmonisatie en codificatie is bereikt zodat de uiteenlopende begrippen van strafrecht in de verschillende Europese landen duidelijk worden.

Hoe kwamen die codificatie en harmonisatie tot stand? Door wie gebeurde dat en volgens welke criteria?

Zal de minister het `risicoberoep' in haar rondzendbrief omschrijven?

Wanneer zal de Tsjechische Republiek over de vereiste technieken beschikken om het Europese strafregister goed te laten werken?

Welke termijn voorziet de minister voordat andere landen, zelfs de hele EU, deel uitmaken van dat revolutionaire systeem voor de rogatoire commissies?

Hoe zal zij te werk gaan om de recidive aan dat nieuwe systeem aan te passen, gelet op het principe non bis in idem?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het project om de koppeling van de strafregisters tussen Spanje, Frankrijk, Duitsland en België tot stand te brengen maakt het vandaag mogelijk om de uitwisseling van informatie tussen de nationale strafregisters te versnellen en te systematiseren.

Het Belgische strafregister kan bijvoorbeeld via het internet een uittreksel uit het strafregister vragen aan zijn Spaanse, Franse of Duitse collega's en het antwoord on line ontvangen. Bovendien meldt bijvoorbeeld het Spaanse strafregister voortaan aan het Belgische strafregister de door de Spaanse rechtbanken uitgesproken veroordelingen van Belgische onderdanen. Alles gebeurt met automatische en systematische vertaling van de toegestuurde informatie in de taal van het land dat de informatie ontvangt.

Het was werkelijk noodzakelijk dat werd gewerkt aan een gemeenschappelijke nomenclatuur om de tussen de Staten uitgewisselde informatie beter te kunnen begrijpen. De vier landen van het project hebben een gemeenschappelijke nomenclatuur opgesteld inzake inbreuken en beslissingen. Experts van de vier landen hebben als basis de categorieën misdrijven genomen die zijn opgesomd in het Europese aanhoudingsbevel. Ze hebben die nomenclatuur aangevuld met andere categorieën voor de honderd meest geregistreerde inbreuken in elk van de vier landen. Er is nu een nomenclatuur van 44 soorten inbreuken die automatisch worden vertaald bij het doorgeven van een inbreuk tussen de vier landen.

Onze experts gaan tijdens de komende maanden die nomenclatuur meer detailleren door subcategorieën te maken. Zo zal bijvoorbeeld de huidige categorie corruptie worden onderverdeeld in actieve corruptie en passieve corruptie. Dat zal een betere overeenstemming mogelijk maken tussen de gepleegde inbreuk en de door de vreemde magistraat ontvangen tekst.

Het begrip `risicoberoep' moet in de rondzendbrief worden omschreven zodat de gemeentelijke ambtenaren goed weten wanneer zij het Europese strafregister mogen raadplegen.

De Tsjechische Republiek heeft meegedeeld dat ze tegen het einde van dit jaar zou kunnen aansluiten. Sinds ongeveer een jaar nemen Tsjechische experts deel aan alle vergaderingen van onze informatici en juristen in het kader van het project.

Andere landen hebben reeds interesse getoond voor ons systeem. Luxemburg zal ongetwijfeld het volgende land zijn dat aansluit. Polen, Slovenië en Oostenrijk hebben deelgenomen aan de werkvergaderingen van onze experts om beter de werking van het systeem te begrijpen en na te gaan in welke mate ze al dan niet snel kunnen aansluiten. De jongste maanden werden de vier partnerlanden verschillende malen uitgenodigd door de Europese Commissie om hun systeem voor te stellen aan alle EU-lidstaten.

Volgens het huidige Belgische recht kan de rechter de recidive slechts toepassen op oudere in België uitgesproken veroordelingen. De koppeling tussen de strafregisters zal de kennis van de rechter over in het buitenland uitgesproken veroordelingen gevoelig verbeteren. Het lijkt me dus logisch dat ons recht wordt aangepast om de rechter in staat te stellen in zijn vonnis rekening te houden met het strafrechtelijk verleden in België én in het buitenland. Die beslissing kan België echter niet unilateraal nemen. Momenteel wordt op Europees niveau een wetsvoorstel daarover besproken. Ik zal dus op Europees niveau pleiten voor een echte Europese recidive die moet zorgen voor een strafverzwaring wanneer vroeger al feiten werden gepleegd in een andere EU-lidstaat.

Wat de vraag over het non bis in idem betreft, is het duidelijk dat de Europese recidive slechts voor de toekomst kan gelden en slechts van toepassing kan zijn voor nieuwe veroordelingen voor verschillende feiten. De Europese recidive kan dus geen bijzonder probleem stellen voor het non bis in idem principe.

De heer Berni Collas (MR). - Ik wil mijn tevredenheid uitdrukken over de vooruitgang in de strijd tegen de grensoverschrijdende criminaliteit. Ik ben ook tevreden over de uitbreiding van het instrument tot de recidive. Die concrete vooruitgang maakt het Europese project geloofwaardig. Europa gaat vooruit in concentrische cirkels. Na de eurozone en de Schengen-zone komt er nu de zone van de strafregisters. Het verheugt me dat België hierin eens te meer een pioniersrol vervult.

Ik hoop dat de overschrijving van vonnissen in alle betrokken landen snel gebeurt zodat dit instrument efficiënt kan werken.

Mondelinge vraag van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de benoeming van een nieuwe administrateur-generaal van de Staatsveiligheid, de procedure die daarbij wordt gevolgd en de actuele leiding van deze dienst» (nr. 3-1167)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De regering heeft een bijzonder merkwaardige aanwervingsprocedure in het leven geroepen voor de benoeming van een nieuwe administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. De procedure wordt gekenmerkt door een groot gebrek aan transparantie. Aangezien de huidige adjunct-administrateur-generaal Franstalig is, komen enkel Nederlandstalige kandidaten in aanmerking. De drie Nederlandstalige kandidaten die hun kandidatuur hadden ingediend, hebben blijkbaar een negatief advies gekregen van het comité der wijzen dat bij de benoemingsprocedure wordt betrokken. Derhalve werd beslist om een nieuwe vacature uit te schrijven om op zoek te gaan naar de zogenaamde witte raaf. Ik zou het misschien beter hebben over een blauwe raaf, want men is op zoek naar een Vlaamse liberaal. De hele procedure dient uiteraard om een louter partijpolitieke benoeming in te kleden, wat het gezag van de overheid natuurlijk nog meer zal aantasten.

Kan de minister mij meedelen aan welke eisen de kandidaten moeten voldoen om hun kandidatuur enige kans te geven?

Zijn de eisen die bij de nieuwe vacature gesteld worden, dezelfde als bij de vorige vacature?

Acht de minister het niet nodig om in het kader van de openbaarheid van het bestuur de aanwervingsprocedure van de administrateur-generaal van Veiligheid van de Staat een meer democratisch en transparant karakter te geven? We houden ons immers wel bezig met de CIA-vluchten, en dat is een zeer belangrijke kwestie, maar ik zou ook graag weten op welke wijze de macht in ons land wordt uitgeoefend. Dat is in een parlementaire democratie eveneens een heel belangrijke vraag.

Is het niet raadzaam dat de parlementaire begeleidingscommissie voor de inlichtingen- en veiligheidsdiensten hoorzittingen organiseert met de kandidaten?

Vindt de minister het niet merkwaardig dat een ad-hoccomité buiten het Parlement advies moet uitbrengen, terwijl de parlementsleden, die toch belang hebben bij de goede werking van de Staatsveiligheid, daar volstrekt niet bij worden betrokken?

Ten slotte zou ik graag vernemen wat momenteel de situatie is van de vroegere administrateur-generaal Dassen. Hij heeft in januari ontslag genomen en werd het ontslag aanvaard? Is de heer Dassen nog altijd waarnemend administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat? Zo neen, welke functie oefent hij thans uit?

Acht de minister het mogelijk dat de Staatsveiligheid vandaag nog op geloofwaardige wijze kan functioneren, na alles wat de afgelopen maanden is gebeurd en nu iedereen weet dat de regering wanhopige pogingen doet om een blauwe raaf te vinden?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Met zijn vraag lijkt de heer Vandenberghe kritiek te willen uiten op het gebrek aan transparantie bij de aanwerving van de toekomstige administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat. Dat verbaast mij een beetje, omdat de voorwaarden voor die aanwerving vastgelegd zijn in het koninklijk besluit van 14 januari 1994, op 28 januari 1994 gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad, en in het Belgisch Staatsblad van 7 maart 2006 een eerste oproep tot kandidaten verscheen waarin al de voorwaarden werden hernomen.

De voorwaarden zijn:
1º Belg zijn;
2º de burgerlijke en politieke rechten genieten;
3º houder zijn van een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten dat is uitgereikt door een universiteit van de Europese Unie;
4º ten minste vijfendertig jaar zijn;
5º gedurende ten minste tien jaar gerechtelijke, academische of administratieve functies in België hebben uitgeoefend of over zes jaar managementervaring beschikken in het domein van de veiligheid;
6º een grondige kennis bezitten van het Nederlands en het Frans en een voldoende kennis van het Duits en het Engels;
7º doen blijken van voldoende ervaring in de behandeling van dossiers betreffende de georganiseerde misdaad, spionage en terrorisme;
8º ervaring hebben inzake de internationale betrekkingen.

De kandidaten moeten ook onderworpen worden aan een veiligheidsonderzoek, conform de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen.

Die voorwaarden zijn vastgelegd bij koninklijk besluit en kunnen bijgevolg niet worden gewijzigd bij elke nieuwe oproep tot kandidaten.

Voorts wilde ik ook deze selectieprocedure objectiever doen verlopen door bij ministerieel besluit van 4 april 2006, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2006, een selectiecommissie te installeren die belast is met de evaluatie van de verschillende kandidaturen voor de vervanging van de heer Dassen aan het hoofd van de Veiligheid van de Staat.

Die selectiecommissie heeft diverse tests, waaronder taaltests, georganiseerd om de kennis van de verschillende kandidaten te evalueren op technisch gebied, management en talen.

Het selectiecomité heeft mij voor elke kandidaat een verslag gestuurd. Na aandachtig onderzoek van de resultaten en overleg met de eerste minister en de minister van Binnenlandse Zaken bleek het noodzakelijk de selectieprocedure nog eens over te doen. Alle kandidaten beschikken over reële bekwaamheden, maar die stemmen jammer genoeg niet voldoende overeen met het functieprofiel dat vereist is om alle verantwoordelijkheden van een administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat te kunnen dragen. Ik gaf de voorkeur aan een dergelijke procedure, want de Veiligheid van de Staat heeft echt nood aan een stabiele en efficiënte leiding. Ik heb ook gevraagd om in de ministerraad van vrijdag 9 juni samen met de hele regering de stand van zaken van dit dossier te kunnen opmaken.

Aangezien de administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat een hoge ambtenaar is die aan het hoofd staat van een departement dat afhangt van de uitvoerende macht, komt het de Koning toe om hem te benoemen, conform artikel 107, tweede lid, van de Grondwet. Ik zie dus geen enkele reden om het Parlement in dit selectieproces te betrekken.

Het ontslag van de voormalige administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat werd door de Koning aanvaard bij koninklijk besluit van 5 april 2006, dat per uittreksel gepubliceerd werd in het Belgisch Staatsblad van 7 april 2006. De heer Dassen is thans dus niet meer betrokken bij het bestuur van de Veiligheid van de Staat. De leiding wordt op het ogenblik waargenomen door de adjunct-administrateur-generaal en dat veroorzaakt geen enkel probleem.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor het antwoord. Ik kan bezwaarlijk in discussie gaan met minister Dupont, aangezien hij niet de bevoegde minister is.

De wet betreffende de oprichting van de Commissie belast met de begeleiding van het Vast Comité van toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten is een fundamentele aanvulling op en een wettelijk signaal van de uitoefening van de uitvoerende macht die in de Grondwet werd vastgelegd. De regering moet zich dan ook beraden over de vraag of niet op een of andere wijze hoorzittingen met de kandidaten moeten worden georganiseerd. De Senaat heeft in deze regeerperiode al 1.421 hoorzittingen gehouden. Over belangrijke zaken wordt echter in achterkamertjes en met gesloten deuren gediscussieerd met onbekende kandidaten. Daarvoor worden dan externen uitgenodigd. De verkozen parlementsleden, die de meest gelegitimeerde politieke macht uitoefenen, worden daarbij geweerd.

In de Verenigde Staten beslist de Senaat over de aanwervingen voor de Veiligheid van de Staat. De vergaderingen die daarvoor worden gehouden, worden uitgezonden op televisie. Daar wordt ook meer gestreefd naar onpartijdigheid en transparantie. De administrateur-generaal van de Veiligheid van de Staat moet, omwille van de aard van de informatie waarover hij beschikt, noodzakelijkerwijze de partijpolitiek overstijgen. Hij moet gedurende zijn loopbaan wellicht met ministers van verschillende partijen samenwerken. Indien wordt gekozen voor een partijpolitieke invulling van het mandaat, komt hij echter op een schietstoel terecht.

De voorzitter. - Voor een Staat is dit een belangrijke kwestie. Ik heb altijd de hoop gekoesterd dat de Senaat ooit een advies over deze belangrijke materies zou kunnen uitbrengen.

Mondelinge vraag van mevrouw Mia De Schamphelaere aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de uitoefening van het beroep van arts in België» (nr. 3-1164)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt.

Mevrouw Mia De Schamphelaere (CD&V). - Het valt mij op dat de laatste tijd niet alleen voor de vragen om uitleg, maar ook voor de mondelinge vragen maar één regeringslid aanwezig is.

Uit cijfers van het Nederlandse ministerie van Volksgezondheid blijkt dat de voorbije vijf jaar vijftienhonderd Belgische verpleegkundigen en artsen een baan gingen zoeken in Nederland.

België heeft nog een artsenoverschot, wat een argument was om een numerus clausus in te voeren. Nederland kampt echter met een tekort wegens de strenge numerus clausus die het jarenlang heeft gehanteerd. De Belgische artsen en verpleegkundigen zijn bereid naar Nederland te pendelen omwille van de betere werkomstandigheden. Daar zijn immers meer groepspraktijken, de loonvoorwaarden zijn beter, de uurroosters zijn strikter, de werklast is beduidend lager. Arbeid en gezin kunnen dus beter op mekaar worden afgestemd.

Ook Belgische tandartsen opteren steeds meer voor een groepspraktijk in Nederland.

Hoeveel artsen schrijven zich op het ogenblik in België in bij een groepspraktijk en hoeveel kiezen nog voor een solopraktijk?

Welke maatregelen neemt de minister om deze braindrain tegen te gaan?

Hoe zal de minister ook in België de voorwaarden scheppen voor een betere combinatie van het artsenberoep met het gezin, vooral gelet op de vervrouwelijking van het beroep?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Er bestaat momenteel geen registratie van groepspraktijken buiten de wijkgezondheidscentra. In het kader van de oprichting van een impulsfonds voor de huisartsengeneeskunde bereidt het RIZIV een definitie van de groepspraktijk voor en een model voor de ondersteuning van deze structuur. Pas daarna kan er een efficiënt en precies register worden aangelegd. Een optelling van alle praktijken die door verschillende artsen bemand worden, zou een verkeerd beeld geven.

De belangrijkste maatregel om de braindrain in te perken is de invoering van financiële stimuli voor groepspraktijken. Het RIZIV werkt momenteel aan een koninklijk besluit hierover en ik hoop deze maatregel tegen volgend begrotingsjaar concreet gestalte te kunnen geven. Toch wil ik de omvang van de braindrain relativeren. Men heeft het vaak over de Belgische artsen die naar het buitenland vluchten, maar zelden over de buitenlandse artsen die zich in ons land vestigen. Ik heb de FOD Volksgezondheid gevraagd mij cijfers te bezorgen over deze tendensen.

We gaan na hoe we tot een betere combinatie van gezinsleven en artsenpraktijk kunnen komen. Ik hoop vóór het einde van de maand aan de Federale Raad voor de huisartsenkringen voorstellen te kunnen doen voor een betere organisatie van de wachtdiensten voor huisartsen.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over «de uitvoering van de praktijktests om racistische handelingen en uitlatingen op te sporen» (nr. 3-1160)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Op 29 mei jl. publiceerde een Franstalig dagblad een opiniepeiling van Belga/iVox over racisme in onze samenleving na de tragische gebeurtenissen in Antwerpen.

De enquête is een momentopname van de publieke opinie, maar bevat onder meer enkele interessante gegevens over de mening van de Belgen met betrekking tot de bestraffing van racistische gedragingen.

55% van de ondervraagden vindt dat racistisch gedrag niet voldoende vervolgd wordt in België.

Sedert 1981 is racistisch gedrag nochtans strafbaar gesteld door de wet tot bestraffing van bepaalde door racisme of xenofobie ingegeven daden, de `wet Moureaux'.

De idee om de antiracismewet van 30 juli 1981 kracht bij te zetten door gebruik te maken van praktijktests is vermeld in de antidiscriminatiewet van 25 februari 2003.

Hoever staat het met de voorbereiding van het koninklijk besluit dat het gebruik van praktijktests mogelijk zal maken om discriminatie in het dagelijkse leven op te sporen? Ik weet uit ervaring dat dergelijke discriminatie overal aanwezig is.

Ik denk dat de toepassing van die juridische instrumenten tegemoetkomt aan de wens van vele mensen om racistisch gedrag sneller te bestraffen, doordat het gemakkelijker kan worden opgespoord.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Uw vraag krijgt door de dramatische gebeurtenissen in Antwerpen een bijzonder dringend karakter.

Die gebeurtenissen hebben een kwaal zichtbaar gemaakt die onze samenleving aanvreet: racisme en het verwerpen van de ander vanwege zijn huidskleur.

De Belgische wetgever trad 25 jaar geleden met de eerste antiracismewet voor het eerst tegen die kwaal op. Sedertdien zijn er aanvullingen op de basistekst goedgekeurd en werd discriminatie op grond van andere criteria dan het ras ook strafbaar gesteld.

Discriminatie treft men overal aan, maar vooral bij aanwerving, zo blijkt uit vele onderzoeken. Het tijdschrift Trends-Tendances schreef in mei 2005 dat de helft van de bedrijven, bij gelijke bekwaamheid, er de voorkeur aan geven mensen van Europese origine aan te werven. Natuurlijk worden mensen van niet-Europese origine verder ook nog gediscrimineerd in hun privé-leven, bij hun zoektocht naar een woning, in hun vrije tijd, ...

Een deel van onze samenleving weigert kansen te geven aan medeburgers, waarvan de meesten in België geboren zijn, uit ouders of grootouders die naar hier gekomen zijn om bij te dragen aan de welvaart van ons land. Wie zou dan niet begrijpen dat die mensen daardoor gefrustreerd of zelfs boos worden? Iedereen moet toch inzien dat het de grootste bedreiging voor de ontwrichting van de sociale samenhang in onze maatschappij is.

Discriminatie moet tot elke prijs verboden worden en de slachtoffers moeten overtredingen gerechtelijk kunnen laten vervolgen. Daartoe dienen de voornoemde wetten en verschillende Europese richtlijnen. U weet dat de antidiscriminatiewet van 25 februari 2003 vorig jaar voor het Arbitragehof werd aangevochten. Het arrest van het Arbitragehof stelt dat de antidiscriminatiewet kan blijven bestaan, maar legt de wetgever op om de wet gedeeltelijk te herschrijven.

Overigens zijn er ook problemen ten gevolge van een gebrekkige omzetting in Belgisch recht van verschillende Europese richtlijnen over het verbod op racisme, het verbod op discriminatie op het werk, of de bevordering van gelijke kansen voor mannen en vrouwen.

De Europese Commissie heeft België bijgevolg verschillende vragen gesteld en ze heeft ons land in gebreke gesteld wegens niet-conforme wetgeving. De regering moet nu dus een sluitende juridische oplossing bieden voor het discriminatieverbod in de Belgische wetgeving.

Na de uitspraak van het Arbitragehof heb ik een werkgroep van universitaire deskundigen en advocaten belast met de voorbereiding van voorstellen tot herziening van de gehele Belgische antidiscriminatiewetgeving.

Na lange informele raadplegingen heeft de werkgroep de regering een gedetailleerd verslag voorgelegd. De werkgroep was evenwichtig samengesteld met vertegenwoordigers van alle universiteiten uit het noorden en het zuiden van het land en met advocaten met praktijkervaring en met nationale en internationale ervaring.

Na de interkabinettenbespreking keurde de regering op 24 mei drie voorontwerpen van wet goed die gevolg geven aan het arrest van het Arbitragehof en die zorgen voor een correcte omzetting van alle bestaande Europese richtlijnen ter zake.

Binnenkort hoop ik die bepalingen voor deze assemblee verder toe te lichten.

Voor wie gediscrimineerd wordt en zijn rechten wil laten gelden is het grootste probleem het bewijs te leveren van die discriminatie. Zowel de Belgische als de Europese wetgeving houdt daar rekening mee door te voorzien in de omkering van de bewijslast wanneer er een vermoeden van discriminatie bestaat. De Belgische wetgever vond dat dit vermoeden gebaseerd zou kunnen zijn op een praktijktest of op statistieken.

De wet bepaalt dat de Koning het verloop van de praktijktest moet regelen. Daarover wordt binnen de regering nog naar een akkoord gezocht. Om ontvankelijk te zijn voor de rechter moeten praktijktests op ernstige wijze worden uitgevoerd, maar de opgelegde voorwaarden mogen niet zo streng zijn dat de tests zo goed als onbetaalbaar worden en zo hun doel voorbijschieten. Om die reden staat ook in de wet dat het beroep op vaststellingen door gerechtsdeurwaarders facultatief is.

