4-25

4-25

Belgische Senaat

4-25

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 17 APRIL 2008 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Verzoekschriften

Commissie van toezicht op de verrichtingen van de Deposito- en Consignatiekas

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen en aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde evaluatie van het verbod tot het weigeren van een aansluiting van chronisch zieken en personen met een handicap bij hospitalisatieverzekeringenĽ (nr. 4-214)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet actieplan inzake de strijd tegen diabetesĽ (nr. 4-230)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęhet aanmaken van een inventaris van politiemensen met kennis van gebarentaalĽ (nr. 4-216)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en asielbeleid over ęgezondheidszorg voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingenĽ (nr. 4-223)

Vraag om uitleg van de heer Andrť Van Nieuwkerke aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over ęde overheveling van het X1-dossier naar Gent en de stand van zaken van het onderzoekĽ (nr. 4-210)

Vraag om uitleg van de heer Freddy Van Gaever aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęde Europese richtlijn 96/53/EG en de problematiek van "frontstuurtrucks"Ľ (nr. 4-229)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde terugbetaling van de verzorging en de ziekenhuiskosten van kinderen die aan kanker lijdenĽ (nr. 4-211)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde aansprakelijkheid van een huisarts die zijn patiŽnt aan een PIT (Paramedical Intervention Team) toevertrouwtĽ (nr. 4-213)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over ęhet inzetten van kantelbaktreinen (Pendolino) op de lijn Brussel-Luxemburg-StraatsburgĽ (nr. 4-212)

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Migratie- en asielbeleid over ęgezondheidszorg in gesloten centraĽ (nr. 4-218)

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęTibetaanse asielzoekersĽ (nr. 4-226)

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde mogelijkheid om een noodoproep te doen via smsĽ (nr. 4-217)

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen en aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over ęhet Label Gelijkheid DiversiteitĽ (nr. 4-195)

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over ęde Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicapĽ (nr. 4-215).

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęademanalysetoestellenĽ (nr. 4-219)

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęveiligheid in de Belgische voetbalstadionsĽ (nr. 4-222)

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęverkeersveiligheid voor fietsers en veilige fietsenĽ (nr. 4-220)

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęcrashtests uitgevoerd door Euro NCAPĽ (nr. 4-221)

Regeling van de werkzaamheden

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 15.05 uur.)

Verzoekschriften

De voorzitter. - Bij brieven van 12 en 21 maart 2008 hebben de heer Gerard Liefooghe, burgemeester van Alveringem en de heer Chris Taes, burgemeester van Kortenberg, aan de Senaat overgezonden twee moties tot herstel van de democratische en bestuurlijke organisatie van het staatsverband.

Bij brief van 2 april 2008 heeft de heer Emmanuel Douette, eerste schepen van Hannuit, aan de Senaat overgezonden een motie met betrekking tot de oprichting van een Europees strafregister.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Commissie van toezicht op de verrichtingen van de Deposito- en Consignatiekas

De voorzitter. - De Senaat dient over te gaan tot de benoeming van een van zijn leden tot lid van de Commissie van toezicht op de verrichtingen van de Deposito- en Consignatiekas.

Overeenkomstig artikel 5, tweede lid, van het koninklijk besluit nr. 150 van 18 maart 1935, beschikt de Senaat over ťťn vertegenwoordiger in de Commissie van toezicht op de verrichtingen van de Deposito- en Consignatiekas. Deze Commissie bestaat eveneens uit de eerste voorzitter van het Rekenhof, een volksvertegenwoordiger gekozen door de Kamer en twee leden benoemd door de Koning. De Commissie wordt reeksgewijze om de drie jaar hernieuwd.

Aangezien de vorige vertegenwoordiger geen lid meer is van de Senaat, verzoekt de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn de Senaat om ťťn van zijn leden aan te wijzen om dit mandaat in te vullen voor een periode van twee jaar, met ingang van 1 januari 2008.

Het Bureau stelt voor de heer Wille aan te wijzen. (Instemming)

Bijgevolg verklaar ik de heer Wille verkozen tot lid van de Commissie van toezicht op de verrichtingen van de Deposito- en Consignatiekas.

Hiervan zal kennis worden gegeven aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet statuut van huisartsen in opleidingĽ (nr. 4-223)

Mondelinge vraag van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet statuut van huisartsen in opleidingĽ (nr. 4-230)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Reeds jaren wordt aan de huisartsen in opleiding, de vroegere hibo's, nu haio's, een nieuw statuut beloofd. Het statuut van schijnzelfstandige met beperkte sociale bescherming en een laag basisloon waarin de haio's al jaren werken, voldoet niet. Vorig jaar kwam de hele zaak na een actie van de laatstejaarsstudenten geneeskunde en van het hiboforum in een stroomversnelling. Krachtens een koninklijk besluit dat op 3 juni 2007 in het Belgisch Staatsblad verscheen, zou vanaf juli 2008 een nieuw statuut voor de haio's moeten gelden.

Het nieuwe statuut biedt een betere sociale bescherming bij ziekte, invaliditeit en zwangerschaps-, moederschaps- en vaderschapsverlof.

Het biedt een billijke verloning die vergelijkbaar is met die van de artsen-specialisten in opleiding. Het maakt ook een einde aan de juridische onzekerheid en biedt werkvoorwaarden die een evenwicht tussen professionele en vrije tijd garanderen.

Nu vernam ik afgelopen weekend in de pers dat de minister van plan is om de uitvoering van het koninklijk besluit uit te stellen en om een nieuw koninklijk besluit te nemen.

Wat is de reden voor een eventueel uitstel?

Vreest de minister niet dat een nieuw uitstel de aantrekkelijkheid van het beroep van huisarts, dat nu al sterk onder druk staat, verder zal aantasten met alle gevolgen van dien voor de gso, de opleiding tot geneesheer-specialist?

Artikel 4 van het koninklijk besluit van 3 juni 2007 beperkt de bevoegdheid van de minister van Sociale Zaken tot de uitvoering van het desbetreffend besluit. Heeft de minister voor een eventuele wijziging en/of uitstel het akkoord van de Ministerraad?

Wanneer zou het nieuwe statuut in werking treden?

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - In het regeerakkoord staat dat de huisartsengeneeskunde cruciaal is voor de toekomst van een menselijke en betaalbare gezondheidszorg. Eťn van de pijnpunten in de organisatie van de huisartsengeneeskunde is het statuut van de huisartsen in opleiding, een probleem dat al jaren aansleept.

Minister Demotte nam in 2007 een koninklijk besluit waarin, na overleg met alle partners, een nieuw statuut is uitgewerkt. Dat statuut zou vanaf augustus 2008 in werking treden.

De minister besliste echter om de uitvoering van dit besluit op grond van juridische bezwaren met een jaar uit te stellen.

Waarom herbekijkt de minister de beslissing van haar voorganger? Over welke juridische bezwaren heeft ze het?

Het aanvankelijke voorstel was van de hand van minister Demotte, een minister van dezelfde signatuur als mevrouw Onkelinx. Wat heeft het kabinet ertoe bewogen om van standpunt te veranderen?

Wegen de eventuele juridische bezwaren wel op tegen de onzekerheid van de haio's over hun onzeker statuut van schijnzelfstandige dat mogelijk nog een jaar langer wordt toegepast?

Wegen die bezwaren op tegen het voortduren van de discriminatie tussen haio's en gso's? Die laatsten hebben namelijk al jaren een duidelijk en rechtszeker sociaal statuut met een duidelijke financiering.

Wegen die bezwaren op tegen het terugkerend verlies van een aantal gemotiveerde kandidaat-huisartsen, die toch maar kiezen voor het duidelijke en meer attractieve statuut van specialist?

Wat met de overgangsmaatregel die ťťn jaar van kracht bleef en waarvoor het RIZIV op aansturen van minister Demotte het vereiste budget had uitgetrokken?

Vervalt dat budget als het oude statuut verder van toepassing blijft?

Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het koninklijk besluit van 3 juni 2007 voerde inderdaad een nieuw statuut in voor de huisartsen in beroepsopleiding en moest op 1 juli 2008 in werking treden.

Mijn medewerkers hebben alle betrokken terreinactoren ontmoet, namelijk de universitaire centra die verantwoordelijk zijn voor de opleiding, de stagemeesters, de huisartsen en de toekomstige huisartsen in opleiding, alsook de vertegenwoordigers van de medische syndicaten.

Het was enerzijds zeer moeilijk om in enkele weken een statuut af te ronden dat voor alle actoren aanvaardbaar was en anderzijds blijven er nog juridische onzekerheden, want het nieuwe statuut kan niet ingevoerd worden zonder diverse aspecten van de arbeidswetgeving te wijzigen.

Daarom heb ik voorgesteld om de inwerkingtreding uit te stellen tot uiterlijk 1 juli 2009. De wijziging van het besluit zal binnenkort aan de Ministerraad worden voorgelegd.

Ik bevestig dat het nieuwe statuut de sociale bescherming van de huisartsen in opleiding zal verbeteren, en dat ze ook de garantie zullen krijgen op een billijker loon. We moeten dat kaderen in een pedagogische context, de functie van de stagemeesters herwaarderen en de centrale rol van de universitaire centra voor huisartsengeneeskunde herbevestigen.

Ik heb mijn medewerkers opgedragen om alle juridische oplossingen in die zin te bestuderen en het overleg met alle terreinactoren voort te zetten om de details van dit nieuwe statuut van de huisartsen in opleiding zo snel mogelijk af te ronden.

De studenten kiezen voor de huisartsengeneeskunde op het einde van het zesde jaar. Het behoud van het huidige statuut zal geen invloed hebben op het aantal artsen dat in oktober 2008 de periode van assistent zal aanvatten. Zodra het nieuwe statuut klaar is, zullen de assistenten in opleiding bovendien kunnen kiezen voor het statuut dat hun het meest geschikt lijkt.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik zou de bevoegde minister toch willen vragen te voorkomen dat het nieuwe statuut pas over een jaar wordt ingevoerd.

Ik begrijp dat het koninklijk besluit moeilijk kon worden ingevoerd omdat er zo lang geen regering is geweest, maar ik zou toch willen vragen om in de volgende maanden alles in het werk te stellen om het uiterlijk op 1 september van dit jaar in werking te doen treden. Dan begint immers een nieuwe lichting aan de opleiding bij een huisarts. Zo zou er niet automatisch een jaar uitstel zijn, maar slechts twee maanden, wat voldoende zou moeten zijn om de juridische problemen op te lossen en goede uitvoeringsbesluiten op te stellen.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Ik ben het eens met collega Vankrunkelsven. De minister heeft gezegd dat er in juli 2009 een nieuwe regeling zou komen voor de huisartsen in opleiding. Ook ik vind dat veel te laat. De studenten moeten nu kiezen welke opleiding ze zullen volgen: huisarts of specialist. De huisartsen staan al onder druk. In het belang van de geneeskunde in het algemeen is het dus van belang dat zo snel mogelijk een nieuwe regeling wordt ingevoerd. We hebben daarvoor nog tijd tot eind mei; dan moeten de kandidaat-artsen kiezen tussen een opleiding voor huisarts of voor specialist. Het is mij ook niet duidelijk of, indien de regeling pas ingaat in juli 2009, de overgangsmaatregel in voege blijft. De minister moet begrijpen dat ze het de huisartsen in opleiding moeilijk maakt door beslissingen uit te stellen. Die zijn ontevreden en willen snel duidelijkheid. Als die er niet snel komt vrees ik voor problemen in september.

Mondelinge vraag van de heer Jacques Brotchi aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde 434 geneesheren die uit het buitenland zijn gekomen in 2007Ľ (nr. 4-224)

De voorzitter. - Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Jacques Brotchi (MR). - In 2007 zijn 434 buitenlandse artsen naar BelgiŽ gekomen om het tekort aan artsen aan te vullen. Ik heb hier al meermaals het tekort aan artsen aan de kaak gesteld en erop gewezen dat de quota moeten worden verhoogd.

Door de opening van de grenzen en de erkenning van de Europese diploma's komen steeds meer buitenlandse artsen zich in ons land specialiseren en vestigen. Die artsen worden niet door de Belgische quota gehinderd. Er worden steeds meer visa afgeleverd aan artsen met een buitenlands diploma. In 2006 begonnen 106 buitenlandse artsen een praktijk. Dat is 12,1% van het aantal artsen dat een praktijk startte. In 2007 kregen 434 buitenlandse artsen de toestemming om hun beroep in BelgiŽ uit te oefenen, van wie meer dan een derde definitief, terwijl slechts 700 afgestudeerde Belgische artsen in aanmerking kwamen voor een RIZIV-nummer.

Ik wil het vrije verkeer van personen en goederen in Europa niet op de helling zetten. We moeten er ons bewust van zijn dat de buitenlandse artsen een objectief tekort aanvullen. Onze ziekenhuizen kampen met een tekort aan artsen. Als een dienst in vervangingen moet voorzien en geen Belgische artsen vindt, werft het ziekenhuis buitenlandse artsen. De patiŽnten moeten immers verzorgd worden.

In ons land zien jonge studenten geneeskunde hun ambities sterk beperkt door de numerus clausus en de contingentering.

De situatie is paradoxaal: enerzijds wordt onze jongeren de toegang tot het beroep ontzegd en anderzijds doet men een beroep op buitenlandse artsen om de leemten op te vullen en de verzorging te kunnen voortzetten.

Zal de minister hier regulerend optreden? Zo ja, welke maatregelen zal ze nemen? Hoe ziet ze de onmiddellijke toekomst in deze ingewikkelde situatie?

Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.

In 2007 werden volgens de officiŽle cijfers van de diensten van Volksgezondheid, die elk jaar de visa afleveren voor de uitoefening van de geneeskunde in BelgiŽ, 421 visa uitgereikt. Deze cijfers waren tamelijk stabiel, ongeveer 130 per jaar tot in 2004, 170 in 2005 en 241 in 2006.

In 2007 werd 30% van de visa uitgereikt aan Roemeense artsen.

Deze stijging wordt in heel West-Europa waargenomen en gaat gepaard met het vrije verkeer van artsen uit een aantal Oostbloklanden die de jongste jaren tot de Europese Unie zijn toegetreden.

We zullen dit fenomeen uiteraard van nabij moeten blijven volgen en er rekening mee houden als we nadenken over de planning van het medische aanbod.

Een aantal artsen vraagt ook een visum voor ťťn of meer jaren opleiding. We moeten ook rekening houden met de stroom Belgische artsen die zich in een ander land vestigen, vooral in Frankrijk.

Nog voor deze cijfers werden meegedeeld, heb ik de afgelopen weken een nieuw koninklijk besluit opgesteld over de planning van het medische aanbod. Dat moet voor het einde van het academiejaar worden afgekondigd. Dat koninklijk besluit omvat niet alleen een belangrijke verhoging van de quota tot 2018, maar ook de mogelijkheid voor de 1.100 overtallige studenten om via een aanpassingsmaatregel een RIZIV-nummer te bekomen.

Als de analyse van het artsenkadaster begin 2009 afgerond zal zijn, zal de planningscommissie vraag en aanbod beter op elkaar kunnen afstemmen.

De heer Jacques Brotchi (MR). - Het verheugt me dat de minister zich bewust is van het probleem. Men moet heel snel corrigerend optreden. Jonge mensen die absoluut arts willen worden, begrijpen niet dat voor hen de deuren gesloten blijven, terwijl men een beroep doet op buitenlandse artsen.

Ik weet dat ook Belgische artsen naar het buitenland gaan werken, vaak omdat ze er beter betaald worden dan hier. Men zou het statuut van de ziekenhuisarts aantrekkelijker moeten maken. Het is evenwel nogal tegenstrijdig enerzijds het aantal RIZIV-erkenningen te beperken en anderzijds buitenlandse artsen toe te laten voor de continuÔteit van de verzorging. De planningscommissie heeft het aantal artsen tot in 2013 vastgelegd. Het zou beter zijn niet zo lang te wachten en het contingent nu al aan te passen. Het zou een oplossing zijn voor de jonge studenten. Voor hen is de situatie immers bijzonder onaangenaam. Eerst wordt de numerus clausus opgeheven en nadien weer ingevoerd.

Mondelinge vraag van de heer Pol Van Den Driessche aan de eerste minister over ęde vermeende commerciŽle activiteiten van prins LaurentĽ (nr. 4-236)

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Ik ben bijzonder blij dat ik de kans krijg deze vraag te stellen, wat overigens niet zo evident was.

In de media is de voorbije weken gewag gemaakt van een weinig transparant netwerk van ondernemingen rond prins Laurent. De prins zou drie ondernemingen hebben opgericht die milieu en energie promoten. Voorts zou de naam van de prins opduiken in het kader van vastgoedbedrijven waarvan er twee uitsluitend gericht zijn op de verkoop en de verhuur van woningen.

De prins zou zelf geen bestuurder of aandeelhouder zijn, maar wel voorzitter van een organisatie die aandelen heeft. Een notaris die wordt genoemd in minder frisse zaakjes, zou de spilfiguur zijn van al die constructies.

Ikzelf wil geen oordeel vellen over genoemde zaken en/of beweringen. Toch vind ik sommige constructies verbazingwekkend. De prins ontvangt jaarlijks een niet onaardige dotatie van 312.000 euro van de gemeenschap, dus van de belastingbetaler.

