4-32

4-32

Belgische Senaat

4-32

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 29 MEI 2008 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de Eerste minister en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de positie van een Belgisch ambtenaar, directeur van het CGKR, als bestuurder van het Europees Bureau voor de Grondrechten, naar aanleiding van de vastgestelde wantoestanden aldaar» (nr. 4-330);

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen en aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over «de accommodatie van het personeel van het Hof van Cassatie en over de aanwerving van een informaticus» (nr. 4-315);

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen en aan de minister van Klimaat en Energie over «het invoeren van statiegeld op blikjes» (nr. 4-317);

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de mogelijke vervalsing van de koninklijke besluiten nr. 78 en 79» (nr. 4-319)

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «het arrest van de Raad van State van 21 april 2008 over het vrijgeven van bestuursdocumenten» (nr. 4-318);

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «Impulseo II» (nr. 4-320);

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het uitgangsexamen voor kinesitherapeuten» (nr. 4-321);

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het Asbestfonds» (nr. 4-322);

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de gemeenschappelijke onderzoekscentrale van de Federale Republiek Duitsland, België en Nederland» (nr. 4-328);

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de verkeerde belastingafrekeningen» (nr. 4-323);

Vraag om uitleg mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling van hoortoestellen door het RIZIV» (nr. 4-326);

Vraag om uitleg mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling door het RIZIV van Tysabri voor multiplesclerosepatiënten» (nr. 4-329);

Vraag om uitleg mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen over «de combinatie van ouderschapsverlof met palliatief verlof» (nr. 4-331);

Vraag om uitleg mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de resolutie betreffende obesitas» (nr. 4-332);

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven en aan de minister van Migratie- en asielbeleid over «de illegale vluchtelingen in het station van Oostende» (nr. 4-316);

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de werking van de werkgroep "Het Reddend Gebaar"» (nr. 4-324);

Vraag om uitleg mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gebruik van mobiele stemlokalen bij verkiezingen» (nr. 4-325);

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over «het uitreiken van taalattesten door SELOR met betrekking tot de Vlaamse en Frans-Belgische gebarentaal» (nr. 4-327);

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jurgen Ceder aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen over «de inspectie bij het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel» (nr. 4-316)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Jurgen Ceder (VB). - In december vorig jaar en eind april dit jaar wees ik de toenmalige en de huidige minister van Werk op een mogelijk geval van fraude bij het Fonds voor bestaanzekerheid van de houthandel. Het fonds betaalde immers geen RSZ-bijdragen op de eindejaarspremies. De minister verwees in haar antwoord van 24 april naar een controle die de Sociale Inspectie van de RSZ in samenwerking met de algemene directie van de Controle van de sociale wetten van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg op 29 april zou voeren.

Werd het Fonds voor bestaanszekerheid van de houthandel inderdaad gecontroleerd? Zo ja, wat zijn hiervan de bevindingen? Hoe lang duurt de mogelijke ontduiking al?

Zijn de RSZ-bijdragen nog verschuldigd? Zo ja, om welke bedragen gaat het en welke boete werd opgelegd voor het ontduiken van deze bijdragen?

Werd proces-verbaal opgesteld? Zo ja, tegen wie en werd dat reeds doorgegeven aan het parket?

Werd reeds klacht ingediend bij de betrokken beroepsvereniging, gezien elk fonds gecontroleerd wordt door een accountant of een bedrijfsrevisor?

Indien ontduiking zou zijn vastgesteld, meent de minister dan niet dat het noodzakelijk is ook de vele andere fondsen voor bestaanszekerheid te controleren op eventuele gelijkaardige constructies?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het fonds in kwestie werd gecontroleerd door de inspectie van de RSZ en van de inspectie Toezicht op de sociale wetten van de FOD Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg. De vaststellingen en gevolgen van deze controle vallen onder het beroepsgeheim, zoals bepaald in de wet van 16 november 1972 betreffende de Arbeidsinspectie.

De discussie heeft betrekking op de vraag of er RSZ-bijdragen moeten worden betaald op een premie die door het fonds wordt uitgekeerd. De discussie is nog niet afgelopen en kan overigens nog het voorwerp uitmaken van procedures voor de bevoegde arbeidsrechtbanken.

De heer Jurgen Ceder (VB). - Ik betreur dat het antwoord zo kort is, vooral omdat het ook om een zaak van publiek en politiek belang gaat. Het is niet ongewoon dat instellingen die in de schaduw werken, zonder veel controle, en die grote bedragen uitgeven, gevoelig zijn voor fraude. We zullen verder onderzoek verrichten en vragen blijven stellen over de fondsen voor bestaanszekerheid.

Mondelinge vraag van de heer Josy Dubié aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «uw aanwezigheid op het festival van Cannes» (nr. 4-326)

De heer Josy Dubié (Ecolo). - Mijnheer de minister, u weet dat het harde tijden zijn voor iedereen en, als ik de informatie van de Koning Boudewijnstichting mag geloven, in het bijzonder voor de anderhalf miljoen Belgen die onder de armoedegrens leven.

Volgens de pers, meer bepaald volgens een goed gedocumenteerd artikel van Le Soir van maandag laatstleden, hebben talrijke vertegenwoordigers van de verschillende delen van ons land het festival van Cannes bijgewoond. Dankzij de media-aandacht voor dit culturele en vooral mondaine evenement bleef de aanwezigheid van talrijke Belgische prominenten van regionaal en federaal niveau niet onopgemerkt.

De pers heeft gedeeltelijke schattingen van de kostprijs van die delegaties verzameld en verschillende reacties gepubliceerd. Aangezien de minister ter plaatse niet op de vragen van de journalisten heeft geantwoord, stel ik ze opnieuw. Wat waren de doelstellingen van de delegatie en in welke mate zijn ze bereikt?

Hoeveel bedraagt het budget dat de FOD Financiën en het kabinet van de minister hebben gewijd aan zijn deelname aan het evenement?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Ik neem de gelegenheid te baat om op de vragen van de heer Dubié te antwoorden, nu hij in België is, tussen twee senaatsmissies in.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - Ik reis veel minder dan de minister, en als ik reis ga ik niet naar zessterrenhotels.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Ik reageer alleen maar op de op zijn minst demagogische opmerking in het begin van uw vraag. Ik antwoord dus op dezelfde toon.

Eerst wil ik het hebben over het effect van dat soort missies en over het effect van de tax shelter op de financiering van de Belgische film en televisie. Ik ben er zeer fier op dat ik, samen met een aantal senatoren, het mechanisme van de tax shelter in deze assemblee tot stand heb kunnen brengen.

Sinds ongeveer vijf jaar bezoek ik inderdaad jaarlijks het festival van Cannes om uitleg te geven over het principe van de tax shelter en over de wet die we hebben aangenomen en vervolgens, samen met anderen, om de realisaties voor te stellen. Het verheugt me ten zeerste dat een film die gefinancierd werd dankzij de tax shelter - zoals `L'Enfant' van de gebroeders Dardenne - een Gouden Palm krijgt. Ik ben zeer tevreden dat we ook dit jaar zoveel mogelijk investeerders en producers hebben kunnen ontmoeten. De voornoemde krant stoorde zich vorig jaar trouwens aan mijn afwezigheid. Ik ben het gewoon geworden kritiek te krijgen, wat ik ook doe.

Hoe dan ook werden dankzij de tax shelter 350 werken gefinancierd. In 2004 investeerden de ondernemingen 14 miljoen euro in het mechanisme van de tax shelter waardoor film- en audiovisuele werken konden worden ondersteund. In 2005 liep het bedrag op tot 18 miljoen, in 2006 tot 33 miljoen en in 2007 tot 45 miljoen. In totaal werd dus voor 110 miljoen euro gewijd aan film en aan audiovisuele werken. Zeven van de elf Belgische films die dit jaar in Cannes werden voorgesteld, werden gefinancierd dankzij de tax shelter.

Met onze aanwezigheid in Cannes willen we dus ons tax-shelterproject voorstellen - wat ik destijds met Marion Hänsel heb gedaan. Verder willen we de Belgische culturele gemeenschap - vooral de filmwereld - ervan overtuigen dat we vooruitgang konden boeken.

Jammer genoeg hebben we dit jaar het Belgische paviljoen moeten verlaten en zijn we naar het Amerikaans paviljoen, dat een beetje groter is, moeten gaan om alle investeerders te kunnen ontvangen die de delegatie wensten te ontmoeten. Onze delegatie is vierentwintig uur ter plaatse gebleven en heeft getracht het systeem van de tax shelter uit te leggen.

Ik heb ter plaatse onder meer mijn voornemen aangekondigd om, naast de cultuurcheque, ook een filmcheque in te voeren. Dat systeem zal niet alleen een hulp vormen voor de productie maar ook voor de distributie van de films. De bedoeling is de tax shelter uit te breiden tot podiumkunsten, en zelfs tot de kandidatuur van België voor de wereldcup van 2018, waarvoor de bouw van stadions nodig is. Ik zou liever hebben dat die gebouwd worden met privé-investeringen dan met allerlei subsidies.

Een tweede element, dat de heer Dubié wellicht meer interesseert, is de totale investering op federaal niveau, met aftrek van de sponsoring. We konden op het festival van Cannes aanwezig zijn dankzij de steun van Brussels Airlines - dat de verplaatsing, ook van een aantal journalisten, voor zijn rekening heeft genomen -, van InBev, van Galère en van de groep Vranken, die aanwezig was op de Belgische stand.

Het was de eerste keer dat we voor heel de duur van het festival een Belgische stand hadden, met als concept Invest in Belgium. Het totale bedrag van de federale investering bedroeg 164.011,18 euro.

Naast de federale investering was er een investering van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat wou meewerken.

De Nationale Loterij en de FOD Buitenlandse Zaken hebben elk 25.000 euro uitgetrokken voor de promotie van België in het buitenland. Het reclamemateriaal voor het festival droeg de afbeelding Invest in Belgium. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft gekozen om 15.000 euro te investeren in de inrichting van het Belgische paviljoen. Ik ben trouwens zeer verheugd dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wou deelnemen aan die inrichting. Het budget van de Kanselarij van de eerste minister heeft 45.000 euro besteed aan dit project en het departement Financiën 49.537 euro, wat neerkomt op veertig dagen missie voor zes medewerkers - ik weet hoe belangrijk de heer Dubié zulke cijfers vindt - met over het algemeen een aanwezigheid van zes op zeven dagen ter plaatse, meer bepaald op de Belgische stand. De kostprijs van de zes medewerkers ter plaatse bedroeg 44.662,20 euro. Een medewerker op missie komt dus neer op 300 euro per dag. Dat is misschien nuttig informatie voor een volgende missie van de Senaat. Het budget voor het Belgische paviljoen vertegenwoordigt 37.875,54 euro.

België was dus gedurende heel het festival aanwezig op een stand die gewijd was aan de tax shelter. Ook de gewesten hebben deelgenomen. Het Brussels Hoofdstedelijk gewest heeft financieel deelgenomen en het Waals en Vlaams Gewest waren samen met ons aanwezig op de stand.

Ik wil uiteraard de derde vraag, die de heer Dubié erg boeit, niet onbeantwoord laten. Ik geef toe dat op het budget van 164.011,18 euro, mijn aanwezigheid op het festival van Cannes gedurende vierentwintig uur, waarin dus ook een nacht valt, die ik in het hotel Beau Rivage in Nice heb doorgebracht, samen met een medewerker, een uitgave van 4474,18 euro vertegenwoordigt. Ik ben niet langer dan zondag kunnen blijven omdat ik zondagavond en de hele maandag in Kiev ben geweest voor de algemene vergadering van de Europese Bank voor wederopbouw en ontwikkeling. Ik blijf uiteraard ter beschikking als hij de details van die 4400 euro of zelfs het menu van de restaurants wil weten.

In ieder geval is de federale investering in de ondersteuning van de film- en audiovisuele productie - waaraan de heer Dubié zeer veel belang hecht - van de voorbije vier jaar niet te vergelijken met de middelen die onze gewesten en gemeenschappen nog kunnen besteden op dat vlak.

Ik was aanwezig op het zogenaamde `Feest van de Belgen' in Cannes, georganiseerd door de Franse gemeenschap. De producers vroegen of de Franse Gemeenschap de filmcommissie voor een bedrag van twee miljoen euro kon herfinancieren. Alleen al in 2007 heeft de tax shelter 45 miljoen euro opgeleverd, voor verschillende producers. De investering in de aanwezigheid ter plaatse is een nuttige investering en zal volgend jaar opnieuw gebeuren.

De heer Josy Dubié (Ecolo). - De totale som bedraagt dus 164.000 euro. Ik was niet aanwezig, maar er waren journalisten ter plaatse en over het algemeen heb ik vertrouwen in hen, vooral als ze voor een ernstige krant schrijven. Ik lees hun overzicht van de dag van de minister: `De 24 uur van Reynders in Cannes? Een persconferentie over de tax shelter, waarvan de strekking bij de beroepsmensen goeddeels bekend is; een stuntelig défilé op de rode loper dat aan Woody Allen doet denken, steelse contacten met operateurs ... Vlooientheater, veel geblaat, weinig wol', hoort men in zijn omgeving. `Dat alles daarvoor? Hij had dit makkelijk vanuit Brussel kunnen doen', benadrukt een producer.

Mijnheer de minister, als ik zulk een artikel lees, stel ik vragen. Ik speel mijn rol, en houd daaraan vast.

De minister zei dat ik me in het bijzonder interesseer voor audiovisuele problemen. Het is toevallig een milieu dat ik een beetje ken, vooral dat van MIPTV. Toen ik de RTBF verliet, werd ik na een examen gekozen als chef van de afdeling televisie van de Verenigde Naties, die ik heb opgericht. Toen ik naar MIPTV ging, als verantwoordelijke van die televisieafdeling, ging ik er alleen en verbleef ik in het tweesterrenhotel Campanile, dertig kilometer verderop. Bij MIPTV heb ik bijna de hele RTBF-hiërarchie gezien en heel wat politieke figuren van wie ik me afvroeg wat ze daar deden.

Ik citeer verder uit het voornoemde artikel. Volgens de journalist ter plaatse waren er `vijf ministers, een ambassadeur, een algemeen afgevaardigde, twee kabinetschefs, kamerleden-burgemeesters ..., een gonzende kolonie!'

Ik heb dus het recht te vragen hoeveel die vertegenwoordiging van België en zijn gemeenschappen, het bedrag van 164.000 euro buiten beschouwing gelaten, de Belgische belastingbetaler heeft gekost. Nu weet ik dat ik 100.000 euro moet toevoegen aan de 400.000 euro die door die journalist werd vermeld. Dat komt dus op ongeveer een half miljoen euro. Het is belangrijk dat de bevolking dat weet.

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - De onderneming was niet alleen een succes, ze zal worden herhaald. In 2008 zal het aantal coproducties nog toenemen dankzij wat de heer Dubié een nutteloze persconferentie noemt, die gehouden werd voor een volle zaal in het Amerikaanse paviljoen van het Festival van Cannes. We hebben inderdaad contacten kunnen leggen dankzij de medewerking van andere departementen, in het bijzonder Buitenlandse Zaken.

Ik was de enige vertegenwoordiger van de federale regering ter plaatse. Ik verwijs de heer Dubié dus naar de verantwoordelijken van de gewesten, meer bepaald het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, dat ik trouwens dank voor de hulp die ze hebben verleend.

Op alle anonieme toespelingen die de heer Dubié uit artikels heeft geciteerd of zelf heeft gemaakt, is mijn antwoord dat mijn echtgenote me vergezelt als ze uitgenodigd is. Ik weet niet of dat ook bij de heer Dubié het geval is, maar mijn vrouw en ik slapen in dezelfde kamer.

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de homofobe maatregelen in Gambia» (nr. 4-319)

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Onlangs bezocht ik in Berlijn Die Topographie des Terrors. Daar heb ik foto's gezien van de naziterreur tegen homoseksuelen. Dat bezoek heeft mijn mondelinge vraag mede geïnspireerd, omdat de problematiek blijkbaar nog altijd actueel is.

Op vrijdag 23 mei voerden een aantal jongerenorganisaties van diverse politieke partijen en de holebifederatie actie aan de ambassade van Gambia. Aanleiding waren de onlangs aangekondigde homofobe maatregelen van de president van Gambia. De man is trouwens niet aan zijn proefstuk toe. Vorig jaar heeft hij zijn land internationaal voor schut gezet met de aankondiging dat hij een wondermiddel tegen aids had uitgevonden, namelijk een groen zalfje, een bitter geel drankje en twee bananen. Die president heeft de homoseksuelen nu een ultimatum gesteld. Ze dienen binnen 24 uur het land te verlaten, zo niet mogen ze zich aan `onheil' verwachten. Hij noemt homoseksualiteit `zondig en immoreel' en weigert `dergelijke individuen te accepteren in een land dat door de islam wordt gedomineerd'.

Zulke maatregelen en uitspraken zijn onaanvaardbaar. Een en ander is slechts een opwarmertje voor nieuwe antihomowetten. Als het aan president Jammeh ligt, worden die strenger dan in Iran. Intussen hebben eigenaars van woningen en hotels de opdracht gekregen om homoseksuele huurders en gasten eruit te gooien. Indien blijkt dat hotels en verblijven homo's toch onderdak bieden, moeten ze onherroepelijk de deuren sluiten. Een dergelijke flagrante schending van de mensenrechten moet een halt worden toegeroepen.

Veroordeelt de minister de homofobe maatregelen die het regime in Gambia heeft afgekondigd?

Zal de minister de Gambiaanse ambassade uitleg vragen over de praktijken en voornemens van president Jammeh over holebi's?

Zal de minister de president van Gambia erop wijzen dat zijn homofobe beleid niet beantwoordt aan de algemeen erkende rechten van de mens en aandringen om dit homofobe beleid stop te zetten?

Zal de minister de kwestie ter sprake brengen op Europees of internationaal niveau teneinde het regime in Gambia een duidelijke vingerwijzing te geven en aan te dringen om komaf te maken met dergelijk homofoob beleid?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - De strijd tegen discriminatie op basis van seksuele geaardheid behoort integraal tot de prioriteiten van het Belgische beleid inzake mensenrechten. Ik veroordeel dan ook ten stelligste de homofobe uitspraken van de Gambiaanse president Jammeh. Jammer genoeg liggen die verklaringen in het verlengde van zijn vroegere uitspraken en zijn ze vaak een middel om de aandacht af te leiden van de uiterst precaire situatie waarin zijn land zich bevindt.

Ik beschik op dit moment niet over informatie dat de Gambiaanse politie of andere overheidsdiensten stappen hebben gedaan om de aangekondigde maatregelen concreet uit te voeren. Ook werden nog geen nieuwe wetgevende initiatieven ondernomen. Mijn diensten volgen de zaak uiteraard op de voet.

Bovendien verleent België zijn actieve steun aan het initiatief van de Europese partners om de komende dagen bij de Gambiaanse overheid in Banjul een demarche te doen. De Gambiaanse autoriteiten zullen terecht en met nadruk worden gewezen op hun internationale verplichtingen inzake het respect voor de mensenrechten en in het bijzonder het niet discrimineren van bevolkingsgroepen.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Ik dank de minister voor zijn kort, maar zeer duidelijk en zeer correct antwoord en ik hoop dan ook dat dit tot de nodige resultaten zal leiden.

Mondelinge vraag van de heer Karim Van Overmeire aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de recente crisis in de relatie tussen België en de Democratische Republiek Congo» (nr. 4-327)

De heer Karim Van Overmeire (VB). - De relatie tussen België en Congo is voor de zoveelste keer sinds de onafhankelijkheid van het land in 1960 vertroebeld. De Congolese leiders reageerden geïrriteerd - dat is het minste wat men kan zeggen - op de uitspraken van de minister van Buitenlandse Zaken over goed bestuur en de noodzakelijke strijd tegen corruptie. Naar verluidt werd de toespraak van de minister vooraf doorgepraat met de andere leden van de regering. Mijn vraag gaat absoluut niet over de inhoud van wat de minister daar heeft gezegd. Integendeel! Achter die inhoud kunnen we ons volmondig scharen. Bovendien worden de bedenkingen die de minister maakte, ondersteund door de bevindingen van een recent rapport van de Wereldbank.

Toch stond op het thuisfront een hele batterij, bijna uitsluitend Franstalige politici van de meerderheidspartijen, onder wie de voorzitter van deze vergadering, klaar om de minister in de rug te schieten, hem gebrek aan tact te verwijten en zelfs neokolonialisme aan te wrijven.

De Congolese regering reageerde met de beslissing om de Congolese ambassadeur uit België terug te roepen en het consulaat in Antwerpen te sluiten. Tegelijk eiste ze de sluiting van de Belgische consulaten in Bukavu en Lubumbashi.

De onenigheid binnen de Belgische regering was zo groot dat er crisisberaad plaatsvond en dat uiteindelijk premier Yves Leterme de zaak naar zich toetrok. De eerste minister telefoneerde naar Kinshasa, kreeg daar de Congolese premier Antoine Gizenga aan de lijn en misschien nog andere politici, maar het is heel onduidelijk wat die telefoongesprekken hebben opgeleverd.

Zo kom ik tot mijn vragen.

Wat is de stand van zaken inzake de Belgische consulaten in Bukavu en Lubumbashi? Vraagt Congo nog steeds de sluiting ervan? De Congolese ambassadeur was daar onduidelijk over en voor zover ik weet functioneren ze nog altijd.

Meent de minister dat hij een fout heeft gemaakt? Of blijft hij achter zijn uitspraken staan, zowel achter de inhoud ervan als achter de manier waarop hij ze gebracht heeft?

Geniet hij nog de steun van de meerderheid, inzonderheid van de Franstalige regeringspartijen?

Voelt de minister zich niet gedesavoueerd door het feit dat er na de toch moeilijke boodschap die hij in Congo heeft gebracht, bij zijn thuiskomst in Brussel een grote crisis ontstond en uiteindelijk de premier het hele dossier naar zich heeft toegetrokken?

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Ik kan niet anders dan bevestigen dat de Congolese regering besloten heeft haar ambassadeur voor overleg uit België terug te roepen en aankondigde het Congolese consulaat in Antwerpen te zullen sluiten. Ze vraagt ook de sluiting van de Belgische consulaten in Bukavu en Lubumbashi. Daarover is heel wat beroering en ook een communautaire tweespalt ontstaan, die ik onnodig, onterecht en contraproductief vind. Met nadruk op deze drie woorden.

Het kernkabinet heeft deze zaak twee keer besproken en premier Leterme heeft nu contact met de Congolese autoriteiten. Hij benadrukt daarbij dat ons land goede betrekkingen met Congo wil handhaven en beide consulaten wenst open te houden.

