2-116

2-116

Belgische Senaat

2-116

Handelingen - Nederlandse versie

DINSDAG 29 MEI 2001 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Ontwerp van bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen (Stuk 2-709)

Samenstelling van commissies

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 14.30 uur.)

Ontwerp van bijzondere wet houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen (Stuk 2-709)

Voortzetting van de algemene bespreking

Mevrouw Martine Taelman (VLD). - Het op 29 september 1992 gesloten Sint-Michielsakkoord, dat door de vierde staatshervorming een legistieke vertaling verkreeg, bevatte reeds elementen die gevolgen hadden voor de lokale en provinciale besturen.

De meest opvallende waren de splitsing van de provincie Brabant, de communautarisering van de organieke wetgeving op de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en de regionalisering van de organieke wetgeving inzake intercommunales. De regionalisering van de organieke wetgeving inzake provincies en gemeenten werd echter niet verder uitgewerkt. De daartoe aangekondigde werkgroep heeft zelfs nooit het daglicht gezien. Dat die regionalisering noodzakelijk was, kon nochtans niet worden ontkend.

De federale overheid heeft een grote invloed op de interne organisatie van de gewesten, niet alleen door te werken aan hervormingen van de gemeente- en provinciewet, maar ook door de gemeenten en provincies voor bepaalde taken in te schakelen en door eigen organisatorische accenten te leggen. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de afzonderlijke initiatieven van de federale- en de gewestoverheden tot een ongecoŲrdineerde en chaotische ontwikkeling van het binnenlandse bestuur hebben geleid. Het voorliggend ontwerp wil dit verhelpen. Het maakt een einde aan de diversiteit in de bevoegdheidsverdeling die de verhouding tussen de burger en het bestuur thans bezwaart.

Er is echter meer. Zo ondersteunt rechtsvergelijkend onderzoek de stelling dat bevoegdheid verlenen aan de federale overheid op het vlak van de interne werking van de gewesten niet verenigbaar is met een normale federale staatsinrichting, te meer daar uit artikel 5, eerste lid, van de Grondwet kan worden opgemaakt dat het de gewesten zijn die de provincies omvatten en niet meer de federale staat BelgiŽ, die, conform artikel 1 van de Grondwet, samengesteld is uit gemeenschappen en gewesten. Een voorbeeld van bedoelde stelling zijn de Verenigde Staten van Amerika waar de lokale besturen, instellingen zijn die door de staten in het leven worden geroepen.

De exclusieve bevoegdheid inzake de lokale instellingen berust in Duitsland bij de Lšnder en in Canada bij de provincies. In Zwitserland wordt het juridisch statuut van de gemeenten door de kantons geregeld, terwijl in Spanje een systeem van beperkte concurrerende bevoegdheden van kracht is.

Daarenboven wordt de bevoegdheid voor de organisatie van de lokale besturen vaak in verband gebracht met de constitutieve autonomie die in een federale staat aan de deelgebieden wordt toegekend. Het is dan ook enigszins paradoxaal dat bijvoorbeeld het Vlaams Parlement bij een met een tweederde meerderheid aan te nemen decreet de werkingsregels van de Vlaamse regering en de verhouding tussen deze regering en het parlement kan bepalen, maar geen enkele zeggenschap heeft over de werkingsregels van het college van burgemeester en schepenen en de verhouding van dit college tot de gemeenteraad. Dit geldt des te meer omdat de regels voor de verkiezing van de gemeenschaps- en gewestregering, zoals bepaald in artikel 60, ß3, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, geÔnspireerd zijn op de regeling met betrekking tot de verkiezing van de schepenen, bepaald door artikel 15, ß1, derde lid, van de nieuwe gemeentewet.

Er werden al twee initiatieven genomen die een sluipende regionalisering van de gemeentewet bevatten. Een eerste initiatief werd gerealiseerd door de gewone wet van 16 juli 1993 tot vervollediging van de federale staatsstructuur. De wetsbepalingen die de Koning de mogelijkheid gaven om algemene regels op te leggen voor het gemeentepersoneel werden door deze wet opgeheven, niet zozeer om de gemeentelijke autonomie te vergroten, maar wel om de federale bemoeiing in te krimpen en de gewesten, via de uitoefening van het toezicht, een grotere beleidsmarge te geven.

Een tweede initiatief werd gerealiseerd via artikel 41, ß3, derde volzin, en ß4, van de Grondwet waardoor de bijzondere decreetgever bevoegd werd om de bijkomende voorwaarden en de wijze te bepalen waarop de binnengemeentelijke territoriale organen worden opgericht.

Het behoeft geen betoog dat een van de belangrijkste verdiensten van dit ontwerp dat mede uitvoering verleent aan het Lambermontakkoord, is dat, met uitzondering van wat in de pacificatiewet is geregeld, de gewesten niet enkel bevoegd worden voor de organieke provincie- en gemeentewetgeving, maar ook voor de aanverwante wetgeving, zoals de wetgeving betreffende de organisatie van agglomeraties en federaties van gemeenten, de provincie- en de gemeentekieswet, de wetgeving op de begraafplaatsen, de lijkbezorging, de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliŽn van de erkende erediensten.

De hoofdvraag is echter of de regionalisering van de organieke provincie- en gemeentewetgeving wel verwezenlijkt kan worden zonder herziening van artikel 162 van de Grondwet. Deze vraag dient positief te worden beantwoord, niet omdat een bijzondere meerderheid die mening is toegedaan, maar wel omdat er een beroep kan worden gedaan op de vaste rechtspraak van het Arbitragehof. Volgens deze rechtspraak kan de bijzondere wetgever de gemeenschappen en de gewesten uitdrukkelijk machtigen tot het regelen van bij de Grondwet voor de wet gereserveerde bevoegdheden. Dergelijk optreden kan worden verantwoord door de opvatting dat de leer van de voorbehouden materies niet uit de Grondwet zelf voortvloeit, maar wel uit artikel 19, ß1, eerste lid, van de bijzondere wet op grond waarvan het decreet, behoudens toepassing van artikel 10, de aangelegenheden regelt bedoeld in de artikelen 4 tot 9, en dit onverminderd de bevoegdheden die door de Grondwet aan de wet zijn voorbehouden.

Zulk een bijzonder wettelijk handelen kent overigens reeds precedenten.

Ik richt mij nu in het bijzonder tot de leden aan de rechterzijde van het halfrond. Artikel 79, ß1, van de bijzondere wet machtigt de gemeenschappen en de gewesten om, binnen hun materiŽle bevoegdheden, over te gaan tot onteigeningen ten algemene nutte en hierbij de gevallen en de modaliteiten van de onteigening te bepalen, hoewel volgens artikel 16 van de Grondwet de gevallen en de wijze van onteigening bij de wet dienen te worden bepaald. Op analoge wijze kunnen eveneens de strafrechtelijke bevoegdheden van de gemeenschappen en gewesten worden verklaard. Hoewel de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet de strafbaarstelling, de vorm van de vervolging en de bestraffing aan de wet voorbehouden, heeft artikel 11 van de bijzondere wet in deze aangelegenheden bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten toegekend.

Deze voorbeelden illustreren dat de bijzondere wetgever in het verleden evenzeer bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten heeft toegewezen, waarbij de toewijzing normaliter een voorafgaande grondwetsherziening behoefde, maar waarvan het ongrondwettige karakter teniet wordt gedaan door de rechtspraak van het Arbitragehof.

De heer Vandenberghe zei vanmorgen dat Polycarpus de armen ten hemel zou heffen bij het zien van wat zich hier afspeelt. Ik vrees dat de houding van de CVP-fractie, sinds ze niet meer tot de meerderheid behoort, hem evenzeer zou verwonderen, ook al leven we inmiddels in een andere eeuw.

Het is in dit verband in elk geval meer dan bedenkelijk te moeten vaststellen dat de CVP zich met deze opvatting, die nochtans door het Arbitragehof wordt bevestigd, niet kan verzoenen terwijl ze diezelfde opvatting tijdens de vorige legislatuur nog met de nodige verve heeft verdedigd. Meer nog, die opvatting werd uitdrukkelijk verdedigd in de toelichting bij een voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, dat door de heren Ludwig Caluwť en Luc Van den Brande werd ingediend.

Ook het hoofdstuk dat het zogenoemde Lombardakkoord bevat, gaf aanleiding tot discussie, meer bepaald over de door de Raad van State als strijdig met artikel 136 van de Grondwet bevonden regeling volgens welke de Nederlandse taalgroep van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, voor de bevoegdheden die de Vlaamse Gemeenschapscommissie alleen uitoefent, met vijf leden wordt uitgebreid. Deze vijf leden zullen op basis van de verkiezingsuitslagen voor het Vlaams Parlement worden aangewezen onder de niet verkozen kandidaten van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. Voor deze regeling bestaat wel degelijk een rechtvaardiging.

De Vlaamse Gemeenschapscommissie heeft voor de Vlaamse Gemeenschap in het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad op de eerste plaats de bevoegdheid van inrichtende macht inzake cultuur, onderwijs en persoonsgebonden aangelegenheden.

Op de tweede plaats, en dit is belangrijk, oefent ze de bevoegdheden uit die haar worden opgedragen door het Vlaams Parlement.

Het is juist dit laatste aspect dat de nodige verantwoording verleent aan het feit dat de samenstelling van de Vlaamse Gemeenschapscommissie niet louter meer op grond van de resultaten van de verkiezingen voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad zal worden bepaald, maar voor de vijf bijkomende leden, door de resultaten van de verkiezingen van het Vlaams Parlement.

Verder dient er een evenwicht te bestaan tussen enerzijds een verhoogde betrokkenheid van de minst talrijke taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en anderzijds het gevaar dat diezelfde taalgroep van deze betrokkenheid gebruik zou kunnen maken om de werking van die Raad te blokkeren. Daarom treedt een bijzonder mechanisme in werking wanneer leden van de Brusselse Hoofdstedelijke regering ofwel niet over een volstrekte meerderheid zouden beschikken in de Raad ofwel hun voordracht niet ondertekend kan worden door de meerderheid van de taalgroep waartoe zij behoren. Daarbij is de Nederlandse taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad dan op dezelfde wijze samengesteld als de Vlaamse Gemeenschap, met andere woorden, aan de leden van deze Commissie moet in deze omstandigheid de betekenis van leden van de Nederlandse taalgroep worden verleend.

Dit impliceert dat aan de notie "taalgroep" een nieuwe betekenis wordt verleend. In de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen wordt deze notie echter reeds in meerdere betekenissen gebruikt. Zo verplicht artikel 35, ß1, eerste lid, een Brussels regeringslid, dat geen lid is van de Raad, te kiezen voor een taalgroep. Het begrip "taalgroep" heeft in dit geval evenwel niet dezelfde betekenis als in de bepalingen die betrekking hebben op de verkiezing van de leden van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, inzonderheid artikel 17, vermits de in deze artikelen gehanteerde betekenis in samenhang dient te worden gezien met een deelname aan verkiezingen.

Een analoge bemerking geldt voor dezelfde notie in artikel 83quinquies, ß2, eerste lid, waarin er sprake is van een college van 9 leden dat door de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, op voordracht van zijn Regering, wordt aangesteld. Dit college, dat de rechtsprekende taken heeft die in de provincies worden uitgeoefend door de bestendige deputatie, dient ten minste drie leden te tellen die behoren tot de minst talrijke taalgroep.

Naast de regionalisering van de organieke provincie- en gemeentewet en het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen in de bijzondere Brussel-wet, bevat het voorliggend ontwerp tevens een verdere regionalisering van een aantal andere belangrijke aangelegenheden.

Zo werd de ratio met betrekking tot de vigerende bevoegdheidsverdelende regeling inzake landbouw omgekeerd, door de gewesten principieel bevoegd te verklaren voor het landbouwbeleid en de zeevisserij. De materies waarvoor de federale overheid bevoegd blijft, worden dan ook op limitatieve wijze opgesomd. Het betreft hoofdzakelijk de aangelegenheden die een optimaal sanitair beleid via het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen moeten mogelijk maken, wat neerkomt op de normering, de op deze normen toepasbare controle en het opleggen van sanitaire, fytosanitaire, veterinaire of kwalitatieve criteria voor grondstoffen, dieren, planten en dierlijke en plantaardige producten.

In samenhang hiermee draagt het ontwerp aan de gewesten tevens de tot nog toe federale bevoegdheid over inzake normering en de daarop toepasselijke controle die tot doel hebben de kwaliteit van grondstoffen, dieren, planten, dierlijke en plantaardige producten en de plantaardige sector te verbeteren zonder sanitaire doeleinden na te streven.

Inzake de buitenlandse handel wordt duidelijk de opvatting herbevestigd dat de gewesten bevoegd zijn. Op federaal niveau blijft er enkel een Agentschap met beperkte bevoegdheden. In dat Agentschap zullen de gewesten een reŽle medezeggenschap hebben.

Inzake de controle op de verkiezingsuitgaven zullen de gemeenschappen en de gewesten de bevoegdheid krijgen om, wat de verkiezing van hun wetgevende vergadering betreft, een eigen regeling vast te leggen. Inzake ontwikkelingssamenwerking zullen delen van dit bevoegdheidsdomein vanaf 2004 worden overgeheveld in zoverre deze betrekking hebben op de gemeenschaps- en gewestbevoegdheden. Hiertoe wordt een werkgroep opgericht die terzake duidelijkheid moet brengen vůůr eind 2002. Op het ogenblik van deze overheveling zullen hiertoe eveneens de nodige middelen worden overgedragen. Collega Andrť Geens zal hierop dieper ingaan tijdens de artikelsgewijze bespreking.

Concluderend kan worden gesteld dat de voorliggende akkoorden een belangrijke stap betekenen in de federalisering van onze staatsstructuur. Met name de overheveling van de gemeente- en provinciewetgeving betekent een uitgelezen kans om deze structuur efficiŽnter te maken en dichter bij de burger te brengen. De VLD zal alleszins deze kans niet aan zich laten voorbij gaan.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik zou in meer dan een hoedanigheid het woord kunnen nemen. Misschien als tuinkabouter om de CVP te plezieren. Tevens zou ik een uiteenzetting kunnen houden als woordvoerder van de PS. Ik heb aan de Lambermont-onderhandelingen deelgenomen als voorzitter van de Costa. Dit spook heeft me weliswaar niet erg gekweld, maar toch is het aanwezig. Als Brusselaar heb ik deelgenomen aan wat men de Lombard-akkoorden heeft genoemd. Men had ze beter "Lambermont ter-akkoorden" genoemd. De waarheid heeft haar rechten.

Ik ken dit ontwerp en zijn ontstaansgeschiedenis in zekere mate, al wil ik het hier niet hebben over de tť talrijke keren dat ik in het verleden de akkoorden over de staatshervorming heb verdedigd ten overstaan van de tegenstanders, die varieerden hoewel de onderwerpen ongewijzigd bleven en de beschuldigingen van verraad blijven bestaan. Een staatshervorming vereist per definitie een evenwicht en niemand kan al zijn eisen ingewilligd zien.

De weerklank die dit akkoord heeft gekregen, stelt enigszins teleur. In een maatschappij zoals de onze bestaat er vaak een kloof tussen de realiteit en het beeld dat men ervan geeft. Op dit ogenblik is deze kloof zeer breed. Veertig jaar geleden zei Huy Debord dat het leven van een maatschappij met moderne productievoorwaarden eruit ziet als een reusachtige aaneenschakeling van shows. In een dergelijke maatschappij doet het uiterlijke zich voor als een positief en onbetwistbaar element. De principiŽle houding is er een van passieve aanvaarding, die in feite bereikt wordt door de manier waarop iets, zonder tegenspraak, zichtbaar wordt en door het monopolie van het uiterlijke. De schijn heeft weinig te maken met de realiteit.

De media denken dat ze het voor het zeggen hebben, maar de macht ligt normaal gezien bij het parlement. Mevrouw Willame-Boonen, u moet zich misschien afvragen of we thans niet te maken hebben met een uitzonderlijk geval, waarbij de discussie in het parlement plaatsvindt. We bevinden ons wellicht in een bijzondere situatie want niemand, noch van de meerderheid noch van de oppositie, durft de uitkomst voorspellen. We hebben de delicate opdracht de tegenpartij te overtuigen en dit halfrond is het strijdperk.

Ik zal het wetsontwerp snel overlopen. Ik zal het tweede deel ervan buiten beschouwing laten. In de eerste plaats wil ik het hebben over de toename van de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. Het is opmerkelijk dat men de Franstalige meerderheidspartijen bij de onderhandelingen die de akkoorden voorafgingen, het principe van een institutionele onderhandeling heeft verweten. Het gaat hierbij om de institutionele weigering van deze partijen in 1999. Ik richt mij in dit verband in het bijzonder tot onze collega's van de PSC.

Wat ligt er aan de basis van onze institutionele weigering van 1999? De socialistische partij, die een belangrijke rol speelde in deze aangelegenheid, heeft dit nooit als een eeuwigdurende belofte beschouwd. Dat vond u wellicht evenmin.

Het einde van de regeerperiode 1995-1999 werd gekenmerkt door een negatieve sfeer. Aan beide kanten van de taalgrens stelde men het voor alsof 1999 het einde van het federale BelgiŽ zou betekenen. Men hoeft de kranten van die tijd er maar op na te slaan. Na het voorval met de omzendbrieven in de periferie bleef Vlaanderen niet bij de pakken zitten. De Vlaamse Raad nam na het decreet-Suykerbuyk vijf institutionele resoluties aan die vrij grof waren voor Brussel en WalloniŽ. Het is in die context dat de weigering om te onderhandelen moet worden begrepen. De toestand evolueert echter.

De vraag waarom we na die weigering opnieuw een opening hebben gecreŽerd, wil ik beantwoorden met een nieuwe vraag. Meent u dat de onderbreking van het institutionele debat zes maanden, een jaar, tien jaar of een millennium zou duren, of had deze onderbreking te maken met het feit dat de PSC tot de oppositie behoorde en dat de onderhandelingen konden worden hervat zodra dat niet meer het geval zou zijn?

(Opmerkingen op de banken van de PSC)

Ik wil evenwel hulde brengen aan de heer Barbeaux en aan de moed waarvan hij tijdens de onderhandelingen blijk heeft gegeven.

(Opmerkingen op de banken van de PSC)

De socialistische partij blijft gekant tegen de overheveling van de sociale zekerheid. Er was geen enkele reden om te weigeren deel te nemen aan het debat over een staatshervorming die de sociale zekerheid ongemoeid liet. We hadden er alle belang bij deel te nemen aan de gesprekken over de regionalisering van de landbouw. Dit ontwerp is in die zin een stap in de goede richting, maar wij hadden verder willen gaan op het vlak van de internationale betrekkingen. De landbouw in WalloniŽ verschilt sterk van die in Vlaanderen. Het is logisch dat er in een federaal systeem met dit gegeven wordt rekening gehouden en dat men streeft naar regionalisering.

Wij hebben nooit gezegd dat dit een geschenk was voor de Vlamingen. Het is een geschenk voor iedereen. De voortzetting van de regionalisering van de landbouw leidt tot een betere organisatie van de staat.

De regeling voor de buitenlandse handel is verre van ideaal, maar ze is alleszins beter dan de toestand die we tot nu toe kenden. De bevoegdheden van de prins moeten duidelijk worden omlijnd. Ook hier pleiten we voor een verdere regionalisering.

Over de ontwikkelingssamenwerking zal ik kort gaan, niet omdat ik hierover niets te zeggen heb, maar omdat ik mijn ironische commentaar over de kwaliteit van de tekst beter voor mezelf houd.

De heer Renť Thissen (PSC). - Het onderdeel over de ontwikkelingssamenwerking is waardeloos!

De heer Philippe Moureaux (PS). - In feite is het niets meer dan een intentieverklaring.

Zij die nu klagen, begrijp ik niet goed.

De regionalisering van de gemeentewet is een belangrijke en zeer delicate aangelegenheid. Ten tijde van de Sint-Michielsakkoorden waren de christen-democraten er voorstander van. Dat zijn ze nu vergeten, nu zijn ze ertegen.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In 1999 waren wij er samen tegen.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik heb zonet op dat argument geantwoord. Ik denk dat de heer Barbeaux dat goed begrepen heeft. Ik herinner hem eraan dat hij toen voorstander was, maar dat hij nu geschrokken en geschokt is. Wat enkele jaren geleden goed was, is het nu niet meer.

De heer Renť Thissen (PSC). - Dat is niet waar. Wij hebben toen aanvaard een werkgroep op te richten. Verder zijn wij niet gegaan.

De heer Philippe Moureaux (PS). - De PSC was dus ook de werkgroepen gunstig gezind.

De heer Renť Thissen (PSC). - Wij hebben dat niet opgenomen in bijzondere wetten! Wij hebben een werkgroep opgericht die dat gebleven is. Verder zijn wij niet gegaan.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik wil het niet op de spits drijven, maar de onderhandelaars van de PSC waren het destijds volkomen eens met het principe van de regionalisering van de gemeentewet, maar we zijn toen niet tot het einde gegaan. Het delicate probleem, het enige voor de PS, is dat van de gemeenten met een bijzonder statuut. Voor het overige zijn wij altijd voorstander geweest van de regionalisering van de gemeentewet. Wij denken dat die regeling veel efficiŽnter is in een federaal bestel.

Voor de gemeenten met een bijzonder statuut rijst evenwel een zeer delicaat probleem. Wij hebben daarvoor echter een compromis uitgewerkt, met sterke en zwakke punten. Ik denk dan ook dat wij dit akkoord zonder probleem kunnen goedkeuren.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Voor ons voldoet het niet.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Als ik het goed begrepen heb, zouden wij geen garanties hebben als de PSC in de regering zat.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Dat is gemakkelijk!

De heer Philippe Moureaux (PS). - Het is niet vriendelijk, maar ik heb toch wel vaak onderhandeld met leden van de PSC. Er heerste een goede samenwerking. Voor het statuut van Brussel heb ik in een uitstekende verstandhouding samengewerkt met de heer Thys. Toen we het eens geworden zijn om de Brusselse regering samen te stellen uit twee Nederlandstalige en drie Franstalige ministers, heeft de PRL-FDF mij van verraad beschuldigd omdat de Vlaamse kiezers in Brussel te veel gewicht kregen.

Vandaag is de PSC van rol veranderd. Ze moet toch toegeven dat ik nogal standvastig ben, ik speel nog altijd min of meer dezelfde rol.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Hoe cynisch!

De heer Philippe Moureaux (PS). - Dat is geen cynisme, maar een intelligente verdediging, met oog voor de belangen van mijn gemeenschap en de gewesten die ik in dit Parlement vertegenwoordig. Er is een verschil tussen stoer doen door op alle punten te willen scoren, zoals de heer Maingain, en ervoor zorgen dat degenen die men vertegenwoordigt op een waardige wijze worden verdedigd in deze Federale Staat. Wie het luidst roept heeft misschien niet altijd gelijk.

Ik zou willen wijzen op een aantal garanties die deze wet bevat. Eerst en vooral is er het status-quo, wat betekent dat alle eerder toegekende garanties behouden blijven. Er is ook de versterkte gelijkheidsclausule, waar de Raad van State het trouwens niet volledig mee eens was. Hij vergeleek die alleen met de gelijkheid of met de eenvormigheid. Tussen beide hebben wij echter het begrip belangrijke identiteit toegevoegd, dat zelf al een lange uiteenzetting verdient. Ik zal die niet geven, maar toch lijkt het mij een belangrijk element voor de originaliteit van het akkoord, ťťn van de elementen die soms slecht beoordeeld werden door Franstalige vertegenwoordigers van de rand die de tekst van het akkoord niet echt goed hebben gelezen.

Wat de eventuele sancties voor burgemeesters betreft, hebben wij gezorgd voor belangrijke garanties inzake onpartijdigheid. Ik geeft toe dat die garanties misschien kunnen worden omzeild, want het is altijd mogelijk teksten niet na te leven.

Wat de Brusselse instellingen betreft, denk ik dat we het toppunt hebben bereikt met betrekking tot de realiteit van het akkoord en de wijze waarop het aan Franstalige zijde is overgebracht.

Ik denk bijvoorbeeld dat weinig Brusselaars er niet van overtuigd zijn dat in alle negentien gemeenten verplicht een Vlaamse schepen moet worden aangesteld. De regels zijn weliswaar subtieler als men het akkoord leest. De media houden echter van simplistische ideeŽn. Ze hebben alles vereenvoudigd en zo een eenzijdig beeld geschetst dat geen rekening houdt met de realiteit. Eigenlijk hebben wij, wat deze zaak betreft, een belangrijke regeling aangenomen. Als Brussels burgemeester vind ik het gezond dat een Vlaamse schepen in het college zitting heeft. Ik hou echter niet van het verplichte karakter, het zou op een natuurlijke wijze moeten gebeuren.

Als vertegenwoordigers van de twee taalgemeenschappen aanwezig zijn in de meerderheid die een gemeentelijk beleid voorstelt, moeten beide groepen vertegenwoordigd zijn in het college. Dat was trouwens vroeger al namens de PRL-FDF voorgesteld door de heer Simonet. Later heb ik begrepen dat er geen eensgezindheid over bestond. Die regeling is nu in aanmerking genomen en ik vind ze niet laakbaar. Wat sommigen echter schokt, is het feit dat er een premie aan wordt gekoppeld: de gemeenten die deze regeling aannemen, kunnen een beroep doen op een soort extra minigemeentefonds.

Volgens mij is dat gegrond. Als de twee gemeenschappen vertegenwoordigd zijn, moeten langs beide zijden extra uitgaven worden gedaan om een open beleid te kunnen voeren. Ik merk dat in mijn gemeente. Ik vind het logisch dat een gemeente financiŽle steun krijgt als ze haar rol speelt als gemeente van de Belgische hoofdstad, waar de twee gemeenschappen vertegenwoordigd zijn op het gebied van cultuur, onderwijs of bij diverse manifestaties.

De belangrijkste punten in het gedeelte met betrekking tot Brussel, houden wellicht verband met het risico dat de instellingen worden geblokkeerd.

We mogen niet vergeten dat Nederlandstalig extreem rechts op een bepaald ogenblik een overnamebod gedaan heeft op Brussel. Het heeft daarbij het wetsbeginsel omzeild, want het wou Franstalige vreemdelingenhaters aantrekken als zogenaamde Vlaamse kiezers. Tijdens de onderhandelingen over Brussel hebben alle democratische partijen ermee ingestemd om die omzeiling van het Brussels model in te dijken. Op dat gebied hebben wij voor vernieuwing gezorgd. Sommigen verwijten ons dat, en het is wellicht ook op dat punt dat de Raad van State de meeste kritiek had.

Dit ontwerp wil in de eerste plaats het aantal Vlaamse volksvertegenwoordigers in de Hoofdstedelijke Raad garanderen en verhogen door een lijstverbinding mogelijk te maken voor de democratische lijsten. Daardoor moet het mogelijk worden de vertegenwoordiging van niet-democratische partijen mathematisch te beperken. Daartegen kan worden ingebracht dat de Vlaamse en de Franstalige kiezers niet meer op dezelfde wijze worden behandeld. De Raad van State vraagt zich af of die doelstelling wel gegrond is. Het beginsel "ťťn man ťťn stem" is in BelgiŽ, evenals in andere landen met verschillende culturele gemeenschappen, nooit zuiver toegepast. Er is een rekenkundige oververtegenwoordiging van de Franstaligen in de Senaat, in het Europees Parlement, in de Ministerraad, van de Duitstaligen en van de Brusselaars in de Senaat. Zij die de oververtegenwoordiging van de Vlamingen in de Brusselse Gewestraad bekritiseren, moeten consequent zijn en de oververtegenwoordiging van de Franstaligen en de Duitstaligen in de andere instellingen eveneens betreuren. Men kan niet alles hebben.

Ik wil even blijven stilstaan bij deze onterechte verwijzing naar de breuk met het gelijkheidsbeginsel. Toen dit beginsel in 1831 in onze Grondwet werd opgenomen, werd niet gedacht aan een absolute gelijkheid, maar aan een formele gelijkheid. Alle burgers moeten door de wet formeel als gelijken worden behandeld. Na bijna twee eeuwen is een voluntaristische en positieve opvatting van het begrip gelijkheid ontstaan, waarbij naast de formele gelijkheid ook de feitelijke gelijkheid in ieder opzicht wordt nagestreefd. Ik hoop dat de gegarandeerde vertegenwoordiging van de taalkundige en culturele minderheden hiertoe behoort. Het is juist omdat ik mij afzet tegen de absolute egalisten, dat ik het niet eens ben met de argumentatie van de Raad van State, die in zijn advies over het ontwerp meent dat de gegarandeerde vertegenwoordiging van de Vlamingen in de Hoofdstedelijke Raad strijdig is met het gelijkheidsbeginsel.

De Raad van State is voorbijgegaan aan het strikte kader van het Lombardakkoord, want zijn advies in verband met die ongelijkheid steunt op het advies dat hij heeft uitgebracht over de gelijke behandeling van vrouwen en mannen op de kieslijsten.

Een tweede belangrijke maatregel van het ontwerp bestaat erin de Brusselse instellingen te behoeden voor een blokkering via de wijziging van de regel van de dubbele meerderheid, indien geen meerderheid wordt behaald in ťťn taalgroep.

Het risico van een blokkering was immers lang niet theoretisch. De niet-goedkeuring van de begroting van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie had voor de Brusselaars rampzalige gevolgen inzake volksgezondheid.

Wie durft dan nog te beweren dat dit welomschreven mechanisme, dat maar in werking kan treden in geval van een blokkering, onredelijk is of niet in verhouding staat tot de beoogde doelstelling?

Ik begrijp echter niet hoe deze regeling, die voorziet in de uitbreiding van de Nederlandse taalgroep met vijf leden, gekozen uit de niet-verkozen Vlaamse kandidaten voor de Hoofdstedelijke Raad zoveel kritiek uitlokt, in het bijzonder bij degenen die er niet zo lang geleden de eerste voorstanders van waren! In 1998 al beval CVP-voorzitter Marc Van Peel in Le Soir de aanwezigheid aan van een minimumaantal Vlaamse volksvertegenwoordigers in het Brussels Parlement. In 1999 heeft Brigitte Grouwels dit voorstel geformuleerd bij de aanvang van de werkzaamheden in Brussel. De idee om de gewestraad uit te breiden met andere volksvertegenwoordigers werd in februari 1999 geopperd door drie hoogleraren van de Katholieke Universiteit van Leuven, aangevoerd door de heer Delperťe. Toen maakte dit voorstel deel uit van hun denksporen, vandaag veroordelen zij het.

In maart 1999 beoogde een gemeenschappelijk voorstel Alen-Delperťe de uitbreiding van de 75 leden van de Gewestraad met 20 gecoŲpteerde leden voor elke taalgroep.

Deze techniek is dus niet nieuw: ze werd voorgesteld door degenen die ze nu veroordelen. Ik zou dan ook graag hebben dat sommigen consequenter zijn en nadenken over de beoogde doelstelling. Die lijkt mij gegrond en in verhouding tot de uitdaging waarvoor wij staan.

Ik werk al vijfentwintig jaar mee aan de hervorming van onze instellingen. Als mij gevraagd wordt of ik niet betreur dat ik daaraan zoveel tijd heb besteed, antwoord ik dat ik daar veeleer gelukkig om ben.

Ons land wordt immers gekenmerkt door een zeer sterke culturele diversiteit, door een geschiedenis die daarmee verband houdt, en op bepaalde ogenblikken door tegenstellingen. In tegenstelling tot andere Europese landen is die ontwikkeling bij ons totnogtoe vreedzaam en sereen verlopen.