De prins moet kiezen. Ofwel is hij actief in het bedrijfsleven, en daar is niets oneerbaars aan, maar dan heeft hij geen recht op een riante dotatie. Ofwel onthoudt hij zich van elke commerciŽle activiteit en alleen in dat geval kunnen we nog praten over de noodzaak en de hoogte van het bedrag dat hij als twaalfde troonopvolger mag ontvangen.

Van de eerste minister verwacht ik vooral duidelijkheid en daarom kreeg ik graag een antwoord op volgende concrete vragen.

Is prins Laurent rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken bij commerciŽle activiteiten? Heeft de eerste minister hierover contact gehad met de prins? Er wordt gezegd dat burggraaf Davignon te elfder ure een aantal zaken heeft geregeld.

Vindt de eerste minister dat de prins nog een dotatie mag ontvangen?

Moet de wet van 7 mei 2001 over de dotaties aan koningskinderen niet worden verfijnd? Ik pleit daarvoor; volgens mij hebben alleen de Koning en de kroonprins recht op een riante dotatie.

Wat zal de eerste minister ondernemen in overleg met het Parlement?

De heer Yves Leterme, eerste minister. - Dit antwoord is tot stand gekomen na contact met alle betrokkenen in het dossier, met inbegrip van prins Laurent zelf.

De eerste vraag betreft de rechtstreekse of onrechtstreekse betrokkenheid van prins Laurent bij commerciŽle activiteiten. Prins Laurent is stichter en voorzitter van de raad van bestuur van de private stichting Global Renewable Energy & Conservation Trust (Grect). Het is een stichting zonder winstoogmerk met als doel de internationale promotie van milieubeheerprojecten, de toepassing van duurzame energietechnologieŽn en de instandhouding van onroerend patrimonium. Die stichting is voor 100% aandeelhouder van de nv REC-Arlon 67 die eigenaar is van drie gebouwen in de Aarlenstraat te Brussel. De eventuele winst die de betrokken vennootschap haalt uit haar commerciŽle activiteiten, namelijk de verhuur van de betrokken gebouwen, dient voor de financiering van projecten van de Grect die een stichting zonder winstoogmerk is en op haar beurt geen lucratieve activiteiten ontwikkelt. Voor zover de commerciŽle activiteiten van REC-Arlon 67 dienen voor de financiŽle ondersteuning van projecten van de stichting is direct winstbejag niet aan de orde.

De Grect is overigens voor 75% medeaandeelhouder van de Compagnie des ťoliennes, die eigenaar is van een villa in ItaliŽ. De andere 25% van het aandeelhouderschap is in handen van prins Laurent zelf. Dat komt doordat hij voor een derde eigenaar was van de vennootschap die de villa in 2002 heeft gekocht. De stichting beraadt zich momenteel en de komende dagen en weken over haar participatie in de Compagnie des ťoliennes. Het is niet uitgesloten dat ze die participatie vervreemdt en de opbrengst gebruikt voor de financiering van de projecten die aansluiten bij het voornoemde maatschappelijk doel. Prins Laurent zal in dat geval eveneens zijn participatie in de Compagnie des ťoliennes van de hand doen.

In verband met de dotatie van de prins, herinner ik aan de motivering van de beslissing die de toenmalige regering in 2001 heeft genomen om een jaarlijkse dotatie toe te kennen aan prins Laurent. Dat gebeurde, volgens de verklaringen van de minister van FinanciŽn bij de bespreking van het desbetreffende wetsontwerp, `om een punt te zetten achter de huidige gang van zaken, waarbij prins Laurent een bezoldiging ontving vanuit het Koninklijk Instituut voor het duurzaam beheer van de natuurlijke rijkdommen en de bevordering van de schone technologie', beter bekend als het KINT. Als voorzitter van de Vlaamse regering heb ik trouwens meegewerkt aan een uitklaring van de financiŽle verhoudingen tussen de Vlaamse regering en het KINT en daar is toen orde op zaken gesteld.

De wet van 13 november 2001 die door Kamer en Senaat is goedgekeurd, bevat geen voorwaarden voor het uitbetalen en het verlenen van de dotatie en stelt ook geen beperkingen aan de aanwending ervan. Juridisch zijn er dus geen beperkingen aan de vrijheid van de leden van de koninklijke familie om bepaalde activiteiten te ontwikkelen. Dat neemt niet weg dat het ontwikkelen van commerciŽle activiteiten duidelijk onverenigbaar is met het ontvangen van een dotatie.

Wat betreft een eventuele wijziging van de wet van 7 mei 2000 over de dotatie aan de koningskinderen, komt het aan de wetgever toe te oordelen of dat wenselijk is. In dat verband wil ik eraan herinneren dat de Senaat op 18 oktober 2001 heeft beslist om in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden een werkgroep op te richten belast met de voorbereiding van een voorstel over de dotaties ten gunste van de leden van de koninklijke familie. Ik heb geen weet van resultaten die de werkgroep zou hebben bereikt.

Aangezien het parlement uiteindelijk de dotatie toekent, is het ook aan het parlement, indien dat wenselijk of noodzakelijk wordt geacht, om controle uit te oefenen op de aanwending van de dotatie. Het parlement ontvangt zelf ook een dotatie. Voor de controle daarvan zijn ook geen bijzondere regels voorhanden. Maar indien men bij de uitvoering van de betrokken wet van oordeel zou zijn dat daar controlemechanismen moeten worden ingevoerd, komt het de Kamer en de Senaat toe om ter zake een initiatief te nemen.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V-N-VA). - Uit het antwoord van de eerste minister leid ik af dat hij het parlement uitnodigt een initiatief te nemen om de wet aan te passen. De wet van 2001 houdt een regeling in voor de huidige volwassen kinderen van de koning. Als er een nieuwe koning komt, moet de wet hoe dan ook worden aangepast.

De heer Yves Leterme, eerste minister. - Ik heb niets toe te voegen aan mijn antwoord. Het parlement moet daarover in wijsheid oordelen.

Mondelinge vraag van de heer Marc Elsen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde opvang van kinderen en jongeren in psychiatrische diensten in BelgiŽĽ (nr. 4-226)

De voorzitter. - Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid, antwoordt.

De heer Marc Elsen (cdH). - De opvang van jonge patiŽnten in de psychiatrie is in ons land sterk verbeterd. Er lijkt stilaan een begeleidingssysteem tot stand te komen.

In antwoord op een vraag die vorige donderdag in het Parlement van de Franse Gemeenschap werd gesteld, had mevrouw Catherine Fonck, minister van Gezondheid, Kinderwelzijn en Hulpverlening aan de Jeugd, het over drie zogenaamde For K-eenheden waar adolescenten met een gerechtelijk dossier worden opgevangen. Twee eenheden zullen worden geopend in 2008 en 2009. Er was ook sprake van beschermd wonen en zorgtrajectcoŲrdinatoren. Constateert de minister eveneens een positieve evolutie? Wat is haar standpunt hieromtrent?

UNICEF BelgiŽ volgt dit programma vanaf het begin, vooral met betrekking tot de vraag in hoever rekening wordt gehouden met de wensen van de jongeren en hun plaats in het zorgproces. De erkenning van het empowerment van de patiŽnt, zijn inspraak in het begeleidings- en zorgproces is immers van fundamenteel belang.

De mensen die deze kinderen en jongeren beroepshalve begeleiden, doen schitterend werk. Dat mag in een plaats als de Senaat wel eens worden onderstreept.

De conclusies van het UNICEF-rapport bevestigen dat jongeren die in een K-eenheid worden opgevangen, zich als patiŽnt moeilijk kunnen laten gelden. Toch is dat heel belangrijk, temeer omdat het om jongeren in moeilijkheden gaat.

Het rapport onderstreept het volgende: `Participatierechten worden tegenwoordig algemeen gestimuleerd door het beleid in BelgiŽ. Er moet echter over gewaakt worden dat deze van bovenaf opgelegde participatie wel leidt tot ťchte participatie door kinderen. Participatie wordt mede mogelijk gemaakt door bepaalde structuren (zoals groepsvergaderingen of leefgroepraden) in het leven te roepen. Maar veel meer dan om een structuur gaat het om een cultuur. Zowel kinderen als volwassenen moeten begeleid worden bij het leren wat participatie is en hoe dit abstracte concept concreet gemaakt kan worden en in de praktijk kan worden gebracht.'

Wat wordt gedaan om een participatiecultuur aan te moedigen bij jongeren met psychiatrische problemen die gedwongen opgenomen worden? Hoe worden de personen die beroepshalve jongeren begeleiden die een psychiatrische behandeling volgen, daarbij betrokken? Dat impliceert: plaatsing als laatste redmiddel in de zin van artikel 37 van het VN-Kinderrechtenverdrag, een zo weinig mogelijk ingrijpende behandeling, waarbij het leven in het ziekenhuis zo goed mogelijk het leven buiten het ziekenhuis benadert, het recht hebben deel te nemen aan de beslissingen in de zin van artikel 12 van het Kinderrechtenverdrag en het regelmatig opnieuw evalueren van hun plaatsing in de zin van artikel 25 van het Kinderrechtenverdrag.

Mevrouw Julie Fernandez Fernandez, staatssecretaris voor Personen met een handicap, toegevoegd aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik ben het met u eens dat de opvang en de specifieke behandeling van kinderen en jongeren met psychische problemen in de positieve richting evolueren. Ik zal dit in de toekomst voort ondersteunen.

Mijn beleid inzake kinder- en jeugdpsychiatrie zal gebaseerd zijn op de gemeenschappelijke verklaring van 24 juni 2002 van de ministers van Volksgezondheid en Sociale Zaken over het toekomstige beleid inzake de geestelijke gezondheidszorg.

Op termijn zullen in de geestelijke gezondheidszorg zorgcircuits en zorgnetwerken worden gecreŽerd voor de groepen die opgenomen zijn in de gemeenschappelijke verklaring.

Bovendien zullen de tien punten van UNICEF BelgiŽ voor de eerbiediging van de rechten van kinderen in de psychiatrie binnenkort worden besproken op een vergadering van de interkabinettenwerkgroep Taskforce GGZ.

Op korte termijn zullen inspanningen worden gedaan voor kinderen en jongeren die nood hebben aan opvang, begeleiding en behandeling in de geestelijke gezondheidszorg. Het aantal deelnemers aan de proefprojecten `GGZ-jeugd met betrekking tot psychiatrische zorg aan patiŽnten in de thuissituatie door middel van outreaching' en `de GGZ-jeugd voor personen met gedragsproblemen die zich uiten in agressief gedrag' zal worden uitgebreid.

Bovendien zal het proefproject `Aanbod van een intensieve klinische behandeling voor delinquente jongeren met een psychiatrische problematiek' in de praktijk worden ontwikkeld.

Wat het aanmoedigen van een participatiecultuur in de geestelijke gezondheidszorg voor kinderen en jongeren in het algemeen betreft, werden een groot aantal aanbevelingen van het Kinderrechtenverdrag, evenals de tien punten van UNICEF-BelgiŽ al omgezet in een concrete regelgeving.

Een eerste stap in de richting van een echte autonomie voor minderjarigen en kinderen werd mogelijk dankzij de wet van 22 augustus 2002 betreffende de rechten van de patiŽnt. Deze wet erkent dat de minderjarigen en de kinderen zelf hun rechten als patiŽnt kunnen laten gelden als ze in staat zijn hun belangen redelijk te verdedigen.

De jongere kan in elk geval zijn rechten laten gelden, rekening houdend met zijn leeftijd en maturiteit. De minderjarige moet bijgevolg over een zekere autonomie beschikken, rekening houdend met het specifieke karakter van de behandeling.

Afhankelijk van zijn leeftijd en maturiteit kan de minderjarige op grond van de voormelde wet zijn rechten als patiŽnt laten gelden, zoals het recht op informatie over zijn gezondheidstoestand, het recht om zijn patiŽntendossier in te kijken of er een kopie van te ontvangen, het recht op het respecteren van zijn privťleven.

Zoals de heer Elsen weet, vallen bepaalde aanbevelingen van UNICEF niet onder mijn bevoegdheid.

De heer Marc Elsen (cdH). - Ik dank de staatssecretaris voor het antwoord.

Mijn vraag had betrekking op twee aspecten van een problematiek die zich verder zal ontwikkelen. Het doel is de evolutie vanaf het begin goed te volgen en na te gaan of de doelstellingen worden bereikt. Ik wil ook de goede samenwerking tussen de federale overheid en de gemeenschappen beklemtonen. Het komt er dus op aan deze samenwerking voor te zetten en uit te breiden, want dat is de beste garantie om de aanpak van dit probleem te stroomlijnen.

Het probleem dat UNICEF naar voren brengt en waaraan mevrouw de staatssecretaris refereert, is niet nieuw. Het is in elk geval nuttig een aantal belangrijke aspecten in de aanpak van deze jongeren te accentueren, zodat ze tegelijkertijd actief kunnen participeren en hun rechten als patiŽnt kunnen laten gelden, net als andere patiŽnten. Het gaat niet om principiŽle factoren, maar om elementen die noodzakelijk zijn voor de verdere ontwikkelingen. Dat is de opzet van deze bepalingen.

Zoals de staatsecretaris zei, zijn een aantal aanbevelingen van het Kinderrechtenverdrag al in concrete maatregelen omgezet. Belangrijk is dat ze ook concreet worden toegepast. In bepaalde gevallen weerspiegelt de regelgeving wel de opzet, maar verloopt de uitwerking op het terrein niet altijd even vlot.

We zullen deze belangrijke problematiek blijven volgen en er zeker op terugkomen.

Mondelinge vraag van mevrouw Martine Taelman aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen over ęhet bouwen van nieuwe gevangenissenĽ (nr. 4-225)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn, antwoordt.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - In het recente beleidsplan van minister van Justitie Vandeurzen wordt zwaar ingezet op de strafuitvoering en wordt verwezen naar een masterplan van de gevangenisinfrastructuur. In mei 2006 stelde de vorige regering een plan voor waarin 1.170 nieuwe cellen werden gepland. Daarin werd gewag gemaakt van 200 nieuwe plaatsen in Brussel, 270 plaatsen voor geÔnterneerden in Gent, 126 plaatsen voor geÔnterneerden in Antwerpen en 300 nieuwe plaatsen in Namen.

Op 11 maart 2008 zei minister Vandeurzen in de Kamercommissie Justitie dat hij drie nieuwe gevangenissen wil bouwen met 300 cellen in elk gewest, Vlaanderen, Brussel en WalloniŽ.

In de pers vernam ik deze week dat de Waalse jeugdinstelling, die oorspronkelijk in Florennes zou komen, uiteindelijk in AchÍne gerealiseerd zal worden. In AchÍne zouden echter problemen zijn met de helling van de heuvel waarop de instelling gebouwd zou worden. Begin deze maand liet de minister weten dat er geen uitbreiding komt van de gevangenis in Merksplas met 370 cellen. Ook een extra prefab constructie met een capaciteit van 47 gevangenen lijkt onhaalbaar. Over de kazerne in Herentals, die omgevormd zou worden tot een gevangenis, doet het gerucht de ronde dat die er niet komt. In Turnhout komt een nieuwe vleugel op de huidige parkeerplaats. De gevangenis ligt echter in het centrum van de stad en parkeerproblemen zijn niet uitgesloten. In Merksplas daarentegen is er wel plaats en zou uitgebreid kunnen worden in de zone die voor de gevangenis is bestemd.

Klopt het dat het project voor de te bouwen gevangenis in Herentals werd afgevoerd? Zo ja, waarom? Wanneer zal de bouw van de extra vleugel in Turnhout beginnen? Zoekt de Regie der Gebouwen met de stad Turnhout naar een oplossing voor de parkeerproblemen? Bestaat er een budget voor dit dossier en zo ja, hoeveel bedraagt het? Waarom werd de uitbreiding van de gevangenis van Merksplas afgevoerd? Hoeveel bijkomende gevangeniscapaciteit wordt netto toegevoegd aan de bestaande plannen uit de vorige regering? Zal de Regie der gebouwen erin slagen om naast de al geplande capaciteitsuitbreiding die de vorige regering besliste, 1.500 extra cellen te creŽren in 24 maanden? Zo ja, dan zullen we de minister daarin steunen. Zo niet, wat zijn de redenen hiervoor?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris, toegevoegd aan de minister van FinanciŽn. - Ik lees het antwoord van minister Reynders.

Het project om in Herentals een gevangenis te bouwen, was een van de mogelijkheden om de gevangeniscapaciteit uit te breiden. Justitie heeft het project-Herentals om meerdere redenen afgevoerd. Er waren technische problemen voor de beveiliging. Ook de geografische spreiding klopte niet; Herentals is niet centraal gelegen in Vlaanderen. Ten slotte kwam het project niet volledig tegemoet aan de noden.

Momenteel loopt de studie voor de bouw van een extra vleugel in Turnhout. De aanbesteding is gepland voor eind dit jaar, zodat de bouw in het voorjaar van 2009 kan worden aangevat. In nauw overleg met de stad Turnhout worden vier mogelijkheden bestudeerd om de parkeercapaciteit significant uit te breiden. Aangezien we nog maar in de studiefase zitten, is het moeilijk definitieve budgetten vast te leggen. In het meerjarenplan justitie, dat op 18 april 2008 aan de Ministerraad wordt voorgelegd, is voor 2008 een budget van acht miljoen vastgelegd.