Over mij hoeft de heer Van Overmeire zich geen zorgen te maken. Ik voel me door deze aanpak niet in het minst gedesavoueerd. Integendeel, de premier en ikzelf plegen voortdurend overleg over deze zaak.

Een eendrachtig en eenduidig signaal geven aan de Congolese autoriteiten en de bevolking is de opzet van het Congobeleid van de regering. Dat blijft onverkort het geval. De speech die ik in de tuin van de ambassade in Kinshasa heb uitgesproken, was op voorhand besproken en tot de laatste komma door mijn twee collega's goedgekeurd. Daarom is het voor mij een raadsel wat men precies bedoelt met de toon die ik zou hebben gehanteerd. De toon is toch alleen maar de manier waarop gedachten in woorden worden vertolkt. Over die woorden kan het niet gaan, aangezien de tekst door de regering is goedgekeurd. Het is dus over die toonhoogte dat men nu al een hele week aan het discussiëren is. Ik heb in die week al een heleboel andere dingen gedaan, moet ik zeggen.

De heer Karim Van Overmeire (VB). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en voor de goede toon waarop hij dit heeft gebracht.

Ik noteer dat de regering zegt dat Congo een bevoorrechte partner blijft en dat de regering streeft naar goede relaties met dat land. Met de crisis van de voorbije week in het achterhoofd betekent dit dat er vanuit Brussel een signaal naar Kinshasa wordt gezonden dat Kabila van de regering niet veel kritiek meer moet verwachten. België wil de plooien gladstrijken en belooft daarom dat een herhaling van de gebeurtenissen van vorige week niet meer zal gebeuren.

Kan de minister van Buitenlandse Zaken nog wel functioneren? Als hij een volgende keer naar Congo gaat - in de veronderstelling dat deze strompelende regering nog lang genoeg in het zadel blijft om een volgende keer mogelijk te maken - dan mist hij toch elke autoriteit. Want ook daar weten ze intussen dat er bij zijn terugkeer in België een hele batterij politici klaar staat om hem te desavoueren. Elke boodschap van goed bestuur of strijd tegen corruptie verliest alle kracht door dit incident binnen de Belgische regering.

De heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken. - Als ik in Kinshasa aankom, staat daar meestal een hele horde politici en journalisten en als ik in Brussel terugkeer ook. Dat zal in de toekomst wellicht niet veranderen, maar ik kan de heer Van Overmeire geruststellen dat ik voor 15 juli niet van plan ben nog naar Kinshasa te gaan. (Gelach)

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de crash van een Boeing 747 in Zaventem» (nr. 4-321)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Zondag werd de rust van de omwonenden van de luchthaven van Zaventem brutaal verstoord door de crash van een Boeing 747 van de luchtvaartmaatschappij Kalitta Air. Het vrachtvliegtuig had zijn start gemist en brak in drieën op slechts enkele tientallen meters van de eerste woning. Gelukkig was er geen collaterale schade en vielen er geen slachtoffers. Enkele bemanningsleden werden wel gewond.

De klachten over het gebruik van piste 20, van waar de Boeing opsteeg, zijn niet recent. De piste werd als te kort beoordeeld, ook al kan ze worden gebruikt. Er zijn ook verzwarende omstandigheden; zo zou de piste hoofdzakelijk om politieke redenen worden gebruikt. Het gebruik wordt door het spreidingsplan bepaald en gaat dus ten koste van de piloten en sommige omwonenden. Het ongeval had inderdaad kunnen worden vermeden als de gebruikelijke piste 25/07 van Brussel-Nationaal was gebruikt in plaats van piste 20.

Het dossier hangt nauw samen met dat van de geluidsoverlast. Het ongeval moet dan ook alle partijen wakker schudden om een oplossing te vinden en een zo groot mogelijke veiligheid en een goede levenskwaliteit voor de omwonenden te verzekeren.

Is het niet hoog tijd om een plan op te stellen voor het gebruik van de piste, waarbij de maximale veiligheid als basis wordt genomen en dat door specialisten wordt opgesteld?

Kan de staatsecretaris meedelen binnen welke termijn hij het dossier van de veiligheid en de geluidsoverlast van de luchthaven van Zaventem wil oplossen?

Werd het ongeval besproken door de werkgroep Geluidsoverlast, die maandag is bijeengekomen? Werden nieuwe aanbevelingen voor het gebruik van piste 20 naar voren geschoven?

Ik heb tevens vernomen dat niet het Belgische leger, maar Amerikaanse militairen de beveiliging en bewaking van de plaats van de crash op zich hebben genomen. Klopt dat?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Er lopen momenteel twee onderzoeken. Het onderzoek naar de technische oorzaken van het ongeval wordt gevoerd door de onafhankelijke onderzoekscel voor vliegtuigongevallen, overeenkomstig bijlage 13 van het Verdrag inzake de Internationale Burgerluchtvaart. Het wordt gezamenlijk gevoerd met de Amerikaanse National Transportation Safety Board. Ook loopt er een gerechtelijk onderzoek om de verantwoordelijkheden te bepalen.

In afwachting van de resultaten van die onderzoeken en op basis van de eerste elementen waarover ik beschik, hoed ik me ervoor overhaaste conclusies te trekken of een verband te leggen tussen het gebruik van de piste en het ongeval. We zullen natuurlijk rekening houden met de resultaten van de onderzoeken, maar op korte termijn is het niet nodig dringende maatregelen te nemen.

Een van mijn voorstellen is om de omwonenden vijf nachten zonder opstijgende vliegtuigen aan te bieden. Dat kan door het opstijgen in de weekendnachten te verbieden en tijdens de vier overige nachten afwisselend de pistes 25R en 20 te gebruiken. Bij die oplossing zal natuurlijk rekening worden gehouden met de windrichting, dus voor de betrokken pistes met de westenwind.

Ook stel ik voor de internationale regels te volgen om te vermijden dat een politieke afweging wordt gemaakt over het gebruik van de pistes.

Dat voorstel zal worden besproken door een werkgroep binnen de regering. Die werkgroep is echter niet bevoegd om veiligheidsaanbevelingen te doen of om de oorzaken van het ongeval te onderzoeken. Conform de Europese en internationale regels terzake zullen experts een veiligheidsstudie doen over het uiteindelijke voorstel.

Het is mijn bedoeling om op korte termijn een oplossing voor het probleem te vinden. Of de werkgroep vorderingen maakt, zal afhangen van de wil en de samenwerking tussen alle partners.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Wat met het gerucht dat het wrak niet door het Belgische leger, maar door Amerikaanse veiligheidsagenten wordt bewaakt?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Men moet niet overdrijven: het toestel vervoerde diplomatieke post. Om die reden heeft de Amerikaanse ambassade de beveiliging van die post op zich willen nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Margriet Hermans aan de staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid over «het uitblijven van uitvoerende bepalingen van de wet ter uitbreiding van de tax-shelterregeling naar jeugdprogramma's» (nr. 4-318)

Mevrouw Margriet Hermans (Open Vld). - Op 3 december 2006 werd de wet afgekondigd die de tax-shelterregeling uitbreidt naar jeugdprogramma's. Die wet - die er trouwens kwam op mijn initiatief - is van essentieel belang voor het behoud van jeugdseries en jeugddocumentaires van eigen bodem, zowel in Vlaanderen als in Wallonië. Door de tax-shelterregeling kunnen de productiehuizen standhouden tegen de zondvloed van goedkope Engelstalige jeugdpulp uit het buitenland. Ook economisch zal de regeling ons land geen windeieren leggen, getuige het succes van de tax-shelterregeling voor de Belgische filmsector. Ook het parlement was het voorstel gunstig gezind. Het wetsvoorstel kreeg de unanieme steun van alle politieke fracties. Heden, meer dan anderhalf jaar later, is er nog steeds geen koninklijk besluit voor de uitvoering van de wet. De Europese commissie moest advies geven over dit wetsvoorstel. Op 16 juli 2007 gaf ze schriftelijk een positief advies. Dat werd bevestigd toen ik onlangs persoonlijk navraag deed. Europa maakt geen enkel bezwaar tegen de uitbreiding van de tax shelter. Langer uitstel is dus niet nodig. Dit onnodig uitstel is des te erger, gezien de Europese Commissie de tax-shelterregeling heeft verlengd tot 31 december 2009.

Waarom weigert de staatssecretaris groen licht te geven om het reeds opgestelde koninklijk besluit eindelijk uit te vaardigen? Waar liggen de laatste obstakels? Heeft hij zicht op een oplossing? Welke stappen heeft hij gedaan om een oplossing te bereiken?

Hoe lang moeten de producenten, de televisiehuizen en het parlement nog wachten op de uitvaardiging van het langverwachte koninklijk besluit? Kan de staatssecretaris expliciet aangeven wanneer dit punt zal worden geagendeerd en besproken en met wie?

Is de staatssecretaris op de hoogte van het feit dat de Europese Commissie tot tweemaal toe groen licht heeft gegeven voor de uitbreiding van de tax shelter en weet hij dat ook de dossierverantwoordelijke bij de commissie dat bevestigt?

Mag ik op de staatssecretaris rekenen dat hij er alles aan zal doen om het dossier zo snel mogelijk uit te klaren en de unaniem goedgekeurde wet ook concreet uit te voeren?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Het begrotingsakkoord over de verlenging van de tax-shelterregeling en de uitbreiding ervan tot kinder- en jeugdseries kwam pas tot stand op 26 mei 2008, drie dagen geleden dus. Het akkoord bleef enige tijd uit omdat er zowel bij de Inspectie van Financiën als bij het departement Begroting onduidelijkheid rees over de interpretatie van het antwoord van de Europese Commissie.

Op 21 mei 2008 legde het departement Financiën een mail van 16 april 2008 voor waarin de Europese Commissie duidelijk zijn akkoord bevestigt over de uitbreiding van de tax-shelterregeling voor kinder- en jeugdseries.

Mijn departement heeft dan onmiddellijk alles in het werk gesteld om zo snel mogelijk tot een begrotingsakkoord te komen. Het verdere verloop van het dossier is nu in handen van het departement Financiën dat de verdere uitvoering regelt.

Als staatssecretaris voor Gezinsbeleid en vader van drie kinderen ondersteun ik ten volle de uitvoering van de tax-shelterregeling ten voordele van de kinder- en jeugdseries.

Mevrouw Margriet Hermans (Open Vld). - De staatssecretaris brengt goed nieuws. Niet alleen hij als vader, maar alle ouders van kinderen en alle productiehuizen zullen heel gelukkig zijn met dit antwoord.

Mondelinge vraag van mevrouw Helga Stevens aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over «de werking van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap» (nr. 4-325)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Afgelopen week vroeg ik bij het secretariaat van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap het jaarverslag 2007 op. Ik ontving als antwoord dat het verslag helaas nog niet klaar was. Het huishoudelijk reglement van de raad bepaalt nochtans dat het jaarverslag uiterlijk op 30 april klaar dient te zijn. Ook de vorige jaren werd die deadline niet gehaald. Integendeel, in de periode 2003-2006 werd gewerkt met tweejaarlijkse werkingsverslagen, terwijl het huishoudelijk reglement heel duidelijk stelt dat elk jaar een werkingsverslag dient te worden gepubliceerd.

Uit goede bron verneem ik dat het bureau van de Hoge Raad aan de raad van bestuur heeft voorgesteld om de uiterste datum van 30 april uit het huishoudelijk reglement te schrappen. Dat is natuurlijk het probleem gewoon wegmoffelen, zonder er een oplossing voor te vinden. Vier maanden is hoe dan ook ruim voldoende tijd om een jaarverslag klaar te krijgen.

De reden voor de problemen met het jaarverslag is dat het secretariaat van de Hoge Raad structureel onderbemand is en over te weinig middelen beschikt. Een van de secretarissen is sinds lang gedetacheerd en hij is nog steeds niet vervangen. Dat kan toch niet!

Het gebrek aan ondersteuning is vast ook een gedeeltelijke verklaring voor de relatief beperkte, weinig dynamische werking van de raad: in 2003-2004 werden slechts vijftien adviezen op vraag uitgebracht en vier op eigen initiatief; in 2005-2006 steeg het aantal op vraag uitgebrachte adviezen weliswaar tot zevenentwintig, maar het aantal adviezen op eigen initiatief bleef opnieuw erg laag, met name zeven.

Bovenstaande vaststellingen brengen mij tot volgende vragen.

Mag ik erop rekenen dat de staatssecretaris de nieuwe uiterste datum voor het jaarverslag in het voorstel van huishoudelijk reglement niet zal goedkeuren?

In welke andere nieuwe bepalingen voorziet het nieuwe voorstel van huishoudelijk reglement en komen die een dynamische werking van de Hoge Raad ten goede?

Zal de staatssecretaris eerstdaags de nodige medewerkers en middelen ter beschikking stellen om een dynamische werking van de Hoge Raad te garanderen? Over hoeveel personen en om welke middelen zal het concreet gaan?

Is de werking van de Hoge Raad sinds de oprichting ervan reeds geëvalueerd? Zo ja, wat waren de conclusies? Zo neen, waarom niet?

Is de staatssecretaris bereid op korte termijn een externe instantie de werking van de Hoge Raad te laten evalueren?

Ik betreur het overigens dat de bevoegde staatssecretaris hier niet aanwezig is. Dat komt de werking niet ten goede.

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Fernandez Fernandez.

De Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap is een adviesorgaan dat werd opgericht krachtens het koninklijk besluit van 9 juli 1981.

Artikel 4, §1, van dat besluit bepaalt: `De Raad stelt zijn huishoudelijk reglement op dat hij ter goedkeuring voorlegt aan onze minister.' De goedkeuring van het huishoudelijk reglement door de leden van de Raad stond op de agenda van de plenaire vergadering van de Raad van 19 mei jongstleden. Het ontwerp is me nog niet officieel ter goedkeuring voorgelegd. Mijn vertegenwoordigster heeft de werkzaamheden wel opgevolgd. In dit stadium spreek ik me dus nog niet uit over andere ontwerpen van tekstwijziging.

Ik denk niet dat de datum van publicatie van het jaarverslag van de Hoge Raad het belangrijkste is. Ik herinner eraan dat het jaarverslag alle adviezen van het lopende jaar herneemt. Ik vind het daarentegen veel belangrijker dat de burgers toegang hebben tot de verschillende adviezen die de Raad formuleerde. Het is dan ook meer relevant de adviezen van de Raad ter beschikking te stellen op een website die regelmatig wordt bijgewerkt. Die keuze behoort volgens mij echter tot de bevoegdheden van de Raad. Er worden in de administratie, op verzoek van de Raad, thans meerdere denksporen in die zin bestudeerd.

Zoals ik net heb gezegd, is het ontwerp in dit stadium geen publiek document en ik zal er vandaag dan ook niets over zeggen.

Het secretariaat van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicap bestaat uit vier medewerkers, van wie een persoon in overeenstemming met het ministerieel besluit van 6 november 2007 gedetacheerd is.

De aanwervingsprocedure om de gedetacheerde secretaresse te vervangen loopt. Er werd op het intranet van de FOD Sociale Zekerheid in de loop van de maand maart een interne werkaanbieding geplaatst om een tweede secretaresse in dienst te kunnen nemen. Er werd echter jammer genoeg geen enkele kandidatuur ingediend. Het aanbod werd nadien verspreid in het kader van de interne federale mobiliteit. Tot op heden kwamen twee kandidaturen binnen. De eerste selectie-interviews zouden in de loop van de maand juni moeten plaatsvinden.

De logistiek van de Raad, bijvoorbeeld infrastructuur en tolken, wordt betaald met de werkingskredieten van de administratie. Er is voorzien in een jaarkrediet van 10.000 euro voor de presentiegelden en de verplaatsingskosten van de Nationale Hoge Raad en de Commissie voor Sociaal Hulpbetoon.

De Nationale Hoge Raad is een adviesorgaan dat mijns inziens over een bepaalde onafhankelijkheid beschikt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik betreur de afwezigheid van mevrouw Fernandez. Zolang het ontwerp van huishoudelijk reglement nog niet definitief is, kan de staatssecretaris zich daar uiteraard moeilijk over uitspreken. Ik zal het dossier blijven volgen.

Voor het overige is alles mij duidelijk. Ik vind echter dat de Hoge Raad een beetje meer dynamiek tentoon mag spreiden, vooral ten opzichte van de bevolking. Ik begrijp dat het belangrijk is dat de adviezen op intranet kunnen worden geraadpleegd, maar het publiek heeft ook belang bij een goede communicatie en het jaarverslag is een goede manier om na te gaan hoe actief de Raad is. We vinden op het intranet wel degelijk publicaties, maar hebben geen overzicht over de activiteiten in een bepaald werkjaar. Een jaarverslag maakt dat duidelijk. Het is bovendien een uitstekend middel om een oordeel te vellen over het nut van een Hoge Raad, maar we kunnen het daar later nog over hebben.

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. - Ik begrijp heel goed wat mevrouw Stevens bedoelt. Ik begrijp volkomen haar streven om een dynamische werking van de Nationale Hoge Raad voor Personen met een Handicap tot stand te brengen.

Ik twijfel er niet aan dat mevrouw Fernandez dezelfde mening is toegedaan en geïnteresseerd is in het debat daarover.

Mondelinge vraag van de heer Jean-Paul Procureur aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «informatie betreffende kinderen die misbruikt worden door leden van ngo's» (nr. 4-329)

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - In de pers werd melding gemaakt van een rapport van de ngo Save the Children over seksueel misbruik van kinderen, soms niet ouder dan zes jaar, door leden van niet gouvernementele organisaties.

De ngo baseert zich op honderden getuigenissen van kinderen in Ivoorkust, Soedan en Haïti waaruit blijkt dat vele ngo's, waaronder ook Save the Children, zich vergrijpen aan kinderen die door de moeilijke omstandigheden waarin zij moeten leven, ook erg kwetsbaar zijn.

Save the Children erkent dat dit fenomeen slechts een heel klein gedeelte van het personeel van de ngo's betreft en dat de overgrote meerderheid van humanitaire medewerkers uiteraard niet bij dergelijke feiten is betrokken. Er is dus geen sprake van alle leden van humanitaire organisaties, die bewonderenswaardig werk verrichten, met de vinger te wijzen. Niettemin moeten we vragen durven stellen over dergelijke feiten en die informatie natrekken.

Zijn de diensten van de minister op de hoogte van dat rapport? Werden dergelijke feiten al vastgesteld in ngo's die door de federale regering worden ondersteund of die hun zetel in België hebben? Bestaan er controleprocedures en wordt voorzien in sancties als vastgesteld wordt dat een ngo in de fout gaat, meer bepaald wat betreft de subsidies die door ontwikkelingssamenwerking worden toegekend? Zal u ervoor zorgen dat dergelijke zedenfeiten kunnen worden opgespoord en dat, indien nodig, op gepaste wijze wordt gereageerd, zoals de ngo Save the Children voorstelt?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Mijn diensten hebben kennis genomen van het rapport `Niemand om je te helpen' van Save the Children dat handelt over seksueel misbruik van kinderen door humanitaire hulpverleners en vredessoldaten.

Elk geval van mishandeling is uiteraard een onaanvaardbare schending van de rechten van het kind. Wij zijn niet op de hoogte van enig seksueel misbruik door medewerkers van ngo's die door de Belgische federale regering worden ondersteund. Als zou blijken dat humanitaire hulpverleners zich schuldig maken aan seksuele uitbuiting of misbruik van kinderen moeten, gelijklopend met eventuele gerechtelijke procedures, de betrokken ngo's ervoor zorgen dat dergelijke feiten zich niet meer kunnen voordoen.

Straffeloosheid moet worden bestreden, maar dat mag er niet toe leiden dat een ngo wordt bestraft voor feiten die door een kleine minderheid van haar leden worden begaan. Als uit onderzoek zou blijken dat de ngo werkelijk zelf in de fout is gegaan, moeten wij onmiddellijk onze samenwerking met die ngo evalueren en de gepaste maatregelen treffen.

Preventie biedt de beste bescherming. Bewustmaking van de humanitaire hulpverleners voor de rechten van het kind en van de bevolking maakt daar wezenlijk deel van uit.

In de strategische nota over de rechten van het kind, voorziet de Belgische ontwikkelingssamenwerking in een reeks mechanismen om kinderen tegen seksueel en ander misbruik te beschermen en hen te informeren over hun rechten zodat ze die ook kunnen laten gelden.

De strijd tegen de uitbuiting van en het geweld tegen kinderen in het algemeen, vergt langetermijnoplossingen die een krachtig politiek engagement vereisen van alle partners en een strikte toepassing van het Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind.

De heer Jean-Paul Procureur (cdH). - Ik noteer dat tot nog toe aan de minister geen gevallen werden gesignaleerd bij ngo's die door onze regering worden gesubsidieerd of die in België gevestigd zijn en dat, indien dergelijke feiten zich zouden voordoen, de minister vastbesloten is op te treden.

Mondelinge vraag van de heer Dirk Claes aan de minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid over «het globaal plan voor de horeca» (nr. 4-328)

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Momenteel loopt op VTM het programma Mijn restaurant, een echte hype met meer dan een miljoen kijkers. Het handelt over het reilen en zeilen in de horeca. Teams krijgen een startbudget om een restaurant uit te baten. Kandidaten en kijkers worden geconfronteerd met de aangename kanten, maar ook met de zware moeilijkheden van de sector.

De Belgische horeca is een belangrijke economische sector met bijna 56.000 ondernemingen, ongeveer 35.000 zelfstandigen en 100.000 personeelsleden. De sector kan en wil een bijzonder sterke sociale opdracht vervullen. Ze verenigt verschillende functies die mensen bij elkaar brengt en de verbondenheid stimuleert. Toch gaat het niet zo goed. In 2007 waren er bijna 1500 faillissementen. De uitbaters worden met verschillende problemen geconfronteerd. Zo is het zeer moeilijk om arbeidskrachten te vinden, vooral voor avond- en weekendwerk. Vele uitbaters worden ertoe gedwongen hun zaak voor een aantal extra dagen te sluiten. Flexibele arbeidsvereisten zijn inherent aan deze sector.

Er is ook een rentabiliteitsprobleem. Het is moeilijk een behoorlijke winstmarge te creëren en in de beginperiode is het vaak onmogelijk om alle vaste kosten te dekken. De kosten voor verwarming, elektriciteit en water, die in een horecazaak essentieel zijn, zijn enorm gestegen. Heel wat starters, ook degenen die goed voorbereid en financieel gezond waren, eindigen met een financiële kater. Starters en uitbaters krijgen bijzonder moeilijk toegang tot investeringsleningen. De drempel ligt zeer hoog. Een onduidelijke fiscale regelgeving en een ontoereikende controle leiden tot heel wat zwartwerk. Voor mensen die vast werk hebben en wat extra willen bijverdienen zijn de huidige voorwaarden weinig stimulerend. Zij opteren voor het illegale circuit. Het is dus van groot belang dat de overheid meer aandacht besteedt aan deze belangrijke economische sector. Ik ga ervan uit dat de minister een inspanning zal doen om de sector er weer bovenop te krijgen.