Als historicus weet ik dat staten per definitie vergankelijk zijn. De publieke vrede en de wil om ervoor te zorgen dat mannen en vrouwen die op hetzelfde grondgebied wonen met mekaar kunnen opschieten en hun verschillen aanvaarden, mogen dat niet zijn.

Met dit ontwerp zetten wij een nieuwe stap in het federale BelgiŽ, dat past in het Europese kader. Die stap kunnen wij alleen zetten met respect voor mekaar.

De heer Renť Thissen (PSC). - Ik had gehoopt dat dit debat belangrijk genoeg was om de aanwezigheid van de eerste minister te rechtvaardigen, maar ik stel vast dat hij hier vertegenwoordigd wordt door de heren Michel en Vande Lanotte.

Al twee maanden wordt in de Senaat gedebatteerd over het voorliggende ontwerp. Het uur van de waarheid nadert en toch neemt de onzekerheid over het eindresultaat niet af. Misschien begint het sommigen duidelijk te worden aan welke risico's de heterocliete meerderheid van liberalen, socialisten, groenen en Vlaamse nationalisten ons land blootstelt aan de vooravond van het Europese voorzitterschap.

Voor de toekomst van ons land en van zijn democratische instellingen is de stemming van morgen in de Senaat over het ontwerp van bijzondere wet een belangrijk politiek feit.

Ook het ontwerp van bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, dat momenteel in de Kamer van Volksvertegenwoordigers wordt besproken, is een zeer belangrijke politieke test voor de regenboogcoalitie.

Het is immers de eerste minister en zijn regering die het risico hebben genomen meteen na de coalitievorming een ruime staatshervorming op het getouw te zetten. Zij alleen dragen dan ook de verantwoordelijkheid voor de gevolgen, met inbegrip van de overhaaste manier waarop de procedure wordt afgehandeld.

De eerste debatten vonden plaats in een "Interparlementaire en intergouvernementele conferentie voor institutionele en democratische vernieuwing", om duidelijk te maken dat de regeringen en parlementen van het federale niveau en van de deelgebieden in principe bij de discussie betrokken waren.

Al van bij de regeringsverklaring werd de belofte geuit dat de communautaire spanningen definitief tot het verleden zouden behoren en het veld zouden ruimen voor een harmonieuze verstandhouding tussen onze gemeenschappen en gewesten: er zou een nieuw klimaat van communautaire pacificatie tot stand komen... Wellicht om die reden werd tot de finish onderhandeld met de Vlaams-nationalistische Volksunie en werd het covoorzitterschap van de conferentie aan haar oud-voorzitter toevertrouwd. De huidige verdeeldheid binnen de Volkunie zal er voor zorgen dat er zich zeker nog voldoende gesprekspartners zullen aandienen voor een verdere ontmanteling van de federale Belgische Staat. Want daar gaat het helaas om. Wie gelooft er echt dat de communautaire spanningen definitief van de baan zullen zijn na de goedkeuring van dergelijke zogenaamde "akkoorden"?

Iedereen weet dat de Costa zeer weinig en zeer slecht heeft gefunctioneerd. Op het federale niveau rezen vlug zeer veel moeilijkheden in verband met de overheveling van de landbouw naar de gewesten: de beroepsorganisaties werden niet ontvangen, het voorbehoud geuit door de bevoegde minister werd niet gehoord en het financiŽle luik werd niet besproken.

Evenmin als voor de landbouw werd in de Costa een ernstig debat gevoerd over de andere federale bevoegdheden die men naar de deelgebieden wil overhevelen, zodat we getuige waren van een echte schijnvertoning die moest doorgaan voor parlementaire democratie.

De vergaderingen over Brussel waren al even vruchteloos, in die mate zelfs dat de voorzitter van een Franstalige partij verplicht werd de belangen van zijn gemeenschap te verloochenen om de eerste minister te hulp te snellen en de onderhandelingen weer vlot te trekken. Voor dit alles betalen de Franstaligen een hoge prijs: de inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de faciliteitengemeenten werden eraan opgeofferd.

Kan men nog spreken van federalisme? Drie Franstalige partijen spelen onder ťťn hoedje met de eerste minister om ons rechtstreeks het confederalisme binnen te leiden. Dat is onze eerste kritiek ten aanzien van dit ontwerp en ook aan het adres van deze regering, aangevoerd wordt door een Vlaamse eerste minister. Die houdt er nu al confederale praktijken op na, zoals is gebleken bij de onderhandelingen over het twaalfjarig investeringsplan voor de zogenaamde "Nationale" Maatschappij der Belgische Spoorwegen.

Morgen hebben we drie fiscale stelsels, zodat op volstrekt wettelijke wijze de fiscale concurrentie tussen de gewesten wordt georganiseerd. Vlaanderen, dat al meer middelen en minder schulden heeft, wordt rijker, zal nog meer fiscale autonomie opeisen, zodat belastingverlagingen mogelijk worden en de aantrekkingkracht van deze regio steeds groter wordt. Daarbij komt nog dat de fiscale procedure met betrekking tot de gemeenschapsbelastingen, die de gelijkheid tussen alle belastingplichtigen moet garanderen, ook wordt geregionaliseerd.

Door de combinatie van de herfinanciering van hun Gemeenschap en de fiscale autonomie hebben de Vlamingen de automatische belastingverlaging uitgevonden.

Voortaan hebben we ook drie systemen van lokale democratie, zodat de regels voor de politieke ordening op het niveau dat zich het dichtst bij de burger bevindt, naargelang van de regio, verschillend zal zijn. De Belgen zijn dus niet langer gelijk voor het provincie- of gemeentebestuur.

Ook de omstandigheden waarin wij ons bereid hebben verklaard tot de defederalisering van het onderwijs zijn nu grondig gewijzigd: in 1988 eiste de PSC dat "un ťlŤve" moest gelijk zijn aan "ťťn leerling". Wij evolueren geleidelijk naar een systeem dat enkel gebaseerd is op de draagkracht van elke gemeenschap. Dit mechanisme betekent een nooit geziene aantasting van het principe van de gelijkheid tussen de jongeren van eenzelfde land en plaatst de solidariteit tussen de deelgebieden van ons land op de helling.

Het akkoord dat op de valreep werd gesloten om tegemoet te komen aan de eis van een sterkere vertegenwoordiging van de Vlamingen te Brussel, voorziet niet in een parallelle versterking van de rechten van de Franstalige "minderheid" in de randgemeenten. Het verhoogt het aantal gekozenen, dus ook van het Vlaams Blok, en leidt tot een meer dan proportionele vertegenwoordiging van de Vlamingen in het Brussels Hoofdstedelijke Gewest, zodat afbreuk wordt gedaan aan het beginsel van de gelijkheid tussen de kiezers en tussen de gekozenen. De Franstaligen van de Brusselse rand worden aan hun lot overgelaten, aangezien het administratief toezicht voortaan door het Vlaams Gewest wordt uitgeoefend...

Het is duidelijk dat de regionalisering van de gemeente- en provinciewet ten koste gaat van de gemeenten met een bijzonder taalstatuut: ze worden geconfronteerd met een reeks beperkende voorschriften. Zal onze collega Happart werkelijk zomaar instemmen met het feit dat de rechtsmiddelen van de Voerenaars door de Vlaamse overheid zullen worden behandeld?

In Komen, waar er geen enkele Vlaamse gekozene is in de gemeenteraad, zal een Franstalige partij een abnormaal voordeel genieten als gevolg van de beschermingsregel uit de pacificatiewet van 1988. Niemand, zelfs geen Franstalige parlementsleden, steunen onze wil om deze anomalie recht te zetten en ervoor te zorgen dat Komen door een democratisch verkozen meerderheid zou worden bestuurd, zoals alle andere Waalse gemeenten.

Ook de onderhandelingsmethode was confederaal: voortaan onderhandelen de deelgebieden zelf voor eigen rekening en naar eigen goeddunken. Ze liggen niet wakker van partijen die hetzelfde gedachtegoed verdedigen op alle beleidsniveaus en staan tegenover een subsidiaire, residuaire federale Staat die door niemand politiek nog wordt verdedigd.

Dagelijks zien we de vruchten van het klimaat van pacificatie: bij de toepassing van de taalcirculaires in de Brusselse rand, in de weigering om de Conventie van de Raad van Europa over de bescherming van de minderheden te ratificeren en naar aanleiding van de verkoop van Voerense gemeentelijke gebouwen die onderdak boden aan Franstalige gezinnen!

Het toppunt is wel dat de gemeente- en provinciewet geregionaliseerd worden zonder dat artikel 162 van de Grondwet voor herziening vatbaar werd verklaard. Dezelfde kritiek geldt voor het Lombardakkoord over het Brusselse Gewest en de Brusselse gemeenten.

Zoals de heer Vandenberghe al uitgebreid stelde, wees de Raad van State op de manifeste en onrustwekkende ontsporingen waardoor wij van een unionistisch federalisme, dat gestoeld is op gelijkheid, wederkerigheid en een gemeenschappelijke opvatting van de federale loyaliteit, dreigen af te glijden naar een steeds meer uitgesproken confederalisme. De regering schrikt er niet voor terug die instelling te kleineren en het advies naast zich neer te leggen.

Hoe zal men met dergelijke precedenten kunnen verhinderen dat de nationalisten in de toekomst tegen klinkende munt de regionalisering van justitie of van andere federaal gebleven materies zullen afkopen? Welk vertrouwen kunnen onze medeburgers nog hebben in de rechtstaat, als de Grondwet met de goedkeuring van de eerste minister wordt geschonden?

Dan kom ik tot de verantwoordelijkheid van de Franstaligen. De grootste paradox van deze onderhandeling heeft te maken met de dubbelzinnige houding van de drie Franstalige partijen en in het bijzonder van de PRL-FDF.

Het is al lang gekend dat de Waalse socialisten gewonnen zijn voor een minimale federale Staat: elke overdracht van bevoegdheden valt dan in de schoot van de Waalse PS-Staat. Sedert enige tijd is het ook duidelijk dat de Franstalige groenen tot veel toegevingen bereid zijn om te proeven van de macht en enkele symbolische graantjes mee te pikken.

Maar wie herinnert zich nog de stoere taal van de liberalen tijdens de verkiezingscampagne van 1999? Er was geen sprake van onderhandelen met de Vlamingen, de VLD werd afgeschilderd als een partij die heel ver stond van het sociale liberalisme dat door de heer Michel wordt verdedigd en de institutionele ronde die voor 2002 was gepland, was van geen tel. De PSC werd er zelfs van beschuldigd de belangen van de Franstaligen te willen verkwanselen. Ik verwijs in dit verband naar een interview van minister Michel in "Le Soir" van 25 maart 1999.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik wist toen nog niet dat u zo slecht onderhandeld had over het financieringsakkoord voor de gemeenschappen en dat de gevolgen zo rampzalig waren.

De heer Renť Thissen (PSC). - Misschien volgde u de zaken niet goed genoeg op.

Enkele weken later gingen de Franstalige liberalen uitgerekend met de Volksunie praten.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Met wie heeft u in 1989 de financieringswet aangenomen?

De heer Renť Thissen (PSC). - Ook met die partij, maar toen waren de huidige omstandigheden nog niet bekend.

U heeft toch ook de wet aangenomen in 1993? In 1989 hadden wij een beginsel bedongen dat ons zeer na aan het hart ligt: een leerling is gelijk aan een leerling.

Toen was iedereen het er ook over eens dat de financieringswet na verloop van tijd zou moeten worden herzien.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Precies!

De heer Renť Thissen (PSC). - Inderdaad.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - U heeft ons een mooi geschenk nagelaten!

De heer Renť Thissen (PSC). - De leden van de regering worden al maandenlang permanent onder druk gezet en moeten al hun energie steken in het voorkomen van communautaire conflicten, waarbij elk federaal dossier een platvloerse koehandel wordt. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de inmenging van de gewesten en de particuliere sector in de bestuursorganen van de NMBS en de polemiek over de 40/60-verdeelsleutel voor de investeringen.

De Vlamingen volgen al lang een gemeenschappelijke strategie en ondanks onze herhaaldelijke voorstellen terzake, is er aan Franstalige zijde in de voorbije twee jaar geen overleg gepleegd. Tot de drie partijvoorzitters aan de vooravond van de stemming plots voorstellen de PSC te horen. De eerste minister schijnt daar weinig belangstelling voor te hebben en er kan geen tijdschema worden afgesproken om een echte onderhandeling te voeren op basis van onze amendementen. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat vanuit het standpunt van Walen en Brusselaars de onderhandelingen zeer slecht zijn verlopen.

Het eerste Lambermont-akkoord werd op 16 oktober 2000 gesloten. Het werd geconcretiseerd op 23 januari 2001 in het Lambermont bis-akkoord en nadien nog verder aangevuld. De parallelle onderhandelingen over de vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel werden op 29 april bezegeld door het Lombard-akkoord.

Tijdens de voorbije zes maanden moest de meerderheid elke stem van de VU met nieuwe toegevingen van de Franstaligen afkopen. De tekst die nu in de Senaat voorligt is doorspekt met steeds grotere toegevingen, net zoals het luik over de fiscale autonomie. De giller is de gedeeltelijke overdracht van de Nationale Plantentuin naar de gemeenschappen of de gewesten.

De manier waarop de buitenlandse handel, de organieke gemeente- en provinciewet, het toezicht op de lokale politie en de ontwikkelingssamenwerking geregionaliseerd worden, is institutioneel kunst- en vliegwerk.

De heer Philippe Moureaux (PS). - Het is institutioneel surrealisme!

De heer Renť Thissen (PSC). - Het is sterker dan Magritte...

Achteraf gezien is het duidelijk dat de tactiek om alles met alles te verbinden ons zeer duur komt te staan: bij elke onderhandelingsronde stemmen slecht georganiseerde Franstaligen in met een hogere prijs.

Wat is vandaag het standpunt van de PSC?

Tijdens heel deze onderhandeling was het discours en de houding van de PSC coherent: wij zijn en blijven bereid tot echt onderhandelen in een grondwettelijk kader onder democratische partijen. Wij hebben altijd al betekenis gehecht aan een substantiŽle herfinanciering van de gemeenschappen, in het bijzonder van de Franstalige en de Duitstalige gemeenschap. Onze voorwaarden waren, en zijn duidelijk. Ze zijn ook vervat in de amendementen die we tijdens de bespreking in de commissie hebben verdedigd.

De regenboogcoalitie bedankte evenwel voor onze medewerking. De VU heeft de voorrang en zelfs de exclusiviteit. Zowel in de Kamer- als in de Senaatscommissie werd geen enkel van onze amendementen aangenomen. En toen we wat meer tijd vroegen om de voorgestelde teksten te onderzoeken, was het antwoord meteen negatief.

De PSC wil meer voor de federale staat, meer voor de Franstaligen en meer voor Brussel.

Meer voor de federale staat betekent vooreerst de eerbiediging van de rechtstaat en van de Grondwet en de bescherming van de rechten van alle minderheden. Het is het behoud van een coherente vertegenwoordiging van BelgiŽ in Europa en in de wereld. Het is de democratische en fiscale eenheid van ons land, in plaats van enkel de eenheid van de sociale zekerheid.

Meer voor alle Franstaligen betekent degelijk onderwijs en de eerbiediging van de gelijkheid van alle leerlingen, van welk net ook. Het is een betere financiering van de Franse Gemeenschap voor 2004. Het is de afwijzing van de regionalisering van de gemeentewetgeving, die de inwoners van de Brusselse rand in de kou laat staan, en van de geplande verarming van Walen en Brusselaars door het effect van een slecht voorbereide fiscale concurrentie.

Meer voor Brussel is de radicale afwijzing van de vervlaamsing, van een verarming van onze hoofdstad en van de terugkeer naar een vorm van cijnskiesrecht.

Tot heden hebben de meerderheidspartijen het niet nodig geacht een ernstige onderhandeling aan te vatten met de PSC. De voorgestelde hervormingen zullen niet voor 2002 in werking treden. In de huidige stand van zaken zijn en blijven ze onaanvaardbaar. Als alles ongewijzigd blijft, zal de eindstemming van de PSC-senatoren u niet hoeven te verbazen.

Als de opening van een echte onderhandeling geweigerd wordt, zal de publieke opinie begrijpen dat u een plat politiek spelletje speelt en de schuld voor uw mislukkingen op de rug van wie er niet voor verantwoordelijk is, wil afschuiven. Ik herhaal dus dat de PSC bereid is om te praten op voorwaarde dat de onderhandelaars de nodige tijd en waarborgen krijgen. Wij dienen een groot deel van onze amendementen opnieuw in, als basis voor een discussie over essentiŽle vragen over de toekomst van onze federale staat.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - De onzekerheid over het lot van de regionaliseringsakkoorden is psychologisch heilzaam voor verschillende leden van de oppositie die al twee jaar lang de ridder van de droevige figuur spelen, maar nu al enkele weken hun glimlach hebben teruggevonden. Dat is prachtig. Zij steken ons een riem onder het hart. De heer Vandenberghe nam vrolijk aan de commissiebesprekingen deel.

Sint-Polycarpus zien struikelen is voor u natuurlijk een verleidelijk vooruitzicht. Dat behoort inderdaad tot de mogelijkheden, zoals de heer Moureaux heeft verklaard, en wij zullen er het hoofd aan bieden. Als de kwade trouw aanhoudt, als men de aangegane verantwoordelijkheden blijft vergeten en blijft weigeren het algemeen boven het particulier belang te plaatsen, dan moet in een goede democratie een stemming worden gevraagd.

De heer Thissen heeft zojuist de verantwoordelijkheid van de Franstaligen aangehaald. Dat is begoochelend! Men vergeet zijn aangegane verantwoordelijkheden. Wie ligt er aan de oorsprong van de situatie waarin de Franstaligen zijn terechtgekomen? Wie heeft de financieringswetten van 1988 jammerlijk gemist? Welke hardnekkige verdedigers van het onderwijs en meer in het bijzonder van het vrij onderwijs hebben zich twaalf jaar geleden jammerlijk vergist bij het toekennen van geldmiddelen aan het onderwijs, de cultuur, de sociale aangelegenheden en de gezondheid? Vandaag kan men niet met de hand op het hart verklaren dat de prijs voor de herfinanciering van het onderwijs te hoog is.

Mijnheer Thissen, u beschrijft de misstappen van de PSC met sympathie. Gelukkig laten zij enkele sporen na.

Voor de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet zou geen prijs betaald zijn, en de onderhandelingen in Brussel zouden niet in die termen zijn gevoerd, mochten de Franstaligen niet in die mate vragende partij voor de herfinanciering zijn geweest.

Mijnheer Thissen, in 1988 hebben uw partij en u zelf zich aan onbekwaamheid schuldig gemaakt. Vandaag maakt u zich schuldig aan het niet-bijstaan van een gemeenschap in gevaar, met de bezwarende omstandigheid dat u het drama zelf hebt uitgelokt. Men zou u tot vijftien jaar oppositie moeten veroordelen, maar wij zullen wel zien hoe het afloopt.

De heer Renť Thissen (PSC). - Let op, want sindsdien hebben de onbekwamen uw rangen vervoegd.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Ik heb in elk geval de indruk dat ze in uw rangen talrijk zijn. Lees er de teksten en uw verklaringen maar op na. Ik herinner me dat u het in 1988 een groot akkoord vond. Kijk maar eens wat er vandaag van overblijft. U bent verantwoordelijk voor de huidige situatie. Hoe durft u nog komen pronken op het spreekgestoelte en de anderen beschuldigen van uw bloedeigen fouten en onbekwaamheid?

De heer Philippe Moureaux (PS). - Mijnheer Monfils, de waarheid heeft haar rechten. Als ik u zo hoor, behoor ik tot degenen die in de fout zijn gegaan. Maar Gťrard Deprez vertegenwoordigde destijds de PSC.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Maar u bent veranderd, mijnheer Moureaux. U hebt aanvaard en erkend, terwijl zij blijven doorpraten. Dat is het fundamentele verschil. (Protest op de banken van de PSC.)

In geval van berouw wordt iedere zonde vergeven! Ik begrijp niet hoe de PSC deze voor de katholieke godsdienst zo belangrijke deugd heeft kunnen vergeten. Vergetelheid is klaarblijkelijk een buitengewone karaktertrek. Wij horen de heer Thissen beweren dat hij niet aanwezig was. De PSC bestaat uit mensen die te jong zijn om 1988 gekend te hebben of te oud en dus verdwenen. Er is de oude PSC, de nieuwe PSC en de half belegen. Wat is dat voor een samenraapsel?

De werkelijkheid is de volgende: dank zij u verkeren wij vandaag in moeilijkheden.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - In 1988 bevonden wij ons in een moeilijke budgettaire situatie. De financiering van de gemeenschappen kwam er in termen van bevoegdheidsoverdrachten het best uit, want op die overdracht werd in tegenstelling tot de gewestelijke materies niets beknibbeld.

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - U was er evenmin bij en u hebt de akkoorden niet ondertekend. Lees naast uw eigen teksten ook die van de anderen, zoals ik zelf oude documenten van 1988 heb doorgenomen. Twaalf jaar dat is niet onoverkomelijk. U was er ook niet bij, maar anderen waren wel aanwezig. Mannen en vrouwen vergaan, maar de partijen blijven.

Het is waar dat het geen groot akkoord is. Het akkoord werd evenmin in alle sereniteit en in de meest volledige rechtskundige orthodoxie gesloten.

Toch stel ik de vraag: werd er in dit gecompliceerde land sinds de bewuste regionaliseringswet Perin-Vandekerckhove van dertig jaar geleden dan nooit sereen over een akkoord onderhandeld, in tempore non suspecto, in perfecte eensgezindheid tussen de politieke krachten? Bij mijn weten is inderdaad dat nooit meer gebeurd.

De meer en meer uitgesproken opgang van BelgiŽ naar het federalisme is nooit een lange, stille stroom geweest, maar veeleer een opeenvolging van bruuske wervelwinden na een windstilte.

In de abdijen werd nooit de regel van Sint-Petronella, Sint-Kwintens of Sint-Polycarpus onderwezen, zoals de regel van de Heilige Benedictus.

In dit akkoord wordt dus gegeven en genomen. Poen tegen toegenomen regionalisering. Herfinanciering tegen de bescherming van de minderheid te Brussel en er bovenop een oplossing voor de blokkering van de Brusselse instellingen en de strijd tegen extreem-rechts in Brussel.

In mindering hierop, het lot van de gemeenten in de Brusselse rand die men niet aan het toezicht van het Vlaams Gewest heeft kunnen onttrekken. De tekst behoudt de waarborgen waarover de gemeenten nu beschikken, de verzekering dat tegen deze gemeenten geen enkele discriminerende maatregel zal worden genomen en ten slotte de rechterlijke bescherming van burgemeesters die ten onrechte een sanctie zouden krijgen als zij weigeren een onwettelijk bevel uit te voeren, of het nu gaat om een decreet, een ordonnantie of een eenvoudige administratieve handeling.

Een institutioneel akkoord op zijn Belgisch wordt nooit gevierd met vuurwerk. Het sluit alleen een hoofdstuk af in een saga die al lang geleden is begonnen en waarvan de afloop niet is gekend.

Over de juridische appreciatie van de nieuwe bepalingen bestaan er op zijn minst tegengestelde opvattingen.

Wij moeten een onderscheid maken tussen enerzijds de grondwettelijkheid van de regionalisering van de gemeente- en provinciewetten, en anderzijds wat ik de Brusselse amendementen zou noemen.

Over het eerste punt ben ik bijzonder sereen. Zelfs de Raad van State, die vooral als men hem strikte onderzoekstermijnen oplegt, een reputatie van onverzettelijkheid hooghoudt, was van mening dat er voor de mogelijkheden die artikel 162 van de Grondwet biedt, twee stellingen overblijven.

Zonder de lange discussie van deze ochtend te willen overdoen, zal ik mij beperken tot de vaststelling dat de regering een perfect verdedigbare stelling heeft gekozen, die het mogelijk maakt de bevoegdheid in deze materie over te hevelen naar de gewesten, om terzake decreten uit te vaardigen.

Vanuit intellectueel oogpunt is dit een stoutmoedige stelling, omdat zij het mogelijk maakt vůůr een welbepaalde datum te overwegen de materies die door de grondwetgever aan de wet worden voorbehouden, bij decreet te regelen.

Deze stelling kan leiden tot het afschaffen van de bescherming, geboden door de procedure van herziening van grondwetsartikelen.

Dat blijft nochtans theoretisch om twee redenen. Enerzijds ligt het voor de hand dat als de kamers worden ontbonden na de voorherzieningvatbaarverklaring van sommige artikelen, de verkiezingen nooit draaien rond de redactie van deze artikelen. Het volstaat de thema's van de verkiezingscampagnes te bekijken.

Anderzijds kunnen bevoegdheden nooit worden overgeheveld zonder een tweederde meerderheid en een meerderheid in elke taalgroep. Dat is uiteraard een essentiŽle waarborg voor elk van beide groepen. De weigering van ťťn van beide volstaat om de overdracht te beletten.

In de discussie over het bevoegdheidsverdelend karakter van de bepalingen waartegen bijgevolg een beroep kan worden ingesteld bij het Arbitragehof, laten wij de zorg om dat beroep in te stellen over aan de personen en entiteiten die dat wensen. Dreigen met een gerechtelijke procedure is uiteraard geen argument tegen het ontwerp.

De bezwaren tegen de ongrondwettigheid van sommige Brusselse amendementen zijn uiteraard veel ernstiger. De minister heeft formeel geantwoord en mijn collega corapporteur, de heer Moens, heeft deze weerlegging verwoord.

Ik zou daaraan nochtans twee persoonlijke beschouwingen willen toevoegen. De eerste berust op het nagestreefde doel. Wat wilden wij? Enerzijds de waarborgen voor de Brusselse minderheid uitbreiden, anderzijds de blokkering van de instellingen verhelpen en de strijd aanbinden tegen extreem-rechts.

Alleen dankzij institutionele engineering konden wij onze doelstellingen realiseren. Eťn ervan, de bescherming van de minderheden, werd meer dan eens op dezelfde manier verwezenlijkt: pariteit in de ministerraad, pariteit in de andere zin in de Brusselse regering.

Samen met een collega stellen wij vast dat er meer stemmen nodig zijn om een Vlaamse senator te verkiezen dan een Franstalige. Wij kunnen er ook aan herinneren dat er minder stemmen nodig zijn om een Brusselse volksvertegenwoordiger te verkiezen dan een Waalse, maar dat ze beiden zitting kunnen hebben in dezelfde assemblee, de Raad van de Franstalige Gemeenschap, of zelfs in de Senaat als gemeenschapssenator.

De objectieve discriminatie is een voorwaarde voor de maatstaf et de evaluatie van de maatstaf is zuiver politiek.

Een oud-volksvertegenwoordiger die deze problemen jarenlang heeft gevolgd, verklaarde vanochtend in een vrije tribune in Le Soir: "De leden van de Franstalige oppositie zeggen dat de democratische regel ťťn man, ťťn stem in Brussel met de voeten wordt getreden. Maar hoe kan men een minderheid beschermen zonder een beetje te knagen aan de absolute macht van de meerderheid? In hoeveel democratische staten als Groot-BrittanniŽ of de Verenigde Staten varieert het aantal stemmen om een vertegenwoordiger te verkiezen niet van het enkel tot het dubbel?" Dat zet mijn redenering kracht bij.

Mijn tweede persoonlijke bemerking betreft de grondwetsartikelen die worden geschonden. Sinds dertig jaar werd de Grondwet gewijzigd niet in haar corpus van openbare vrijheid, maar wel in haar institutioneel gedeelte. Telkens als de structuur of de bevoegdheden van de staat en zijn onderdelen werden gewijzigd, kreeg deze wijziging haar beslag in een herziening van sommige grondwetsartikelen. Zou ik durven te beweren dat de herziene grondwetsartikelen stonden voor de invoeging van artikelen en concepten uit de sfeer van de bijzondere wetten en bijgevolg niet het minste permanent kenmerk van onaantastbaarheid voor de toekomst droegen?

Als de Grondwet het heeft over het briefgeheim, dan richt zij zich tot alle media, ook tot de media die een beroep doen op de nieuwe technieken van de informatiemaatschappij die destijds onbekend waren. Maar als de grondwetgever in artikel 39 opneemt dat de gewestelijke organen zijn samengesteld uit verkozen mandatarissen, kon hij dan vermoeden dat op een dag, om de politieke redenen die ik heb aangehaald, de controle op de Brusselse regering zou worden uitgeoefend door een assemblee van Brusselse verkozenen aan wie men ook enkele verkozenen uit een andere assemblee zou toevoegen? Het antwoord is uiteraard ontkennend. De oude tekst wilde voorkomen dat de gewest- en gemeenschapsraden zoals weleer het geval was, zouden zijn samengesteld uit volksvertegenwoordigers en senatoren, met andere woorden uit niet verkozen leden. Dit is een momentopname, een antwoord ad hoc, dat zich er niet in het minst over bekommert dat de omstandigheden op een dag een inbreuk op dit principe zouden kunnen gebieden.

In een land als BelgiŽ dat op institutioneel vlak voortdurend ontwikkelt, kan de opname in de Grondwet van institutionele antwoorden op een bepaalde tijdsgebonden situatie alleen maar voor problemen zorgen, wanneer zich schema's zouden voordoen die op het ogenblik van de Grondwetswijziging onbekend waren.

We zouden kunnen ingaan op de eisen van de oppositie en wachten op een volgende grondwetsherziening alvorens de teksten te wijzigen. Dat is de perfecte juridische logica. De nieuwe grondwetswijziging wijzigt de teksten voor de zoveelste keer wijzigt om de situatie van een bepaald ogenblik in de wet om te zetten. Maar ofwel vindt de grondwetsherziening onmiddellijk plaats en gaan we - wat sommigen natuurlijk wensen - regelrecht naar verkiezingen, een breuk in de continuÔteit van het gevoerde beleid, ofwel wordt de institutionele discussie tot het einde van de zittingperiode uitgesteld, wat ons in een wijzigende wereld en in het licht van de financiŽle situatie van de Franse Gemeenschap totaal ondenkbaar voorkomt.

Ik kom nu bij de kern van de akkoorden. Eerst enkele woorden over de regionalisering van de landbouw en van de buitenlandse handel.

Doen geloven, zoals sommige oppositiepartijen, dat dit het einde betekent van een zeker BelgiŽ is belachelijk. Laten we even de buitenlandse handel, bekijken. Sinds jaren ontwikkelen de Gewesten een eigen beleid in die sector. Toen de heer Moureaux en ik zelf op het einde van de jaren zeventig de touwtjes in handen hadden, werden er commerciŽle attachťs benoemd. Zij deden aan marktprospecties volgens eigen criteria. De BDBH was trouwens geen voorbeeld van efficiŽntie, te meer daar zijn beleid haaks stond op dat van de Gewesten.

Wat gebeurt er nu in dit akkoord? Men erkent de feitelijke situatie, maar in plaats van een strijdforum te maken van het centrale organisme, wordt het een plaats voor ontmoetingen op voet van gelijkheid en in wederzijds respect. Wie wil samenwerken, verliest geen tijd met nutteloos speurwerk voor eigen rekening; het nieuwe organisme fungeert als documentatiedienst en helpt de missies voor te bereiden van wie met enige kans op succes buitenlandse markten wil prospecteren.