In Merksplas zal een cellenblok met zestig eenheden worden bijgebouwd. Het gaat dus om een nieuwe constructie en dus niet om de befaamde gevangenis die vanuit Nederland zou overkomen. Op het terrein is ook nog ruimte om een grotere nieuwbouw op te richten. De Regie der Gebouwen heeft deze technische optie voorgesteld. Justitie heeft de optie-Merksplas voorlopig niet als prioritair aangemerkt. Door zijn geografische ligging beantwoordt Merksplas niet aan de actuele behoeften.

Dan kom ik bij de vragen over de extra gevangeniscapaciteit. De ministers van Justitie en van FinanciŽn zullen de Ministerraad een voorstel doen met betrekking tot het aantal plaatsen dat wordt toegevoegd aan de plaatsen die reeds door de vorige regering waren gepland.

Hierbij worden deels de plannen van de vorige regering overgenomen. Zo komen er in Antwerpen en Gent inrichtingen voor geÔnterneerden met respectievelijk 120 en 270 plaatsen. In Dendermonde komt een klassieke gevangenis met 440 plaatsen. In WalloniŽ komen een nieuwe gevangenis met 300 plaatsen en een jeugdinstelling met 126 plaatsen. Voor die jeugdinstelling wordt AchÍne voorgesteld in plaats van Florennes omdat het daar wel mogelijk is een kleinere inrichting te bouwen.

Daarnaast worden ook voorstellen gedaan om de celcapaciteit te vergroten door middel van renovatie, uitbreiding op de bestaande sites en twee inrichtingen van telkens 300 cellen.

De Regie der gebouwen zal alles in het werk stellen om de capaciteit tussen nu en 2012 uit te breiden. Voor de nieuwe gevangenissen rekent de Regie twee en een half jaar voor de studie en twee jaar voor de werken.

Mevrouw Martine Taelman (Open Vld). - Ik dank de staatsecretaris en de minister voor het zeer precieze antwoord.

Mondelinge vraag van mevrouw Olga Zrihen aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde hervorming van de civiele veiligheidĽ (nr. 4-227)

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Men is begonnen met een van de eerste fasen in de hervorming van de diensten van de civiele veiligheid: de territoriale afbakening van de veiligheidszones.

Momenteel worden de burgemeesters in provinciale raadgevende comitťs geraadpleegd. De mandatarissen werpen daarbij onder andere op dat ze niet over financiŽle gegevens beschikken en evenmin over instrumenten om de begroting voor de verschillende voorgestelde scenario's te simuleren.

De burgemeesters vrezen dat de hervorming van de brandweer veel zal kosten. De wet van 15 mei 2007 houdende hervorming van de civiele veiligheid bepaalt dat de hervorming financieel neutraal moet zijn. Een ezel stoot zich inderdaad geen tweemaal aan dezelfde steen.

Mijnheer de minister, zou u de gouverneurs, die de provinciale raadgevende comitťs voorzitten, een instrument kunnen bezorgen waarmee ze de begrotingen voor de verschillende voorgestelde scenario's kunnen simuleren?

Kunt u overigens garanderen dat op de federale begroting voldoende middelen worden uitgetrokken om de meerkosten van de brandweerhervorming te dekken?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Mijn diensten hebben wel degelijk een studie besteld om te weten hoeveel het zal kosten om veiligheidszones in te voeren en er administratief personeel voor in dienst te nemen. Afhankelijk van de grootte van de zone houdt de studie rekening met drie scenario's.

De eerste resultaten van de studie die wordt uitgevoerd door de firma Deloitte, zijn bemoedigend. Ze tonen aan dat de schaalvoordelen optimaal zijn als het grondgebied van een veiligheidszone overeenstemt met dat van een provincie.

De resultaten van de studie zijn echter nog slechts gedeeltelijk en de firma moet ze nog vervolledigen en verfijnen alvorens we ze kunnen gebruiken. In zijn huidige vorm kan dat instrument dus evenmin dienen voor begrotingssimulaties.

Mijn departement beschikt eveneens over statistieken en over een studie van de firma Deloitte over de huidige kosten van de brandweer. De gouverneurs beschikken al over die documenten. Ze kunnen ze dus gebruiken voor de werkzaamheden van de raadgevende comitťs.

De federale begroting 2008 voor de brandweerdiensten is overigens gestegen. Aangezien op jaarbasis wordt begroot, kan ik geen absolute garanties bieden voor de komende jaren. De regering zal jaar na jaar de toename van de middelen voor de civiele veiligheid moeten goedkeuren overeenkomstig de afspraken met alle politieke fracties die de wet van 15 mei 2007 betreffende de civiele veiligheid hebben goedgekeurd.

In het comitť van de provincieraad van Henegouwen waren sommige burgemeesters zelfs voorstander van een provinciale zone. Voor het overige draaiden de vragen net als in de andere provincies rond de financiŽle weerslag.

De bezorgdheid van de burgemeesters over de kosten van de hervorming van de civiele veiligheid kan ik alleen maar delen.

Ik heb altijd gezegd dat de federale regering de extra kosten van de hervorming voor haar rekening zou nemen en het regeerakkoord bevestigt dat.

Artikel 67 van de wet bevat een waarborg: zolang de 50/50-verhouding niet is bereikt, moeten de gemeenten niet meer bijdragen dan ze vandaag doen. Dat is veeleer een blanco cheque voor de federale regering dan voor de gemeenten.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - Wij hopen dat het om echte waarborgen gaat. Overweegt u eerlang een ontmoeting met de provinciegouverneurs of met de burgemeesters uit de verschillende provincies?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ik heb gisteren in de Kamercommissie voor de Binnenlandse Zaken gezegd dat ik dat inderdaad van plan ben. De gouverneurs hebben een pak werk verricht.

Nu de werkzaamheden volop aan de gang zijn, ben ik voornemens volgende week de Vereniging van Steden en Gemeenten te ontmoeten en ik zal alle provincies aandoen om ter plaatse van gedachten te kunnen wisselen.

Mevrouw Olga Zrihen (PS). - De termijnen maken het moeilijk. Om de veertien dagen moet een vergadering plaatsvinden om tot akkoorden te komen. Zullen die termijnen geŽerbiedigd worden?

De heer Patrick Dewael, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken. - Ze horen geŽerbiedigd te worden. Voor sommige provincies heb ik eenparig aangenomen besluiten ontvangen. De vorming van de zones is ťťn zaak. De financiŽle aspecten en de onderhandelingen over het statuut nemen wat meer tijd in beslag. We zijn daarmee momenteel bezig. Zodra ik over alle elementen beschik, kunnen we globale onderhandelingen aanvatten.

Mondelinge vraag van mevrouw Nele Jansegers aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid en aan de staatssecretaris voor Begroting en Gezinsbeleid over ęhet stijgende aantal jongeren met psychische problemenĽ (nr. 4-235)

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - In ons land zijn er steeds meer jonge mensen die het niet meer zien zitten, die lijden aan depressies of zelfs zelfmoordplannen hebben. Een leerling per week pleegt effectief zelfmoord.

Volgens neuropsychiater en depressiespecialist Bob Vansant kweken we een generatie die niets meer aankan. Heel wat dertigers kampen al met een burn-out. Opmerkelijk is zijn pleidooi om vaders en moeders de mogelijkheid te geven thuis te blijven voor de opvoeding van hun kinderen. Die vrijheid hebben ze vandaag niet, aldus Vansant. Het geld dat wordt vrijgemaakt voor kinderopvang noemt hij `geld dat depressies kweekt'. Kinderen worden veel te jong aan hun lot overgelaten. Ze worden meteen na de geboorte al afgestaan voor adoptie aan de kindercrŤche, terwijl ze op dat moment heel veel geborgenheid, liefde en nestwarmte nodig hebben, zegt Vansant.

Sta me toe nog een van zijn uitspraken te citeren: `Studies bevestigen telkens opnieuw dat een kind onder de 3 jaar niet in een groep thuishoort. Dat kind heeft een hechtingsfase nodig.' Vansant verwijst ook naar een Engels onderzoek waarbij 78% van de vrouwen zegt thuis te blijven als ze financieel geen nadeel zouden hebben om hun kind jonger dan drie jaar op te voeden.

De uitspraken van de heer Vansant worden door andere specialisten genuanceerd, maar alvast niet tegengesproken. Kinderpsychiater Lieve Swinnen stelt onder meer: `Driewerf hoera als deze - weliswaar erg ongenuanceerde - uitspraak politici ertoe aanzet eindelijk eens werk te maken van een loon voor vrouwen of mannen die willen investeren in de toekomst van hun kinderen door thuis te blijven. Of dat vrouwen hier eindelijk na hun bevalling - zoals in Zweden - van een jaar zwangerschapsverlof kunnen genieten.'

Er zijn momenteel enkele schuchtere maatregelen die ouders enkele bescheiden mogelijkheden bieden om enige tijd thuis te blijven om voor hun kinderen te zorgen en daarvoor een schamele vergoeding te krijgen. Denk maar aan het ouderschapsverlof, het tijdskrediet en de loopbaanonderbreking, maar deze maatregelen bieden ouders financieel en temporeel in geen enkel opzicht de vrije keuzemogelijkheid te kiezen voor werken of het opvoeden van hun kinderen, en zijn dus in genen dele te vergelijken met het opvoedersloon waarvoor deze psychiaters pleiten.

Is de staatssecretaris het eens met de stelling van de specialisten, dat het thuisblijven van een van de ouders om de kinderen op te voeden, het aantal kinderen met psychische problemen op termijn zou kunnen verminderen en zodoende ook het aantal zelfmoorden in ons land op termijn zou kunnen doen dalen?

Is er in ons land, zoals men dat in Engeland heeft gedaan, de voorbije tien jaar onderzoek verricht omtrent het al dan niet bestaan van een reŽle vraag bij de ouders voor de invoering van een volwaardig opvoedersloon, zodat een echte keuzevrijheid tot stand kan komen voor ouders tussen werken of kinderen opvoeden, zonder daarvoor materieel en financieel te worden gestraft? Zo ja, wat zijn de resultaten daarvan?

Is de staatssecretaris bereid effectief werk te maken van een echt opvoedersloon voor ouders die thuis wensen te blijven om hun jonge kinderen op te voeden?

Welke argumenten heeft de staatssecretaris om een dergelijke regeling desgevallend af te wijzen? Op welke manier denkt hij het gebrek aan hechtingsfase dat het leven van de meeste jonge kinderen typeert te kunnen opvangen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik ben het met de specialisten eens dat ouders de kans moeten krijgen om met hun kinderen tijd door te brengen, thuis of elders. Natuurlijk moet het daarbij niet altijd om dezelfde ouder gaan of hetzelfde moment. Die tijd kan flexibel worden ingevuld door een van de ouders of afwisselend door beide.

Voor zover ik weet zijn er in BelgiŽ geen studies over het opvoedersloon uitgevoerd. Wel werd over dit onderwerp gediscussieerd tijdens de staten-generaal van het gezin en op verschillende studiedagen van bijvoorbeeld de Gezinsbond, de Ligue des familles en de verschillende internationale familieliga's. Maar over een studie en precieze cijfers voor BelgiŽ beschik ik niet.

Ik ben geen voorstander van een opvoedersloon. Volgens mij zijn er andere middelen die de gezinnen meer tijd kunnen geven. Ik lees twee paragrafen uit het regeerakkoord om aan te tonen dat het echt ons doel is de gezinnen tijd te geven om hun kinderen thuis op te voeden. Ik citeer: `De regering zal in overleg met de sociale partners, na evaluatie van het gebruik van de bestaande verlofsystemen, bestuderen hoe bepaalde verlofstelsels, zoals bijvoorbeeld het ouderschapsverlof en het adoptieverlof, sterker en toegankelijker kunnen worden en hoe het bevallingsverlof kan worden aangepast.' We zullen de huidige stelsels dus uitbreiden en toegankelijker maken. In de paragraaf over fiscaliteit en koopkracht lees ik verder dat we ook in de fiscaliteit een bijzondere aandacht voor de gezinsdimensie zullen hebben. Door maatregelen op die twee terreinen en het versterken van de bestaande middelen willen we de gezinnen meer tijd geven en ook meer koopkracht. Soms hebben gezinnen ook meer koopkracht nodig om meer tijd voor de kinderen te kunnen nemen.

Ik bevestig dat zelfmoord bij kinderen en jongeren inderdaad een probleem is in BelgiŽ, maar niet alleen de federale regering is op dat terrein bevoegd. Preventie is bijvoorbeeld een gemeenschapsbevoegdheid. De middelen die de federale regering kan uittrekken om ouders meer tijd te geven voor hun kinderen zullen natuurlijk niet alles oplossen, maar de regering wil op die manier wel haar steentje bijdragen.

Mevrouw Nele Jansegers (VB). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Uiteraard juichen wij toe dat er plannen zijn om het ouderschapsverlof uit te breiden en om in de fiscaliteit met gezinnen rekening te houden, maar we betreuren het dat de optie van het opvoedersloon, dat ouders echt de vrije keuze zou bieden tussen werken en thuis blijven voor de kinderen, niet eens wordt overwogen. Nu zelfs aan de alarmbel wordt getrokken, wil men het nog steeds niet in overweging nemen. Dat blijven we jammer vinden, want we zijn het eens met de specialisten dat het opvoedersloon werkelijk een oplossing kan bieden.

Mondelinge vraag van de heer Yves Buysse aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over ęde personeelsbezetting in de afdeling verhoogde veiligheid van de Brugse gevangenisĽ (nr. 4-234)

De heer Yves Buysse (VB). - Begin juni 2008 zou in het penitentiair complex van Brugge een superbeveiligde afdeling voor risicogevangenen operationeel moeten zijn. Kan de minister mij bevestigen dat dit in de praktijk ook zo zal zijn? Ik maak me immers nogal zorgen over de personeelsbezetting. Blijkbaar verlopen de voorbereiding en de selectie zeer moeilijk.

Hoeveel personeelsleden zijn op het ogenblik geselecteerd voor deze speciale afdeling? Is dat voldoende om van start te kunnen gaan of zal een beroep moeten worden gedaan op beambten van andere afdelingen?

Klopt het dat drie examens moesten worden uitgeschreven en dat, om toch aan het vereiste aantal te komen, de aanwervingvoorwaarden telkens versoepeld dienden te worden?

Is er al duidelijkheid over de extra premies voor de beambten die in deze risicovolle omgeving aan de slag zullen gaan? Hoeveel bedraagt deze extra vergoeding?

De heer Jo Vandeurzen, vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen. - Het complex zal begin juni 2008 operationeel zijn. De plaatsing in de afdeling voor uitvoering van individuele bijzondere veiligheidsmaatregelen zal gebeuren overeenkomstig de bepalingen van de basiswet interne rechtspositie, titel VI, betreffende orde, veiligheid en dwang. Deze bepalingen voorzien in de mogelijkheid een gedetineerde bij beslissing van de directeur-generaal in een individueel beveiligingsregime te plaatsen. De beslissing van de directeur-generaal zal worden genomen op basis van een gemotiveerd voorstel van de plaatselijke besturen, dossier per dossier.

De basiswet en de ministeriŽle omzendbrief 1792 bevatten ook de toepassingscriteria en de procedure en leggen de nadruk op het uitzonderlijke karakter van een plaatsing. Pas wanneer de al genomen bijzondere veiligheidsmaatregelen niet voldoende zijn en wanneer de veiligheid op geen andere manier gewaarborgd kan worden, kan tot een plaatsing in een individueel bijzonder beveiligingsregime beslist worden.

Op het ogenblik zijn zesentwintig penitentiair beambten geselecteerd: vijf kwartieroversten, vier penitentiair assistenten, een psycholoog, een maatschappelijk assistent en een psychiater. Met de rekrutering van een opvoeder is men nog bezig. Dit aantal is voldoende om van start te gaan. Er zal geen beroep worden gedaan op beambten van andere afdelingen.

Er waren drie rekruterings- en selectieprocedures. De algemene selectiecriteria bleven hierbij behouden, met uitzondering van de vereiste beroepservaring op het ogenblik van de indiensttreding op de afdeling. Momenteel worden de administratieve en de budgettaire procedure gevolgd. Het dossier zal binnen de normale termijn worden afgerond.

De heer Yves Buysse (VB). - Ongeveer een jaar geleden stelde ik dezelfde vraag aan de vorige minister van Justitie. Toen kreeg ik als antwoord dat het complex voor het einde van vorig jaar operationeel zou zijn. We zullen dit dossier volgen en er eventueel later op terugkomen.

Mondelinge vraag van de heer Geert Lambert aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over ęhet misbruik van biometrische gegevensĽ (nr. 4-231)

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Het gebeurt steeds vaker dat bedrijven, verenigingen of zelfs scholen biometrische gegevens zoals vingerafdrukken, irisscan en stemcontrole gebruiken om te bepalen of een persoon al dan niet in hun gebouwen binnen mag.