Indien de regering geen akkoord kan bereiken over de inhoud van een koninklijk besluit, zou ik voorstellen om de rechter de manier waarop de test werd uitgevoerd te laten beoordelen, daar de rechter altijd soeverein over de bewijskracht van de test oordeelt. Het behoort tot de essentie van de taak van de rechter de geldigheid na te gaan van de bewijzen die hem worden voorgelegd.

Dat zou betekenen dat de mogelijkheid van de praktijktest behouden blijft, maar dat de verwijzing naar het koninklijk besluit over de inhoud van de test uit de wet wordt geschrapt.

Welke oplossing ook de voorkeur zal krijgen, het is hoog tijd dat ze er komt. Ik zal alles doen om het dossier te bespoedigen. Meer dan ooit moeten we de strijd aanbinden tegen de dagelijkse discriminatie van duizenden medeburgers. De voorstellen moeten rustig bekeken worden, zonder opbod. De geesten rijpen. Ik zou me akkoord kunnen verklaren met een groot aantal voorstellen, uit welke hoek ze ook komen.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - We zijn het er allen over eens dat het leed dat wordt aangericht door racisme, dat soms zelfs dodelijk kan zijn, onaanvaardbaar is. Ik heb er het volste vertrouwen in dat de minister ervoor zal zorgen dat iedereen gelijke kansen krijgt om zich in dit gastvrije land te kunnen ontplooien.

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Lijnen aan de minister van Werk over «de cijfers inzake zwartwerk in België» (nr. 3-1149)

Mevrouw Nele Lijnen (VLD). - Uit een rapport van het internationale onderzoeksbureau McKinsey blijkt dat 1 op de 5 Belgen in het zwart werkt. De omvang van dit zwartwerk is gelijk aan 22% van het BBP. Hiermee staan we op de vijfde plaats in de Europese top van het zwartwerk. Enkel Griekenland, Italië, Spanje en Portugal scoren slechter. De schatkist mist hierdoor jaarlijks 30 miljard euro aan inkomsten.

Omdat eerlijke bedrijven de loodzware concurrentie met zwartwerkers niet aankunnen, krijgen zij het moeilijk en gaan hierdoor soms zelfs failliet. Dringende actie is dus nodig.

De minister gaf al aan dat mensen die nu met dienstencheques werken anders in het zwart zouden gaan werken. Ook experts wijzen op de positieve effecten van de dienstencheques op het zwartwerk. Een tussentijdse oplossing zou het uitbreiden van de dienstencheques of een gepaste adequate formule kunnen zijn.

In hoeverre komen de cijfers uit het rapport McKinsey overeen met cijfers waarover u beschikt? Waaraan ligt het eventuele verschil?

Heeft de minister zicht op het aantal werklozen dat betrokken is bij zwartwerk?

Welke sectoren worden vooral getroffen door zwartwerk?

Hoe staat de minister tegenover het idee om dienstencheques uit te breiden naar seizoensgebonden werk, zoals de horeca in de zomermaanden?

Welke punten uit het `strategisch plan van de inspectiediensten' zouden de cijfers van zwartwerk kunnen doen dalen?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Aangezien er in België nagenoeg geen wetenschappelijk onderzoek werd gedaan omtrent zwartwerk, is het haast onmogelijk om een cijfermatige berekening te maken van de omvang van het zwartwerk en de sociale fraude in België. Volgens Europese studies wordt de omvang van het fenomeen in de Europese Unie op meer dan 15% van het BBP geraamd. Volgens diezelfde studies zou België zich samen met Italië, Griekenland, Portugal en Spanje in de groep van meer dan 20% bevinden.

De cijfers in het rapport McKinsey van 2004 liggen in dezelfde lijn.

In 2005 werd bij 8.318 uitkeringsgerechtigde werklozen een cumulatie met een ander inkomen vastgesteld. De cumulatie heeft niet alleen betrekking op arbeid, maar ook op andere inkomens.

De klassieke fraudegevoelige sectoren zijn de bouw, horeca, land- en tuinbouw, schoonmaak en vervoer.

Ik vind een uitbreiding van de dienstencheques naar seizoensarbeid niet wenselijk. Er bestaan reeds voldoende waardige alternatieven zoals de versoepelde regeling van studentenarbeid en de voordelige RSZ-regeling voor de seizoensarbeid in land- en tuinbouw en in de horeca. Deze regelingen zijn al heel flexibel, eenvoudig en goedkoop. Een uitbreiding van de dienstenchequeregeling zal de administratieve lasten van de werkgever niet vereenvoudigen.

Het strategische plan van de inspectiediensten heeft betrekking op de activiteiten van deze diensten en moet deze diensten aansturen.

De regering heeft de voorbije jaren maatregelen genomen om het zwartwerk minder aantrekkelijk te maken. Ik vermeld in eerste instantie de vermindering van de RSZ-bijdragen, de belastingverlaging, de versoepeling van de seizoensarbeid in de land- en tuinbouw en de horeca, de versoepeling van de studentenarbeid, de gunstige fiscale regeling voor overuren, de invoering van de dienstencheques.

Daarnaast heeft de ministerraad van Gembloux 2004 ook repressieve maatregelen genomen.

Ik vermeld ook nog de recente invoering van de meldingsplicht voor elke buitenlandse tewerkstelling in België (LIMOSA) en de hervorming van het sociaal strafwetboek. Zo zullen de bevoegdheden van de sociale inspectiediensten worden uitgebreid en worden de straffen voor de zwaarste overtredingen (onder meer zwartwerk, illegale tewerkstelling) verzwaard.

Mijn administratie werkt momenteel ook aan een regeling tot invoering van een hoofdelijke aansprakelijkheid voor opdrachtgevers en aannemers met de bedoeling vooral de detacheringsfraude aan te pakken.

Ik concludeer dat sociale fraude blijkbaar een nationale sport is en blijft. Sociale fraude krijgt steeds meer een internationaal, crimineel en georganiseerd karakter. De jongste maanden werden heel wat maatregelen genomen. We moeten dan ook op de ingeslagen weg voortgaan.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Werk over «de beschermingsmaatregelen voor het personeel dat binnen de RVA instaat voor de begeleiding van de werklozen» (nr. 3-1162)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik zal het debat niet heropenen over de begeleidingsmaatregelen voor werklozen, die hier al ruimschoots aan bod gekomen zijn.

Ik wil een fenomeen aankaarten dat zich, vooral in Wallonië, steeds meer voordoet. Men verspreidt bij de mensen de idee dat de ambtenaren van de RVA er enkel op uit zijn om werklozen hun recht op een vervangingsinkomen te ontnemen.

Enerzijds heeft men de vriendelijke diensten voor arbeidsbemiddeling en beroepsopleiding (FOREM) en anderzijds de gemene RVA die je achtervolgt, ontmaskert en desnoods straft.

Zulk een voorstelling van zaken houdt geen rekening met de sociale begeleiding die de ambtenaren verstrekken.

Nu de gevolgen van de eerste schorsingen van werkloosheidsuitkeringen voelbaar worden, krijgen we meldingen van geweldplegingen te horen. In Luik viel een man gewapend de RVA-kantoren binnen. Een andere man sloeg de ruiten stuk van het lokaal waar de begeleidingsambtenaren zitten.

Hebben zich gelijkaardige feiten, die ongetwijfeld strafbaar zijn, in andere steden voorgedaan? Is het fenomeen plaatselijk en kenmerkend voor Luik? Zijn er nog andere feiten gepleegd?

Zo ja, heeft de minister beschermingsmaatregelen overwogen met het oog op de veiligheid van de ambtenaren? Hebben de directeurs van de RVA-kantoren voldoende armslag om bewarende maatregelen te treffen? Overweegt u bijzondere maatregelen en zal u, indien nodig, voorzien in de nodige financiële en beveiligingsmiddelen of afspraken maken voor samenwerking met de lokale politie? Worden die ambtenaren in het algemeen opgeleid om geweldplegingen in de dijken en tegen te gaan?

De heer Peter Vanvelthoven, minister van Werk. - Een negatieve evaluatie van de inspanningen van een werkloze kan leiden tot een tijdelijke schorsing of een definitieve uitsluiting van het recht op een werkloosheidsuitkering. Dat kan spanning veroorzaken bij de evaluatiegesprekken.

Ik heb inderdaad kennis van de feiten die zich onlangs in het RVA-kantoor te Luik hebben voorgedaan. Gelukkig blijven agressieve en dreigende reacties de uitzondering. Geweldpleging gebeurt ook enkel in uitzonderlijke gevallen.

Om aan dergelijke situaties het hoofd te kunnen bieden heeft de RVA van bij het begin van de procedure van opvolging van werklozen een aantal algemene maatregelen getroffen, zowel bij de inrichting van de kantoren als in de opleiding van de bemiddelaars. De kantoren zijn zo ingericht dat gesprekken op vertrouwelijke wijze gevoerd kunnen worden, terwijl er toch steeds sociale controle is van andere collega's. De bemiddelaars zijn ervoor opgeleid om tijdens een onderhoud moeilijke situaties aan te kunnen.

Naast algemene worden ook bijzondere maatregelen genomen. Wanneer verwacht wordt dat een onderhoud tot een agressieve reactie kan leiden, wordt het gesprek gevoerd door twee bemiddelaars, eventueel in het gezelschap van de directeur van het RVA-kantoor. De bemiddelaar kan het nemen van een beslissing ook uitstellen.

Wanneer wordt gevreesd voor geweldpleging, wordt vooraf contact opgenomen met de lokale politie zodat ze ter plaatse is op het ogenblik van het onderhoud. Als de politie niet ter plaatse kan zijn, heeft de bemiddelaar een noodnummer bij zich waarmee hij om een dringende interventie kan verzoeken.

In sommige werkloosheidskantoren wordt de veiligheid van de ambtenaren verzekerd door een politieagent in burger, wat een ontradend effect kan hebben op de agressieve werkloze.

Als er zich feiten voordoen zoals in Luik, wordt er onmiddellijk opgetreden, met name wat de schikking of de inrichting van de lokalen betreft, zodat de herhaling van dergelijke feiten voorkomen of verhinderd wordt.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De feiten van Luik mogen dan al zeldzaam zijn, toch bewijst het bestaan van de maatregelen die u hebt beschreven, dat ze niet zonder belang zijn.

Sommige situaties kunnen leiden tot een sfeer van spanning en agressie. We moeten waakzaam blijven en dergelijke tendensen beantwoorden met pedagogische duiding ten aanzien van de bevolking.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand en de rechtsbijstand (Stuk 3-1674) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand en de rechtsbijstand werd, na een beslissing van de Parlementaire Overlegcommissie ter zake van 11 mei 2006, door de commissie voor Justitie gesplitst in twee nieuwe teksten, namelijk:

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar mijn schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand en de rechtsbijstand (Stuk 3-1674) (aangelegenheden bedoeld in artikel 78 van de Grondwet)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1674/5.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechtsbijstand.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Artikelsgewijze bespreking van het wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand en de rechtsbijstand (Stuk 3-1674) (aangelegenheden bedoeld in artikel 77 van de Grondwet)

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1674/4.)

De voorzitter. - Ik herinner eraan dat de commissie een nieuw opschrift voorstelt: Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand.

-De artikelen 1 tot 7 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (Stuk 3-1645) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 1322bis in het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen die maatregelen inhouden met betrekking tot de persoon van kinderen (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-58)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en tot invoeging in hetzelfde Wetboek van de artikelen 374bis tot 374quater, betreffende de wijze van huisvesting van het kind wiens ouders gescheiden leven (van mevrouw Clotilde Nyssens en de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-1131)

Algemene bespreking

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - In de algemene filosofie van de tekst werd met meerdere principes rekening gehouden. Ten eerste is er natuurlijk het belang van het kind. Ten tweede moet voorrang worden gegeven aan een overeenkomst tussen de partijen, de ouders. Die is niet onherroepelijk want als ze tegen het eerste principe ingaat, wordt ze niet aanvaard. Het derde principe is dat de rechter over de opvang van het kind zal beslissen, waarbij het gelijkmatig verdeelde verblijfsrecht als basisregel geldt.

Zo houden we rekening met de maatschappelijke evolutie en het feit dat de rol van de ouders veel evenwichtiger moet worden verdeeld. Ook hebben we lang gedebatteerd over de vraag of vaders en moeders in dergelijke omstandigheden echt de verantwoordelijkheid op zich nemen die ze hebben aanvaard op het ogenblik dat ze beslisten een kind te verwekken. In bepaalde gevallen zijn die verantwoordelijkheden inderdaad ongelijk verdeeld, maar toch komt het voor dat de verdeling wel correct is. De wet heeft tot doel in dergelijke gevallen een evenwichtige verdeling van de verantwoordelijkheden van de ouders in het leven te roepen. We steunen die visie. Aangezien het belang van het kind altijd de doorslag geeft, zal de rechter die voor een andere vorm van verblijfsrecht kiest, zijn beslissing moeten motiveren.

Rekening houdend met de maatschappelijke evolutie, de rol van de respectieve ouders en het belang van het kind moet het voorliggende wetsontwerp worden gesteund. Het is de vertaling van een wijziging van de mentaliteit en de rollen binnen de gezinnen. Het zal ouders des te meer ertoe aanzetten een akkoord te vinden, zeker als ze niet tevreden zijn met het voorgestelde gelijkmatig verdeelde verblijfsrecht. Het is een ideale oplossing om de scheiding zo pijnloos mogelijk te doen verlopen. Los daarvan is het belang van het kind doorslaggevend.

Wij zullen het wetsontwerp goedkeuren en we hebben dan ook geen enkele opmerking over de tekst die in de commissie is aangenomen. De ingediende amendementen brengen nuances aan die de algemene filosofie van de tekst ondergraven. We zullen ze dan ook niet goedkeuren.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Het debat over dit probleem werd reeds uitvoerig gevoerd via de media. Het is ook ruim aan bod gekomen in de Kamer voordat de Senaat er zich over kon buigen.

De tekst is beter geworden. Hij wordt niet meer gekenmerkt door een autoritaire visie waarin de rechter tegen alles en iedereen in het verblijfsco-ouderschap moest opleggen, zelfs als geen enkele partij het vroeg. Als rechtspracticus en als burger stootte de niet-inachtneming van het principe dat er een vraag van één van de partijen moet zijn, me tegen de borst.

De nu voorgestelde tekst stelt me niet volledig tevreden.

Ik heb me nooit verzet tegen een verblijfsrecht dat `verblijfsco-ouderschap' werd genoemd en dat `gelijkmatig verdeeld' is geworden. Het begrip `gelijkmatig verdeeld' doet me versteld staan. Wat bedoelt men daarmee? Gelijk is niet hetzelfde als identiek. Ik ben niet tegen beurtelingse huisvesting. Ik pleit daar geregeld voor. Wat me wel stoort, is dat verblijfsco-ouderschap als een model wordt voorgesteld. De heer Mahoux heeft trouwens die term gebruikt. Met de term `bij voorrang' wordt verwezen naar een voorkeur. Van het verblijfsco-ouderschap wordt de goede oplossing gemaakt die moet worden opgelegd, wat ook de situatie is.

Deze tekst doet een beroep op de pedagogische kwaliteiten van de wet. Ik vind het altijd gevaarlijk als aan een wettekst een heilzame of pseudo-heilzame werking wordt toegedicht.

In deze altijd droevige geschillen, waar er nooit een winnaar of verliezer is, maar veeleer twee verliezers, namelijk zij die scheiden, wens ik vooral dat niet de kinderen de echte slachtoffers worden. Daarom moet hoe dan ook de voorkeur worden gegeven aan overdachte overeenkomsten tussen volwassen partijen. Er mag ook niet worden vergeten wat er werd gezegd tijdens de debatten over de bemiddeling.

Het stoort me ook dat wordt vergeten dat elk gezin bijzonder is. Terwijl wordt geijverd voor het recht op onderscheid, wordt hier getracht het verblijfsco-ouderschap als de beste oplossing voor alle gevallen naar voren te schuiven. Er mag echter geen model worden opgelegd. Er moet rekening worden gehouden met de problemen van elk gezin. Elke situatie moet op zichzelf worden benaderd.

In de commissie werd ik getroffen door het feit dat de tekst in een bijzondere motivering voorziet.

De verplichting om een vonnis te motiveren staat reeds in de Grondwet. Heeft die bijzondere, expressis verbis in het ontwerp opgenomen verplichting tot motivering de bedoeling een tegenwicht te vormen tegen de oorspronkelijke tekst waarvan de logica nogal eenduidig was? Wat in de eerste tekst stond, was bijna een onrechtvaardigheid, aangezien het dispositief van de vonnissen bijna aan de magistraten werd gedicteerd.

Ik ga akkoord met de bijzondere verplichting tot motivering, maar ze lijkt me een onderhuidse malaise uit te drukken. Eén van de motivaties van de minister was conflicten en geschillen te voorkomen. Ik ben echter overtuigd van het tegendeel. Deze tekst zal de conflicten niet wegnemen, noch kalmte of rust op gerechtelijk vlak brengen.

De psychologen hebben alles en het tegendeel over het verblijfsco-ouderschap gezegd. Voor mij gaat het om een maatregel die goed is voor de gezinnen met hogere inkomens. De arbeider die om vijf uur in de ochtend moet opstaan, zal een kinderoppas in dienst moeten nemen. De ex-partner zal zich dan afvragen of haar ex geen slechte vader is omdat hij het verblijfsco-ouderschap niet opneemt. Of men het nu wil of niet, dit systeem zal schuldgevoelens oproepen.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Dat is nu ook al het geval.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik hoopte op een hervorming die me essentieel lijkt. De magistraten zouden meer middelen moeten hebben om te kunnen oordelen over vragen inzake huisvesting en om meer diepgaande sociale studies te laten uitvoeren. Nu duren die dikwijls lang bij gebrek aan middelen. De psychologische verslagen die kunnen worden gevraagd zijn dikwijls te duur, zodat de partijen ze niet kunnen betalen. Het aantal justitieassistenten is te klein. Iedereen weet dat de politieonderzoeken dikwijls te bondig en te oppervlakkig zijn en meer vragen oproepen dan antwoorden geven.

Om deze redenen en om de redenen die ik in de commissie heb uiteengezet zal ik, samen met mevrouw de T' Serclaes, opnieuw een amendement indienen om de woorden `bij voorrang' te schrappen. Voor mij moet rekening worden gehouden met de keuzevrijheid en de specificiteit van elk gezin.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het eerste probleem van het wetsontwerp tot het bevoorrechten - op zich al geen gelukkige term - van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind is zijn lange titel. Immers, wat goed is uitgewerkt, kan in korte bewoordingen worden uitgedrukt. De titel wijst op een intentionele ideologische keuze. Het is inderdaad typisch paars om privé-verhoudingen vanuit ideologische uitgangspunten en niet vanuit een open samenleving te organiseren.

Een tweede probleem is dat het begrip `bevoorrechte' in artikel 2 in het Nederlands als `bij voorrang' en in het Frans als `prioritairement' wordt vertaald. Die drie woorden hebben echter een verschillende betekenis, wat tot interpretatieproblemen aanleiding kan geven.

De huisvesting, de opvang en de opvoeding van kinderen is een maatschappelijk probleem dat steeds belangrijker wordt. Zo stelt mevrouw Ségolène Royal, één van de presidentskandidaten van de Franse PS, voor om minderjarige kinderen in legerkazernes op te vangen teneinde de opvoeding te verzekeren. Blijkbaar is dat nu een links idee. Ook heb ik vernomen dat ideeën worden gelanceerd om bij wangedrag van kinderen de kinderbijslag van de ouders te korten of in te trekken.

Dergelijke voorbeelden geven aan dat de maatschappelijke problemen met minderjarigen alsmaar toenemen. Gisteren zei de heer Romijn, de voorzitter van de Raad van de procureurs des Konings, in de commissie voor de Justitie dat de helft van het personeel van de parketten ter beschikking van het jeugdparket zou moeten worden gesteld. Vroeger bestonden de secties Jeugdrecht uit een of twee magistraten. De problemen met de minderjarigen en bijgevolg ook de organisatie van het hoederecht moeten dus in een breder kader worden bekeken.

Tijdens de bespreking in de commissie is lang over de uitgangspunten gedebatteerd. Het is duidelijk dat de politieke meningen en de rechtsfilosofische opvattingen over het recht en het functioneren van het recht verschillen. Ik heb in de commissie voortgeborduurd op de idee van Pascal dat wiskundige formules geen recht zijn. Het lijkt eenvoudig om lineaire regels te formuleren, zoals nu in het verkeersreglement met de absolute voorrang voor het verkeer van rechts, maar in de praktijk kunnen die heel wat extra problemen doen rijzen. De wetgever moet dus een marge laten om op het terrein met kennis van zaken de meest geschikte maatregel te nemen.

Dit moet de wetgever tot bescheidenheid aansporen. De wetgever die meent de goede oplossing te hebben uitgewerkt voor alle mogelijke omstandigheden is hoogmoedig.

De term `gelijkmatige verdeling van het ouderlijk gezag' betekent volgens mij niet hetzelfde als `l'hébergement de l'enfant de manière égalitaire' in het Frans. De term `gelijkmatig' laat de rechter een zekere mate van appreciatie, die niet hoeft neer te komen op een 50/50-verdeling. Gelijkmatig houdt in met gelijke maten oordelen, maar betekent niet dat de uitkomst `égalitaire' is. Bijgevolg zullen juristen met deze termen kunnen boetseren, wat trouwens hun taak is.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Mannen en vrouwen zijn gelijk, maar dat betekent niet dat er geen verschillen kunnen zijn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Iedereen is voorstander van gelijkheid, maar er zijn verschillende interpretaties mogelijk, afhankelijk van de context waarin het woord wordt gebruikt.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik ben het ermee eens dat de Nederlandse term het begrip beter omschrijft.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik vind de term `gelijkmatig' meer geschikt. Hij drukt uit dat de vader en moeder gelijk moeten worden behandeld, maar niet volgens de verhouding 50/50. Ik geef het voorbeeld van de afwisselende domiciliëring van de kinderen, de ene week bij de moeder en de andere week bij de vader. Als de vader verder van de school woont, zullen de kinderen tijdens de zware examenperiode veel langer onderweg zijn als zij bij hem verblijven.