In de commissie heeft men zo maar wat in het wilde weg gepraat. Men heeft gezegd dat ťťn gewest de erevoorzitter - u weet wie ik bedoel - zou kunnen beletten een handelsmissie te leiden. En vandaag? Gelooft men ook maar een seconde dat een missie die door ťťn Gewest wordt geboycot, ondanks alles een normaal verloop kan kennen onder leiding van een vereerd voorzitterschap? Uiteraard niet! Men zou de erevoorzitter aan ernstige risico's blootstellen. Morgen, net als vandaag, zal de samenhorigheid borg staan voor het welslagen van federale missies onder leiding van de erevoorzitter.

De ondernemingen hebben al heel lang hun strategie van samenwerking tussen de openbare en de particuliere sector aangepast aan de Belgische instellingen. In dit verband bestaat er een verschil tussen een vorm van nostalgie naar de unitaire staat, die kan blijken uit een opiniepeiling, en de pragmatische zorg van een onderneming...

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Hebt u dat aan de heer de Clippele gezegd?

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Natuurlijk. Ik kan u verzekeren: de heer de Clippele zal de Lambermont-bis-akkoorden omgezet in het wetsontwerp goedkeuren. Geen valse hoop, mevrouw Willame!

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik koester geen valse hoop, maar ik krijg wel een nieuwe kijk op de heer de Clippele!

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - Hij is het volledig met ons eens!

De heer de Clippele heeft een opiniepeiling voorgesteld die hij over dit onderwerp heeft gevoerd. Er bestaat een verschil tussen een vorm van nostalgie naar de unitaire Staat, die kan blijken uit een opiniepeiling, en de pragmatische zorg van een onderneming om te genieten van de voordelen geboden door een staatsapparaat van welke aard dan ook.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - U zegt maar wat!

De heer Philippe Monfils (PRL-FDF-MCC). - U kan de heer de Clippele hierover ondervragen! Ik heb daarmee geen enkel probleem. Ik weet, mevrouw Willame, dat de belangen die u verdedigt, niet louter politiek zijn - dat is uw probleem! Ik beperk me ertoe uiting te geven aan mijn gevoelens en aan die van al mijn vrienden, ook die van de heer Roelants du Vivier.

Voor de landbouw liggen de zaken nog eenvoudiger. Overal, zelfs in WalloniŽ, leefde de vraag naar de regionalisering van de landbouw, behoudens uiteraard de bepalingen betreffende de gezondheid en het welzijn van de dieren. De tekst betreffende de regionalisering was niet nieuw. Er werd meermaals herhaald dat de Costa niets heeft uitgericht. Nochtans hebben we op een dag ontwerpen in de Costa zien belanden. Waar kwamen zij vandaan? Hoe werden zij opgesteld? Daarvoor bestaan verschillende verklaringen. Wat er ook van zij, de tekst bestond. Ook toen waren de bezwaren in de commissie verbijsterend. Men heeft beweerd dat de federale staatssecretaris het Belgische standpunt bij ontstentenis van een akkoord niet meer kan doen gelden, vermits hij in de onderhandelingen op Europees niveau nog enkel de notaris is van de akkoorden tussen de vertegenwoordigers van de Gewesten! Hierbij vergeet men dat dit systeem reeds van kracht is sinds 1994, toen het samenwerkingsakkoord werd gesloten dat de Belgische vertegenwoordiging in de Europese raden regelt.

Voor de volledig overgedragen bevoegdheden geldt ofwel het akkoord tussen de gefedereerde entiteiten ofwel onthoudt men zich. Dat heeft nooit problemen gecreŽerd en ik heb de indruk dat dit voor landbouw nog minder het geval zal zijn, aangezien de voor- en nadelen van onderhandelingen tegen elkaar opwegen, zoals breedvoerig in de commissie werd uitgelegd.

Wie de federale loyaliteit eert, moet het spel ten voeten uit spelen, ook als het moeilijk is. Wie volhoudt dat bij ontstentenis van een akkoord in een materie die de Gewesten volledig zelfstandig beheren, er een federaal Belgisch standpunt moet worden bepaald, ontkent de overdracht van de bevoegdheden en is onwetend over de instellingen van ons land.

Voor de ontwikkelingssamenwerking werd in de commissie tot een buitengewoon unitaristisch offensief overgegaan. Men heeft zelfs de OESO ter hulp geroepen! Alsof een internationale organisatie zich zou kunnen mengen in de interne organisatie van een staat!

Men heeft uitgelegd dat de landen van het Zuiden geen vragende partij waren voor een hervorming van de ontwikkelingssamenwerking, alsof deze landen - en ik heb veel respect voor Sierra Leone, Congo of NamibiŽ - het Belgisch staatsbestel zouden dicteren! Men heeft zelfs uitgelegd dat in een recent verleden weliswaar verwijten konden worden gemaakt aan de ontwikkelingssamenwerking, maar dat alles weer normaal is geworden dank zij de nieuwe hervorming, en dat zelfs een gedeeltelijke communautarisering het geduldig opgetrokken gebouw op zijn grondvesten zou kunnen doen wankelen. Alsof de huidige toestand van de ontwikkelingssamenwerking voldoening zou schenken. Alsof alleen al het overwegen van de toekomstige overheveling van sommige materies van de ontwikkelingssamenwerking het einde zou betekenen van de hulp aan de landen in het Zuiden.

Eigenlijke willen sommigen gewoonweg niet weten van een diepgaande, objectieve, evenwichtige reflectie over de structuren en de werking van de ontwikkelingssamenwerking, die toch rekening moeten houden met de staatsstructuur.

Net als de Raad van State en de grote meerderheid van mijn collega's, vind ik dat artikel 6 model staat voor juridische of in elk geval legistieke perfectie.

Ik kan moeilijk begrijpen dat zij die wanhoopskreten slaken bij een gedeeltelijke defederalisering van de Ontwikkelingsamenwerking, kritiek leveren op de oprichting van deze werkgroep die belast wordt met het uitdiepen van de elementen die na een voldoende lange termijn voor overdracht aan de Gemeenschappen en de Gewesten in aanmerking komen.

Ik kom nu bij de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet, vanuit het gezichtspunt van de gemeenten met een bijzonder statuut. Het lijkt me onontbeerlijk om de tekst van de wet, de Memorie van Toelichting en het antwoord van de minister in de commissie in herinnering te brengen. Er werd duidelijk aangegeven dat de decreten, reglementen en bestuurshandelingen geen afbreuk mogen doen aan de op het ogenblik van de inwerkingtreding van dit wetsontwerp bestaande waarborgen voor de Franstaligen in deze gemeenten.

Dat betekent dat de zogenaamde communautaire pacificatiewet van 9 augustus 1988 integraal zal worden geŽerbiedigd. De heer Moureaux heeft erop gealludeerd in zijn uiteenzetting: de faciliteiten zijn voortaan gebetonneerd en men kan daarop niet terugkomen. Dat is de zin van de standstill-bepaling. In zijn antwoord op vragen van collega's heeft de vice-eerste minister dit standpunt uitgewerkt: "De regering is van oordeel dat het woord "garanties" slaat op alle regels die ertoe strekken het statuut en de taal van de Franstaligen, de Nederlandstaligen en de Duitstaligen in de genoemde gemeenten (artikel 9 van het wetsontwerp) of in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad (artikel 16 van het wetsontwerp) te beschermen. Bovendien moet aan de term "garanties" in de zin van artikel 9 of artikel 16 van de wet, de betekenis van een bevoegdheidsverdelende regel worden toegekend. De gewesten zijn immers, in het raam van de bevoegdheid over de lokale besturen die hun door het ontwerp van bijzondere wet is toegekend, alleen bevoegd om decreten, ordonnanties en maatregelen uit te vaardigen die geen afbreuk doen aan ťťn of meer van de garanties bedoeld in artikel 9 of artikel 16 van het ontwerp van bijzondere wet. Afgezien van de regels waarnaar uitdrukkelijk verwezen wordt in het wetsontwerp, komt het uiteindelijk toe aan het Arbitragehof en de Raad van State te oordelen welke van de regels die vandaag van kracht zijn, beschouwd moeten worden als garanties."

Afgezien van wat ik hierboven in herinnering heb gebracht betreffende de waarborg voor niet-discriminatie tussen de gemeenten onderling en betreffende de rechterlijke bescherming voor de burgemeesters, waarin artikel 4 van het ontwerp in voorziet, dient nog te worden beklemtoond dat er wijzigingen werden aangebracht in de aanhangigmaking bij het Arbitragehof of de Raad van State. Vroeger kon de schorsing van een decreet, een ordonnantie of een bestuurshandeling die afbreuk zou doen aan waarborgen, enkel worden bekomen als ernstige middelen ter rechtvaardiging enerzijds en een ernstig en moeilijk te herstellen nadeel anderzijds konden worden ingeroepen. Voortaan komt alleen het eerste middel in aanmerking.

Wie de teksten en de voorbereidende werkzaamheden er op na slaat, kan moeilijk tot het besluit komen dat de situatie van de Franstaligen in de rand achteruitgaat. Integendeel, zij verbetert.

Al verscheidene weken horen wij de christen-democratische oppositie en sommige leden van de meerderheid verdedigen dat de tekst moet worden verworpen. Wie de verwerping bepleit, beweert eigenlijk dat hij beter kan. Als wij mislukken, dames en heren van de oppositie, zult u het dan beter doen? Met wie zult u opnieuw gaan onderhandelen?

Er zijn geen andere onderhandelaars. Tegenover u zullen de CVP zitten en de andere Vlaamse onderhandelaars. Zult u meer geld uit de brand slepen? Zult u er beter in slagen het Noorden te vermurwen, u die in 1988 niet eens in staat waart om de legitieme rechten van de Franstaligen te verdedigen bij de onderhandelingen over de financieringswet?

Ik heb alle vergaderingen als rapporteur bijgewoond en nooit hebt u een alternatief plan voorgesteld. U bent blijven nee knikken, maar hebt niets bijgedragen tot het debat. Hoe kan u zich in die nihilistische houding blijven verschansen waardoor de onderwijzers, de cultuurwerkers, de opvoeders in de tehuizen, de jeugdbescherming, kortom al wie zijn lot in de handen van de Franse Gemeenschap legt, het onderspit zullen delven?

Ik was net als sommige vertegenwoordigers van Ecolo en de PS in het Thť‚tre national. Van de PSC heb ik echter niemand gezien. Er waren driehonderd kunstenaars aanwezig, maar niet een liet zich in de war brengen door politieke berekening. Zij wilden alleen de vereiste financiŽle middelen bekomen om hun scheppend werk verder te zetten; zonder scheppende kunsten kan een samenleving nu eenmaal niet bestaan.

Door systematisch te dramatiseren hoopt de PSC dat anderen het onderspit zullen delven. Ik denk nochtans dat ze in de klappen zal delen, of misschien zelfs de enige verliezer zal zijn, want men zal haar niet vergeven dat ze de Franse Gemeenschap een tweede keer verraadt.

Ik weet ook dat sommige vrienden aarzelen. Ik vraag hen vooralsnog na te denken. Tientallen jaren hebben wij onophoudelijk samen gevochten. Wij hebben bekomen dat gewesten en gemeenschappen naast elkaar bestaan. Doorheen de jaren hebben wij hun bevoegdheden en hun rol in de staat weten uit te breiden. Wij hebben samen Brussel verdedigd, en Walen en Franstaligen zijn er altijd van uitgegaan dat alleen de solidariteit tussen Brussel en WalloniŽ een halt kon toeroepen aan de aanspraken van het Noorden. Samen hebben wij waarborgen bekomen voor de Franstaligen zodat zij hun taal kunnen blijven spreken en hun cultuur beleven in de randgemeenten en in Voeren. Samen hebben wij politieke desillusies geÔncasseerd en verkiezingsoverwinningen gevierd. Sinds jaren hebben wij in alle sectoren van het economisch, cultureel en sociaal leven samen onze voorstellen uitgewerkt, ons toekomstcontract voor de Walen, de Brusselaars en de francofonie. Voor wie ongeduldig is om sneller te gaan, verder en beter, en elke toegeving, ook een wederzijdse toegeving als een compromis aanziet, is een akkoord als dit uiteraard een bron van frustratie. U zult mij toestaan als gewezen minister van Cultuur naar de literatuur te verwijzen. In het conflict tussen Kreoon en Antigone, kan zij misschien verleiden door haar absoluut karakter, maar beheert en leidt hij de mensenzaken, die immers zelden de vrucht van absolute dromen zijn. Sommige van mijn politieke vrienden aarzelen; ik vraag hen na te denken.

Moge wat wij samen hebben opgebouwd, en de verwachtingen waarvoor een deel van de leden van de Franse Gemeenschapsraad in ons hun vertrouwen hadden gesteld, niet teloorgaan, omdat u boven de politieke werkelijkheid een onbereikbare droom verkiest.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Als we premier Verhofstadt mogen geloven, is het Lambermontakkoord een historisch akkoord. De premier zelf verklaarde herhaaldelijk dat hij zou zorgen voor een nieuw communautair klimaat. Een klimaat waarbij niet langer de confrontatie, maar wel de dialoog voorop zou staan. Weg dus met Luc Van den Brande die de zaak zeven jaar lang verbrod had en met zijn destructieve houding niets bereikt had. Leve Guy Verhofstadt die inzake de staatshervorming het gaspedaal zou indrukken om de gemeenschappen en de gewesten mee te voeren in de vaart der zelfstandige volkeren. Want dat was toch het grote verwijt, overigens ook van onze kant, namelijk dat de CVP toen uit twee monden sprak. Van den Brande mocht in de institutionele zandbak spelen tot de grote baas Jean-Luc Dehaene het einde van de speeltijd floot.

Inderdaad, het is nu afgelopen met stoer doen in het Vlaams Parlement en gas terugnemen in het federale parlement. Vanaf nu wordt uit ťťn mond gesproken, de mond van Louis Michel. De resoluties van het Vlaams Parlement zijn hoogstens nog goed voor een sanitaire behoefte en de energie die de VLD gestoken heeft in de totstandkoming ervan is omgekeerd evenredig met de inspanningen die deze partij de jongste weken in de Senaat leverde voor de verdedigingvan het Lambermontakkoord.

Alvorens het over de tekst zelf te hebben, nog een paar woorden over de rol van de Senaat. De Senaat komt absoluut niet fraai uit dit verhaal. De publieke opinie kon getuige zijn van het hoge virtuele gehalte van het debat in de commissie, de arrogantie van de macht en het absolute misprijzen van de meerderheid voor de fundamentele bezwaren van de Raad van State inzake het Brussel-akkoord. De regering van haar kant heeft haar minachting laten blijken tegenover de Senaat door steeds weer andere dan de bevoegde ministers naar de commissie te sturen. De opmerkingen van de Raad van State werden weggelachen alsof het een bende kleuters gold die wel de klok hadden horen luiden, maar de klepel niet wisten hangen. Wanneer in de toekomst nog eens hoogdravende volzinnen worden gedebiteerd over de rol van de Senaat als reflectiekamer en primordiale grondwetgevende kamer, zal er alleen een minachtend hoongelach opgaan. Dat heeft de Senaat dan alleen aan zichzelf te danken. Het virtuele gehalte van wat bezwaarlijk debatten kunnen worden genoemd, kende geen grenzen in de commissie en vandaag evenmin, want vandaag wordt gedebatteerd over een onderdeel van een akkoord dat nog altijd niet rond is. Vandaag staat nog steeds niet vast of de regering in de Kamer wel een tweederde meerderheid haalt. Niemand kan ons vertellen welke toegevingen Guy Verhofstadt aan het doen is om de PSC ertoe over te halen de financieringsakkoorden niet tegen te houden.

Van de beloofde nieuwe aanpak is niets terecht gekomen. Met de zogenoemde dialoog van gemeenschap tot gemeenschap, de Costa, is niet eens de schijn opgehouden. De Costa is niets meer gebleken dan een vervelende bezigheidstherapie. Even snel als bij vorige gelegenheden is overgeschakeld op nachtelijke marathonvergaderingen waar de echte beslissingen genomen werden. De Costa heeft alleen als glijmiddel gediend voor de VU om ook in de Vlaamse regering paars-groen mogelijk te maken en de symmetrie tussen de federale en Vlaamse regeringen gaaf te houden.

Premier Verhofstadt heeft het Lambermontakkoord als historisch bestempeld. Hij heeft gelijk. Het is een historische blunder die de problemen niet zal oplossen maar alleen de frustraties zal doen toenemen.

Het is duidelijk dat hier het klassieke Belgische mechanisme opnieuw heeft gespeeld. De wel bijzonder beperkte autonomie die Vlaanderen in het verleden heeft verworven, heeft het altijd bijzonder duur moeten betalen.

Het klassieke Belgisch federalisme kwam altijd neer op het toekennen van bevoegdheden aan Vlaanderen ťn WalloniŽ, in ruil voor het verstevigen van de politieke en de financiŽle machtspositie van de Franstaligen in dit land. Daarin heeft premier Verhofstadt geen verandering gebracht.

Bij de start van de Costa hebben wij ook in het Vlaams Parlement altijd gewaarschuwd voor een akkoord, waarbij op vraag van de Franstaligen tot een herfinanciering van de gemeenschappen zou worden gekomen op basis van dotaties, uiteraard, in ruil voor een heel beperkte fiscale autonomie en een heel beperkte bevoegdheidsoverdracht. Helaas hebben wij gelijk gekregen.

De zo geroemde fiscale autonomie is een lege doos. De reeds als dusdanig omschreven gewestbelastingen in de bijzondere financieringswet worden overgeheveld, wat evenwel niet meer dan logisch is, maar van echte fiscale autonomie waarbij een deelstaat niet alleen verantwoordelijk wordt gesteld voor zijn uitgaven maar ook voor zijn inkomsten, is geen sprake. Het is niet met de mogelijkheid de belasting op de kansspelen te verhogen of te verlagen dat een beleid aan de inkomstenzijde kan worden gestuurd. Dat was uiteraard niet de bedoeling.

De tijd dat de VLD eiste dat de gehele personenbelasting naar de deelstaten gaat en zelfs de vennootschapsbelasting zou moeten worden overgeheveld, de hefbomen voor het voeren van een eigen fiscaal beleid, ligt al lang achter ons. De herfinanciering van de gemeenschappen, grotendeels op basis van dotaties en dus op basis van het consumptiefederalisme, met meer Vlaamse miljarden voor het Franstalig onderwijs, is binnen.

Eveneens verworven is het federalisme met drie. Meer dan ooit wordt de positie van de gewesten versterkt en moeten de gemeenschappen het onderspit delven. Ook dit is fundamenteel in strijd met de uitgangspunten van het Vlaams Parlement, waar over de partijgrenzen heen altijd werd gepleit voor een staatsstructuur op grond van de twee grote gemeenschappen. In plaats van die doorgroei naar tweeledigheid krijgen we nu de onomkeerbare evolutie naar drieledigheid, die een dubbele minorisering van de Vlamingen met zich meebrengt: binnen BelgiŽ wordt de Vlaamse meerderheidspositie herleid naar een positie van ťťn tegen twee en binnen Brussel worden de Vlamingen steeds afhankelijker van de goede wil van de Franstaligen.

De Lambermontpartijen laten Brussel, en dus de Brusselse Vlamingen, definitief los. De vurige pleidooien van wijlen Frans Van der Elst ten spijt, stapt ook de Volksunie gezwind mee in dit nefaste scenario

In het eerste deel van het ontwerp wordt het zogenaamde Hermesakkoord, dat handelde over landbouw en buitenlandse handel, uitgevoerd. Wat het landbouwbeleid betreft, wordt de zaak er alleszins niet transparanter op, zeker niet met betrekking tot de vertegenwoordiging op Europees niveau.

Het prijs- en inkomensbeleid blijft een federale materie. Ook het BIRB blijft federaal. Daarenboven is de tekst zo geformuleerd dat de bevoegdheden van dat bureau rustig kunnen worden uitgebreid.

Een scenario vergelijkbaar met dat van de BDBH ligt dus voor de hand. Er is geen sprake van de volledige overheveling van Landbouw. Er zijn zoveel uitzonderingen dat veeleer kan worden gesteld dat de landbouw wordt overgeheveld, uitgezonderd de landbouw.

Ook de Buitenlandse Handel wordt niet volledig gedefederaliseerd. De BDBH wordt weliswaar afgeschaft, maar vervangen door een federaal Agentschap, dat uiteraard op klassieke Belgische wijze is samengesteld, namelijk op basis van pariteit tussen de gewesten, waarbij voor de goede gang van zaken er wordt aan voorbijgegaan dat Vlaanderen meer dan 75% van de Belgische export voor zijn rekening neemt.

Trouwens, ook de verdeling van de middelen, zowel inzake Landbouw als Buitenlandse Handel, is op Franstalige maat gesneden. De anders door de Franstaligen zo verguisde personenbelasting als criterium voor het verdelen van de middelen inzake onderwijs wordt nu gretig aangegrepen, omdat dit criterium in deze sectoren het voordeligst uitkomt. Bij de verdeling van de middelen die gepaard gaan met bevoegdheidsoverdracht worden schaamteloos de criteria toegepast die WalloniŽ het meest opbrengen.

Het artikel over de ontwikkelingssamenwerking is zonder twijfel dť giller van het ontwerp. We hebben in dit koninkrijk al veel meegemaakt, maar volgens mij nog nooit dat in een bijzondere wet die de bevoegdheden van gemeenschappen en gewesten regelt, werd ingeschreven dat een bijzondere werkgroep zal worden opgericht om na te gaan welke onderdelen van ontwikkelingssamenwerking eventueel, misschien, ooit, wie weet, naar gewesten en gemeenschappen zullen worden overgeheveld. Dit wordt uiteraard beperkt tot de delen die betrekking hebben op de bevoegdheden van gemeenschappen en gewesten. In mensentaal wil dit zeggen: er wordt van ontwikkelingssamenwerking helemaal niets overgeheveld.

Dan komt uiteraard de hoofdschotel: de overheveling van de organieke wetgeving inzake gemeenten en provincies. Ook hier zien we weer het klassieke mechanisme opduiken dat bij elke staatshervorming speelt: de Vlamingen moeten blijvend een prijs betalen voor iets wat al lang bedongen had moeten zijn en eigenlijk ook bedongen was, in dit geval de overheveling van de gemeente- en provinciewet, die bedongen was bij het Sint-Michielsakkoord. Vandaag moet Vlaanderen opnieuw miljarden ophoesten voor het Franstalig onderwijs om dat te verkrijgen wat al verkregen was.

Wie ervan uitging dat Vlaanderen met de overheveling van de gemeentewet in staat zal zijn een einde te maken aan het misbruik dat nu al decennia wordt gemaakt van de faciliteiten in Vlaanderen, komt alweer bedrogen uit. Dat de Franstaligen in de rand en in Voeren de bestaande garanties behouden, is zelfs een leugen. Ze krijgen integendeel nog garanties bij.

Niet alleen blijft de hele pacificatiewet van 1988 overeind. Dat betekent dat de rechtstreekse verkiezing van schepenen en OCMW-raadsleden in de Zes behouden blijft. Dat betekent dat die contradictio in terminis, het "onweerlegbaar vermoeden van taalkennis", eveneens behouden blijft. Dat betekent dat aan de faciliteiten niet kan worden geraakt. Dat betekent dat de adjunct-gouverneur blijft bestaan en er voor zijn benoeming zelfs een eensluidend advies nodig is van de federale ministerraad.

Er komen nog garanties bij. Aan de gemeentegrenzen van de faciliteitengemeenten mag niet worden geraakt. De Zes kunnen ook in de toekomst niet opgenomen worden in federaties van gemeenten die Vlaanderen eventueel wil opzetten. Bovendien is de bevoegdheid inzake de tuchtprocedure voor burgemeester en schepenen zo geregeld dat de Vlaamse overheid weinig of geen armslag heeft. Dit alweer om de burgemeesters van de Zes ter wille te zijn. Burgemeesters die overigens compleet illegaal een volksraadpleging willen organiseren over de overheveling van de organieke gemeentewet naar Vlaanderen.

Als voorbeeld van een verbeterd communautair klimaat kan dit tellen. Dat we in de Brusselse rand iemand van de Raad van Europa op bezoek krijgen om na te gaan in hoeverre de mensenrechten van de Franstaligen er geschonden worden, kan overigens ook tellen. Het is natuurlijk bekend dat de Franstaligen in de rand worden behandeld zoals de Oeigoeren in Kazachstan of de Albanezen in MacedoniŽ.

De Vlaamse Lambermontpartijen zetten de toekomstige Vlaamse overheid op het vlak van de faciliteitengemeenten compleet klem. In de toekomst zullen er dus twee soorten Vlaamse gemeenten zijn: de gemeenten die volgens de Vlaamse decreten bestuurd worden, en de gemeenten waar de Franstaligen hun arrogantie verder mogen blijven botvieren.

En dan is er uiteraard Brussel. De regeringspartijen hebben ons willen wijsmaken dat de garanties voor de Franstaligen in de rand en voor de Brusselse Vlamingen status-quo bleven. Niet alleen hebben ze een onvergeeflijke blunder begaan door het lot van de Franstaligen in de rand te koppelen aan het lot van de Brusselse Vlamingen, een koppeling die aan Vlaamse kant altijd werd afgewezen. Deze zogenaamde status-quo is bovendien een pertinente leugen. Het akkoord over Brussel werd door niemand minder dan VLD-voorzitter De Gucht "perfide en efficiŽnt" genoemd. Of het efficiŽnt is, valt nog af te wachten, maar perfide is het in elk geval. Politicoloog Wilfried Dewachter - niet bepaald een nationalist - zei over het Lombardakkoord afgelopen weekeinde in de Financieel Economische Tijd: "En dan is er nog de onvoorstelbare belediging voor de Vlamingen in wat de hoofdstad zou moeten zijn van een tweetalig land met Nederlands als meest gesproken taal: het `kopen' van Vlaamse schepenen en het loslaten van de dubbele meerderheid, het enige blokkeringssysteem dat Vlamingen er hebben."

De Brusselse Vlamingen gaan er in termen van politieke macht op achteruit, in ruil voor alweer bijkomende mandaten. Het aantal parlementsleden wordt op 89 gebracht, waardoor stilaan het toppunt van de belachelijkheid wordt bereikt.

Het zogenoemde ABS-systeem kan niet alleen perfide, maar zelfs pervers worden genoemd. Het is een anti-blokkeringssysteem om zogezegd de democratie te vrijwaren en een blokkering van de instellingen te vermijden. Ik wist niet dat Vic Anciaux een antidemocraat was. Hij, en niet het Vlaams Blok, blokkeerde immers een tijdlang de Brusselse instellingen.

Er is sprake van een regelrechte constitutionele staatsgreep met als doel de verkiezingsuitslag aan Nederlandstalige kant te vervalsen. De constitutionele creativiteit kent geen grenzen. Er wordt een nieuwigheid ingevoerd, namelijk de apparentering binnen ťťn kieskring tussen verschillende partijen. Dat zou ook de CVP nog wel eens parten kunnen spelen. De Vlaamse Gemeenschapscommissie wordt aangevuld met vijf leden. Dat gebeurt niet op basis van de verkiezingsuitslag voor de Brusselse Hoofdstedelijke Raad, maar wel volgens de verkiezingsresultaten van het Vlaams Parlement. Om de democratie te vrijwaren, stellen we voor nog vijf bijkomende leden aan te duiden, maar dan wel door de algemene vergadering van de Verenigde Naties.

Voor die zeventien bijkomende mandaten geven de Vlamingen in de Brusselse instellingen hun garantie voor dubbele meerderheid op. Het gaat zelfs zo ver dat de Vlaamse ministers in de Brusselse regering aangewezen kunnen worden door een minderheid van de Nederlandse taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad. In de toekomst kan er dus een Brusselse regering worden geÔnstalleerd die niet de steun geniet van de meerderheid van de Nederlandse taalgroep in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en kan een Vlaams minister de laan worden uitgestuurd door dezelfde minderheid. Als we een extrapolatie maken, dan zou het Vlaams Blok van vier op de elf zetels in de Vlaamse Gemeenschapscommissie gaan naar zes op tweeŽntwintig. Dit is geen Hollandse of Chinese rekenkunde, maar gewoon Brusselse rekenkunde.

Voor een handvol mandaten meer doen de Vlamingen afstand van hun politieke macht door de dubbele meerderheid de facto af te schaffen. De verdwazing gaat heel ver. Corapporteur Moens had het over de opheffing van de dubbele meerderheid en de overschakeling naar het nieuwe systeem, waardoor, vooral in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, voor bepaalde ordonnanties waarvoor geen meerderheid is in beide taalgroepen, na een maand "een meerderheid" van een derde van de stemmen in een taalgroep volstaat.

De Raad van State heeft deze constitutionele staatsgreep als ondemocratisch bestempeld, omdat deze regeling de artikelen 39, 116, 122 en 136 van de Grondwet schendt. Dat advies werd evenwel genegeerd, alsof de Raad van State een verzameling van veredelde Comedy Capers is. Het Vlaams Blok zal deze bepalingen in elk geval voor het Arbitragehof aanvechten.

De vernedering is het grootst op gemeentelijk vlak. Indien een Vlaming al in de gemeenteraad geraakt en goed genoeg wordt bevonden om de voordrachtsakte te tekenen, dan mag hij tegen betaling schepen worden, desnoods bevoegd om het paargedrag van de bosmier te bestuderen.

Deze groots aangekondigde staatshervorming is als een pudding ineengezakt. Het uitgangspunt was de herfinanciering van de gemeenschappen, niet op basis van de fiscale autonomie, maar wel op grond van het consumptiefederalisme van de dotaties. De Franse Gemeenschap krijgt er weer vele Vlaamse miljarden bij en daar alleen was het om te doen.

De Franstaligen waren niet alleen vragende partij voor de herziening van de financieringswet, maar zij hebben ook de agenda van de onderhandelingen bepaald.

De Vlamingen kunnen met hun verlangens en eisen gedragen door een grote meerderheid van hun eigen Vlaams parlement, de boom in. Ik ben de heer Moureaux zeer dankbaar dat hij niet alleen in de commissie maar ook in de plenaire vergadering heel duidelijk gezegd heeft waar het hem allemaal om te doen is. Pas als hij de zekerheid had dat er niet over de sociale zekerheid zou worden gesproken, zo zei hij, konden de Franstaligen hun eisen stellen en de herfinanciering van de gemeenschappen doorduwen. Zij leveren geen sikkepit in op de sociale zekerheid en kunnen wel rustig in de geldruif blijven graaien. Dat is een bekentenis van formaat, want ze toont aan dat de hele staatshervorming om geld draait en dat de Franstaligen hun slag volkomen hebben thuisgehaald. Volgend artikel uit de Financieel Economische Tijd van 1988 over de toenmalige staatshervorming dat ik zopas heb teruggevonden, typeert heel goed wat er vandaag gebeurt: "Wie de standpunten van Vlamingen en Franstaligen aan de onderhandelingstafel vergelijkt, kan niet anders dan tot de vaststelling komen dat de eersten zich louter defensief en de anderen zich offensief opstellen. De Vlaamse defensieve houding maakt dat de Vlaamse onderhandelaars bij de aanvang van de onderhandelingen niet met eigen standpunten uitpakken, maar reeds met voorstellen van oplossingen komen aandraven. Tijdens de onderhandelingen worden de Vlaamse kantjes van dit voorstel dan nog verder afgevijld, zodat er van het oorspronkelijke standpunt uiteindelijk nog maar weinig overblijf". Dit citaat van 1988 is vandaag nog altijd perfect van toepassing.