De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft heel duidelijk aangegeven dat die praktijken de bescherming van de privacy in gevaar brengen. Ze wijst erop dat dit soort gegevens alleen kan worden ingezameld met toestemming van de betrokken persoon en alleen als dat echt nodig is. In een recent advies wijst de commissie erop dat de biometrische gegevens niet gebruikt mogen worden voor andere doeleinden dan het toegang verschaffen en dat ze evenmin mogen worden opgeslagen. Overigens mag worden gezegd dat we weinig zicht hebben op het opslaan van biometrische gegevens voor beveiligingsmaatregelen.

Ik kreeg van de minister dan ook graag antwoord op volgende vragen. Hoe staat hij zelf tegenover het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer? Hoe denkt hij misbruik tegen te gaan en te bestraffen? Wat is de timing van zijn initiatieven?

In zijn hoedanigheid van vicepremier kan hij me wellicht ook zeggen of er nu reeds overheidsgebouwen zijn waar men biometrische gegevens gebruikt om mensen de toegang te verlenen of te ontzeggen. Is de overheid van plan aan haar beleid ter zake iets te veranderen in het licht van het advies van de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer?

De heer Jo Vandeurzen, vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen. - De Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer heeft uit eigen beweging op 9 april 2008 een advies uitgebracht over het verwerken van biometrische gegevens in het raam van authenticatie van personen.

In tegenstelling tot wat de heer Lambert suggereert, zegt het advies niet dat biometrische gegevens alleen met toestemming van de betrokken persoon mogen worden verwerkt. Ik verwijs naar punt 36 van het advies dat bepaalt dat elk doeleinde waarvoor biometrische gegevens worden verwerkt `moet voldoen aan een van de voorwaarden van artikel 5 van de wet betreffende de verwerking van persoonsgegevens.' Dat artikel is ruimer dan de heer Lambert denkt. Het bepaalt: `Persoonsgegevens mogen slechts verwerkt worden in een van de volgende gevallen:
a) wanneer de betrokkene daarvoor zijn ondubbelzinnige toestemming heeft verleend;
b) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de uitvoering van een overeenkomst waarbij de betrokkene partij is of voor de uitvoering van maatregelen die aan het sluiten van die overeenkomst voorafgaan en die op verzoek van de betrokkene zijn genomen;
c) wanneer de verwerking noodzakelijk is om een verplichting na te komen waaraan de verantwoordelijke voor de verwerking is onderworpen door of krachtens een wet, een decreet of een ordonnantie;
d) wanneer de verwerking noodzakelijk is ter vrijwaring van een vitaal belang van de betrokkene;
e) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de vervulling van een taak van openbaar belang of die deel uitmaakt van de uitoefening van het openbaar gezag, die is opgedragen aan de verantwoordelijke voor de verwerking of aan de derde aan wie de gegevens worden verstrekt;
f) wanneer de verwerking noodzakelijk is voor de behartiging van het gerechtvaardigde belang van de verantwoordelijke voor de verwerking of van de derde aan wie de gegevens worden verstrekt, mits het belang of de fundamentele rechten en vrijheden van de betrokkene die aanspraak maakt op bescherming uit hoofde van deze wet, niet zwaarder doorwegen.'

Punt 37 van het advies bepaalt alleen dat de toestemming van de betrokken persoon een mogelijke rechtsgrond biedt voor de verwerking van biometrische gegevens, overeenkomstig artikel 5 a) van de privacywet. Bij gebrek aan toestemming is het, ook volgens het advies van genoemde commissie, nog steeds mogelijk een beroep te doen op artikel 5b) tot en met 5f) van de privacywet.

In elk geval moet de betrokken persoon geÔnformeerd worden van de behandeling van zijn biometrische gegevens, overeenkomstig artikel 9 van de privacywet, hetgeen trouwens wordt vermeld in punt 78 van het advies van de commissie.

Het advies van de commissie is een duidelijk signaal en een bruikbare richtlijn voor organisaties allerhande om de wet te respecteren bij het verwerken van biometrische gegevens van personen en dient dan ook als belangrijk instrument om eventuele misbruiken van biometrische gegevens te voorkomen. Hoe dan ook blijft de privacywet onverkort van toepassing.

Op de tweede vraag kan ik geen antwoord geven aangezien die vraag pas vanochtend is toegekomen. Binnen het Directoraat-Generaal Rechterlijke Orde van de FOD Justitie gebeurt de controle van de toegang alleszins enkel via badges en niet op enige biometrische wijze. Ik zal de administratie van de FOD Justitie de opdracht geven na te gaan in welke mate bij de overheid biometrische gegevens worden verwerkt zodat de overheidsinstellingen zich, indien dat nog niet het geval zou zijn, kunnen schikken naar het advies van genoemde commissie.

De heer Geert Lambert (sp.a-spirit). - Kan ik op het tweede deel van mijn vraag nog een schriftelijk antwoord krijgen?

De minister verwijst naar artikel 5 van de privacywet. Punt a) van artikel 5 heeft het inderdaad over de toestemming van de betrokkene. Punt b) verwijst ook naar een overeenkomst en houdt bijgevolg ook de toestemming van de betrokkene in. De overige gevallen waarin volgens artikel 5 persoonsgegevens mogen worden verwerkt zijn gebaseerd op publiekrechtelijke regelgeving. Een bedrijf kan zich daarachter niet verschuilen, bijvoorbeeld wegens het openbaar belang. Het is dus wenselijk van nabij te volgen of het bedrijfsleven geen misbruik maakt van biometrische gegevens.

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en asielbeleid over ęhet opsluiten van kinderen in gesloten centraĽ (nr. 4-233)

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Sinds mijn aanstelling als senator heb ik me het lot van kinderen in de gesloten centra erg aangetrokken. Samen met een aantal collega's, zowel van PS, sp.a, Ecolo als CD&V, heb ik er al meermaals op gewezen dat kinderen opsluiten een schande is.

In het regeerakkoord staan twee paragrafen over het opsluiten van kinderen. De regering zegt dat ze alternatieven wil zoeken voor het opsluiten van gezinnen met minderjarige kinderen in gesloten centra op basis van onder meer de studie van SumResearch. De regering neemt zich voor te investeren in specifieke opvangmogelijkheden die zich onderscheiden van de huidige gesloten centra. Verder stelt het regeerakkoord dat uitzonderlijk en voor een korte periode ouders kunnen worden onderworpen aan sommige vrijheidsbeperkende maatregelen. Wanneer gezinnen met kinderen uitzonderlijk moeten worden opgevangen in gesloten centra, dient dit volgens het regeerakkoord zo kort mogelijk en met de best mogelijke omkadering te gebeuren.

De minister is nu bijna een maand in functie. Het feit dat we nu een afzonderlijk minister voor Migratie- en Asielbeleid hebben is al een heel verschil met de vorige regering.

De minister weet ongetwijfeld dat BelgiŽ het kinderrechtenverdrag en het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens schendt door kinderen van asielzoekers op te sluiten. Ik heb alle gesloten asielcentra in Vlaanderen bezocht. Ik heb vastgesteld, en verschillende rapporten wijzen er ook op, dat kinderen in gesloten centra - door toedoen van onze overheid - traumatiserende ervaringen oplopen wegens feiten waarvoor ze zelf geen verantwoordelijkheid dragen. Maatregelen om BelgiŽ internationaal in regel te krijgen zijn dus bijzonder dringend. Ik kan dan ook aannemen dat de minister op dit punt snel aan het werk wil gaan.

De heer Dewael, die in de vorige regering bevoegd was voor het asielbeleid, zei dat het rapport van SumResearch niet voldeed en geen echte alternatieven bood. Ik schrik er dan ook van dat rapport terug te vinden in het regeerakkoord.

Is de minister er zich van bewust dat opsluiting van kinderen van asielzoekers ingaat tegen het internationaal kinderrechtenverdrag en tegen het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens? Hoeveel kinderen zitten op dit moment in een gesloten centrum? In welke specifieke opvangmogelijkheden zal worden geÔnvesteerd en wanneer? Wat wordt precies bedoeld met `uitzonderlijk en voor een korte periode'? Over welke uitzonderingen zal het gaan en over welke periode? Wat wordt precies bedoeld met `sommige vrijheidsbeperkende maatregelen'? Over welke maatregelen gaat het?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Kinderen vasthouden is mijns inziens niet in strijd met het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind, het IVRK, en evenmin met het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het EVRM. Verschillende gerechtelijke beslissingen, waaronder het arrest van de Kamer van inbeschuldigingstelling van het Hof van Beroep van Brussel van 23 juni 2005 en het arrest van de Kamer van inbeschuldigingstelling van Luik van 8 december 2005 bevestigen dat een buitenlandse minderjarige vasthouden niet in strijd is met artikel 37 van het IVRK van de Verenigde Naties van 20 november 1989 en evenmin met artikel 5 van het EVRM, weliswaar onder de beperking dat het moet gaan om een maatregel in laatste instantie en dat de periode van vasthouding vrij kort moet zijn.

Momenteel worden 16 minderjarigen onder begeleiding van hun ouders in gesloten centra vastgehouden.

Mijn voorganger, minister Dewael, heeft de administratie verzocht om de alternatieven voor gezinnen uit het rapport van SumResearch te evalueren. Sinds 6 maart 2008 is mijn administratie van start gegaan met een proefproject inzake meldingsplicht. Sinds 6 maart 2008 dienden 45 families zich te melden bij de dienst Vreemdelingenzaken. Tot op heden hebben zich evenwel nog maar vijf families aangeboden.

Samen met de Regie der Gebouwen wordt gezocht naar meer aangepaste infrastructuur om gezinnen vast te houden. Tevens worden andere alternatieven onderzocht en ontwikkeld, zoals coaching, het storten van een waarborg, et cetera.

In alle centra zijn onderwijzers aanwezig, die zowel de minderjarige als de meerderjarige bewoners opvangen. Prioriteit wordt gegeven aan cursussen voor kinderen. Sinds 1 september 2007 helpt een pedagoog de activiteiten van de onderwijzers mee te coŲrdineren. Conform artikel 69 van het koninklijk besluit van 2 augustus 2002 moet de pedagoog samen met de onderwijzers een strategisch plan opstellen voor de ontwikkeling van educatieve activiteiten voor het welzijn en de ontwikkeling van de bewoners. Daarom ontmoet de pedagoog elke week de onderwijzers van elk centrum. De onderwijzers houden rekening met de behoeften van de bewoners. Elke onderwijzer verstrekt de kinderen visueel en individueel onderwijs en past de inhoud van zijn cursus aan hun leeftijd en hun onderwijsniveau aan.

Op de andere vragen over het regeerakkoord kunnen we volgende weken zeker nader ingaan in de Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken. Op het ogenblik zijn we de verschillende alternatieven intens aan het onderzoeken, maar ik wens daarover nog overleg te plegen met de andere leden van de regering.

Ik heb, net als mevrouw Piryns, al heel wat gesloten centra bezocht. Ik heb ze nog niet allemaal gezien, maar de andere staan voor de komende weken in mijn agenda. Voor mij als minister is het immers uitermate belangrijk te weten hoe gezinnen met kinderen dagelijks in de gesloten centra worden opgevangen en verzorgd.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Het antwoord van de minister stelt me eigenlijk zwaar teleur. Ik dacht dat er onder ons een echte consensus over was gegroeid dat kinderen opsluiten niet kan en dat er zo snel mogelijk een eind aan moet komen. In het antwoord klinkt dat echter niet als een absolute prioriteit.

Volgens de minister is kinderen vasthouden niet in strijd met de internationale regelgeving. Mag ik dan vragen om het rapport van de Vlaamse Kinderrechtencommissaris eens grondig te lezen? Daarin wordt de tegenstrijdigheid goed onderbouwd.

Als de minister gesloten centra heeft bezocht, heeft ze toch kunnen vaststellen dat, ook al zijn er onderwijzers en is er een leslokaal, de gesloten centra moeilijk anders kunnen worden omschreven dan als een gevangenis. De ramen hebben geen gordijnen en in de zeer kleine kamertjes zitten vaak verschillende gezinnen samen opgesloten. De kinderen kunnen zelden of niet buiten spelen en vaak nog in een voor kinderen onaangepaste omgeving. De wijze van opsluiten en de opsluiting op zich zijn traumatiserend.

Ik heb nog een opmerking over het proefproject met betrekking tot de meldingsplicht dat in maart 2008 werd gestart. Het verheugt mij dat de administratie dit moet onderzoeken, maar die meldingsplicht zal het probleem niet oplossen. Om succesvol te zijn moet die meldingsplicht - dat wordt althans vastgesteld in de andere landen waar dat systeem gebruikt wordt - altijd aangevuld worden met andere maatregelen, bijvoorbeeld met een vorm van coaching. Dit proefproject nu invoeren, los van andere maatregelen, lijkt mij een manier om het al op voorhand af te schieten en het is meteen de garantie dat het er nooit zal komen.

De minister zegt dat een korte of vrij korte opsluiting geen schending is van het Verdrag van de rechten van het kind of van het EVRM. Tot vorig jaar bleven kinderen soms maandenlang opgesloten in de centra. Ik heb de cijfers van dit jaar niet, maar ik zou graag vernemen hoe lang de kinderen daar uiteindelijk verblijven. Ik vind een periode van enkele maanden geen `vrij korte' periode en een schande voor BelgiŽ.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik heb gewoon melding gemaakt van het project dat al gestart is en er onmiddellijk aan toegevoegd dat ook de andere opties worden onderzocht. We zullen uiteraard geen drie jaar wachten om onze keuze te maken.

Daarnaast heb ik verwezen naar officiŽle rapporten en uitspraken ter zake. Het staat mevrouw Piryns natuurlijk vrij die te betwisten, maar er is in ons land nog altijd een scheiding der machten.

Mondelinge vraag van mevrouw JoŽlle Kapompolť aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen over ęde invoering van een progressiviteitsmechanisme bij de berekening van de indexĽ (nr. 4-228)

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS). - Vandaag wordt de index rechtlijnig toegepast, zodat de stijging voor iedereen proportioneel dezelfde is. Dat betekent echter niet dat bij een indexstijging eenieders koopkracht evenveel toeneemt. Voor hoge inkomens overtreft die stijging ruimschoots de behoeften. Voor kleine en gemiddelde inkomens geldt het tegendeel.

Sommigen stellen voor om een vorm van progressiviteit in de indexaanpassing in te voeren. Een eenvoudig rekenmodel maakt het immers mogelijk om een grotere indexaanpassing toe te passen op lage inkomens en een matige aanpassing op hoge inkomens.

Tussen de regels van de discussie over de koopkracht door, rijst de vraag over het grensnut van de index. Vanaf een bepaald inkomensniveau neemt het voordeel van een indexering af. Hoe hoger het inkomen, hoe geringer het grensnut van de laatst gewonnen euro. Voor lage inkomens echter is elke euro extra vrijwel vitaal. Zodra in de basisbehoeften van een grootverdiener voorzien is, heeft een euro extra verdienen voor hem minder nut.

Als de koopkracht van de lage en de gemiddelde inkomens stijgt, vloeien die extra middelen via de consumptie onmiddellijk naar de economie terug.

Zou het niet zinvol zijn om voor de lage en de gemiddelde inkomens het grensnut van de index op te trekken?

Zou het met andere woorden niet opportuun zijn een vorm van progressiviteit in de indexaanpassing in te voeren?

Bent u er met het oog op macro-economisch herstel niet principieel voor gewonnen om elke ingreep op de koopkracht veeleer op lage en gemiddelde inkomens toe te spitsen dan wel op hoge?

De heer Vincent Van Quickenborne, minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen. - De index vormt samen met de wet van 26 juli 1996 een van de belangrijkste instrumenten om het sociaal overleg en de sociale vrede te bevorderen.

Nu onze koopkracht door de hoge prijzen onder druk staat, moet de relatieve verarming van onze economie door alle economische actoren worden gedragen, dat wil zeggen zowel door de burgers als door de ondernemingen die met hogere energieprijzen af te rekenen krijgen. Ook de Staat ziet zijn uitgaven stijgen.

Door prijsverhogingen te verhalen op de ondernemingen zou een prijs- en loonspiraal op gang kunnen komen en zou het concurrentievermogen kunnen verzwakken, wat op termijn nefast kan zijn voor de economische groei en voor de werkgelegenheid in ons land. Het doemscenario van de zeventiger jaren met een sterke inflatie, voor de gevolgen waarvan we vandaag nog betalen, moet kost wat kost worden vermeden. We moeten lessen trekken uit het verleden.

Betekent dit dan dat we niets kunnen doen? Neen, want zoals u weet, is versterking van de koopkracht een prioriteit in de regeringsverklaring.

De regering heeft voor een combinatie van maatregelen gekozen. Ik vermeld er vier: de belasting op arbeid verlagen, vooral voor de lage inkomens; een klimaat scheppen dat de loyale concurrentie en de competitiviteit op de Belgische markt bevordert; de lage inkomens aanmoedigen door de laagste pensioenen en de kinderbijslag op te trekken zoals mijn collega van Begroting zopas heeft bevestigd; bepaalde sociale uitkeringen welvaartsvast maken zoals bepaald in het regeerakkoord. Bij de begrotingscontrole 2008 zal onderzocht worden of dat laatste punt is gerealiseerd.