Om deze reden achten we een andere formule wenselijk, evenwel zonder te beweren dat de uitgewerkte formule een goede toepassing uitsluit.

Paragraaf 2 van artikel 2 bepaalt dat het akkoord van de ouders wordt nagestreefd, tenzij het akkoord kennelijk in strijd is met het belang van het kind. De term `kennelijk in strijd' is een glijbaan zonder einde. Op deze tribune heb ik al meermaals gepleit voor iets dat voor mij kennelijk evident is, maar voor de meerderheid kennelijk niet.

Het woord `kennelijk' klinkt goed, maar heeft geen inhoud.

De uitdrukking `kennelijk in strijd met het belang van het kind' bevat twee begrippen waarvan de inhoud niet te definiëren is. Ook `het belang van het kind' vul je immers in op basis van je opvattingen over opvoeding, je ideaalbeeld van het leven. Daarover lopen de meningen uiteen. Volgens de enen is een `klassieke', autoritaire opvoeding de bron van alle ergernis en ongeluk. Volgens de anderen ligt die bron precies in de vrijblijvende opvoeding. Over `het belang van het kind' kunnen we dus lang discussiëren en met die uitdrukking krijgen de betrokken partijen een zeer brede marge. Uiteindelijk zal de rechter er wel uit geraken, maar toch vind ik het een ongelukkige zaak.

Tot slot wil ik nog de aandacht van de leden vestigen op een punt dat we ook in de commissie hebben bediscussieerd: het gebruik van dwangmaatregelen en dwangsommen tegen het kind. In de commissie heb ik er al op gewezen dat we in de huidige antikafkacampagne de zaken administratief zouden moeten vereenvoudigen. Welnu, ik pas de kafkatest even op het ontwerp toe. Ouders doorlopen de procedure en het hoederecht wordt op een bepaalde manier georganiseerd. De rechterlijke beslissing wordt echter niet uitgevoerd. Volgens artikel 4 van het ontwerp moeten de ouders dan helemaal opnieuw aan de juridische hindernissenloop beginnen. Intussen zijn er wel jaren voorbijgegaan. Dat is niet realistisch.

Bovendien wijst de Kinderrechtencommissaris op een principieel juridisch probleem als je rekening houdt met het Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Verplichtingen van de ouders kunnen namelijk niet op de kinderen worden afgewenteld. Welke dwangmaatregelen uiteindelijk fysiek op het kind kunnen worden uitgeoefend, is niet duidelijk en daarom stel ik voor artikel 4, dat in strijd is met het Verdrag, te schrappen.

De heer Luc Willems (VLD). - Het wetsontwerp dat we nu bespreken heeft onze volledige goedkeuring. Het ontwerp probeert een oplossing te bieden bij het niet naleven van het omgangsrecht, bevat een aantal voorlopige maatregelen, hanteert het principe van de voortdurende aanhangigmaking, regelt het mechanisme van de gedwongen terugname en biedt de rechter bepaalde maatregelen, zoals de dwangsom en de absolute voorrang die eraan wordt verleend.

Hopelijk biedt het ontwerp een oplossing voor een probleem dat lange tijd onbespreekbaar leek te zijn, namelijk dat rechtbanken in 80 tot 90 procent van de gevallen kinderen aan de moeder toewijzen. Nergens in het Burgerlijk Wetboek vind ik echter een artikel dat bepaalt dat de vrouw een betere opvoeder zou zijn dan de man. Een wettelijke basis voor die praktijk is er dus niet. Onderliggend probleem zijn natuurlijk de vele vechtscheidingen waarbij kinderen de inzet zijn van de discussie tussen de ouders. Uiteraard zijn er ook de financiële overwegingen.

Er wordt hier een semantisch debat gevoerd om dit wetsontwerp onderuit te halen. Er was kritiek op de leesbaarheid. Zo had de heer Vandenberghe al kritiek op de lange titel. Persoonlijk vind ik de tekst heel leesbaar en begrijpelijk. De principes worden duidelijk geformuleerd. De mails en brieven vanwege vrouwenorganisaties doen me overigens denken aan de discussie over de Europese Grondwet: het ging toen ook over een tekst waarover iedereen een standpunt had maar die niemand had gelezen.

De tekst omvat een aantal duidelijke principes die het debat voor de rechter kunnen sturen. We willen bijvoorbeeld het principe van de gelijkmatig verdeelde huisvesting in de wet opnemen en bij de rechters aankaarten. Zowel de rechtbank als de partijen moeten er proberen rekening mee te houden.

Artikel 2 van het wetsontwerp, dat artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek wijzigt, wordt aangevuld met een paragraaf 2, namelijk: `Ingeval de ouders niet samenleven en hun geschil bij de rechtbank aanhangig wordt gemaakt, wordt het akkoord over de huisvesting van de kinderen door de rechtbank gehomologeerd, tenzij het akkoord kennelijk strijdig is met het belang van het kind.' Dit is een goede regeling. Het is de marginale toetsing, zoals de heer Vandenberghe het wellicht nog steeds doceert.

In de volgende zin staat: `Bij gebrek aan akkoord, in geval van gezamenlijk ouderlijk gezag, onderzoekt de rechtbank op vraag van minstens één van de ouders bij voorrang de mogelijkheid om de huisvesting van het kind op een gelijkmatige manier tussen de ouders vast te leggen.' Dit principe is geen verplichting, maar het zet de partijen aan tot nadenken.

De advocaat die in zo een discussie een vrouw moet verdedigen, probeert in de praktijk de communicatiestoornis tussen de partijen in de verf te zetten. In 80 tot 90% van de gevallen haalt de moeder haar slag thuis.

Nu geldt het principe dat de rechter de zaak minstens onderzoekt, argumenteert en een aantal elementen in overweging neemt. In het verslag en in de toelichting bij het verslag van de Kamer wordt een reeks criteria aangeven op basis waarvan men onderzoekt of het inderdaad wesenlijk is of niet.

Nadat het onderzoek is gebeurd, kan men andere passende maatregelen nemen. Het betreft hier een open regeling. In feite wordt enkel het principe naar voren gebracht. Als parlement kunnen we niet meer doen. Het is dan aan de rechtbank om te interpreteren, te motiveren en het debat te laten plaatsvinden. Het gaat hier om een vernieuwende wetgeving en een goede basis.

Ik begrijp niet dat de kinderrechtencommissaris en de Gezinsbond over de titel vallen. Is het voor hen een probleem dat bij een discussie tussen de ouders de rechter bij voorrang op vraag van één van de twee partijen onderzoekt of er een gelijk verblijf mogelijk is?

We vragen dat onderzocht wordt of het mogelijk is om de kinderen een gelijk verblijf bij elk van de ouders te geven. Ik zie echt niet wat daar problematisch aan is. Bij de Franstalige collega's zorgde dat voor heel wat discussies over het begrip `égalitair' en al de ideologische connotaties die daarmee samenhangen. In feite weten we allemaal dat het gaat om vervangen van het bezoek- of omgangsrecht, meestal tweewekelijks en meestal van de vader, door een gelijke verdeling van het verblijf, uiteraard in het belang van het kind. Ik maak me trouwens niet veel illusies: in het merendeel van de gevallen worden de kinderen nog altijd aan de moeder toegewezen. Een reden temeer waarom ik niet begrijp waarom de vrouwenorganisaties zo overgevoelig reageren als we de kwestie alleen nog maar ter discussie willen brengen en dat sommige ouders een rechtbank vragen om in alle rust te onderzoeken of een coverblijf mogelijk is.

Persoonlijk sta ik volledig achter die idee en de VLD-fractie heeft het oorspronkelijke ontwerp op dat punt nog wat scherper gesteld, nadat in de Kamer nog meer werd benadrukt dat het alleen ging om het principe van het onderzoek. Sommigen willen dat blijkbaar niet op die manier lezen. De tweede alinea zegt nochtans heel duidelijk dat de rechtbank de mogelijkheid `onderzoekt' en dat ze na dit onderzoek eventueel moet motiveren dat een gelijk verblijf toch geen goed idee is. Lager dan dit kunnen we in de wet echt niet gaan.

Het ontwerp bevat nog meer positieve elementen. Zo worden de rechtbanken er meer toe aangezet om te bemiddelen en om twistende ouders aan te sporen om toch naar de best mogelijke oplossing te zoeken omwille van de kinderen.

Ander positief element zijn de dwangmaatregelen bij het niet naleven van het omgangsrecht. De vraag is inderdaad hoe we moeten reageren als een van de ouders een rechterlijke beslissing gewoon naast zich neerlegt. In de praktijk is het zo dat wanneer een van de ouders, meestal de moeder, zich niet houdt aan het omgangsrecht van de vader, de deurwaarder weigert de beslissing uit te voeren, waardoor de vader soms jarenlang zijn kinderen niet te zien krijgen. Sommige rechtbanken spreken dan dwangsommen uit, wat ook volgens de kinderrechtencommissaris een zeer efficiënt middel is. Ik begrijp dan ook niet dat collega Hugo Vandenberghe een amendement heeft ingediend om artikel vier over de dwangmaatregelen te schrappen. Zijn argument dat door die bepaling de kinderen schuldenaar worden, is toch niet ernstig. Dwangsommen bestaan al en sommige rechtbanken passen die al toe.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb de opmerkingen van mevrouw Vandekerckhove alsook de tekst van het voorgestelde artikel 4 opnieuw gelezen. Er is enige onduidelijkheid in artikel 4.

De tweede procedure kan aanleiding geven tot dwangsommen. Wat impliceert dat precies voor de uitvoering van het vonnis? We gaan ervan uit dat de gerechtsdeurwaarder geen dwangmaatregelen tegen het kind kan opleggen, maar enkel tegen de ouder die het kind bij zich heeft. De commissaris voor de kinderrechten gaat er blijkbaar van uit dat door het opleggen van dwangsommen het kind indirect tot schuldenaar wordt gemaakt. Dwangsommen in het algemeen hebben slechts zin tegenover vermogende personen. Tegenover onvermogende families hebben ze geen enkel effect. De vraag is hoe de uitvoering van een vonnis het beste kan worden verzekerd. Artikel 4 is niet duidelijk genoeg.

Daarenboven is een tweede procedure er te veel aan. Als een ouder vijf jaar moet procederen voor het recht op gelijkmatig verdeelde huisvesting en daarna nog eens vijf jaar moet procederen is het kind intussen volwassen.

De heer Luc Willems (VLD). - Sommige rechters leggen in de praktijk reeds een dwangsom op en blijkbaar met succes. Bovendien wordt de uitvoering van de verblijfsregeling op dezelfde wijze behandeld als de betaling van het onderhoudsgeld voor minderjarige kinderen. Op bepaalde inkomens kan geen beslag worden gelegd. Ik heb vernomen dat het beslag op de inkomsten in de praktijk een efficiënte maatregel is. Het is dus goed dat deze maatregel, die in de praktijk is ontstaan, in de wet wordt opgenomen. De maatregel is ontstaan als gevolg van het feit dat heel wat uitvoerbare titels niet meer werden uitgevoerd.

De proportionaliteit moet uiteraard in acht worden genomen. De gevolgen voor een kind dat wordt opgehaald door een politiepatrouille staan niet in proportie tot het doel van deze dwangmaatregel. De dwangsom is dan ook een goed en efficiënt instrument.

Wij zullen het wetsontwerp goedkeuren. Ik hoop dat de vrouwenorganisaties, die veel energie hebben gestoken in lobbying bij het parlement, hun leden warm maken om een rechterlijke beslissing, ook al is die niet volledig naar eigen zin, loyaal uit te voeren. Als dat lukt, heeft het parlement iets goeds gerealiseerd.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Dat deze tekst nog zoveel stof doet opwaaien in de plenaire vergadering is een beetje verrassend, maar eigenlijk wel positief. De verschillende betogen geven aan hoe gevoelig het thema van het verblijfsrecht is.

CDH is vanzelfsprekend voorstander van beurtelingse huisvesting. De beurtrol tussen de ouders is een goede zaak omdat er een band blijft bestaan tussen het kind en elk van zijn ouders. Bovendien kan op die manier worden voorkomen dat het kind door één ouder wordt gegijzeld ten koste van de andere. We kennen dat fenomeen aangezien we op een vergadering met de voorzitter over de `ouderlijke vervreemding' hebben gesproken.

Niettemin zullen we ons onthouden om de redenen die de vorige sprekers hebben aangehaald. Het wetsontwerp gaat zeer ver want het stelt de gelijkmatig verdeelde huisvesting als referentiemodel voor. De beurtelingse huisvesting moet weliswaar worden bevorderd, maar het gaat te ver om de regeling naar voren te schuiven als een model dat alle andere modellen vervangt.

De wetgever legt de rechters op bij voorrang na te gaan of een gelijkmatig verdeelde huisvesting mogelijk is. Hiermee mengt hij zich in het privé-leven van de ouders en schrijft hij hun voor hoe ze hun kinderen moeten opvoeden. Hierdoor dreigt een schuldgevoel te worden gecreëerd bij de ouders voor wie een beurtelingse huisvesting om materiële of financiële redenen of om redenen van beschikbaarheid niet mogelijk is.

Trouwens, ook de persoonlijke keuze van de ouders die dat model verwerpen wordt in diskrediet gebracht. De minister heeft in de commissie uitgelegd dat dit niet de bedoeling van de tekst is, maar de woorden `gelijkmatig' en `niet gelijkmatig'...

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De magistraat die zich over de toekomst van een kind moet uitspreken, mengt zich sowieso in het privé-leven van de ouders. Het doel om de vrede te bevorderen ten voordele van het kind is nobel. Opdat de magistraat op serene wijze kan nagaan of een kind ingevolge de scheiding van zijn ouders evenwichtige en intense betrekkingen kan behouden met de ene of de andere ouder, moedigt hij een klimaat aan...

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Dat is nu juist wat ik wil zien gebeuren. We zouden het wetsontwerp zonder meer hebben goedgekeurd, ware het niet dat er een woord instaat dat ons afschrikt. Dat woord heeft veel negatieve reacties opgeroepen vanwege verschillende vrouwenbewegingen en balies.

We hebben allerlei brieven ontvangen.

We zijn het allen eens over de doelstelling. Wie kan er tegen een gelijkmatig verdeelde huisvesting zijn? In onze buurlanden is die maatregel wettelijk geregeld, maar wordt een ander woord gebruikt. Ik wijs alleen maar op die symboliek, die tot commotie leidt. Het is jammer dat een bepaalde woordkeuze aanleiding geeft tot onenigheid over een tekst. De regels met betrekking tot de huisvesting mogen niet op een wiskundig model zijn gebaseerd.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De vraag is wat verdeelt. We hebben een tekst waarin de doelstellingen en de stappen worden uitgelegd...

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - De toepassing zal het uitwijzen.

De heer Philippe Mahoux (PS). - De tekst bepaalt dat de rechter, bij gebrek aan een akkoord en op voorwaarde dat rekening wordt gehouden met het belang van het kind, bij voorrang nagaat of een gelijkmatig verdeelde huisvesting mogelijk is. Als dat niet het geval is, dan moet hij zijn beslissing, net als elk rechterlijk oordeel, motiveren. Dat leidt niet tot verdeling.

Mevrouw Nyssens smokkelt die verdeling binnen, wat overigens haar recht is. Iedereen heeft standpunten en referentiemodellen en we weten dat onze meningen hierover uiteenlopen.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Integendeel, ik wil helemaal geen model in deze wet. Ik wil alleen dat de mogelijke vormen van huisvesting worden opgenomen: beurtelingse huisvesting als dat mogelijk is, en als dat niet mogelijk is, een andere regeling. Meer vraag ik niet.

De heer Vandenberghe zei reeds dat dit geen wiskunde is. Over het doel en de geest zijn we het, denk ik, eens, maar jammer genoeg zijn we verdeeld over de uitdrukkingswijze.

De belangrijke rechtspraak beschikt over criteria om de voorwaarden voor de huisvesting vast te leggen. Ik had gehoopt dat de tekst de klassieke criteria zou aangeven waarmee de rechter rekening houdt om het verblijfsrecht te regelen bij gebrek aan een akkoord tussen de ouders. Het ontwerp voorziet, in tegenstelling tot de Franse wet, niet in een reeks praktische criteria die afhankelijk zijn van de situatie van de ouders - en dus niet van hun belangen - en van het belang van het kind, dat prioritair is.

Ik ga niet in op de criteria die ik heb voorgesteld. Ik wijs erop dat de gelijkmatig verdeelde huisvesting moet beantwoorden aan de specifieke vereisten van elk individueel geval. Elk gezin is op een bepaalde manier georganiseerd en het is moeilijk algemene regels op te leggen.

Gisteren hebben we een brief ontvangen van de kinderrechtencommissaris van de Franse Gemeenschap over de gedwongen tenuitvoerlegging. Hij vestigt onze aandacht op het feit dat er in geen enkel geval sprake kan zijn van een gedwongen tenuitvoerlegging ten opzichte van het kind zelf.

Vanzelfsprekend zijn er extreme situaties waarin dwangmaatregelen tegenover de ouders moeten worden genomen. Ik hoop dat de tekst zodanig wordt toegepast dat het kind nooit mee het slachtoffer van de dwangmaatregel wordt. De rechter moet afwegen hoe die maatregel moet worden toegepast en hij moet alle nodige begeleidingsmaatregelen nemen.

De politie of de deurwaarder mag zich niet manu militari aanmelden om het kind mee te nemen. Zowel bij het vonnis als bij de wijze waarop de politiediensten de gedwongen tenuitvoerlegging invullen moet creativiteit aan de dag worden gelegd.

Het is goed dat de kinderrechtencommissaris ons eraan heeft herinnerd dat elke dwangmaatregel tegenover het kind ongewenst is.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Mevrouw Nyssens heeft gelijk dat het kind soms onder onmenselijke druk wordt gezet en bijna geen begeleiding krijgt wanneer het bezoekrecht, het hoederecht en de beurtelingse huisvesting niet worden nageleefd.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik ken dergelijke situaties. Sommige ouders aarzelen niet om een dergelijke dwang op de andere ouder uit te oefenen. Het gaat om het welbekende syndroom van de ouderlijke vervreemding. De magistraten, de deurwaarders en de politie moeten dus een manier vinden opdat die druk die jammer genoeg door een ouder wordt uitgeoefend, geen weerslag heeft op het kind. Indien nodig moeten ze optreden teneinde de toepassing van de beurtelingse huisvesting af te dwingen.

We zullen ons bij de stemming onthouden. Ik denk dat we allen hetzelfde doel nastreven, maar ik betreur dat het woord `égalitaire' in de Franse titel is opgenomen. De Nederlandse tekst is wat dat betreft nauwkeuriger. Aangezien we in een nationaal parlement werken, beseffen we dat begrippen in een andere taal soms een verschillende gevoelswaarde hebben. Ik betreur dat mijn amendementen die ertoe strekken het woord `égalitaire' te vervangen, niet werden aangenomen. Wij gaven de voorkeur aan een andere term.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Is co-ouderschap in het belang van het kind? Dat is de enige vraag waar het hier om draait. Net als in de commissie, lopen ook nu de meningen weer sterk uit elkaar. Het belang van het kind is immers een subjectief begrip waarover evenveel meningen als mensen bestaan.

De praktijk is de enige relevante en objectieve maatstaf in dezen. Daarom verwijs ik naar wetenschappelijke en empirische onderzoeken die een objectief antwoord zoeken en nog altijd aan het zoeken zijn op de vraag welke verblijfsregel in het belang van de kinderen is. Sinds het co-ouderschap in 1995 in ons familierecht is ingevoerd, kan het effect ervan op kinderen worden onderzocht.

Bij co-ouderschap denken wij vandaag spontaan aan een beurtrol waarbij de ouders om beurten de volledige verzorging van hun gemeenschappelijke kinderen op zich nemen en waarbij de kinderen meestal afwisselend een week bij de moeder en een week bij de vader verblijven. Nochtans zijn er aan het co-ouderschap twee aspecten: de gezagsuitoefening en de huisvesting. Als men het over co-ouderschap heeft, heeft men het vaak alleen over die wisselende huisvesting.

De gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag is sinds 1995 als een algemeen principe in de wet ingeschreven, waarop op gezag van de jeugdrechter en in het belang van de kinderen afwijkingen mogelijk zijn. Ik ben het daar volkomen mee eens.

De beurtelingse huisvesting daarentegen is geen algemeen principe en ik ben er ook niet voor gewonnen om van dit aspect van het co-ouderschap een algemeen principe te maken.

Gewoonlijk gaan kinderen één weekend op twee naar de ouder bij wie ze niet inwonen. In vier vijfde van de gevallen vertrouwt de rechter de kinderen aan de moeder toe, onder andere omdat de emancipatie van vrouwen en van vaders in de opvoeding van kinderen nu eenmaal het traditionele rollenpatroon nog niet heeft doorbroken. Gelukkig steunen onze maatschappelijke structuren voor een groot deel nog altijd op traditionele gezinnen met een traditionele rolverdeling, ondanks de vele pogingen van progressieven om ons een ander rollenpatroon op te dringen.