Ik heb samen met enkele collega's een resolutie uitgewerkt tot bevordering van de ontwikkeling van de horecasector. Ik vernam dat ook de minister de nood inziet van een sterke en gecoördineerde aanpak van de sector en dat zij een nieuw globaal plan uitwerkte.

Wat zijn de krachtlijnen van het nieuwe KMO-plan, in het bijzonder voor de horeca? Welke problemen ziet de minister in de horecasector? Welke maatregelen stelt zij voor en binnen welke termijn zal zij het horecaplan uitvoeren? Is zij van plan iets te doen aan de nijpende problematiek om, vooral voor avond- en weekendwerk, voldoende werkkrachten te vinden? Hoe zal zij dat aanpakken? Zal zij andere federale ministers, deelstaatministers en beroepsorganisaties betrekken bij de uitwerking van haar plan?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van KMO, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid. - Ik heb niet de gewoonte om naar reality televisie te kijken, maar ik heb wel al gehoord over het programma waarnaar u verwees.

Ik zal hier nu niet de inhoud onthullen van het `Actieplan KMO', dat ik binnenkort aan de regering zal voorleggen.

Ik kan u wel zeggen dat het actieplan KMO's ambitieus opgevat is en steunt op een intersectoraal gedeelte rond drie hoofdpijlers: het oprichten van ondernemingen aanmoedigen, de zekerheid van de ondernemers verhogen en de relatie tussen KMO's en overheid verbeteren. Er werd ook voorzien in een sectoraal gedeelte. De horeca is één van de sectoren die deel uitmaken van het actieplan. Het is een belangrijke en specifieke sector en dus moeten we specifieke maatregelen nemen.

De toegang tot de beroepen in de horeca is duidelijk één van de thema's die in het actieplan worden behandeld. De toegang tot die beroepen moet worden gemoderniseerd. We mogen echter niet in een overdreven corporatisme vervallen maar we moeten ook voorkomen dat te veel gedereguleerd wordt, want dat zou nadelig zijn voor de voedselveiligheid van de consument. We moeten dus een evenwicht vinden tussen de toegang tot het beroep en de controle en de maatregelen inzake voedselveiligheid. We moeten niet tweemaal hetzelfde werk doen. Ik zal dan ook samenwerken met de horecasector.

De horeca zal, net als de andere sectoren van de KMO's, kunnen rekenen op een versoepeling van de administratieve formaliteiten die moeten worden vervuld door de zelfstandigen die in deze sector willen investeren. Die doelstelling, die beantwoordt aan mijn verbintenissen tegenover de ondernemers, ligt ook in de lijn van de Europese verplichtingen in verband met het enige loket. In Vlaanderen zijn er al ondernemingsloketten, maar in het Waals Gewest nog niet. Ik zal dus overleg plegen met de gewesten, want ik wil een vereenvoudiging uitwerken voor alle zelfstandigen.

Ik zal er ook op toezien dat de permanente onderhandelingen tussen het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen en de horecasector niet stilvallen. Ik wil garant staan voor optimale hygiënische controles, maar ik zal ook rekening houden met de verantwoordelijkheid van de restauranthouders ten opzichte van hun klanten. Ook daar moeten we dus een evenwicht vinden.

De antitabakswetgeving, de btw-wetgeving en de problematiek inzake werknemers waarmee de horecasector moet afrekenen, behoren niet tot mijn bevoegdheid. Voor het opstellen van het actieplan KMO's zal ik dan ook overleg plegen met mijn collega's die terzake bevoegd zijn. Ik wil immers een totaalplan uitwerken, niet een plan alleen voor mijn bevoegdheden. De minister van Werk zal erbij worden betrokken voor een versoepeling of een aanpassing van de arbeidswetgeving, de minister van Sociale Zaken voor de antitabakswetgeving en de aanpassing van het Dimonasysteem en de minister van Financiën voor de btw-wetgeving.

Ik pleeg ook overleg met de beroepsorganisatie en de horecasector om een actieplan uit te werken dat een antwoord biedt op hun problemen.

Ik hoop het globaal plan voor de horeca tegen eind dit jaar te kunnen uitwerken en tegen 15 juli een eerste fase af te ronden.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Ik twijfel er niet aan dat de minister intensief zal werken aan de problemen in de horeca. Enkele CD&V-N-VA-senatoren hebben ten bate van de horeca een resolutie opgesteld die ik aan de minister wil meegeven. We willen graag meewerken aan de uitwerking van goede ideeën.

Vraag om uitleg van de heer Jurgen Ceder aan de Eerste minister en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen en aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de positie van een Belgisch ambtenaar, directeur van het CGKR, als bestuurder van het Europees Bureau voor de Grondrechten, naar aanleiding van de vastgestelde wantoestanden aldaar» (nr. 4-330);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Jurgen Ceder (VB). - De heer Jozef De Witte is directeur van het Centrum voor gelijkheid van Kansen en voor Racismebestrijding (CGKR) en valt aldus onder het toezicht en de bevoegdheid van de eerste minister en van de minister van Werk en Gelijke Kansen. In die hoedanigheid is hij ook bestuurder van het Europees Bureau voor de Grondrechten.

Er werd onlangs in het Europees parlement zeer kritisch gesproken over de vele agentschappen die de EU stilaan heeft opgericht. Het zijn er intussen dertig. Het personeelsbeleid, de kosten, en meer algemeen het gebrek aan controle op efficiëntie en goed bestuur lokken heel wat kritische vragen uit.

Eén van de agentschappen dat zwaar in de vuurlijn kwam was het Europese waarnemingscentrum voor racisme, intussen omgedoopt tot Europees Bureau voor de Grondrechten. Bij de uiteindelijke stemming over het verslag werd de tekst wat afgezwakt, maar in de oorspronkelijke versie was er sprake van wantoestanden als: het al te grote aandeel van de huishoudelijke uitgaven van het Bureau in de totale kosten, de onevenredig hoge kosten voor privé-reizen van medewerkers en hun gezinsleden en verspilling van overheidsgeld.

Aanvankelijk werd voorgesteld dat de begrotingscommissie van het Europees Parlement zou weigeren kwijting te verlenen aan het Bureau voor het begrotingsjaar 2006, maar dat ging uiteindelijk niet door.

De tekst van het ontwerpverslag was gebaseerd op de bevindingen van de Europese Rekenkamer, die in haar verslag gewijd aan dit Bureau volgende wantoestanden documenteerde: gesjoemel met budgetten voor tijdelijk personeel, gesjoemel met uitbetaling van schoolkosten voor personeel, gesjoemel bij de aanwerving van personeel, en een flagrant geval van bevoordeling van een aannemer.

Al deze zaken doen vragen rijzen over de rol van Jozef De Witte, lid van de raad van bestuur van dit Europese agentschap voor België. Ofwel is Jozef De Witte zelf persoonlijk betrokken bij deze buitensporige uitgaven en verspilling van overheidsgeld, ofwel is hij er als lid van de raad van bestuur mee verantwoordelijk voor. In beide gevallen rijzen vragen.

In het verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de grondrechten van de Rekenkamer (2007/C 309/02, PB 19/12/2007) wordt volgende opmerking gemaakt over gesjoemel met schoolkosten: `In 2006 besloot het Bureau de schoolkosten voor de kinderen van het personeel integraal ten laste te nemen zonder artikel 3 van Bijlage VII bij het Statuut toe te passen. In 2006 werden betalingen verricht hoewel het besluit nog niet was vastgesteld door de raad van bestuur en hoewel er geen formele overeenkomsten waren gesloten met geschikte scholen.'

In het jaarverslag van de Rekenkamer (2007/C 273/201, PB 15/11/2007) bevestigt de Europese Commissie de misbruiken met deze melding: `Conform dit standpunt heeft de Commissie de twee betrokken agentschappen er bij herhaling op gewezen dat hun werkwijze niet in overeenstemming is met de richtsnoeren, noch verenigbaar met het Statuut.' En toch vond het gesjoemel gewoon plaats.

Welke personeelsleden en/of leden van de organen van het FRA verkregen in 2006 gelden uit deze onwettig uitbetaalde schoolkosten?

Werden schoolkosten vergoed aan de heer De Witte of aan zijn Franstalige plaatsvervanger Delruelle? Zo ja, voor welke bedrag?

Menen de eerste minister en de minister van Gelijke Kansen dat deze miskenning van de geldende wetgeving aanvaardbaar is? Zo neen, welke conclusies verbinden zij daaraan ten aanzien van de bestuurder en eventueel zijn plaatsvervanger?

In het verslag over de jaarrekening van het Europees Bureau voor de grondrechten van de Rekenkamer (2007/C 309/02, PB 19/12/2007) wordt volgende opmerking gemaakt in verband met de aanbestedingen: `In een aanbestedingsprocedure voor een kadercontract (ter waarde van 400.000 euro over 4 jaar) ontving het Bureau twee inschrijvingen. Eén ervan werd door de openingscommissie afgewezen omdat ze te laat was ontvangen, hoewel dit niet het geval was. Het contract werd gegund aan de tweede inschrijver, hoewel zijn offerte bij de kwaliteitsevaluatie een zeer slechte beoordeling kreeg.'

Ik vind het ook bijzonder kras dat het Agentschap, met goedkeuring van bestuurder De Witte, compleet onwetenschappelijke rapporten verspreidt zonder dat het door de wet voorziene wetenschappelijk comité wordt geïnstalleerd. Inderdaad, overeenkomstig verordening 168/2007 wordt het FRA begeleid door een wetenschappelijk comité dat transparant wordt samengesteld. Alleen bestaat dat comité nog steeds niet.

Het FRA publiceerde in 2007 wel al rapporten over wetenschappelijk niet bestaande zaken, zoals islamofobie, waarbij aan dwaze sfeerschepperij wordt gedaan en elke kritiek op de islam wordt gecriminaliseerd, maar tegelijk wordt toegegeven dat islamofobie wetenschappelijk niet is gedefinieerd. Feitelijk komt het erop neer dat al wat moslims aanstootgevend vinden, zoals de kritiek op Koranpassages die oproepen tot haat en geweld, ook islamofoob is.

Vinden de eerste minister en de minister van Gelijke Kansen het aanvaardbaar dat het FRA, onder de leiding van directeur De Witte en in strijd met de inhoud van verordening 168/2007, in 2007 rapporten heeft gepubliceerd zonder dat het wetenschappelijk comité was samengesteld?

Welke conclusies verbinden de eerste minister en de minister van Gelijke Kansen daaraan ten aanzien van de heer De Witte en zijn plaatsvervanger?

Welke vergoeding ontvingen de heer De Witte en zijn plaatsvervanger in 2006 en 2007 voor hun lidmaatschap van dit Agentschap?

Welke eventuele reisonkosten, dag- en andere vergoedingen werden hiervoor eventueel uitbetaald?

Hoeveel dagen brachten hij en zijn eventuele plaatsvervanger in 2006 en 2007 door in Wenen, waar het Agentschap is gevestigd?

Werden betrokkenen intussen verder betaald voor hun functie in België?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de ministers.

De heer Jozef De Witte en de heer Edouard Delruelle zijn nooit tewerkgesteld geweest, noch door EUMC, noch door FRA. Ze hebben nooit schoolkosten ontvangen, noch enige vergoeding voor hun mandaat. De studies waarnaar wordt verwezen, worden uitgegeven door EUMC en niet door FRA.

De raad van bestuur houdt zich niet bezig met aanbestedingen. De taken van de leden van de raad van bestuur zijn terug te vinden op de website van het Fundamental Rights Agency. De raad van bestuur komt maar drie keer per jaar samen. Het mandaat is kosteloos. De onkosten voor vervoer en verblijf worden gedragen door FRA. Er komt geen enkele geldtransactie bij kijken.

De heer Jurgen Ceder (VB). - Op de belangrijkste vraag over de betrokkenheid van de heer De Witte als bestuurder van het agentschap kreeg ik geen antwoord. Nochtans kreeg het agentschap de kritiek dat aan bepaalde ongeoorloofde praktijken geen einde werd gemaakt. Waarom kreeg de heer De Witte niet het signaal dat hij de wetgeving van de EU correct dient na te leven?

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen en aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over «de accommodatie van het personeel van het Hof van Cassatie en over de aanwerving van een informaticus» (nr. 4-315);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Tijdens een hoorzitting in de Senaatcommissie voor de Justitie merkte de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie op dat de huisvesting en accommodatie van het personeel lamentabel is. Bovendien blijkt dat het Hof van Cassatie in de eenentwintigste eeuw nog steeds niet beschikt over een volwaardige informaticus. De adjunct-griffier neemt die taak de facto op zich, daarbij geholpen door de chauffeur van de eerste voorzitter.

Nochtans zijn de arresten van het Hof van Cassatie de belangrijkste bron van ons recht op Juridat. Ter vergelijking: het Franse Hof van Cassatie beschikt over zeven informatici en het Nederlandse over zes.

Is de minister van plan op korte termijn minstens één voltijds informaticus voor het Hof van Cassatie aan te werven?

Zal hij op korte termijn de accommodatie verbeteren?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik heb op 14 januari 2008, dus onmiddellijk na mijn aantreden, een afspraak gemaakt met de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie. Dat gesprek was niet alleen een kennismaking, maar gaf mij ook de gelegenheid om de bekommernissen van het Hof te leren kennen.

Er werd een overzicht gemaakt van de wetgeving die moet worden geëvalueerd en gewijzigd. Daarnaast werd ook aandacht besteed aan de werklastmeting en aan de reorganisatie en modernisering. Tot slot was er aandacht voor de specifieke noden van het Hof van Cassatie zoals de verhoging van het aantal referendarissen tot twintig eenheden en de aanwerving van één informaticus op de griffie of bij de referendarissen.

Kort na het onderhoud met de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie werd de administratie van de FOD Justitie op 1 februari 2008 schriftelijk belast met een onderzoek om na te gaan welke mogelijkheden voorhanden zijn om tegemoet te komen aan het verzoek en binnen welke termijn dat mogelijk is. Tevens heeft de eerste voorzitter op 4 februari 2008 gevraagd om mevrouw De Wolf, referendaris en afwezig wegens loopbaanonderbreking, te vervangen door de personeelsformatie met een eenheid uit te breiden. Voor die uitbreiding is naast een advies van de Inspectie van Financiën ook het akkoord van de staatssecretaris voor Begroting en van de minister van Ambtenarenzaken vereist. Hierdoor neemt de procedure algauw enkele maanden in beslag. De eerste voorzitter van het Hof van Cassatie zal over het verloop van de procedure worden ingelicht.

Ook de aanwerving van een informaticus kwam tijdens het onderhoud met de eerste voorzitter aan bod. Hiervoor moeten de artikelen in het Gerechtelijk Wetboek over de organisatie van de rechtbanken en parketten worden aangepast. Het Hof van Cassatie beschikt over een softwarepakket, Syscas, dat in opdracht van de stafdienst ICT van de FOD Justitie door de firma Bureau van Dijk is ontwikkeld. Die firma staat ook in voor het onderhoud van het programma. De stafdienst ICT sluit jaarlijks een contract met Bureau van Dijk waarin wordt vastgelegd dat een medewerker van die firma een bepaald aantal dagen ondersteuning geeft en onderhoud doet. Het contract bedraagt 25.000 euro, wat ongeveer met twintig prestatiedagen overeenstemt.

Bij het Hof van Cassatie is adjunct-griffier Dossche de systeembeheerder. Daarnaast krijgt het hof van de stafdienst ICT dezelfde ondersteuning als de andere jurisdicties binnen de rechterlijke organisatie. Ze kunnen bij problemen een beroep doen op de helpdesk van de stafdienst ICT, die eventueel een lokale interventie door een technicus regelt. De kwaliteit van de helpdesk, die vandaag onderbemand is, kan wel beter.

De projecten voor 2008, goedgekeurd in de begroting van 2008, houden een aanzienlijke verbetering van de helpdesk in. Dat is ook het geval voor de uitbreiding in 2009, opgenomen in het voorstel van begroting voor ICT van 2009.

Op het ogenblik beschikt geen enkel rechtscollege over een informaticus. De griffies en parketsecretariaten hebben alleen een systeembeheerder. Voor die taak werd iemand uit het eigen personeelsbestand opgeleid.

Ik kom dan bij de plaats van het Hof van Cassatie in de piramide Cheops Justice. De bedoeling van Cheops Justice is in de eerste fase de grootste groep eindgebruikers te bereiken, namelijk de eerstelijnsparketten en -rechtbanken, vredegerechten, politierechtbanken en -parketten, rechtbanken van eerste aanleg en hun parketten. Pas in een tweede fase komen de hoven van beroep en het Hof van Cassatie aan bod. Men heeft ervoor geopteerd de grootste groep eindgebruikers, die tevens instaat voor het beheer van de meeste dossiers, eerst te bedienen. Dat betekent niet dat er tijdens de uitvoering van die eerste fase geen voorbereidingen moeten worden getroffen voor de andere rechtscolleges, zoals de hoven van beroep en de parketten-generaal, maar uiteraard ook het Hof van Cassatie en het parket-generaal bij het Hof van Cassatie. Cassatie staat voorlopig als laatste in de planning, voor 2011-2012.

Dat betekent niet dat er intussen geen andere moderniseringen op ICT-gebied kunnen gebeuren. Binnenkort zal met de hoofdgriffier een ICT-vergadering worden georganiseerd om de behoeften beter te kunnen invullen. Er zal een persoon worden aangeworven om zich op de stafdienst ICT specifiek bezig te houden met de behoeften van Cassatie.

Toen de rechtbank van koophandel uit het justitiepaleis was vertrokken, heeft de gebouwencommissie de lokalen herverdeeld. Een aantal lokalen van de rechtbank van koophandel werden aan het Hof van Cassatie toebedeeld. Verder werd ook de oude griffie van de rechtbank van koophandel voor het Hof van Cassatie bestemd. Eerst moeten er echter renovatiewerkzaamheden worden uitgevoerd, die verder gaan dan een eenvoudige opfrissing. De Regie der gebouwen werd gevraagd deze renovatiewerken uit te voeren. Er werden alvast aanpassingen aan de elektriciteit gedaan. Verder is het justitiepaleis een monument en dat maakt renovatie moeilijker en omslachtiger gezien de ingewikkelde procedures die moeten worden gevolgd. Aan de bevoegde dienst bij de Regie der Gebouwen zal worden gevraagd na te gaan hoe het budgetbeheer en de planning van deze renovatie en opfrissing verder zal verlopen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Natuurlijk bestaan er helpdesks en -programma's; dat wist ik ook wel. Heb ik het goed begrepen dat bij de stafdienst ten minste één persoon zal worden aangewezen om de ICT bij het Hof van Cassatie te beheren?

De voorzitter van het Hof van Cassatie zei dat hij `maar enkele duizenden euro' nodig heeft om de vrijgekomen lokalen te kunnen betrekken. Daar ontwaar ik toch een gebrek aan communicatie. Misschien kan de accommodatie met zeer geringe werken snel worden uitgebreid en is daar echt geen ingewikkeld overleg voor nodig.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Klimaat en Energie over «de weigering om een veldproef met genetisch gewijzigde populieren uit te voeren» (nr. 4-323)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de minister van Klimaat en Energie over «de weigering om een veldproef met genetisch gewijzigde populieren uit te voeren» (nr. 4-324)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De Belgische federale overheid heeft een aanvraag van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie om een veldproef met genetisch gewijzigde populieren uit te voeren, afgewezen. Het hout van de gewijzigde populieren bevat minder lignine, zodat er uit deze genetisch gewijzigde populieren in serres tot 60% meer bio-ethanol kan worden gehaald. Het instituut wil die proeven nu overdoen in het veld, omdat planten zich anders gedragen wanneer ze worden blootgesteld aan de weersomstandigheden.

Het instituut voert ook aan dat brandstof uit hout niet concurreert met de voedselproductie, zoals bio-ethanol van de eerste generatie wel doet.

Minister Magnette en minister Onkelinx geven geen toestemming voor deze proeven. Dit is een zware klap voor het wetenschappelijk onderzoek in het algemeen en de ontwikkeling van de biotechnologie in België in het bijzonder.

De drie argumenten die de minister van Klimaat en Energie aanhaalt, getuigen volgens wetenschappers van muggenzifterij. Hij verwijst bijvoorbeeld naar het ontbreken in de aanvraag van een onderzoeksprotocol voor onderzoek naar de milieurisico's van de bomen. Dit stond niet vermeld in de dossiervereisten en men kan dat niet achteraf daaraan toevoegen.

Hij heeft het ook over de aanwezigheid van de antibioticumresistentiemerker. De prominente wetenschappers van de Bioveiligheidsraad gaven nochtans hun goedkeuring. Het gaat over een antibioticumresistent gen dat al jaren wordt gebruikt en waarvoor de Europese Unie al voor miljoenen euro studies heeft betaald. Het is intussen bewezen dat dit gen niet schadelijk is voor de mens. Projecten met onschadelijke genen behoeven geen onderzoek, wat hier ook het geval is.

Het gaat hier niet om de eerste veldproef met populieren in België. Eind jaren tachtig heeft Plant Genetic Systems in samenwerking met het Populiereninstituut in Geraardsbergen, en met toestemming van de Belgische overheid, reeds genetisch gemodificeerde populieren in veldproeven bestudeerd op het terrein van het Populiereninstituut. In Frankrijk kreeg eenzelfde project nog toestemming. Hoe kan België een andere houding aannemen, aangezien voor beide landen toch dezelfde Europese regelgeving geldt? De mensen wier proef deze week geweigerd werd, komen uit dezelfde pool van wetenschappers. Het is dus niet dat de mensen die dit project leiden, onervaren zijn.

Het laatste argument van de minister betreft de publieke consultatie. Ik wil hem graag vragen wie die mensen zijn en hoe hij te werk ging om hun mening te kennen, wetenschappelijk te verwerken en te interpreteren. Hebben de ondervraagde mensen zich niet meer gefocust op de biobrandstof als abstract concept en dat ten onrechte gekoppeld aan de GGO-studie? Dat komt allemaal niet ter sprake.