Door te kiezen voor doelgerichte maatregelen ten gunste van wie het echt nodig heeft, veeleer dan voor algemene compensaties via de index, volgt de regering de aanbevelingen van de Nationale Bank in een studie over de inflatie in BelgiŽ die gepubliceerd werd op 9 april jongstleden.

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS). - Op mijn voorstel om de index doeltreffender te maken voor de lage en gemiddelde inkomens heb ik niet echt een antwoord gekregen.

Ik begrijp dat versterking van de koopkracht een van de prioriteiten van de regering is. Het akkoord over het behoud van de index verheugt me, maar we kunnen tevens het grensnut van de index voor de lage en gemiddelde inkomens verhogen. Blijkbaar heeft niemand daarvoor interesse.

Ik zal samen met mijn collega's verder aan dat dossier blijven trekken.

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de vice-eersteminister en minister van FinanciŽn en Institutionele Hervormingen en aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde evaluatie van het verbod tot het weigeren van een aansluiting van chronisch zieken en personen met een handicap bij hospitalisatieverzekeringenĽ (nr. 4-214)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Midden vorig jaar werden 2 wetten uitgevaardigd met als belangrijkste doelstelling de hospitalisatieverzekeringen socialer te maken en in het bijzonder toegankelijker te maken voor chronisch zieken en personen met een handicap. De zogenaamde wet-Verwilghen, namelijk de wet van 20 juli 2007 tot wijziging, wat de private ziekteverzekeringsovereenkomsten betreft, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst, trachtte dit te bereiken voor de private sector, terwijl de wet van 11 mei 2007 tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen van toepassing was op de ziekenfondsen.

In beide wetten werd afgesproken om op korte termijn een evaluatie te maken van de vooropgezette doelstelling, gekoppeld aan het al dan niet behouden van de uitgewerkte regeling.

Overeenkomstig artikel 138bis-6, laatste lid, van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst dient de verplichting om een ziektekostenverzekering aan te bieden aan chronisch zieke of gehandicapte kandidaat-verzekeringnemers uiterlijk op 1 januari 2009 te worden geŽvalueerd met medewerking van de Commissie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), de Beroepsvereniging van de verzekeringsondernemingen (Assuralia) en de patiŽntenverenigingen. De Koning dient bovendien vůůr 1 juli 2009, bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad, te bepalen of deze verplichting behouden blijft.

Overeenkomstig artikel 9, ß1sexies, van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen dient uiterlijk op 1 oktober 2008 een evaluatie plaats te vinden omtrent het principieel verbod voor ziekenfondsen en landsbonden enerzijds om de aansluiting te weigeren bij een dienst hospitalisatie van personen die voldoen aan de wettelijke en reglementaire voorwaarden om lid te zijn van de betreffende entiteit maar die aan een reeds bestaande ziekte of aandoening lijden en, anderzijds, om voor deze personen in een verhoging te voorzien van de bijdragen of in beperkingen op het vlak van de tegemoetkoming.

Aan de hand van de vaststellingen in het kader van genoemde evaluatie, in het bijzonder op de impact van dit verbod op de verhoging van de bijdragen vereist om het financieel evenwicht van de dienst te vrijwaren en op het aantal leden die erbij zijn aangesloten, zal de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, bepalen of die verbodsbepalingen behouden blijven na 31 december 2008. Bovendien bepaalt het laatste lid van artikel 9, ß1, sexies, van de wet van 6 augustus 1990 expliciet dat indien niet wordt overgegaan tot deze evaluatie de voormelde verbodsbepalingen op 31 december 2008 zullen worden opgeheven.

Is al begonnen met de evaluatie van beide wetten? Wie heeft hiervoor het initiatief genomen of zal hiertoe het initiatief nemen? Werd daarvoor een timing vooropgesteld? Wie neemt deel aan de evaluatie? Zal ook de sector, namelijk de privťverzekeringsmaatschappijen en ziekenfondsen, hierbij betrokken worden? Zullen er patiŽntenverenigingen deelnemen en zo ja, welke? Op basis van welke criteria zal een evaluatie plaatsvinden?

Kunnen desbetreffende wettelijke bepalingen stilzwijgend worden opgeheven, dus zonder tussenkomst van de wetgever of de Koning, indien geen evaluatie zou plaatsvinden? Als ťťn of beide wetgevingen negatief worden geŽvalueerd, hoe zal men er dan voor zorgen dat de doelstelling, namelijk het toegankelijker maken van hospitalisatieverzekeringen voor chronisch zieken en personen met een handicap, alsnog wordt bereikt?

Zal bij de evaluatie de verhoging van de bijdragen voor ouderen - ook een kwetsbare groep naast de chronisch zieken - mee in ogenschouw genomen worden? Aangezien het de bedoeling van de wetgever was de hospitalisatieverzekering socialer te maken, lijkt dit me vanzelfsprekend.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees eerst het antwoord van minister Onkelinx voor. Wat de wet van 20 juli 2007 betreft, de zogenaamde wet-Verwilghen, zal de minister van FinanciŽn antwoorden.

Het verbod om chronisch zieken en personen met een handicap te weigeren voor een hospitalisatieverzekering bij privťverzekeraars geldt maar voor een periode van twee jaar. Die verzekeraars mogen wel tijdens die periode van twee jaar weigeren de kosten te dekken in verband met een ziekte of een handicap die bestond op het moment dat het contract werd gesloten. Die mogelijkheid, die het resultaat is van een compromis dat tijdens de voorbereiding van de wet bereikt werd met Assuralia, beperkt dus de reŽle draagwijdte van de wet en dus ook de verbetering waarop men gehoopt had voor de chronisch zieken en de personen met een handicap.

Voor de wet betreffende de hospitalisatieverzekeringen van de ziekenfondsen, namelijk de wet van 11 mei 2007 tot wijziging van de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden, is de Controledienst voor de ziekenfondsen nog niet gestart met de evaluatie waarin voorzien is tegen 1 oktober 2008. De nieuwe waarborgen die door de wet worden ingevoerd, waren in de praktijk al grotendeels van toepassing bij talrijke ziekenfondsen. Dat zou een betere dekking mogelijk moeten maken door de ziekenfondsen van bepaalde hospitalisatiediensten voor chronisch zieken en personen met een handicap.

Ik wens a priori geen gebruik te maken van de mogelijkheid waarin de wet voorziet om terug te komen op de nieuwe wettelijke waarborgen voor het aansluiten bij een hospitalisatieverzekering van de ziekenfondsen voor chronisch zieken en personen met een handicap. Tot op heden ontving ik hierover trouwens nog geen enkele klacht van de ziekenfondsen. Ik zal er niettemin op toezien dat de door de wet tegen 1 oktober 2008 voorgeschreven evaluatie wel degelijk uitgevoerd wordt door de Controledienst voor de ziekenfondsen, die hiertoe over initiatiefrecht beschikt.

Wat de ouderen betreft, is voor de hospitalisatieverzekeringen van de ziekenfondsen de wettelijke mogelijkheid om de aansluiting te weigeren van een persoon van meer dan 65 jaar al zeer beperkt. Ik denk niet dat op dat niveau een wettelijke aanpassing nodig is.

Ik ben van oordeel dat de hospitalisatieverzekering, al dan niet via de ziekenfondsen, geen verplichting moet worden. Financieel toegankelijke kwalitatieve verzorging is een opdracht van de verplichte ziekteverzekering binnen ons federaal systeem van sociale zekerheid.

Het antwoord van minister Reynders luidt als volgt. Er worden mij vragen gesteld over de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst en over de wet van 6 augustus 1990 betreffende de ziekenfondsen en de landsbonden van ziekenfondsen.

Artikel 138bis-6, laatste lid van de wet van 25 juni 1992 op de landverzekeringsovereenkomst bepaalt dat de verplichting om een ziektekostenverzekering aan te bieden aan chronisch zieke of gehandicapte kandidaat-verzekeringnemers uiterlijk 18 maanden na de inwerkingtreding van dat artikel het voorwerp zal uitmaken van een evaluatie.

Die bepaling dient ook het model van het document te bepalen dat nauwkeurig vaststelt voor welke bestaande ziekte of handicap de kosten niet worden gedekt. Het modelformulier werd vastgesteld bij koninklijk besluit van 2 augustus 2007, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 10 oktober 2007.

Bij mijn weten is men nog niet begonnen aan de evaluatie. Ik zal het nodige doen opdat de bewuste wetsbepaling, die de oprichting van een bemiddelingsorgaan voorschrijft, zo spoedig mogelijk wordt uitgevoerd.

Meer algemeen roepen een aantal bepalingen van de wet van 20 juli 2007 inzake ziektekostenverzekeringen een aantal vragen op. Zoals ik reeds in de Kamer in antwoorden op parlementaire vragen heb verklaard, zal ik op korte termijn een initiatief nemen om duidelijkheid te verschaffen.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Ik dank de staatssecretaris voor de duidelijke antwoorden, die mij, voorlopig althans, tevreden stellen. Ik stel vast dat de beide ministers het nodige zullen doen om de evaluatie mogelijk te maken en dat was ook wat ik vandaag wou horen.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęhet actieplan inzake de strijd tegen diabetesĽ (nr. 4-230)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Op 13 december 2007 heeft de Senaat een resolutie goedgekeurd over een actieplan inzake de strijd tegen diabetes.

Wat heeft de minister inmiddels gedaan om de resolutie uit te voeren? Heeft zij al uitvoeringsmaatregelen genomen? Wat zijn haar verdere intenties? Zullen er voldoende middelen zijn om de nodige uitvoeringsmaatregelen te treffen? De minister zou onder meer aan het RIZIV kunnen vragen bij het formuleren van de behoeften rekening te houden met de aanbevelingen in de resolutie zodat bij de opmaak van de begroting van volgend jaar in de nodige middelen kan worden voorzien om de resolutie daadwerkelijk uit te voeren.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden zal erop toezien dat de resolutie ook op het terrein uitwerking krijgt.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx voor.

Dit is de stand van zaken in het dossier van de strijd tegen diabetes en ten aanzien van het voorstel van resolutie betreffende het actieplan inzake de strijd tegen diabetes.

Een eerste punt is de ontwikkeling van een efficiŽnt registratiesysteem van het aantal diabetici. In het kader van de diabeteszelfregulatieovereenkomst, loopt momenteel bij het RIZIV een initiatief voor kwaliteitsbevordering en epidemiologie bij Diabetes (IKED), gebaseerd op een steekproef van die bevolkingsgroep. Ook werd in het kader van de zorgtrajecten, die thans ontwikkeld worden door de Medicomut, in een registratiesysteem voorzien van de diabetici type 2, die zich in dit zorgtraject inschrijven.

Een tweede punt is de ontwikkeling, de digitalisering en de financiŽle steun van de diabetespas en de integratie ervan in het globaal medisch dossier. De diabetespas is een instrument voor responsabilisering en communicatie dat toegang geeft tot de terugbetaling van zorgen inzake diŽtetiek en podologie. In het kader van de zorgtrajecten zal het globaal medisch dossier trouwens een sleutelrol spelen. Er is nog geen beslissing genomen over een eventuele integratie van die twee instrumenten, onder meer om dubbel gebruik op administratief vlak te vermijden.

Een derde punt is de grotere betrokkenheid van de gezondheidsdiensten van de eerste lijn. Een van de voornaamste obstakels voor een efficiŽnte communicatie naar de diabetespatiŽnten is het gebrek aan een efficiŽnte informatisering. Ook het toezicht op de kwaliteit is nog voor verbetering vatbaar. De eerste lijn is thans verplicht geÔntegreerd in groep 3a van de diabeteszelfregulatieovereenkomst, namelijk de diabetici die twee insuline-injecties per dag nemen.

In het kader van de zorgtrajecten die diabetes type 2 beogen, zal de tenlasteneming in de mate van het mogelijke van de eerste lijn vertrekken. De communicatie in het kader van de zorgtrajecten zal worden geÔnformatiseerd, onder meer met doelstellingen in epidemiologie en met toezicht op de kwaliteit. Zo wordt gewerkt aan gehomologeerde software met een herhaling van de guidelines en een registratie van de gegevens met een verbetering van de kwaliteit tot doel.

Ten vierde zal het multidisciplinaire beheer van de diabetesproblematiek worden gestimuleerd. De diabeteszelfregulatieovereenkomsten, die sinds maart 1987 zijn ingesteld, werken met een multidisciplinair team. Het aantal patiŽnten dat bij een dergelijke overeenkomst aansluit, neemt constant toe: in 2006 hebben 78.291 patiŽnten van de multidisciplinaire opvang genoten, voor 2007 wordt hun aantal op ongeveer 80.000 geschat.

De zorgtrajecten houden bovendien noodzakelijkerwijs in dat de patiŽnt door gespecialiseerde opvoeders wordt begeleid; ook zullen ze automatisch toegang geven tot de nodige zorgen inzake diŽtetiek en podologie.

Ten vijfde zullen de diabetesexperts in de organen van het RIZIV via een onafhankelijk adviescomitť beter worden betrokken, waardoor een verhoogde ontwikkeling van innoverende geneesmiddelen mogelijk wordt.

Het idee van een onafhankelijk adviescomitť binnen het RIZIV is niet in aanmerking genomen. Wel werd binnen het adviescomitť voor de chronisch zieken een specifieke werkgroep opgericht die de problematiek volgt en voorstellen voor verbeteringen doet. Het Verzekeringscomitť heeft bovendien een overeenkomst gesloten met de patiŽntenverenigingen.

De diabetologen komen aan het woord binnen de Commissie Tegemoetkoming Geneesmiddelen.

Ten zesde zal bijzondere aandacht gaan naar de drempels en de discriminaties waarmee de diabetici in het dagelijkse leven te maken krijgen. Vooral binnen de specifieke sector van de verzekeringen is een dergelijke aandacht noodzakelijk.

Meerdere werkgroepen hebben zich gebogen over de discriminatie van diabetespatiŽnten door bepaalde verzekeringsmaatschappijen. Specifieke wetgevende maatregelen ter zake overschrijden het kader van de ziekteverzekering en behoren niet tot mijn bevoegdheid.

Ten zevende moet de toegankelijkheid tot de zelfzorgmaterialen worden verbeterd. De controle van de zelfzorg ten laste van de RSZ zal een van de maatregelen zijn in het voordeel van de diabetici die zich inschrijven in een zorgtraject, met hun huisarts en hun diabetoloog.

Ten slotte is er het preventieplan: hierbij gaat specifieke aandacht naar de doelgroep van de obesitaspatiŽnten en de strijd tegen obesitas. De BMI-waarde die toegang geeft tot bariatrische chirurgie (nu is dat meer dan 35) zal zeer binnenkort worden aangepast. Die maatregel heeft effectief een preventief effect op het ontstaan van diabetes van type 2.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Uit het antwoord blijkt dat de minister kennis heeft genomen van de resolutie en al initiatieven heeft genomen.

Een aantal punten bleven onderbelicht. Preventie zeer belangrijk. In de resolutie roepen we de regering op met de gemeenschappen, die ter zake bevoegd zijn, samen te werken. Ik verneem dat onder andere voor de diabetespas alles nog niet verloopt zoals zou moeten.

Ik heb ook niet vernomen of het RIZIV volgend jaar extra middelen zal krijgen om de nieuwe initiatieven te financieren, waaronder ook de ondersteuning van de verenigingen van diabetespatiŽnten.

Ik begrijp dat de staatssecretaris op die punten geen antwoord kan geven, maar ik vraag hem die aan de minister mee te delen. We kunnen er dan op ingaan bij de bespreking van haar beleidsplan.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik zal de opmerkingen meedelen aan minister Onkelinx.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van mevrouw Marie-HťlŤne Crombť-Berton aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęde politieke situatie in LibanonĽ (nr. 4-229)

De voorzitter. - De heer Olivier Chastel, staatssecretaris belast met de Voorbereiding van het Europese Voorzitterschap, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Marie-HťlŤne Crombť-Berton (MR). - Ik kom juist terug van een reis naar Libanon en de ernst van de toestand in dat land heeft me bijzonder getroffen. Ministers, volksvertegenwoordigers en journalisten worden er met de dood bedreigd en soms terechtgesteld. Het parlement is verlamd, de presidentsverkiezingen worden voortdurend uitgesteld. De bevolking is de oorlog, die door de buurlanden in stand wordt gehouden, moe. Het land wordt democratisch en economisch verstikt. De tanks van de Hezbollah die het stadscentrum blokkeren vormen daarvan slechts ťťn voorbeeld.

De VN-Veiligheidsraad heeft verschillende resoluties goedgekeurd die de ontwapening van de Libanese en niet-Libanese milities, en een wapenembargo opleggen. Kan BelgiŽ, dat nu lid is van de Veiligheidsraad, dit dossier met overtuiging ondersteunen? Hoe zit het juist met de herbewapening van Hezbollah? Vanwaar komt de stroom wapens?

UNIFIL, een vredesmacht waarvan ook Belgische soldaten deel uitmaken, heeft zopas zijn dertigjarig bestaan gevierd. Toch wordt de situatie steeds slechter. Zal BelgiŽ samen met de andere EU-landen constant diplomatieke druk uitoefenen opdat de resoluties van de Veiligheidsraad eindelijk worden toegepast en SyriŽ het bestaan en de onafhankelijkheid van Libanon erkent?