Het taboe van de sociale zekerheid en van de geldstromen blijft nog altijd overeind. De Vlamingen hebben het voorrecht om elk jaar om en bij de 120 miljard naar WalloniŽ te versluizen via de sociale zekerheid. Ze hebben het voorrecht om een van de duurste onderwijssystemen van Europa te mogen onderhouden. Ze hebben het voorrecht om via de sociale zekerheid, de financieringswet, de belastingen en de aflossing van de intrestlast meer dan 300 miljard of 55.000 frank per Vlaming als alimentatiegeld op te hoesten. Ze hebben het voorrecht om solidair te zijn, niet met mensen, maar met structuren en met een beleid dat zelf nooit de verantwoordelijkheid heeft willen dragen voor zijn daden maar de factuur altijd heeft doorgeschoven naar de Belgische schatkist, dat wil zeggen naar Vlaanderen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kregen de Vlamingen het bevel "Zwijg en vecht". Vandaag krijgen ze het bevel "Zwijg en betaal". Dat is uiteindelijke de enige betekenis van deze staatshervorming. Dat is uiteindelijk de enige zin van het Belgische federalisme, dat een groot boerenbedrog is gebleken. Dat federalisme heeft nooit een ander doel gehad dan de macht van het getal van de Vlamingen te neutraliseren. Zo werd ons in 1970 onze meerderheid ontstolen. Het federalisme heeft uiteindelijk geleid tot een permanente hold-up, tot het creŽren van structuren die de Franstalige minderheid in staat moeten stellen haar geprivilegieerde positie op politiek en financieel vlak te consolideren en van de meerderheid een minderheid te maken. Dit soort federalisme is gedoemd om te verdwijnen. Deze staatshervorming zal het ontbindingsproces van de staat niet tegenhouden, integendeel. Deze staatshervorming is immers het resultaat van bedrog en leugen. Het begon met het bedrog van het geheim akkoord over de 2,4 miljard voor de Franstaligen en het eindigt vandaag opnieuw met bedrog, want van de belofte dat alles zou worden opgelost in een allesomvattende fiscale autonomie komt niets terecht. Op een cynische manier wordt vandaag aangetoond hoe een man, Guy Verhofstadt, alle principes overboord heeft gegooid voor het eersteministerschap, hoe hij het Vlaamse belang schaamteloos opoffert op het altaar van de Belgisch-Franstalige belangen, hoe hij vergeet dat hij hierover ooit een en ander behartenswaardigs heeft neergeschreven in zijn zogenaamde burgermanifesten. In dat soort federalisme hebben wij nooit enig heil gezien. Het heeft trouwens geen zin mordicus een huwelijk in stand te willen houden waarin beide partners in een permanente staat van paranoia verkeren en elkaar wederzijds bedriegen. In plaats van zo'n huwelijk koste wat het kost in stand te willen houden, in plaats van een nieuwe staatshervorming op papier te zetten, was beter de scheidingsakte uitgeschreven. Ook wij willen een sereen en kalm gesprek, maar niet over de toekomst van het land, maar over het verleden. Een gesprek over de boedelscheiding die er, staatshervorming of niet, hoe dan ook komt.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Hoewel dit debat bezwaarlijk zeer interessant kan worden genoemd, wens ik de rapporteurs te danken. Dankzij hun verslag kunnen we weten wat er op het spel staat, een opsomming maken en de argumenten en tegenargumenten afwegen.

De ecologisten zullen dit ontwerp van bijzondere wet net als in de commissie goedkeuren. Het ontwerp sluit aan bij artikel 1 van de Grondwet dat bepaalt dat BelgiŽ een federale staat is, samengesteld uit de gemeenschappen en de gewesten. Philippe Moureaux heeft reeds onderstreept dat deze specifieke structuur de charme en het belang van dit kleine en boeiende land uitmaakt. Enkele weken geleden heb ik een Franse journaliste naar aanleiding van een debat in het Frans Parlement over autonomie voor Corsica enkele uren onderhouden over de complexiteit van ons land.

De complexiteit van dit land, zijn systeem, de opeenvolgende institutionele hervormingen van 1970, 1980, 1988, 1989 en 1993 hebben betrekking op de evolutie naar een federale Staat die is samengesteld uit gemeenschappen en gewesten, die elk hun eigen bevoegdheden hebben. Tijdens de opeenvolgende hervormingen is gebleken dat deze federale structuur evolutief is. We bevinden ons in een evolutie en we moeten ons afvragen of ze niet alleen wenselijk is, maar ook houdbaar, om niet te spreken over duurzaamheid ervan. Het is niet onze opdracht een prognose over de duurzaamheid te doen. Wat de houdbaarheid betreft zijn de ecologisten daarentegen van mening dat zowel in de voorliggende tekst als in de tekst die in de Kamer wordt behandeld een evenwicht aanwezig is.

Men kan de draak steken met de Costa. Niet de inhoud, maar het resultaat is van betekenis. We moeten dus over het ontwerp van bijzondere wet oordelen. We kunnen de inhoud ervan afwegen tegen de denksporen die enkele jaren geleden naar voren werden geschoven. Landbouw, buitenlandse handel en de regionalisering van de organieke gemeente- en provinciewet maken niet voor de eerste keer hun opwachting in dit debat.

Ook in de teksten die werden opgesteld naar aanleiding van de Sint-Michielsakkoorden van 1993 is er sprake van een regionalisering van de gemeente- en provinciewet. Wie niet van slechte wil is, moet beseffen dat de regionalisering van landbouw toen werd afgeremd en dat men eigenlijk verder wilde gaan. Men wou zoveel mogelijk blijven bij de kern van een "goed begrepen" federalisme, namelijk de realiteit van de landbouw in WalloniŽ, Vlaanderen en Brussel. Philippe Moureaux heeft in zijn gemeente minstens ťťn boerderij. Dat hebben we in de Costa opgestoken.

Ik zal het niet hebben over de provinciewet omdat ik betreur dat ik mijn wens om de provincies af te schaffen niet verder heb doorgedreven. Ik behoor tot diegenen die van mening zijn dat daar kan worden bespaard. De provinciale bevoegdheden kunnen naar andere niveaus worden overgedragen. Ik hoop dat met name in deze assemblee hierover kan worden gedebatteerd.

Mochten de taalgrens en de gemeenten met een bijzonder statuut niet bestaan, dan zou er geen enkel probleem zijn gerezen met betrekking tot de gemeentewet. Gelet op de werking van de gewesten en de rol die ze spelen in de financiering van en het toezicht op de gemeenten, is een overheveling van de organieke wetgeving logisch. Voor de gemeenten met een bijzonder statuut moest dus een systeem worden gevonden, waarvan de uitwerking juridisch complex was. In de commissie is soms gesproken over de esthetiek van de redactie van de teksten. Het is inderdaad moeilijk om sommige artikelen met betrekking tot bepalingen inzake beperkingen en garanties in ťťn keer te lezen. Dat neemt niet weg dat in de teksten een aantal belangrijke en noodzakelijke waarborgen werden afgebakend. De gelijke behandeling, de standstill-clausules en de beroepen inzake de gekozenen, kortom de garantiebepalingen, werden in het ontwerp opgenomen. Ze komen voor in de bepalingen van de tekst en in het verslag. Dit is een belangrijk element want de kwaliteit van de tekst wordt erop beoordeeld.

Een spreker heeft vandaag de wens geuit dat de problematiek van de sociale zekerheid in het ontwerp zou worden opgenomen. Het feit dat dit onderwerp niet wordt aangesneden zorgt juist voor het waardevolle evenwicht in dit ontwerp. Tegenover de kritiek die wordt geuit, moeten we kijken naar het bereikte evenwicht, zonder te vergeten dat dit ontwerp niet kan worden losgekoppeld van het ontwerp betreffende de herfinanciering en de fiscale autonomie.

Ten slotte kom ik bij de Lombard-akkoorden en de mechanismen die voor het Brussels Gewest worden ingesteld. Ik heb reeds verwezen naar artikel 1 van de Grondwet. Ik heb de onderhandelingen over het Brussels Gewest vanop een afstand gevolgd. Ik ga niet in op de gevolgde methode want het resultaten zijn goed, te meer daar de voorgestelde mechanismen binnen het gewest werden bedacht.

De discussie is zeker niet op een ideale manier gevoerd en het federale niveau heeft zich te veel gemengd. Toch verheugt het mij dat de Brusselaars onderling een consensus hebben kunnen bereiken over principes inzake de werking van de democratie. Democratie is meer dan het principe "een man, een vrouw, een stem"; er moet ook met andere belangrijke principes worden rekening gehouden. In de akkoorden over Brussel wordt werk gemaakt van de bescherming van alle minderheden en er worden mechanismen ingesteld die de blokkering of de verlamming van de gewestinstellingen moeten verhinderen.

De leefbaarheid van het Brussels Gewest op korte termijn wordt gewaarborgd door het Lombard-akkoord, de herfinanciering van sociale materies, de minimumvertegenwoordiging van Vlamingen in de Brusselse instellingen en het zeer fijne systeem van Vlaamse vertegenwoordiging in de gemeenten, dat aanvankelijk geen deel uitmaakte van het akkoord, maar later via een amendement werd toegevoegd. Als dit amendement ertoe kan bijdragen dat het ontwerp in zijn geheel wordt goedgekeurd, dan beschouw ik het als een essentieel element.

De heer Frans Lozie (AGALEV). - In 1993 werd het Sint-Michielsakkoord goedgekeurd met de steun van onze fractie, vanuit de oppositie. We werden niet beloond voor onze steun. Ik noem dit het verraad van Dehaene. Een politiek woord blijft een politiek woord. Vandaag voeren wij, als regeringspartner, datgene uit waarover we destijds ons woord hebben gegeven.

Het gaat echter om veel meer dan om politieke consequentie. Een deel van het Sint-Michielsakkoord was nog niet uitgevoerd, namelijk de uitvoering van de overheveling van de organieke wetten van gemeenten en provincies. Dit wordt nu - eindelijk - geregeld. Bovendien komt er een betere bevoegdheidsverdeling op het vlak van landbouw en buitenlandse handel. Deze staatshervorming is niet alleen belangrijk omwille van de herziening van de financieringswet, maar ook omwille van de wijzigingen in de bevoegdheidsverdeling.

Het Brusselse luik in deze hervorming is bijzonder belangrijk voor het goed functioneren van onze instellingen. Vooral het invoeren van een deblokkeringsprocedure is een noodzakelijke maatregel van zelfbescherming van de democratie. Ondertussen wordt de politieke positie van de Vlaamse minderheid in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest en in beperkte mate ook in de Brusselse gemeenten versterkt.

De landbouwhervorming sluit beter aan bij de huidige realiteit. Landbouwbeleid is thans vooral enerzijds een zaak van Europa en anderzijds van het geregionaliseerde economische beleid. Omwille van de pijnlijke ervaringen van de voorbije jaren op het vlak van voedselveiligheid is het zeer belangrijk dat de federale minister van Volksgezondheid de volle verantwoordelijkheid krijgt voor het bewaken van onze voedselveiligheid. Daarmee bevestigen wij de terechte stelling dat het bewaken van de voedselveiligheid alleen kan steunen op criteria van volksgezondheid, en dat deze veiligheid niet langer ondergeschikt mag zijn aan economische belangen. Deze hervorming zorgt er dus voor dat Europa haar bevoegdheden ten volle kan laten spelen. We hebben er geen probleem mee dat de regio's die het economische beleid bepalen, hun volle verantwoordelijkheid kunnen nemen op voorwaarde dat - en dit staat in het huidig ontwerp - de volksgezondheid op het federale niveau maximaal gewaarborgd blijft.

Een tweede belangrijk thema is de overheveling van de organieke wetten voor gemeenten en provincies. Dit gebeurt met het volste respect voor de vastgelegde taal- en gewestgrenzen en met het volste respect voor de bestaande taalregelingen. Ik betreur dan ook ten zeerste dat in de Brusselse rand onder Franstalige inwoners van Vlaanderen ten onrechte de angst wordt gecreŽerd dat deze Franstaligen door de boze wolf van de Vlaamse overheid in hun rechten zouden worden bedreigd.

Ik hoor vooral opmerkingen in de voorwaardelijke zin. Er wordt een bepaalde sfeer gecreŽerd. Deze angst houdt geen steek. Het is evident dat wanneer dit doemscenario zich in de toekomst ooit toch zou kunnen voordoen, dit het einde van een vreedzame samenleving van verschillende gemeenschappen in dit land zou betekenen, en wellicht ook het einde van dit land als dusdanig. Zelfs al is Vlaanderen ten volle bevoegd voor wat de Franstalige aanwezigheid in de Vlaamse gemeenten betreft, indien de Vlaamse regering het zou wagen om de rechten van deze Franstaligen teniet te doen, zou dit niet in alle rust kunnen gebeuren. De democratie zal altijd blijven spelen en ik begrijp bijgevolg niet waarom deze angst wordt gecreŽerd.

Ik blijf dan nog even stilstaan bij de Brusselse problematiek. Een eerste aspect daarbij betreft de bescherming van de democratie. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd de politieke aanwezigheid van de Vlamingen op regeringsniveau in het verleden reeds terecht gegarandeerd. De regelgeving hieromtrent hield echter het risico in dat de instellingen bij de voordracht van kandidaat-regeringsleden konden worden geblokkeerd. Er is nu gezocht naar een oplossing die de gewone werking van de instellingen niet op de helling zet, maar die een instrument levert om een blokkering te voorkomen. Deze regeling is creatief, uniek, apart, misschien zelfs origineel en ze verdient wellicht geen schoonheidsprijs, maar ze heeft de grote verdienste dat een dergelijk instrument er eindelijk komt.

Een tweede aspect betreft de toenemende politieke invloed van de Vlaamse minderheid in de Brusselse gemeenten. Sommige Vlamingen hadden voor de gemeenten wellicht nog meer verwacht. De kunst bestaat er echter in dit te realiseren in akkoord met de Franstaligen. De heer Moureaux verweerde zich vanmorgen in zijn uiteenzetting tegenover de kritiek van de Franstaligen dat het gemakkelijk is luid te roepen en krachtige termen te gebruiken. Volgens hem bestaat de kunst erin aanwezig te zijn en ervoor te zorgen dat de democratische rechten, in zijn geval van de Franstaligen en zijn gewest, bewaard blijven en dat er tijdens de onderhandelingen in alle rust en kalmte stapsgewijs een akkoord wordt bereikt.

Hetzelfde geldt voor de Vlamingen en de Vlaamse regio. Ik ben van mening dat de tijd nog niet rijp is om in dit dossier een definitieve oplossing uit te werken. Niemand zal ontkennen dat de negentien Brusselse gemeenten de kans van de fusies gemist hebben, maar de groeiende samenwerking tussen de gemeenten, onder meer de politiesamenwerking, heeft volgens mij een proces op gang gebracht dat vroeg of laat moet eindigen in een herverkaveling, misschien zelfs in een volledige fusie van de negentien gemeenten. De toekomst zal dit uitwijzen. Op dat ogenblik zullen de politieke rechten van de Vlaamse minderheid onvermijdelijk structureel worden gegarandeerd.

Een derde aspect heeft te maken met de bewering dat dit akkoord werd afgekocht. Deze kritiek begrijp ik niet. Toen er in onze hoofdstad enkele jaren geleden geregeld rellen uibraken - Anderlecht is nog voor wat anders bekend dan voor het voetbal - ging iedereen ermee akkoord dat een echte oplossing van de problemen slechts mogelijk was na een grondige sanering en vernieuwing van het grootstedelijk weefsel.

Iedereen weet dat de grootstedelijke stadskernvernieuwing handenvol geld kost. Deze hervorming verwerpen omdat er een beetje extra geld naar Brussel gaat, is in het licht van de grootstedelijke problematiek dan ook onverantwoord. In de toekomst zullen onze grote steden nog veel meer middelen moeten krijgen om de kwaliteit van hun leefomgeving te verbeteren. Ik maak mij geen zorgen over dat extra miljard voor Brussel. Zij zal er nog vele nodig hebben, willen we een leefbare hoofdstad krijgen.

Het advies van de Raad van State in verband met Brussel is ontgoochelend. In ons land met zijn verschillende gemeenschappen kan pas vreedzaam worden samengeleefd als de minderheden extra worden beschermd. Het inbouwen van garanties voor de Vlaamse minderheid in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, maakt een absolute toepassing van het gelijkheidsprincipe onmogelijk. De bescherming van minderheden is een afwijking van dit principe. Ik verwijs hierbij naar de specifieke maatregelen voor sommige gemeenten rond Brussel en voor de Duitse Gemeenschap. Ik betreur dat de kritiek van de Raad van State betrekking heeft op een element dat wordt ingevoerd om de democratische werking van onze instellingen te verdedigen.

Ten slotte wil ik het hebben over de ontwikkelingssamenwerking. De bijzondere wet biedt de mogelijkheid om op termijn een deel van de bevoegdheden over te hevelen naar de gewesten en de gemeenschappen. Wij wensen op dit vlak niet overhaast tewerk te gaan. Niets belet de gewesten en de gemeenschappen immers om nu reeds binnen de hen toegekende bevoegdheden hun verantwoordelijkheid ten opzichte van de armste landen op te nemen. Bovendien heeft de administratie voor ontwikkelingssamenwerking pas een revolutionaire hervorming ondergaan. Het is politiek onverantwoord deze dienst overhaast te splitsen.

De begroting van ontwikkelingssamenwerking is tot op heden nog steeds ontoereikend. We kunnen niet aanvaarden dat dit beperkte budget nogmaals wordt versnipperd. Er kan pas van een echt succes worden gesproken indien elke overheid van ons land erin slaagt het drastisch te verhogen.

(Voorzitter: mevrouw Sabine de Bethune, eerste ondervoorzitter.)

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Als enige echte regionalistische partij die bij het akkoord betrokken is, staan wij zwaar onder druk, zowel van binnen als van buiten de partij. Ik wil graag van deze gelegenheid gebruik maken om mijn verhaal te doen. Als voorzitter van de Costa heb ik, weliswaar als lid van de oppositie, een bijzondere rol kunnen spelen in de totstandkoming van het akkoord.

Iemand had het daarstraks over Sinterklaas. Als er dan al iemand in Sinterklaas heeft geloofd, dan waren het degenen die hebben gemeend dat de spierballenpolitiek die tijdens de vorige regeerperiode in het Vlaams Parlement werd gevoerd, enige vooruitgang op het politieke vlak tot gevolg zou hebben. Het resultaat was dat we ons vůůr de verkiezingen in een patsituatie bevonden. Enerzijds waren er een aantal Vlaamse partijen die de vijf resoluties in het Vlaams Parlement hadden goedgekeurd. Anderzijds was er het Waalse "njet", dat tot gevolg had dat er op het einde van de vorige regeerperiode geen verklaring tot herziening van de Grondwet kwam. Toch hebben we getracht in dit kader een staatshervorming tot stand te brengen.

Na de verkiezingen zegden velen dat onze partij een sleutelpositie innam met het oog op de vorming van een meerderheid. Er was een mogelijkheid om een asymmetrische constructie tot stand te brengen, met aan Vlaamse kant VU, VLD, CVP en aan Waalse kant PRL en PS. De CVP was daartoe bereid en dus ook bereid de PSC aan de kant te laten staan. Maar een tweederde meerderheid kon zo niet worden gegarandeerd. Die meerderheid was er wel in de huidige regeringsformule. De Volksunie heeft dan ook geprobeerd om als lid van de Vlaamse regering te wegen op het federale regeerakkoord.

Daar zijn drie elementen uit voortgekomen. Om te beginnen waren er de vier "valiezen" in het federale regeerakkoord. Die wogen niet zwaar. In de eerste valies zaten de consensuspunten van de Senaat. Daarover werd in deze vergadering een verslag gemaakt. Het betrof punten zoals de gemeente- en provinciewet en technische punten van regionale fiscaliteit. We hadden de Costa als instrument. De financiŽle nood van Franstalig BelgiŽ konden we als hefboom gebruiken om dynamiek te brengen in dit proces. Dat gaf geen voldoende garanties, maar er zat wel enige dynamiek in deze constructie.

Na de regeringsvorming kwamen eerst de Sint-Elooisakkoorden. Die gaven de indruk dat de hefboom waarover we beschikten om dit verhaal tot een goed einde te brengen, namelijk de Franstalige vraag naar meer middelen, was aangetast. Die akkoorden hadden in elk geval tot gevolg dat ťťn Vlaamse regeringspartij, de mijne, zwaar onder druk kwam te staan en tot vandaag instabiel is geworden. De kiemen van de problemen van vandaag zijn daar voor een stuk gezaaid. Sint-Elooi gaf een beetje zuurstof aan het Franstalige onderwijs, terwijl een nieuwe long nodig was.

De Costa is van start gegaan. Het was geen ijskastoperatie. We zijn erin geslaagd het Franstalige njet om te buigen in enige bewegingsmarge. In de "eerste valies" zat eigenlijk niet zo veel: een tandenborstel en een slipje als het ware. Toch hebben we uit die discussies de dossiers buitenlandse handel en landbouw gesleept, die helemaal niet in het federale regeerakkoord waren opgenomen.

Nadien begonnen de Lambermontgesprekken. Vandaag is hier reeds verschillende keren gezegd dat vooral de roep van Franstalig BelgiŽ voor meer middelen is ingelost. Ik spreek dit tegen. Niet alleen WalloniŽ heeft meer middelen nodig, ook Vlaanderen. De BTW-krimpdotatie is ook voor Vlaanderen op termijn onhoudbaar. De verdringing van gewestmateries door gemeenschapsmateries, met inbegrip van de daarvoor noodzakelijke middelen, was onhoudbaar geworden, evenzeer als de normale verloning van de onderwijssector en het welzijnswerk. Daarom spreek ik de bewering tegen dat wij meer middelen geven ten koste van Vlaanderen. Die middelen worden verdeeld op een basis die voor Vlaanderen zeker niet onvoordelig is. Integendeel!

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Het uitgangspunt van de heer Vankrunkelsven is dat Vlaanderen absoluut extra middelen nodig heeft. Hij heeft bij de regeringsvorming, als toenmalig voorzitter van zijn partij, gekozen om toe te treden tot de Vlaamse regering, maar niet tot de federale. Hij verklaarde zich toen wel bereid eventuele hervormingen te steunen. Zijn premisse is evenwel onjuist: de Vlaamse regering heeft 260 miljard beschikbaar om het beleid te voeren dat gevoerd moet worden. De heer Vankrunkelsven heeft een verkeerde keuze gemaakt met de Vlaamse regering. Nu zeggen dat, als gevolg van die verkeerde keuze, extra middelen nodig zijn, vind ik politiek niet correct. Sommige leden van de meerderheid, onder wie de SP-voorzitter, zeggen nu zelfs dat Lambermont nodig is om het kijk- en luistergeld te kunnen afschaffen. Het is niet op die wijze dat een staat ernstig wordt hervormd.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik heb niet gezegd dat wij deze middelen op korte termijn nodig hebben. Ik heb het over een termijn van 20 jaar. Zonder die extra middelen zou Vlaanderen in 2020 over 564 miljard beschikken. Dankzij Lambermont komt daar 170 miljard of 30% bij. Aan Waalse zijde gaat het om respectievelijk 350 miljard, 80 miljard en 23%. Er worden dus niet alleen meer middelen gegeven aan Franstalig BelgiŽ, maar ook de voor Vlaanderen nadelige verdeelsleutel wordt veranderd.

Daarnet is gezegd dat alle kinderen gelijk moeten worden behandeld, vooral wat onderwijs betreft. Als we vandaag in BelgiŽ als index 100 nemen, krijgt een Franstalige leerling 104% van de middelen. Een Franstalige leerling krijgt 11.000 frank meer dan een Vlaamse. Ik heb die dotaties, die tot vandaag gelden, niet goedgekeurd. In 2011 zal een Vlaams kind evenveel krijgen als een Franstalig kind. Daarna zal de meer welvarende regio meer middelen kunnen besteden aan onderwijs. Toch zal een belangrijke solidariteit blijven bestaan, maar daartoe ben ik bereid.

Over de fiscale autonomie wordt gezegd dat ze beperkt is. Na 20 jaar zullen de gewesten eindelijk volledig bevoegd zijn voor de gewestbelastingen. Ook de fiscale autonomie inzake personenbelasting is niet gering. De gewesten krijgen een volledige tariefautonomie: ze mogen opcentiemen heffen en kortingen toestaan. Ze kunnen, naar gelang van hun bevoegdheden, aftrekken of vermeerderingen toestaan ten belope van 45 miljard. Samen zullen de gewesten een autonomie van 60% hebben, in plaats van 25% nu. Voor het Vlaams Gewest zal het om 184 miljard frank gaan. Er kan dus niet gezegd worden dat die fiscale autonomie niets betekent.

Ook de gemeente- en de provinciewet wordt geregionaliseerd. Vlaanderen krijgt de mogelijkheid om een eigen binnenlands beleid te voeren inzake samenstelling, organisatie, bevoegdheden en werking van de provinciale en gemeentelijke instellingen, inclusief de benoeming van de burgemeesters en de gouverneurs, die in feite commissarissen worden van de Vlaamse en de Waalse regering.

Verder zijn er de mogelijkheid om de grenzen van provincies en gemeenten te wijzigen, de regeling van intercommunales en federaties van gemeenten, de organisatie van de verkiezingen, het tuchtstelsel van de burgemeesters, ook in de rand. Tot spijt van wie het benijdt, zitten daar ook de kerkfabrieken bij, waar de CVP in het Vlaams Parlement eerst volledig achter stond en op het ogenblik dat het moet gerealiseerd worden in dit Parlement, grijpt de CVP alle mogelijkheden aan om deze vorm van autonomie tegen te houden. Waarom was het Sint-Michielsakkoord dan zo moeilijk? In 1993 was er immers afgesproken om een werkgroep samen te stellen. Ik denk dat Vlaanderen toen twee eisen had gesteld: ofwel valt Brussel buiten de overdracht, ofwel is er de mogelijkheid dat er in Brussel een dubbele meerderheid wordt gecreŽerd, zodat er een garantie bestaat dat de ordonnanties daar getoetst worden aan de meerderheid van de Vlamingen. Ik durf te stellen dat er naast de andere, bestaande garanties in elk geval een goedkeuring moet zijn van eventuele ordonnanties aan ook Vlaamse zijde. Ik kom daar straks nog op terug.

Er is vandaag al veel gesproken over de problemen die door de Raad van State werden opgeworpen. Een CVP'er vergeleek de leden van de Raad van State met tuinkabouters, wat ik niet zou durven doen, omdat ik denk dat de Raad van State uit eminente juristen bestaat, die ook zo verstandig zijn om in hun advies een deel van de oplossing te geven. Over artikel 162 hebben zij inderdaad gezegd dat de grondwetgever - een tijdje geleden, bij de bespreking van artikel 184, zijn wij opgetreden als grondwetgever - in het verleden niet altijd even duidelijk is geweest. Ook wordt gezegd dat de stelling-Alen, volgens dewelke de vermelding "wet" in de Grondwet vooral tot doel heeft een onderscheid te maken tussen de uitvoerende en de wetgevende macht en niet zozeer tussen het federale en het regionale niveau, in de loop van de voorbije jaren niet werd bijgetreden door de grondwetgever. Ik denk dat de Raad van State daarin gelijk had en dat wij dit uitvoerig hebben rechtgezet bij de bespreking van het grondwetsartikel 184 met betrekking tot de rijkswacht. Ik denk dat we, samen met de regering in haar commentaar, voldoende geantwoord hebben op deze opmerkingen van de Raad van State.

Voorts is er de overdracht van landbouw en buitenlandse handel. Volgens onder meer het Vlaams Blok zou de overdracht van de landbouw enigszins beperkt zijn. Ik wil er toch op wijzen dat, behoudens alles wat met de voedselveiligheid te maken heeft (DG 4 en DG 5), alle andere bevoegdheden, zoals onderzoek en alles wat met landbouweconomie te maken heeft (DG 3, DG 2 en DG 6), worden overgeheveld. De Boerenbond, een organisatie die de CVP niet onbekend is, schrijft dat de voorbereiding en de opvolging van het gemeenschappelijke landbouwbeleid (DG 2 en DG 3) alleen aan een federaal minister toekomt, die ondersteund wordt door een eigen bevoegde administratie en dat alleen deze federale minister op elk ogenblik de Belgische belangen op landbouwgebied kan verdedigen. Het gaat om bevoegdheden die beantwoorden aan de definitie van het behoud van de economische unie binnen BelgiŽ, aangezien het in hoofdzaak gaat om inkomens-, markt- en prijsbeleid. Deze bevriende organisatie van de CVP is dus heel ongelukkig met deze volgens hen veel te vergaande overheveling van landbouw naar de regio's.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Ze waren in 1980 ook niet gelukkig. Dat is nu eenmaal de politieke verantwoordelijkheid.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Tot in de Costa hebben een aantal mensen van de CVP deze stelling van de Boerenbond onderschreven.

De buitenlandse handel is al zowat drie maal theoretisch overgeheveld naar de regio's, maar door de bemoeienissen van een aantal mensen die zich niet ver van hier, aan de overzijde van het park bevinden, is dit altijd voor een stukje teruggeschroefd. Vandaag is de Belgische Dienst voor de Buitenlandse Handel volledig ontmanteld. Er zullen inderdaad nog Belgische missies kunnen zijn, als elk van de drie gewesten daarmee akkoord gaat. Ik zal niet verhelen dat heel wat Vlaamse bedrijven ook vinden dat een Belgische missie, in het gezelschap van de Prins, in een aantal landen inderdaad een toegevoegde waarde kan betekenen en ik was dan ook nooit van plan deze mogelijkheid teniet te doen. Voor het overige zullen de gewesten autonoom aan een beleid voor de buitenlandse handel kunnen werken.

Ook Vlaanderen, dat daarover vijf resoluties goedkeurde, wilde een regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking. Bij de CVP hoor ik nu een totaal andere klok. Ook op het terrein bestaat heel wat weerstand tegen de overheveling. Ik heb daar begrip voor. Ik vind het ook goed dat een werkgroep zich zal buigen over deze overheveling, die aan een drietal voorwaarden moet beantwoorden: meer middelen voor ontwikkelingssamenwerking, meer efficiŽntie op het terrein en meer betrokkenheid van de bevolking. Op die manier zullen we er in dit land waarschijnlijk in slagen om eindelijk af te komen van de beschamende 0,35 procent van het BNP die we vandaag aan ontwikkelingssamenwerking besteden.

Het Brusselse luik ten slotte. Ik vind het hallucinant dat op het ogenblik dat we realiseren waarvoor de Vlaamse beweging en een aantal Vlaamse partijen al decennia lang strijden, er nu op bepaalde banken een storm van protest opstijgt. We krijgen een schepen met bevoegdheden, waarschijnlijk in alle gemeenten. Hij zal deel uitmaken van de meerderheid. (Uitroepen bij het Vlaams Blok). Want stel u voor, mijnheer Van Hauthem, dat we in een Brusselse gemeente een gemeenteraadslid van het Vlaams Blok schepen moeten maken, die zou pas bevoegdheden krijgen. We hebben gekozen voor een andere formule: een schepen die deel uitmaakt van de meerderheid en waarvan we veronderstellen dat hij een aantal bevoegdheden zal krijgen. In elke politieraad zal gemiddeld ťťn Nederlandstalige zetelen. We realiseren bijna twintig procent gewaarborgde vertegenwoordiging in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Inzake de overdracht van de gemeente- en provinciewetten komt er een toetsing aan de Vlaamse meerderheid die in bepaalde omstandigheden gereduceerd kan worden tot eenderde-meerderheid. (Uitroepen). Kan iemand zich voorstellen dat ťťn derde van de Vlamingen op een bepaalde ogenblik akkoord zal gaan met een ordonnatie die tegen het Vlaamse belang indruist?