Op deze manier blokkeert de minister de wetenschappelijke vooruitgang. Het is alsof hij in de farmacologie voor een medicatie die alle onderzoeksfasen al heeft doorlopen en op het punt staat door te breken, plots de klinische proeven zou weigeren. Er spelen duidelijk niet-wetenschappelijke redenen mee, aangezien ook het in België hooggekwalificeerd wetenschappelijk team het project federaal heeft goedgekeurd. Ik wil van de minister graag horen welke redenen hem dan wel tot dit besluit hebben gebracht.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Er rijzen inderdaad vragen in verband met de redenen waarom twee federale ministers geweigerd hebben in te gaan op de vraag van het Vlaams Instituut voor Biotechnologie om veldproeven te mogen houden met populieren met een gewijzigde houtsamenstelling. Die proeven hebben tot doel na te gaan of op duurzame wijze bio-ethanol kan worden geproduceerd.

Bij deze aanvraag, ingediend in november 2007, werd de volledige procedure correct gevolgd. De Adviesraad voor bioveiligheid gaf een positief advies voor deze aanvraag. Ook de Vlaamse minister bevoegd voor deze materie ging akkoord met het opzet. Toch kregen de initiatiefnemers op 26 mei van beide federale ministers, de heer Magnette en mevrouw Onkelinx, een brief met de mededeling dat de veldproef wordt geweigerd.

Gisteren werd Vlaams minister-president Kris Peeters hierover in het Vlaams Parlement ondervraagd door mevrouw Moerman, niet bepaald een communautaire scherpslijpster. Ze is wel gewezen Vlaams minister van Economie, Ondernemen, Wetenschap, Innovatie en Buitenlandse Handel en heeft het biotechnologisch onderzoek en de stimulering daarvan in Vlaanderen op poten gezet. Ze begreep langs geen kanten waarom na alle positieve adviezen de federale ministers toch geen toestemming voor de proeven hebben gegeven. De Vlaamse minister-president heeft geantwoord dat hij de kwestie desnoods op het overlegcomité zal brengen, maar zei ook dat de beslissing in ieder geval moest worden bijgestuurd.

Waarom werd uiteindelijk, ondanks alle positieve adviezen, toch geen toestemming verleend voor dit project?

Is er overleg geweest met de Vlaamse regering en de betrokken Vlaamse instanties?

Zijn de federale ministers bereid om in te gaan op de vraag van de Vlaamse regering om deze beslissing te herzien?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Men moet niet overal communautaire kwesties zien. Ik zou precies dezelfde beslissing hebben genomen als het om een ander gewest zou zijn gegaan.

De Adviesraad voor bioveiligheid heeft een gunstig advies uitgebracht op voorwaarde dat er wordt tegemoetgekomen aan maatregelen voor risicobeheer. Dat advies wordt op een wetenschappelijke basis uitgebracht. Wij betwisten die wetenschappelijke basis niet en benadrukken dat de Raad kwaliteitsvol werk heeft verricht.

Er zijn andere redenen voor de weigering. Een belangrijk element is het ontbreken van de milieuevaluatie van de proef. Zelfs als het experiment beperkt blijft tot de proef zelf, moeten wijzigingen in het milieu worden geëvalueerd.

Bij veldproeven moet de aanwezigheid van een merkergen inzake antibiotica tegen 31 december van dit jaar uitgeschakeld worden. Aangezien de proef over een periode van meerdere jaren loopt, is dit element strijdig met deze regelgeving.

Als ministers moeten wij dit dossier beoordelen op basis van de geldende wetgeving, namelijk het koninklijk besluit van 21 februari 2005. Dit besluit bepaalt niet alleen dat de Bioveiligheidsraad moet worden geconsulteerd, maar dat ook de publieke opinie moet worden geraadpleegd. Waar het advies van de Bioveiligheidsraad wel degelijk een antwoord biedt op tal van vragen met betrekking tot de risico's, met name inzake uitzaaiing, betroffen talrijke reacties van het publiek de ontwikkeling van biobrandstoffen. De Bioveiligheidsraad kan zich over deze kwestie niet uitspreken.

Als ministers moeten wij oor hebben voor alle bekommernissen, ook voor bekommernissen inzake bioveiligheid. De FOD Volksgezondheid en Leefmilieu heeft ons de uitslag van de openbare raadpleging meegedeeld. Bijna 40% van de reacties van het publiek hadden betrekking op de ontwikkeling van biobrandstoffen.

Op dit ogenblik bekijken we de afzonderlijke dossiers geval per geval zonder ooit het sociaal-economische doel van die nieuwe technologie aan te snijden, in casu het wijzigen van het genoom van bomen met het oog op energiewinning. We zijn gewonnen voor de ontwikkeling van biobrandstoffen van de tweede generatie en voor onderzoek daarnaar. Het lijkt ons dan ook nuttig te weten welke waaier aan technologische mogelijkheden bestaat en welke onderzoekssporen dienen te worden gevolgd om de gestelde doelstelling te bereiken. In dat verband denken we aan het onderzoek op algen, dat meer dan veelbelovend lijkt.

We wensen evenwel te benadrukken dat we in het licht van nieuwe kenniselementen op onze beslissing kunnen terugkomen.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - De EFSA, de Europese voedselveiligheidsautoriteit heeft uitgemaakt welke antibioticumresistente merkers nog mogen worden gebruikt en welke niet. Het hpt-gen is een van de twee genen die nog voor grootschalige toepassingen op de markt zijn toegelaten.

Willen we van België een kenniseconomie maken en daartoe de innovatieve wetenschap als een sterkmaker voor vooruitgang in Europa houden? Heel de chemische industrie dreigt te delokaliseren. Solvay verhuist naar Brazilië. Moeten we de knowhow waarin onze universiteiten het voortouw nemen, naar andere continenten laten vertrekken? China staat op het punt om miljoenen populieren te kopen. Dat project is haast grenzeloos. De genetisch gewijzigde populieren kunnen niet bloeien en vormen dus geen bedreiging voor het milieu. Alle argumenten van de ministers kunnen wetenschappelijk worden weerlegd.

Ook economisch dreigt er een gevaar. Wie zal nog investeren in risicokapitaal voor innovatieve technologie als de politiek elk onderzoek afschrikt?

We stevenen af op een economische en een wetenschappelijke ramp.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Het antwoord van de minister ontgoochelt me, precies omdat de drie argumenten op grond waarvan beide ministers naar eigen zeggen het project hebben geweigerd, gisteren nagenoeg helemaal zijn weerlegd.

Ten eerste legt de procedure geen onderzoek op naar milieurisico's voor andere boomsoorten. Ten tweede is de antibioticumresistentiemerker niet verboden, ook niet door de Europese overheid. Ten derde hebben de publiekscommentaren betrekking op het onderzoek voor het eventueel ontwikkelen van biobrandstoffen van de tweede generatie. De aanplanting van genetisch gewijzigde populieren vormt echt geen bedreiging voor de wereldvoedselproductie.

De minister antwoordt dus niet op de argumenten van mevrouw Moerman en evenmin op de argumenten vanVlaams minister-president Peeters. Gezien elke instantie die voorafgaand advies dient uit te brengen, telkens positieve adviezen formuleert, blijft de vraag open waarom de federale overheid dit project tegenhoudt.

In Vlaanderen beschikken we over drie van de 25 toponderzoekers op dat domein. Indien de minister wil dat ook zij vertrekken, dat hij dan gerust voortdoet zoals hij nu bezig is.

De minister zegt wel dat hij, indien er nieuwe elementen zijn, de zaak nog eens wil bekijken. Maar op mijn vraag of hij bereid is om een onrechtmatig genomen beslissing bij te sturen, gaat hij niet in. Deze zaak zal wellicht bij het overlegcomité terechtkomen en zodoende opnieuw een communautair dispuut uitlokken, niet omdat de Vlaamse regering of mevrouw Moerman dat gewild hebben, maar omdat twee federale ministers een proefproject van niet te onderschatten waarde voor het Vlaams beleid inzake innovatie en technologie tegen alle uitgebrachte adviezen in doorkruisen. Wil men daarvan opnieuw een conflictpunt maken, dan is dat de verantwoordelijkheid van de federale ministers en niet van de Vlaamse.

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen en aan de minister van Klimaat en Energie over «het invoeren van statiegeld op blikjes» (nr. 4-317);

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Met de eerste zonnestralen van de zomer vinden heel wat recreanten hun weg naar het platteland. De landbouwers ervaren dit echter met gemengde gevoelens. Ze stellen immers vast dat het weggooien of achterlaten van drankblikjes een ware pest is geworden. Niet alleen ontsieren de blikjes het landschap, ze zijn ook schadelijk voor het milieu en vormen een groot gevaar voor de runderen. Bij het maaien van de velden worden de blikjes immers niet zelden meegesleurd in de machine, waarbij ze gehakseld worden en zo in het ruwvoeder van de dieren terechtkomen. De metaalschilfers snijden als een mes doorheen de maag- en darmwand van de dieren, met alle gevolgen van dien.

Welke maatregelen zal de minister nemen om het gebruik van blikjes te beperken?

Denkt de minister dat de invoering van een statiegeld op blikjes er kan toe bijdragen dat er minder blikjes in de natuur worden achtergelaten? Dergelijk systeem wordt reeds toegepast in Zweden, Denemarken en Duitsland.

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Over de invoering van statiegeld op blikjes wordt veel gedebatteerd.

Op federaal niveau is de impact van blikjes op de volgende levenscyclus verbonden aan de vaststelling van productnormen. Inzake recyclage, een regionale bevoegdheid, boeken wij voortreffelijke resultaten. Een systeem van statiegeld zal niet leiden tot een stijging van de recyclagepercentages en de invoering van statiegeld zou compatibel moeten zijn met het huidige collectesysteem Fost Plus.

Een systeem van statiegeld op blikjes zou niet noodzakelijk in strijd zijn met de verpakkingsrichtlijn van de EU, op voorwaarde dat het systeem op een niet-discriminerende wijze wordt georganiseerd. Het Europees Hof heeft al veel statiegeldsystemen verworpen wegens hun discriminerende karakter. Systemen die de producenten individueel verantwoordelijk stellen voor het ophalen van de blikjes die zij produceren worden als discriminerend beschouwd, in tegenstelling tot systemen met een collectieve aansprakelijkheid zoals bijvoorbeeld het systeem Fost Plus. Een systeem gebaseerd op het huidige principe van Fost Plus zou dus als basis kunnen dienen voor een statiegeldsysteem. Ik herinner er echter aan dat dit een regionaal systeem is en dat de gewesten daar bevoegd voor zijn.

De federale slagkracht is op dit vlak dan ook beperkt. Wij kunnen dus besluiten dat het opportuun is een statiegeldsysteem voor blikjes te organiseren op Europees niveau om de efficiëntie ervan te kunnen verzekeren en discriminerende systemen te voorkomen.

Vraag om uitleg van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de mogelijke vervalsing van de koninklijke besluiten nr. 78 en 79» (nr. 4-319)

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Naar aanleiding van de aanhoudende commotie over een mogelijke vervalsing van het koninklijk besluit nr. 79 en ook van het koninklijk besluit nr. 78, heb ik enkele vragen aan de minister.

Wat is de normale procedure die gevolgd diende te worden voor een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit dat een uitvoeringsbesluit is van de volmachtenwet van 1967? Is deze procedure bij de koninklijke besluiten nr. 78 en 79 gevolgd? Wat is de juridische impact op de rechtsgeldigheid van deze koninklijke besluiten indien de procedure voor ondertekening door de Koning niet gevolgd is?

In welke archieven bevinden zich nog documenten over de totstandkoming van het koninklijk besluit nr. 78 en 79? Om welke documenten gaat het? Zijn er nog verslagen van de Ministerraad? Is er briefwisseling die nog bewaard is gebleven? Is het mogelijk dat ik op basis van mijn parlementair mandaat hierin inzage krijg?

Wat is de juridische impact op de rechtsgeldigheid van de koninklijke besluiten nr. 78 en 79 indien er daadwerkelijk wijzigingen werden aangebracht nadat ze in Ministerraad overlegd werden en vóór de ondertekening door de Koning?

Over beide besluiten werd een advies gevraagd aan de Raad van State en dit werd pas verkregen na de laatste Ministerraad van 23 oktober en voor de publicatie. Het advies over 79 werd gegeven op 27 oktober en bereikte minister Hulpiau op 6 november. Het advies over 78 werd gegeven op 6 november en bereikte de minister op 8 november. De Koning ondertekende op 10 november. Het advies van de Raad van State werd dus niet gevolgd door de Ministerraad omdat het te laat kwam. Is het mogelijk dat minister Hulpiau zich er toch op baseerde en wijzigingen aanbracht? Welke gevolgen zou dit hebben voor de rechtsgeldigheid?

Zijn de aanhoudende perikelen rond een eventuele vervalsing van het koninklijk besluit nr. 79 geen argument om een definitieve stap in de richting van een hervorming van de Ordes te zetten?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

De zeer volledige vraagstelling van de heer Vankrunkelsven is voornamelijk bedoeld voor de eerste minister met betrekking tot de machtigingsprocedures van de regering gedurende de periode met volmachten die toegekend werd door het parlement.

Hoewel de feiten zeer oud zijn -ze dateren van meer dan veertig jaar geleden -, kan ik proberen uw vragen als volgt te beantwoorden. De procedure waarin de machtigingswet voorziet werd nageleefd. Ik verwijs naar de wet van 31 maart 1967 tot toekenning van bepaalde machten aan de Koning ten einde de economische heropleving, de bespoediging van de regionale reconversie en de stabilisatie van het begrotingsevenwicht te verzekeren. Ik citeer hieruit de betrokken artikelen.

Artikel 1 bepaalt: `Door in de Ministerraad overlegde besluiten kan de Koning alle nuttige maatregelen treffen ten einde ... 8º a) de kwaliteit der geneeskundige zorgen te bevorderen en de normale verstrekking ervan te verzekeren door een herziening en een aanpassing van de wetgeving in verband met de uitoefening van de verschillende takken van de geneeskunde; ...'

Artikel 3 bepaalt: `De machten toegekend aan de Koning verstrijken op 14 november 1967. De besluiten getroffen krachtens deze machten kunnen de vigerende wettelijke bepalingen opheffen, aanvullen, wijzigen of vervangen. Na het verstrijken van de door deze wet toegekende machten, kunnen die besluiten niet worden opgeheven, aangevuld, gewijzigd of vervangen dan door een wet, terwijl de Koning het recht behoudt de bepalingen, die betrekking hebben op zaken die onder zijn bevoegdheid vallen, op te heffen, aan te vullen, te wijzigen of te vervangen.'

De enige `substantiële' opgelegde formaliteiten waren het raadplegen van de Raad van State en het overleg in de Ministerraad. Deze beide formaliteiten werden nageleefd. Er werd bovendien een rapport neergelegd bij de Kamers.

Van niet-naleving van de procedures is dus geen sprake.

De archieven en de archieven van de Ministerraad vallen onder het geheim van de beraadslagingen conform artikel 6, §2, 3º, van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur. Een federale of niet-federale administratieve overheid wijst de vraag om inzage, uitleg of mededeling in afschrift van een bestuursdocument, die met toepassing van deze wet is gedaan, af, wanneer de openbaarmaking van het bestuursdocument afbreuk doet: ... 3º aan het geheim van de beraadslagingen van de federale Regering en van de verantwoordelijke overheden die afhangen van de federale uitvoerende macht, of waarbij een federale overheid betrokken is. Er moet tevens nota genomen worden van het feit dat de verslagen van de Ministerraad toegankelijk zijn na 50 jaar, per schijf van 10 jaar op de site van het Rijksarchief. Ik noteer evenwel dat, indien de notificaties in kwestie reeds meegedeeld werden aan een advocaat, ze ook zouden kunnen meegedeeld worden. De regering heeft bovendien sedert kort aanvaard om de notificaties systematisch mee te delen aan de parlementsleden. Ik nodig u echter uit om u voor deze materie tot de eerste minister te wenden.

Ik bevestig u dat alleen de formaliteit van overleg in de Ministerraad moet worden nagekomen, zoals dat ook blijkt uit de considerans van de besluiten. De wettelijkheid van de besluiten kan niet in twijfel worden getrokken. Ik verwijs trouwens naar het antwoord dat ik recent aan mevrouw de volksvertegenwoordiger De Schamphelaere verstrekte: `Ik vestig er tevens de aandacht op dat deze koninklijke besluiten en de opeenvolgende wijzigingen eraan het voorwerp waren van het verschillende malen indienen van beroep ertegen bij het Grondwettelijk Hof, toen nog het Arbitragehof, en bij het Hof van Cassatie, zonder dat deze problematiek aan de basis van een sanctie lag'.

Het raadplegen van de afdeling wetgeving van de Raad van State wordt beschouwd als een substantiële formaliteit, maar het advies is niet bindend. In de mate dat de formaliteit werd vervuld, kan de wettelijkheid van de besluiten op dit vlak niet worden betwist.

De afdeling wetgeving van de Raad van State spreekt zich bovendien niet uit over een tekst die niet overlegd werd in de Ministerraad en het is aanvaard dat een in de Ministerraad overlegd besluit dat voorgelegd wordt aan de Raad van State daarna niet meer het voorwerp is van een tweede lezing. Een circulaire van de eerste minister van 21 december 2007, dus ruimschoots na het besluit waarover het hier gaat, preciseert dat het besluit alleen in geval van belangrijke of fundamentele opmerkingen terug moet worden voorgelegd (punt E. g: ... g): ... Wanneer het gaat om een ontwerp dat door de Ministerraad werd onderzocht, moet het opnieuw aan de Ministerraad worden voorgelegd indien de Raad van State in zijn advies fundamentele of belangrijke opmerkingen maakt. Het betreft uiteraard de huidige praktijken voor de afdeling wetgeving die de Ministerraad volgt, maar ze berusten wel op praktijken van veel vroeger.

Overwegende hetgeen hiervoor werd uitgelegd, is er geen enkel gevaar voor de rechtszekerheid van het koninklijk besluit nr. 79 betreffende de Orde der Geneesheren.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Het antwoord van de minister was even nauwkeurig als de vraag. Ik heb slechts één opmerking, namelijk dat er ruimte voor interpretatie wordt gecreëerd als de wijzigingen die worden aangebracht nadat een koninklijk besluit in ministerraad is overlegd, daar niet terug ter discussie moeten komen zolang ze niet van fundamenteel belang zijn. Ik heb uit het antwoord van de minister begrepen dat ook dit besluit werd gewijzigd en dat die wijzigingen getolereerd worden omdat het geen fundamentele wijzigingen zouden zijn.

Dat kan echter aanleiding geven tot uitgebreide discussies want volgens mij zijn de wijzigingen die werden aangebracht wel van fundamenteel belang, maar die discussie kunnen we nu niet voeren.

Vraag om uitleg van de heer Geert Lambert aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «het arrest van de Raad van State van 21 april 2008 over het vrijgeven van bestuursdocumenten» (nr. 4-318);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Geert Lambert (sp.a+Vl.Pro). - Op 21 april vernietigde de Raad van State de beslissingen van de FOD Financiën en de minister van Financiën waarbij aan journaliste Marleen Teugels inzage geweigerd wordt in de contracten en de briefwisseling tussen het ministerie van Financiën, de tabaksfabrikanten en/of de Rodin Foundation over het subsidiëren van de Rodin Foundation. Blijkbaar wou de betrokken journaliste nagaan of de contracten met die Rodin Foundation niet in strijd waren met de adviezen van de WHO waarin gesteld wordt dat samenwerking tussen de tabaksindustrie en antitabakscampagnes onwenselijk is op grond van belangentegenstelling. In weerwil van de wet op de openbaarheid van bestuur weigerde de minister steeds een antwoord te geven en de journaliste de documenten ter beschikking te stellen.

De journaliste heeft zich tot de Raad van State moeten wenden, wat al betreurenswaardig is. De Raad van State heeft, weliswaar na verloop van enkele jaren, gesteld dat de regelgeving inzake openbaarheid van bestuur in dit dossier niet gerespecteerd werd. Natuurlijk was die procedure voor de Raad van State niet nodig geweest indien de beroepscommissie goed had gewerkt.

Is de minister, na het arrest van de Raad van State, van plan de documenten ter beschikking te stellen? Zal hij dat automatisch doen binnen een korte termijn of moet de journaliste opnieuw procederen om de belangrijke informatie te krijgen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister van Financiën.

Naar aanleiding van de dag zonder tabak op 31 mei 2001 heb ik destijds in samenspraak met mijn collega Magda Aelvoet, toenmalig minister van Volksgezondheid, een perscommuniqué gepubliceerd met een overzicht van de initiatieven ter zake op federaal vlak.

In dat communiqué stond dat ik stelselmatig een beleid zou voeren van prijsverhogingen en stijging van de fiscale ontvangsten tot een bedrag van 0,632 centiemen per frank dat de prijs steeg en dat ik dat beleid in te toekomst zou blijven voortzetten. Ter informatie: de prijs van een pakje sigaretten steeg van 142 tot 146 frank in februari 2001, tot 149 frank op 1 augustus 2001 en bedraagt vandaag 5,50 euro.

In het communiqué stond eveneens dat in de ministerraad een voorstel zou worden ingediend om de verkoop van sigaretten te verbieden in verpakkingen van minder dan 19 sigaretten, die overduidelijk bestemd zijn voor jongeren. Zo is effectief ook gebeurd. Tenslotte werd in het communiqué ook gezegd dat aan de Ministerraad een voorstel zou worden gedaan om de strijd te stimuleren tegen het tabaksgebruik door ofwel een fonds te stijven door middel van een heffing van 4 centiemen per sigaret; ofwel door een vrijwillige bijdrage van de economische actoren die betrokken zijn bij het tabaksgebruik; ofwel door een combinatie van beide financieringsformules.

Het Fonds voor de strijd tegen het tabaksgebruik, dat gestijfd wordt door de opbrengst van de belasting op sigaretten, werd effectief opgericht en valt onder de bevoegdheid van mijn collega van Volksgezondheid. Het werd door gewezen minister van Volksgezondheid Demotte aangewend overeenkomstig een samenwerkingsakkoord met de gemeenschappen en de gewesten.

De vrijwillige bijdrage van de verschillende economische actoren werd gerealiseerd via bilaterale akkoorden tussen die economische actoren en de Rodin Stichting, die acties voert, voornamelijk gericht op jongeren, om het tabaksverbruik te verminderen.

Noch de minister van Financiën, noch de minister van Volksgezondheid hebben aan de uitwerking van die akkoorden deelgenomen en hadden bijgevolg geen enkel belang ter zake.

Het akkoord met de Rodin Stichting is een akkoord tussen een fabrikant en de stichting zelf, dat werd gesloten in 2001, dus vóór de periode waarin de WHO de Framework Convention on Tobacco Control (FCTC) had opgesteld. Op dat moment waren akkoorden tussen de industrie en het preventiefonds nog niet verboden door de WHO.