De Libanezen vrezen dat een akkoord tussen IsraŽl en SyriŽ in de maak is waarbij hun belangen worden geschaad. Wat is het juiste verband tussen die onderhandelingen en de interne politieke situatie in Libanon? Hoe kunnen de belangen van Libanon bij de oplossing van het conflict in het Nabije Oosten worden verdedigd?

De onafhankelijkheid van Libanon en de naleving van de VN-resoluties zijn voorwaarden voor de invoering van een duurzame democratie in een land dat geografisch, menselijk en cultureel dicht bij Europa ligt.

De heer Olivier Chastel, staatssecretaris belast met de Voorbereiding van het Europese Voorzitterschap, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van de minister.

De aanslepende politieke impasse in Libanon staat de uitvoering van resolutie 1701 van 2006, waardoor BelgiŽ zich in de versterkte UNIFIL engageerde, in de weg.

De resolutie bevat een militair deel en een politiek onderdeel. Aangezien de algemene situatie ongewijzigd blijft, wordt het politieke deel niet geconcretiseerd. De veiligheid in de operationele zone van UNIFIL in Zuid-Libanon is over het algemeen gegarandeerd, maar, hoewel er enkele beperkte verbeteringen merkbaar zijn, is de realisatie op middellange termijn van de doelstellingen van de resolutie niet in zicht. Toch mag de interne politieke situatie de uitvoering van de resolutie niet systematisch verhinderen. Het zou gevaarlijk zijn zich tevreden te stellen met de huidige status-quo in afwachting van een ontsporing op het vlak van de veiligheid.

Wij denken dat er vooruitgang mogelijk is.

Wat de controle van de Blauwe Lijn betreft, zou IsraŽl meer kunnen samenwerken om de toestand te stabiliseren door de voorstellen van UNIFIL en Libanon te aanvaarden aangaande een IsraŽlische terugtrekking uit het Libanese deel van het dorp Ghajar, door actief mee te werken aan een fysieke afbakening van de Lijn, door adequate informatie te verstrekken over de plaatsen waar clusterbommen werden gedropt tijdens de oorlog van 2006 en door op te houden voortdurend het Libanese luchtruim te schenden, wat de inspanningen om de zone te beveiligen teniet doet.

Bij een incident zouden de partijen automatisch een beroep moeten doen op het trilaterale verbindingsmechanisme tussen UNIFIL en de Libanese en IsraŽlische strijdkrachten. De beslissing om in Tel Aviv een verbindingsbureau van UNIFIL te openen is dan ook een positief element.

Wat de controle op de Syrisch-Libanese grens en het wapenembargo betreft, zou SyriŽ meer kunnen doen voor de versterking van de grenscontrole door een dialoog aan te gaan over de posities die worden ingenomen door Palestijnse groepen aan de grens. IsraŽl zou daarover aan UNIFIL en aan de Libanese autoriteiten juiste en concrete informatie kunnen verschaffen. Libanon zou, met steun van de internationale gemeenschap, zijn inspanningen kunnen intensiveren om de aanbevelingen van LIBAT inzake de grenscontrole uit te voeren.

Wat de gevangenen aangaat, zouden de partijen, in het bijzonder Hezbollah, zich kunnen engageren tot een humanitaire oplossing. De families van de twee IsraŽlische soldaten hebben nog altijd geen nieuws ontvangen.

SyriŽ en Libanon zouden samen hun grenzen kunnen afbakenen. De twee landen zeggen daartoe bereid te zijn. Het bilateraal grenscomitť zou moeten worden heropgestart. Libanon, SyriŽ en IsraŽl zouden kunnen gaan samenwerken door zich uit te spreken over de geografische definitie zoals vastgelegd in het laatste rapport van de secretaris-generaal van de VN.

Mevrouw Marie-HťlŤne Crombť-Berton (MR). - Wij staan uiteraard machteloos, maar ik hoop dat de staatssecretaris en de minister van Buitenlandse Zaken hun Europese collega's op de hoogte zullen brengen van onze vragen en van onze vrees dat de situatie in Libanon en de hele regio verder zal ontaarden.

Mondelinge vraag van mevrouw Marleen Temmerman aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęhet onderscheid betreffende verzekeringsdekking tussen contractueel en statutair personeel van de FOD Buitenlandse ZakenĽ (nr. 4-232)

De voorzitter. - De heer Olivier Chastel, staatssecretaris belast met de Voorbereiding van het Europese Voorzitterschap, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Op 28 februari vroeg ik naar de verzekeringsdekking voor het personeel van de FOD Buitenlandse Zaken dat zijn opdracht vervult in het buitenland. In zijn antwoord verduidelijkte de minister verschillende punten. Zo gaf hij onder meer aan dat het departement geen onderscheid maakt voor de arbeidsongevallenverzekering tussen het statutair en het contractueel personeel: `Het departement maakt geen onderscheid tussen het uitgezonden statutair of het uitgezonden contractueel personeel. Het departement stelt, na onderzoek van het ingediende dossier voor beide categorieŽn van het personeel de juridische erkenning op of de gerapporteerde feiten aanleiding kunnen geven tot de toepassing van de wet van 3 juli 1967 en het KB van 24 januari 1969 betreffende de schadevergoeding ten gunste van personeelsleden van de overheidssector voor arbeidsongevallen en voor ongevallen van en naar het werk.' Hiermee geeft de minister duidelijk aan dat geen onderscheid kan worden gemaakt tussen contractueel en statutair personeel met betrekking tot de verzekeringsdekking voor arbeidsongevallen.

Nochtans werd vorige week duidelijk dat het standpunt van de minister hieromtrent niet zo eenduidig is als het toen leek.

Op dinsdag 8 april verscheen in De Morgen een artikel omtrent de concrete casus van een secretaresse tewerkgesteld in de Belgische ambassade in Iran. Einde 2004 werd de vrouw in haar appartement gewekt door een inbreker die haar brutaal verkrachtte en urenlang folterde. In eerste instantie ontving de vrouw veel steun van Buitenlandse Zaken en werd ze uitgenodigd alle medische facturen door te sturen, maar op 8 augustus 2005 liet de personeelsdienst van Buitenlandse Zaken haar weten dat ze het voorval niet konden aanvaarden als arbeidsongeval. Het gevolg was dat de vrouw een deel van de ontvangen sommen moest terugstorten, afzien van een psychotherapeutische behandeling en van een geplande neuscorrectie en terugviel op een vervangingsinkomen van 600 euro.

In het artikel geeft woordvoerder Marc Michielsen van de FOD Buitenlandse Zaken de oorzaken van dit probleem aan: `Het Belgische ambassadepersoneel in het buitenland wordt verondersteld 24 uur per dag in functie te zijn. Deze dame had helaas geen statutaire, maar een contractuele verbintenis. Daardoor gold dat principe voor haar niet.' Kort daarna volgde een rechtzetting in de krant waarin de gelijke behandeling van contractuele en statutaire personeelsleden met betrekking tot verzekeringen voor gebeurlijke ongevallen toch werd bevestigd.

In elk geval bestaat enige verwarring. Naar aanleiding van het dramatisch voorval in Teheran had ik graag van de minister een aanvullend antwoord gekregen.

Wordt met betrekking tot de verzekeringsdekking al dan niet een onderscheid gemaakt tussen contractuele en statutaire personeelsleden van de FOD Buitenlandse Zaken die hun opdracht vervullen in het buitenland?

Kan de minister per statuut de verzekeringsvoorwaarden opsommen en de eventuele verschillen aanwijzen? Indien geen onderscheid bestaat op basis van statuten, zou ik graag vernemen waarom wel een uitzondering wordt gemaakt voor de besproken casus in Teheran, te meer omdat uitdrukkelijk wordt gesteld dat het Belgisch ambassadepersoneel in het buitenland wordt verondersteld 24 uur per dag in functie te zijn? Ik begrijp dat zolang het gerechtelijk onderzoek loopt geen uitspraken over het specifieke dossier kunnen worden gedaan, maar ik had graag vernomen welke procedure en richtlijnen worden gehanteerd bij het nemen van beslissingen zoals in de zaak in Teheran?

De heer Olivier Chastel, staatssecretaris belast met de Voorbereiding van het Europese Voorzitterschap, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - De wetgeving betreffende arbeidsongevallen wordt niet verschillend geÔnterpreteerd naar gelang van het statuut van het betrokken personeelslid, contractueel of statutair.

Uit dat antwoord blijkt dan ook dat de tweede vraag geen antwoord meer behoeft.

Ten derde is de stelling als zou personeel in het buitenland 24 uur per dag in functie zijn niet correct. De journalist heeft het citaat van de heer Michielsen niet correct weergegeven en dat werd in een van de volgende edities van de vermelde krant ook rechtgezet.

We moeten er wel op wijzen dat elk geval toch nog afzonderlijk dient te worden beoordeeld. Hierbij wordt uiteraard rekening gehouden met de algemene principes, enerzijds, en met de stand van de wetgeving, rechtspraak en rechtsleer inzake arbeidsongevallen, anderzijds.

Mevrouw Marleen Temmerman (sp.a-spirit). - Ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord en hoop in elk geval dat het personeel van de FOD Buitenlandse Zaken grondig wordt geÔnformeerd en dat de woordvoerder in het vervolg correcte informatie geeft.

Misschien heeft het helemaal niets met mijn vragen te maken, maar vanmorgen om tien uur hebben alle uitgezonden personeelsleden, statutaire en contractuele, toevallig het bericht in hun mailbox gekregen dat het departement met Assuralia, de beroepsvereniging voor Belgische verzekeringsbedrijven, een overeenkomst zal sluiten waarin een individuele levensverzekering voor uitgezonden personeelsleden vervat is. Kan de minister er dan ook over waken dat het personeel maximaal wordt verzekerd tegen aanslagen, aanrandingen en ongevallen, 24 uur op 24, want die kunnen natuurlijk ook buiten de werkuren gebeuren?

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęhet aanmaken van een inventaris van politiemensen met kennis van gebarentaalĽ (nr. 4-216)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Bij contacten met de politie is het belangrijk dat iedereen zich in zijn of haar eigen moedertaal kan uitdrukken. Alleen op die manier kan de communicatie in een comfortabele sfeer verlopen en kan de uitwisseling van informatie tussen de betrokkene en de politie in goede omstandigheden plaatsvinden.

Momenteel beschikken dove en slechthorende gebarentaalgebruikers op dit gebied niet altijd over dezelfde mogelijkheden als de andere burgers van het land. Politiemensen die zich om deze problematiek bekommeren, melden me regelmatig problemen. Zo zijn lang niet alle politiemensen ervan op de hoogte dat gebarentaalgebruikers het recht hebben een tolk te vragen die door de politiediensten wordt betaald. In Vlaanderen gebeurt het dan vaak dat mensen die niet goed op de hoogte zijn van hun rechten, zich verplicht zien tolkuren te gebruiken waarover ze via het Vlaams Agentschap voor Personen met een Handicap, het VAPH, beschikken.

Ze hebben echter slechts een beperkt aantal uren - het basisaantal is 18 - dat ook wordt gebruikt voor bijvoorbeeld doktersbezoeken, oudercontacten op school, culturele activiteiten enzovoort. Bovendien dient de betrokkene zelf de transportkosten van de tolk te betalen.

Zou het niet zinvol zijn de geschetste problematiek te behandelen in een omzendbrief aan alle politiediensten, zodat alle doven en slechthorenden van het land op een vlotte manier contact kunnen opnemen met de politiediensten en overal gelijk worden behandeld?

Zou het bovendien geen goed idee zijn een inventaris te maken van alle politiemensen die beschikken over een tolkendiploma Vlaamse, Frans Belgische of andere gebarentaal? Deze informatie kan dan worden verwerkt in een brochure die bij de politiediensten wordt verspreid. Op die manier kan een bijdrage worden geleverd aan de bewustwording over de problematiek en moet niet altijd een beroep worden gedaan op een externe tolk.

Ten slotte vernam ik graag of binnen het politieapparaat een cel bestaat die zich specifiek bezighoudt met de problematiek van de contacten tussen politie en personen met een handicap, en wat de eventuele concrete werking daarvan is.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister.

Sinds 2003 maakt het diversiteitconcept het voorwerp uit van het beleid van de geÔntegreerde politie. Concreet werd dit concept op het terrein vertaald aan de hand van een actieplan diversiteit. Dit actieplan werd ontwikkeld in nauwe samenwerking met de Vaste Commissie van de Lokale Politie en het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding.

Binnen de federale politie is het de dienst gelijkheid en diversiteit die over de uitvoering en de opvolging van het actieplan diversiteit van de geÔntegreerde politie waakt. Eťn van de twee fundamentele pijlers van dit actieplan is de politie als openbare dienst. Het doel van deze acties is hoofdzakelijk een betere dienstverlening aan de bevolking.

In het kader van het actieplan diversiteit heeft de federale politie bijvoorbeeld in 2007 de eerste blinde of slechtziende collega's gerekruteerd om in de tapkamers van de federale gerechtelijke politie te werken. Zij werden gerekruteerd wegens hun bijzondere auditieve competentie als gevolg van hun blindheid of slechtziendheid. Ze hebben net een opleiding van ťťn maand achter de rug en zijn nu volledig klaar om hun taken op het terrein te vervullen.

Ondertussen werd ook een werkgroep opgericht, met name de vzw Het reddend gebaar. Deze werkgroep is samengesteld uit politiemensen die bedreven zijn in de gebarentaal en zelfs een gediplomeerde tolk gebarentaal. In het Franstalige landsgedeelte werd eenzelfde vennootschap opgericht, met name Le geste qui sauve.

Op de website van bovenstaande vennootschappen vindt men de contactgegevens van de politiemensen uit de verschillende zones die bedreven zijn in de gebarentaal. Daarnaast kunnen mensen die doof of slechthorend zijn, op deze sites informatie vinden die nuttig is in hun contact met de politie. Deze sites bevatten eveneens tips en adviezen voor politiemensen die tijdens de uitvoering van hun job geconfronteerd worden met mensen die doof of slechthorend zijn.

Uit al deze initiatieven moge blijken dat het onthaal van de slechthorenden binnen de politiediensten heel ernstig wordt genomen.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik ben blij te vernemen dat de werkgroep Het reddend gebaar in het Vlaamse landsgedeelte en Le geste qui sauve in het Franstalige landsgedeelte nog bestaan. Door de integratie van de politiediensten bleven ze een beetje verweesd achter. Ik hoop dat ze de komende maanden en jaren terug actiever zullen worden. Binnen de dienstverlening van de politie zijn er ook blinden en slechtzienden. Het is belangrijk dat hun kwaliteiten worden benut.

Ik kreeg nog geen antwoord op mijn vraag in verband met de circulaire. Zal die er komen en zal die naar alle politiediensten worden gestuurd?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik kan geen antwoord geven op de vraag over de omzendbrief. Op de website kunnen de politiediensten nagaan wat ze moeten doen als ze geconfronteerd worden met slechthorenden of slechtzienden.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en asielbeleid over ęgezondheidszorg voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingenĽ (nr. 4-223)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Niet-begeleide minderjarigen kunnen sinds 1 januari 2008 op bepaalde voorwaarden als titularis in de verplichte ziekte- en invaliditeitsverzekering worden ingeschreven. Dit recht is ingeschreven in de wet, het koninklijk besluit daarover is gepubliceerd en er is een budget voor uitgetrokken. Er ontbreekt evenwel nog een circulaire van de dienst Administratieve Controle van het RIZIV in verband met de bewijzen die de minderjarigen aan het ziekenfonds voor de inschrijving moeten voorleggen. Hier dient snel werk van te worden gemaakt.

Een knelpunt in deze nieuwe wetgeving betreft de verzekering van personen ten laste van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen. Volgens deze regelgeving hebben de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen zelf recht op terugbetaling, maar het recht op terugbetaling voor personen ten laste werd uitgesloten. Dit betekent dat de minderjarigen die een kind hebben, voor dit kind niet kunnen terugvallen op de verzekering. Ik heb zelf onlangs een opvangcentrum voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen bezocht en enkele jonge meisjes bleken daar onlangs bevallen van een kind. Die kinderen zijn zelf geen niet-begeleide minderjarige vreemdelingen en vallen dus niet onder de nieuwe regeling voor deze minderjarigen. Toch kan men bezwaarlijk stellen dat zij minder kwetsbaar zijn. Deze lacune in de wetgeving vraagt om een oplossing.

Wanneer plant de minister een omzendbrief om deze wet ook van kracht te laten worden? Hoe wil de minister de lacune in de wetgeving in verband met personen ten laste van de niet-begeleide minderjarige vreemdelingen wegwerken? Op welke termijn zal dit gebeuren?

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Minister Turtelboom zegt dat ze deze vraag graag zou beantwoorden. Deze materie valt echter niet onder haar bevoegdheid, maar onder die van haar collega's Onkelinx en Arena. Ze heeft hen de vraag van mevrouw Lanjri al bezorgd.