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Leg me nu eens uit waarom u de dubbele meerderheid hebt opgegeven?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - De voornaamste reden is dat bepaalde politieke partijen deze dubbele meerderheid hebben misbruikt om politieke spelletjes te spelen. (Uitroepen bij de CVP en het Vlaams Blok)

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Wie heeft daar misbruik van gemaakt?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft men op een bepaald ogenblik de goedkeuring van een verdrag geblokkeerd.

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Wie heeft dat gedaan? De Volksunie en de VLD. Dat zijn precies de partijen die nu de dubbele meerderheid afschaffen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Inderdaad. Omdat cruciale ordonnanties die indruisen tegen het Vlaamse belang, nooit door ťťn derde van de Vlamingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zullen worden goedgekeurd.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - We hebben al andere zaken meegemaakt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Dat zal nooit gebeuren, daar ben ik van overtuigd. Er zijn overigens nog andere blokkeringen mogelijk op het niveau van de Brusselse regering. We kregen ook de garantie dat geen ordonnanties goedgekeurd zullen worden die indruisen tegen de bestaande waarborgen.

De staatshervorming is een continu proces, een never ending story.

Daarnet werd opgemerkt dat een natie een voorbijgaand begrip is. Als we de politieke landkaart van Europa van de jongste eeuwen bestuderen, moeten we beseffen dat staten voortdurend in beweging zijn, vroeger vaak als resultaat van geweld en de jongste decennia alsmaar meer als gevolg van rationele en onderhandelde beschouwingen, zoals in TsjechiŽ, Slovakije, CataloniŽ, Vlaanderen en WalloniŽ.

De initiatiefnemers van vele staatshervormingen hebben vaak het voornemen gehad de toestand definitief te beslechten. Dit was en is een illusie, zeker in het Europa van morgen.

In de Europese context zullen we de volgende decennia nog vaak debatteren over het niveau waar de bevoegdheden het best worden toegekend om het meest efficiŽnte bestuur te realiseren. Kompetenzabgrenzung is een begrip dat de jongste maanden niet onbekend is op Europees niveau.

Ik besluit. De uitdaging is dat Vlaanderen, WalloniŽ en Brussel met een eigen instrument volgens eigen inzichten en naar eigen economische realiteit een aangepaste politiek kunnen voeren. Voor mij is dit akkoord een stap, in volle respect en in solidariteit met elkaar, op weg naar sterke en welvarende regio's in een federaal BelgiŽ en een federaal Europa.

De heer Ludwig Caluwť (CVP). - Het voorliggend ontwerp illustreert perfect hoe schraal de Lambermontakkoorden wel zijn. Sommigen noemen het historisch, maar tijdens de staatshervormingen van 1980, 1988 en 1993 werden belangrijke bevoegdheden overgeheveld naar de deelstaten voor in totaal meer dan 1.000 miljard. Nu worden overgeheveld: 3 miljard voor landbouw, 600 miljoen voor buitenlandse handel, 2,3 miljard voor Lotto-middelen, 1 miljard trekkingsrechten, of samen 7 miljard en minder dan 1% van de bevoegdheden die de deelstaten reeds hebben. Dat noemt men dan een historisch akkoord!

De bevoegdheden die worden overgeheveld zijn inderdaad terug te vinden in de vragenlijstjes en verkiezingsprogramma's van de Vlaamse partijen, maar meestal ergens achteraan, terwijl ze bovenaan geplaatst zijn in de verkiezingsprogramma's van de Franstalige partijen.

We zouden dit akkoord historisch hebben kunnen noemen, indien men het gezinsbeleid en het gezondheidsbeleid, wat alle partijen van het Vlaams Parlement, op Agalev na, als prioritair beschouwen, had vooruitgeschoven. In dat geval zou geen 7 miljard zijn overgedragen, maar 700 miljard. Dan zou men inderdaad hebben kunnen gewagen van een historisch akkoord.

Met wat men nu doet, baat Vlaanderen noch WalloniŽ. Professor De Wachter, die onze instellingen reeds geruime tijd als onafhankelijk waarnemer volgt, deed deze uitspraak nog vorig weekend.

Als men ons land gezonder wil maken, een betere verhouding tussen de deelstaten wil bereiken en ervoor wil zorgen dat de twee gewesten hun eigen beleid kunnen voeren en zich zelfstandig verder kunnen ontwikkelen volgens wat voor hen noodzakelijk is, moet men belangrijker onderdelen van het sociaal beleid overhevelen.

Dit akkoord is een prutsakkoord zonder visie op wat dit land echt nodig heeft. Men zal opwerpen dat met het financieel ontwerp toch heel wat middelen worden overgedragen. Dat klopt maar voor het eerst in de geschiedenis van onze staatshervorming worden er middelen overgedragen zonder bijbehorende bevoegdheden, zomaar als een gift. Bovendien vergroot deze overdracht de transfer tussen het noorden en het zuiden van ons land. Na jaren - 12 jaren volgens sommigen - komen we wel terug in de huidige situatie, maar zitten we we nog altijd maar in de huidige situatie. Een wijs staatsman, de grijze eminentie van de Volksunie, noemt dit de grote vooruitgang. Ik heb al meermaals gehoord hoe deze man, die vaak de Hollandse rekenkunde beoefent, op die manier akkoorden verdedigt en probeert ze er met de karwats door te jagen. De heer Schiltz doet het dus nog steeds: uitleggen dat men vandaag wat toegeeft om na 12 jaar terug op het huidige niveau te komen en dit bestempelen als een grote vooruitgang, een grote doorbraak op het gebied van de transfers.

Als ik concreet de bevoegdheden bekijk die dan toch worden overgeheveld, dan sta ik ervan versteld dat men nog steeds niets heeft geleerd, ook niet uit het rapport dat de Senaat heeft opgesteld. Nog altijd worden heterogene en geen homogene bevoegdheidspakketten overgeheveld. Als de overheveling van landbouw iets kan worden verweten, dan is het wel de heterogeniteit ervan. Hoe zal het hele systeem worden geÔnterpreteerd met het oog op de beveiliging van de voedselketen? Dat kan heel ruim, maar ook heel beperkt. Welke interpretatie moet er worden gegeven aan het feit dat de BIRB, die volgens de wet bevoegd is voor het uitvoeren van het hele Europese landbouwbeleid, onder de federale overheid blijft ressorteren? In de memorie van toelichting staat dat ook het prijs- en inkomensbeleid integraal federaal blijft en toch hoor ik sprekers hier zeggen dat het landbouwbeleid in substantiŽle mate wordt overgeheveld. Ik kan alleen maar besluiten dat ons veel conflicten te wachten staan, dat het voor de landbouwer bijzonder moeilijk wordt te weten wie waarvoor verantwoordelijk is en dat het vooral voor advocaten een goede zaak zal zijn. Het Arbitragehof zal veel arresten moeten vellen. De landbouwer is daar niet mee gebaat.

Hetzelfde probleem rijst in de zeevisserij, die integraal naar het Vlaamse Gewest wordt overgeheveld, zonder dat daaraan de bevoegdheid over de zee is gekoppeld. Hoe zal dat werken? Op 5 april 2001 heeft de Vlaamse Milieuraad in een advies ervoor gepleit het Vlaams Gewest op het vlak van leefmilieu de bevoegdheid over de zee te geven, omdat de huidige verdeling niet werkbaar is. Precies dezelfde verdeling wordt nu ingevoerd voor de zeevisserij. Dit zal in de praktijk al evenmin werken en aanleiding geven tot tal van bevoegdheidsconflicten en juridische betwistingen.

Dan is er de gemeentewet. Ook deze overheveling is aan allerlei beperkingen onderworpen. Onze goede collega Cheron heeft in de commissie de overheveling verdedigd als een goede zaak, omdat het Waals Gewest dan stadsgewesten kan oprichten. Uit het ontwerp blijkt echter dat dit niet mogelijk is, dat aan het instituut provincie en gemeente niet kan worden getornd en dat er dus geen stadsgewesten kunnen worden opgericht.

Alle gemeenten moeten op gelijke voet worden behandeld, maar de burgemeesters van de faciliteitengemeenten krijgen een bijzondere behandeling: zij kunnen immers extra beroep aantekenen bij de Raad van State. Als ze bijvoorbeeld geen rekening houden met de omzendbrieven van de Vlaamse regering, dan zullen ze geen tuchtsanctie oplopen.

Men heeft het vaak over de grote Vlaamse verworvenheden van het Lambermont- of het Lombardakkoord, meer bepaald over het gewaarborgd aantal Vlaamse parlementsleden in de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en in de politieraden. Deze aangelegenheid was evenwel al eerder opgenomen in het Brussels regeerakkoord. Als dit akkoord niet werd nageleefd, dan zouden de gemeenschapscommissies niet de voorziene 1 miljard ontvangen. De zo vaak verguisde minister Chabert blokkeert nog steeds het miljard tot het akkoord wordt uitgevoerd.

Ook de aanwezigheid van Vlamingen in de politieraden werd bij de wijziging van artikel 184 van de Grondwet verzekerd. Dat moet geen tweede keer worden betaald.

Alleen de schepenen, die er misschien in twee Brusselse gemeenten kunnen bijkomen, is nieuw. Maar daarvoor moet 1 miljard extra worden betaald en moet de dubbele meerderheid worden prijsgegeven.

De heer Vankrunkelsven was zo eerlijk toe te geven dat de CVP nooit misbruik maakte van de dubbele meerderheid. De CVP zal de dubbele meerderheid pas gebruiken als de belangen van de Brusselse Vlamingen in het gedrang komen. Ze zal geen oppositiespelletjes spelen. Toen `vader' Anciaux, om redenen die me nog altijd niet duidelijk zijn, op een bepaald moment uit de Brusselse regering stapte en de CVP en de SP geen meerderheid meer hadden zag de VLD de kans schoon om een oppositiespelletje te spelen en om het Verdrag van Amsterdam in de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie te blokkeren.

Wij betreuren nog altijd dat de heer Leo Goovaerts geen lid meer is van de Senaat. Als lid van de Brusselse Hoofdstedelijke Raad kon hij dat oppositiespelletje niet appreciŽren. Hij wilde het verdrag van Amsterdam niet saboteren, maar twee heren van de VLD dwongen hem de partij te volgen. Die twee heren waren zijn fractiegenoot in de Brusselse Raad en zijn partijvoorzitter. De ene is ondertussen minister in de Brusselse regering, de andere eerste minister. De heer Goovaerts zelf, die zich toen zo redelijk opstelde, is aan de kant gezet en uit de VLD-fractie gestoten. Klap op de vuurpijl is dat de twee heren die destijds misbruik maakten van de dubbelemeerderheidsregel, precies degenen zijn die die regeling vandaag willen afschaffen. Zij willen definitief uitsluiten dat anderen nog op het snode idee komen dat ze zelf destijds hebben bedacht. Het kan verkeren! Het hele verhaal zegt voor mij vooral heel veel over die personen. Het is trouwens niet het enige in zijn soort.

De staatshervorming van vandaag is het verhaal van de woordbreuk van de VLD. Voor de verkiezingen keurden ze met enige aarzeling in het Vlaams parlement de resoluties goed over de splitsing van de sociale zekerheid. Ze aarzelden want ze gingen voor de VLD namelijk niet ver genoeg. Op partijcongressen pleitte de VLD zelfs voor de complete overheveling van de personenbelasting, van grote delen van de sociale zekerheid. De CVP kreeg van de VLD het verwijt veel te gematigd te zijn. De VLD zou zich verzetten tegen elke poging om een regering te vormen zonder dat er voorafgaandelijk een groot communautair akkoord zou worden gesloten.

Na de verkiezingen heeft de VLD-top al die resoluties van VLD-congressen, al die beloften, al die aankondigingen ingeslikt om toch maar eens de zitjes op het Martelarenplein en in de Lambermont te mogen bezetten. In de Lambermont hebben ze de Franstaligen bij de regeringsvorming en nadien om het even wat beloofd om de gegeerde functies toch maar te kunnen uitoefenen.

Eenzelfde windhaangedrag zien we bij de overheveling van de gemeentewet. Het grootste verwijt dat we deze ontwerpen kunnen maken, is hun ongrondwettigheid. De Raad van State noemt alvast de regionalisering van de gemeentewet ongrondwettig. Hij doet dat op basis van de standpunten die zijn ingenomen bij de stemming over de verklaring tot herziening van de grondwet. De CVP verdedigde toen dat deze regionalisering kon zonder grondwetsherziening, de VLD nam bij monde van Patrick Dewael een ander standpunt in. Hij schreef een amendement om artikel 162 toch in de verklaring tot herziening van de grondwet op nemen. Het is letterlijk zijn amendement dat de Raad van State nu aangrijpt om te zeggen dat de voorgestelde overheveling naar de gewesten in strijd is met de Grondwet. Het is natuurlijk geen toeval dat de Raad van State zich baseert op standpunten ingenomen tijdens de discussie over die verklaring tot herziening. Dat heeft alles te maken met de procedure van grondwetsherziening. De verklaring tot herziening wordt opgemaakt voor de verkiezingen, de kiezers spreken zich daar vervolgens over uit. Pas nadien brengt de nieuwe ploeg, als ze daarvoor een voldoende grote meerderheid vindt, de verklaring tot herziening ten uitvoer.

De CVP, die voorstander was van een regionalisering zonder een grondwetsherziening, heeft de verkiezingen verloren, terwijl de VLD, die voorstander was van een regionalisering met grondwetsherziening, de verkiezingen won. Maar wat zien we vandaag? Er komt een regionalisering zonder grondwetsherziening, wat de Raad van State terecht als kiezersbedrog bestempelt.

De meerderheid heeft al meer dan eens gezondigd tegen de Grondwet. Eens gezondigd, lijkt het niet zo moeilijk om de zonden op te stapelen. Na de Sint-Elooiswet die in strijd was met de Grondwet, kwam de regering met de overheveling van de gemeentewet en vervolgens met het Brussel-akkoord. Daarover heeft de Raad van State in zijn advies waarvoor het amper tijd kreeg, gezegd dat het in strijd is met niet minder dan zes artikelen van de Grondwet. Wat doet de regering: ze stapt gezwind over die kritiek over.

Ik ben een groot voorstander van een drastische en uitgebreide staatshervorming. Ik ben echter ook een constitutionalist, een legalist en een democraat. Vandaag wordt bijzonder veel gesproken over de democratie en het gevaar dat ze bedreigt. Meer dan twintig jaar geleden, op zeventienjarige leeftijd, kreeg ik belangstelling voor de politiek. Ik volgde de debatten over het Egmontpact. Op 11 oktober 1978 bood de toenmalige eerste minister verontwaardigd het ontslag van zijn regering aan omdat hij onder druk werd gezet om de Grondwet naast zich neer te leggen. Hij wilde niet dat latere avonturiers zijn voorbeeld zouden kunnen volgen. De man is later nooit meer eerste minister geworden. Zijn woorden zijn me echter altijd bijgebleven. Ze waren een pedagogisch voorbeeld. De zeventienjarigen van vandaag krijgen van de huidige eerste minister zo geen voorbeeld te zien. Wat zien zij? Zij zien een eerste minister, en een meerderheid, die aan de macht is gekomen op basis van een leugen over leerlingaantallen en over financiŽle middelen die onder tafel worden doorgegeven. Die leugen heeft de heer Vankrunkelsven het partijvoorzitterschap van de Volksunie gekost en zal misschien wel aanleiding geven tot de splitsing van die partij. Misschien was dat wel de perfide bedoeling van sommigen. Vandaag zien we een eerste minister en een meerderheid die alles doen om toch maar aan de macht te blijven. De eerste minister doet het tegenovergestelde van wat hij voor de verkiezingen heeft aangekondigd en wat door zijn partij op congressen werd goedgekeurd. De eerste minister en de meerderheid zijn niet beschaamd om akkoorden te sluiten die door de partijvoorzitter van een meerderheidspartij perfide maar efficiŽnt worden genoemd. De eerste minister en de meerderheid proberen krampachtig dit akkoord erdoor te krijgen. Daarvoor gebruiken ze chantage en oefenen ze druk uit. Degenen die twijfelen, worden meteen op dezelfde lijn geplaatst als extreem-rechts. De kleine Franstalige oppositiepartij die door de meerderheid meestal belachelijk wordt gemaakt, wordt nu onder druk gezet. Indien er geen meerderheid voor dit akkoord wordt bereikt, zal het haar schuld zijn dat de leraars niet worden uitbetaald, zo luidt het. Ik zei het al, wie lessen geeft in democratie, moet zelf zuiver op de graat zijn.

Ik vraag de eerste minister en de meerderheid dan ook om deze waanzinnige vertoning te stoppen waardoor ze zich de schaamte kunnen besparen van het niet vinden van een meerderheid. Ze kunnen zich in het komende half jaar beter concentreren op het Belgische EU-voorzitterschap om dan in 2002 een verklaring tot herziening van de Grondwet op te stellen en verkiezingen uit te schrijven zodat de kiezers een oordeel kunnen vellen. Na de verkiezingen kunnen er dan nieuwe onderhandelingen komen teneinde een diepgaander akkoord te sluiten met meer visie, dat voordeliger is zowel voor Vlaanderen als voor WalloniŽ, en waarvoor bijgevolg een groter draagvlak zal bestaan. Dat is de enige manier om de eer alsnog te redden.

Mevrouw Iris Van Riet (VLD). - Ik wens nog even te reageren op de uitspraken van de heer Caluwť die het bochtenwerk van de CVP in de vorige regeerperiode blijkbaar vergeten is. De CVP verdedigde toen de zogenaamde stelling-Alen volgens welke een bevoegdheidsoverheveling naar de gemeenten bij bijzondere wet mogelijk was.

Deze staatshervorming is voor de VLD ook geen eindpunt, maar slechts een stap naar meer bevoegdheden voor Vlaanderen en naar een grotere fiscale autonomie voor de deelgebieden.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Ik stel vast dat niet alleen de eerste minister schittert door zijn afwezigheid, maar dat ook de minister bevoegd voor Institutionele Aangelegenheden afwezig is. De regering heeft de minister van Economie gestuurd, met wie ik overigens naar aanleiding van de akkoorden over Brussel heb mogen onderhandelen.

De regering is zo cynisch geweest de twee ontwerpen over de twee assemblees te spreiden. Hierbij zal de Kamer, die op veel mediabelangstelling kan rekenen en waar de nodige tweederde meerderheid misschien niet kan worden gehaald, eerst over de herfinanciering van de gemeenschappen en de fiscale autonomie debatteren. De bijna stalinistische druk van de media werd opgedreven om aan iedereen te verkondigen dat de Franstaligen het cadeau dat hen wordt geboden met de herfinanciering van de Franstalige Gemeenschap moeten aanvaarden. De Senaat, die minder mediabelangstelling geniet, moet over het belangrijkste discussiŽren, namelijk de prijs die moet worden betaald. Het is een ruilhandel: voor wat, hoort wat. Om het in Bijbelse termen te zeggen: in de Kamer wordt gesproken over een bord linzen, in de Senaat over het eerstgeboorterecht. De prijs die moet worden betaald voor de herfinanciering van de gemeenschappen, en dus ook van de Franstalige Gemeenschap, is zeer hoog. Om die reden distantiŽren we ons van beide ontwerpen. De Volksunie heeft een prijs gevraagd voor haar rol bij de totstandkoming van de akkoorden. Ik heb met veel belangstelling geluisterd naar de toespraak van de fractieleider van de Volksunie die zich met name verheugde over de regionalisering van de gemeente- en provinciewet. Hij zei dat een wijziging van de grenzen mogelijk zou worden, dat de burgemeesters van de randgemeenten gemakkelijker in het gareel konden worden gehouden en dat ze commissarissen van het Vlaams Gewest zouden worden. Mijn collega Barbeaux zal omstandig uit de doeken doen dat de regionalisering van de gemeente- en provinciewet ongrondwettig is. Mijn collega van de Volksunie bevestigde dat de regionalisering van landbouw reeds lang een feit was, maar nog niet in een vaste vorm was gegoten. Hetzelfde geldt voor de regionalisering van de buitenlandse handel waarover hij zei dat mensen van de overzijde van het park - in veronderstel dat hij de koninklijke familie bedoelde - zich hiertegen hadden verzet.

De heer Vankrunkelsven heeft erkend dat het niet vanzelfsprekend was om de regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking door iedereen te doen aanvaarden.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Hij zei dat de budgetten moesten worden verhoogd.

Mevrouw Magdeleine Willame-Boonen (PSC). - Dat is niet het enige wat hij heeft gezegd. Volgens mij is de prijs die moet worden betaald veel te hoog.

Aangezien verschillende leden van onze fractie de werkzaamheden in de commissie hebben gevolgd, hebben we het werk verdeeld.

Ik zal het hebben over de regionalisering van de buitenlandse handel, de Plantentuin van Meise en de Lombard-akkoorden, waarvoor ik als Brusselse die meer dan tien jaar in de Brusselse Hoofdstedelijke raad heeft gezeteld, bijzondere interesse heb getoond.

Buitenlandse handel staat in voor 75% van de Belgische rijkdom. Dit om aan te geven hoe belangrijk de sector is en dat we bij deze hervorming voorzichtig tewerk moeten gaan. We kunnen ons niet van de indruk ontdoen dat de verdere regionalisering, die nu voorligt, enerzijds een beetje onvoorzichtig is en anderzijds niet is ingegeven door enige bezorgdheid voor efficiŽntie. Ik verwijs naar de woorden van de heer Vankrunkelsven, die het had over een continu proces. Hij had het over TsjechiŽ en Slovakije en de wil om rijke gewesten te creŽren. Hij kon niet duidelijker zijn. Deze regionalisering werd dus enkel ingegeven door de bundeling van de Vlaamse opmars naar onafhankelijkheid en de wil van de Franstalige socialisten om hun greep op hun gewest te verstevigen. De voorgestelde regionalisering is overigens paradoxaal omdat ze geen rekening houdt met de echte uitdagingen van de Belgische buitenlandse handel. Bovendien is ze niet door de sector zelf gewenst omdat ze ingaat tegen de belangen van de exportbedrijven, net zoals de regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking ingaat tegen de belangen van de actoren in die sector. Ten slotte is ze contraproductief omdat het geplande Agentschap voor buitenlandse handel tot verlamming is gedoemd. In de commissie heb ik een uitvoerige analyse gemaakt van het samenwerkingsakkoord. Ik hierop nog terug.

Deze hervorming is paradoxaal omdat het niet de bedoeling is om nieuwe bevoegdheden naar de gewesten over te hevelen, maar wel om het federale niveau te verhinderen op dit domein op te treden. Het wordt elke mogelijkheid tot coŲrdinatie en promotie ontnomen. Wel zal het instaan voor de financiŽle garanties voor de export. Als het op betalen aankomt, is er geen probleem! Vlaanderen wil zelf instaan voor de promotie van zijn buitenlandse handel, maar wil wel blijven rekenen op de federale financiŽle buffer. Dit is consumptiefederalisme, geen samenwerkingsfederalisme.

Bovendien is het buitenlandse handelsbeleid rechtstreeks verbonden met de promotie van het imago van ons land in het buitenland. BelgiŽ verliest een deel van zijn zichtbaarheid omdat de federale overheid zich niet meer in de promotie mag mengen en er een probleem met de loketten dreigt te ontstaan omdat de betrokkenen zich tot een loket in het noorden, centrum of zuiden van het land zullen wenden.

Dat is waarschijnlijk het doel van sommige voorstanders van de hervorming.

Het is frappant dat de gewesten niet meer bevoegdheden krijgen en dat toch de federale bevoegdheden worden geschrapt. Precies daarom is deze hervorming niet echt gewenst door de actoren op het terrein.

Vandaar de vragen: waarom deze hervorming? Wat is de toegevoegde waarde? Wie is vragende partij? De heer Moureaux is hier vanochtend snel overheen gegaan en heeft mij niet duidelijk gemaakt wat de toegevoegde waarde van de regionalisering is. Het antwoord is eenvoudig: er is er geen. Deze hervorming is een eis van de Vlaamse nationalisten die worden bijgestaan door de Waalse socialisten. De heren Dewael en Van Cauwenberghe voeren ťťn strijd. De bedrijven hebben zich tegen de hervorming verzet omdat ze geen toegevoegde waarde met zich meebrengt en, integendeel, contraproductief is. De belangen van de bedrijven, die de motor van de buitenlandse handel zijn, had de leidraad moeten zijn, maar de partijpolitieke belangen hadden de overhand. Mochten de bedrijven onoverkomelijke problemen hebben gekend die enkel door een institutionele hervorming hadden kunnen worden opgelost, dan hadden we dit gehoord en hadden we iets kunnen doen. Dit is niet het geval. Het is niet het federale niveau - de BDBH of de Delcrederedienst - dat voor de problemen zorgt. De problemen komen vanuit de ideologische benadering van het dossier, die mijlenver staat van de realiteit op het terrein.

Dit standpunt wordt bevestigd door een enquÍte die de VZW B+ van onze liberale collega de Clippele bij Belgische exportbedrijven heeft gehouden. Hieruit blijkt dat de afschaffing van de BDBH ten voordele van een agentschap met onvoldoende menselijke en financiŽle middelen niet aangewezen is, dat "made in Belgium" een merknaam is in een context van scherpe internationale concurrentie en dat de grootste exportcontracten konden worden binnengehaald dankzij de federale diplomatie en de verwijzing naar het imago van onze producten en diensten in het buitenland.

Nadat de heer de Clippele had aangetoond dat de integrale regionalisering van de buitenlandse handel niet aangewezen is, waarvoor hij in de economische pers ruimschoots aandacht heeft gekregen, hebben we in de commissie niets meer van hem gehoord en nu heb ik vernomen dat hij het ontwerp zal goedkeuren. Ik verwacht niet dat hij zich zal onthouden. Zijn standpunt komt echter overeen met dat van de voormalige voorzitter van de PRL-FDF-MCC-federatie, Louis Michel. Het verkiezingsprogramma van 1999 van deze partij was inzake buitenlandse handel zeer duidelijk. De PRL vernietigt BelgiŽ ten koste van de bedrijven. Paradoxaal genoeg wordt op het ogenblik dat het federale instrument voor de promotie van de buitenlandse handel wordt afgeschaft, in een samenwerkingsakkoord in alle haast een substituut gecreŽerd. Er komt dus een nieuwe instelling met minimale opdrachten. Ze zal drie zaken kunnen doen: gezamenlijke missies organiseren, de gewesten informatie verstrekken en andere taken vervullen, als hierover binnen de raad van bestuur eensgezindheid kan worden bereikt. Dat is het beroemde consensusprincipe van de regeringen.

De missies onder leiding van prins Philippe zijn dus aan de willekeur van ťťn gewest overgeleverd.

Tot onze grote verbijstering ontdekken we in dit samenwerkingsakkoord schatten als blokkeringen, veto's, beslissingen bij eenparigheid of consensus, zodat we het eerder moeten hebben over een akkoord van niet-samenwerking. Er is in geen enkel verzoenings- of arbitragemechanisme voorzien. Wat zal er gebeuren als ťťn gewest niet akkoord gaat? Het staat in de sterren geschreven dat het systeem bij de minste oprisping van een van de partners zal vastlopen, waardoor de afschaffing ervan snel zal worden gerechtvaardigd.

Wat zullen de bedrijven met vestigingen in meerdere gewesten doen? Ze zullen met een overvloed aan gesprekspartners en initiatieven worden geconfronteerd wat zal leiden tot een verspilling van menselijke en financiŽle middelen. Bovendien neem ik aan dat ze in Brussel voor een taalrol zullen moeten kiezen. Dit belooft niet veel goeds voor het vrije ondernemen in dit land. Het zou niemand mogen verwonderen dat een bedrijf dat in dit bureaucratisch systeem via een formulier in drievoud een appel vraagt, een peer krijgt.

Wie zal instaan voor het toezicht op de beslissingen en de niet-beslissingen van het agentschap? De minister van Economie? Bij wie moeten de ondernemingen klagen als hun belangen met voeten worden getreden?

Hoe kan ten slotte de leefbaarheid van een agentschap met maximum 50 personen worden verzekerd met een budget van 100 miljoen voor de lonen, de inrichting, de gegevensbank en de buitenlandse missies? Ik heb de indruk dat dit agentschap is opgericht om niet te functioneren. Er zijn oneindig veel middelen om de werking te blokkeren, maar geen om de werking te garanderen. Het samenwerkingsakkoord kan "Kroniek van een aangekondigde mislukking" worden genoemd. De directeur-generaal van Awex heeft op 17 mei 2001 trouwens verklaard dat naar verluidt het Waals Gewest zou kunnen bijdragen in de financiering van de BDBH. Volgens hem zou eerder personeel moeten worden overgeheveld naar de geregionaliseerde agentschappen dan wel naar het federale agentschap. De boodschap is dus duidelijk: het toekomstig agentschap moet worden gesaboteerd.

De inspiratie voor het samenwerkingsakkoord inzake buitenlandse handel werd gevonden bij Kafka en Marx, Groucho Marx welteverstaan.

De Plantentuin van Meise zal administratief worden opgedeeld tussen de federale Staat, die op miraculeuze wijze de wetenschappelijke collectie van het herbarium en de bibliotheek wist te behouden, en de Vlaamse Gemeenschap. Eens te meer wordt ťťn van onze roemrijke instellingen opgesplitst en eens te meer gaat de Vlaamse Gemeenschap met het leeuwendeel lopen. In het samenwerkingsakkoord staat dat de Vlaamse Gemeenschap niet alleen de stuwende kracht achter de toekomstige wetenschappelijke raad zal zijn, maar ook oververtegenwoordigd zal zijn in de toekomstige raad van bestuur. Op een totaal van acht leden zal er slechts ťťn, of maximum twee, een Franstalige zijn. Deze opsplitsing is symbolisch omdat het akkoord eens te meer aangeeft hoe weinig belang de meerderheid aan grondwettelijke principes hecht. Wie aanvaardt dat de gemeenschappen zelf een samenwerkingsakkoord sluiten waarin zij bepalen wat federaal moet blijven, geeft op voorhand toe het akkoord waarin dit voorzien wordt, ongrondwettig is.

Bevinden we ons niet in een tijd waarin alles mogelijk is, en dit ten koste van alle grondwettelijke plichten?

Dit debat is ook symbolisch omdat het aangeeft hoe onmachtig de Franstaligen in de regering zijn.

De PSC is niet tegen de Lombard-akkoorden gekant om het plezier van tegen te zijn: we hechten echter zeer veel belang aan de toekomst van het Brussels Gewest, die overigens helemaal niet is verzekerd. Wie het tegendeel beweert, zou beter de realiteit onder ogen zien. Wij vroegen een gewaarborgde herfinanciering van het Brussels Gewest. De ministers Grijp en Simonet hebben gesteld dat voor een goede werking van het gewest 11 miljard nodig is. Er werd echter ook over 18 miljard gesproken. Er is niet echt gesproken over de noodzakelijke herfinanciering. Wij vroegen ook dat de minderheden op gelijke voet worden behandeld binnen en buiten de 19 gemeenten.

De voorzitters van de Franstalige partijen hebben zich er, misschien vroegtijdig, toe verbonden de rand niet te laten vallen. De heer Vankrunkelsven verheugt zich over de regionalisering van de gemeentewet en de wijziging van de grenzen en de wijze waarop de burgemeesters zullen kunnen worden aangepakt. Het is schandalig dat de minderheden aan weerszijden niet op gelijke voet worden behandeld.