Bij mijn weten en voor zover de mij verstrekte inlichtingen correct zijn, heeft mevrouw Teugels via de Rodin Stichting kennis kunnen nemen van de inhoud van die akkoorden. Ik denk trouwens dat dit een van de argumenten is waardoor een van de actoren een zaak kon aanspannen tegen de Rodin Stichting en zo zijn akkoord kon verbreken om reden van niet-naleving van bepaalde clausules in het akkoord, dat niet openbaar was.

Er bestaat geen administratieve briefwisseling van de fiscale administratie op mijn kabinet ter zake en die heeft ook nooit bestaan. Tot mijn spijt kan ik dus niet tegemoetkomen aan de wens van de Raad van State om de documenten te overhandigen aan mevrouw Teugels om de eenvoudige reden dat de akkoorden niet tot mijn bevoegdheid behoren en dat er ter zake nooit enige administratieve briefwisseling heeft bestaan.

De heer Geert Lambert (sp.a+Vl.Pro). - Ik dank de staatssecretaris voor het voorlezen van het antwoord van de minister. Het is opvallend dat nu pas gezegd wordt dat er nooit documenten bestaan hebben. Het was wellicht gemakkelijker geweest indien men dat destijds aan de journaliste had geantwoord.

Ik vind het antwoord van de minister over de prijsverhoging van de pakjes sigaretten bijzonder interessant, wetende dat we geen vragen mogen stellen over statistieken. Maar daar ging mijn vraag ook niet over, mijn punt was dat de wet over de openbaarheid van bestuur niet is nageleefd. Ik neem akte van het feit dat de minister stelt dat er geen documenten bestaan op zijn kabinet. Had de minister destijds gezegd dat er nooit documenten hebben bestaan, dan was er wellicht geen rechtszaak voor de Raad van State gekomen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «Impulseo II» (nr. 4-320);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister antwoordt.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Begin april keurde de Ministerraad Impulseo II goed. Dat is het tweede luik van het impulsfonds voor de huisartsgeneeskunde.

Het goedgekeurde ontwerp verleent een tegemoetkoming in de loonkost van bedienden die twee of meer samenwerkende erkende huisartsen bijstaan in het administratief beheer en het onthaal van de huisartsenpraktijk. `Die samenwerking moet op een schriftelijk akkoord zijn gebaseerd dat aan bepaalde voorwaarden voldoet', zo heet het. Zo geldt de tegemoetkoming voor een werknemer die tewerkgesteld is met een arbeidsovereenkomst die tenminste de loonschaal garandeert die het paritair comité heeft vastgesteld. Het participatiefonds zal de aanvragen beheren. Duopraktijken met minstens 500 globale medische dossiers (GMD) die een personeelslid halftijds tewerkstellen, kunnen aanspraak maken op 8.250 euro. De volle pot van 16.500 euro is alleen weggelegd voor groepspraktijken van minstens drie huisartsen, met 1.000 GMD en een voltijdse praktijkhulp. Dat alles met terugwerkende kracht tot januari 2007. Bestaat de praktijk uitsluitend uit pas erkende huisartsen, dan geldt de GMD-drempel niet.

De publicatie in het Belgisch Staatsblad zal allicht het signaal zijn voor juridische procedures en een petitieactie tegen het voorstel. Dat mag niet verbazen want Impulseo II is in hoge mate discriminatoir voor de 70% solowerkende huisartsen in het land. Alleen als twee of meer huisartsen samenwerken en daarvoor een administratieve kracht aanwerven, komt de overheid tussen in de personeelskosten. Ook over dit koninklijk besluit was advies nodig van de Raad Van State.

Kan de minister mij het advies/arrest van de Raad van State bezorgen, betreffende het koninklijk besluit betreffende Impulseo II? Vindt de minister, los van wat de Raad van State oordeelt, zelf niet dat de maatregel discriminerend is? Is ze van plan die aan te passen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het fonds Impulseo II moet het niet alleen mogelijk maken huisartsen die in een netwerk werken administratief te helpen. Het wil ook de netwerking stimuleren tussen eerstelijnsartsen die hun kabinet willen informatiseren om het globaal medisch dossier te ontwikkelen en om, in het kader van een samenwerking, een optimale continuïteit van de zorgverstrekking te garanderen.

Het fonds richt zich dus niet alleen tot de groepspraktijken stricto sensu. Twee huisartsen van dezelfde geografische zone die in aparte kabinetten werken, kunnen ervan genieten, voor zover ze hun geïnformatiseerde dossiers delen en ze een minimum aan globale medische dossiers behandelen.

Ik ontving vorige week het advies van de Raad van State die inderdaad enkele juridische opmerkingen over het ontwerp maakt. Ik heb aan de juristen van mijn kabinet en van het RIZIV gevraagd om die opmerkingen grondig te bestuderen. Zodra ik beschik over die grondige analyse, zal ik uw vraag preciezer kunnen beantwoorden.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Ik vind het positief te horen dat niet alleen groepspraktijken, maar ook soloartsen kunnen participeren op voorwaarde dat ze geïnformatiseerde dossiers delen en ze een minimumaantal dossiers behandelen. Maar hoe gaan ze hun dossiers delen en wie zal dat betalen?

Op mijn vraag om het arrest van de Raad van State te kunnen inzien, ging de minister helaas niet in.

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik zal de minister vragen u dat advies schriftelijk mee te delen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het uitgangsexamen voor kinesitherapeuten» (nr. 4-321);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Sinds enkele jaren dienen afgestudeerde kinesitherapeuten na hun studies een uitgangsexamen af te leggen om in aanmerking te komen voor een RIZIV-nummer. Het garandeert hun patiënten terugbetaling van de gemaakte kosten en garandeert de kinesisten de facto werkgelegenheid. Ik vind dat een draconische maatregel die voor gevolg heeft dat jaarlijks een honderdtal Vlaamse kinesisten geen RIZIV-nummer krijgen en in principe dus enkele jaren `voor niks' hebben gestudeerd.

Het argument dat die kinesisten dan maar in dienstverband moeten werken, houdt hoe langer hoe minder steek. In ziekenhuizen worden kinesisten steeds meer aangenomen op zelfstandige basis en hebben ze dus ook een RIZIV-nummer nodig. Bovendien worden RIZIV-nummers die niet meer door kinesisten worden gebruikt, niet doorgegeven aan werkloze kinesisten. Die situatie is niet langer houdbaar en moeilijk verdedigbaar.

Mijn mondelinge vraag van enkele weken geleden, mondde uit in een actualiteitendebat. Hoewel het antwoord in zijn geheel me toen niet helemaal beviel, was ik wel blij met het antwoord in verband met de situatie van de kinesitherapeuten. Ik citeer uit het antwoord van mevrouw Onkelinx, bij monde van minister Magnette: `Het probleem van de kinesisten staat op de agenda van de volgende planningscommissie. De voorgenomen oplossing bestaat erin de quota te verhogen en rekening te houden met het aantal kinesisten die een RIZIV-nummer verkregen, maar die na enkele jaren geen praktijk meer uitoefenen. De maatregel zou het mogelijk moeten maken de quota met ongeveer 20% te verhogen, wat zou overeenkomen met de behoeften die de Vlaamse Gemeenschap kenbaar heeft gemaakt.'

Dat antwoord was bevredigend, doch ik miste een concrete timing. Afstuderende, vooral Vlaamse kinesitherapeuten zouden met het oog op hun vakantieplanning graag vóór juni weten of ze zich al dan niet moeten voorbereiden op een uitgangsexamen.

Wat is de stand van zaken in dit dossier? Is er al een concrete timing? Werkt de minister aan een koninklijk besluit dat het uitgangsexamen naar de geschiedenisboeken verwijst?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister van Sociale Zaken.

Net zomin als bij de artsen is het de bedoeling om het systeem van de contingentering bij de kinesitherapeuten af te schaffen. Net zoals bij de artsen, beschouw ik de contingentering als een dynamisch systeem: er worden doelen vastgesteld. Onderweg wordt bijgestuurd, omdat men te ver van het doel dreigt af te wijken, dan wel omdat nieuwe kennis beschikbaar is die het bepalen van nieuwe doelen verantwoordt. Dat geldt ook voor de contingentering van de kinesitherapeuten. De quota zijn immers vastgelegd om de werkkracht van de kinesitherapeuten in de toekomst constant te houden in vergelijking met de vraag naar kinesitherapie. Die quota worden meerdere jaren op voorhand bepaald en bekend gemaakt, ook aan de studenten. Het gaat om een te halen normcijfer waarvan het doel in het verleden werd uitgezet.

Uit recente gegevens blijkt echter dat een aantal geselecteerden van 2005 tijdens het daaropvolgende jaar geen enkele activiteit had, althans niet in het raam van een RIZIV-activiteit. Voorlopig ziet het er naar uit dat het gaat om 82 gevallen in totaal, 29 aan de Vlaamse kant en 53 aan de Franstalige kant. De norm wordt dus niet gehaald. We dreigen van de doelstelling af te dwalen, en die moet dus worden bijgestuurd. Een oplossing zou kunnen zijn dat de niet-actieve kinesitherapeuten zullen mogen worden vervangen. Het aantal niet-actieven kan dan bijvoorbeeld bij het quotum worden geteld in een van de daaropvolgende jaren. Op die manier kan het tekort regelmatig worden ingehaald.

Het doel wordt niet gewijzigd, integendeel, er wordt bijgestuurd opdat het gehaald zou worden. Het selectie-examen wordt niet afgeschaft. De organisatie van het examen hangt af van het aantal inschrijvingen in vergelijking met het quotum. Het aantal inschrijvingen hangt af van het aantal gediplomeerden van dat jaar en het aantal herinschrijvingen. Dat laatste cijfer is momenteel moeilijk in te schatten.

Op donderdag 29 mei komt de planningcommissie medisch aanbod samen. Het advies met betrekking tot een recuperatiesysteem van de niet-opgenomen RIZIV-nummers staat als enig punt op de agenda. Op basis van dat advies zal ik de maatregelen nemen die nodig zijn voor een zo goed mogelijke aanpassing van het koninklijk besluit van 20 juni 2005, dat de criteria en de selectiemodaliteiten voor de kinesitherapeuten bepaalt.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Het ontgoochelt me zeer dat het uitgangsexamen niet wordt afgeschaft. Het kan echt niet dat de betrokkenen na een studie van vijf jaar nog een examen moeten afleggen, waarvan de leerstof overigens zeer discutabel is.

Als ik goed heb begrepen, vergadert de planningscommissie op 29 mei, vandaag dus. Wat is de vooropgestelde timing om de RIZIV-nummers van de niet-actieve kinesitherapeuten op te gebruiken? Die niet-actieve nummers zouden eventueel het overaanbod aan kinesitherapeuten kunnen compenseren waardoor de betrokkenen geen extra examen meer moeten afleggen, ook al wordt het uitgangsexamen in principe behouden. Het is belangrijk dat de studenten net voor de grote vakantie weten waar ze aan toe zijn.

Ik begrijp dat de staatssecretaris hierop geen antwoord kan geven. Ik zal mijn vraag dus opnieuw indienen.

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik zal de opmerkingen van de heer Ide aan minister Onkelinx meedelen. Wat de planning betreft heb ik begrepen dat de minister op zeer korte termijn de nodige maatregelen wil nemen.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het Asbestfonds» (nr. 4-322);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Louis Ide (CD&V-N-VA). - Zoals de minister allicht zal weten, ligt het dossier van het Asbestfonds me na aan het hart. Ik heb er in het verleden al verschillende vragen over gesteld.

In het medische vakblad De Huisarts werd in de voorbije maanden regelmatig een update gegeven van het aantal behandelde dossiers. De mensen hebben recht op deze informatie. Op een vraag van collega Jan Jambon antwoordde de minister in de kamercommissie trouwens dat ze verwachtte dat de achterstand van het fonds op relatief korte termijn zou zijn weggewerkt.

Hoeveel dossiers zijn nu reeds behandeld? Hoeveel zijn er in behandeling? Hoeveel behandelde dossiers kregen een positief gevolg? Wat is de voornaamste reden waarom een dossier een negatief advies tot vergoeding krijgt? Is de achterstand in de dossiers intussen volledig weggewerkt? Zo neen, wanneer zal dat het geval zijn?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Tot op heden werden er in het kader van het Asbestfonds 602 beslissingen genomen: 578 positieve en 24 negatieve.

In het totaal zijn er nog 799 dossiers in behandeling. Dat is als volgt verdeeld: 282 aanvragen zijn ingeschreven, maar nog niet compleet; 479 dossiers zijn compleet en moeten op medisch vlak worden onderzocht en 38 dossiers werden medisch onderzocht, maar er moet nog een administratieve beslissing over worden genomen.

De voornaamste reden om een vergoeding te weigeren is dat de persoon niet lijdt aan een van de ziektes waarmee rekening wordt gehouden, namelijk mesothelioom, asbestose en diffuse bilaterale pleurale verdikkingen.

De onderzoekstermijn moet nog worden verminderd. Zoals ik eerder heb gezegd, wordt voorrang gegeven aan de gevallen van mesothelioom, waarvoor bij een volledige aanvraag binnen de vier maanden een beslissing moet volgen.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de gemeenschappelijke onderzoekscentrale van de Federale Republiek Duitsland, België en Nederland» (nr. 4-328);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Berni Collas (MR). - De Duitstalige krant Grenz-Echo kondigde in zijn editie van 21 mei 2008 aan dat, met het oog op de strijd tegen de grensoverschrijdende misdaad, de politie van België, Duitsland en Nederland een gemeenschappelijke onderzoekscentrale wil oprichten in de grensstreek. De politiediensten van Luik, Eupen, Zuid-Limburg en Aken zijn rechtstreeks betrokken.

Grensoverschrijdende samenwerking tussen politiediensten bestaat al langer, maar dat politieagenten van de drie landen op operationeel vlak onder dezelfde leiding en in hetzelfde gebouw zouden samenwerken, is een totaal nieuw gegeven.

Een goede grensoverschrijdende samenwerking tussen de politiediensten is bijzonder belangrijk voor een grensstreek als de Duitstalige Gemeenschap. Ik verwijs in dat verband ook naar mijn schriftelijke vraag 4-578 van 3 april 2008.

In zijn antwoord kondigde de minister een grondige evaluatie aan van het politieverdrag van 27 mei 2000 tussen Duitsland en België. Tevens zou worden nagegaan of de politiesamenwerking tussen Duitsland en België niet kan worden uitgediept in een nieuw verdrag. Het verdrag van 2 maart 2005 tussen Nederland en Duitsland biedt immers meer samenwerkingsmogelijkheden dan het verdrag van 27 mei 2000 tussen België en de BRD.

Bevestigt de minister de oprichting van een gemeenschappelijke centrale? Kan hij daarover wat meer informatie geven? Is er al een akkoord over de plaats waar die centrale moet komen? Beschikt hij intussen over de resultaten van de evaluatie van het politieverdrag van 27 mei 2000 die hij in zijn antwoord van 27 april 2008 aankondigde? Zo ja, kan hij daarover iets meer zeggen? Op welke manier zal met die resultaten rekening worden gehouden in het kader van de nieuwe gemeenschappelijke centrale van de drie betrokken landen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - De gemeenschappelijke onderzoekscentrale verwijst naar het samenwerkingsproject Eurocrime, een eenzijdig Nederlands initiatief. De Nederlandse autoriteiten hebben hierover een discussienota opgesteld en aan de pers voorgesteld. Het project omvat een langetermijnvisie op de Euregio Maas-Rijn en voorziet in de oprichting van een gemeenschappelijk bureau en van een gemeenschappelijke politie en justitie die de bestaande initiatieven zouden hergroeperen.

Het document werd echter al aan de pers voorgesteld, nog voor erover gepraat werd met de Duitse of de Belgische politiediensten. Onze politiediensten hebben meer uitleg gevraagd aan hun Nederlandse collega's. Het Eurocrimeproject is dus louter een Nederlands voorstel dat nog door België moet worden onderzocht.

Aangezien het samenwerkingsproject zich nog in de beginfase bevindt, is het voorbarig nu al melding te maken van een akkoord over de vestigingsplaats van de gemeenschappelijke onderzoekscentrale.

Het politieverdrag van 27 mei 2000 werd nog niet geëvalueerd. Het verdrag legt de grote principes vast van de politiesamenwerking zonder bijzondere aandacht te besteden aan de samenwerking op het terrein. Het is de bedoeling dat een tweede bilateraal verdrag verder gaat.

Het dagelijkse politiewerk in die grensstreek heeft een aantal juridische leemten in de Belgisch-Duitse samenwerking blootgelegd waaraan het Verdrag van Prüm gedeeltelijk heeft verholpen.

Andere lacunes blijven bestaan, zoals het probleem van de juridische basis voor de oprichting van het Gemeenschappelijk centrum voor politiesamenwerking in Heerlen. Ook zouden we besprekingen moeten aanvatten met Duitsland om de samenwerking aan de grenzen te verbeteren en juridische lacunes op te vullen.

De heer Berni Collas (MR). - Ik noteer dat het Nederlandse voorstel voorbarig is en dat de politiediensten van de betrokken landen nog moeten overleggen. Het verheugt me dat de minister het bilaterale verdrag over politie en grensoverschrijdende samenwerking met Duitsland wenst te verbeteren.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Ontwerp van programmawet (Stuk 4-738) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

Stemming 1

Aanwezig: 61
Voor: 11
Tegen: 40
Onthoudingen: 10

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 2 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

Stemming 2

Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 41
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de volgende amendementen:

-5 tot 9, 11 en 12 van mevrouw Vanlerberghe,

-4 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

-Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 3 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

Stemming 3

Aanwezig: 63
Voor: 22
Tegen: 41
Onthoudingen: 0

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 14 van mevrouw Vanlerberghe.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 21
Tegen: 40
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De heer Christophe Collignon (PS). - Ik wou tegenstemmen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 15 van mevrouw Vanlerberghe. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 17 van mevrouw Vanlerberghe.

Stemming 5

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 41
Onthoudingen: 10

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 16 van mevrouw Vanlerberghe.

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 21
Tegen: 40
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 18 van mevrouw Temmerman en de heer Lambert.

Stemming 7

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 50
Onthoudingen: 1

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 8

Aanwezig: 63
Voor: 41
Tegen: 17
Onthoudingen: 5

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (I) (Stuk 4-739) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 1 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

Stemming 9

Aanwezig: 63
Voor: 13
Tegen: 41
Onthoudingen: 9

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 8 van mevrouw Vanlerberghe.

Stemming 10

Aanwezig: 63
Voor: 20
Tegen: 41
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor amendement 9 van mevrouw Vanlerberghe. Het amendement is dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen over amendement 5 van de heren Martens en Van Nieuwkerke.

Stemming 11

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 41
Onthoudingen: 10

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 4, 6 en 7 van de heren Martens en Van Nieuwkerke. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 12

Aanwezig: 63
Voor: 41
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

-De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat het wetsvoorstel van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton tot wijziging van artikel 782bis van het Gerechtelijk Wetboek, teneinde de voorwaarden voor de uitspraak van een rechterlijke beslissing in strafzaken te versoepelen (Stuk 4-652) vervalt.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen (II) (Stuk 4-740)

Stemming 13

Aanwezig: 62
Voor: 40
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

Mevrouw Vanessa Matz (cdH). - Ik wou voorstemmen.

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het zal aan de Koning ter bekrachtiging worden voorgelegd.

-De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat volgende wetsvoorstellen vervallen:

-Wetsvoorstel van mevrouw Martine Taelman en de heer Marc Verwilghen tot invoeging van een artikel 130bis in het Wetboek van strafvordering teneinde de procedure voor regeling van rechtsgebied te vereenvoudigen (Stuk 4-320)

-Wetsvoorstel van de heer Tony Van Parys c.s. tot wijziging van de wet van 4 oktober 1867 op de verzachtende omstandigheden met het oog op de vereenvoudiging van de procedure inzake de regeling van rechtsgebied (Stuk 4-612)

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 13 september 1999 betreffende de etikettering van voorverpakte voedingsmiddelen, om te wijzen op de gevaren van alcoholgebruik bij zwangere vrouwen (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s., Stuk 4-530)

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Tegen het wetsvoorstel van de heer Vankrunkelsven op zich zal niemand zich verzetten. Alleen kan men zo wel eindeloos blijven etiketteren op alle mogelijke voedingsproducten. Ik neem aan dat al wie zwanger is, zelf de risico's van drugs en alcohol ook in rekening neemt. Een volgende keer kan men voor weer een andere doelgroep een etiket op voedingswaren aanbrengen om die mensen op bepaalde gevaren te wijzen. Op den duur krijgen we voedingswaren waar alleen maar etiketten op staan. Het voorstel van de heer Vankrunkelsven lijkt me zo voor de hand liggend, dat daar geen wetsvoorstel voor nodig is.

Ook bij de stemming over de resolutie van de heer Vankrunkelsven zal de Vlaams-Belangfractie zich onthouden. Niet omdat we ons verzetten tegen een bewustmakingscampagne over de gevaren van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap, integendeel. Maar de indiener begeeft zich op het terrein van de gemeenschappen, aangezien die voor de preventie bevoegd zijn. Als de Senaat resoluties blijft goedkeuren over delen van de gezondheidszorg die in feite behoren tot de bevoegdheden van de gemeenschappen, dan zijn we met het oog op 15 juli heel slecht bezig.

Mevrouw Isabelle Durant (Ecolo). - Wij hebben het voorstel in de commissie goedgekeurd en we zullen het ook nu steunen. Ik ben het echter niet eens met vorige spreker.

Ik vind dat op de gevaren van alcoholisme en alcoholgebruik mag worden gewezen. Bewustmaking en etikettering zijn belangrijk voor zwangere vrouwen.

Bij de behandeling in de Kamer zullen we over bepaalde modaliteiten hoorzittingen vragen met de sector. Ik denk dat de sector ons voorstel genegen is, maar toch ook zijn mening wenst te geven.

We moeten samen een degelijke tekst uitwerken die vlot kan worden toegepast.

De voorzitter. - Wij gaan over tot de stemming.

Stemming 14

Aanwezig: 61
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

-De goedkeuring van het wetsontwerp impliceert dat het wetsvoorstel van de heer Philippe Mahoux betreffende etikettering en gezondheidswaarschuwingen op verpakkingen van alcoholhoudende dranken die zwangere vrouwen ertoe aanzetten geen alcohol te consumeren (Stuk 4-598) vervalt.

De heer Richard Fournaux (MR). - Ik wens mijn onthouding toe te lichten.