Uit objectief wetenschappelijk onderzoek blijkt dat kinderen veeleer nood hebben aan relationele stabiliteit dan aan stabiliteit van de verblijfplaats. Het allerallerbelangrijkste voor kinderen blijkt affectie en waardering te zijn. Ook tijdens echtscheidingsperikelen is dat belangrijker dan de materiële verblijfssituatie van het opgroeiende kind. Voor een kind jonger dan negen maanden is natuurlijk wel materiële stabiliteit nodig, omdat het nog een onderscheid moet leren maken tussen zichzelf en de buitenwereld. Dat is gemakkelijker als de verblijfplaats en de omgeving dezelfde blijven. Nochtans stimuleren regelmatige contacten met de afwezige ouder de cognitieve, sociale en emotionele ontwikkeling. Niet alleen affectie en waardering zijn dus belangrijk, ook het contact met de afwezige ouder. Vandaar het omgangsrecht.

Het wetsontwerp handelt wezenlijk over het afdwingen van het contactrecht. De niet-naleving van het omgangsrecht is vaak de hoofdreden waarom vaders gewonnen zijn voor en aandringen op het een co-ouderschap inzake huisvesting. Ik kan heel goed begrijpen dat bewegingen van vaders, zoals de Superman-acties in Engeland, de naleving van het omgangsrecht trachten af te dwingen. Het is een heel groot probleem, waarvoor onderhavig wetsontwerp spijtig genoeg geen oplossing biedt. Co-ouderschap als principe invoeren waarborgt immers helemaal niet dat een moeder het ook zal naleven en haar kind om de week aan de vader zal toevertrouwen; ze kan dat weigeren, zoals ze ook zal weigeren op vrijdagavond haar kind een weekend naar zijn vader te laten gaan.

Maar een kleine minderheid van scheidende ouders gaat uit elkaar zonder ruzie te maken, maar in dat geval zullen de ouders op basis van de huidige wetgeving bij de rechter wel gehoor vinden voor hun vraag naar co-ouderschap. Is het echter wel goed om bij een echtscheiding tussen ruziënde ouders het co-ouderschap als principe voorop te stellen? Volgens mij is dat niet aan te raden. De nadelen van de beurtelingse huisvesting zijn de voornaamste redenen voor mijn verzet tegen het instellen van het co-ouderschap als algemeen principe. Is het wel in het belang van het kind het beurtelings van de ene woning naar de andere te sturen? Ik denk bijvoorbeeld aan de examenperiode.

Er zijn nog andere argumenten. De beurtelingse huisvesting vereist een hoge betrokkenheid van de vaders bij de opvoeding van de kinderen, ook na de echtscheiding. Het is al lang wetenschappelijk bewezen dat vaders perfect alleen voor hun kinderen kunnen zorgen en dat vaders sterk bij de opvoeding van hun kinderen betrokken kunnen zijn, maar willen vaders wel voor hun kinderen zorgen na moeilijke echtscheidingsperikelen? Zal de sterke betrokkenheid er na de echtscheiding nog zijn? Vele vaders willen graag bij de opvoeding van hun kinderen betrokken blijven, maar toch is dat, spijtig genoeg, geen algemene regel.

Het is ook niet voldoende dat beide ouders betrokken willen blijven; ze moeten het ook nog kunnen. Is de werksituatie van zowel de moeder als de vader van die aard dat een beurtelingse huisvesting kan worden opgelegd? Nu zijn het meestal de moeders die hun ambities moeten inbinden en hun carrières moeten laten. Wanneer men het co-ouderschap als algemeen principe wil invoeren, vraagt men hetzelfde van de vader. Kinderen opvoeden kost echter geld en daar wringt het schoentje. Als het co-ouderschap als algemeen principe wordt ingesteld, dan valt het onderhoudsgeld voor de moeders weg, want elk van de ouders moet het met zijn eigen budget doen in de week waarin ze de kinderen bij zich hebben.

Dat brengt ons bij de kwestie van gelijk loon voor mannen en vrouwen. Er wordt altijd gesproken over de gelijke behandeling van mannen en vrouwen, maar in de praktijk is er nog veel werk aan de winkel. Vrouwen worden nog altijd slechter betaald dan mannen en krijgen minder waardering voor wat ze doen. Als het onderhoudsgeld wegvalt, zullen de moeders verplicht zijn om meer uit werken te gaan en zullen ze minder tijd aan de kinderen kunnen besteden.

Voorliggend wetsontwerp zal op zijn minst een sterke morele druk zetten op alle betrokkenen. Er zal zowel op de ouders als op de rechters druk worden uitgeoefend om het co-ouderschap te aanvaarden. Ze moeten een gegronde reden hebben om het te kunnen afwijzen. Is dat allemaal in het belang van het kind?

Omdat de rechter met de huidige wetgeving al over een ruime vrijheid beschikt, kan ik het wetsontwerp en het vooropgestelde model van de principiële invoering van het co-ouderschap niet steunen.

De heer Hugo Coveliers (Onafhankelijke). - Wat met de kinderen nadat degenen die ze opvoeden en van wie de kinderen veronderstellen dat ze van mekaar houden, uit mekaar gaan? Scheiding is voor de kinderen een eerste grote ontgoocheling, maar ook een grote vraag die nog acuter wordt met het toenemend aantal relatievormen en het steeds groter aantal echtscheidingen.

Ik heb nog de tijd gekend dat rechters in kort geding na de zitting verklaarden dat ze niet anders konden dan het hoederecht over de kinderen toe te vertrouwen aan de vrouw. Dat is al lang geleden, en gelukkig is op dat vlak een duidelijke evolutie opgetreden. Alle magistraten proberen het Verdrag inzake de rechten van het kind, dat overigens in het Belgisch recht werd omgezet, zo goed mogelijk te respecteren en de kinderen ondanks hun zeer drukke agenda zelf te horen.

Dit wetsontwerp heeft een zeer goede doelstelling. Het wil er namelijk voor zorgen dat kinderen, die geen schuld hebben aan de scheiding van hun ouders, daar zo weinig mogelijk hinder van ondervinden. Na lezing van de verslagen van Kamer en Senaat is me vooral de opmerking van mevrouw Nyssens bijgebleven, die zich afvraagt wat het praktische nut van het wetsontwerp is. Dat is ook mijn vraag.

De vraag die gesteld moet worden aan een voorzitter in kort geding, een jeugdrechter of een vrederechter, is de vraag om de zaak te onderzoeken. De meeste rechters kunnen overigens goed het onderscheid maken tussen het subjectieve belang van een partij en het belang van het kind. Dat bestaat er in de eerste plaats immers in zo weinig mogelijk verandering te brengen in de situatie van vóór de scheiding. Meestal zijn de kinderen gelukkig met hun ouders en rijst er alleen een probleem door het feit dat de personen met wie ze gelukkig zijn, niet meer willen samenleven, wat vanzelfsprekend het recht van die personen is op voorwaarde dat ze zich verantwoordelijk gedragen tegenover hun kinderen.

Normaal gezien houdt iedere rechter rekening met het belang van de kinderen wanneer hij de zeer moeilijke beslissing over hun toekomst moet nemen. Hij zal dat argument ook aanhalen wanneer hij de kinderen hoort. Vele kinderen weten immers niet bij welke ouder ze willen verblijven. Vele kinderen willen bij hun beide ouders blijven, wat bewijst dat die ouders hun kinderen goed hebben opgevoed. Ik vraag mij dan ook af of deze tekst niet van enig nut ontdaan is, aangezien bijna alle rechters nu reeds onderzoeken wat de best mogelijke oplossing is.

Door een voorkeur te geven aan de zogenaamde bilocatieregeling wordt de indruk gewekt, zelfs bij juristen, dat dit het beste systeem zou zijn. Dat is onjuist. Er bestaat namelijk geen beste systeem, hopelijk wel een specifieke regeling afgestemd op het kind of de kinderen zelf.

Sommige regelingen kunnen voor kinderen ronduit vernietigend zijn. Als advocaat weet ik dat het voor een kind heel nefast kan zijn om zich bijvoorbeeld het weekend vóór een examen te moeten verplaatsen naar een van zijn ouders, terwijl het zich liever behoorlijk had kunnen voorbereiden op een examen. Als een ouder rigoureus op de uitvoering van zijn zogenaamd recht gaat staan, dan is daar natuurlijk niets aan te doen, maar of het belang van het kind daarmee is gediend, dat is nog maar de vraag.

In de tekst wordt terecht gezegd dat als er een akkoord is, er meestal geen problemen zijn. De belangrijkste maatregel om tussen partijen bij echtscheiding een strijdpunt weg te nemen is de afschaffing van het foutprincipe. Zowel bij hetero- als bij homoparen die uit elkaar gaan, wordt nog veel te vaak het foutprincipe geprojecteerd op de regeling over de kinderen, het onderhoudsgeld en de levenstandaard na de echtscheiding. In 1999 stond al in de regeerverklaring dat er werk zou worden gemaakt van de echtscheiding zonder fout. Zeven jaar later is dat nog niet gebeurd. Het groot aantal vechtscheidingen heeft te maken met het feit dat een rechter nog steeds moet bepalen waar de fout ligt voor het stukgaan van een relatie, wat onrealistisch is. Om die reden zijn er ook steeds meer echtscheidingsvonnissen waar zowel de eis als de tegeneis als gegrond worden beschouwd: beide partijen dragen een deel van de schuld en er wordt voor de ex-partner geen onderhoudsgeld toegekend. Het foutprincipe wegnemen zal veel kinderen ten goede komen.

Ten tweede moeten we proberen de rechten van de kinderen beter te laten behartigen, zoals de kinderrechtencommissaris terecht suggereert. Het is nog altijd bijzonder moeilijk om voor een minderjarige een advocaat aangesteld te krijgen omdat de rechter meestal een van de ouders daarvoor verantwoordelijk zal stellen. Ook dat is onaanvaardbaar.

Ten derde mag de vereiste van een individuele motivering geen illusie of dode letter blijven. Ik verwijs naar de wet op de voorlopige hechtenis. Bij de opeenvolgende wijzigingen van die wet die ik hier meemaakte, werd telkens gezegd dat de raadkamer haar beslissing moest motiveren. Een arrest over een recente zaak in Antwerpen leert mij dat een kamer van in beschuldiging met één zin een requisitoir van het openbaar ministerie van 16 pagina's van tafel kon vegen.

Natuurlijk heb ik er vertrouwen in dat magistraten hun vonnis individueel zullen motiveren. We beschikken echter over geen enkele garantie daaromtrent en een sanctie over de inhoud van een vonnis is al evenmin mogelijk.

Dan nog een opmerking over de dwangsom. Een dwangsom slaat blindelings toe en komt dus erg onsympathiek over. Stel dat een kind niet naar een andere ouder wil gaan, hoewel de rechter daarover een vonnis heeft uitgesproken. Het is vaak hartverscheurend te zien hoe een ouder een kind moet trachten te overtuigen en als hij daarin niet slaagt toch nog veroordeeld wordt tot het betalen van een dwangsom.

Ik heb er ook een probleem mee dat het ontwerp een supervoorrecht creëert. Moest iedereen de vonnissen en arresten uitvoeren, dan was er geen probleem. We kunnen het de burgers echter moeilijk kwalijk nemen dat ze op dat stuk in gebreke blijven als zelfs de hoogste instantie in dit land - de regering - nu al twee jaar een arrest van het Arbitragehof niet uitvoert. Als bepaalde administraties een arrest van de Raad van State niet uitvoeren omdat er geen sancties aan verbonden zijn, dan geldt dat niet echt als voorbeeldgedrag.

Een ander argument waarvoor ik wel gevoelig ben, is dat het niet-uitvoeren niet zonder enige sanctie mag blijven. In dat geval is het beter via bemiddeling tot een oplossing te komen, want het argument dat alleen de kapitaalkrachtigen worden gesanctioneerd met een dwangsom, is uiteraard ook juist.

Ik verwijs nogmaals naar mevrouw Nyssens die zich afvroeg wat het praktische nut is van voorliggende tekst. Teksten die nutteloos zijn, zijn niet alleen overbodig, maar ook gevaarlijk. Dergelijke teksten kunnen gebruikt of misbruikt worden om bepaalde belangen te dienen. Aangezien de Senaat een reflectiekamer is, wil ik deze reflectie graag aan zijn oordeel onderwerpen.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - Over de kwestie van de huisvesting van kinderen na een feitelijke of wettelijke scheiding van de ouders wordt sinds lang gedebatteerd. Ik ben overigens nogal verbaasd dat er vanmiddag in deze assemblee zo uitgebreid over wordt gedebatteerd. Dat is een goede zaak. Het toont aan dat de kwestie ons als parlementslid, maar ook als ouder, aanspreekt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Het toont aan dat de tekst niet goed is!

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Mevrouw, ik heb de indruk dat de verkiezingen eraan komen. Iedereen neemt het woord.

Mevrouw Nathalie de T' Serclaes (MR). - In ieder geval moeten een aantal vragen worden gesteld. In 1994 heeft de wetgever het burgerlijk recht aangepast en de kwestie van het ouderlijk gezag ingevoerd. Destijds heeft de wetgever gesteld - en ik denk dat dit een wijze beslissing was - dat de ouders in geval van scheiding gezamenlijk verantwoordelijk bleven voor hun kinderen.

In 1994 meenden we dat we het probleem van de huisvesting niet bij wet moesten regelen. Dat vraagstuk is immers te ingewikkeld om een gemeenschappelijk algemeen principe te kunnen vaststellen dat op iedereen kan worden toegepast.

Ik blijf ervan overtuigd dat die redenering wijs was, aangezien het aan de rechter de mogelijkheid liet de huisvesting van het kind aan te passen aan de reële situatie van de ouders.

Nu willen sommigen een bijkomende stap zetten door de gelijkmatig verdeelde huisvesting aan te bevelen en het tot een ideaal te maken.

Ieder blijft verantwoordelijk voor zijn kind en ieder kind heeft het recht op een zo sterk mogelijke band met beide ouders. Daarover is iedereen het eens.

Naarmate men de tekst verder leest, beseft men steeds meer dat het aan te bevelen model het gelijkmatige systeem is. In het Nederlands zijn er misschien nuances, maar in het Frans niet. Verder in de tekst wordt evenwel de mogelijkheid van een niet-gelijkmatig verdeelde huisvesting vermeld.

Het gelijkmatige systeem beantwoordt niet aan de realiteit van het leven. In het gewone leven is het kind niet voor de helft van de tijd bij zijn papa of mama, zelfs niet bij gehuwde of samenwonende paren. Een vader of moeder kan een veeleisende job hebben of dikwijls naar het buitenland moeten, zodat het kind niet even veel tijd doorbrengt bij elke ouder.

Als we die redenering zouden voortzetten, zouden we in een gezin van niet-gescheiden ouders de uren moeten tellen die met papa en met mama worden doorgebracht. We zouden verrast zijn van het resultaat.

Ik begrijp de reactie van de vrouwenorganisaties. Immers, we zeggen dat de huisvesting in dit dossier gelijkmatig verdeeld moet zijn, maar er is helemaal geen gelijkheid in het gezin.

De vrouwen dragen nog steeds het grootste deel van de gezinstaken, ondanks de wetten en inspanningen ten voordele van de gelijkheid tussen mannen en vrouwen.

Daar moet verandering in komen. Dat is de wens van alle vrouwen, maar de realiteit is anders.

Op het moment dat de ouders scheiden, rijzen onmiddellijk allerlei praktische vragen.

Als de ouders niet dicht bij elkaar wonen, zal het zeer moeilijk voor hen zijn om tot een volledig gelijkmatige verdeling te komen. Zelfs als beide ouders in Brussel wonen, maar één ouder woont in Watermaal-Bosvoorde en de andere in Ganshoren, moeten ze heel de stad door om hun kinderen naar school te brengen. Ze zullen een wagen, of zelfs twee wagens nodig hebben, wat niet alle gezinnen zich kunnen veroorloven, zonder dan nog de tijd te rekenen die deze rit in beslag neemt!

Wie gelooft dat dit gelijkmatige systeem zo gemakkelijk zal worden ingevoerd, leeft in een utopie.

Iedereen is het eens over de doelstelling die erin bestaat de kinderen de mogelijkheid te bieden een nauwe band te onderhouden met beide ouders, ondanks de scheiding.

Jammer genoeg gijzelen vandaag veel vrouwen hun kinderen en doen ze er alles aan om te beletten dat hun kinderen hun vader blijven zien.

Ik blijf er evenwel van overtuigd dat we in dit dossier geen vooruitgang zullen boeken via decreten of wetten. We hadden er beter aan gedaan bij de wet van 1994 te blijven en de huisvestingswijze van de kinderen te verbeteren via bemiddeling en opleiding van magistraten, en daarbij de beurtelingse huisvesting aan te moedigen volgens regels die in overeenstemming zijn met het werkelijke leven van de kinderen en de ouders.

Daardoor zou onze maatschappij kunnen evolueren, terwijl rekening wordt gehouden met de dagdagelijkse realiteit.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst verbeterd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-1645/5.)

De voorzitter. - Mevrouw Defraigne trekt haar amendement in.

Op het opschrift heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 17 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe heeft amendement 18 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 19 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft mevrouw Nyssens amendement 2 ingediend (zie stuk 3-1645/2) dat luidt:

Op amendement 2 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 3 ingediend (zie stuk 3-1645/2) dat luidt:

Op amendement 2 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 4 ingediend (zie stuk 3-1645/2) dat luidt:

Op amendement 2 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 5 ingediend (zie stuk 3-1645/2) dat luidt:

In het vierde lid van de voorgestelde §2 van artikel 374 de woorden "en de ouders" doen vervallen.

Op amendement 2 heeft mevrouw Nyssens het subsidiair amendement 6 ingediend (zie stuk 3-1645/2) dat luidt:

Artikel 4 luidt:

In hetzelfde Wetboek wordt een artikel 387ter ingevoegd, luidende:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 20 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 21 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

De heer Hugo Vandenberghe stelt voor dit artikel te schrappen (amendement 23, zie stuk 3-1645/6).

Artikel 5 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Hugo Vandenberghe amendement 22 ingediend (zie stuk 3-1645/6) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement betreffende de politie over het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat de voorrangsregeling betreft (Stuk 3-1703)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-1703/2.)

De voorzitter. - De heer Van Nieuwkerke verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs teneinde de houder van een rijbewijs B in staat te stellen een motorfiets te besturen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm³ en een maximaal vermogen van 11 kW (Stuk 3-1704)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-1704/2.)

De voorzitter. - De heer Collas verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik had oorspronkelijk wetsvoorstellen ingediend. Minister Landuyt wenste dat ze werden omgezet in resoluties en verbond zich ertoe ze te concretiseren.

De teksten betekenen een belangrijke stap voor de mobiliteit en de veiligheid van de motorrijders. De motor staat immers voor meer dan ontspanning in het steeds drukker wordende verkeer. Hij is ook een belangrijk verplaatsingsmiddel.

Bij koninklijk besluit van 5 september 2002 werd de houder van een sinds twee jaar afgegeven rijbewijs voor de categorie B de mogelijkheid ontnomen een voertuig te besturen van de categorie A, namelijk een motorfiets met een maximale cilinderinhoud van 125 cm³. Wij wilden terugkomen op die beslissing. In de commissie is langdurig gedebatteerd over het al dan niet verplichten van een examen of opleiding om dat soort motor te mogen besturen. Uiteindelijk hebben we beslist dat alle houders van een rijbewijs B een voertuig van de categorie A mogen besturen.

De veiligheid van de motorrijders is ook het belangrijkste element van onze voorstellen omdat steeds meer motorrijders sterven op onze wegen. In overleg met de vertegenwoordigers van de motorrijders hebben we een reeks verbeteringen aan de verkeerswet voorgesteld waarmee de veiligheid kan worden verhoogd.

Ik ben verheugd over deze resoluties die de weergave zijn van de vroeger ingediende wetsvoorstellen en over de belofte van de minister van Mobiliteit om die bepalingen spoedig om te zetten.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, teneinde de veiligheid van de bestuurders van tweewielige motorvoertuigen te verhogen (Stuk 3-1705)

Bespreking

(Voor de tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-1705/2.)

De voorzitter. - De heer Van Nieuwkerke verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

-De bespreking is gesloten.

-De stemming over het voorstel van resolutie in zijn geheel heeft later plaats.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de rechtsbijstand (Stuk 3-1674) (Evocatieprocedure)

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de juridische bijstand (Stuk 3-1674)

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

Wetsontwerp tot het bevoorrechten van een gelijkmatig verdeelde huisvesting van het kind van wie de ouders gescheiden zijn en tot regeling van de gedwongen tenuitvoerlegging inzake huisvesting van het kind (Stuk 3-1645) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 3

Aanwezig: 55
Voor: 17
Tegen: 32
Onthoudingen: 6

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 18 en 19 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

We stemmen over amendement 2 van mevrouw Nyssens.

Stemming 4

Aanwezig: 55
Voor: 17
Tegen: 32
Onthoudingen: 6

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 3, 4, 5 en 6 van mevrouw Nyssens. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

We stemmen over amendement 23 van de heer Hugo Vandenberghe.

Stemming 5

Aanwezig: 54
Voor: 15
Tegen: 32
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 20, 21 en 22 van de heer Hugo Vandenberghe. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 6

Aanwezig: 53
Voor: 36
Tegen: 8
Onthoudingen: 9

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

-De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat volgende wetsvoorstellen vervallen:

-Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 1322bis in het Gerechtelijk Wetboek betreffende de gedwongen tenuitvoerlegging van gerechtelijke beslissingen die maatregelen inhouden met betrekking tot de persoon van kinderen (van mevrouw Clotilde Nyssens, Stuk 3-58)

-Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 374 van het Burgerlijk Wetboek en tot invoeging in hetzelfde Wetboek van de artikelen 374bis tot 374quater, betreffende de wijze van huisvesting van het kind wiens ouders gescheiden leven (van mevrouw Clotilde Nyssens en de heer Christian Brotcorne, Stuk 3-1131)

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement betreffende de politie over het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, wat de voorrangsregeling betreft (Stuk 3-1703)

Stemming 7

Aanwezig: 55
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Mobiliteit worden meegedeeld.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De Senaat kan als wetgevende kamer perfect een koninklijk besluit of een andere wettelijke bepaling door een wet wijzigen. Wij zien dan ook geen enkele reden om de regering in een resolutie te vragen de wet te wijzigen. Zodoende hollen we zelf de rol van onze assemblee uit. Dat is voor ons onaanvaardbaar. Wij zullen ons bij de stemmingen over de drie voorliggende voorstellen van resolutie onthouden.