Vraag om uitleg van de heer Andrť Van Nieuwkerke aan de vice-eersteminister en minister van Justitie en Institutionele Hervormingen over ęde overheveling van het X1-dossier naar Gent en de stand van zaken van het onderzoekĽ (nr. 4-210)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Andrť Van Nieuwkerke (sp.a-spirit). - Op 6 maart 2007 verscheen een antwoord op mijn schriftelijke vraag 3-3228 van 18 augustus 2005 over de stand van zaken in het zogenaamde X1-dossier, meer bepaald het uitklaren van de niet-onderzochte sporen.

De toenmalige minister van Justitie antwoordde: `Na grondig intern overleg werd beslist dat het parket te Gent het verder onderzoek zal leiden'. Eerst moesten echter nog belangrijke passages in het Nederlands worden vertaald. `Van zodra deze omstandige opdracht zal beŽindigd zijn, zal het desbetreffend dossier binnen afzienbare tijd van Neufch‚teau naar Gent worden overgedragen'.

Ondertussen is opnieuw een jaar verstreken. Is het dossier ondertussen naar het parket van Gent overgeheveld? Zo ja, wanneer is dat gebeurd? Zo neen, waarom niet?

Is er een onderzoeksrechter aangesteld?

Wat is het doel van het onderzoek te Gent?

In dossier 109/96 zijn ook verklaringen opgenomen van andere X-getuigen. Worden hierover ook onderzoeksdaden in het vooruitzicht gesteld?

Ik stel deze vraag als vraag om uitleg, omdat ik anders misschien opnieuw jaren op een antwoord moet wachten.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van minister Vandeurzen.

In het dossier in kwestie werd de onderzoeksrechter te Neufch‚teau op 31 oktober 2003 door de raadkamer van zijn opdracht ontlast. De procureur des Konings te Gent ontving het dossier op 22 maart 2007, nadat herhaaldelijk overleg was gepleegd tussen de betrokken parketten, onder meer over de vraag betreffende de territoriale bevoegdheid.

Daar de magistraat die het dossier min of meer kende het parket te Gent heeft verlaten en het dossier twintig goedgevulde dozen met stukken bevat, was het inmiddels nog niet mogelijk de onderzoeksrechter te belasten met ťťn of meerdere passende vorderingen.

Nu de uit Neufch‚teau ontvangen procedurestukken geen duidelijkheid geven over de identiteit van eventuele verdachten noch over de precieze plaats en datum van eventuele strafbare feiten, moet een andere magistraat overgaan tot een zorgvuldige lectuur van het dossier. Dat is een bijzonder tijdrovende aangelegenheid. Pas nadien zal over de inhoud met kennis van zaken een standpunt kunnen worden ingenomen.

De heer Andrť Van Nieuwkerke (sp.a-spirit). - Ik stel vast dat het dossier blijft aanslepen. Ik zal het antwoord zorgvuldig nalezen en eventueel verdere parlementaire acties ondernemen.

Vraag om uitleg van de heer Freddy Van Gaever aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęde Europese richtlijn 96/53/EG en de problematiek van "frontstuurtrucks"Ľ (nr. 4-229)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Freddy Van Gaever (VB). - Gewoonlijk worden vanop dit spreekgestoelte nieuwe wetten becommentarieerd, maar naar mijn aanvoelen zijn er al te veel wetten en zouden we er goed aan doen een aantal wetten te wijzigen of ongedaan te maken. Vaak bereiken we met onze wetgeving het beoogde doel niet of bereiken we er precies het omgekeerde mee.

Zo ook verging het de regelgeving inzake vrachtwagens. Onze vrachtwagens worden alsmaar langer en zwaarder. De wetgever wil zich daarmee bemoeien en heeft besloten een maximale lengte en een maximaal gewicht op grond op te leggen. Zo is een zware fout gemaakt. De wetgever had beter de totale nuttige lengte en het totale nuttige gewicht bepaald. Ik stel dus voor om in de bestaande wetgeving het woord `nuttig' toe te voegen.

Met de totale nuttige lengte en het totale nuttige gewicht van een oplegger kan men de lat voor alle vervoerders gelijkleggen. Niets of niemand is echter zo slim als de mens en de vrije onderneming. Vervoerders hebben zich dan ook afgevraagd hoe ze een zo groot mogelijk volume konden vervoeren met toepassing van de bestaande wetgeving. Dat kon door de vrachtwagenchauffeur bovenop de bumper te plaatsen. In plaats van vrachtwagens met de motor vůůr de stuurcabine, zoals bij personenwagens, is men vrachtwagens gaan bouwen met een frontstuur. Dat is volkomen onlogisch. Bij motorpech moest men vroeger gewoon maar de motorkap openen, vandaag moet de hele cabine gekanteld worden. De motor onder de stuurcabine veroorzaakt ook geluids- en warmtehinder. Niemand zou ooit zo'n onlogische trekker bouwen, ware het niet dat de wetgever in Europa dat heeft aangemoedigd. Vandaag scheidt alleen een voorruit de chauffeur van de wagen voor hem en honderden chauffeurs hebben door die regelgeving op een volkomen zinloze manier hun leven verloren in een ongeval.

Door het totale gewicht op grond in te voeren maakte de wetgever een tweede fout. Hoe lichter de oplegger, hoe meer vracht erop kan worden geladen. De jongste jaren hebben de constructeurs alsmaar lichtere opleggers gebouwd, zodat het zwaartepunt van een geladen vrachtwagen alsmaar hoger ligt. Als vliegende tijdbommen vliegen die vrachtwagens vandaag over onze wegen. Vroeger hoorde men op de radio nooit iets over vrachtwagens die omsloegen in een bocht of hun lading verloren, maar vandaag is dat dagelijkse kost. Verwonderlijk is dat niet, want met stuurbekrachtiging kan een chauffeur het stuurwiel met ťťn vinger omdraaien. Wanneer een chauffeur op het laatste ogenblik ziet dat hij een afrit moet nemen, draait hij bruusk aan zijn stuur en verliest hij zijn lading of kantelt, vaak bovenop een personenwagen.

De wetgever moet dus de nuttige lengte en het nuttige gewicht als norm nemen en zodoende de lat voor iedereen gelijk leggen. Nu verdienen vervoerders die de minst veilige vrachtwagens aan hun chauffeurs geven, het meeste geld. Ik weet dat niet sinds vandaag. Dertig jaar geleden heb ik al in mijn boek Het leven heeft geen prijs dezelfde voorstellen gedaan. Waarom is daar nooit werk van gemaakt?

Een van de redenen is de politieke onmondigheid van de vrachtwagenchauffeurs. In geen enkel parlement in Europa zit een vrachtwagenchauffeur. Nochtans is die beroepsgroep ongemeen talrijk. Op de dag van de verkiezingen is zo'n chauffeur vaak afwezig. Hij zit in Hamburg of Marseille. Als de politieke partijen vergaderen, is hij aan de slag.

Dertig jaar geleden ben ik naar Washington gereisd en heb er de man ontmoet die nog altijd in het nieuws komt als de verdediger van de consumentenbelangen en als derde presidentskandidaat, Ralph Nader.

Hij heeft het probleem wel begrepen. Mijn boek begint trouwens met een brief van Ralph Nader, waarin hij mij gelijk geeft. De wet in de Verenigde Staten werd destijds aangepast zoals ik het vandaag vraag. Dat heeft niets te maken met politiek, maar alles met gezond boerenverstand. Bijna overal in de wereld, in de Verenigde Staten van Amerika, AustraliŽ, Canada, Zuid-Amerika, rijden de klassieke trucks, namelijk de langsnuiten. Alleen in Europa is dat anders als gevolg van die domme wet.

Hoe denkt de minister daarover? BelgiŽ kan een voortrekkersrol spelen. Als wij hierin verandering kunnen brengen, zullen de andere Europese landen ongetwijfeld snel volgen. Kan de minister dit probleem op het Europese niveau aankaarten?

De voorzitter. - Ik feliciteer senator Van Gaever met zijn maidenspeech.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris voor Mobiliteit.

De heer Van Gaever vraagt dat de regering bij de Europese instanties zou pleiten voor een herziening van de Europese regelgeving betreffende de afmetingen en gewichten van vrachtwagens om het gebruik van vrachtwagens met een klassieke motorkap te bevorderen.

Deze problematiek werd vorige week nog uitvoerig in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden van de Senaat besproken op basis van het voorstel van resolutie dat de heer Van Gaever daarover heeft ingediend. Ik verwijs bijgevolg naar mijn antwoord in de commissie.

De Europese reglementering heeft er inderdaad voor gezorgd dat haast alleen nog vrachtwagens zonder motorkap, de frontstuurtrucks, in het verkeer worden gebracht. Dat is het resultaat van een lange evolutie, waarbij zowel economische als veiligheidsargumenten een rol hebben gespeeld.

Wanneer wij het hebben over het grote aantal ongevallen met vrachtwagens, vooral op de autosnelwegen, en over het grote aantal doden en zwaargewonden bij die ongevallen, dan gaat het meestal over de passagiers van de andere voertuigen die bij dergelijke ongevallen betrokken zijn en niet zozeer over de vrachtwagenchauffeurs. Ik vraag mij af of de gevolgen van een ongeval met een langsnuitvrachtwagen, zoals hij dat noemt, niet nog desastreuzer zijn voor de andere voertuigen, hoewel de situatie voor de vrachtwagenchauffeur zelf misschien wel veiliger is. Bovendien vraag ik mij af of de vrachtwagenchauffeurs wel altijd een veiligheidsgordel dragen.

Rekening houdend met al die overwegingen zie ik niet goed in waarom BelgiŽ op Europees niveau een wijziging van de bestaande wetgeving zou moeten bepleiten.

De heer Freddy Van Gaever (VB). - Het is niet juist dat ongevallen met langsnuitvrachtwagens desastreuzer zijn voor de andere voertuigen dan die met frontstuurtrucks. De bumper van beide soorten vrachtwagens veroorzaakt dezelfde schade bij de andere weggebruikers.

Ik ben de minister in ieder geval dankbaar voor zijn antwoord en ik hoop toch dat er maatregelen zullen worden genomen.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde terugbetaling van de verzorging en de ziekenhuiskosten van kinderen die aan kanker lijdenĽ (nr. 4-211)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Het Nationaal Kankerplan, dat enkele dagen geleden werd voorgesteld, omvat 32 maatregelen in verband met preventie en opsporing, verzorging en behandeling, steun aan het wetenschappelijk onderzoek. We kunnen dat initiatief alleen maar toejuichen.

Welke maatregelen worden voorgesteld voor de gezinnen met een kind dat aan kanker lijdt? Kinderen zijn kwetsbaar en hebben speciale en intense verzorging nodig, waardoor een van de ouders vaak gedwongen is thuis te blijven.

In tegenstelling tot andere landen van de Europese Unie zoals Frankrijk, Duitsland of het Groot-Hertogdom Luxemburg, lopen de kosten voor Belgische gezinnen vaak op tot tienduizenden euro, die maar gedeeltelijk worden terugbetaald. Ik vermeld alleen maar de medische verzorging, de paramedische verzorging door een kinesist, psychotherapie, geneesmiddelen, transportkosten omdat kinderen met kanker geen gebruik kunnen maken van het openbaar vervoer, de behandeling in het buitenland voor sommige zeldzame kankers, de kosten van de kinderoppas thuis door gespecialiseerde personen, enzovoorts.

De verhoogde uitkering van ongeveer 325 euro per maand wordt alleen toegekend gedurende de periode van zware behandeling en dekt niet alle kosten waarmee het gezin wordt en nog zal worden geconfronteerd.

In Frankrijk worden alle medische en aanverwante kosten integraal terugbetaald door de sociale zekerheid. De verhoogde kinderbijslag compenseert de aanverwante kosten tijdens de behandeling en het loonverlies van de ouder tot het kind meerderjarig is.

Kunnen maatregelen worden overwogen waardoor de gezinsuitgaven worden verlicht en in een tegemoetkoming wordt voorzien voor gezinnen met een kind dat aan kanker lijdt?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister.

Het Nationaal Kankerplan besteedt speciale aandacht aan de verzorging van kinderen met kanker. Ik zal de maatregelen van het plan overlopen die betrekking hebben op de situatie van kinderen die aan kanker lijden.

De (Gemengde) InterministeriŽle Conferentie voor Leefmilieu verruimd tot de Gezondheid (GICLG) heeft op 11 maart laatstleden, in het kader van haar projecten 2008, een project Kinderkanker en Milieu goedgekeurd. Een werkgroep samengesteld uit universitaire deskundigen, zal zich buigen over de problematiek van de gevallen van kanker bij kinderen die het gevolg zijn van omgevingsfactoren. De conclusies zouden in de loop van 2009 beschikbaar moeten zijn.

Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan zal in de loop van 2009 een enquÍte voeren over de voedingsgewoonten van min-15-jarigen.

De terugbetaling van het vaccin tegen het papillomavirus zal vůůr het einde van dit jaar worden uitgebreid tot meisjes van 16 tot 18 jaar. Daarnaast wordt een overleg op gang gebracht met de gemeenschappen om het vaccin op te nemen in het vaccinatieprogramma voor 12-jarige meisjes en daarbij gebruik te maken van het netwerk van de schoolgeneeskunde.

De acht bestaande kinderoncologische centra zullen beter worden gefinancierd teneinde de omkadering van de kinderen te verbeteren en een programma uit te werken voor kinderoncologische zorg. Ze zullen ook worden aangespoord samen te werken met andere ziekenhuizen zodat het kind kan worden behandeld in een ziekenhuis dat zich zo dicht mogelijk bij zijn woonplaats bevindt.

We zullen een oproep lanceren voor projecten die initiatieven financieren die ouders en kinderen die met kanker worden geconfronteerd, steunen en begeleiden. Het is de bedoeling ervoor te zorgen dat de kinderen gedurende enkele weken uit de ziekenhuisomgeving worden gehaald en dat ouders die hun kind thuis verzorgen, even op adem kunnen komen.

Een andere oproep is gericht op projecten die initiatieven financieren voor psychologische ondersteuning of begeleiding van patiŽnten, zowel kinderen als volwassenen, en hun familie.

De financiering van de zeven multidisciplinaire liaisonequipes die de continuÔteit van de zorg moeten verzekeren als zwaar zieke kinderen van 0 tot 18 jaar naar huis terugkeren, zal vanaf 2009 permanent worden. De huidige overeenkomsten met de FOD Volksgezondheid lopen af eind 2008.

Binnenkort vindt overleg plaats met de minister van Werk om het werk van de ouders en de verzorging van hun kinderen met kanker beter op elkaar af te stemmen.

Voor de verzorgingskosten in het buitenland als de kanker niet in ons land kan worden behandeld, is ook in BelgiŽ in een tegemoetkoming van het RIZIV voorzien.

PatiŽnten die ambulant met chemo- en radiotherapie worden behandeld, krijgen een vergoeding voor hun vervoerskosten van 0,25 euro per kilometer voor het traject tussen hun woonplaats en de inrichting. Als ze het openbaar vervoer gebruiken, worden de kosten volledig terugbetaald. Een koninklijk besluit zal de begrenzing afschaffen van de afstand die wordt vergoed en die nu is vastgesteld op 30 kilometer per reis. Als een kind dat aan kanker lijdt in het ziekenhuis verblijft, vergoedt de ziekteverzekering sedert 2007 ook de verplaatsingskosten van de ouders tegen 0,25 euro per kilometer voor het traject tussen hun woonplaats en het ziekenhuis.

Bij al die maatregelen komt nog het beschermingsmechanisme van de maximumfactuur en de mogelijke tegemoetkomingen van het Bijzonder Solidariteitsfonds van het RIZIV in het geval van een uitzonderlijke en dure behandeling die niet is opgenomen in de nomenclatuur van de door de verplichte ziekteverzekering terugbetaalde prestaties.

Kinderen met kanker en hun familie worden dus nu al goed beschermd door de verplichte ziekteverzekering. Waar nog tekortkomingen worden vastgesteld, zal het Nationaal Kankerplan ad hoc oplossingen uitwerken.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Hoewel het antwoord interessante elementen bevat, ben ik niettemin zeer verrast dat gesproken wordt over een vergoeding van 0,25 euro per kilometer voor het vervoer van het kind. De vervoerskosten zijn een echt probleem voor wie niet dichtbij het ziekenhuis woont. Bij een ambulante behandeling lopen die kosten onvoorstelbaar hoog op.

De tegemoetkoming van 0,25 euro per kilometer voor het openbaar vervoer en zelfs het gratis maken ervan zijn geen geschikte maatregelen. Kinderen met kanker kunnen geen gebruik maken van het openbaar vervoer. Het antwoord is ontstellend.

De voorzitter. - Het openbaar vervoer is een bevoegdheid van de gewesten.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Daar de heer Wathelet het antwoord van de minister van Sociale zaken en Volksgezondheid heeft gelezen, wens ik te reageren op de inhoud ervan.

De voorzitter. - Ik heb het antwoord aandachtig gevolgd, vandaar mijn opmerking.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Hier is sprake van een federale en niet van een regionale tegemoetkoming.

De voorzitter. - Bij gebrek aan een oplossing op federaal niveau kunnen de gewesten ermee instemmen een vergoeding toe te kennen.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Mijnheer de voorzitter, ouders die het al moeilijk hebben, worden daarnaast nog geconfronteerd met onvoorstelbaar hoge kosten. De voorgestelde oplossingen bieden niet altijd een gepast antwoord. Ik vraag alleen dat het kankerplan ook rekening zou houden met de vergoeding van de ouders.