Vreemd genoeg deel ik enigszins de opvatting van mevrouw Durant. Wetten goedkeuren is een zaak, nagaan hoe die wetten kunnen worden toegepast, is een andere zaak.

Mevrouw Durant heeft erop gewezen dat de motivering van een dergelijk wetsvoorstel lovenswaardig is. We moeten nu samen met de sector nagaan op welke manier Belgische producten rekening kunnen houden met dergelijke wetgevingen, niet alleen in ons land, maar over heel de wereld.

Schieten wij onszelf niet in de voet met dergelijke reglementeringen die in een belangrijke activiteitssector vaak moeilijk toepasbaar zijn?

Met mijn onthouding wens ik de aandacht te vestigen, niet op de motivering van een dergelijk voorstel, maar op de manier waarop de maatregel niet alleen in België, maar over de hele wereld, kan worden uitgevoerd.

Voorstel van resolutie tot het opstarten van een sensibiliseringscampagne die wijst op de gevaren van alcoholgebruik tijdens de zwangerschap (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s., Stuk 4-607)

Stemming 15

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

-Het voorstel van resolutie is aangenomen.

-De resolutie zal aan de eerste minister en aan de vice-eersteminister van Sociale Zaken en Volksgezondheid worden meegedeeld.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 5 juni 2008 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Wetsontwerp houdende instemming met de avenant van 28 december 2006 aan het samenwerkingsakkoord van 30 mei 2005 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de meerwaardeneconomie, bekrachtigd door de wet van 10 mei 2006; Stuk 4-763/1 en 2. (Pro memorie)

Wetsontwerp houdende instemming met de avenant van 20 september 2007 aan het samenwerkingsakkoord van 30 mei 2005 tussen de Federale Staat, het Vlaams, het Waals en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Duitstalige Gemeenschap betreffende de meerwaardeneconomie, bekrachtigd door de wet van 10 mei 2006; Stuk 4-766/1 en 2. (Pro memorie)

Evocatieprocedure
Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de procedure inzake huurgeschillen; Stuk 4-693/1 tot 4. (Pro memorie)

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 187bis, 191bis en 194bis van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot het statuut van de referendarissen bij het Hof van Cassatie (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); Stuk 4-606/1 tot 5. (Pro memorie)

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 31 januari 2007 inzake de gerechtelijke opleiding en tot oprichting van het Instituut voor gerechtelijke opleiding (van de heer Hugo Vandenberghe c.s.); Stuk 4-764/1 tot 4.

Vanaf 17 uur: Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de verkeerde belastingafrekeningen» (nr. 4-323);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V-N-VA). - Door een fout in de software van de belastingadministratie hebben minstens drieduizend belastingplichtigen een verkeerde eindafrekening voor het aanslagjaar 2007 ontvangen. In sommige gevallen zouden de verschillen oplopen tot ruim 5000 euro.

De foute berekening zou reeds in januari door een alerte ambtenaar aangekaart zijn, maar de bevoegde diensten stuurden pas begin mei een mail naar de controlediensten met de vraag om de dossiers in kwestie opnieuw te berekenen. Op dat ogenblik hadden de betrokkenen hun verkeerde belastingafrekening reeds in de bus gekregen. Momenteel worden de dossiers gecheckt en de rechtzettingen naar de belastingbetalers gestuurd, om elk risico op verjaring te vermijden.

Om hoeveel geld het gaat, is niet duidelijk. Er zijn immers twee soorten berekeningsfouten gemaakt. Aan sommige gezinnen die door hun hypothecaire lening aanspraak konden maken op een zogenaamde bijkomende intrestaftrek, werd de woonbonus in de eerste belastingaanslag te veel aangerekend. De andere fout heeft betrekking op zelfstandigen die investeringsaftrek genieten. Bij een aantal van hen is dat bedrag een tweede keer als verlies afgetrokken bij de meewerkende echtgenote, waardoor ze volgens hun eerste eindafrekening minder moesten betalen dan in werkelijkheid het geval is. Ambtenaren van Financiën hekelen bovendien het gebrek aan openheid over de fouten, die immers al in januari werden vastgesteld.

Hoewel de fout reeds eind januari werd vastgesteld, werd pas drie maanden later ingegrepen. Wat is de reden van deze laattijdige reactie? Hoeveel personen hebben een foute afrekening in de bus gekregen? Om hoeveel geld ging het? Welke maatregelen zal de minister van Financiën nemen om dergelijke fouten in de toekomst te vermijden? Hoe wil de minister de interne en de externe communicatie over fouten van dergelijke omvang in de toekomst verbeteren?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Tot nu toe werden 6.507.571 aanslagen in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2007 ingekohierd. De fouten hebben betrekking op 0,05% van de aanslagen. De bedragen die in het geding zijn, zijn evenmin hoog genoeg om de federale begroting te bezwaren. De 3476 dossiers in kwestie zullen ruim op tijd kunnen worden behandeld. De administratie stelt alles in het werk om zo spoedig mogelijk de teruggaven en aanvullende aanslagen te vestigen. De exacte cijfers zullen op een volledig transparante wijze worden meegedeeld tegen het einde van de gewone aanslagtermijn, dus op 30 juni.

De e-mail die op 6 mei 2008 naar de taxatiediensten werd verzonden, schreef de rechtzetting voor van twee fouten die bij de inkohieringen op de personenbelasting voor het aanslagjaar 2007 zijn opgespoord. De eerste fout was dat de investeringsaftrek twee maal in aanmerking werd genomen. De tweede was een onjuiste berekening van bepaalde bijkomende intresten. Er werden 3476 dossiers voor hernieuwd onderzoek doorgestuurd. Die zullen niet allemaal tot een rechtzetting leiden, aangezien de oorspronkelijke berekening in sommige gevallen correct is.

De fouten zijn in januari ontdekt. Alvorens de situatie te kunnen rechttrekken, moesten we eerst het programma corrigeren en vervolgens de dossiers opzoeken die aan het foute profiel beantwoordden.

Dat de inkohiering van de personenbelasting de jongste jaren steeds sneller kan worden afgesloten, is er het beste bewijs van dat de informatisering bij Financiën in goede gezondheid verkeert. Op 30 april 2008 was 97% van de te vestigen aanslagen voor het aanslagjaar 2007 ingekohierd. Twee jaar voordien was dat amper 68% voor het aanslagjaar 2005. Vorig jaar 94% voor het aanslagjaar 2006.

Het succes van Tax-on-web is een ander voorbeeld. De burger stelt de troeven van Tax-on-web duidelijk meer en meer op prijs. Op 22 mei stond de teller al op 79.400 ingediende aangiften. Vorige jaar stond hij op dezelfde datum op 43.700. De elektronische aangifte bevat steeds meer ingevulde codes en wizards die de burger helpen om bepaalde gegevens correct in te vullen. De nieuwe berekening van de personenbelasting die in gebruik werd genomen voor het aanslagjaar 2008, bevat tevens een testmethodologie die een betere kwaliteit van het product waarborgt en van dien aard is dat ze voornoemde fouten zo veel mogelijk voorkomt.

Vraag om uitleg mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling van hoortoestellen door het RIZIV» (nr. 4-326);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

(Voorzitter: de heer Marc Verwilghen, ondervoorzitter.)

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Met deze vraag wil ik een onrechtvaardigheid in verband met de terugbetaling van hoortoestellen aanklagen. Voor doven of zwaar slechthorenden voor wie het zinvol is om een cochleaire prothese ingeplant te krijgen, komt het RIZIV integraal tussen in de kosten van de ingreep. Het gaat om een bedrag van ongeveer 21.000 euro. Voor dove of slechthorende mensen voor wie een cochleaire implant geen optie is, komt het RIZIV echter maar voor een beperkt aandeel tussen in de aankoop van een hoortoestel: voor mensen jonger dan 12 jaar gaat het om circa 800 euro voor een monofonisch toestel en circa 1580 euro voor een stereofonisch toestel; voor mensen ouder dan 12 jaar gaat het om circa 470 euro voor een monofonisch toestel en 930 euro voor een stereofonisch toestel. De prijzen van een hoortoestel dat ook buiten de context van een rustig tweegesprek bruikbaar is, liggen echter aanzienlijk hoger: een degelijk toestel kost al gauw ongeveer 1500 euro. Uiteraard bestaan er goedkopere basismodellen, maar die zijn in veel professionele en sociale situaties - zodra meer dan twee personen in het gesprek betrokken zijn - niet functioneel. In het geval van een doof gezin met twee kinderen wordt dit al snel een bijzonder dure grap: om de vijf jaar, de gemiddelde levensduur van een hoortoestel, moet zo'n 4000 euro neergeteld worden. Dat is toch een bijzonder hoog bedrag.

Die problematiek is in het verleden al meermaals aangekaart. De vorige minister van Volksgezondheid, Rudy Demotte, antwoordde telkens enigszins laconiek dat cochleaire implants, omdat ze geplaatst worden tijdens een chirurgische ingreep, ressorteren onder de Overeenkomstencommissie verstrekkers van implantaten-verzekeringsinstellingen, terwijl de klassieke hoortoestellen ressorteren onder de Overeenkomstencommissie audiciens-verzekeringsinstellingen, en dat de eerstgenoemde commissie nu eenmaal over grotere financiële middelen beschikt dan de tweede. De minister voegde hieraan in 2004 nog toe dat de Overeenkomstencommissie audiciens-verzekeringsinstellingen voorzag in een herwaarderingsplan voor de terugbetaling van hoorapparaten. Krachtens dat plan zou tegen 2008 voor laagtechnologische toestellen 500 euro worden terugbetaald, voor mediumtechnologische toestellen 800 euro en voor hoogtechnologische toestellen 1.100 euro.

De invoering van dit plan maakte uw voorganger in 2005 afhankelijk van een health technology assessment door het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg. Die studie, met als titel `Retrospectieve, vergelijkende costeffectiveness van auditieve technologieën. Aftoetsing van de therapeutische noden van de betrokken patiëntenpopulatie aan de respectieve economische impact van diverse technologische mogelijkheden' was in juni 2005 in uitvoering.

Is de health technology assessment-studie inmiddels uitgevoerd? Zo ja, wat zijn de resultaten en de conclusies ervan? Zal het herwaarderingsplan van de Overeenkomstencommissie audiciens-verzekeringsinstellingen worden uitgevoerd? Kunnen we een exemplaar van de studie krijgen? Zo neen, waarom zijn er na drie jaar nog steeds geen resultaten?

Zelfs wanneer het herwaarderingsplan van de Overeenkomstencommissie wordt uitgevoerd, blijft de terugbetaling beperkt. Een mediumtechnologisch toestel kost bijvoorbeeld 1200 tot 1700 euro, waarvan maar 800 euro - of maximaal tweederde van de prijs - wordt terugbetaald. Is de minister bereid de nodige maatregelen te nemen om de voortdurende discriminatie op het gebied van terugbetalingen tussen mensen met een cochleaire implant en mensen met een klassiek hoortoestel volledig weg te werken?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Alvorens een antwoord te geven op de concrete vragen is het belangrijk om eerst enkele zaken te verduidelijken.

De terugbetaling van 824,99 euro voor een monofonisch toestel en 1634,12 euro voor een stereofonisch toestel wordt niet langer beperkt tot kinderen jonger dan 12 jaar. Sinds september 2006 komen alle jongeren onder 18 jaar in aanmerking voor deze terugbetalingsbedragen. Die uitbreiding betekent een belangrijke verbetering voor heel wat jongeren. De terugbetalingstarieven voor de volwassenen bedragen respectievelijk 515,79 en 1021,67 euro.

Het RIZIV geeft inderdaad bij de aankoop van hoortoestellen, in tegenstelling tot de cochleaire prothesen, een beperkte tegemoetkoming. De terugbetalingstarieven werden in het verleden bepaald op basis van de prijzen van de basismodellen van hoorapparaten. De laatste jaren is er een enorme evolutie in hoortoestellen merkbaar. Zo heeft de digitalisering ook zijn intrede gedaan bij de klassieke hoorapparaten. Hierdoor zijn er hoogtechnologische hoorapparaten op de markt gekomen die een stuk duurder zijn dan de basismodellen. Door de budgettaire beperkingen is er geen marge om de hoogtechnologische hoorapparaten volledig terug te betalen.

Om aan deze situatie iets te doen, werd voor 2008 een budget van 6.440.000 euro vrijgemaakt. De Overeenkomstencommissie audiciens-verzekeringsinstellingen van het RIZIV werkt aan een voorstel dat moet zorgen voor een betere terugbetaling van hoorapparaten.

Dit zal een belangrijke verbetering betekenen voor de gebruikers van hoorapparaten zonder dat hiermee de kloof tussen de terugbetalingstarieven en de prijzen voor de nieuwe hoogtechnologische producten volledig wordt gedicht. Hiervoor is de kloof momenteel te groot.

Het stappenplan waarvan sprake was destijds een voorstel van de Overeenkomstencommissie audiciens-verzekeringsinstellingen. De uitvoering van dit plan was afhankelijk van de toekenning van supplementaire middelen in 2005. Het budget werd toen niet toegekend omdat de studie van de terugbetaling van hoorapparaten door het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg van start ging. Deze studie zal waarschijnlijk in oktober van dit jaar gepubliceerd worden. De studie heeft heel wat vertraging opgelopen omdat het lang heeft geduurd om een geschikte kandidaat te vinden die een goed projectvoorstel deed.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik ben blij te vernemen dat de minister een budget heeft vrijgemaakt om de kloof tussen de terugbetaling en de prijs van de hoogtechnologische hoorapparaten enigszins te verkleinen. Ze geeft echter toe dat die kloof nog niet is gedicht.

De studie van het Federaal Kenniscentrum voor de gezondheidszorg zal in oktober beschikbaar zijn. Ik hoop dat we dan kunnen bekijken hoe doven en slechthorenden een betere dienstverlening kunnen krijgen. Een deel van het probleem is misschien dat hoorapparaten en implantaten onder verschillende commissies ressorteren waardoor er geen informatie-uitwisseling is. Zeker de hoogtechnologische hoorapparaten benaderen bijna de kwaliteit van een implantaat. We moeten dan ook nagaan wat de voor- en nadelen van beide toestellen zijn, rekening houdend met de respectieve prijzen. Ik zal deze zaak verder volgen.

Vraag om uitleg mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de terugbetaling door het RIZIV van Tysabri voor multiplesclerosepatiënten» (nr. 4-329);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister antwoordt.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Sinds eind vorig jaar is Tysabri in ons land op de markt. Het is een nieuw geneesmiddel dat de levenskwaliteit van MS-patiënten opmerkelijk kan verbeteren. Vooral de patiënten met een relapsing remitting MS, het overgrote deel dus, zouden met dit geneesmiddel het aantal opstoten kunnen zien verminderen met 68%. Daardoor vermindert ook de evolutie van de ziekte naar invaliditeit met 54%.

Multiple sclerose is een ziekte die niet genezen kan worden. Door aantasting van de myeline rond de zenuwbanen, wordt de overdracht van zenuwprikkels langs die zenuwbanen verstoord en soms helemaal onderbroken. Zo treden verlammingsverschijnselen op, en de patiënt raakt uiteindelijk gevangen in zijn eigen lichaam.

Tysabri kan dus de reeds door MS veroorzaakte schade niet herstellen, maar kan wel zorgen voor een aanzienlijke vertraging van het voortschrijden van de ziekte en dus de levenskwaliteit van patiënten, die - nogmaals - geen hoop op genezing hebben, heel erg verbeteren.

Neurologen begrijpen dan ook niet waarom de terugbetalingsvoorwaarden in ons land strenger zijn dan de Europese criteria. De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen eist immers een MRI-scan van de hersenen waarop na een opstoot minstens één nieuw letsel moet te zien zijn bij een onderzoek met contrastvloeistof. Het probleem is dat die vaststelling een complex gebeuren is en dat bij sommige patiënten die contrastvlek na een opstoot niet te zien is. De aankleuring is voor Europa niet nodig. Dat is logisch aangezien in de uitgevoerde studies waarop het Europees Openbaar Beoordelingsrapport gebaseerd is, de helft van de patiënten niet de aankleuring op de scan had, maar toch evenveel baat bleek te hebben van de behandeling met Tysabri.

Patiënten bij wie geen aankleuring op de scan te zien is maar die volgens hun neuroloog zeer gebaat zijn met een behandeling met Tysabri kunnen geen terugbetaling krijgen van het geneesmiddel. Het kost dan 1600 euro per maand in plaats van 10,80 euro. Wat een dilemma: om te kunnen blijven werken moet de patiënt die uit de boot valt wegens geen aankleuring op de MRI-scan, zélf de Tysabri betalen. Maar 1600 euro is niet niks: velen verdienen niet eens zoveel, voor anderen is het hun hele maandloon. En een mens moet ook nog wonen en eten.

Enkel de happy few, als we die uitdrukking in deze context mogen gebruiken, kunnen zo een dure behandeling betalen. Voor vele patiënten is de prijs onoverkomelijk of zeker onverantwoord. Ofwel neemt de patiënt het geneesmiddel niet en wordt hij mogelijk snel invalide, verliest zijn job en moet een beroep doen op een uitkering van de overheid, met als gevolg, naast de fysieke, psychische en relationele problemen die deze invaliditeit kunnen veroorzaken, eveneens een groot inkomensverlies.

MS wordt meestal vastgesteld rond de leeftijd van 30 jaar. Het zijn dus vaak jonge gezinnen die worden getroffen, vaak met kinderen en een leninglast.

Wie ooit een patiënt met een snel ontwikkelende vorm van MS op het einde van zijn lijdensweg heeft gezien, begrijpt onmiddellijk waarom patiënten en hun behandelende artsen zelfs het risico willen lopen op een PML-infectie (progressieve multifocale leuko-encefalopathie), die kan leiden tot ernstige invaliditeit of overlijden. Zonder Tysabri is zware invaliditeit immers sowieso het deel van de patiënt. De meest voorkomende bijwerkingen, zoals urineweginfecties, infecties van keel en neus, huiduitslag, hoofdpijn, duizeligheid, misselijkheid, vermoeidheid, enzovoort zijn voor de meeste MS-patiënten verwaarloosbaar, omdat ze niet opwegen tegen het risico van voortschrijdende verlamming.

Hoeveel patiënten krijgen op het ogenblik een terugbetaling voor Tysabri? Hoeveel patiënten zouden in aanmerking komen voor een behandeling indien de aankleuring op de MRI-scan als voorwaarde voor terugbetaling zou wegvallen?

Waarom heeft de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) strengere criteria gesteld voor de terugbetaling van Tysabri dan die vastgesteld door het Europees Comité voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik (CHMP)? Gaat het hier enkel om budgettaire overwegingen?

Volgens uitspraken van het RIZIV verschenen in Het Laatste Nieuws van 19 mei, baseerde de CTG zich op studies die door de firma zelf verstrekt werden. Nochtans stelde het CHMP duidelijk dat `de voordelen van Tysabri groter zijn dan de risico's bij de behandeling van patiënten met actieve MS die niet reageren op behandeling met bèta-interferon, of bij wie de aandoening ernstig is en zich snel ontwikkelt'. Waarom heeft men zich niet gebaseerd op het Europees Openbaar Beoordelingsrapport (EPAR)? Betekent zulks dat de CTG de conclusies van de CHMP betwist? Zo ja, op welke basis?

Overweegt de minister de criteria voor de terugbetaling van Tysabri te herzien om op die manier meer patiënten een kans te bieden op een leven met MS dat niet noodzakelijk tot invaliditeit moet leiden?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Momenteel krijgen 775 patiënten een terugbetaling voor Tysabri. De eerste groep betreft 105 patiënten met een zich snel ontwikkelende ernstige relapsing remitting multiple sclerose, gedefinieerd door twee of meer invaliderende exacerbaties in één jaar, en met één of meer met gadolinium aangekleurde laesies op de hersen-MRI (Magnetic Resonance Imaging) of een significante toename van de lading van T2-laesies in vergelijking met een eerdere recente MRI. De tweede groep betreft 670 patiënten die niet gereageerd hebben op een volledige en geschikte behandelingskuur met bèta-interferon. De patiënt moet in het voorgaande jaar tijdens behandeling minimaal één exacerbatie hebben doorgemaakt en in een craniale MRI moeten minimaal 9 T2-hyperintense laesies of minimaal één met gadolinium aangekleurde laesie aantoonbaar zijn.

De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen (CTG) heeft gezocht naar de meest gunstige verhouding van de voordelen en risico's van deze specialiteit.

Enerzijds is er slechts zeer beperkte evidentie voor het gebruik van Tysabri in de betrokken MS-indicaties. Er is geen vergelijkend onderzoek uitgevoerd met de huidige beschikbare geneesmiddelen. Uit indirecte vergelijking van de beschikbare evidentie kan worden geconcludeerd dat Tysabri zeer actief is voor het verminderen van het aantal exacerbaties van een MS-patiënt. Anderzijds is het risico op ernstige bijwerkingen groter dan deze voor de momenteel beschikbare geneesmiddelen, namelijk interferonen en glatirameeracetaat.

Het klinisch ontwikkelingsprogramma van Tysabri werd door het optreden van PML, een ernstige virale herseninfectie met een mogelijke fatale afloop, gedurende meer dan een jaar onderbroken.

De Europese instanties hebben bij de registratie van Tysabri aan het bedrijf gevraagd een continu risk-managementplan uit te voeren, waardoor een zeer regelmatige opvolging van de patiënten die met Tysabri worden behandeld, is vereist. Het bedrijf zal jaarlijks verslag uitbrengen aan de Europese instanties.

De beperking tot de patiënten met een duidelijk actief en inflammatoir ziektebeeld is gebeurd na afweging van de therapeutische voor- en nadelen van het gebruik van Tysabri.

Tijdens de procedure heeft de aanvrager dit voorstel niet weerlegd, met andere woorden, de aanvrager was akkoord met het door de commissie geformuleerde vergoedingsvoorstel. Het actuele vergoedingsvoorstel is door de commissie geformuleerd na consultatie van externe experts.

Tot op vandaag heeft de aanvrager nog geen nieuw dossier ingediend om een uitbreiding van de vergoedingsregeling te vragen.

Bij de beoordeling van een dossier in het kader van het opnemen op de lijst van vergoedbare specialiteiten wordt het nieuwe product steeds afgetoetst aan de actuele, sociale en therapeutische noden. De therapeutische waarde, onder meer de werkzaamheid en de veiligheid, wordt vergeleken met die van de actueel bestaande en beschikbare specialiteiten in de Belgische handel. Op basis van die vergelijking heeft de commissie geoordeeld om de specialiteit enkel beschikbaar te maken voor voornoemde groepen. De aanvrager heeft dit voorstel aanvaard en heeft niet aangedrongen op een uitbreiding van de patiëntenpopulatie.