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 23 maart 1998 betreffende het rijbewijs teneinde de houder van een rijbewijs B in staat te stellen een motorfiets te besturen met een maximale cilinderinhoud van 125 cm³ en een maximaal vermogen van 11 kW (Stuk 3-1704)

Stemming 8

Aanwezig: 53
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Mobiliteit worden meegedeeld.

Voorstel van resolutie tot wijziging van het koninklijk besluit van 1 december 1975 houdende algemeen reglement op de politie van het wegverkeer en van het gebruik van de openbare weg, teneinde de veiligheid van de bestuurders van tweewielige motorvoertuigen te verhogen (Stuk 3-1705)

Stemming 9

Aanwezig: 54
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de minister van Mobiliteit worden meegedeeld.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 15 juni 2006

's ochtends om 10 uur

Evocatieprocedure

Ontwerp van kaderwet betreffende het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep en het voeren van de beroepstitel van een ambachtelijk beroep; Stuk 3-1723/1 tot 4. (Pro memorie)

Wetsontwerp betreffende de commissies en de beroepscommissies die bevoegd zijn inzake het voeren van de beroepstitel van een dienstverlenend intellectueel beroep; Stuk 3-1724/1 tot 4. (Pro memorie)

Toe te voegen:

Wetsvoorstel betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de boventallige embryo's en de gameten (van mevrouw Christine Defraigne, de heer Patrik Vankrunkelsven, mevrouw Jacinta De Roeck, de heer Philippe Mahoux en mevrouw Isabelle Durant); Stuk 3-1440/1 tot 10.

Toe te voegen:

Voorstel van resolutie betreffende de studie gemaakt door het Studie- en documentatiecentrum oorlog en hedendaagse maatschappij (SOMA): "De Belgische overheden en de jodenvervolging en -deportatie" (van de heren Alain Destexhe en Philippe Mahoux); Stuk 3-1653/1 tot 5.

Voorstel van resolutie betreffende de uitlevering van Hissène Habré aan België (van de heer Pierre Galand c.s.); Stuk 3-1701/1 tot 5.

Voorstel van resolutie betreffende de politieke toestand in Haïti (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton); Stuk 3-1632/1 tot 4.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 teneinde de deelname aan de verkiezingen te bevorderen (van de heer Christian Brotcorne); Stuk 3-720/1 tot 3.

's namiddags om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Eventueel, hervatting van de agenda van de ochtendvergadering.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol nr. 2 bij de Europese Kaderovereenkomst inzake grensoverschrijdende samenwerking tussen territoriale gemeenschappen of autoriteiten betreffende interterritoriale samenwerking, gedaan te Straatsburg op 5 mei 1998; Stuk 3-1621/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Consulaire Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Russische Federatie, ondertekend te Moskou op 22 december 2004; Stuk 3-1651/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst betreffende de wederzijdse administratieve bijstand inzake douane tussen de Regering van het Koninkrijk België en de Regering van de Russische Federatie, ondertekend te Brussel op 2 oktober 2001; Stuk 3-1655/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en de Regering van Canada inzake het werkvakantieprogramma, ondertekend te Brussel op 29 april 2005; Stuk 3-1656/1 en 2.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol nr. 14 bij het Verdrag inzake de bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, tot wijziging van het controlesysteem van het Verdrag, gedaan te Straatsburg op 13 mei 2004; Stuk 3-1668/1 en 2.

Evocatieprocedure

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over «de opvolging van de XTC-kwaliteitstests» (nr. 3-1684)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Vorig jaar werd een erg omstreden project op poten gezet waarbij festival- en discotheekbezoekers de kwaliteit van hun XTC kunnen laten testen. De Waalse hulpvereniging Modus Vivendi staat in voor de kwaliteitstests en bepaalde leden van de organisatie kregen van het ministerie van Justitie de toestemming om de verdovende middelen naar het Hygiënisch en Bacteriologisch Instituut van de provincie Henegouwen te transporteren. Het project wordt door de Waalse overheid gesponsord.

Hoewel eerst advies zou worden gevraagd aan het College van procureurs-generaal, werd het project blijkbaar toch al voor een periode van 27 maanden goedgekeurd, en dat met volledige steun van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu. Dat blijkt althans uit het antwoord op mijn parlementaire vraag hierover van 12 april 2006. Op het ogenblik dat die steun werd verleend had het college zich nog niet definitief over de kwestie uitgesproken. Bovendien onderzocht het expertisenetwerk drugs nog volop het strafrechtelijke aspect. Meer zelfs, de Raad van de procureurs des Konings had zich in een eerste en voorlopig advies tegen het project gekant, waardoor de actie van Modus Vivendi kan worden beschouwd als het `vergemakkelijken van het gebruik van drugs', wat in het strafrecht nog steeds als een misdrijf wordt beschouwd.

Blijkbaar werden deze, toch wel erg belangrijke, adviezen van de procureurs des Konings en procureurs-generaal, niet gevolgd of niet afgewacht. Er werd vanuit preventief en therapeutisch oogpunt, waarbij bijstand en terugdringing van de risico's centraal staan, beslist het project te steunen. Het is zeer eigenaardig dat het project zonder een initieel akkoord met de justitiële deskundigen wordt uitgevoerd.

Waarom werd het project goedgekeurd, nog voor het College van procureurs-generaal en de Raad van de procureurs des Konings hun adviezen hadden uitgebracht? Waarom werd geen rekening gehouden met het eerste en voorlopig negatieve advies van de Raad?

Wat was de concrete inhoud van dit eerste advies van de Raad van de procureurs des Konings? Kan de minister mij dat advies bezorgen? Is er intussen al een definitief advies en zo ja, hoe luidt dat?

Heeft het College van procureurs-generaal zich intussen over de kwestie beraden? Wat is zijn mening en wat zijn de onderzoeksresultaten van het expertisenetwerk drugs?

Wordt het project al dan niet verder uitgevoerd en steunt de minister dit project ten volle?

Welk onafhankelijk organisme moest of moet het project evalueren en wat zijn zijn voorlopige bevindingen?

Op hoeveel manifestaties werden al XTC-kwaliteitstests uitgevoerd? Welke waren die manifestaties en waar vonden die plaats? Is dit project ook in Vlaanderen van toepassing?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Ik stel vast dat de spreker een aantal aspecten van het betrokken proefproject verwart.

In het raam van zijn bevoegdheid heeft de minister van Volksgezondheid enkele leden van de betrokken vzw toestemming verleend om in de periode tussen 1 juni 2005 en 1 september 2007 de pillen die worden verkocht als XTC, de vloeistoffen die worden verkocht als GHB en de poeders die worden verhandeld als amfetamines voor analyse te transporteren naar een ziekenhuis te Mons. Het afgeven van die vergunningen behoort tot de exclusieve bevoegdheid van minister Demotte.

Hij nam die beslissing rekening houdend met het gevaar verbonden aan het gebruik van dergelijke synthetische drugs. De voorbije tien jaar stierven in Europa tussen 200 en 500 mensen aan de gevolgen van XTC-gebruik.

Minister Demotte heeft zijn toestemming laten afhangen van een evaluatie door een onafhankelijk orgaan en van een integratie van het project in het Rapid Alert System.

Het uitvoeren van de tests zou strafrechtelijk kunnen worden beschouwd als het vergemakkelijken van het gebruik van verboden stoffen. Omdat niemand een vergunning kan afleveren voor het uitvoeren van dergelijke tests, kan een dergelijk project niet worden gestart zonder dat het openbaar ministerie bereid is zich terughoudend op te stellen.

Het openbaar ministerie, zowel de procureurs des Konings als de procureurs-generaal, beraadt zich momenteel over deze kwestie. Terzake werd nog geen definitief standpunt ingenomen. Het spreekt dan ook voor zich dat het project nog niet werd opgestart.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Het openbaar ministerie heeft blijkbaar nog geen definitief advies uitgebracht. Waarom het voorlopige negatieve advies genegeerd wordt en het definitieve advies niet wordt afgewacht kan ik uit het antwoord niet opmaken.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Zodra de minister over de definitieve adviezen beschikt, zal ze nieuwe elementen kunnen aanreiken.

Vraag om uitleg van mevrouw Clotilde Nyssens aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de paspoorten van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen» (nr. 3-1682)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Titel V van de circulaire van 15 december 2005 aangaande het verblijf van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen heeft betrekking op een onderzoeksprocedure naar het verblijf van de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (NBMV). Via deze procedure zal het Bureau Minderjarigen van de Directie Toegang en Verblijf proberen een duurzame oplossing te zoeken voor de minderjarige en zijn gezinssituatie te achterhalen. Wanneer het Bureau Minderjarigen de ouders van de NBMV vindt, kan de duurzame oplossing zijn: ofwel een terugkeer van de NBMV naar zijn land en zijn familie, ofwel een gezinshereniging in een land waar hij gemachtigd of toegelaten is tot verblijf.

Na zes maanden kan het Bureau Minderjarigen in principe de NBMV een Bewijs van Inschrijving in het Vreemdelingenregister (BIVR) doen uitreiken, op overlegging van het nationale paspoort van de NBMV. Het opzoeken of controleren van de ware identiteit van de NBMV door de consulaire posten en het Bureau Minderjarigen kan lang duren. Vaak verlengt het Bureau Minderjarigen de aankomstverklaring van de NBMV met een periode van drie maanden. Deze verlenging wordt in de omzendbrief van 15 September 2005 niet beperkt in de tijd.

Volgens de voogden en de advocaten is het voor de NBMV onmogelijk om het Bureau Minderjarigen van de directie Toegang en Verblijf van de Dienst Vreemdelingenzaken een nationaal paspoort over te leggen om zo een echte verblijfsvergunning te krijgen. De aankomstverklaring is geen BIVR en geeft geen toegang tot gezondheidszorg of kinderbijslag. Een NBMV wier aankomstverklaring voor verschillende maanden of jaren verlengd wordt omdat hij niet in staat is een paspoort over te leggen, blijft dus gedurende de hele tijd in een onzekere situatie. Ik heb hierover trouwens al een vraag om uitleg gesteld op donderdag 4 mei, maar op basis van het antwoord van de minister wens ik een aantal specifieke vragen te stellen.

Wanneer de ambassade van de minderjarige niet in staat is hem paspoort te bezorgen, kan hij zich wenden tot de officiële instanties van zijn thuisland. Wat gebeurt er dan men de minderjarigen van wie de asielaanvraag werd afgewezen en die zich niet tot de overheden van hun land durven wenden?

Volgens de minister contacteert de Dienst Vreemdelingenzaken in die gevallen altijd de FOD Buitenlandse Zaken. Hoe garandeert Vreemdelingenzaken dat dit ook is gebeurd? Welke stappen heeft de FOD Buitenlandse Zaken al genomen om de ambassades tot samenwerking uit te bewegen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de heer De Gucht.

De voogd van een NBMV kan zich maar op de omzendbrief van 15 September 2005 beroepen wanneer de asielaanvraag van een minderjarige niet-begeleide vreemdeling afgewezen is. De minderjarige die een nationaal paspoort moet bekomen om een bewijs van inschrijving in het vreemdelingenregister te krijgen en van wie de asielaanvraag werd afgewezen, moet in principe niet bang zijn om zich tot zijn nationale autoriteiten te richten. De redenen om bevreesd te zijn, werden immers door de asielinstanties behoorlijk onderzocht.

In de veronderstelling dat de minderjarige toch nog bevreesd is om zich tot zijn nationale autoriteiten te wenden, zal zijn voogd worden gevraagd schriftelijk objectieve elementen aan te brengen, zodat kan worden onderzocht of een eventuele afwijking van de regel gerechtvaardigd is. Onder meer om mobiliteitsredenen is het in het belang van de minderjarige zelf om een paspoort te bekomen. In principe moet de inschrijving van een vreemdeling in een vreemdelingenregister trouwens altijd op basis van een nationaal paspoort gebeuren.

De FOD Buitenlandse Zaken en de Dienst Vreemdelingen hebben regelmatig contact. Ze wisselen informatie uit over specifieke problemen. Bij deze contacten worden de uitreikingsvoorwaarden van een paspoort door de overheid van het betrokken land uiteraard onderzocht.

Deze verschillen evenwel sterk van land tot land. Wanneer deze contacten niet leiden tot de uitreiking van een paspoort, dan kan de voogd zich altijd richten tot de cel identificatie van de Dienst Vreemdelingenzaken. Hij kan vragen rechtstreeks contact op te nemen met de diplomatieke vertegenwoordiging van het betrokken land in België. De cel identificatie zal proberen ervoor te zorgen dat een paspoort wordt uitgereikt, maar ze kan natuurlijk niets garanderen. Het gaat hier namelijk om een nationale bevoegdheid. De voogden contacteren deze cel overigens nagenoeg nooit.

Mevrouw Clotilde Nyssens (CDH). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik zal deze inlichtingen doorgeven aan de voogden die dit probleem hebben aangekaart.

Vraag om uitleg van mevrouw Amina Derbaki Sbaï aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over «de vrijmaking van de interne markten voor gas en elektriciteit» (nr. 3-1683)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - De nieuwe Europese richtlijnen die de Europese gas- en elektriciteitsmarkten openstellen, werden in 2003 goedgekeurd. In theorie kunnen de industriële verbruikers sinds 1 juli 2004 vrij hun leverancier kiezen. De Commissie heeft de nationale regeringen echter met de vinger gewezen omdat ze de richtlijnen niet uitvoeren. Bovendien zouden sommige bestaande energiebedrijven nog altijd weigeren nieuwe buitenlandse concurrenten toegang tot hun markt te verschaffen.

Het Europese statistiekbureau Eurostat heeft op 22 mei 2006 een analyse van de toestand op de Europese elektriciteitsmarkten gepubliceerd.

Slechts tien lidstaten hebben sinds september 2005 hun markt helemaal opengesteld voor de concurrentie. Het gaat om Denemarken, Duitsland, Spanje, Ierland, Nederland, Oostenrijk, Portugal, Finland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk; de klassieke thermische centrales vertegenwoordigen nog altijd 58% van de Europese elektriciteitsproductie; de kernenergie levert 19%, waarvan de helft alleen al in Frankrijk wordt geproduceerd; waterkracht vertegenwoordigt 18% en windturbines 5%. Windenergie ging het sterkst vooruit - met 154% sinds 2000 - en is bijzonder sterk ontwikkeld in Denemarken, Duitsland en Spanje.

De publicatie van dit onderzoek valt samen met de nieuwe initiatieven die de Commissie neemt tegen de concurrentiebeperkingen op de Europese energiemarkten. In maart 2005 heeft de Europese Commissie voor het Europese Hof van Justitie een procedure aangespannen tegen België omdat ons land de richtlijn over de elektriciteitsmarkt niet heeft omgezet.

Daarnaast werden op 20 maart 2006 huiszoekingen verricht bij vestigingen van grote energiegroepen in Duitsland, Frankrijk, Italië, Oostenrijk, België en Hongarije zoals E.ON, Gaz de France, Distrigas en OMV.

De effectieve openstelling van de gas- en elektriciteitsmarkten voor de concurrentie is inderdaad meer dan dringend wegens de stijgende kosten van de energiebevoorrading en de toegenomen energieafhankelijkheid van Rusland.

Een woordvoerder van de Commissie verklaarde dat de huiszoekingen te maken hebben met verdenkingen aangaande de beperking van de toegang tot pijpleidingen en tot opslaginstallaties, en met marktafscherming.

Rekening houdend met deze vastellingen, wens ik te weten hoever het in België staat met de vrijmaking van de interne gas- en elektriciteitsmarkten.

Om de werking van de interne energiemarkt te verbeteren, moeten we zonder verwijl:

Aangezien de analyse van Eurostat verwijst naar kernenergie en duurzame energiebronnen, stel ik voor ook in dat verband een stand van zaken op te stellen.

De kernenergie stond enkele weken geleden in de belangstelling. Wat wil de regering ter zake doen: kerncentrales vernieuwen, bouwen of sluiten?

Wat de duurzame energie betreft, hinkt België achterop vergeleken met Duitsland, Denemarken of Spanje. Beschikt de minister over een operationeel beleidsplan om deze vorm van energie aan te moedigen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Verwilghen.

Samen met u stel ik vast dat enkel de Vlaamse markt 100% opengesteld werd voor de concurrentie. De VREG-rapporten geven aan dat de effecten van de vrijmaking positief zijn. De eindgebruikers die van leverancier veranderen, besparen per jaar gemiddeld 55 euro.

Ik betreur dat het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de vrijmaking niet aanmoedigen.

Sinds mijn aantreden als minister van Energie werden verschillende initiatieven genomen in verband met de infrastructuur voor vervoer en opslag:

Deze voorbeelden tonen aan dat wij inspanningen doen om het net uit te bouwen en onze infrastructuur te integreren in een Europees regionaal geheel.

De kwestie van de bestaande monopolies werd besproken met SUEZ naar aanleiding van de aangekondigde fusie tussen SUEZ en Gaz de France.

De Europese Commissie onderzoekt momenteel het dossier. De regering heeft een lange lijst van eisen en vragen opgesteld met het oog op het tot stand komen van een goed functionerende energiemarkt.

Zowel de regering als ikzelf hebben ons ingespannen om de toestand recht te trekken.

De bevoegdheden van onze regulator houden gelijke tred met het Europees niveau en met de in voege zijnde wetgeving.

In verband met de integratie van de milieukosten in de energieprijzen, wens ik als minister van Energie en Economie in de eerste plaats te zorgen voor competitieve en redelijke prijzen voor alle eindgebruikers.

De taksen waarover u het hebt, zijn veelal gewestelijk. U moet uw vraag bijgevolg stellen aan de gewestelijke verantwoordelijken.

Ik wacht de resultaten van de studie Energie 2030 af alvorens verklaringen af te leggen over de kernenergie. De voorlopige versie van het rapport wordt verwacht tegen september of oktober 2006.

Wat de duurzame energie betreft, heb ik gisteren in Oostende de concessie toegekend voor het tweede offshore windmolenpark.

Een derde dossier werd onlangs ingediend. Het offshore vermogen benadert daarmee 900 MW. De regering heeft ook beslist de ondergrondse kabel die de windmolenparken op zee verbindt met het hoogspanningsnet, mee te financieren.

Dat zijn slechts enkele maatregelen in verband met duurzame energie die we in het kader van onze bevoegdheden hebben genomen.

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - Het verbaast me dat de minister over een positief resultaat spreekt terwijl België door de Europese Commissie werd veroordeeld.

Als gewestelijk volksvertegenwoordiger heb ik bij het Gewest de gewestelijke taksen aangekaart. Men heeft me echter naar het federale niveau doorverwezen. De gewestelijke en federale niveaus proberen de verantwoordelijkheid blijkbaar op elkaar af te schuiven.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - In alle departementen zullen energiedebatten moeten plaatsvinden. Ik denk aan de toenadering tussen SUEZ en Gaz de France en aan de houding van de Europese Commissie tegenover de energieafhankelijkheid van Europa.

We zullen zeker de gelegenheid krijgen deze vragen in de commissie te bespreken. Collega Verwilghen kon dat vandaag niet doen omdat hij nog op informatie wacht.

De Europese Commissie zet haar onderzoek voort, ook dat bij de Europese privé-ondernemingen. Wij verwachten van haar dat zij de Europese richtlijnen in alle landen op dezelfde manier toepast. De kwestie SUEZ-Gaz de France toont aan dat de richtlijnen in Frankrijk en in België niet op dezelfde manier worden toegepast. Ons land staat veel verder. De houding van de Commissie verschilt echter nogal eens naargelang het om een groot of een klein land gaat.

De federale regering heeft de Commissie opgeroepen tot spoed. Ik ben ervan overtuigd dat na het parlementaire reces in de commissie zeer belangrijke debatten zullen plaatsvinden over verschillende rapporten en adviezen die we nog moeten krijgen. Uw vragen zullen op dat ogenblik pertinent zijn.

Mevrouw Amina Derbaki Sbaï (Onafhankelijke). - U had het over de verschillen tussen lidstaten. De vrijmaking van de markt werd nochtans voor bijna 90% gerealiseerd. Een kleine inspanning van België zou volstaan om de Europese Commissie tevreden te stellen.

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de invoering van veralgemeende brandveiligheidsnormen» (nr. 3-1695)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over «de basisnormen voor brandveiligheid voor industriegebouwen» (nr. 3-1689)

De voorzitter. - Ik stel voor deze vragen om uitleg samen te voegen. (Instemming)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Luc Willems (VLD). - Vlaanderen werd de afgelopen maanden geconfronteerd met verscheidene grootschalige branden in bedrijven of winkelpanden. Door de bouwwijze van de getroffen winkelpanden kon het vuur gemakkelijk overslaan van het ene naar het andere pand. Achteraf viel echter vooral op hoe verschillend de gebruikte brandbeveiliging was.

In feite verschillen de normen inzake brandveiligheid die aan bedrijven en winkels of winkelketens worden opgelegd, van gemeente tot gemeente of van brandweerkorps tot brandweerkorps. Een grote schoenwinkelketen met 120 vestigingen bevestigde bijvoorbeeld dat er slechts in 4 van de 120 winkels een sproeisysteem was geïnstalleerd dat in werking treedt bij een bepaalde temperatuur. In de overige 116 vestigingsplaatsen was zo'n sproeisysteem niet verplicht, zodat het ook niet werd aangeschaft.