Er werd ons gezegd dat we ons tevreden moeten stellen met wat in het regeerakkoord staat en dat we het schip niet mochten overladen. De Lombard-akkoorden bevestigen volgens ons dat bepaalde principes en waarden, die voor een partij als de onze van fundamenteel belang blijven, worden verloochend: respect voor de Grondwet (ik verwijs naar het advies van de Raad van State), respect voor het gelijkheidsbeginsel (gelijkheid tussen Brusselaars, tussen minderheden, gelijke behandeling tussen de gewesten), de bevordering van fundamentele democratische waarden, dit wil zeggen de wil van de kiezer, en de bevordering van het parlementaire systeem.

Deze principes worden in de Lombard-akkoorden grondig met voeten getreden. Voor ons moeten alle kiezers gelijk zijn. De PSC kan begrip opbrengen voor de verzuchtingen van de Vlaamse fracties om vlotter te kunnen werken binnen de Brusselse raad, maar we aanvaarden de gevonden oplossing niet. Tussen de verzuchting voor een minimumvertegenwoordiging en een gegarandeerde vertegenwoordiging van 20% ligt niet alleen een semantisch verschil, maar een democratische afgrond.

Een Vlaams parlementslid zal met 3.600 stemmen kunnen worden verkozen, een Franstalig met 5.000. De Franstalige inwoners hebben ťťn stem, de Nederlandstalige anderhalve. Dit is een terugkeer naar het cijnskiesrecht.

Volgens de PSC moeten alle minderheden dezelfde waarborgen krijgen. Vrezen de Vlaamse Brusselaars misschien dat een meerderheid van de regionalisering van de organieke gemeentewet gebruik zal maken om hun representativiteit in de gemeentelijke instellingen te verminderen? De Lombard-akkoorden geven hen een vetorecht voor alle toekomstige wijzigingen. Kortom, in het Brussels Gewest kunnen wij nauwelijks genieten van datgene waarover de heer Vankrunkelsven zich verheugt. Als zijn vrees legitiem is, waarom krijgen de Franstalige minderheden en meerderheden in de rand niet dezelfde waarborgen? Het is een intellectuele doodzonde om het lot van alle minderheden niet aan elkaar te binden, vooral omdat ze enkele honderden meters van elkaar wonen. Ik woon in Sint-Pieters-Woluwe, op ongeveer vijfhonderd meter van Kraainem waar 85% Franstaligen wonen. Ik weet dat het bodemrecht en de Vlaamse beweging belangrijk zijn, maar dat een Franstalig en Nederlandstalig parlementslid zich door een verschillend aantal kiezers kunnen laten verkiezen en dat bovendien voor de rand niets uit de brand werd gesleept, gaat te ver.

De voorzitter van het FDF heeft voorgesteld de randgemeenten en de 19 Brusselse gemeenten aan de regionalisering van de organieke gemeentewet te onttrekken. Dit lijkt mij een wijze toepassing van het gelijkheidsbeginsel. We zullen zien wat het FDF uiteindelijk doet.

Natuurlijk moet een oplossing worden gevonden om een eventuele blokkering van de instellingen te vermijden. De PSC-onderhandelaars hebben zelfs originele voorstellen gedaan waardoor het Vlaams Blok kon worden geneutraliseerd doordat mandatarissen van extreem rechts dankzij een coŲptatiesysteem geen parlementslid konden worden. Indien nodig konden tien Brusselse parlementsleden, zes Franstaligen en vier Nederlandstaligen worden gecoŲpteerd uit een unieke lijst die met drie vierden van de stemmen moest worden aangenomen. Dit voorstel werd verworpen, hoewel het de coŲptatie van Vlaams Blokkers onmogelijk maakte. Het systeem dat werd uitgewerkt om de blokkering van de Brusselse gewestinstellingen tegen te gaan en het mechanisme om de Vlaamse vertegenwoordiging te verhogen, houdt de promotie van nieuwe parlementsleden van het Vlaams Blok geenszins tegen. Van de twintig nieuwe Vlaamse parlementsleden zijn er zes Vlaams Blokkers: twee in de gewestraad, ťťn in de VGC en drie in het Vlaams Parlement. Dit is onaanvaardbaar op een ogenblik dat het fascistisch, haatdragend en vrijheidsberovend discours met alle middelen wordt bestreden.

Dit brengt mij bij de Nederlandstalige schepen. Alhoewel ze 10 tot 15% van de bevolking uitmaken krijgen de Brusselse Vlamingen recht op een schepenzetel en een vetorecht op het gemeentelijk beleid. Dit is onrechtvaardig tegenover andere minderheden, die soms groter zijn. Het is ook onrechtvaardig tegenover de huidige meerderheden die moeten worden herzien aangezien de regeling waarover we stemmen in principe onmiddellijk van kracht zal zijn. Bovendien laat men doorschijnen dat deze meerderheden niet genoeg oog hebben voor de Nederlandstaligen. Ten slotte wordt onrecht gedaan aan de geest van een harmonieuze samenleving in Brussel.

(Voorzitter: de heer Armand De Decker.)

Deze formule zal eerder leiden tot monoculturele lijsten. Dit is pluspunt voor het model van multiculturele samenleving dat we in Brussel willen bevorderen. Volgens een recent artikel in Le Soir stelt Meester Uyttendaele dat er een grens is aan de slechte smaak. Een Vlaamse schepen van rechtswege is volgens hem democratisch een totale mislukking.

Ten slotte klagen we de inflatie aan van het aantal parlementsleden in ons gewest aangezien we morgen van 75 naar meer dan 100 gaan. Het zijn er zelfs 108 als de opvolgers voor de gewestministers worden meegeteld. Tijdens de onderhandelingen werd op een gegeven moment voorgesteld twintig parlementsleden (tien Nederlandstaligen en tien Franstaligen) toe te voegen, waardoor het aantal op 95 zou komen. In voorliggend ontwerp zijn we opgeklommen naar 108 leden, waaronder 31 Nederlandstaligen. In het Waalse Gewest en de Franstalige Gemeenschap worden we reeds geconfronteerd met regeringen van pygmeeŽn; morgen krijgen we in Brussel een parlement van lilliputters.

Tijdens de debatten over de oprichting van het Brusselse Gewest in 1988 stelde de PRL nog een vermindering voor tot 49 rechtstreeks verkozen leden omdat leden in overbevolkte assemblees gedemotiveerd raken. In 1988 had de PRL het dus over 49 leden; vandaag spreken we over 108 leden.

Deze akkoorden zijn voor Brussel onverteerbaar. Het is trouwens veelzeggend dat Philippe Moureaux voor de camera's van Tťlť-Bruxelles de schuld voor de toegevingen aan de Vlamingen in de schoenen van de liberalen heeft geschoven. Simonet kreeg de schuld voor het instellen van de Vlaamse schepen en Louis Michel krijgt de verantwoordelijkheid voor de niet-ondertekening van de kaderconventie van de Raad van Europa. De rest is navenant. Ik begrijp dus waarom deze akkoorden de Lambermont ter-akkoorden worden genoemd.

Wat is de toekomst van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest? De PSC lag samen met de PS en het FDF aan de basis van dit gewest. Wij hebben het samen met onze Nederlandstalige Brusselse collega's ontwikkeld, tegen de zin van onze noorderburen in. De recentste akkoorden, Lambermont en Lombard, vormen een echte bedreiging voor Brussel. Het gewest wordt aanzienlijk "gedefinancierd", de solidariteit met de rand neemt af en de Vlaamse partijen krijgen meer greep op de politieke beslissingsinstellingen. Ten slotte komen er zes bijkomende "Blokkers" in het Parlement, en worden de voorwaarden gecreŽerd voor een grotere vervreemding en confrontatie tussen Franstaligen en Vlamingen in Brussel.

Iedereen is het erover eens dat het Brussels Gewest moet worden geherfinancierd om de financiŽle leefbaarheid op korte en middellange termijn te garanderen. Dat zal de volgende stap zijn. Waar wacht de meerderheid op om deze herfinanciering vanaf vandaag in de staatshervorming op te nemen? Ik stel met spijt vast dat de huidige meerderheid de weg effent voor een situatie waarin de Brusselaars morgen of binnen vijf jaar de Vlamingen om bijkomende financiŽle middelen moeten vragen en tot elke toegeving bereid zijn. De heer Moureaux heeft gezegd dat hij bereid is over alles te praten behalve over de splitsing van de sociale zekerheid. Ik heb mevrouw Onkelinx en de heer Vandenbroucke horen zeggen dat het grote gevaar van het gepalaver over de sociale zekerheid de regionalisering ervan is.

De splitsing van de sociale zekerheid zal de volgende stap zijn en justitie zal volgen. BelgiŽ zal alleen zijn schuld, zijn leger en het buitenlandse beleid overhouden, kortom een lege doos.

Waar is uiteindelijk de beweging die gestreden heeft tegen het separatisme en die werd gesteund door de voorzitter en heel wat Franstaligen van deze assemblee?

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID) (persoonlijk feit). - Ik stel mevrouw Willame voor samen een ronde langs de VU-afdelingen te doen om mijn populariteit wat op te krikken. Maar als ik word geciteerd, heb ik graag dat het correct gebeurt. Mevrouw Willame beweert dat ik enkel over een welvarend Vlaanderen heb gesproken. Ik heb gesproken over welvarende regio's. Ik bedoel daar alle regio's mee. Ik ben ervan overtuigd dat de problemen in WalloniŽ en Brussel andere oplossingen behoeven dan in Vlaanderen en omgekeerd. Ik heb evenmin gezegd dat we op weg zijn naar een Vlaamse onafhankelijkheid. Ik ben integendeel een echte federalist, zowel op Belgische als op het Europese niveau, al weet ik niet tot wat dat zal leiden.

De heer FranÁois Roelants du Vivier (PRL-FDF-MCC). - Dit ontwerp van bijzondere wet vormt een belangrijke nieuwe stap in de federalisering van ons land. Tegelijkertijd spreekt de Kamer van Volksvertegenwoordigers zich uit over het ontwerp van bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen.

Sommigen wilden de beide ontwerpen van bijzondere wet aan elkaar koppelen. De regering verwacht ongetwijfeld ook dat de parlementsleden van de meerderheid zich op dezelfde wijze uitspreken over beide ontwerpen. Daarmee is de politieke context geschetst.

Ik wil er namens mijn partij nogmaals op wijzen dat de toekomst van de Walen en van de Franstalige Brusselaars in de Franse Gemeenschap ligt. Die moet dan ook worden versterkt, want ze is de enige garantie voor de Franstalige eenheid. De herfinanciering van de Franse Gemeenschap is dus van primordiaal belang voor de toekomst van het sociale en het onderwijsbeleid. Ik zal dit ontwerp van bijzondere wet volledig steunen, voor zover het het voortbestaan van de Franse Gemeenschap waarborgt.

Namens mijn partij had ik, tijdens de algemene bespreking in de commissie, ernstig voorbehoud gemaakt omtrent het gedeelte over de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet. Ik stelde mij zowel vragen bij de grondwettigheid als bij de definitie van de garanties voor de Franstaligen in de faciliteitengemeenten.

Ik had toen gezegd dat ik erop rekende dat het statuut van de Franstaligen in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut duidelijk zou verbeteren, en dat dit niet alleen in de toelichting van de artikelen tot uiting mocht komen.

Tijdens de bespreking van het ontwerp van bijzondere wet in de Senaat heeft de Costa haar werkzaamheden beŽindigd en is een protocolakkoord gesloten. Mijn partij heeft daar om bekende redenen niet mee ingestemd. De regering heeft amendementen opgesteld, en bij de Senaat ingediend, om het Lombard-akkoord op te nemen in het ontwerp van bijzondere wet. De Raad van State heeft in zijn advies de ongrondwettigheid bevestigd van verschillende amendementen betreffende de nieuwe samenstelling van de Nederlandse taalgroep in het Brussels Parlement, de rechtstreekse verkiezing van de Brusselse leden van het Vlaams Parlement, de verdeling van de zetels in het Brussels Parlement volgens een definitieve sleutel van 72 Franstaligen en 17 Nederlandstaligen en de modaliteiten voor de verkiezing van een voorzitter en ministers van de Brusselse regering. Als parlementslid meen ik dat niet kan worden onderhandeld over de naleving van de Grondwet.

In zijn uiteenzetting na de algemene bespreking heeft de vice-eerste minister een bevredigende definitie gegeven van de waarborgen. Ik verwachtte dan ook dat mijn amendement dat er, weliswaar in een andere formulering, toe strekte deze definitie van de garanties op te nemen in het beschikkend gedeelte van de bijzondere wet, zou worden aangenomen. Het is helaas verworpen, net als mijn andere twaalf amendementen. De verklaring van de regering heeft niet de rechtszekerheid gegeven die mijn partij verwachtte. Ik weet ook dat de toepassing van die garanties onzeker kan zijn, gelet op de realiteit in de randgemeenten.

De bedoeling van de indieners van de tekst is al bij al zeer lovenswaardig en de filosofie van de artikelen is eenduidig en opmerkelijk. De vraag rijst echter welk gevolg zal worden gegeven aan die bepalingen. De reŽle toepassing van de garanties van de artikelen 8, 9 en 10, die bedoeld zijn om de Franstalige minderheid in de rand te beschermen, kan evenwel onzeker blijken.

Andere eenduidige en opmerkelijke garanties zijn in de praktijk ook misleidend gebleken. Die garanties vormen een compensatie voor de regionalisering van de organieke wetten op de lokale overheden. Wij denken dat de goedkeuring van de kaderovereenkomst betreffende de bescherming van de nationale minderheden stevige en onbetwistbare garanties zal bieden.

Bij de bespreking van dit ontwerp in de Senaat is het mij opgevallen dat de uitvoerende macht inzake institutionele hervormingen de overhand genomen heeft op de wetgevende macht. Dit ontwerp van bijzondere wet is overhaast opgesteld en besproken, en het was niet mogelijk enige correctie erin aan te brengen.

De Franstaligen van de faciliteitengemeenten kunnen dus alleen maar hopen dat het Belgische voorzitterschap van de Europese Unie de regering ertoe aanzet de kaderovereenkomst over de bescherming van de nationale minderheden te ondertekenen.

Ik weet dat de tekst die wij vandaag bespreken deel uitmaakt van akkoorden die ook betrekking hebben op de herfinanciering van de gemeenschappen. Mijn partij hecht betekenis aan de toekomst van de Franstaligen in ons land, aan het culturele en het gezondheidsbeleid, aan onderwijs, aan het levenskader van de Franstaligen over twee, vijf, tien of vijftien jaar. Ik kan dan ook niet blind blijven voor de gebrekkige financieringswet van 16 januari 1989 en doof voor de verwachtingen van onze gemeenschap.

Het valt mij op dat zij die in 1989 het einde van de Franse Gemeenschap aankondigden en de toenadering met het Waalse Gewest hebben belet of tegengewerkt, nu kritiek hebben op degenen die voorbehoud maken bij de Lambermont-akkoorden of ze niet blindelings ophemelen. Moeten we ze op hun woord geloven als ze ons een stralende toekomst beloven?

Vanavond bespreekt mijn partij welk standpunt ze zal innemen ten opzichte van de twee ontwerpen van bijzondere wet. Ik kan niet vooruitlopen op die bespreking, maar we zullen ons laten leiden door het algemeen belang.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Ik wil enkele krachtlijnen uiteenzetten waarvan wij zijn vertrokken na drie jaar commissiebesprekingen en vijf resoluties in het Vlaams Parlement. Ik richt mij zowel tot de regering als tot de heer Vankrunkelsven, medevoorzitter van de Costa. De heer Vankrunkelsven had het daarnet over "valiezen", instrumenten en de nood aan bijkomende financiering langs beide kanten van de taalgrens. Volgens mij was hij van in den beginne een reiziger zonder bagage, zonder voertuig en zonder bestemming.

Dat brengt me tot een eerste punt van kritiek. Er kan worden gediscussieerd over de mate van vooruitgang, maar de staatshervorming die nu ter discussie ligt, ontbeert elk concept, elk strategisch inzicht, elke doelstelling om de staat beter te laten functioneren. Ik verwijs naar de eerste resolutie van het Vlaams Parlement. Dat is een platform. Als christen-democraten weten wij dat we uiteindelijk moeten uitgaan van een aantal gemeenschappelijke opvattingen tussen Vlamingen en Franstaligen. Ik ben dan ook niet tegen een compromis. Maar in tegenstelling tot wat we deden in 1980, 1988 en 1993, is dit ontwerp een nog nooit geziene bricolage. In 1980 zijn er duidelijke, coherente bevoegdheden vastgelegd. In 1988 werd een financiering vastgelegd die voor tien jaar zou gelden. In 1993 werden essentiŽle punten van het tienpuntenprogramma, waarover een akkoord bestond tussen de Vlaamse partijen, tot stand gebracht. Er werden eigen instellingen opgericht zoals een Vlaams en Waals Parlement. Op het vlak van de hiŽrarchie van de normen werden exclusieve bevoegdheden ingesteld en inzake buitenlands beleid werd een uniek model ontwikkeld.

De regering is wellicht zeer pragmatisch, maar zonder enig concept te werk gegaan.

Ik vind het zielig en cynisch dat de heer Vankrunkelsven als gegijzelde naar de tribune werd gestuurd. De andere Vlaamse partijen hebben het ontwerp nauwelijks of niet verdedigd. Niemand van de SP heeft het woord genomen in dit debat, behalve de heer Moens als corapporteur. Van de Vlaamse liberalen, die in de resoluties van het Vlaamse Parlement het verst wilden gaan, heb ik een zeer theoretische, korte benadering gehoord. De groenen hebben nauwelijks een bijdrage geleverd aan het debat. Zij besteden nooit veel aandacht aan de goede werking van de staat, wellicht omdat ze de laatste voorstanders van het etatisme zijn. De heer Vankrunkelsven is de tribune opgejaagd als gegijzelde van de andere Vlaamse partijen om de schijn te wekken dat dit akkoord voor de Vlamingen verdedigbaar is.

Het akkoord bevat echter geen enkele strategie, geen enkel concept. Het is op een totaal gefragmenteerde manier gebricoleerd. Als minister van Buitenlandse Zaken is de vice-premier de uitvinder van de theorie van de valiezen. Zoals hij de federale regering heeft tot stand gebracht en de andere regeringen als een afgeleide daarvan heeft gevormd, zo is hij bij dit akkoord te werk gegaan vanuit een Franstalige benadering. Maar hij misrekent zich. Als dit akkoord goedgekeurd wordt, maar daarvan ben ik niet overtuigd en dat zal blijken in de komende uren, zal hij snel tot de vaststelling komen dat het geen stand zal houden bij gebrek aan concept, doelstellingen en strategie.

Mijn tweede belangrijke kritiek slaat op de tweede resolutie van het Vlaamse Parlement. Daarin werd gestreefd naar meer samenhangende bevoegdheden. Nu komt er een overdracht van deelbevoegdheden: een stukje buitenlandse handel - exportpromotie - en een stukje landbouw - want het markt-, inkomens- en prijsbeleid blijft een federale bevoegdheid. Dit zijn peanuts. De regering creŽert ook een unicum in onze institutionele geschiedenis: een bijzondere werkgroep in het kader van een bijzondere meerderheid, niet om de ontwikkelingssamenwerking te bekijken, maar de samenwerkingsontwikkeling, zoals de heer Anciaux zegt. Dit is uiteraard een belangrijke nuance. De essentiŽle punten die in deze fase van de staatshervorming moesten worden aangepakt, namelijk een eigen gezondheidsbeleid, een homogeen gericht familiaal beleid, kwamen zelfs niet ter sprake in de onderhandelingen.

De Vlaamse onderhandelaars zijn op een onverantwoorde wijze omgegaan met de belangen van Vlaanderen. Ik zal nooit zeggen dat de belangen van de ene deelstaat voorrang hebben op die van de andere, want als men ruimte vraagt voor zijn eigen deelstaat, moet men ook de andere deelstaat ruimte geven voor een eigen en gedifferentieerd beleid.

De bevoegdheidsoverdracht van dit ontwerp is minuscuul. Ze doet denken aan het verhaal van een Spaanse herberg, waar mensen binnenkomen en weer buitengaan, waar bevoegdheden uit elkaar worden gehaald, maar waar inzake coherentie en goed bestuur helemaal niet de beoogde doelstelling wordt bereikt.

Tot de Vlaamse partijen wil ik zeggen dat wij in de vorige regeerperiode, in alle openheid, over de grenzen van meerderheid en oppositie heen een consensus hebben gezocht tussen de democratische partijen om ons in staat te stellen waardige en normale onderhandelingen te voeren. De heer Vankrunkelsven heeft geboogd op het feit dat hij, als covoorzitter van de Costa, als het ware bij de federale regering betrokken was. Ik begrijp dat; het is aangenaam. Hij is echter vergeten achteruit te kijken en te zien wat het vertrekpunt was.

De derde grote kritiek heeft te maken met de derde resolutie. Ik zie dat de heer De Grauwe zijn geweten onderzoekt. Dat is goed. Ik wil dat de pogingen worden gestaakt om te overtuigen dat de fiscale autonomie tot stand wordt gebracht. Andere Europese constitutionele deelstaten begrijpen niet waarom de bevoegdheden van de deelgebieden in BelgiŽ niet zijn gekoppeld aan een fiscale verantwoordelijkheid. Het is duidelijk dat de weg is ingeslagen van een absoluut consumptiefederalisme. De 6,75% die we op termijn met eigen middelen aanbrengen betekenen geen fiscale autonomie. Bij de heer Vankrunkelsven en bij sommige Vlaamse partijen is er institutionele amnesie. Zij moeten eens nader bekijken in welke mate andere regio's die veel minder bevoegdheden hebben dan onze deelgebieden, over een autonoom fiscaal systeem beschikken dat onvergelijkbaar is met dat wat wij in de toekomst zullen hebben. Gelooft de vice-premier werkelijk dat, mochten de ontwerpen worden aangenomen, hij de opinie in Vlaanderen zal hebben overtuigd om hiermee in de komende jaren genoegen te nemen? Als hij dat gelooft, leeft hij in een complete illusie. Ik meen dat hij over voldoende inzicht beschikt om te weten dat wat hier voorligt niet alleen minimaal is, maar bovendien contraproductief voor een verantwoord bestuur.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik denk dat de staatshervorming evolutief is, zoals de heer Dehaene reeds zei, en dus geloof ik dat er nog verdere stappen zullen worden gedaan. Ik ben vragende partij om stap voor stap mee te werken. Als de Vlamingen teleurgesteld zijn zullen we verder werken. Ik ben er mij van bewust dat dit niet de laatste stap is.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Ik meen, zoals de vice-eerste minister zei, dat stap voor stap moet tewerk worden gegaan. In 1993 was er zelfs grote commotie toen ik naar aanleiding van het Sint-Michielsakkoord stelde dat dit een fase in de staatshervorming was, dat ik er niet aan twijfelde dat wij naar een confederaal systeem zouden evolueren. Niettemin hebben zowel de heer Verhofstadt als de heer Dewael duidelijk gezegd dat er in deze legislatuur en in de eerstkomende jaren geen verdere stappen zullen worden gedaan in de staatshervorming. We moeten dus wat nu wordt voorgestel afwegen tegenover datgene wat in de tienjarige cycli van de hervorming kan worden gerealiseerd. Ik meen dat het een kapitale fout is, niet alleen langs Vlaamse zijde maar evenzeer langs Waalse zijde, om niet te komen tot een autonomie die gesteund is op fiscale verantwoordelijkheid. Wij christen-democraten moeten vandaag de basis leggen voor een dubbele beweging: de overdracht van een aantal bevoegdheden aan Europa enerzijds en aan de deelstaten anderzijds.

Ik zie in deze hervorming geen enkele stap in deze richting. Het is dus bijzonder pijnlijk dat we met superdotaties blijven leven, dat deze bevoegdheidsoverdracht slechts ťťn procent van de 700 miljard vertegenwoordigt. Deze regering misrekent zich.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Vergeleken met wat tijdens de vorige zittingsperiode gebeurde, is dit een reusachtige stap. Wat hebben jullie toen gedaan? Niets.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Het zou me verbazen dat de heer Michel dit niet zou weten, maar ik zal hem zeggen wat er gebeurd is. In het regeerakkoord van 1992 wilde de toenmalige federale regering de motor zijn van de hervorming. Daar hebben we nu niets van gemerkt. We engageerden ons om binnen de negen maanden een substantieel programma te realiseren. Op ťťn dag na is dit ook gebeurd, namelijk in september 1992 toen het Sint-Michielsakkoord tot stand kwam. We hebben het Sint-Michielsakkoord uitgevoerd in de periode 1992-1995. Ik richt me nu opnieuw tot de Vlaamse partijen. Geen enkele partij vroeg op dat ogenblik nieuwe fundamentele stappen te zetten in de staatshervorming. Maar in onderling akkoord en met de heer Vankrunkelsven als voorzitter, heeft onze commissie, op basis van mijn schrikkelnota van 29 februari 1996, beslist dat we zindelijk moesten werken aan een verdieping van de hervorming van de instellingen in het belang van de mensen en voor een beter bestuur. In de luwte en niet gekoppeld aan een incident, zoals dat in 1988 wel het geval was, hebben christen-democraten, Vlaamse liberalen, democratische nationalisten en socialisten samen een finaliteit willen geven aan de staatshervorming. Wat heeft u gedaan, mijnheer Michel, en wat heeft uw premier gedaan? In een interview in februari 1998 verklaarde hij dat deze staat kapot was en dat de volledige personen- en vennootschapsbelasting naar de deelgebieden moest worden overgeheveld. Dit is het ontwerp van de ontrouw aan de gedachten en de opvattingen van de Vlaamse liberalen, daarin gesteund door de andere partijen.

Ik verwijs onder meer naar het systeem van een Spaanse deelstaat, die om de vijf jaar met de federale staat onderhandelt over de middelen die deze nodig heeft om zijn federale opdrachten te vervullen. Dat was toen ons concept.

Ik heb collega Andrť Denys ervan moeten overtuigen niet de volledige vennootschapsbelasting over te hevelen naar de deelstaten.

De heer Michel heeft kwaliteiten. Dat geef ik grif toe. Hij is een ongelooflijk goede verkoper, maar een verkoper van gebakken institutionele lucht. Hij weet immers goed dat dit systeem geen stand kan houden.

Ik ben nooit voorstander geweest van een hervorming om de hervorming. Regionalisme, federalisme en confederalisme hebben maar zin als wordt voldaan aan een aantal voorwaarden. Ten eerste, ze moeten een toegevoegde waarde opleveren. Ten tweede, ze moeten leiden tot een beter bestuur. Ten derde, ze moeten leiden tot grotere verantwoordelijkheid. Ten vierde, iedereen moet zich erin kunnen terugvinden.

De christen-democraten blijven ervan overtuigd dat in fasen moet worden gewerkt, maar daarbij mag niet worden afgeweken van de route, zoals thans gebeurt.

Op het vlak van de fiscale autonomie heeft de regering een ongelooflijke kans gemist. Ze heeft overwogen de fiscale autonomie van de gemeenschappen tot stand te brengen. Nu wordt een systeem ingevoerd dat ik een minimale en eigenlijk geen fiscale autonomie zou willen noemen. Indien die autonomie zou zijn ingevoerd, zouden we een sleutelmoment hebben ingebouwd, waartoe we volgens mij hoe dan ook zullen komen.

Ons land heeft immers nood aan een fundamentele tweeledigheid. Het onderscheid tussen gemeenschappen en gewesten is om historische redenen op termijn niet houdbaar, noch voor BelgiŽ en noch voor Europa. Samen zullen we onvermijdelijk evolueren naar twee deelstaten, met een specifieke autonomie voor Brussel en voor de Duitstaligen.

In het fiscale systeem dat de regering voorstelt, heeft ze grote hinderpalen ingebouwd. Ze heeft immers geweigerd invulling te geven aan de fiscale gemeenschapsautonomie, die nochtans nadrukkelijk - en niet alleen in de institutionele wetten - is ingebouwd. Bovendien heeft ze het kleine stukje autonomie voor de gewesten opnieuw in een superdotatie gestopt.

Op dit vlak staan we dan ook voor de "plichtige ontrouw" van de Vlaamse partijen. In de eerste dragen de Vlaamse liberalen hiervoor de verantwoordelijk. Eigenlijk zou ik moeten spreken over liberalen tout court, want het wordt moeilijk hoog te houden dat de VLD de belangen van een van de deelstaten genegen is.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - De discussies in het Vlaams Parlement beschrijven de realiteit van het Brussels gewest, dat geen deel is van uw project, waarin twee gemeenschappen deze bijzondere instelling gezamenlijk beheren.

De discussies over de fiscale autonomie en de overdracht van een aantal bevoegdheden stellen de CVP voor problemen. Er zijn in dit land gemeenschappen, maar ook gewesten, waaronder ťťn dat niet kan gezamenlijk beheerd worden of geen specifiek statuut kan hebben dat compleet afwijkt van dat van de andere twee. Uw discours toont aan dat u niet erkent wat in 1989 werd bereikt, namelijk het gewestelijk statuut voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Er zit een eervol element in, in de zin dat u opkomt voor de bescherming van de Vlaamse minderheid. Het erkent het bestaan van een gewest en dat zorgt voor problemen binnen uw denkschema.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Misschien gaat het om telepathie.

Mijn vierde punt van kritiek, samenhangend met de vierde resolutie van het Vlaams Parlement, gaat precies over de Brusselse werkelijkheid. In tegenstelling tot wat mevrouw Nagy suggereert, heb ik nooit gepleit voor een condominium, voor het samen beheren van Brussel. Ik weet wel dat een bepaalde Franstalige pers dat schrijft, maar daarvoor ben ik niet verantwoordelijk. Ik heb er altijd uitdrukkelijk op gewezen dat Brussel eigenlijk een geheel is van verschillende leefkringen. Er zijn de wijken, de pleinen en de straten met de mensen die er wonen, maar Brussel heeft ook eigen specifieke opdrachten op het vlak van de beheersing van de ruimte of het gebrek eraan, van de mobiliteit of de problemen daarmee. Tot slot is Brussel ook de hoofdstad van Vlaanderen en die van de Franse Gemeenschap, de gemeenschappelijke hoofdstad van de twee deelgebieden met bovendien een Europese opdracht. Mijns inziens is het dan ook noodzakelijk om de eigenheid van Brussel te onderkennen en te respecteren, maar ook om een verbondenheid in stand te houden tussen Brussel en de twee deelstaten. Niet om een condominium te creŽren, wel om onze verantwoordelijkheid op te nemen, ook tegenover de vele culturen die in Brussel aanwezig zijn.

Mevrouw Nagy liet het woord "minderheden" vallen. Ik richt me hierbij even tot de voorzitter van de Senaat, die in een vorige periode samen met de heer Clerfayt in de Raad van Europa bepaalde initiatieven heeft genomen. Na de onverkwikkelijke episode met de heer Columberg - waarna men tenminste zou verwachten dat les gens sensťs hebben begrepen dat de Raad van Europa niet zo dom is te geloven dat BelgiŽ een gigantisch probleem heeft van een verdrukte minderheid van Franstaligen in de rand - verwacht ik dat vice-eerste minister Michel toch de zorgvuldigheid aan de dag had gelegd niet opnieuw initiatieven te dekken die nu door de juridische commissie van de Raad van Europa zijn goedgekeurd, die een afgevaardigde stuurt om opnieuw te komen kijken in welke mate de Vlamingen de Franstaligen in Vlaams-Brabant vertrappelen en verdrukken.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Wat heb ik daarmee te maken?