Ik zal het nodige doen indien de aanvrager een dossier indient om de uitbreiding van de vergoedingscriteria te vragen.

De Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen zal mij op basis van de stukken die voorgelegd worden tot staving van de aanvraag een advies verstrekken.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Wat die aanvraag door de producent betreft, zal ik me verder informeren bij die producent. In de krant stond duidelijk dat producent niet begreep waarom de criteria bij ons strenger waren dan die opgelegd door de Europese Commissie.

Vraag om uitleg mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen over «de combinatie van ouderschapsverlof met palliatief verlof» (nr. 4-331);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Ouderschapsverlof is een specifieke vorm van volledige of gedeeltelijke loopbaanonderbreking met het oog op de opvoeding van jonge kinderen.

Men kan met ouderschapsverlof zijn loopbaan:

1. gedurende 3 maanden volledig onderbreken. Deze periode van drie maanden kan opgesplitst worden in maanden, naar keuze van de werknemer;

2. gedurende een periode van 6 maanden verminderen naar een halftijdse tewerkstelling. Dit ouderschapsverlof kan gesplitst worden in periodes van 2 maanden of een veelvoud ervan bij elke aanvraag;

3. gedurende een periode van 15 maanden de voltijdse loopbaan verminderen met een vijfde. Deze loopbaanvermindering kan ook gesplitst worden in blokken van minimaal 5 maanden of een veelvoud hiervan. Het gaat dan wel telkens om een aparte aanvraag.

Daarnaast heeft men als werknemer het recht om verlof te nemen om een persoon bij te staan met palliatieve verzorging. Hiervoor heeft men geen voorafgaande toestemming van de werkgever nodig. Onder palliatieve verzorging verstaat men elke vorm van bijstand, op medisch, sociaal, administratief en psychologisch vlak en de verzorging van een persoon die aan een ongeneeslijke ziekte lijdt en zich in een terminale fase bevindt. De persoon die bijstand nodig heeft, kan iemand anders zijn dan een naaste of verwante van de werknemer. Als men palliatief verlof aanvraagt, moet men deze vraag steeds bewijzen met een getuigschrift van de geneesheer van de persoon in palliatieve verzorging. Deze arts stelt vast dat men bereid is om deze palliatieve zorgen te verstrekken. De duur van dit verlof bedraagt één maand en kan verlengd worden met een maand. Het palliatief verlof gaat in op de eerste dag van de week die volgt op deze waarin het geneeskundig getuigschrift werd afgeleverd. Het kan sneller ingaan als de werkgever hiermee akkoord is. Men kan palliatief verlof opnemen onder de vorm van een volledige onderbreking of een vermindering met de helft of een vijfde van de loopbaan. Voor de vermindering van prestaties moet men voorafgaand voltijds werken.

Blijkbaar is de combinatie van beide verloven niet mogelijk. Palliatief verlof zou pas mogelijk zijn na een periode - één maand bij volledige onderbreking, twee maanden bij halftijdse onderbreking of vijf maanden bij één vijfde onderbreking - van het opnemen van ouderschapsverlof. Palliatief verlof kan echter niet worden gepland. Een dergelijk geval heeft zich concreet voorgedaan in mijn vriendenkring. Volgens de RVA ging het ook niet om een alleenstaand geval en rijst hier een technisch probleem.

Is het recht op beide verloven te combineren?

Is de minister bereid al het mogelijke te doen om die combinatie mogelijk te maken en in de noodzakelijke wettelijke aanpassingen te voorzien?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Wat de combinatie van ouderschaps- en palliatief verlof betreft, is er arbeidsrechtelijk niets dat erop wijst dat dit onmogelijk zou zijn. Voldoet de werknemer aan de voorwaarden van elk van die verloven, dan kan hij die gelijktijdig opnemen. Concreet houdt dat in dat een werknemer die een één vijfde loopbaanvermindering neemt in het kader van een ouderschapsverlof, zijn vier vijfde arbeidsregime volledig kan schorsen in het kader van palliatief verlof. Dezelfde mogelijkheid bestaat voor de halftijdse vermindering van prestaties in het kader van ouderschapsverlof. Een werkgever kan bijgevolg voor een dergelijke combinatie kiezen. Er moet wel voldaan zijn aan de voorwaarden van beide stelsels.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - De minister stelt vast dat er arbeidsrechtelijk geen problemen zijn. Helaas blijkt uit de praktijk dat dit niet zo wordt toegepast. Ik heb dat in mijn omgeving zelf vastgesteld. De RVA meldde telkens dat een combinatie van beide verloven niet mogelijk was, tenzij de blokken van ouderschapsverlof werden opgenomen. Zo was bij een één vijfde onderbreking de combinatie van beide verloven pas na vijf maanden mogelijk. Het antwoord van de minister is echter heel duidelijk: de combinatie is op elk moment mogelijk. Ik hoop dat de minister het nodige zal doen om de RVA hierop te wijzen.

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Mevrouw Lanjri kan zich beroepen op het antwoord van de minister. Ik kan mij moeilijk inbeelden dat de RVA daarmee geen rekening houdt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Dat denk ik ook. Het gaat echter niet om een alleenstaand geval. De minister moet ingrijpen.

Vraag om uitleg mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de resolutie betreffende obesitas» (nr. 4-332);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Sinds 1 juli 2007 is een Europese verordening van kracht inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen.

De nieuwe regelgeving schept klaarheid in verband met de etikettering en publiciteit betreffende voedings- en gezondheidsclaims. Zo definieert de verordening de voedingsclaims die nog mogen worden gebruikt en legt ze voorwaarden vast voor dat gebruik. Vermeldingen als `extra light' zijn niet meer toegestaan.

Daarnaast is het niet langer toegestaan selectief te focussen op een bepaalde positieve eigenschap wanneer andere kenmerken van het product allerminst aanbeveling genieten. Zo mag een product dat voor het grootste deel uit suiker bestaat, niet langer enkel en alleen 0% vet onder de aandacht brengen. Iedereen weet dat suikers in vetten worden omgezet. De fabrikant moet wetenschappelijke bewijzen kunnen aanvoeren voor de beweringen die hij op de verpakkingen vermeldt. Zinspelen op de snelheid of op de mate van gewichtsverlies is niet langer toegestaan. Zo zijn boodschappen als `3 kg kwijt in 1 week' uit den boze. Bovendien moeten begrippen als `vetvrij', `vetarm' en `light' duidelijk worden omschreven.

Hierop aansluitend heeft de commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat op 23 januari 2008 de resolutie aangenomen strekkende tot een beter aanpak, op het vlak van volksgezondheid, van de risico's verbonden aan overgewicht en obesitas. De tekst ging uit van de heer Mahoux, maar werd aan de hand van gelijkaardige voorstellen van andere senatoren aangepast. Op 14 februari werd het voorstel van resolutie in plenaire vergadering aangenomen.

Punt 7 in het dispositief van de resolutie gaat over de `wonderreclame' voor afslanken. De senatoren vroegen de regering om die reclame strikter te reglementeren en meer duidelijkheid te eisen inzake de etikettering van de producten.

Zo vroeg de Senaat concreet dat afspraken zouden worden gemaakt met de voedingsindustrie over een verantwoorde productreclame en in het bijzonder over een voor de consument begrijpelijke voorlichting over de voedingseigenschappen van producten, een punt dat ook in de Europese verordening wordt benadrukt. Daarnaast zou een striktere reglementering moeten worden uitgewerkt waaraan vermageringsmiddelen die vrij te koop zijn in de handel, alsook de reclame daarvoor, moeten voldoen.

De principes van de Europese regelgeving en van de resolutie worden in de praktijk dagelijks overtreden; dat geldt zowel voor etikettering van de producten zelf, alsook voor de agressieve en misleidende boodschappen in de reclame op websites, in kranten en in magazines. Ik verwijs in dit verband naar de bekende `voor-en-na-reclames'. De industrie heeft dus veel geld over voor die reclame. Vaak gaat het trouwens om louche bedrijven die van naam veranderen zodra ze worden aangepakt.

Wie oefent controle uit op de naleving van de wetgeving?

Werden reeds officieel overtredingen vastgesteld en/of werden daarvoor boetes uitgeschreven?

Wat is, meer in het algemeen, de stand van zaken bij de tenuitvoerlegging van de resolutie? Werden reeds initiatieven voorbereid voor 2008? Wat is al gerealiseerd? Wordt daar in de begroting ruimte voor vrijgemaakt?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Zoals mevrouw Lanjri aangeeft, is de Europese reglementering inzake voedings- en gezondheidsclaims op 1 juli 2007 in werking getreden. Deze reglementering bevat belangrijke nieuwigheden en daarom zijn er bepaalde overgangsperiodes ingesteld. Niet alle bepalingen van de regelgeving zijn dus onmiddellijk van toepassing. Dat is bijvoorbeeld het geval voor de voedingsprofielen waarnaar mevrouw Lanjri verwijst. De regels daarvoor gelden niet vanaf 2009, maar pas echt twee jaar later. Daarom voldoen vandaag nog niet alle voedingsmiddelen op de markt aan alle bepalingen. Hoe dan ook, het reglement bevat algemene principes waaraan de claims moeten voldoen. Zo mogen ze niet dubbelzinnig zijn of de excessieve consumptie van een bepaald voedingsmiddel aanmoedigen. De claims moeten uiteraard ook op wetenschappelijke gronden gebaseerd zijn.

Alle gezondheidsclaims, dus ook claims die betrekking hebben op vermageren of gewichtscontrole, worden bovendien op Europees niveau wetenschappelijk geëvalueerd en goedgekeurd. Ze zullen verder ook aan specifieke gebruiksvoorwaarden worden onderworpen.

Het reglement verbiedt specifiek gezondheidsclaims die verwijzen naar de snelheid en de mate van gewichtsverlies. Deze bepaling is dus van toepassing op beweringen zoals `3 kg kwijt in 1 week', maar ook op de publiciteit die gebruik maakt van foto's `voor/na' het gewichtsverlies. De controle op deze bepalingen geschiedt door het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen.

In 2006 is het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan gelanceerd om betere voedingsgewoonten aan te moedigen. Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan richt zich tot de hele bevolking en niet alleen tot mensen met obesitas en dit om twee redenen. Ten eerste omdat men de stigmatisering van obese mensen wil vermijden en ten tweede omdat obese mensen slechts het meest zichtbare deel van de ijsberg zijn. Het uiteindelijke doel van het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan is het aantal chronische aandoeningen zoals hart- en vaatziekten, diabetes type II, hypertensie, hypercholesterolemie, osteoporose en bepaalde types van kanker die gelinkt zijn aan een onevenwichtige voeding en onvoldoende fysieke activiteit te verminderen.

Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan veroordeelt de misleidende publiciteit voor vermageringsproducten. De mirakeldiëten geven een verkeerd beeld van hoe men tot effectieve en duurzame gewichtsvermindering komt, namelijk door te kiezen voor evenwichtige en gevarieerde voedingsgewoonten en voldoende fysieke activiteit. Een aangepast dieet vereist de opvolging van een gezondheidsprofessional, zoals een diëtist, in samenwerking met de huisarts.

Ten slotte engageert het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan zich om het medialandschap, het beeld van het lichaam, de voedingsindustrie, de distributiesector en de horecasector, de nutritionele kwaliteit van het aanbod, te responsabiliseren.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Ik heb ook gelezen dat bepaalde elementen van de Europese verordening nog niet onmiddellijk van toepassing zijn, maar andere zijn dat wel, onder meer de bepalingen in verband met claims inzake de snelheid en de mate van gewichtsverlies. Ik stel vast dat ik dergelijke claims nog elke dag op websites en in kranten en tijdschriften tegenkom en dat de Europese verordening dus wordt overtreden. Het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen voert de controle uit, maar de minister heeft niet gezegd hoe dat gebeurt en hoeveel boetes er al zijn uitgeschreven. Wat is er gebeurd tegen alle gevallen die we vandaag nog kunnen vaststellen? Ik heb die vraag toch heel concreet aan de minister gesteld. Ik weet nu wel welke instantie de controle doet, maar blijkbaar functioneert het niet, want er zijn nog overtredingen. Of mag ik ervan uitgaan dat zij boetes hebben gekregen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Misschien moet u uw vraag nog iets meer preciseren. Ik beschik op dit ogenblik niet op bijkomende elementen of cijfers.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Ik zal daar zeker op moeten terugkomen, misschien met nog meer voorbeelden, om de minister te overtuigen om snel in actie te schieten.

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven en aan de minister van Migratie- en asielbeleid over «de illegale vluchtelingen in het station van Oostende» (nr. 4-316);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - De afgelopen weken worden de arbeiders van het station te Oostende geregeld geconfronteerd met illegale vluchtelingen die zich verstoppen in en rond de treinen. Niet zelden ontdekken de mensen, die 's avonds de treinen reinigen, illegalen die op de sporen lopen. Soms verschuilen ze zich onder de treinen of in de onmiddellijke omgeving van de sporen. Dit leidt tot gevaarlijke situaties voor die illegalen, voor de arbeiders en voor de NMBS-medewerkers. Zo legden de arbeiders enkele weken geleden spontaan het werk neer na een incident waarbij een groep illegalen werd ontdekt en een van hen blindelings over de sporen liep. Een naderende trein diende bruusk te remmen. De situatie is stilaan onhoudbaar geworden.

Welke maatregelen plant de minister om het station van Oostende beter te beveiligen, meer bepaald de zone waar de treinen gevormd worden en de zone waar de treinen gereinigd worden?

Kan er extra toezicht worden georganiseerd tijdens de avond- en nachturen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord.

De toevloed van illegalen aan de Belgische kust om uiteindelijk het Verenigd Koninkrijk te bereiken is een bekend fenomeen. Beurtelings worden vooral de Scheepvaartpolitie van Zeebrugge en die van Oostende hiermee geconfronteerd. Momenteel is de toestand in Zeebrugge beheersbaar. Oostende daarentegen wordt opnieuw geconfronteerd met een niet aflatende groep illegale vreemdelingen. Het probleem in Oostende is niet het aantal illegale vreemdelingen, maar wel dat het steeds gaat om een groep recidivisten. Deze groep zorgt voor overlast in de stad en op de terreinen van de NMBS. Ondanks de veelvuldige inspanningen van de politiediensten om via controles en gerichte acties zoals Breeze en Beaufort de oversteek te ontraden, blijft deze groep recidivisten pogen om via Oostende het Verenigd Koninkrijk te bereiken.

In de maand maart werden 257 personen in Oostende onderschept, voornamelijk personen die de Algerijnse, Indiase en Palestijnse nationaliteit bezitten.

De minister van Migratie- en Asielbeleid verzekert dat de dienst Vreemdelingenzaken in nauw contact staat met de plaatselijke politiediensten en met het parket om de ontrading van deze illegale oversteek naar het Verenigd Koninkrijk verder te zetten. Bovendien heeft de dienst Vreemdelingenzaken twee multidisciplinaire vergaderingen georganiseerd met de belangrijkste nationale en internationale partners - lokale politie, federale politie, vertegenwoordigers van het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk, Nederland en Frontex - om een regionale oplossing voor dit probleem te zoeken. Doel is te komen tot een gezamenlijk project in de strijd tegen de illegale transitstromen.

Wegens de aanzienlijke toename van illegale vluchtelingen in het station van Oostende worden, organiseert de veiligheidsdienst Securail van de Corporate Security Service van de NMBS-Holding vooral 's nachts regelmatige toezichtsrondes.

Naar aanleiding van het incident in de nacht van 6 op 7 mei 2008, waarbij een rangeertrein een noodremmanoeuvre heeft moeten uitvoeren voor illegale vluchtelingen die de sporen overstaken, werden voor de zone waar de treinen worden gevormd en gereinigd, bijkomende maatregelen genomen in samenspraak met de betrokken partners.

De Corporate Security Service zet dagelijks van 22 uur tot 6 uur twee agenten van een privébewakingsfirma in. Het contract met de betrokken firma wordt wekelijks geëvalueerd en wordt telkens met een week verlengd.

De veiligheidsdienst Securail en de spoorwegpolitie voeren regelmatige toezichtrondes uit in het station van Oostende en op de bijbehorende spoorwegsites.

De lokale politie van Oostende heeft aan het betrokken Communicatie & Informatiecentrum van de federale politie gevraagd om oproepen voor het station van Oostende prioritair te behandelen. Omdat de lokale politie niet vertrouwd is met het spoorwegdomein werden hen hiervoor de nodige plannen en procedures ter beschikking gesteld.

In afwachting van een definitieve afsluiting van de zone, werd over een afstand van vijfhonderd meter een tijdelijke afsluiting, type Anti Climb, van Heras geplaatst met high security-klemmen en uittilbeveiliging.

De Corporate Security Service heeft met het oog op een betere technische beveiliging van de site een risicoanalyse uitgevoerd. Die risicoanalyse zal resulteren in een aantal voorstellen met betrekking tot een definitieve en degelijke afsluiting van de betrokken spoorwegsites.

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «de werking van de werkgroep "Het Reddend Gebaar"» (nr. 4-324);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - In een vorige vraag informeerde ik naar de toegankelijkheid van de politiediensten voor dove en slechthorende burgers. De minister antwoordde toen dat de politiediensten het onthaal van doven en slechthorenden heel ernstig nemen en verwees concreet naar twee werkgroepen in respectievelijk het Nederlandstalige en Franstalige landsgedeelte, Het Reddend Gebaar en Le Geste qui sauve. Beide werkgroepen verenigen politiemensen met kennis van Vlaamse of Waalse gebarentaal en bieden op hun websites voor de doelgroep nuttige informatie aan.

Ik ben het met de minister uiteraard eens dat Het Reddend Gebaar en Le Geste qui sauve uitstekende initiatieven zijn. Het zijn wel initiatieven van individuele politiemensen. Een paar geëngageerde politiemensen stelden enkele jaren geleden de noden van dove en slechthorende burgers vast en namen in 1999 zelf het initiatief om er iets aan te doen. Deze mensen houden beide werkgroepen tot op vandaag draaiende op volledig vrijwillige basis en door vrijwillige inzet buiten de officiële diensturen. Ook de websites van beide organisaties worden met eigen middelen onderhouden. Het engagement van deze politiemensen verdient alle lof en ik wens hen dan ook te bedanken voor hun jarenlange inzet.

Des te jammer is het dat deze initiatieven niet de officiële omkadering krijgen die ze verdienen. Afhankelijk van de houding van de lokale korpschef is er in sommige politiezones waar deze werkgroepen actief zijn, nog wel enige ondersteuning, maar in andere politiezones ontbreekt een dergelijke welwillende houding.

Op federaal niveau wordt op geen enkele manier ondersteuning geboden. Dit gebrek aan omkadering leidt ertoe dat heel wat van de betrokken politiemensen gedemotiveerd raken, zodat de dienstverlening aan doven en slechthorenden opnieuw achteruit gaat. De websites bijvoorbeeld zijn helemaal niet meer up-to-date. Er staat verouderde informatie op en sommige links werken niet meer. De werkgroepen bestrijken hoe dan ook maar een beperkt aantal politiezones, waardoor er in grote delen van het land geen enkele specifieke dienstverlening voor doven en slechthorenden bestaat. Daardoor is er een onaanvaardbaar verschil in dienstverlening tussen de verschillende gebieden.

Is de minister bereid om de voornoemde werkgroepen een officieel statuut toe te kennen en ze de nodige werkingsmiddelen te geven, bijvoorbeeld voor informatie- en bewustmakingscampagnes en voor opleidingen in gebarentaal?

Er kan misschien worden onderzocht of het niet mogelijk is een federale cel Dienstverlening aan doven en slechthorenden op te richten of, eventueel ruimer, een cel Dienstverlening aan personen met een handicap.

Kan een aantal politiemensen niet een deel van hun diensturen besteden aan die werkgroepen? Het is belangrijk dat politiemensen uit alle provincies betrokken worden, opdat alle dove en slechthorende burgers een beroep kunnen doen op een kwalitatief hoogstaande dienstverlening.

Kan de nodige technische ondersteuning worden gegeven voor het up-to-date houden van de websites? Een link naar beide sites op de website van de federale politie zou ook geen overbodige luxe zijn.

Is de minister bereid om doven en slechthorenden via een omzendbrief in te lichten over de beschikbare dienstverlening, onder meer over hun recht op een tolk en over de werking van voornoemde werkgroepen?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Vandeurzen.

Sinds 2001 beschikt de federale politie over een gespecialiseerde dienst Gelijkheid en diversiteit, die permanent waakt over de uitvoering van het actieplan Diversiteit en gelijkheid van kansen van de geïntegreerde politie. Zij doet dit in nauwe samenwerking met vertegenwoordigers van de Vaste Commissie van de lokale politie, van verschillende directies bij de federale politie, van het Centrum voor gelijkheid van kansen en racismebestrijding en van het Instituut voor de gelijkheid van vrouwen en mannen. Het personeel kan er steeds terecht voor informatie en begeleiding betreffende diversiteitgerelateerde materies. Dienstverlening aan personen met een handicap maakt hiervan ontegensprekelijk deel uit.

Ik stel het engagement van die politiemensen ten zeerste op prijs. Een officieel statuut lijkt mij niet meteen veel meerwaarde op te leveren. Het is wellicht belangrijker om concrete projecten te blijven steunen en te realiseren, zoals het project van blinden en slechtzienden. We hebben de wet aangepast opdat blinden en slechtzienden zouden kunnen worden tewerkgesteld in gespecialiseerde functies bij de federale politie, zoals bij de tapkamer.

Personeelsleden van de geïntegreerde politie kunnen op grond van hun statuut een dienstvrijstelling voor activiteiten van algemeen belang toegekend krijgen. De aangehaalde problematiek komt hiervoor in aanmerking. Bij de lokale politie komt het de korpschef toe en bij de federale politie de commissaris-generaal om hierover concreet te beslissen. Ik ga ervan uit dat de leidinggevenden een dergelijk engagement effectief voor dienstvrijstelling in aanmerking nemen. Ik zal alleszins voorstellen om dat punt te agenderen op een vergadering van de Vaste Commissie van de lokale politie.

De directie van de Interne Relaties van de federale politie, waartoe de dienst Gelijkheid en Diversiteit van de federale politie behoort, ontwikkelt heel wat communicatie-instrumenten. Ze zou die kunnen aanwenden voor de informatie- en bewustmakingscampagnes over voormelde werkgroepen en over de problematiek van doven en slechthorenden. Op de website www.hrpol.be kunnen personeelsleden en burgers die communicatie- en informatiekanalen raadplegen. Ik heb de betrokken dienst dan ook gevraagd om de link naar de websites van Het Reddend Gebaar en Le Geste qui Sauve op de veelvuldig geraadpleegde website www.hrpol.be te plaatsen.