Werkt de minister reeds aan algemene brandveiligheidsnormen die voor bedrijven of winkelpanden in het hele land gelden?

Is er al overleg geweest met de gemeentelijke overheden, de brandweerkorpsen en verantwoordelijken van bedrijven of winkels?

Gaat de voorkeur van de minister uit naar de invoering van verstrengde normen of wordt eerder een soort gemene deler van de bestaande systemen gezocht?

Acht de minister de invoering van dergelijke algemene brandveiligheidsnormen nog mogelijk vóór het einde van de huidige legislatuur?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Op 29 mei 2006 legde een brand op het bedrijventerrein in Deurne diverse opslagplaatsen in de as. Vermoedelijk ontstond de brand tijdens dakwerken aan een lege loods.

Het is natuurlijk niet de eerste keer dat bedrijventerreinen met brand worden geconfronteerd. Daarbij gaat jaarlijks voor miljoenen euro's in vlammen op en lopen de werknemers van deze bedrijven gevaar. Toch is er in België nog steeds geen basisnorm voor brandveiligheid voor industriegebouwen, als we de directeur van de BrandweerVereniging Vlaanderen mogen geloven. De FOD Binnenlandse Zaken legt de laatste hand aan een regeling, maar die is nog niet van kracht.

De BrandweerVereniging Vlaanderen dringt naar eigen zeggen al ruim tien jaar aan op nationale basisnormen voor brandveiligheid voor opslagplaatsen, winkelpanden, productiehallen en raffinaderijen. Ook bedrijven met verscheidene vestigingen in België zijn vragende partij voor een duidelijke, algemeen geldende regeling.

Intussen hanteert elk brandweerkorps eigen richtlijnen, waardoor van uniformiteit geen sprake is. Blijkbaar is het moeilijk om tot een consensus te komen. Aannemers en bouwmaterialenproducenten vrezen een verhoging van de bouwfactuur omdat bepaalde essentiële, dragende bouwelementen aan strengere normen zullen moeten voldoen.

Volgens De Tijd lijkt een regeling met betrekking tot nationale basisnormen voor brandveiligheid in de maak. In welk stadium bevindt zich de bewuste regeling en wanneer zal ze ook effectief van kracht zijn?

Waarom heeft de betreffende regeling zo lang op zich laten wachten?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Dewael op de vraag van de heer Willems.

Mijn diensten zijn bezig met het opstellen van basisnormen voor nieuwe industriële gebouwen. Deze normen zullen de brandveiligheid niet regelen in bestaande industriële panden. Er bestaat echter al een reglementering voor nieuwe winkelcomplexen.

De reglementering wordt uitgewerkt in een werkgroep samengesteld uit leden van de Hoge Raad voor de beveiliging tegen brand en ontploffing. Zij vertegenwoordigen zowel openbare als particuliere belangen, zodat impliciet kan worden gesteld dat er een overleg plaatsgrijpt.

De reglementering wordt uitgewerkt met alle betrokken partijen, zodat er een evenwicht tussen veiligheid en economische belangen ontstaat.

Ik lees nu het antwoord op de vragen van de heer Vandenberghe.

Een werkgroep binnen de Hoge Raad voor de beveiliging tegen brand en ontploffing legt momenteel de laatste hand aan het technische deel van een regelgeving voor de brandveiligheid van nieuwe industriële gebouwen. Daarna volgt nog een lange administratieve weg. De datum van bekendmaking zal vermoedelijk rond eind 2007 liggen. De oorzaken van de lange duurtijd voor het opstellen van die reglementering kunnen worden gezocht in de bekommernis voor een evenwichtige regeling die wetenschappelijk onderbouwd is. Ze moet, enerzijds, een aanvaardbaar veiligheidsniveau waarborgen en, anderzijds, rekening houden met de belangen van alle sectoren. In de werkgroep zijn zowel de particuliere als de openbare belangen vertegenwoordigd.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de Eerste minister over «het beeld bij de Vlamingen van politici, ambtenaren en overheidsinstellingen» (nr. 3-1686)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Een recente studie, `Werken aan de Overheid' van het Instituut voor de Overheid van de KULeuven, peilde bij 500 Vlamingen naar hun mening over het voorkomen van corruptie en onethisch gedrag bij de Belgische politici en ambtenaren. De resultaten liegen er niet om. Volgens drie vierden van de respondenten komt corruptie onder onze politici veelvuldig tot geregeld voor. Slechts 3,7% ziet geen corruptie.

De Belgische ambtenaren maken zich niet minder vaak schuldig volgens de ondervraagde Vlamingen. Ook zij doen volgens 66,8% in meer of mindere mate aan oneerlijke praktijken.

Verontrustende cijfers, vinden ook de onderzoekers Steven Van Roosbroek en Jeroen Maesschalck. Toch moeten ze volgens hen genuanceerd worden. Van Roosbroek zegt: `Wat de cijfers weergeven, is niet de feitelijke corruptie bij politici en ambtenaren maar de perceptie van de ondervraagden over corruptie bij die groepen.'

Exacte cijfers over daadwerkelijke corruptie zijn niet voorhanden, omdat het daar gaat over verborgen feiten. `Wat de cijfers ons wel leren, is dat er een probleem is met het vertrouwen in de overheid', weet Jeroen Maesschalck.

Dat politiek en corruptie zo hand in hand gaan in de hoofden van de ondervraagden, kan volgens de onderzoekers te maken hebben met het imago van de overheid en met de toegenomen aandacht in de pers voor corruptieschandalen.

Op de vraag of de bevolking meer of minder corruptie ziet dan vroeger, blijven de onderzoekers het antwoord schuldig. De voorgaande jaren stelden we andere vragen, aldus de onderzoekers. En verder: `Om dus echt over de jaren heen te kunnen vergelijken, moet altijd dezelfde vraag worden gesteld. Dit is in Duitsland trouwens de regel. Verder onderzoek is zeker nog nodig. We hopen hieromtrent over een vijftal jaar duidelijke resultaten te kunnen brengen. Corruptie is sowieso het moeilijkst om te meten.'

De overgrote meerderheid van de ondervraagden Vlamingen, 85 tot 78%, is verder ook van mening dat ambtenaren vaak tot soms misbruik maken van hun functie om zichzelf of iemand anders voordeel te brengen; 62% is ervan overtuigd dat een `lange arm' nodig is, wil je iets gedaan krijgen van de overheid en de administratie.

Eén op de drie Belgen heeft een groot vertrouwen in de burgemeester en de gemeentelijke administratie. De Koning en de Vlaamse minister-president, Yves Leterme, krijgen van de Belgen met respectievelijk 32% en 30% ook heel wat vertrouwen. De Belgische overheid en administratie scoren opmerkelijk slechter. Zo heeft slechts 17,4% van de bevolking veel vertrouwen in de eerste minister.

Dat is niet onlogisch, aldus de onderzoekers. Hoe verder de instelling verwijderd is van de burger, hoe minder vertrouwen hij erin heeft. `Bovendien boezemen personen veel meer vertrouwen in dan instellingen', verklaart Van Roosbroek. Een opvallende vaststelling: we staan wantrouweriger tegenover de Belgische overheid dan tegenover de Europese.

De Belg is ook ontevreden over de politici: 42% van de ondervraagden vindt dat ze geen belangstelling hebben voor de mening van gewone mensen en onvoldoende op de hoogte zijn van wat de burgers denken.

Opmerkelijk zijn ook de resultaten over e-government. Zo willen burgers niet meer maar wel betere onlinediensten. Bovendien vindt 83% van de ondervraagden dat de overheid haar diensten ook via klassieke kanalen moet blijven leveren. `Dat is niet zo verrassend. Nauwelijks de helft van de Belgen gebruikt regelmatig het internet', besluit Van Roosbroek.

Het is duidelijk dat de regering, die zich bij haar aantreden in 1999 had voorgesteld van België een modelstaat te maken, het vertrouwen in het overheidsfunctioneren niet heeft bevorderd en dat is een eufemisme.

Het signaal, dat trouwens reeds geruime tijd bij de bevolking leeft, wordt onvoldoende door de politieke wereld opgenomen en geanalyseerd.

Welke maatregelen stelt de regering concreet voor om het vertrouwen in de overheidsinstellingen en de politieke wereld in het algemeen te verbeteren?

Het gebrek aan vertrouwen heeft ongetwijfeld ook te maken met het feit dat het Parlement onder deze paarse meerderheid haar constitutionele rol niet kan spelen. Acht de regering het niet wenselijk om een totaal gewijzigde houding tegenover de parlementaire instellingen aan te nemen en de mogelijkheid van een meer open debatcultuur in het Parlement in het leven te roepen?

Acht de regering het niet nodig om opnieuw een specifieke anticorruptiedienst in het leven te roepen die meer structureel en meer georganiseerd de corruptie kan bestrijden?

Op welke wijze kan de overheid haar informatieplicht via de klassieke kanalen veel meer uitbreiden en herstellen? Moet een algemeen toegankelijk gedrukt dagelijks Staatsblad niet opnieuw worden ingevoerd?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.

Enquêtes, hoe wetenschappelijk ook, zijn altijd momentopnames. Het is van essentieel belang te weten hoe de steekproef werd samengesteld. Dat is zeker het geval als men, zoals in deze enquête, peilt naar de perceptie van de ondervraagden.

In dit geval heeft men onderzocht hoe vaak bepaalde fenomenen van corruptie en ondeontologisch gedrag werden vastgesteld bij een bepaalde groep in de samenleving, namelijk de Belgische politici en ambtenaren.

Men moet geen expert zijn om te weten dat de perceptie in dezen sterk beïnvloed wordt door de casuïstiek en de aandacht die `affaires', hoe beperkt in aantal ook, krijgen in de media. Dat leidt tot grove veralgemeningen die geenszins ondersteund worden door criminologisch onderzoek.

Ons land heeft sedert de zaak-Dutroux ingrijpende wijzigingen doorgevoerd in de structuren van de diensten, vooral de structuren die gevoelig zijn voor beïnvloeding en normvervaging. Ik verwijs onder meer naar de Octopushervormingen en de reorganisatie van de politie- en gerechtelijke diensten. In 1999 en 2000 werden anticorruptiestrategieën aangenomen die sterk de nadruk leggen op de preventie van normvervaging en corruptie.

Ik verwijs naar een onderzoek van de Universiteit Gent over een geïntegreerd anticorruptiebeleid voor België. Een ander onderzoek van de Universiteit Gent, eveneens in opdracht van de toenmalige minister van Justitie, werd gewijd aan de vleesfraude. Kort nadien brak de dioxinecrisis uit, die leidde tot de versnelde omzetting van de conclusies en aanbevelingen van die studie. We stellen vast dat in die sector in de voorbije jaren nog weinig gevallen van corruptie aan het licht werden gebracht.

Onze strijd tegen de normvervaging en corruptie wordt onverminderd voortgezet. De wetgeving ter bestrijding van de corruptie in overheidsdiensten werd in 1999 uitgebreid tot de corruptie in de particuliere sector. Als gevolg daarvan hebben we bijvoorbeeld in de sport meerdere fraudegevallen opgespoord en, waar nodig, vervolgd en bestraft.

Een anticorruptiebeleid staat of valt met transparantie en de controle op de uitoefening van de macht. De recente gevallen tonen aan dat de detectiemechanismen goed werken.

De rechter moet beoordelen of de tenlasteleggingen terecht zijn. De corruptiepraktijken bewijzen in ieder geval dat de corruptiebestrijding een prioriteit moet zijn in ons opsporings- en vervolgingsbeleid.

Over het vertrouwen van de burger in de overheid werden al veel studies gepubliceerd, overigens met zeer diverse resultaten. Toch is het juist dat er weinig vertrouwen is, maar dat is geen nieuw fenomeen. Dat gebrek aan vertrouwen is, al dan niet om historische redenen, even oud als de oudste studie daarover.

Het antwoord op dat gebrek aan vertrouwen is transparantie. Op dat gebied is het voorbije decennium veel gebeurd. Een voorbeeld is de verplichte aangifte van de inkomsten en functies van nationale politici. Dat is een goede wet, die overeenstemt met het beginsel van de scheiding der machten, omdat de wetgevende macht zichzelf daarmee kan controleren.

Tot slot twijfel ik eraan dat uw voorstel om opnieuw een gedrukt Belgisch Staatsblad uit te brengen het vertrouwen drastisch zal doen stijgen.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de eerste minister dat hij de inspanning heeft gedaan om mijn vraag te beantwoorden. Ik zal zijn opmerkingen over de manier waarop het onderzoek is gevoerd en zijn vragen bij de resultaten aan de onderzoekers doorgeven.

Het is mij opgevallen dat de wetgeving waar de eerste minister naar verwijst, voor het grootste deel tot stand is gekomen voordat de paarse regering is gevormd.

Ten slotte wijs ik erop dat, ondanks niet te ontkennen inspanningen, er een algemene sfeer blijft bestaan die de corrumpering in het beleid van de regering in de hand heeft gewerkt. Ik denk bijvoorbeeld aan de herhaalde fiscale amnestieën - gedeeltelijke en globale - die de indruk wekten dat wie geen belasting betaalt beter af is dan wie ze wel betaalt. Uiteindelijk zal natuurlijk de kiezer oordelen of een dergelijk beleid kan worden verder gezet.

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik denk dat de politieke klasse uw visie grotendeels deelt. Er werden op federaal niveau al wel maatregelen genomen, maar de democratische controle moet nog worden versterkt.

Corruptieschandalen, bijvoorbeeld die welke zich op dit ogenblik voordoen in het zuiden van het land, zijn mogelijk omdat er te weinig democratische controle is, onder meer op de leden van lokale besturen. Het is bijvoorbeeld niet normaal dat een schepen ook voorzitter is van een gemeentelijke commissie. De gemeenteraadsleden zouden, zoals in het parlement, het voorzitterschap van de commissies moeten bekleden om de schepenen te verplichten hun beleid te verantwoorden.

Het debat moet zeker worden voortgezet op het federale niveau, maar ook op het niveau van de gewesten is er nog veel werk aan de winkel. Sommige materies ressorteren onder de decretale bevoegdheid van de regionale parlementen. De hele politieke klasse moet bij dit debat worden betrokken.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het aanbieden van alcoholhoudende dranken in drankautomaten» (nr. 3-1690)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het gebruik van alcohol en andere drugs houdt risico's in voor de fysieke en psychosociale gezondheid, in het bijzonder voor jongeren. Op een leeftijd waarop jongeren nog in de groei zitten vormt het alcoholgebruik een gevaar op lichamelijke schade. Bovendien leidt het gebruik ervan op relatief jonge leeftijd potentieel tot alcoholafhankelijkheid of -verslaving op latere leeftijd.

De wetgeving inzake het verstrekken van alcohol aan minderjarigen is tweeledig: er is de besluitwet van 14 november 1939 betreffende de beteugeling van de dronkenschap en de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht.

Artikel 13 van voornoemde wet van 28 december 1983 bepaalt dat het verstrekken, zelfs gratis, van sterke drank voor gebruik ter plaatse aan minderjarigen verboden is in drankgelegenheden. Bovendien bepaalt artikel 13 dat het verkopen aan minderjarigen van `mee te nemen sterke dranken' verboden is.

Verder bepaalt de wet: `De exploitatie van drankautomaten voor de verkoop van sterke dranken is eveneens verboden op plaatsen waar geen menselijk toezicht wordt gehouden. Indien dergelijke apparaten in werking worden aangetroffen zal een overtreding worden vastgesteld, die wordt bestraft overeenkomstig artikel 24 van de wet'.

Het koninklijk besluit van 27 november 1996 dat de wet van 28 december 1983 wijzigde, veranderde het alcoholpercentage dat bepaalt of een drank al dan niet fiscaal onder sterke drank valt. Deze werd verlaagd van 22% naar 1,2% voor gedistilleerde alcohol.

Op een vraag van collega Vandenberghe van 14 augustus 2001 antwoordde de toenmalige minister van Volksgezondheid: `Krachtens artikel 13 van de wet van 28 december 1983 betreffende het verstrekken van sterke drank en betreffende het vergunningsrecht is het verboden dranken met een alcoholgehalte van meer dan 22% via automaten of in de kleinhandel te verkopen aan minderjarigen, dus jongeren van minder dan 18 jaar. Automaten mogen dus niet zulke dranken bevatten. Dranken met een lager alcoholgehalte, zoals bier en wijn, mogen wel via automaten worden verkocht, net als in de detailhandel'.

Uit de interpretatie van de wet van 1983 blijkt dus dat alcoholische dranken met een alcoholgehalte van minder dan 22%, dus ook alcoholpops, die mengsels of cocktails zijn met sterke drank, in de huidige stand van de wetgeving via drankautomaten kunnen worden verdeeld.

In de eerste helft van 2002 stelde volksvertegenwoordiger Dalila Douifi aan de minister van Financiën een parlementaire vraag over het verstrekken door de diensten Douane en Accijnzen van permanente vergunningen voor het schenken van sterke dranken aan jeugdhuizen. Minister Reynders antwoordde: `Er is geen twijfel mogelijk dat alcoholpops worden beschouwd als sterke drank. De regeling is van kracht sinds 1 januari 1997 voor alle dranken met een alcoholpercentage van 1,5 procent en meer. Alcoholpops vallen er dus ook onder.'

Er is dus onduidelijkheid of gemixte dranken, zoals alcoholpops, al dan niet worden beschouwd als sterke drank. Fiscaal gezien is dat wel het geval, maar volgens de wet van 1983 niet.

Bovendien zijn er alcoholpops die geen gedistilleerde alcohol bevatten zoals Martini Jigger en Woodpecker Red.

Er is dus dringend nood aan een eenduidige interpretatie van de wet over sterke dranken.

In mei 2005 sloot minister Demotte ook een akkoord met de sector met als doel bier en alcoholpops in de buurt van scholen, jeugdlokalen en jeugdclubs te doen verdwijnen uit drankautomaten. Omdat uit de praktijk blijkt dat dit niet werkt, besloot de minister de afspraken om te zetten in een wet. Onlangs werd mij nog gesignaleerd dat aan een school in Wachtebeke een drankautomaat staat met alcoholpops die voor overlast zorgt. De voorbije jaren werd ik meermaals per jaar door gemeentebesturen op de hoogte gebracht van dergelijke feiten.

Op 18 mei 2006 werd het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 januari 1977 betreffende de bescherming van de gezondheid van de gebruikers op het stuk van de voedingsmiddelen en andere producten ingediend in de Kamer. Deze tekst is vandaag nog niet beschikbaar. Ik weet dus niet of met deze wet het probleem van de sterke dranken zal worden opgelost.

Het wetsvoorstel 2-1109 van collega's de Schamphelaere, Thijs en mijzelf uit de vorige regeerperiode werd goedgekeurd in de Senaat, maar niet meer in de Kamer. Het wetsvoorstel bepaalt dat mengsels, waarbij gebruik wordt gemaakt van sterke dranken, ook al bevatten ze niet meer dan 22% alcohol, uit de drankautomaten verwijderd moeten worden. De collega's van de Kamer en de regering hebben geacht dat het voorstel niet uit de nietigheid moest worden geheven bij het begin van deze regeerperiode. De minister zei toen dat dit wetsvoorstel niet nodig was omdat de regering binnen enkele weken een eigen, beter, ontwerp zou voorleggen. Vandaag is er nog steeds geen ontwerp betreffende de verkoop van sterke drank in automaten. Het probleem blijft intussen bestaan.

Kan de minister duidelijkheid geven over de interpretatie van de wet? Zijn alcoholpops volgens de huidige wetgeving sterke dranken of niet?

Zijn alcoholpops volgens de huidige wetgeving bijgevolg verboden in drankautomaten?

Schept het wetsontwerp van de minister juridische duidelijkheid over het statuut van alcoholpops? Ik verwijs naar het wetsontwerp dat in de Kamer is ingediend, maar waarvan de tekst deze middag nog niet beschikbaar was.

Bevat het wetsontwerp een verbod op de verkoop van alcoholpops in alle drankautomaten of zijn er enkel beperkende maatregelen voor alcohol rondom scholen en andere jeugdlocaties?

(Voorzitter: mevrouw Anne-Marie Lizin.)

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Demotte.

De verkoop van alcohol aan minderjarigen wordt geregeld door de wet van 28 december 1983 betreffende de vergunning voor het schenken van sterke drank. Artikel 13 van deze wet stipuleert: `Het verkopen en het aanbieden, zelfs gratis, van mee te nemen sterke dranken aan minderjarigen zijn verboden.'

Deze bepaling betreft zowel de gewone verkoop als de verkoop via drankautomaten. Ze heeft immers betrekking op alle verkoopsvormen waarbij men de drank kan `meenemen'.

De door deze bepaling geviseerde dranken worden gedefinieerd door artikel 16 van de wet van 7 januari 1998 betreffende de structuur en de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken, die de wet van 29 december 1992 vervangt.

Worden beschouwd als sterke dranken de gedistilleerde dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 1,2%, de gegiste dranken met een alcoholvolumegehalte van meer dan 22% en brandewijn.

De dranken worden naargelang van hun productiewijze, gedistilleerd of gegist, in een bepaalde categorie ondergebracht.

Vandaag blijkt dat de alcopops ofwel in de eerste categorie (Bacardi & cola), ofwel in de tweede categorie (limonade en bier) zijn ondergebracht. In sommige gevallen waarbij de twee procédés worden gecombineerd (gisting + ethanol), kunnen de producenten hun producten nog op de markt brengen als gegiste dranken met een alcoholvolumegehalte van ongeveer 5%. Daardoor ontsnappen ze aan de belasting als sterke drank en aan het verbod van verkoop aan minderjarigen.