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Het zijn precies mensen van uw partij die dit in gang hebben gezet. Voor sommigen is een van de voorwaarden om dit akkoord goed te keuren dat BelgiŽ ne varietur het verdrag op de minderheden goedkeurt.

De voorzitter. - Ja.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Ik hoor u "ja" zeggen, mijnheer de voorzitter. Dat is belangrijk.

De voorzitter. - Mijnheer Van den Brande, u maakte al twee keer een allusie op mij actie met de heer Clerfayt in de Raad van Europa. Ik ben daar zeer fier op. Les gens sensťs, zoals u ze noemt, moeten weten dat BelgiŽ het verdrag over de minderheden van de Raad van Europa in elk geval zal moeten ondertekenen, vandaag, over vijf jaar, over tien jaar. Anders blijft BelgiŽ alleen over samen met Turkije.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Dit is alleen mogelijk met een uitdrukkelijke bepaling die verwijst naar het institutioneel systeem van de vier taalgebieden. Wanneer men spreekt over Brussel en over de minderheden, dan houdt men kennelijk geen rekening met de ankers van de vorige staatshervormingen. De positie van de Vlamingen in Brussel kan alleen afgewogen worden ten opzichte van de positie van de Franstalige minderheid in BelgiŽ. Wanneer men deze correlatie niet langer aanhoudt, dan rijzen er grote problemen.

Welnu, in de Memorie van Toelichting wordt inzake de positie van de Vlamingen in Brussel verwezen naar de rand.

Het is ondenkbaar dat de hierboven aangeduide correlatie hierdoor zou worden verbroken.

Mevrouw Marie Nagy (ECOLO). - Ik denk dat de bescherming van de Vlaamse minderheid in Brussel verder gaat dan die van de Franstaligen in BelgiŽ. Ik weet dat de ware toestand van Brussel wordt ontkend. De betekenis van dit debat is waarschijnlijk dat de werking ervan wordt uitgelegd aan diegenen die er alleen aandacht aan besteden als ze het willen instrumentaliseren. Sinds 1989 is de gewestregering op de minister-voorzitter na paritair samengesteld. Als een van de gemeenschappen problemen heeft met een ontwerp of een voorstel, kan ze haar toevlucht nemen tot de alarmbelprocedure. Het voorliggend ontwerp garandeert een minimale vertegenwoordiging van 17 gewestelijke parlementsleden. Dit gaat verder dan wat de Franstaligen op federaal vlak wordt aangeboden.

De heer Chabert zal ongetwijfeld kunnen bevestigen dat de Brusselaars zo heel goed kunnen functioneren. We hebben geen ernstige communautaire conflicten gekend; natuurlijk zijn er discussies geweest aangezien het niet makkelijk is een akkoord te sluiten waarbij men elkaar halfweg tegemoet komt wanneer men 85 tot 90% van de bevolking uitmaakt.

De heer Van den Brande mag dus niet spreken over een verzwakking.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Het lijkt me niet het geschikte ogenblik voor een technisch debat. Ik ga dus verder met de vijf krachtlijnen van het Vlaams Parlement.

Inzake de taalaanhorigheid van de gezinnen in Brussel heeft een recente studie aangetoond dat die aanhorigheid veel complexer is dan algemeen gedacht. Naast de eentalig Franstalige en Nederlandstalige gezinnen, zijn er de taalgemengde gezinnen waarbij verschillende combinaties mogelijk zijn. Zo zijn ook taalgemengde gezinnen met leden afkomstig uit Maghreblanden goed vertegenwoordigd. Over de verhoudingen kan nog een hele poos gediscussieerd worden, mijn punt is alleszins dat het akkoord over Brussel lang niet de verwachtingen van de Vlamingen inlost. De heer Vandenberghe heeft heel wetenschappelijk ťn plastisch aangetoond dat er een systeem is uitgewerkt dat bij sommigen in de commissie de reactie ontlokte dat het een samenleving onwaardig is dat ze geld op tafel brengt om mensen in of uit te kopen.

In dit ontwerp noch in het ontwerp dat de Kamer nu behandelt is er enige aanzet te vinden om de besluitvormingmechanismen te verbeteren. We behouden dus een unieke vorm van federale staat waarin de hele procedure van grondwetsherziening ontsnapt aan de deelgebieden. Nochtans zou het logisch zijn dat we, zoals elke federale staat, ons niet beperken tot een overlegcomitť waar we ook na acht jaar niet tot een consensus tussen de deelgebieden konden komen. De CVP-fractie opteert voor een staatshervorming van onderuit, op basis van de subsidiariteit, in het kader van een associatie. Die komt er niet. Het is een gemiste kans dat de Senaat ook bij deze staatshervorming geen Senaat van de gemeenschappen en deelstaten wordt.

Samengevat betreur ik dat dit ontwerp niet tegemoetkomt aan de gemeenschappelijke vraag van de twee grote deelgebieden, van Brussel en van de Duitstalige Gemeenschap om meer ruimte te krijgen. Het akkoord is een puur politieke operatie, waarbij de meerderheid er van bij de aanvang vanuit ging dat de christen-democraten geen bijdrage konden leveren. Het cynisme, het dubbelspel, de schijnvertoning die de twee co-voorzitters van de Costa in hun inleidende uiteenzettingen ten beste hebben gegeven, waren zonder meer stuitend. Een van de sprekers verwees naar een politicus die de grondwet niet als een vodje papier wilde behandeld zien. Vandaag vraag ik me af: waar zit nog de kracht en de moed van een overtuiging, hoe kunnen we nog komen tot een goed bestuur voor de mensen, als op zo'n lichtzinnige manier met principes wordt omgesprongen? De uitdaging van de komende jaren is tot een goed bestuur te komen. De Europese commissie en haar voorzitter brengen het debat over goed bestuur, over good governance heel binnenkort op gang in Europa. In feite is dat een oude discussie, die ook in de Italiaanse steden al eeuwenlang werd gevoerd onder het thema buon governo. Sporen daarvan merken we nog op de wandtapijten die niet alleen in Vlaanderen maar ook in Doornik en in delen van WalloniŽ te zien zijn en die de zoektocht naar een goed bestuur afbeelden. Daarom vraag ik elke senator bij deze staatshervorming goed na te denken. Deze hervorming zal geen twee jaar standhouden, geen twee maanden, geen twee weken, misschien zelfs geen twee dagen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik zie niet waarmee de heer Van den Brande in zijn betoog wil scoren. Hij verwijt mijn partij dat we geen doel hebben bij de staatshervorming. Ik heb in zijn betoog ook geen doel onderkend, tenzij hij in wollige omschrijvingen stelt dat de hervorming niet ver genoeg gaat en dat het niet volledig beantwoordt aan de vijf Vlaamse resoluties. Met die houding, die de voorbije vijf jaar in het Vlaamse Parlement werd aangenomen, schaart hij zich bij diegenen uit de Vlaamse Beweging voor wie het de voorbije decennia nooit genoeg was. Voor hen was het alleen voldoende als de totaliteit van de Vlaamse eisen zou worden gerealiseerd. Indien we ons daar bij hadden aangesloten, was er vandaag nog geen Vlaams Parlement. Ik betreur het dat de heer Van den Brande zich de jongste jaren meer en meer aansluit bij de roepers in de woestijn en niet stap voor stap de uiteindelijke doelstellingen van de Vlaamse Beweging tracht te bereiken.

De heer Van den Brande zegt dat de gewestvorming met drie bevestigd wordt. Buitenlandse handel, binnenlands bestuur, fiscale autonomie voor de gewesten, landbouw, buitenlandse handel zijn echter duidelijk specifieke terreinen waar de gewesten moeten optreden. We kunnen slechts de bevoegdheden naar de gemeenschappen overhevelen waarover geen discussie bestaat dat het gemeenschapsbevoegdheden zijn. Daarenboven hebben we de slagkracht van de gemeenschappen versterkt door hen rechtreeks extra middelen te geven.

Het kijk- en luistergeld kon door de gemeenschappen niet worden gehanteerd als een instrument van fiscale autonomie. Het waren de gewesten die met de instemming van de federale overheid opcentiemen of afcentiemen konden toepassen op het kijk- en luistergeld.

Kortom, ik betreur het dat de heer Van den Brande wollige eisen proclameert, en zich niet wenst in te schakelen in een rationele benadering van de staatshervorming.

De heer Luc Van den Brande (CVP). - Iedereen heeft zijn eigen stijl en dat moet worden gerespecteerd. Als de heer Vankrunkelsven in zijn partij dezelfde stijl gebruikt om mensen te overtuigen als in de Senaat, is dit niet enkel hopeloos maar ook meedogenloos.

De heer Patrik Vankrunkelsven (VU-ID). - Ik tracht niet te overtuigen. Ik reageer enkel op het betoog van de heer Van den Brande.

De heer Michel Barbeaux (PSC). - Ik wil even stilstaan bij het ongrondwettelijk karakter van dit ontwerp met betrekking tot de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet.

Ten eerste leiden de voorwaarden waaronder deze regionalisering wordt doorgevoerd, tot een ernstige en duidelijke schending van de Grondwet. Ten tweede is niet in een uitzondering voorzien voor de faciliteitengemeenten. De faciliteiten zullen dus afhangen van de goodwill van de Vlamingen. Ten derde zijn de uitzonderingen op de bevoegdheden van de gewesten zo beperkt dat het federale karakter van het veiligheidsbeleid en dus de hervorming van de politiediensten ernstig in het gedrang komt.

De heer Van den Brande had het al over een institutioneel knoeiwerk. Ik deel zijn mening.

Het advies van de Raad van State bevestigt dat de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet via een bijzondere wet een duidelijke miskenning inhoudt van artikel 162 van de Grondwet, en meer bepaald van de twee laatste leden ervan. Het laatste lid bepaalt inzonderheid dat het decreet - of de ordonnantie in Brussel - ter uitvoering van een bijzondere wet de voorwaarden regelt waaronder en de wijze waarop verscheidene provincies of verscheidene gemeenten zich met elkaar kunnen verstaan of zich kunnen verenigen. Als de regionalisering van een gedeelte van de organieke gemeentewetten, in dit geval de intercommunales, mogelijk is zonder herziening van de Grondwet, zoals de regering beweert, zou dit lid van artikel 162 van de Grondwet geen zin hebben. Het beginsel van het nuttig effect, dat essentieel is voor de juridische interpretatie, vereist echter dat elke wettelijke, en a fortiori grondwettelijke bepaling effect heeft. De interpretatie van de regering houdt geen steek, temeer daar het hier niet gaat om de regionalisering van een gedeelte van de organieke provincie- en gemeentewetten, maar om een bijna volledige regionalisering. Wat gold voor de intercommunales, waarvan de overdracht mogelijk was zonder grondwetsherziening, geldt a fortiori ook voor de organieke provincie- en gemeentewetten. Dit hoofdargument wordt trouwens bevestigd in de parlementaire voorbereidingen voor de verschillende verklaringen tot herziening van de Grondwet met betrekking tot artikel 162 van de Grondwet en de eventuele regionalisering van de gemeente- en de provinciewet. Uit die voorbereidende werkzaamheden, en vooral uit de meest recente, blijkt dat de Vlamingen en Franstaligen van de huidige regenboogmeerderheid vůůr de regeringsvorming, in 1999, het erover eens waren dat de regionalisering van de gemeente- en de provinciewet niet mogelijk was zonder herziening van artikel 162 van de Grondwet.

Op het einde van hun argumentatie besluiten de verenigde kamers van de Raad van State op afdoende wijze: "om te stellen dat een bijzondere wet voldoende is om de organieke wetgeving betreffende de plaatselijke besturen te regionaliseren, is het dus niet voldoende ervan uit te gaan dat een bemoeiing van de Grondwetgever niet nodig was om de gedeeltelijke regionaliseringen van 1980, 1993 en 1997 mogelijk te maken. Er zou ook nog van uitgegaan moeten worden dat de Grondwetgever zich vergist heeft en in die vergissing heeft volhard."

De regering was zich dus bewust van de kennelijke ongrondwettigheid van haar ontwerp en heeft geprobeerd die vergissing te verbergen achter een juridische argumentatie die niet pertinent lijkt. Het eerste argument van de regering steunt op de rechtspraak van het Arbitragehof en op artikel 19 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 met betrekking tot de aangelegenheden die de Grondwet voorbehoudt aan de wet. De regering besluit daaruit dat de voorbehouden bevoegdheden via een bijzondere wet aan de gewesten kunnen worden overgedragen zonder voorafgaande herziening van de Grondwet. Ze is evenwel zo weinig overtuigd van haar eigen argument dat ze, na het advies van de Raad van State, de draagwijdte ervan beperkt: ze wijzigt artikel 19 van de bijzondere wet en preciseert dat dit argument alleen geldt voor de grondwettelijke bepalingen die aangelegenheden voorbehouden aan de wet en dateren van vůůr 1 oktober 1980.

Dat argument van de regering is niet pertinent. Het komt niet tegemoet aan het hoofdargument van de Raad van State, namelijk dat het laatste lid van artikel 162 van de Grondwet duidelijk ingaat tegen de stelling van de regering, althans wat de interpretatie van dit artikel 162 betreft. Ik wijs er overigens op dat het laatste lid van artikel 162 is ingevoegd na 1 oktober 1980, datum waarnaar verwezen wordt in artikel 19 van de bijzondere wet, gewijzigd bij voorliggend wetsontwerp, en in de rechtspraak van het Arbitragehof waarop de regering zich beroept.

In 1993 heeft de grondwetgever, die op de hoogte was van die rechtspraak, het dus nodig geacht de Grondwet te herzien om het de bijzondere wetgever mogelijk te maken de bevoegdheid inzake intercommunales over te dragen aan de gewesten. Dat betekent dus dat de grondwetgever, die als enige een authentieke interpretatie van de Grondwet mag geven, de interpretatie van de regering niet deelt.

Het tweede argument van de regering heeft betrekking op artikel 184 dat wij onlangs hebben gewijzigd. Dit argument lijkt ons wel pertinent maar niet gegrond. Het wil wel degelijk tegemoet komen aan het advies van de Raad van State, maar het antwoord dat het biedt is ongrondwettig. Dit argument neemt akte van het advies van de Raad van State en van de verwijzing naar de parlementaire voorbereidingen van de verschillende grondwetsherzieningen. Het steunt echter op de herziening van artikel 184 van de Grondwet, eind maart 2001, dus na het bewuste advies van de Raad van State, en op de parlementaire voorbereidingen daarvoor. Artikel 184 heeft betrekking op de rijkswacht. Volgens dit argument zou de grondwetgever, bij die herziening, de thesis van de regering bevestigd hebben en geoordeeld hebben dat een herziening van de Grondwet niet nodig was voor de overdracht aan de gewesten van de bevoegdheden inzake de administratieve politie, terwijl die aangelegenheid door de Grondwet aan de wet was voorbehouden. De regering bevestigt dus de gegrondheid van het advies van de Raad van State op het ogenblik dat het is uitgebracht, maar meent dat het sedertdien door de grondwetgever zelf is herroepen. Dit tweede argument van de regering bevat belangrijke zwakke punten en kan dus worden weerlegd.

Het steunt op de parlementaire voorbereidingen voor de herziening van artikel 184 van de Grondwet, die minder duidelijk zijn dan de regering beweert. Men stelt daarbij de duidelijke tekst van het laatste lid van artikel 162 van de Grondwet tegenover de parlementaire voorbereidingen.

Deze handelwijze is niet in overeenstemming met de principes voor de interpretatie van het recht: men kan zich alleen op de parlementaire voorbereiding beroepen als de wettekst niet duidelijk is. De regering stelt een dubbelzinnige parlementaire voorbereiding tegenover een duidelijke Grondwettekst. Erger nog, tegenover de duidelijke tekst van artikel 162 van de Grondwet wordt de parlementaire voorbereiding gesteld van een andere Grondwetsbepaling, namelijk die van artikel 184, en dit ofschoon artikel 162 niet eens voor herziening vatbaar werd verklaard.

Ik verklaar mij nader. De procedure voor de herziening van de Grondwet is vastgelegd in artikel 195. Daaruit volgt dat de grondwetgever enkel de mogelijkheid heeft om een grondwetsbepaling te wijzigen of er een authentieke interpretatie van te geven, wanneer ze vooraf door de preconstituante voor herziening vatbaar werd verklaard. Alleen dan heeft de grondwetgever die macht. Daarom kan men een grondwetsbepaling die niet voor herziening vatbaar werd verklaard, namelijk artikel 162, niet wijzigen via de herziening van een andere bepaling, namelijk artikel 184, die wel voor herziening vatbaar is verklaard. Ons grondwettelijk recht verbiedt dus de impliciete herziening van de Grondwet.

Wat de regering van plan is, is in feite nog erger. De regering wil artikel 162 impliciet herzien, niet via de herziening van artikel 184, maar via de overigens dubbelzinnige parlementaire voorbereiding van dat artikel 184 dat niets te maken heeft met artikel 162.

Een dergelijke analyse toont dus duidelijk aan dat het voorliggende ontwerp een ernstige schending van de Grondwet inhoudt en dat de argumenten van de regering om het tegendeel te beweren geen steek houden. Dit is een openlijke schending van de Grondwet.

De Grondwet organiseert onze democratie. Hij legt het evenwicht vast tussen de toepassing van de meerderheidsregel en de bescherming van de minderheid. Wie de Grondwet schendt, brengt de democratie in gevaar. De Raad van State heeft in zijn advies over het Lombard-akkoord duidelijk gesteld dat de voorgestelde amendementen verschillende grondwetsartikelen schenden en uiteindelijk de democratie verzwakken. Daarmee neemt men het risico dat de wet van de sterkste voortaan de overhand krijgt.

Ik ben van mening dat de rechtsmiddelen die tegen deze tekst bij het Arbitragehof zullen worden ingediend, ontvankelijk en gegrond zullen worden verklaard. Het Hof heeft eerder al rechtsmiddelen tegen bijzondere wetten ontvankelijk verklaard, en het lijdt geen twijfel dat ze gegrond zullen worden verklaard, aangezien de Raad van State duidelijk heeft gesteld dat de bijzondere wet artikel 162 schendt. Deze bepaling is immers duidelijk bevoegdheidsverdelend, aangezien ze in het eerste en tweede lid een materie voor de wet voorbehoudt en in het derde en vierde lid andere materies aan het decreet of de ordonnantie.

Ik betreur dus dat om een ongrondwettig en onevenwichtig ontwerp te redden, de Franstaligen de deur op een kier hebben gezet voor de mogelijke regionalisering van de justitie, de politie, de nationaliteit en het grondgebied zonder dat daarvoor nog een grondwetswijziging nodig is. De betekenis die door minister Vande Lanotte werd gegeven aan artikel 11 van het ontwerp, dat artikel 19 van de bijzondere wet wijzigt, is wat dit betreft zeer duidelijk. De gevolgen van deze werkwijze zijn zeer groot, zoals ook blijkt uit een recente bijdrage in de Courrier du CRISP die aan de Costa is gewijd.

Dat is een democratische achteruitgang. De Grondwet kan slechts worden gewijzigd na een verklaring tot herziening en verkiezingen. Door dit ontwerp is er geen democratische, grondwettelijke vergrendeling meer van de bevoegdheidsverdeling tussen de staat, de gewesten en de gemeenschappen.

Ik wil de broosheid van de zogenaamde "betonnering" van de faciliteiten onderstrepen. Volgens de Raad van State moet artikel 8 van het ontwerp worden ingetrokken omdat het ofwel niets toevoegt aan de bestaande juridische situatie, ofwel afwijkt van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De waarborg is dus nutteloos of ongrondwettig.

Ingevolge het antwoord van de regering moet worden benadrukt dat het politieke oordeel of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet een verschillende behandeling van de faciliteitengemeenten toestaan of opleggen, zal toebehoren aan het Vlaamse Gewest. De controle a posteriori gebeurt immers door de Vlaamse kamers van de Raad van State of door een marginale toetsing door het Arbitragehof.

Tijdens de bespreking van de amendementen zal ik het hebben over het in vraag stellen van het federale karakter van het politie- en veiligheidsbeleid.

De amendementen op artikel 4 beogen zeven doelstellingen. Ten eerste willen ze artikel 162 van de Grondwet doen respecteren door dit deel van het ontwerp te doen vervallen of de inwerkingtreding ervan uit te stellen tot na de herziening van dit grondwetsartikel. Ten tweede willen ze beletten dat in de toekomst belangrijke materies, zoals politie en justitie, worden geregionaliseerd zonder voorafgaande grondwetsherziening. Ten derde willen we de rechten van de Franstaligen in de rand doen eerbiedigen door de faciliteitengemeenten te onttrekken aan de regionalisering of door de inwerkingtreding van die bepalingen te koppelen aan de ratificatie van het raamverdrag van de Raad van Europa over de bescherming van de minderheden. Dat verdrag is door alle lidstaten ondertekend, behalve door Frankrijk en Turkije en de ondertekening ervan is een voorafgaande voorwaarde voor toetreding tot de EU. Het verheugt ons dat de heer De Decker de inwerkingtreding van het ontwerp wil koppelen aan de ondertekening van dat verdrag. Laat ons niet de slechte leerling van Europa zijn.

Ten vierde willen wij niet dat de gewesten bevoegd zijn voor die bepalingen in de gemeente- en provinciewet die onontbeerlijk zijn voor een eenvormig federaal veiligheidsbeleid.

Ten vijfde wensen we een minimale eenheid te bewaren in de lokale democratische organen van de verschillende gewesten.

Ten zesde willen we voorkomen dat de gecontroleerden hun controleurs benoemen terwijl de aanduiding van gouverneurs en adjunct-gouverneurs, die over de taalwetgeving in de faciliteitengemeenten moeten waken, aan de bevoegdheid van de gewesten wordt ontnomen.

Ten zevende willen we voorkomen dat de proportionele verkiezing van de schepenen in de faciliteitengemeenten wordt toegepast als die manier van verkiezing niet leidt tot de aanwijzing van een schepen van de andere taalrol. Het gaat om Komen.

De heer Jan Steverlynck (CVP). - Ik wens even een kanttekening te maken die voor dit debat nochtans erg belangrijk is.

Vanmorgen lazen we in de pers dat PRL en PS bereid zouden zijn om bepaalde federale tegemoetkomingen te doen aan de onderwijsachterban van de PSC teneinde die partij alsnog over de streep te halen om het Lambermontakkoord goed te keuren. Er wordt voorgesteld de BTW op de verbouwing van schoolgebouwen te verlagen van 21 naar 6%. Dat is het zoveelste staaltje van de vermaarde koopmanskunst van deze regering. De vraag rijst of de betrokken partij zich niet met een kluitje in het riet laat sturen? Staat de Europese regelgeving zulke maatregel wel toe? Volgens diverse bronnen kan BelgiŽ niet eenzijdig dergelijke maatregel nemen. De zesde BTW-richtlijn voorziet niet in lagere BTW-tarieven voor werken aan schoolgebouwen. De Europese Commissie zal dat bijgevolg zeker niet goedkeuren. We weten natuurlijk wel dat de huidige regering niet wakker ligt van de kritiek vanuit Europa, zoals ze zich ook niets aantrekt van de kritiek van de Raad van State bij deze grondwetsherziening. Met andere woorden, zelfs als de BTW-verlaging wordt goedgekeurd, zou ze later niet kunnen worden toegepast, zodat de betrokken partij een lege doos heeft aangeboden gekregen.

We verwachten van de regering enige toelichting bij deze maatregel. Hoe zal de BTW-verlaging in de praktijk worden gebracht? Misschien is de regering creatiever dan we denken en denkt ze terzake aan een vorm van belastingvrijstelling voor publiekrechtelijke rechtspersonen, een mogelijkheid waarin de zesde richtlijn wel voorziet. Dan nog blijft de vraag of alle publiekrechtelijke onderwijsinstellingen onder de maatregel vallen, dus zowel de instellingen van het gemeenschapsnet als van het vrije onderwijsnet. Waakzaamheid is geboden!

Ik wijs er trouwens op dat er in de Kamer op 25 juli 2000 een wetsvoorstel werd ingediend om soortgelijke BTW-verlaging te realiseren. Waarom steunden de PS en PRL dit voorstel niet als ze het idee toch zo goed vinden? Waarom de maatregel als pasmunt voor de goedkeuring van het Lambermontakkoord gebruiken?

Ik kan hieruit alleen maar concluderen dat het erg gevaarlijk is te geloven in de beloftes van deze regering.

De heer Georges Dallemagne (PSC). - Ik wil het over ontwikkelingssamenwerking hebben, maar niet over de bevoegdheidsverdeling, de institutionele koehandel en de machtsdeling.

Vooraleer in te gaan op het Belgische institutioneel organigram herinner ik eraan dat de internationale samenwerking bovenal een poging is om een morele schande te herstellen die onze tijd meer dan om het even welke andere tijd kenmerkt. In dit global village vinden we absolute armoede naast de meest extravagante rijkdom. Hele bevolkingen sterven door honger en ziekten, terwijl andere leven in nooit geziene rijkdom, welvaart en soms zelfs overvloed.

Ik heb recentelijk twee reizen gemaakt die schril met elkaar in contrast stonden: naar CaliforniŽ en Birma. Wat hebben de wolkenkrabbers, Silicon Valley en de grote steden van de baai van San Francisco gemeen met de Birmaanse vluchtelingenkampen met hutten van bladeren en takken, waar de mensen sterven door ziekten en ondervoeding?

De toestand in sub-Saharaans Afrika is de grootste ethische uitdaging van onze tijd; 33 van de 49 minst ontwikkelde landen liggen in die regio. Oorlog, aids, gebrek aan voedsel, onwetendheid en watergebrek richten er ondraaglijke ravage aan. In landen als Angola en Sierra Leone nemen kinderen aan de oorlog deel. Paradoxaal genoeg houdt de ontginning en de handel in luxeproducten als diamant de armoede en het geweld in stand.

Afrika ligt op acht uur vliegen van Brussel. Het komt dagelijks op televisie. Op drie jaar tijd heeft Congo in twee oorlogen meer dan twee miljoen van zijn inwoners verloren. De levensstandaard is overal in het land aanzienlijk gedaald. De inwoners van Kinshasa hebben maar ťťn doel: zien dat ze elke dag ťťn maaltijd bijeen kunnen schrapen.

Wat voor zin heeft het om de geheimen van het universum te doorgronden, steeds sterkere communicatiemiddelen te ontwikkelen en de wetenschappelijke vooruitgang op te drijven als sommige volkeren in slechtere omstandigheden leven dan 500 jaar geleden?

De bespreking van artikel 6 van het ontwerp van bijzondere wet, dat betrekking heeft op de regionalisering van ontwikkelingssamenwerking, moet met dit beeld voor ogen worden aangevat. Het is in vele opzichten een bijzonder artikel en het zal nog lang op de lijst staan van de meest inopportune wetteksten die het Parlement heeft geproduceerd.

Ik zal streng zijn. Niets in dit artikel deugt: de wettelijke vorm, de omstandigheden waarin het in deze wet verscheen, het gestelde doel, de verborgen intentie, het ogenblik waarop de gevolgen en resultaten duidelijk zullen worden. Het doel van dit artikel is niet dat de gemeenschappen en de gewesten meer aan ontwikkelingssamenwerking zouden doen. Dat doen ze reeds. De heer Suinen, commissaris-generaal voor de internationale betrekkingen van de Franse Gemeenschap, stelde op 23 april 2001 nog in Le Soir dat de Franse Gemeenschap en het Waals Gewest als volwaardige gesprekspartners optreden en bevoegd zijn om internationale verdragen te sluiten. Ze werken samen met hun partners in de wereld aan ontwikkelingsprojecten voor materies waarvoor ze bevoegd zijn.

Jammer genoeg is het de bedoeling om de verdere werking van de federale samenwerking radicaal te verhinderen en ze krachteloos te maken door haar financiŽle middelen te ontnemen.

Heel dit artikel moet worden geschrapt. Hier maken we een premiŤre mee. Het is op zijn minst eigenaardig dat in een wet wordt bepaald dat een werkgroep zal worden opgericht die een lijst zal moeten opstellen van materies inzake ontwikkelingssamenwerking waarvoor de gewesten en gemeenschappen bevoegd zijn.

Men had even goed een brainstorming of een gesprek bij de haard kunnen voorstellen. Een dergelijke formulering lijkt niet echt ernstig en haar wettelijke betekenis is zeer vaag. Er wordt trouwens niets gezegd over wie deel uitmaakt van die werkgroep.

Ondanks alle vaagheid gaat het wel degelijk om het opstellen van een lijst en bijgevolg om een verbod voor de federale ontwikkelingssamenwerking om nog materies te behandelen die als een exclusieve bevoegdheid van gewesten en gemeenschappen worden beschouwd.

Mevrouw FunŤs-Noppem, de bijzonder commissaris van het directoraat-generaal van Ontwikkelingssamenwerking bij het ministerie van Buitenlandse Zaken, heeft recent nog aangetoond hoe moeilijk het is om in geval van defederalisering te weten welk niveau bevoegd is voor de rechtstreekse bilaterale hulp.

Voor een volksgezondheidsproject zouden de gemeenschappen ongetwijfeld bevoegd zijn voor de preventieve aspecten, ofschoon de federale staat bijvoorbeeld bevoegd blijft voor de reglementering inzake de voedselkwaliteit. Curatieve zorg is voor een deel een federale en voor een deel een gemeenschapsbevoegdheid. De financierings - en ziekenfondssystemen voor de gezondheidszorg zijn ook over verschillende beleidsniveaus verdeeld. Wat een denkwerk voor het opzetten van een eenvoudig project inzake volksgezondheid.

Dit artikel heeft dus tot doel ontwikkelingssamenwerking te defederaliseren, afhankelijk van de bevoegdheden die in het verlengde liggen van de gewest- en gemeenschapsbevoegdheden.

De minister van Buitenlandse Zaken noemt dit een toepassing van het principe van de implied powers. De werkgroep zal de overdracht van de nodige financiŽle middelen voorbereiden op basis van de verschillende verdeelsleutels van de nieuwe financieringswet. Deze bijzondere werkgroep moet zijn werkzaamheden, na overleg met de betrokken sector, ten laatste op 31 december 2002 afronden.

Deze werkwijze lijkt op intern Belgisch vlak misschien logisch. Ze gaat echter volledig in tegen de huidige filosofie en methodologie inzake ontwikkelingssamenwerking. Het gaat toch niet op het bouwen van een dispensarium, een waterput of een schooltje. Met al die putten lijkt Afrika op een gatenkaas en de mooi wit geverfde dispensaria zullen de uitbreiding van de aids-epidemie en de verergering van de ondervoeding in Centraal-Afrika geenszins verhinderen. De ontwikkelingsproblemen moeten globaal worden aangepakt. De huidige problemen zijn problemen van macro-ontwikkeling.

Om bijvoorbeeld efficiŽnt te kunnen optreden in Congo moet de veiligheid van mensen en goederen worden hersteld, moet de rechtsstaat worden hersteld, de wegen- en waterlopeninfrastructuur worden ontwikkeld, een overtuigend monetair beleid worden gevoerd en opnieuw een afdoend sociaal en onderwijssysteem worden ingesteld.

Het beleid, de technische expertise en de middelen moeten op een aanzienlijke, convergente en coherente wijze worden gemobiliseerd. Dan pas kunnen we proberen de spiraal van oorlog, ellende en ziekte in Centraal-Afrika te doorbreken.

Schuldkwijtschelding, wapenhandel, goed beleid en de instelling van gerechtelijke en complexe gezondheidssystemen zijn de grote problemen voor de ontwikkelingssamenwerking. De strijd tegen deze uitdagingen vereist dat er weinig actoren zijn, die ervaren zijn en de middelen hebben om te wegen op de kwesties die ze behandelen. Hoe kan BelgiŽ met niet minder dan vijf institutionele actoren beweren de problemen van de internationale samenwerking ernstig aan te pakken?