De aanpak via die instrumenten is wellicht geschikter en pragmatischer dan een formele algemene omzendbrief die de doelgroep misschien niet zou bereiken.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik heb begrepen dat het niet gemakkelijk is om beide werkgroepen een officieel statuut te geven, maar toch vind ik het belangrijk dat de dienst Gelijkheid en diversiteit intern bekijkt hoe die werkgroepen kunnen worden opgenomen in de reguliere werking van de dienst.

Dove en slechthorende personen hebben immers heel andere noden dan personen met een andere handicap. Doven en slechthorende personen hebben een communicatieprobleem; personen met een andere handicap niet. Ze kunnen, bijvoorbeeld, perfect een telefonische oproep doen, terwijl een dove persoon daar wel problemen mee heeft.

Ik ken België veel dove personen die met de politie in aanraking komen, maar er niet mee kunnen communiceren. Het is de bedoeling de politiediensten zelf meer bewust te maken van de mogelijkheden die er zijn om met die mensen te communiceren. Bij ernstige ongevallen of wanneer doven moeten getuigen kan dat via gebarentaal of een tolk. Bij kleinere zaken is de situatie anders, want daar kan schriftelijk worden gecommuniceerd. De lokale politiediensten moeten op de hoogte zijn van de mogelijkheden die er nu zijn. Zij weten immers niet hoe ze de dove burgers een goede dienstverlening kunnen verzekeren.

Voor het overige verneem ik met genoegen dat personeelsleden van de geïntegreerde politie dienstvrijstelling kunnen krijgen voor activiteiten van algemeen belang. Ik hoop dat in de toekomst op dat vlak nog meer goede wil wordt getoond. In Brugge zijn er enkele politieagenten die de gebarentaal vrij goed beheersen, maar ze mogen niet optreden buiten de politiezone Brugge. Dat is jammer voor de dove burgers buiten de zone. De politiezones moeten worden gestimuleerd om de ervaring en expertise die in de politiediensten aanwezig is, te gebruiken en op die manier efficiënter te werken.

Vraag om uitleg mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over «het gebruik van mobiele stemlokalen bij verkiezingen» (nr. 4-325);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Bepaalde groepen in onze samenleving nemen nauwelijks deel aan de stemverrichtingen bij de verkiezingen. De participatiegraad onder senioren, zieke mensen en personen met een handicap is zeer laag. Stemgerechtigden die in een rusthuis, instelling of ziekenhuis verblijven, vinden moeilijk de weg naar het stemlokaal. Die problematiek werd op 23 mei jongstleden nog maar eens aangekaart op een gezamenlijke persconferentie van Toegankelijkheidsoverleg Vlaanderen en Collectif Accessibilité.

Onderzoek toonde aan dat bij de verkiezingen van 1999 slechts 10 percent van de Vlaamse rusthuisbewoners een stem uitbracht, hetzij persoonlijk hetzij per volmacht. De voornaamste reden voor de geringe deelname van rusthuisbewoners aan de kiesverrichtingen zou de verplaatsing naar het stembureau zijn. Voor velen zou dat een onoverkomelijk probleem zijn. Daarnaast blijft de toegankelijkheid van stemlokalen een probleem, ondanks de wettelijke verplichtingen. Vaak moeten personen met een handicap derden inschakelen om te kunnen gaan stemmen. Ziekenhuispatiënten kampen met vergelijkbare problemen.

Het systeem om per volmacht te stemmen, ondervangt dit probleem niet. Blijkbaar ziet de grote meerderheid er tegen op om familie of vrienden, als die er al zijn, in te schakelen. Uit eigen ervaring en getuigenissen maak ik op dat personen met een handicap en mensen die minder mobiel zijn, snel naar een doktersbriefje grijpen om niet te moeten gaan stemmen. Als we de cijfers over de participatiegraad bij de verkiezingen zien, is het dus niet altijd een kwestie van niet willen stemmen, maar soms gewoon een kwestie van niet kunnen stemmen. Dat is een groot verschil.

Met mobiele stemlokalen kunnen deze problemen worden ondervangen. Het stemrecht is een fundamenteel democratisch recht dat voor iedereen moet worden gevrijwaard. De hoger beschreven doelgroep maakt trouwens een belangrijk percentage uit van de bevolking en vaak ondervinden zij, nog meer dan de gemiddelde burger, het beleid van de overheid aan den lijve. In Nederland zijn mobiele stemlokalen al sinds 2005 een gangbare praktijk. Nederland kent geen stemplicht. Toch worden op drukke plaatsen mobiele stemlokalen ingezet om een maximaal aantal stemgerechtigden te bereiken.

Het inzetten van mobiele stemlokalen zal uiteraard een aantal organisatorische problemen stellen. Er zal een taakverdeling moeten worden vastgelegd tussen de gemeentelijke en federale overheid in verband met de materiële installatie van mobiele stemlokalen in de instellingen in kwestie. Verder zal elk mobiel stemlokaal een bureau, een voorzitter, een secretaris, bijzitters en getuigen van de politieke partijen moeten krijgen. Ook voor het feit dat de stemplichtige normaal gezien in het in zijn oproepingsbrief vermelde stemlokaal, dat gerelateerd is aan zijn domicilie, zijn stemplicht moet vervullen, zal een regeling moeten worden gevonden. De hier opgesomde problemen hoeven mijns inziens echter niet onoverkomelijk te zijn wanneer er voldoende goede wil aanwezig is.

Is de minister bereid de mogelijkheid te onderzoeken om bij verkiezingen mobiele stemlokalen in te zetten ten behoeve van de hoger genoemde groepen? Wat kunnen volgens hem de oplossingen zijn voor de belangrijkste knelpunten? Acht hij het haalbaar bij de eerstkomende verkiezingen voor de deelstaatparlementen en het Europees Parlement enkele experimenten te organiseren? Welke andere initiatieven plant hij om de participatiegraad van hoger genoemde groepen op te trekken?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Artikel 91 van het Kieswetboek regelt de aanwijzing van de stemlokalen. De kiezers worden per stemafdeling ingedeeld. Voor elke stemafdeling wijst de provinciegouverneur, met instemming van de burgemeester en schepenen, een afzonderlijk stemlokaal aan. Een rusthuis of ziekenhuis zou dus moeten worden beschouwd als een afzonderlijke stemafdeling. De installatie van een stembureau in een rusthuis of ziekenhuis zou vereisen dat de personen voor wie dit bureau bedoeld is, allen ingeschreven zijn in de gemeente waar de instelling is gelegen. Een dergelijke oplossing zou mogelijk zijn voor een rusthuis, maar niet voor een ziekenhuis.

In Nederland heeft de installatie van stembureaus op druk bezochte plaatsen, zoals stations, een aanpassing van de kieswet gevergd. Zo werd het voor de kiezers mogelijk overal hun stem uit te brengen en niet enkel in hun eigen gemeente. In België zou daarvoor een wijziging van artikel 62 van de Grondwet nodig zijn, waardoor burgers niet langer enkel in eigen gemeente moeten stemmen. Bovendien lost de installatie van stembureaus in instellingen waar gezondheidszorgen worden verstrekt de problemen van immobiele mensen niet op. Er zou eveneens een studie moeten worden gemaakt over de kosten die dit met zich meebrengt alsook over de mogelijkheden om stembureaus in deze gebouwen onder te brengen.

De kosten voor het installeren van stembureaus vallen immers ten laste van de gemeenten. Kortom, zelfs indien het idee op het eerste gezicht interessant lijkt, zou men moeten onderzoeken of het realiseerbaar is en of het iets bijdraagt ten opzichte van het huidige systeem waarbij voor zieken en bejaarden de voorkeur wordt gegeven aan de stemming per volmacht.

Mijn administratie heeft dikwijls contact met de verenigingen die personen met een beperkte mobiliteit vertegenwoordigen, om de toegankelijkheid van de stembureaus te verbeteren en de opkomst bij de verkiezingen over het algemeen te verhogen.

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over «het uitreiken van taalattesten door SELOR met betrekking tot de Vlaamse en Frans-Belgische gebarentaal» (nr. 4-327);

De voorzitter. - De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - SELOR organiseert sinds jaar en dag taalexamens voor ambtenaren en niet-ambtenaren die een officieel attest van hun kennis van één van de landstalen nodig hebben of wensen. Momenteel wordt een dergelijk enkel gegeven voor de kennis van het Nederlands, het Frans en het Duits. Sinds enkele jaren kent ons land echter twee bijkomende talen die een officiële erkenning genieten, de Vlaamse gebarentaal en de Frans-Belgische gebarentaal, die respectievelijk door de Vlaamse Gemeenschap en door de Franstalige Gemeenschap erkend zijn.

Uit goed ingelichte bron weet ik dat bij SELOR reeds werd geïnformeerd of het mogelijk zou zijn in de toekomst taalexamens te organiseren met betrekking tot de voornoemde gebarentalen, of om taalattesten voor beide talen te geven. Voor politiemensen bijvoorbeeld kan de kennis van deze talen nuttig zijn in het raam van de dienstverlening aan dove of slechthorende gebarentaalgebruikers. Via een officieel attest van SELOR aangaande hun kennis van de Vlaamse of de Frans-Belgische gebarentaal zouden deze mensen in aanmerking kunnen komen voor een tweetaligheidstoelage.

Het antwoord van SELOR op de voornoemde vragen is enigszins ontluisterend. Ten eerste acht SELOR het nodig te onderzoeken of de Vlaamse en Frans-Belgische gebarentaal wel echte talen zijn. Ten tweede acht SELOR het nodig te onderzoeken of de diploma's tolk Vlaamse of Frans-Belgische gebarentaal wel een officiële geldigheid hebben. Deze onderzoeken zijn reeds twee jaar lopende, zonder enig concreet resultaat.

De bevindingen omtrent het eerste onderzoek van SELOR zijn werkelijk te gek voor woorden. Sinds vele decennia is door taalwetenschappers in eigen land en in het buitenland onomstotelijk aangetoond dat gebarentalen, en specifiek ook de Vlaamse en de Frans-Belgische, evenwaardig zijn aan gesproken talen zoals het Nederlands of het Frans. Wat het tweede onderzoek van SELOR betreft, volstaat het om er bij wijze van voorbeeld voor Vlaanderen op te wijzen dat in centra voor volwassenenonderwijs in Gent en Mechelen een vierjarige opleiding wordt verstrekt die uitzicht geeft op het wettelijk erkende diploma `Tolk voor Doven - optie Tolk Vlaamse Gebarentaal', waarvan de houder de titel van `Gegradueerde Tolk voor Doven - optie Vlaamse Gebarentaal' mag voeren.

Is de minister bereid de nodige stappen te zetten om ervoor te zorgen dat SELOR op korte termijn taalattesten aflevert met betrekking tot de Vlaamse en Frans-Belgische gebarentaal? Voor Vlaanderen kan hiervoor worden samengewerkt met het door de Vlaamse regering erkende Vlaams GebarentaalCentrum (VGC). Dit centrum heeft ook een Waalse tegenhanger. Kan de minister een timing terzake opgeven?

De heer Carl Devlies, staatssecretaris voor de Coördinatie van de Fraudebestrijding, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

SELOR erkent de Vlaamse en Frans-Belgische gebarentaal en is verbaasd over het feit dat sommige van hun medewerkers dit niet zouden doen of dat hierover onderzoeken zouden lopen.

Wat betreft deze erkenning, krijgen bij selecties doven of slechthorenden steeds de garantie dat de specifieke selectieproef volledig aangepast wordt aan hun specifieke noden (o.a. het standaard inschakelen van tolkengebarentaal en het voorzien van extra tijd).

In 2007 schreven 481 kandidaten zich in voor de procedure `redelijke aanpassingen aan de selectie' gericht naar personen met een handicap, waarvan 9% kandidaten met een auditieve handicap. SELOR draagt op deze wijze actief bij tot de aanwerving van dove en slechthorende kandidaten. Het maakt haar zelfs tot internationale koploper inzake redelijke aanpassingen en selectie.

Het koninklijk besluit van 8 maart 2001 tot vaststelling van de voorwaarden voor het uitreiken van de bewijzen omtrent de taalkennis voorgeschreven bij artikel 53 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, samengevat op 18 juli 1966, is uitdrukkelijk van toepassing voor de kennis van het Nederlands, het Frans en het Duits, tot dusver niet voor de kennis van de Vlaamse en Frans-Belgische Doventaal. De taalwetgeving zegt echter dat eenieder moet kunnen deelnemen aan een taalexamen, in dit geval dus Nederlands, Frans of Duits.

Om dove en slechthorende kandidaten de mogelijkheid te geven aan taalproeven deel te nemen, voorziet SELOR ook hier in redelijke aanpassingen van de computergestuurde, schriftelijke en mondelinge testen. Deze aanpassingen bestaan o.a. in het niet afnemen van luistervragen en eventueel de hulp van doventolken.

Het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, en meer bepaald het artikel 11.3.32 §1 voorziet in het certificeren van de taalkennis van een andere dan de officiële landstalen op voorwaarde dat de kennis van deze taal, voor de federale politie, door de minister, en voor de lokale politie, door de burgemeester of het politiecollege, erkend is als hebbende een werkelijke waarde voor de politiedienst of het korps waartoe het behoort. De Vlaamse en Frans-Belgische doventaal behoren tot de talen die hiervoor in aanmerking kunnen komen.

Er is hieromtrent een ontmoeting geweest tussen de Dienst Rekrutering en Selectie van de federale politie en SELOR. Deze heeft vandaag nog niet geleid tot een officiële aanvraag. Verdere stappen die daartoe moeten worden ondernomen zijn het bepalen door de politie van de personen voor wie dergelijke kennis relevant is en het gezamenlijk vastleggen van een timing. Indien het licht op groen staat, zal SELOR hieraan gevolg kunnen geven.

De regeling voor de politiediensten is een interessante piste. Ik zal opdracht geven aan de FOD P&O om de opportuniteit van een dergelijke regeling voor de federale overheidsdiensten te onderzoeken tegen begin juli.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik dank de Staatssecretaris voor het uitgebreide antwoord. In het begin vreesde ik dat de vraag enigszins omzeild werd, maar op het einde kwam u tot de kern van de zaak. Ik ben blij dat de minister alvast bereid is om bij politiemensen de kennis van één van de beide Belgische gebarentalen te waarderen. We wachten af welk gevolg daar verder aan zal worden gegeven.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 5 juni om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.20 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Temmerman en de heer Vande Lanotte, in het buitenland, mevrouw Delvaux, om gezondheidsredenen, de heren Brotchi en Wille, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 61
Voor: 11
Tegen: 40
Onthoudingen: 10

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Geert Lambert, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 2

Aanwezig: 63
Voor: 21
Tegen: 41
Onthoudingen: 1

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Michel Delacroix.

Stemming 3

Aanwezig: 63
Voor: 22
Tegen: 41
Onthoudingen: 0

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Stemming 4

Aanwezig: 62
Voor: 21
Tegen: 40
Onthoudingen: 1

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Lieve Van Ermen.

Stemming 5

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 41
Onthoudingen: 10

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 6

Aanwezig: 62
Voor: 21
Tegen: 40
Onthoudingen: 1

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Lieve Van Ermen.

Stemming 7

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 50
Onthoudingen: 1

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Hugo Coveliers, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Lieve Van Ermen.

Stemming 8

Aanwezig: 63
Voor: 41
Tegen: 17
Onthoudingen: 5

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Freya Piryns, Carine Russo, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Onthoudingen

Geert Lambert, Bart Martens, Guy Swennen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Stemming 9

Aanwezig: 63
Voor: 13
Tegen: 41
Onthoudingen: 9

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Lieve Van Ermen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 10

Aanwezig: 63
Voor: 20
Tegen: 41
Onthoudingen: 2

Voor

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Lieve Van Ermen.

Stemming 11

Aanwezig: 63
Voor: 12
Tegen: 41
Onthoudingen: 10

Voor

Marcel Cheron, José Daras, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 12

Aanwezig: 63
Voor: 41
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Stemming 13

Aanwezig: 62
Voor: 40
Tegen: 22
Onthoudingen: 0

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Alain Courtois, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Hugo Coveliers, José Daras, Michel Delacroix, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Nele Jansegers, Geert Lambert, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Anke Van dermeersch, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Stemming 14

Aanwezig: 61
Voor: 51
Tegen: 0
Onthoudingen: 10

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Lieve Van Ermen, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Richard Fournaux, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 15

Aanwezig: 61
Voor: 52
Tegen: 0
Onthoudingen: 9

Voor

Filip Anthuenis, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, José Daras, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Vera Dua, Josy Dubié, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Margriet Hermans, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Geert Lambert, Nahima Lanjri, Nele Lijnen, Anne-Marie Lizin, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Pol Van Den Driessche, Lieve Van Ermen, Els Van Hoof, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Olga Zrihen.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Hugo Coveliers, Michel Delacroix, Nele Jansegers, Anke Van dermeersch, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van het koninklijk besluit van 9 mei 2007 betreffende de tewerkstelling op zondag in kleinhandelszaken en kapperssalons gevestigd in badplaatsen, luchtkuuroorden en toeristische centra (van de heer Marc Verwilghen; Stuk 4-770/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek wat betreft de buitengewone kosten in het kader van een onderhoudsuitkering (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-775/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek inzake het erfrecht teneinde de inbreng en inkorting niet meer in natura, maar in waarde te bepalen en teneinde het tijdstip van de schenking als uitgangspunt voor de waardebepaling vast te leggen voor zowel roerende als onroerende goederen (van de heer Guy Swennen; Stuk 4-776/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van resolutie betreffende het beleid inzake non-proliferatie, nucleaire ontwapening en raketafweersystemen (missile defence) (van mevrouw Marleen Temmerman; Stuk 4-777/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsvoorstel tot interpretatie van artikel 46, §1, eerste lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (van mevrouw Christine Defraigne c.s.; Stuk 4-779/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel om financiële speculatie op de prijsstijging van voedingsproducten te verbieden (van de heer Philippe Mahoux en mevrouw Olga Zrihen; Stuk 4-783/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie houdende invoering van het begrip "hulp bij zelfeuthanasie" (van de heer Patrik Vankrunkelsven; Stuk 4-784/1).

-Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van de wet van 28 mei 2002 betreffende de euthanasie, wat minderjarigen betreft (van de heer Patrik Vankrunkelsven; Stuk 4-785/1).

-Verzonden naar de verenigde commissies voor de Justitie en voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie met het oog op het verplicht aanbrengen van informatie om de patiënten te wijzen op hun rechten in artsenpraktijken, wachtzalen van ziekenhuizen, medische huizen en alle plaatsen die bestemd zijn voor medische zorgverlening (van mevrouw Christiane Vienne; Stuk 4-769/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie inzake de tussentijdse stand van zaken van de Millenniumdoelstellingen voor ontwikkeling (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 4-773/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Voorstel van resolutie voor een doeltreffende samenwerking tussen de gemeenschappen en de federale overheid betreffende de aanpak van kindermishandeling (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-774/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstel van verklaring tot herziening van de Grondwet

Voorstel van verklaring tot herziening van artikel 1 van de Grondwet, teneinde er het beginsel van de scheiding van Kerk en Staat in op te nemen (van de heer François Roelants du Vivier; Stuk 4-782/1).

-Verzonden naar de Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocatie

Bij boodschap van 29 mei 2008 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, het volgende niet geëvoceerde wetsontwerp:

Wetsontwerp strekkende tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 19 maart 2007 in uitvoering van artikel 46 van de wet van 13 december 2006 houdende diverse bepalingen betreffende gezondheid (Stuk 4-771/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschap van de Kamer

Bij boodschap van 22 mei 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals het ter vergadering van dezelfde dag werd aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot bekrachtiging van het koninklijk besluit van 20 december 2007 betreffende de bijdrage in de werkings-, personeels- en oprichtingskosten van de kansspelcommissie verschuldigd door de houders van de vergunningen klasse A, B, C en E voor het kalenderjaar 2008 (Stuk 4-772/1).

-Het wetsontwerp werd ontvangen op 23 mei 2008; de uiterste datum voor evocatie is maandag 9 juni 2008.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 22 mei 2008.

Indiening van wetsontwerpen

De Regering heeft volgende wetsontwerpen ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met het Aanvullend Protocol, ondertekend te Rabat op 19 maart 2007, bij de Overeenkomst tussen het Koninkrijk België en het Koninkrijk Marokko betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (van de Regering; Stuk 4-680/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Belgisch-Luxemburgse Economische Unie en de Regering van de Republiek Korea inzake de wederzijdse bevordering en bescherming van investeringen, ondertekend te Brussel op 12 december 2006 (van de Regering; Stuk 4-778/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Regeringen van de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en de Macedoonse Regering betreffende de overname van onregelmatig verblijvende personen (Overnameovereenkomst) en met het Uitvoeringsprotocol, gedaan te Voorburg op 30 mei 2006 (van de Regering; Stuk 4-780/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen de Benelux-Staten (het Koninkrijk België, het Groothertogdom Luxemburg, het Koninkrijk der Nederlanden) en Bosnië-Herzegovina betreffende de terug- en overname van onregelmatig binnengekomen en/of verblijvende personen (Terug- en overnameovereenkomst) en met het Uitvoeringsprotocol gedaan te Sarajevo op 19 juli 2006 (van de Regering; Stuk 4-781/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Hoven van Beroep

Bij brief van 22 mei 2008 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Luik, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2007 van het Hof van Beroep te Luik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 mei 2008.

Bij brief van 27 mei 2008 heeft de eerste voorzitter van het Hof van Beroep te Bergen, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het activiteitenverslag 2007 van het Hof van Beroep te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 23 mei 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidshoven

Bij brief van 23 mei 2008 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Gent, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 6 mei 2008.

Bij brief van 29 mei 2008 heeft de eerste voorzitter van het Arbeidshof te Brussel, overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Arbeidshof te Brussel, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 17 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Parket-generaal

Bij brief van 20 mei 2008 heeft de Procureur-generaal te Luik overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Parket-generaal te Luik, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 9 mei 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Auditoraten-generaal

Bij brief van 19 mei 2008 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Antwerpen, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 13 mei 2008.

Bij brief van 27 mei 2008 heeft de Procureur-generaal van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Auditoraat-generaal bij het Arbeidshof te Gent, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 14 mei 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van eerste aanleg

Bij brief van 22 mei 2008 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van de Rechtbank van eerste aanleg te Veurne, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 22 mei 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Europees Parlement

Bij brief van 19 mei 2008 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 21 tot en met 24 april 2008.

Bij brief van 21 mei 2008 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 7 en 8 mei 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.