Deze wazige en complexe materie valt onder de bevoegdheid van Financiën en lijkt op Europees niveau in beweging te zijn. Ze zal zeker ter sprake komen in het nationale plan `Alcohol' waaraan mijn diensten nu werken. We moeten alleszins voorzichtig te werk gaan.

Een strikte interpretatie van de huidige wetgeving leidt ertoe dat naargelang de productiemethode, de verkoop van alcopops via drankautomaten, soms verboden en soms toegestaan is.

De overeenkomst die we met de sector hebben afgesloten en waaraan het wetsontwerp regelgevende kracht toekent, beschouwt de alcoholhoudende dranken als een geheel, namelijk alle dranken die meer dan 1,2% alcohol bevatten. Alcoholhoudende dranken mogen niet in de rekken met frisdranken worden aangeboden.

De overeenkomst stipuleert dat de verkoop van alcoholhoudende dranken verboden is in drankautomaten die geplaatst zijn in buurten waar veel jongeren komen en niet in alle drankautomaten. Het wetsontwerp wijzigt niets aan de inhoud van deze overeenkomst.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Behalve de toelichting bij het wetsontwerp dat in de Kamer is ingediend, heb ik niet veel nieuws vernomen. Bovendien vrees ik dat het ontwerp niet voldoet.

Het probleem is immers dat de overeenkomst die met de sector werd gesloten niet volstaat. Als na de evaluatie van de overeenkomst niet wordt besloten om wettelijke maatregelen te nemen, dan vrees ik dat het een maat voor niets wordt. Ik zal minister Demotte daarover ondervragen tijdens de bespreking van de wet in de commissie.

Inmiddels blijft het uit alle hoeken van het land klachten regenen over de verkoop van alcoholhoudende dranken in drankautomaten in de nabijheid van scholen, waardoor kinderen jonger dan tien jaar die dranken zonder enig toezicht gebruiken.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Mobiliteit over «het aantal vrachtwagens dat niet conform is» (nr. 3-1694)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Telkens als er een ongeval gebeurt met een bus of een vrachtwagen, liggen onmiddellijk de rij- en rusttijden, de vergunningen, de snelheid en de concentratie van de bestuurder onder vuur. De vraag rijst of in plaats van incidentele heisa, niet meer een algemene aanpak is aan te bevelen.

Uit cijfers van de federale politie blijkt dat één op de tien vrachtwagens die gecontroleerd werden bij een grootscheepse politieactie in de wegtransportsector in Brussel in overtreding bleek met de sociale wetgeving. Een klein aantal van de gecontroleerde vrachtwagenbestuurders bleken niet in orde te zijn met de rij- en rusttijden. Daarnaast stelde de politie ook vijftien inbreuken op de fiscale wetgeving vast. Van één bedrijf bleken meerdere vrachtwagens in overtreding.

In totaal werden bij de controles ook zeven geseinde personen onderschept, voerde de politie twee gerechtelijke en vijf administratieve aanhoudingen uit en werden 76 processen-verbaal opgesteld.

Welke conclusies trekt de minister uit de resultaten van die politieactie?

Welke maatregelen wil de minister nemen om inbreuken op de sociale én de fiscale wetgeving in de transportsector terug te dringen?

Is de minister van plan om overleg te plegen met de transportsector om het probleem van de inbreuken op de sociale en de fiscale wetgeving aan te pakken?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister van Mobiliteit.

Alvorens in te gaan op de concrete vragen, is enige verduidelijking bij de speciale politiecontrole op het vrachtvervoer in Brussel op zijn plaats.

Die actie gebeurde niet op initiatief van de federale politie alleen. Ze werd opgezet door het Arbeidsauditoraat van Brussel en diverse controlediensten werden erbij betrokken: de federale politie die voor de praktische organisatie instond, de betrokken zones van de lokale politie, de gespecialiseerde korpsen van controleurs en inspecteurs van zowel de Dienst Controle van het Wegvervoer als van de FOD Mobiliteit en Vervoer, de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg, de FOD Sociale Zaken, het RIZIV en de Douane.

Voor die grondige multidisciplinaire aanpak werd dus een beroep gedaan op alle gespecialiseerde korpsen en op hun grondige kennis inzake de regelgeving op hun terrein.

Het was de bedoeling om op het Brusselse grondgebied inbreuken te vervolgen op de Belgische sociale en fiscale wetgeving, op de internationale sociale wetgeving inzake rij- en rusttijden en op andere regelgevingen met betrekking tot het wegvervoer en het verkeer.

Dat het initiatief uitging van het Arbeidsauditoraat, is positief, want daardoor wordt de relatie tussen justitie en de controlekorpsen versterkt, wat bijdraagt tot de doeltreffendheid van hun optreden.

Een definitieve debriefing van de actie zal plaatsvinden op 27 juni eerstkomend bij de arrondissementscel van het Arbeidsauditoraat van Brussel.

Wat de eerste vraag betreft, ben ik voorstander van een multidisciplinaire aanpak, die borg staat voor grondigheid en deskundigheid. De betrokkenheid van het gerecht biedt een meerwaarde voor het gevolg dat aan de vaststellingen wordt gegeven.

De dienst Controle van het Wegvervoer van mijn FOD werkt al verschillende jaren samen met de genoemde controlediensten, in het kader van het actieplan van 20 november 2001 tot samenwerking van de verschillende Belgische controlediensten die bevoegd zijn voor de het toezicht op het vervoer van personen en goederen over de weg.

Concreet meen ik dus dat dit soort acties moet worden voortgezet, eventueel in andere grote steden. De onderlinge uitwisseling van informatie tussen de diverse betrokken controlediensten is ook een belangrijk element bij deze acties. Dat geldt ook voor de uitwisseling van informatie tussen de controledienst en de regelgevende dienst binnen elk vakgebied.

Wat de tweede vraag betreft, behoort het tot de bevoegdheid van mijn collega's van Financiën en van Werk om binnen hun bevoegdheidssfeer verdere maatregelen te nemen om het aantal overtredingen van hun respectieve regelgeving terug te dringen. Ikzelf neem de nodige maatregelen binnen mijn bevoegdheidssfeer.

De uitwerking van een boetecatalogus is één van de maatregelen die ik thans neem om de overtredingen van de regelgeving van mijn departement in te dijken. Het betreft een gewogen gradatie van de boetes volgens de ernst van de overtredingen.

Voor de derde vraag geldt hetzelfde antwoord. Alle betrokken overheidsdiensten hebben specifieke structuren voor overleg met de transportsector. Bij de FOD Mobiliteit en Vervoer geschiedt dat overleg in het Overlegcomité Goederenvervoer over de weg.

Vraag om uitleg van mevrouw Stéphanie Anseeuw aan de staatssecretaris voor Overheidsbedrijven over «de toegankelijkheid van de postkantoren voor mensen met een handicap» (nr. 3-1687)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Uit een onderzoek van Test-Aankoop in 210 kantoren van De Post in het hele land, onder meer naar de toegankelijkheid van de kantoren voor mensen met een handicap, blijkt dat het daarmee slecht gesteld is.

In principe moeten alle openbare gebouwen toegankelijk zijn voor mensen met een beperkte mobiliteit. Nauwelijks 47% van de bezochte postkantoren blijkt vrij gemakkelijk toegankelijk te zijn voor mensen met een beperkte mobiliteit zoals senioren, mensen in een rolstoel, enzovoort. In een kwart van de kantoren zijn die mensen aangewezen op hulp van anderen en in 28% van de gevallen is de toegang voor personen met een beperkte mobiliteit problematisch of zelfs onmogelijk.

De slechte resultaten van het onderzoek naar de toegankelijkheid van de gebouwen van De Post voor personen met een beperkte mobiliteit verbazen mij helemaal niet. Ook het postkantoor in mijn eigen gemeente, Koksijde, is voor mij ontoegankelijk.

Ik wijs erop dat het probleem niet beperkt blijft tot de andersvaliden. De vele treden vóór een postkantoor zijn immers niet alleen een onoverkomelijke hindernis voor mensen in een rolstoel, maar ook voor ouders met een kinderwagen, leveranciers, hulpdiensten, senioren of kleine kinderen.

Ik ben van oordeel dat de beheersovereenkomst met De Post onmiddellijk moet worden bijgestuurd. In die beheersovereenkomst verbindt De Post er zich momenteel enkel toe om bij verbouwingswerken van structurele aard in de nieuwe postkantoren te zorgen voor een gemakkelijke toegang voor andersvaliden `voor zover de stedenbouwkundige voorschriften en de huurcontracten het toelaten' en `voor zover de kosten van de structurele aanpassingen in een redelijke verhouding staan ten opzichte van de totale kost'. Dat heeft veel weg van een vrijgeleide of erger nog, van een lege doos.

In 2005 zou De Post slechts het luttele bedrag van 120.000 euro uitgetrokken hebben om de kantoren toegankelijker te maken. Welk concreet bedrag zal De Post in 2006 uittrekken om de toegankelijkheid van zijn kantoren te verbeteren en is dat genoeg? Over hoeveel postgebouwen spreken we dan?

Hoeveel kantoren zijn vandaag ontoegankelijk voor personen met een beperkte mobiliteit en in hoeveel kantoren zijn die mensen aangewezen op hulp van derden om binnen te geraken? Wanneer zullen alle kantoren volledig toegankelijk zijn voor iedereen?

Welke initiatieven heeft de staatssecretaris al genomen om de toegankelijkheid van de kantoren te verbeteren en welke budgetten heeft hij daar concreet voor uitgetrokken?

Is de staatsecretaris het met mij eens dat de huidige beheersovereenkomst tekortschiet op het gebied van concrete doelstellingen om de toegankelijkheid van de kantoren van De Post te verhogen en dat de beheersovereenkomst moet worden bijgestuurd in die zin dat De Post een resultaatsverbintenis moet voorleggen en concrete bedragen naar voren moet brengen? Zo neen, kan de staatsecretaris dit uitvoerig toelichten en aangeven welke andere concrete maatregelen hij zal treffen en wanneer?

Is de staatssecretaris het eens met het principe dat De Post geen huur mag hernieuwen of geen nieuwe gebouwen mag aanschaffen of leasen die niet voldoen aan het principe van de toegankelijkheid van openbare gebouwen voor iedereen? Zo neen, kan de staatsecretaris dat uitvoerig toelichten? Zo ja, hoe zal hij dat afdwingbaar maken en vooral tegen wanneer?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Tuybens.

Er is geen specifiek budget. De werken voor een betere toegankelijkheid maken deel uit van een meerjarenplan voor de geleidelijke modernisering van de postkantoren. De noodzakelijke renovatiewerken met het oog op het verbeteren van de veiligheid en de werkomstandigheden voor het personeel vormen de prioriteiten van dat plan.

De Post telde 308 `ontoegankelijke' kantoren of postkantoren met een drempel van meer dan één trede. Bijna 300 andere kantoren worden als `moeilijk toegankelijk' beschouwd.

Het beleidsplan van De Post voorziet tegen 2011 in structurele infrastructuurwerken in een twintigtal kantoren. Van de 39 in 2005 gerealiseerde of voor 2006 geplande projecten zijn of zullen 35 kantoren volledig toegankelijk zijn. Bij de nieuwe kantoren zal getracht worden het aantal moeilijk toegankelijke kantoren nog te verminderen of indien mogelijk tot nul te herleiden.

De budgetten voor het verbeteren van de toegankelijkheid van de kantoren in het raam van de infrastructuurprojecten van structurele aard, zijn begrepen in de algemene renovatiebudgetten.

Voor de postpunten wordt evenveel aandacht besteed aan de toegankelijkheid. De algemene voorwaarden van het bestek dat de kandidaat-aannemers wordt toegezonden, nemen letterlijk het artikel over van het beheerscontract tussen de Staat en De Post. De woorden `De Post' worden evenwel vervangen door de woorden `de partner'.

Dankzij de maatregelen van het vijfjarenplan van De Post met betrekking tot de ontwikkeling van haar netwerk zou het aantal ontoegankelijke of moeilijk toegankelijke plaatsen van de huidige 45% moeten verminderen tot ongeveer 10% in 2011.

Vergeleken met het derde beheerscontract heeft De Post enkele belangrijke bijkomende verplichtingen op zich genomen in verband met de toegankelijkheid van de verkooppunten.

Bij verbouwingen moet in de mate van het mogelijke en van het redelijke voor een gemakkelijke toegang worden gezorgd.

De Post doet al het nodige om deze verplichting op te leggen aan de postpunten of postwinkels die in aanbouw zijn of die worden verbouwd.

Zoals bepaald in het beheerscontract zal via enquêtes over klanttevredenheid worden nagegaan of die verplichting wordt nageleefd.

Om haar verplichtingen te kunnen nakomen heeft De Post een algemene begroting opgesteld voor de stelselmatige vernieuwing van haar net.

Mevrouw Stéphanie Anseeuw (VLD). - Ik dring er op aan om zo vlug als mogelijk werk te maken van de resultaatverbintenis met De Post.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Leefmilieu en minister van Pensioenen over «het gelijktijdig hebben van een rust- en overlevingspensioen en een vervangingsinkomen» (nr. 3-1691)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - Ik heb de minister van Pensioenen al een vraag gesteld over het gelijktijdig hebben van een overlevingspensioen en een vervangingsinkomen.

Ik werd verschillende keren geconfronteerd met dossiers van personen van wie de partner is overleden en die een overlevingspensioen ontvangen. Die mensen zijn vaak gedwongen te werken om rond te komen.

Artikel 64 van het koninklijk besluit van 21 december 1967 tot vaststelling van het algemeen reglement betreffende het rust- en overlevingspensioen van loontrekkenden, bepaalt dat een beroepsactiviteit binnen bepaalde grenzen in overeenstemming is met de uitkering van een pensioen.

In geval van ziekte of arbeidsongeval verliezen die mensen, na de periode die door de werkgever wordt gedekt, het recht op ziekteverzekering of een uitkering na een arbeidsongeval.

In het kader van het generatiepact is de cumulatie van een overlevingspensioen met arbeid mogelijk, maar er is wel een beperking op het totale inkomen: het overlevingspensioen en het bruto inkomen uit de toegestane arbeid.

Het gaat om een totaal inkomen van 26.200 euro per jaar, verhoogd met 3.710,80 euro per kind ten laste. De maatregel treedt op 1 januari 2007 in werking.

Tijdens periodes van gedekte werkloosheid of ziekte blijft het overlevingspensioen behouden, maar beperkt tot een basisbedrag van 438,29 euro, de inkomensgarantie voor ouderen, IGO, voor de maximumduur van één jaar.

Voor jonge weduwnaars of weduwen zal worden onderzocht in welke mate het overlevingspensioen uitdovend kan zijn. Deze mensen kunnen immers begeleid worden in het zoeken naar een job.

Wat de arbeidsongevallen betreft, bepaalt de wet van 10 april 1971 betreffende de arbeidsongevallen in artikel 42bis, gewijzigd door artikel 5 van de wet van 2 juli 1981, dat de koning kan bepalen in welke mate de prestaties die overeenkomen met deze wet kunnen worden gecumuleerd met die welke zijn toegekend in het kader van andere stelsels van sociale zekerheid of sociale voorzieningen.

Ter toepassing van deze bepaling werd via het koninklijk besluit van 13 januari 1983 de cumulatie van invaliditeitsuitkeringen ingevolge een arbeidsongeval met een rust- of overlevingspensioen beperkt.

Er is dus een discriminatie tussen de niet-gepensioneerde invaliden, die de volledige vergoeding krijgen waarin de wet voorziet, en de gepensioneerden, die hun invaliditeitsuitkering gevoelig zien verminderen. De situatie van die gepensioneerden is des te erger omdat het Fonds voor Arbeidsongevallen de uitkeringen terugvordert.

Ik zou graag een antwoord krijgen op de volgende vragen.

Is het onderzoek naar de uitdoving van het overlevingspensioen voor jonge weduwen of weduwnaars gebeurd overeenkomstig de maatregelen van het generatiepact?

Zal de minister het probleem aanpakken van de discriminatie tussen de niet-gepensioneerde invaliden, die 100% uitkering krijgen door de wet op de arbeidsongevallen, en de gepensioneerden, die hun invaliditeitsuitkering gevoelig zien verminderen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Tobback.

1. De discussie over het generatiepact spitste zich vooral toe op de overlevingspensioenen. Er werden twee maatregelen genomen om aan de specifieke situatie van de overlevende echtgenoot tegemoet te komen.

Voortaan wordt het overlevingspensioen dat wordt gecumuleerd met een beroepsactiviteit die binnen bepaalde grenzen wordt toegestaan, beperkt worden tot een algemeen inkomen, het bedrag van het overlevingspensioen en het bruto inkomen uit de toegestane beroepsactiviteit. We spreken niet meer over grenzen voor de toegestane arbeid.

Door deze nieuwe maatregel kan degene met een klein overlevingspensioen meer bijverdienen dan degene die een hoger pensioen heeft. Wat boven het vastgestelde bedrag valt, wordt afgetrokken van het overlevingspensioen, maar een deel is vrijgesteld. Hierdoor kan elke euro die het maximumbedrag overschrijdt, voor de betrokkene toch een netto winst zijn.

Tijdens periodes van werkloosheids- of ziektevergoeding, is het overlevingspensioen beperkt tot 447,06 euro; het gewaarborgd inkomen voor ouderen. Dit zal worden beperkt tot een periode van twaalf maanden voor de hele duur van de loopbaan. In de periode van twaalf maanden moet de betrokkene kiezen tussen een overlevingspensioen of een vervangingsinkomen.

Deze twee maatregelen, die vanaf 1 januari 2007 van toepassing zullen zijn, zijn voor mij in elk geval een prioriteit.

Ondertussen zal worden nagedacht over het systeem van het overlevingspensioen zelf.

In afwachting heb ik een diepgaand wetenschappelijk onderzoek gevraagd. Er zal tegelijkertijd bijkomend onderzoek worden gevoerd naar de noden en de verwachtingen van mensen die hun partner verliezen. Aangezien het gaat om mensen met heel uiteenlopende familiale en professionele situaties, zullen er verschillende oplossingen worden uitgewerkt.

De resultaten van deze onderzoeken, waarop het beleid van het overlevingspensioen zal gebaseerd worden, zullen op de conferentie Vrouw & Pensioen op 17 oktober 2006 worden meegedeeld.

2. Bij een uitkering voor een arbeidsongeval of een beroepsziekte wordt het pensioen van een werknemer op grond van de huidige reglementering bij cumulatie niet verminderd.

In een recent arrest van het Hof van Cassatie werd het probleem aangeroerd van de wettigheid van het koninklijk besluit van 13 januari 1983 ter uitvoering van artikel 66 van de wetten betreffende de vergoedingen voor beroepsziekten, gecoördineerd op 3 juni 1970, die de cumulatie regelt van bepaalde uitkeringen voor beroepsziekten en pensioenen.

Dit koninklijk besluit sluit aan bij de economische maatregelen die in het begin van de jaren tachtig door de toenmalige regering werden genomen. Het betreft een beperking van de cumulatie van een rust- en overlevingspensioen met een uitkering voor beroepsziekten.

Uitgaande van het principe dat die uitkering geen vervangingsinkomen is, wordt door dit besluit de uitkering gevoelig verminderd. De uitkering wordt forfaitair vastgelegd als het slachtoffer met pensioen gaat.

Het arrest van het Hof van Cassatie betreft een individueel geval, dat evenwel snel navolging kan krijgen. Zowel bij het Fonds voor Beroepsziekten als bij het Fonds voor Arbeidsongevallen werden al veel dossiers ingediend.

Er is eenzelfde onwettige bepaling inzake arbeidsongevallen, al is hiervan geen sprake in het arrest van het Hof van Cassatie.

De juridische onzekerheid die door het arrest van het Hof van Cassatie is ontstaan, kan grote budgettaire gevolgen hebben voor de sociale zekerheid. Die zijn echter moeilijk te evalueren. In een maximaal scenario kunnen de bedragen oplopen tot 728 miljoen euro: 100 miljoen euro per jaar voor de beroepsziekten vermenigvuldigd met 5 (verjaringstermijn van 5 jaar) en 76 miljoen euro per jaar voor de arbeidsongevallen, vermenigvuldigd met 3 (verjaringstermijn van 3 jaar).

Met het voorontwerp van wet houdende diverse dringende bepalingen wordt juridische zekerheid gecreëerd voor de correcte toepassing van de reglementering van 1983. Deze bepalingen hebben een terugwerkende kracht en zijn van toepassing tot 1 januari 2007. Via een koninklijk besluit zal dus rechtszekerheid worden gecreëerd.

De heer Berni Collas (MR). - Ik zal deze gedetailleerde inlichtingen, de voornemens en de gegevens omtrent de jurisprudentie in de komende dagen bestuderen. Ik wacht met spanning op de resultaten van het onderzoek op 17 oktober. Ik ben benieuwd wat er aan het licht zal komen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de subsidiëring van huizen voor buitenlandse studenten» (nr. 3-1664)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Er zijn zeventien onthaaltehuizen en clubs voor buitenlandse studenten in België. Deze huizen en clubs spelen een belangrijke rol in de vorming en opleiding van studenten en stagiairs uit het Zuiden. Deze studenten kunnen dan later een belangrijke functie uitoefenen in de ontwikkeling van hun thuisland.

De huizen staan niet alleen in voor de huisvesting van deze studenten tijdens hun verblijf in België, maar ze zorgen ook voor psychosociale begeleiding, integratie in de onderwijssystemen in België en sociaal-culturele activiteiten. Daarnaast begeleiden deze huizen en hun diensten de studenten ook terug naar hun thuisland.