Met artikel 6 van de bijzondere wet wordt de ontwikkelingssamenwerking niet gedefederaliseerd, maar wordt ze gebroken en uitgeroeid. Ze kan haar werk in de 25 partnerlanden waar ze nu actief is, niet langer voortzetten.

Geen enkel land, groot of klein, heeft ontwikkelingssamenwerking gedefederaliseerd. In de Verenigde Staten heeft elke staat een eigen belastingsysteem, een eigen gerechtelijk systeem en belangrijke verantwoordelijkheden op talrijke openbare domeinen, maar ontwikkelingssamenwerking is in essentie federaal. Niemand heeft er, om eenvoudige en logische redenen, zelfs nog maar aan gedacht: het zou leiden tot een kakofonie en het imago van de landen en efficiŽntie van de samenwerking schaden.

Ik breng de omstandigheden in herinnering waarin het voorstel om ontwikkelingssamenwerking te defederaliseren in deze bijzondere wet is opgedoken. Op geen enkel ogenblik is nagegaan of het pertinent, opportuun of efficiŽnt is om ontwikkelingssamenwerking te defederaliseren met het oog op de doelstellingen en de ambities van onze samenwerking. Op geen enkel ogenblik hebben de initiatiefnemers voor dit voorstel de mening van de begunstigden gevraagd over het uiteenspatten van de Belgische samenwerking. De heer Monfils grinnikte toen het over Sierra Leone ging. Dat land behoort echter niet tot de 25 Belgische partnerlanden. Hij zou beter een beetje terughoudend zijn wanneer hij het over onze partnerlanden heeft. Dat is een wezenlijk deel van de samenwerkingswet die in het Parlement is aangenomen. Nooit is nagegaan of deze oefening tegemoet komt aan de Belgische plicht en verantwoordelijkheid inzake de strijd tegen de armoede.

Iedereen weet dat deze beslissing in de kleine uren van de nacht werd genomen toen de vermoeide onderhandelaars op het altaar van de communautaire vrede datgene hebben achtergelaten wat hen een kleine prijs leek. Een materie waarover nog nooit een regering was gevallen, een materie die voor hogere belangen kon worden gebruikt, een materie die ondanks alle kalmerende bewoordingen politiek minder belangrijk blijft. In deze koehandel hebben twee zeer actieve objectieve bondgenoten elkaar gevonden, de PS en de VU, terwijl anderen hun bedenkingen zeer zachtjes en in eigen kring formuleerden. De VU heeft nog hernieuwde pogingen gedaan door te eisen dat dit punt in het ontwerp zou worden opgenomen toen de voorzitters van de VLD en VU het eens werden over de prijs die de regering moest betalen voor de VU-stemmen. Sindsdien weten we dat dit een vergeefse moeite was.

De voorgestelde timing om de organisatie van ontwikkelingssamenwerking totaal overhoop te gooien, kon niet slechter zijn. Iedereen weet dat ontwikkelingssamenwerking juist een diepgaande hervorming heeft meegemaakt. Hierbij werden de samenwerkingsstructuren, de financieringswijzen, de relaties met de NGO's, de definitie en aanwijzing van partnerlanden en de uitwerking van een kaderwet die het doel, de middelen, en de samenwerkingspartners duidelijk omschrijft, gewijzigd. Dit verliep niet moeiteloos. Het heeft tot turbulenties geleid die onze samenwerking hebben vertraagd. We hebben echter ook een antwoord kunnen bieden op de vele punten van kritiek: cliŽntelisme, versnippering, gebrek aan duidelijke doelstellingen, onaangepaste methodologie. In haar jongste verslag van mei van dit jaar verheugde de OESO zich over de belangrijke vooruitgang die ons land geboekt heeft inzake de definitie, de organisatie en de efficiŽntie van de ontwikkelingssamenwerking. De organisatie sluit zich hiermee aan bij het overgrote deel van de actoren. De herstructurering is echter verre van voltooid. Wat moeten we bijgevolg denken van een nieuwe, ongetwijfeld lange periode van onzekerheid? De werkgroep moet zijn besluiten tegen einde 2002 indienen en de defederalisering zal in 2004 van start gaan, maar zal nog verschillende keren moeten worden bijgeschaafd. We moeten dus nog rekening houden met een tiental jaar onzekerheid.

Professor Peter Piot, een Belg die in heel de wereld wordt gerespecteerd en het hoofd van UNAIDS is, stelt in het gerenommeerde blad Nature dat inzake AIDS het ergste nog moet komen.

Op de Conferentie van Brussel werd aangetoond dat de kloof tussen de rijkste en de armste landen groter wordt. De club van minst ontwikkelde landen krijgt almaar meer leden. Miljoenen mensen moeten niet langer met 1 dollar per dag, maar met 1 dollar per week zien te overleven. Sommigen zullen dit louter statistisch beschouwen. We kunnen ervoor kiezen om ons geweten te blijven verontrusten zonder echt druk uit te oefenen op de armoede in de wereld. We kunnen ook steeds dikkere muren optrekken om deze ongelukkigen de toegang tot onze gebieden te ontzeggen.

We kunnen echter ook ingaan op de oproep die in 1993 in Kopenhagen en enkele dagen geleden in Brussel werd gedaan. We kunnen de grote armoede in de komende twee tot drie decennia radicaal terugschroeven. Dat is heel goed mogelijk; het is een kwestie van prioriteiten, coherentie en middelen. Hiervoor moet de ontwikkelingssamenwerking ernstig worden genomen, mag ze niet tot een instrument worden gisteren van de buitenlandse handel en nu van de communautaire vrede. Laten we deze vergissing niet maken.

De hoop die onze samenwerking in Congo, Angola, Rwanda, Cambodja, EthiopiŽ, Palestina, Bolivia en een twintigtal andere landen heeft doen opleven, dreigt in rook op te gaan. Ik vraag dus met aandrang van dit artikel af te zien.

(De vergadering wordt geschorst om 20.10 uur. Ze wordt hervat om 21.40 uur.)

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Sinds 1993 bepaalt artikel 1 van de Grondwet dat BelgiŽ een federale staat is, samengesteld uit gemeenschappen en gewesten. Het voorliggende ontwerp, dat werd besproken door de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden van de Senaat, beoogt de verwezenlijking van een nieuwe, betekenisvolle etappe in de hervorming van de Belgische Staat. Het ontwerp van bijzondere wet heeft, net als het ontwerp van bijzondere wet tot herfinanciering van de gemeenschappen en uitbreiding van de fiscale bevoegdheden van de gewesten, tot doel de federale staat te vervolmaken door meer bevoegdheden naar de gemeenschappen en de gewesten over te hevelen en bepaalde problemen inzake bevoegdheidsverdeling die voortvloeien uit de hervormingen van 1980, 1988 en 1993, te verhelpen.

De heer Thissen had kritiek op de regeling met betrekking tot de buitenlandse handel. Ik herinner eraan dat de gewesten al sinds 1993 bevoegd zijn voor de buitenlandse handel. Dit ontwerp bevestigt dit en verruimt hun bevoegdheden nog. Niettemin moet een aantal materies federaal blijven; dat is de reden waarom artikel 3 het afzet- en uitvoerbeleid regionaliseert, onverminderd de federale bevoegdheid. Zo blijven de Delcrederedienst en Finexpo bevoegd voor het verstrekken van waarborgen tegen invoer-, uitvoer- en investeringsrisico's, waarbij de vertegenwoordiging van de gewesten in deze organen wordt verzekerd. Ook het multilaterale handelsbeleid met onder meer de WTO, de FAO en de OESO, blijft federaal.

De oprichting van een Agentschap voor Buitenlandse Handel dat de Belgische Dienst voor Buitenlandse Handel zal vervangen, vormt een sleutelelement in deze overheveling van bevoegdheden. Er was veel kritiek op de rol die dit Agentschap voor de exporterende ondernemingen kon spelen. Het Agentschap zal zowel voor de federale overheid als voor de gewesten werken. Het samenwerkingsakkoord dat dit Agentschap opricht, werd op 9 maart goedgekeurd door het Overlegcomitť en op 22 maart door de ministerraad.

In de raad van bestuur van het Agentschap zal de taalpariteit evenals de pariteit tussen de particuliere en de openbare sector worden geŽerbiedigd. De gewesten zullen er in de meerderheid zijn, vermits elk gewest vier leden zal aanstellen, waarvan twee rechtstreeks en twee op voorstel van de economische partners.

De raad van bestuur van het Agentschap zal autonoom beslissen. Dat betekent dat de gewesten, de federale overheid en de privť-partners samen het Agentschap zullen leiden.

Op initiatief van een of meer gewesten of van de federale overheid moet het Agentschap gemeenschappelijke zendingen organiseren. Bovendien moet het voor de bevoegde gewestelijke diensten informatie, studies en documentatie over de exportmarkten uitwerken en verspreiden. De gegevensbank van het Agentschap zal worden gevoed door de gewesten en de federale overheid die ze rechtstreeks en gratis kunnen raadplegen. Het Agentschap zal in consensus kunnen beslissen over de organisatie van gemeenschappelijke zendingen geleid door de erevoorzitter, Prins Filip. Alle gewesten en ook de federale overheid moeten aan deze zendingen deelnemen. De raad van bestuur kan ook beslissen over zendingen die door een om meer gewesten of door de federale overheid worden voorgesteld. In dat geval moeten minstens twee gewesten deelnemen. Over de opdrachten van gemeenschappelijk belang zal de raad van bestuur unaniem beslissen.

Het ontwerp-samenwerkingsakkoord voorziet in een organiek kader van 50 personen. Het gentschap zal gefinancierd worden door een federale bijdrage van 100 miljoen frank en zo nodig door een bijkomende bijdrage van de gewesten, die berekend zal worden volgens de verdeelsleutel inzake personenbelasting.

Ik begrijp voor een deel de kritiek van verschillende leden dat het voorgestelde artikel 6, over de ontwikkelingssamenwerking, juridisch niet perfect is. Niettemin heeft het de verdienste de politieke keuze om een stap verder te gaan in de regionalisering van de ontwikkelingssamenwerking, in te schrijven. Er is echter ook beslist om die stap weloverwogen en na overleg met de sector te doen. De regering is van oordeel dat deze werkwijze de beste garanties biedt om tot een hervorming te komen die beantwoordt aan de verwachtingen van alle betrokkenen. Om artikel 6 op 1 januari 2004 te kunnen uitvoeren wordt een bijzondere werkgroep opgericht die een lijst van bevoegdheden inzake ontwikkelingssamenwerking moet opmaken. Die bevoegdheden liggen in het verlengde van de bevoegdheden van de gewesten en de gemeenschappen in toepassing van het beginsel van de implied powers. Daarnaast bereidt deze werkgroep de overheveling van de hiertoe noodzakelijke financiŽle middelen voor en dit volgens verschillende verdeelsleutels voor gewesten en gemeenschappen, die uit de nieuwe financieringswet kunnen worden afgeleid. Deze bijzondere werkgroep moet zijn werkzaamheden na overleg met de betrokken sector hebben afgerond op uiterlijk 31 december 2002. Op basis van het verslag van deze werkgroep zal een ontwerp uitgewerkt worden dat de bevoegdheidsoverdracht zal bewerkstelligen.

De wettelijke regeling van de gemeentelijke en provinciale instellingen is op dit ogenblik grotendeels een federale bevoegdheid ook al oefenen de gewesten bepaalde bevoegdheden uit zoals het toezicht op de gemeenten.

In een federale staat is het logisch dat de deelgebieden bevoegd zijn voor hun ondergeschikte besturen. Bovendien noopt het Belgische institutionele kluwen tot een grotere duidelijkheid.

Volgens artikel 162 van de Grondwet worden de gemeentelijke en provinciale instellingen bij wet geregeld, rekening houdend met de principes die uitdrukkelijk in de Grondwet zijn opgesomd, zoals de rechtstreekse verkiezing van de leden of de bevoegdheid van de provincie- en gemeenteraden voor alles wat van provinciaal en van gemeentelijk belang is.

Deze principes blijven natuurlijk van toepassing.

Aan de heren Vandenberghe en Barbeaux kan ik antwoorden dat het feit dat artikel 162 van de Grondwet niet voor herziening vatbaar is verklaard, niet verhindert dat de bijzondere wetgever de bevoegdheid inzake de ondergeschikte besturen kan toekennen aan de gewesten. Zonder de uitvoerige uitleg te herhalen die ik in de commissie heb gegeven en die in het verslag is opgenomen, wil ik er nogmaals op wijzen dat de regering van oordeel is dat het woord "wet" in het eerste lid van artikel 162 een bevoegdheid toekent aan de wetgevende macht en dit in tegenstelling tot de uitvoerende macht. Het is maar na de inwerkingtreding van de wet op de hervorming van de instellingen van 8 augustus 1980 dat aan de woorden "de wet" een bevoegdheidsverdelende betekenis kan worden verleend. Artikel 19 van de bijzondere wet wordt gewijzigd om dit te verduidelijken.

De heren Thissen en Roelants vrezen dat de regionalisering van de organieke wetten op de lokale besturen de Franstaligen in de rand zullen benadelen.

Ik herinner aan het algemene beginsel dat de gewesten, in het raam van hun bevoegdheid met betrekking tot de organisatie van de gemeenten en provincies, het beginsel van de lokale autonomie moeten respecteren. De gemeenteraden regelen alles wat exclusief van gemeentelijk of provinciaal belang is en overleggen en beslissen over de materies die de federale overheid of de gemeenschappen hen voorleggen.

Ter bescherming van de Franstaligen, Nederlandstaligen of Duitstaligen in de gemeenten met een bijzonder taalstatuut of in het tweetalig Hoofdstedelijk Gewest, voorziet het ontwerp trouwens in uitzonderingen op de gewestbevoegdheid.

De gewestbevoegdheid is beperkt door de regels van de pacificatiewet van 9 augustus 1988 - die een federale bevoegdheid blijven - en door de bepalingen van de artikelen 8, 9 en 19 van het huidige ontwerp. Deze bepalingen leggen de gewesten enerzijds een identieke regeling op voor alle gemeenten van hun territorium en verbieden, anderzijds, afbreuk te doen aan de thans bestaande waarborgen.

De artikelen 9 en 19 moeten ervoor zorgen dat de thans bestaande garanties voor de gemeenten met een bijzonder taalstatuut worden gehandhaafd, zelfs na de regionalisering van de organieke gemeentewet en gemeentekieswet. Het gaat om de toepassing in het intern recht van het standstill-principe, zoals dat geldt in het internationaal recht.

Conform deze bepaling kunnen in een gewest geen bijkomende kies- of verkiesbaarheidsvoorwaarden met betrekking tot de taalaanhorigheid worden opgelegd. De vereiste taalkennis voor de mandatarissen in de rand- en taalgrensgemeenten is trouwens geregeld in de pacificatiewet, die alleen door de federale overheid kan worden gewijzigd. De gewesten kunnen terzake niet optreden.

Met de term "garanties" verwijst het ontwerp naar het geheel van de thans vigerende bepalingen tot organisatie van een bijzonder stelsel in het voordeel van particulieren. De term "garantie" heeft in het algemeen betrekking op elke bepaling die kan worden beschouwd als een bescherming van de particulieren en de openbare mandatarissen in de gemeenten met bijzonder taalstatuut en de gemeenten van het tweetalig Hoofdstedelijk Gewest. Een decreet, een reglement of een administratieve akte kan bijgevolg op geen enkele wijze afwijken van het thans vigerende stelsel in het voordeel van deze particulieren.

Het naleven van deze twee bepalingen met betrekking tot de garanties is gegarandeerd door een specifieke beroepsprocedure. Het Arbitragehof of de Raad van State kan een wettelijke of reglementaire bepaling opschorten indien er voldoende bewijsmiddelen zijn die de schending aantonen en die een vernietiging kunnen rechtvaardigen. De eisende partij zal moeten aantonen dat de middelen die zij inroept tegen een decreet, ordonnantie of administratieve akte die een schending inhoudt van de garanties die in de artikelen 9 en 19 van de bijzondere wet veilig worden gesteld, ernstig genoeg zijn om de opschorting te bekomen. In dat geval zal ze het ernstig en moeilijk te herstellen nadeel niet meer moeten aantonen.

Artikel 8 van de bijzonder wet heeft tot gevolg dat een regionale bepaling niet kan voorschrijven dat een gemeente of een groep van gemeenten in vergelijking met de andere gemeenten van het gewest minder bevoegdheden heeft of in haar of zijn autonomie zou worden geschaad, tenzij wanneer het onderscheid noodzakelijk is.

Voor de faciliteitengemeenten kan geen beleid worden gevoerd waarmee wordt beoogd deze gemeenten een deel van hun autonomie of van hun bevoegdheden te ontnemen, terwijl de andere gemeenten in rechte of in feite deze bevoegdheden of deze autonomie wel zouden genieten.

Bovendien heeft dit artikel 8, samen met artikel 9 met betrekking tot de standstill-bepaling, tot doel dat de gemeenten niet in een situatie terechtkomen die verschilt van degene die thans bestaat voor wat de garanties betreft waarvan de particulieren genieten in de gemeenten bedoeld in de artikelen 7 en 8 van de gecoŲrdineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken.

Ik voeg nog drie elementen toe aan de lijst van marges en uitzonderingen op de regionalisering van de wetten op de lokale besturen.

Eerste element: de gewesten zijn bevoegd voor het tuchtstelsel van de burgemeesters. De federale wetgever heeft nochtans voorzien in een beroepsprocedure voor de Raad van State die in laatste instantie zal oordelen. De burgemeester, die bij de Raad van State een beroep in hoogste aanleg instelt tegen een tegen hem uitgesproken tuchtsanctie die niet gebaseerd is op zijn kennelijk wangedrag, omwille van de niet-naleving van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, een reglement of een administratieve handeling, kan de Raad van State verzoeken een prejudiciŽle vraag stellen aan het Arbitragehof of aan de verenigde kamers van de Raad van State. De Raad moet op dit verzoek ingaan en zich voor de oplossing van het geschil voegen naar het gevelde arrest. De Raad van State doet uitspraak binnen een termijn van zestig dagen. Nadien kan de regionale wetgever de gemeentegrenzen wijzigen, behalve die van de zes gemeenten in de rand en de gemeenten Komen en Voeren.

Tot slot kunnen de functies van vice-gouverneur van het administratief arrondissement van Brussel-Hoofdstad en van adjunct-gouverneur van de Provincie Vlaams-Brabant niet worden afgeschaft. De federale ministerraad moet trouwens een eensluidend advies uitbrengen over elke benoeming of afzetting vanwege de betrokken gewestregering.

Met betrekking tot de regionalisering van de wetgeving op de lokale besturen, kan ik de heer Barbeaux al zeggen dat de bijzondere wet bepaalt dat de organisatie en het beleid inzake politie- en brandweeraangelegenheden niet naar de gewesten zijn overgeheveld.

Verschillende leden hebben er aanstoot aan genomen dat onvoldoende rekening is gehouden met het advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State over het Lombardakkoord. De regering heeft geenszins een misprijzen voor de Raad van State zoals sommigen beweren. Alhoewel aan een advies van de afdeling Wetgeving van de Raad van State een bijzonder gezag moet worden verleend, blijft het niettemin een advies. De regering kan ervan afwijken als ze meent dat hiervoor geldige juridische argumenten voorhanden zijn.

De meeste van deze argumenten werden reeds aangehaald tijdens de bespreking in de commissie. Ik verwijs dan ook in hoofdzaak naar de antwoorden, die in het commissieverslag zijn opgenomen.

Toch wil ik er nog even op wijzen dat de afdeling Wetgeving van de Raad van State voorbehoud heeft gemaakt bij de wijze waarop de zetels van de Brusselse Hoofdstedelijk Raad worden verdeeld tussen de Franse en de Nederlandse taalgroep. De Raad van State vraagt zich af of die verdeling verenigbaar is met artikel 3 van het 1ste Protocol bij het Europees Verdrag van de rechten van de mens en de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De regering wijst erop dat het Belgisch publiek recht nu reeds een belangrijk aantal versoepelingen van het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging kent. Ook nu wordt niet aan alle stemmen hetzelfde gewicht verleend. Het voorbeeld van het Nederlandse en het Franse kiescollege in de Senaat werd reeds door een aantal senatoren gegeven. Het voorbeeld van de vertegenwoordiging van de Duitstalige Gemeenschap in de Senaat of in het Europees Parlement werd eveneens gegeven. De regering meent dat, indien de in het advies van de Raad van State gevolgde redenering wordt doorgetrokken, elke bescherming van kleinere taalgroepen die niet grondwettelijk vastgelegd is, en in wezen elke vorm van positieve discriminatie onmogelijk zijn. De stelling van de Raad van State is dan ook niet verenigbaar met de rechtspraak van het Arbitragehof. De regering heeft er dan ook voor gekozen op dit punt geen gevolg te geven aan het advies van de Raad van State.

De bijzondere procedure die moet worden gevolgd indien de Brusselse Hoofdstedelijke Raad er niet in slaagt de regering of de staatssecretarissen te doen verkiezen zonder stemming of indien een motie van wantrouwen wordt aangenomen, doet in beginsel geen afbreuk aan de principes die nu reeds van toepassing zijn. Dit betekent dat de taalgroepen, indien het tot een stemming komt, elk twee leden van de regering aanwijzen bij volstrekte meerderheid van hun leden. Een motie van wantrouwen die gericht is tegen een lid van de regering moet, in dezelfde zin, worden aangenomen door de meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe dit lid van de regering behoort. De regering heeft niettemin willen voorkomen dat de leden van de minst talrijke taalgroep deze regels zouden misbruiken om de Brusselse instellingen te blokkeren. Indien regeringsleden niet over een volstrekte meerderheid beschikken in de Raad of indien hun voordracht niet ondertekend is door de meerderheid van de leden van de taalgroep waartoe ze behoren, treedt een bijzonder mechanisme in werking. In dat geval is de Nederlandse taalgroep in de Raad op dezelfde wijze samengesteld als de Vlaamse Gemeenschapscommissie. De leden van de Vlaamse Gemeenschapscommissie krijgen dan de hoedanigheid van leden van de Nederlandse taalgroep.

De heer Hugo Vandenberghe (CVP). - Men is welsprekend, soms door wat men zegt en soms door wat men niet zegt. De welsprekendheid van de vice-eerste minister is van de laatste soort. Hij heeft niets gezegd, hij heeft zich beperkt tot het voorlezen van de memorie van toelichting. Als antwoord op een dag van debatten worden de argumenten ten gronde niet aangeraakt, zoals trouwens ook de regel was bij de bespreking in de commissies. Het is een dogmatisch debat. Men heeft gelijk, zo is beslist daarover moet niet meer worden gediscussieerd. Het is trouwens opgevallen dat de Vlaamse meerderheidspartijen, met uitzondering van collega Vankrunkelsven, weinig op de tribune zijn geweest. Zij konden blijkbaar geen argumenten vinden om dit akkoord inhoudelijk te verdedigen. De vice-eerste minister vroeg daarstraks wat wij hebben gedaan in de legislatuur van 1995 tot 1999. Collega Van den Brande heeft dat goed onderstreept: wanneer men een staatshervorming goedkeurt in 1993, die definitief wordt in februari 1994 en met zijn nieuwe instellingen van toepassing wordt bij de opening van de legislatuur van 1995, vonden wij het staatkundig onbehoorlijk om vanaf de eerste dag die nieuwe instellingen te hervormen. We moeten aanpassen. De staatshervorming is evolutief, maar het is geen perpetuum mobile. Daarom werd in de Senaat een evaluatiecommissie in het leven geroepen. Met haar verslag, dat in 1999 werd neergelegd, werd echter geen rekening gehouden. Vanzelfsprekend moeten de juridische bezwaren worden afgewogen.

We zullen morgen nog terugkomen op het eerste argument met betrekking tot artikel 162. Dit bezwaar wordt niet alleen door een aantal collega's naar voren gebracht, maar ook door De Raad van State. Wat het tweede advies betreft, met betrekking tot de zetelverdeling, is de intensiteit van de opmerkingen van de Raad van State inderdaad anders dan voor de daaropvolgende opmerkingen over de rechtstreekse inbreuk op een specifieke rechtsnorm uitgedrukt in de Grondwet. Daarover is er geen appreciatiemarge. Op geen enkel ogenblik is daar een antwoord op gegeven.

Kortom, wat niet wordt gezegd is te wijten aan de vaststelling dat de hervorming waarvoor we staan naar onze mening visie en diepgang mist. We voeren hier in feite een virtueel debat: het gaat niet om de argumenten, niet om de parlementaire discussie, maar over de vraag hoe de meerderheid aan twee derden van de stemmen zal komen in de Kamer. Dat is de reden waarom er zo gezwegen wordt. Er zijn drie soorten politici: diegenen die gaan vissen, diegenen die in troebel water vissen en diegenen die troebel water maken om daarin te vissen. De meerderheid behoort tot de derde categorie.

De heer Renť Thissen (PSC). - Mijnheer de minister, als Kamerlid heb ik uw strijdlust en welbespraaktheid vaak kunnen bewonderen. Nu we deze belangrijke materie bespreken, waarbij u misschien wil opmerken dat u hebt geijverd om zoveel mogelijk voor de Franstaligen uit de brand te slepen, heb ik de indruk dat ik te maken heb met iemand die zijn werk doet omdat het moet en die niet erg gelukkig lijkt met het resultaat dat hij heeft bereikt.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - Ik loop met mijn vreugde niet te koop.

De heer Renť Thissen (PSC). - Uw gebrek aan enthousiasme is wellicht te wijten aan de jetlag, anders was u erin geslaagd ons te overtuigen.

De heer Philippe Moureaux (PS). - U bent overtuigd, maar u verbergt het.

De heer Renť Thissen (PSC). - Mijnheer de minister, uw eerste bewering is niet correct. Naar uw zeggen wou u de federale staat realiseren. Het ontwerp dat we vandaag bespreken, leidt veeleer tot een confederale staatsstructuur.

Ik zal hierover nu niet verder uitweiden. Op dit vergevorderde uur is niet eens meer de helft van de leden aanwezig.

Mijnheer de minister, u hebt enkele elementen van het verslag of van de memorie van toelichting aangehaald. U hebt uw standpunt niet verdedigd en onze vragen niet beantwoord.

U hebt onder meer gesproken over de buitenlandse handel. U hebt gezegd dat u de sedert 1993 aan de gewesten toegekende bevoegdheden zou uitbreiden. U vergeet hierbij evenwel dat het agentschap, dat zal blijven bestaan, slechts over zeer weinig middelen zal beschikken. U vergeet ook dat de ondernemingen zich niet meer rechtstreeks tot een federaal agentschap zullen kunnen richten, maar dat hun contacten via de gewesten moeten verlopen. Blijkbaar denkt men dat dit de beste manier is om de buitenlandse handel te ontwikkelen.

In uw betoog over de ontwikkelingssamenwerking had u de grootste moeite om uw lachen te bedwingen. Als u had gehoord wat uw boezemvriend, de heer Dallemagne, over ontwikkelingssamenwerking heeft gezegd, zou u niet in alle ernst beweren dat een werkgroep die bij bijzondere wet wordt opgericht, een vooruitgang betekent.

Over de regionalisering van de gemeentewet zullen we het hebben bij de bespreking van de amendementen. Ik ben het er niet mee eens dat de bepalingen die betrekking hebben op de overdracht van bevoegdheden, niet aan een Grondwetsherziening moeten worden onderworpen. Vůůr de verkiezingen is duidelijk gezegd dat de Grondwetsartikelen die betrekking hebben op de gemeentewet niet zouden worden herzien. U beweert dat dit de overdracht van bevoegdheden via een bijzondere wet niet in de weg staat. U schendt de bevoegdheden van de wetgever in een normale democratie.

De heer Louis Michel, vice-eerste minister en minister van Buitenlandse Zaken. - De heer Deprez dacht er anders over...

De heer Renť Thissen (PSC). - Weet u niet dat de heer Deprez al sinds 1999 niet meer bij ons is?

Hij is al een tijdje ons boegbeeld niet meer.

U beweert dat u de bescherming van de minderheden versterkt. Iedereen van goede wil, zelfs de heer Moureaux...

De heer Philippe Moureaux (PS). - Ik denk dat u hiervoor betere voorbeelden kunt aanhalen.

De heer Renť Thissen (PSC). - Iedereen, behalve dan misschien de heer Moureaux, is het er ongetwijfeld mee eens dat de bescherming van de minderheden in de Brusselse rand met dit ontwerp wordt afgezwakt.

We komen hier morgen uitgebreid op terug wanneer we onze amendementen zullen toelichten.

De nacht zal raad brengen. De regering heeft vandaag niet op ons aanbod gereageerd. We zullen daar rekening mee houden.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BLOK). - Ik wil niet in herhaling vallen, maar als ik de vice-premier zijn antwoord hoorde voorlezen, dacht ik dat we opnieuw bij zijn inleidende uiteenzetting beland waren.

Voor het Brussel-akkoord kon hij natuurlijk niet op de Memorie van Toelichting terugvallen en dus heeft hij voorgelezen uit het commissieverslag, meer bepaald uit het gedeelte met de argumentatie van minister Van den Bossche tegenover de Raad van State. Op de argumenten van de Raad van State heeft hij overigens niet geantwoord. Wel werd gesproken over een appreciatieverschil inzake het omslaan van de stemmen over de beide taalgroepen. Over het ABS-systeem is de Raad van State echter eenduidig en verklaart hij dat het niet grondwettig is en ondemocratisch is. Daarop kregen we geen antwoord. Het verbaast me dat partijen die eerder gepleit hebben voor de omvorming van het Arbitragehof tot een volwaardig grondwettelijk hof, nu de Grondwet op een nooit eerder geziene manier verkrachten.

Het debat van vandaag heeft aangetoond dat geld de kern uitmaakt van deze staatshervorming. Ik heb de Vlaamse meerderheidspartijen bijna horen zwijgen. Ik begrijp niet dat bijvoorbeeld de VLD die in de commissie Staatshervorming van het Vlaams Parlement heeft meegewerkt aan de resoluties van maart 1999, nu in de commissie bijna gezwegen heeft. Als we in de commissie naar het VLD-standpunt informeerden, verwezen ze naar het standpunt van de Franstalige meerderheidspartijen. Ik stel dus vast dat dit hoofdzakelijk een Franstalig akkoord is. De Franstalige meerderheidspartijen - en ik kan ze geen ongelijk geven - hebben zich in de commissie en in de plenaire vergadering uitgesloofd om dit akkoord te verdedigen. De Vlaamse meerderheidspartijen hebben we nauwelijks gehoord.

De jongste weken en ook vandaag heeft de reputatie van de Senaat een serieuze knauw gekregen, zeker nu we het antwoord gehoord hebben van de regering, een antwoord dat eigenlijk geen antwoord is. Als men morgen vragen stelt over het nut van de Senaat als reflectiekamer en over zijn rol inzake de staatshervorming en de grondwetsherziening, zal de Senaat dat alleen aan zich zelf te wijten hebben.

De voorzitter. - We kennen uw programma.

-De algemene bespreking is gesloten.

Samenstelling van commissies

De voorzitter. - Bij het Bureau zijn voorstellen ingediend tot wijziging van de samenstelling van bepaalde commissies:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden:

(Instemming)

We zetten onze werkzaamheden voort morgen woensdag 30 mei 2001 om 10 uur, om 14 uur en eventueel om 19 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 22.20 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heer Ceder, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.