Artikel 7 van het koninklijk besluit van 22 december 1998 geeft aan dat een eerste schijf van 80 procent van de subsidie van het voorafgaande (boek)jaar zal gestort worden in het eerste trimester van het jaar. De betaling van de subsidie van 2005 diende dus ten laatste op 31 maart 2006 te geschieden. Tot op heden hebben de onthaaltehuizen en clubs nog geen subsidie ontvangen. Er zijn heel wat clubs die hierdoor in financiële problemen komen en leningen of overbruggingskredieten hebben moeten aangaan. Indien ze niet tijdig de kredieten aflossen, kunnen de banken overgaan tot in beslagname van goederen. Het is trouwens al het tweede jaar de overheid in gebreke blijft!

Hoeveel bedraagt de huidige achterstallige betaling voor de clubs en onthaaltehuizen samen?

Wat is de reden voor het uitblijven van de betaling? Het bedrag is bekend, het programma komt elk jaar terug en toch komt die financiering steeds met maanden vertraging.

Wanneer zal de betaling geschieden? Ik verneem telefonisch dat recentelijk de opdracht tot betaling zou zijn gegeven, maar de vraag blijft hoeveel weken of maanden de werkelijke betaling nog zal uitblijven.

Is de minister bereid om de kosten van leningen en overbruggingskredieten als gevolg van de uitblijvende betaling aan de clubs en onthaaltehuizen te vergoeden?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De begrotingsallocatie heeft betrekking heeft op de subsidiëring van sociale- en culturele steun aan studenten en stagiairs uit lage-inkomenslanden. Er worden subsidies toegekend aan 17 verschillende verenigingen, onthaalcentra en clubs.

Het voorschot van 80 procent bedraagt 1.499.179,98 euro.

In vergelijking met de vorige jaren heeft dit dossier geen bijzondere achterstand opgelopen. Het akkoord van de Inspectie van Financiën dateert van 7 maart 2006. Het ministerieel besluit werd getekend op 16 mei 2006. Alle zeventien verenigingen moeten de eerste tranche van de subsidies binnen hetzelfde tijdsbestek ontvangen als de vorige jaren. Zo hebben ze in 2005 de eerste tranche van 80% vóór 1 juli 2005 ontvangen.

De betaling zal binnen de normale voorziene termijn worden uitgevoerd, dat wil zeggen ongeveer zes weken na de vastlegging, die in voorkomend geval plaatsvond op 23 mei 2006.

De kosten van leningen en overbruggingskredieten worden voorlopig niet vergoed. Het is belangrijk de verenigingen erop te wijzen dat ze hun aanvraag tijdig moeten indienen, zodat ze hun toelage binnen de kortst mogelijke termijn kunnen ontvangen.

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «de uitvoering van de Verklaring van Parijs over de doeltreffendheid van de hulp» (nr. 3-1680)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - België heeft in 2005 de Paris Declaration on Aid Effectiveness goedgekeurd. Eind vorig jaar voerde het Development Assistance Committee van de OESO een peer review uit.

In het rapport wordt herhaaldelijk benadrukt dat er nood is aan een plan om de Paris Declaration on Aid Effectiveness te implementeren zodat een strategie kan worden ontwikkeld om hulp effectiever te maken. Volgens het DAC moet zo'n plan een overzicht geven van alle procedurele en institutionele aanpassingen om de harmonisatie tussen donoren, de afstemming van de hulp op nationale strategieën voor armoedebestrijding en een resultaatgerichte aanpak te bevorderen.

Er wordt ook sterk gehamerd op de nood aan een decentralisatie van de beslissingen naar de ontwikkelingssamenwerking in het Zuiden, geflankeerd door een beleid dat meer toegang verschaft tot sectorale en thematische expertise en de politieke dialoog stimuleert.

Daarnaast moet de expertise voor een meer programmagerichte aanpak worden uitgebreid. Het rapport vraagt een betere afstemming op het nationale beleid van de ontvangende landen en een integratie van de programma's in de nationale structuren en procedures. Daartoe moeten de gemengde commissies worden aangepast zodat de hulp meer voorspelbaar wordt. Ook de financiële procedures zijn volgens de evaluaties te zwaar omdat er te veel beslissingsmechanismen zijn.

Gelijkaardige aanbevelingen zijn terug te vinden in de evaluatie van de bijzondere evaluator voor ontwikkelingssamenwerking.

Komt er een implementatieplan voor de Paris Declaration on Aid Effectiveness? Zo ja, op welke termijn?

Welke initiatieven zijn al genomen of gepland om de Paris Declaration te implementeren, in het bijzonder voor de bilaterale samenwerking?

Zal de minister ingaan op de vraag om meer bevoegdheden te delegeren aan onze attachés in het Zuiden?

Zal de minister de werkwijze van de gemeenschappelijke commissies herzien, alsook de financiële procedures?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de heer De Gucht.

Het Development Assistance Committee van de OESO werkt momenteel aan een basisevaluatie, baseline survey, van de ontwikkelingshulp in 2005. Als de resultaten daarvan ter beschikking zijn, misschien in augustus 2006, dan zullen we de nauwkeurige situatie kennen van de Belgische hulp ten opzichte van de twaalf indicatoren van de Verklaring van Parijs. Afhankelijk daarvan en op basis van uitgebreide gedachtewisselingen zou mijn administratie tegen eind 2006 een exhaustief harmonisatieplan voor de Belgische hulp moeten kunnen opstellen.

Er werden uitgebreide informatiesessies georganiseerd bij DGOS en de BTC en met de attachés van Ontwikkelingssamenwerking.

In twee partnerlanden van verschillend ontwikkelingsniveau, namelijk Mali en Vietnam, werden verkenningszendingen georganiseerd voor de harmonisatie van de Belgische hulp.

Ik heb bovendien de mogelijkheid gecreëerd om meer begrotingshulp vrij te maken voor onze bilaterale samenwerking. In begrotingshulp worden de middelen van de verscheidene donors en de partneroverheid samengevoegd om het nationale ontwikkelingsprogramma in een partnerland uit te voeren.

Ik herinner er ook aan dat jaren geleden al de beslissing werd genomen om de Belgische bilaterale hulp te ontbinden. Over deze indicator van de Verklaring van Parijs moet België zich dus geen zorgen maken.

Veel van de taken die in het verleden werden uitgevoerd door de hoofdzetel, werden toevertrouwd aan de attachés op het terrein. Het gaat onder meer om het opmaken van een voorstel voor een indicatief samenwerkingsprogramma, het beoordelen van projectaanvragen en het overleg in het partnercomité, het overlegorgaan dat de Belgische enveloppe in een partnerland beheert.

Slechts een handvol donors hebben een nog sterkere decentralisatie doorgevoerd dan België, namelijk Noorwegen, Nederland en, zij het in mindere mate, Groot-Brittannië en Zweden.

Om ten minste twee redenen kan België niet even ver gaan in zijn decentralisatie als die groep van donors.

De Belgische wetgeving geeft, ten eerste, uitgebreide ex ante bevoegdheden aan de Inspectie van Financiën, waardoor men in aanvaring kan komen met de delegatie van financiële bevoegdheden naar het terrein.

De vermelde donors werken bovendien niet met een uitvoerende organisatie zoals de BTC. De onderhandelingen tussen DGOS en de BTC over `contracten' met de BTC worden op de hoofdzetel gevoerd, wat een verdere decentralisatie bemoeilijkt.

De Gemengde Commissies zijn, ten tweede, de facto reeds in belangrijke mate van karakter veranderd. De meeste partnerlanden beschikken nu immers over instrumenten waarin hun ontwikkelingsprioriteiten beter zijn vastgelegd, zoals de PRSP, Poverty Reduction Strategy Papers, Medium Term Expenditure Framework, enzovoort. Een gemengde commissie biedt België de mogelijkheid zich af te stemmen op de prioriteiten vermeld in deze planningsinstrumenten.

De financiële procedures zijn inderdaad het moeilijke punt in de Verklaring van Parijs. Van de donors wordt verwacht dat ze de budgettaire procedures van het partnerland volgen. In de Verklaring van Parijs is vastgelegd dat dit enkel van toepassing is in de landen die voldoende fiduciaire waarborgen kunnen geven.

Op dit ogenblik voldoen nog bijzonder weinig van de armste ontwikkelingslanden aan die voorwaarde. De donorgemeenschap zal dus een grote inspanning moeten doen om de capaciteit in die sector te ontwikkelen. We moeten niet wachten tot de risico's in die landen dalen, maar wel de voorwaarden creëren voor een goed financieel beheer, zodat de donors zich kunnen afstemmen op de procedures van de partners inzake budgetbeheer en openbare aanbestedingen.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Mobiliteit over «de internetdienst WebDIV» (nr. 3-1693)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Omdat ik jammer genoeg geen antwoord krijg op mijn schriftelijke vragen, zie ik mij genoodzaakt nu vragen om uitleg te stellen.

In januari 2004 werd de internetdienst WebDIV van de Dienst Inschrijvingen van Voertuigen (DIV) opgestart. Met die dienst kan de burger via internet nummerplaten en inschrijvingsdocumenten verkrijgen. In de praktijk gaat het hierbij vooral om verzekeraars die bij de DIV de aanvraag voor hun klanten doen. Na het eerste werkingsjaar bleek WebDIV alvast een groot succes. De minister sprak zelfs het voornemen uit om tegen 2007 alle normale inschrijvingen via internet te laten gebeuren. Hiertoe werd in de Beleidsnota Mobiliteit 2005-2007 een campagne beloofd om burgers te informeren dat ze een beroep kunnen doen op hun verzekeringsmaatschappij- of makelaar voor de inschrijving van voertuigen via internet.

Ook zouden volgens de minister alle verzekeraars de inschrijving van de auto bij DIV aan hun klanten moeten aanbieden. De overheid levert de service WebDIV immers gratis aan de verzekeraars.

Hoeveel aanvragen voor inschrijvingen van motorvoertuigen, motorfietsen en aanhangwagens ontving DIV in 2005 en 2006 tot op heden?

Hoeveel aanvragen verliepen via de internetdienst WebDIV en om welk percentage gaat het ten opzichte van het globale aantal?

Ligt dat cijfer in de lijn van de verwachtingen? Is het voornemen om tegen 2007 alle inschrijvingen via internet te laten gebeuren nog steeds haalbaar? Zo neen, welke acties worden ondernomen om dat voornemen te realiseren?

Is de informatiecampagne al opgestart? Zo neen, wanneer zou die dan worden aangevat? Welke communicatiekanalen zal de minister gebruiken en wat zijn de doelgroepen? Welk bedrag heeft hij hiervoor uitgetrokken?

Welk percentage van de verzekeraars maakt nu reeds gebruik van de gratis dienst WebDIV? Zijn er verzekeraars die pertinent weigeren om aan dat zeer klantvriendelijk systeem mee te werken? Zo ja, hoe tracht de minister hen te overtuigen?

Welke gevolgen zal een volledige inschrijving via internet hebben voor de organisatie van de bijkantoren van de DIV? Zullen hierdoor binnen DIV herstructureringen plaatsvinden? Zo ja, welke en op welke termijn?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Landuyt.

De DIV heeft 1.347.278 aanvragen voor inschrijvingen van motorvoertuigen ontvangen in 2005 en 678.359 in 2006. Ze heeft 88.396 aanvragen voor inschrijvingen van motorfietsen ontvangen in 2005 en 41.093 in 2006. Tenslotte heeft ze 36.559 aanvragen voor inschrijvingen van aanhangwagens ontvangen in 2005 en 17.065 in 2006. De gegevens voor 2005 slaan op het volledige jaar en de gegevens voor 2006 slaan op de periode van 1 januari 2006 tot 31 mei 2006 inbegrepen.

In 2005 werden 1.538.781 inschrijvingen behandeld, waarvan 436.774 of 28,38% via internet. Uit een eerste inventaris van 2006 - toestand op 31 mei 2006 - blijkt duidelijk dat het maandelijks gemiddelde aantal inschrijvingen via internet meer dan 35% bedraagt.

Het huidige maandelijkse gemiddelde van 35% van de inschrijvingen via internet stemt overeen met de verwachtingen van de administratie. Niet alle inschrijvingen kunnen evenwel via internet gebeuren. Voor sommige inschrijvingen moeten immers talrijke documenten persoonlijk worden bezorgd, in het bijzonder voor de inschrijvingen van de voertuigen die in het buitenland zijn aangekocht of die zijn ingevoerd. In dat geval moet de DIV de authenticiteit ervan nagaan.

Van alle inschrijvingen die via internet kunnen gebeuren, wordt reeds meer dan 40% via internet afgehandeld. Voor de aanvragen van inschrijvingsdocumenten bereiken we op dit moment maandelijkse pieken van meer dan 50%.

WebDIV wordt sterk gepromoot sinds begin dit jaar. De DIV had samen met andere openbare federale diensten een stand op het autosalon, en onze diensten hebben er promotie gemaakt voor WebDIV. Er werden ongeveer 500.000 folders verdeeld. Die actie had als doel de burgers te wijzen op de mogelijkheid gebruik te maken van internet via hun verzekeraar. Die folder zal worden gepubliceerd in een van de volgende edities van het tijdschrift voor de ambtenaren, Fedra.

De verzekeraars en de makelaars worden regelmatig gecontacteerd via de post, niet enkel om hun wensen en bekommernissen in verband met WebDIV te kennen, maar ook om het onze diensten mogelijk te maken WebDIV op grotere schaal te verspreiden in hun eigen organisatie.

In onze bureaus en provinciale bijkantoren zullen de komende weken affiches worden opgehangen. Een van die affiches is vooral gericht op het gebruik van WebDIV.

Er werden geen specifieke doelgroepen bepaald. We trachten iedereen te bereiken voor wie de inschrijving met ons huidige internetprogramma mogelijk is.

Er werd geen specifiek bedrag uitgetrokken voor de vermelde informatiecampagnes. De bedragen worden geput uit de werkingskosten die toegekend zijn door de overheid.

De DIV beschikt niet over cijfergegevens over het percentage verzekeraars dat reeds WebDIV gebruikt. We stellen vast dat alle grote verzekeringsmaatschappijen ons programma steeds meer gebruiken. De maatschappijen worden regelmatig per post gecontacteerd om met onze bijstand meer gebruik te maken van WebDIV.

Het kan niet worden ontkend dat het toenemend gebruik van WebDIV tot herstructureringen bij de DIV zal leiden. Zo zal het callcenter WebDIV, dat als helpdesk voor dat programma is opgericht, worden uitgebreid, vooral na de intensivering van onze informatiecampagnes. Voor de bijkantoren van de DIV kan de toename van het aantal inschrijvingen alleen maar worden toegejuicht. Onze steunpunten kunnen zich immers in hoofdzaak bezig houden met de inschrijvingen en daarnaast hun rol van informatieloket vervullen. De dienstverlening is aldus beter.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Werk over «het Internet voor iedereen-project» (nr. 3-1692)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Sinds 19 april zijn de `Internet voor iedereen'-pakketten beschikbaar op de markt. De campagne loopt volop: via de postkantoren wordt een folder verspreid, er worden radiospots uitgezonden die zich tot de doelgroep richten en ieder gezin zal een brief ontvangen waarin het pakket wordt voorgesteld. Ook de sector zal promotie voeren.

Hoeveel bedragen de kosten voor de promotiecampagne van het `Internet voor iedereen'-project?

Hoeveel `Internet voor iedereen'-pakketten werden tot nu toe verkocht? Hoe interpreteert de minister dat cijfer? Voldoet het volgens hem aan de vooropgestelde doelstellingen?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister Vanvelthoven.

Samen met de dienst Externe Communicatie van de premier, de FOD Financiën en Fedict werd een informatiecampagne met folder, radiospots en een brief aan de huisgezinnen opgestart. Elk departement trekt hier 200.000 euro voor uit, of in totaal 600.000 euro. Naast de informatiecampagne staan de erkende consortia op eigen kosten in voor het voeren van een nationaal evenwichtig gespreide en promotiecampagne via verscheidene kanalen voor de verkoop van de pakketten.

De `Internet voor iedereen'-pakketten zijn pas sinds 19 april 2006 op de markt. Over enkele weken zullen we een eerste evaluatie van het project uitvoeren. Eind juni 2006 zullen we over een concreet en volledig verkoopscijfer beschikken.

De interesse is groot. Dat merken we aan de mails en telefoongesprekken die we dagelijks ontvangen en wordt daarenboven bevestigd door de consortia, die vaststellen dat het aantal kandidaat-kopers dat hun websites bezoekt en telefonisch contact opneemt, groot is. Sinds de brieven van de overheid in de bus vielen, zijn het aantal telefoontjes en mails exponentieel gestegen en is de verkoop van de IVI-pakketten op kruissnelheid.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - Toen ik mijn vraag vorige week indiende, kon ik niet voorspellen dat het onderwerp vandaag zo actueel zou zijn. De vraag is inderdaad of het project de doelgroep zal bereiken. Vermoed wordt dat het project vooral mensen aanspreekt die al weten hoe ze met een pc moeten omspringen. Eind juni zal ik de minister hierover in een mondelinge vraag om bijkomende inlichtingen vragen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats op donderdag 15 juni om 10.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.10 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: Mevrouw De Roeck, de heren Wilmots, Cheffert, Destexhe, Van den Brande, Steverlynck, wegens andere plichten, en de heer L. Vandenberghe, om gezondheidsredenen.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 52
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Amina Derbaki Sbaï, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Clotilde Nyssens, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Stemming 3

Aanwezig: 55
Voor: 17
Tegen: 32
Onthoudingen: 6

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Tegen

Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jihane Annane, Berni Collas, Christine Defraigne, Nathalie de T' Serclaes, Luc Paque, François Roelants du Vivier.

Stemming 4

Aanwezig: 55
Voor: 17
Tegen: 32
Onthoudingen: 6

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Tegen

Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jihane Annane, Berni Collas, Christine Defraigne, Nathalie de T' Serclaes, Luc Paque, François Roelants du Vivier.

Stemming 5

Aanwezig: 54
Voor: 15
Tegen: 32
Onthoudingen: 7

Voor

Wouter Beke, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Sabine de Bethune, Michel Delacroix, Mia De Schamphelaere, Francis Detraux, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe, Anke Van dermeersch, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Tegen

Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Pierre Chevalier, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Fatma Pehlivan, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Jihane Annane, Berni Collas, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Clotilde Nyssens, Luc Paque, François Roelants du Vivier.

Stemming 6

Aanwezig: 53
Voor: 36
Tegen: 8
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Jean-Marie Dedecker, Amina Derbaki Sbaï, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Frank Creyelman, Michel Delacroix, Francis Detraux, Anke Van dermeersch, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken.

Onthoudingen

Hugo Coveliers, Sabine de Bethune, Christine Defraigne, Francis Delpérée, Nathalie de T' Serclaes, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.

Stemming 7

Aanwezig: 55
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Joëlle Kapompolé, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.

Stemming 8

Aanwezig: 53
Voor: 47
Tegen: 0
Onthoudingen: 6

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Francis Detraux, Nathalie de T' Serclaes, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Hugo Vandenberghe.

Stemming 9

Aanwezig: 54
Voor: 46
Tegen: 0
Onthoudingen: 8

Voor

Jihane Annane, Stéphanie Anseeuw, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Hugo Coveliers, Frank Creyelman, Jean-Marie Dedecker, Christine Defraigne, Michel Delacroix, Amina Derbaki Sbaï, Francis Detraux, Pierre Galand, Christel Geerts, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Jean-François Istasse, Joëlle Kapompolé, Flor Koninckx, Marie-José Laloy, Jeannine Leduc, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, François Roelants du Vivier, Fauzaya Talhaoui, Annemie Van de Casteele, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Wim Verreycken, Luc Willems, Paul Wille, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Wouter Beke, Sabine de Bethune, Francis Delpérée, Mia De Schamphelaere, Clotilde Nyssens, Etienne Schouppe, Erika Thijs, Hugo Vandenberghe.

In overweging genomen voorstel

Voorstel van resolutie

Voorstel van resolutie over de doelstellingen van de VN-Toetsingsconferentie inzake het VN-Actieprogramma ter preventie, bestrijding en eliminatie van de illegale handel in handvuurwapens en lichte wapens (van de heer François Roelants du Vivier c.s.; Stuk 3-1738/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 3 en 7 juni 2006 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geëvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp houdende wijziging van artikel 13 van de wet van 5 september 2001 tot verbetering van de werkgelegenheidsgraad van de werknemers (Stuk 3-1722/1).

Wetsontwerp houdende regeling van economische en individuele activiteiten met wapens (Stuk 3-1726/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 1 juni 2006 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 13 juli 1976 houdende goedkeuring van de Overeenkomst inzake een internationaal energieprogramma, en van de Bijlage, opgemaakt te Parijs op 18 november 1974 (Stuk 3-1736/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 2 juni 2006; de uiterste datum voor evocatie is maandag 19 juni 2006.

Kennisgeving

De mobiliteit van patiënten in de Europese Unie (Stuk 3-578/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 1 juni 2006 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hof van Beroep

Bij brief van 31 mei 2006 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2005 van het Hof van Beroep te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 19 mei 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidshoven

Bij brief van 30 mei 2006 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Antwerpen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 29 mei 2006.

Bij brief van 1 juni 2006 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Arbeidshof te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 april 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Auditoraat-generaal

Bij brief van 1 juni 2006 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 31 mei 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parket-generaal

Bij brief van 31 mei 2006 heeft de Procureur-generaal te Bergen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2005 van het Parket-generaal te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 22 mei 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Zilverfonds

Bij brief van 30 mei 2006 heeft de Voorzitter van de raad van bestuur van het Zilverfonds, overeenkomstig artikel 41 van de wet van 5 september 2001 tot waarborging van een voortdurende vermindering van de overheidsschuld en tot oprichting van een Zilverfonds aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag 2005 van het Zilverfonds.

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden en naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Europees Parlement

Bij brief van 15 mei 2006 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 26 en 27 april 2006.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.