De voorzitter. - Misschien kan de zaak op een andere manier worden geregeld. In Vlaanderen reizen 65-plussers gratis. De federale en regionale instanties kunnen wellicht samen overleggen over gratis vervoer in bepaalde omstandigheden.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik deel de mening van mevrouw Tilmans ter zake. We komen immers beiden uit een meer landelijk gebied.

Het antwoord dat ik heb gelezen, vermeldt dat een voorstel bestaat om het maximum aantal kilometers voor de berekening van de terugbetaling van de afstand tussen de woonplaats en de instelling niet langer te begrenzen. Ook patiŽnten die ver van het ziekenhuis wonen, zullen dan volledig kunnen worden vergoed.

Het openbaar vervoersaanbod valt onder de bevoegdheid van de gewesten, terwijl de terugbetaling van de vervoerskosten bij een ziekenhuisopname tot het federale bevoegdheidsniveau behoort. Ik herinner eraan dat de kosten voor openbaar vervoer integraal worden terugbetaald, maar dat geldt uiteraard alleen voor wie daarvan gebruik kan maken. Voor patiŽnten die dat niet kunnen, is een koninklijk besluit in de maak dat het aantal in rekening te brengen kilometers niet langer begrenst, zodat de vervoerskosten voor de ambulante verzorging gedekt zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde aansprakelijkheid van een huisarts die zijn patiŽnt aan een PIT (Paramedical Intervention Team) toevertrouwtĽ (nr. 4-213)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Verschillende artsen uit de zone Virton hebben mij vragen gesteld over de aansprakelijkheid van een huisarts als een patiŽnt vervoerd moet worden door een PIT omdat de MUG, die vaak grote zones moet bedienen, niet beschikbaar is. Een PIT bestaat uit een ziekenwagen met alleen een verpleegster, zonder urgentiearts.

In hoeverre is de huisarts aansprakelijk bij een ernstig spoedgeval, zoals een hartinfarct tijdens zijn weekendwachtdienst, als zijn collega's met vakantie zijn? In dat geval wordt de huisarts geconfronteerd met tegenstrijdige wettelijke en deontologische bepalingen:

De arts staat dus voor een dilemma. Wat is precies de aansprakelijkheid van de huisarts rekening houdend met de van kracht zijnde wettelijke en deontologische regels, in afwachting van de foutloze aansprakelijkheid die vanaf januari 2009 van kracht wordt?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik heb begrip voor de ongerustheid van de huisartsen van de zone Virton die worden geconfronteerd met het dilemma dat zij een patiŽnt met een ernstige en dringende pathologie moeten kunnen vergezellen en tegelijk hun huisartsenwachtdienst moeten verzekeren. Ik kan hen geruststellen.

Wat de wettelijke normen betreft, beslist de aangestelde van de dienst 100 over het gevolg dat aan de oproep moet worden gegeven. Hij is verantwoordelijk voor de keuze van de hulpdienst en voor het oproepen van een ziekenwagen, een MUG en de functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg

De wet zegt: `Indien het team van de mobiele urgentiegroep niet beschikbaar is, of indien de omvang van de te bieden hulp de mogelijkheden van de mobiele urgentiegroep overschrijdt of in afwachting van de komst van het team van de mobiele urgentiegroep, kan de aangestelde de arts van de wachtdienst oproepen'

Als bij een PIT-interventie de aanwezigheid aan boord van een arts nodig is, zal de dienst 100 ook de MUG oproepen; de arts van de wachtdienst zal worden opgeroepen op vraag van de aangestelde; het PIT zal de patiŽnt stabiliseren met de hulp van de arts van de wachtdienst, eventueel ter plaatse terwijl zij op de MUG wachten; ofwel zal aangestelde van de dienst 100, rekening houdend met de toestand van het slachtoffer, de arts van de wachtdienst verzoeken het slachtoffer te vergezellen op weg naar de MUG of, als ze de MUG niet eerder zijn tegengekomen, tot de functie gespecialiseerde spoedgevallenzorg.

In een dergelijke urgentiesituatie lijkt de arts van de wachtdienst mij op geen enkel ogenblik onbeschikbaar. Integendeel, hij werd opgeroepen en vergezelt een patiŽnt. Niemand kan twee patiŽnten tegelijk behandelen. De situatie is vergelijkbaar met die waarin een arts met wachtdienst door verschillende patiŽnten tegelijk wordt opgeroepen. Als de arts opnieuw dringend wordt opgeroepen en spoed is vereist, moet de patiŽnt zich tot de dienst 100 wenden.

Wat de deontologische normen betreft, primeert de vastgestelde urgentie boven de mogelijke urgentie. De huisarts met wachtdienst die een patiŽnt in een ziekenwagen vergezelt omdat de MUG niet beschikbaar is en de toestand van de patiŽnt medische begeleiding vereist, kan niets worden verweten, op voorwaarde uiteraard dat de onbeschikbaarheid beperkt is tot de overbrenging en de terugkeer.

Ik besef dat het belangrijk is dat patiŽnten met een ernstige en dringende pathologie door de behandelende arts worden vergezeld als de MUG niet beschikbaar is. Ik weet ook dat dit tijd vergt.

Daarom heb ik in het gedeelte Volksgezondheid van mijn algemene beleidsnota 2008 voorgesteld de erelonen voor de begeleiding in een ziekenwagen door de huisarts op te trekken van 30 naar 70 euro.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de minister van Ambtenarenzaken en Overheidsbedrijven over ęhet inzetten van kantelbaktreinen (Pendolino) op de lijn Brussel-Luxemburg-StraatsburgĽ (nr. 4-212)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Le Soir van 12 maart bracht een artikel met de titel `Hoge nood aan de kantelbaktrein' op de lijn Brussel-Luxemburg. Het betreft geen recent probleem. Tijdens zijn mandaat als NMBS-voorzitter tussen 1986 en 1991 had de heer Reynders al een dergelijk project voor ogen, naar het voorbeeld van ItaliŽ en Zwitserland. Dat had de verbindingstijd op de lijn Brussel-Luxemburg-Straatsburg kunnen inkorten.

Het verbaast me dat de NMBS dat initiatief nooit positief heeft ontvangen en dat twintig jaar moest worden gewacht eer het opnieuw op de agenda kwam. In die tijdspanne had de haalbaarheid van een dergelijk project onderzocht kunnen worden op het vlak van infrastructuur - bochten, ruimte tussen de sporen, bovenleidingen - terwijl tegelijk een unieke spoorsite tussen de Ardense bossen kon worden behouden en dure onteigeningen konden worden voorkomen.

Die formule had ook de ontgoocheling van Eurocaprail kunnen voorkomen. Op het stuk tussen Ciney en Libramont had die infrastructuur slechts een kleine tijdswinst tussen Brussel en Luxemburg opgeleverd, maar wel investeringen van meer dan een miljard vereist.

Om de reistijd op het traject Brussel-Straatsburg voor Belgen en buitenlanders concurrentiŽler te maken en zodoende te voorkomen dat de NMBS klanten verliest aan de Thalys en de HST via Parijs, is een coherente aanpak geboden.

Er moet een alomvattende reflectie komen over de grote spoorinvesteringen, daarbij in de mate van het mogelijke rekening houdend met de toekomst, met name met de huidige werken op de as Brussel-Luxemburg via de formule van de gewestelijke prefinanciering, en met het oog op de verbetering van de verbindingstijden en de beperking van de onteigeningen, vooral in de Ardense bossen.

Kan de staatssecretaris duidelijkheid scheppen over de echte intenties van de NMBS inzake de verbetering van de as Brussel-Luxemburg-Straatsburg?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister.

De oude NMBS bestudeerde verschillende varianten om de snelheid op de lijnen 161 en 162 te verhogen. Op basis daarvan en rekening houdend met de kosten en baten van de verschillende opties opteerde ze voor verbetering van de bestaande infrastructuur zonder een nieuwe hogesnelheidslijn. Het Waalse Gewest komt in die werken, die de referentiesnelheid opdrijven tot 160 km per uur, tussen via een prefinanciering.

Voor het rollend materieel komen vier opties in aanmerking: klassiek materieel; verlenging van de Oost-Europese HSL Straatsburg-Luxemburg-Brussel; verlenging van de Zwitserse IC-treinen van Bazel naar Luxemburg en Brussel; verlenging van de Zwitserse SBB-CFF-FFS-kantelbaktreinen naar BelgiŽ via Straatsburg, Luxemburg en Brussel.

Tegelijk heeft de NMBS het initiatief genomen om te informeren naar de interesse van haar potentiŽle partners - CFL, SNCF en SBB CFF FFS - om deel te nemen aan economische en technische studies op dat vlak. De technische studies moeten een evaluatie mogelijk maken van de prestaties van de verschillende types van materieel, vooral wat de snelheid en de daaruit volgende verbindingstijd betreft. Op basis van die studies moet het mogelijk zijn de haalbaarheid van de verschillende varianten in te schatten, ook die van de kantelbaktreinen.

De geplande aanpassingen en investeringen aan de infrastructuur maken de eerste drie opties mogelijk.

Voor het gebruik van kantelbaktreinen worden de eventueel noodzakelijke aanpassingen bestudeerd door een gemeenschappelijke werkgroep van NMBS en Infrabel. De tijdwinst met dat type trein is nochtans erg klein. Voor het Belgisch-Luxemburgse gedeelte van het traject tussen Brussel en Luxemburg schat Infrabel de tijdwinst op vijf ŗ zes minuten.

Rekening houdend met de liberalisering van het internationale reizigersverkeer vanaf 2010 en de eventuele vraag naar een verbinding Brussel-Luxemburg-Straatsburg-Bazel met kantelbaktreinen, zal Infrabel de infrastructuurwerken en de op Belgisch grondgebied noodzakelijke bijkomende investeringen evalueren door de al gerealiseerde studies te actualiseren.

Het is nog te vroeg om een datum voor de indienststelling vast te leggen omdat de evaluatie nog loopt en moet uitmonden in een schatting van de kostprijs en een tijdschema.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Men spreekt over termijnen voor studies, actualisering, lopende evaluaties, maar het komt erop aan te weten over welke termijnen het gaat.

De voorzitter. - Die vraag bestaat al twintig jaar. Ik weet waarover ik spreek. Ik heb het traject naar Straatsburg dikwijls gedaan in de jaren tachtig. Het duurt nu nog vijf uur.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Als ik het goed heb begrepen, is het onmogelijk realisatietermijnen te geven omdat de termijnen voor de evaluatie en het in overweging nemen van de dossiers nog niet zijn vastgelegd. Dat zal slechts mogelijk zijn wanneer we zeker zijn van de gekozen optie.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - We hebben een buitengewone kans verkeken en hebben ons laten dribbelen door andere landen. Dat is erg spijtig. Het gaat om een zeer belangrijke as. Dat bewijst het wegennetwerk. De NMBS heeft de kans laten ontglippen om een belangrijke Noord-Zuid-spoorverbinding via Brussel en Luxemburg tot stand te brengen. De Luxemburgers waren nochtans vragende partij.

De voorzitter. - De HSL tussen Parijs en Straatsburg heeft een daling van het aantal vliegtuigpassagiers tussen die twee steden tot gevolg gehad. Iedereen neemt de HST. Dat wordt men gewaar in Entzheim zoals ik zelf deze morgen bij mijn terugkeer uit Straatsburg heb vastgesteld.

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Migratie- en asielbeleid over ęgezondheidszorg in gesloten centraĽ (nr. 4-218)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Vreemdelingen in gesloten centra hebben recht op medische begeleiding die noodzakelijk is om een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid.

Om hieraan tegemoet te komen, hebben de gesloten centra artsen in dienst die de medische bijstand moeten verzekeren. Die artsen werken slechts een beperkt aantal uren in de gesloten centra. Ze worden ook minder betaald dan in andere werkomgevingen zodat het vaak niet een eerste keuze van de arts is om in gesloten centra te werken.

Artsen zonder grenzen bezocht gesloten centra om tegemoet te komen aan specifieke medische en psychologische vragen van de vreemdelingen. Vanaf 1 april heeft Artsen zonder grenzen de bijstand in gesloten centra stopgezet. Naar aanleiding van een jaar dagelijkse aanwezigheid in de gesloten centra, stelde Artsen zonder grenzen een verslag op waarin op heel wat knelpunten werd gewezen. Dat verslag kan worden gelezen op de website van Artsen zonder grenzen, en ik neem aan dat de minister dat ondertussen ook gedaan heeft.

In het verslag wordt onder meer gewezen op het feit dat er geen specifieke geestelijke gezondheidszorg aan vreemdelingen wordt gegeven in gesloten centra, terwijl verschillende onderzoeken al meermaals hebben aangetoond dat opsluiting op zich psychologische problemen veroorzaakt en/of verergert. Een groot deel van de klachten van de vreemdelingen is trouwens te wijten aan stress als gevolg van de situatie waarin ze zich bevinden.

Als er al psychologen zijn, is een onafhankelijk optreden niet gegarandeerd. Dit geldt evenzeer voor de artsen die de medische bijstand in gesloten centra verzekeren. Door het gebrek aan onafhankelijkheid kan er uiteraard geen vertrouwensband zijn en worden de medische argumenten niet altijd in rekening gebracht.

Voorts meldt Artsen zonder grenzen dat er in de gesloten centra vreemdelingen zaten wier medische toestand opsluiting niet toelaat aangezien de medische bijstand die ze nodig hebben niet gegarandeerd kan worden in de centra. Ook is er geen continuÔteit van de medische zorg, niet bij het verlaten van het centrum, maar evenmin bij de overplaatsing naar een ander centrum en uiteraard niet wanneer de zieke vreemdeling wordt uitgewezen.

De opmerkingen van Artsen zonder grenzen en de praktijk leren dat er minstens nood is aan een externe dienst die de medische en psychologische bijstand van vreemdelingen in gesloten centra waarborgt.

Erkent de minister de nood aan geestelijke gezondheidszorg in de gesloten centra? Op welke manier wordt die geestelijke gezondheidszorg gegarandeerd? Is de minister van oordeel dat een externe dienst nodig is om een correcte medische en psychologische bijstand aan vreemdelingen in gesloten centra te garanderen? Welke maatregelen neemt de minister om de kwaliteit en de onafhankelijkheid van de artsen in gesloten centra te garanderen? Worden vreemdelingen die nood hebben aan de opvolging van de medische zorg uitgewezen? Welke maatregelen neemt de minister om de opvolging van de medische zorg na uitwijzing te garanderen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister van Migratie- en Asielbeleid.

Artsen zonder grenzen heeft in geen geval dagelijks de gesloten centra bezocht om tegemoet te komen aan de medische en psychologische vragen van de vreemdelingen. Artsen zonder grenzen bezocht slechts sporadisch de gesloten centra. In 2007 hebben deze artsen drie- tot viermaal een bezoek gebracht aan transitcentrum 127, het gesloten centrum Merksplas en het gesloten centrum van Brugge. Ze hebben tienmaal het centrum 127bis bezocht en tweemaal het gesloten centrum van Vottem. Soms hebben hun bezoeken overigens aanleiding gegeven tot wrijving met de medische diensten, omdat ze medisch advies verstrekten zonder het medische dossier van de vreemdelingen in te kijken of zonder overleg te plegen.

Wat de geestelijke gezondheidszorg betreft, werd sedert 2007 in ieder gesloten centrum een psycholoog in dienst genomen die instaat voor de bewoners van het centrum. Deze psycholoog maakt geen deel uit van de directie en kan zich dus voltijds wijden aan de geestelijke gezondheidszorg van alle bewoners.

Er werden ook opvoeders in dienst genomen die instaan voor de ontwikkeling van activiteiten. De opsluiting en het weinig om handen hebben kan voor de bewoners zwaar wegen op hun geestelijke gezondheid.

Anderzijds moet ik ook stellen dat, indien de bewoners vrijwillig zouden vertrekken, dit veel sneller kan worden uitgevoerd dan nu soms het geval is voor degenen die weigeren iets mee te delen over hun identiteit.

De onafhankelijkheid van zowel de medische dienst als de psycholoog wordt ten volle gegarandeerd in de mate dat iedere arts zelf instaat voor de medische follow-up van de bewoners voor zover dit in overeenstemming is met de therapie van de andere arts. Artikel 53 van het koninklijk besluit op de gesloten centra garandeert immers deze onafhankelijkheid.

Artikel 61 van hetzelfde koninklijk besluit bepaalt de regels indien de arts verbonden aan het centrum een medisch bezwaar heeft tegen het verblijf of de verwijdering van de bewoner. Het is zo dat de artsen worden geacht de administratie in te lichten indien een bewoner wegens zijn medische toestand niet in het centrum kan verblijven, niet geschikt is om te vliegen of een ander bezwaar heeft in verband met de verwijdering. Volgens hetzelfde koninklijk besluit op de gesloten centra kan de directeur-generaal dit advies niet zomaar naast zich neerleggen.

De centrumarts kan steeds eigenmachtig beslissen een bewoner naar een gespecialiseerd medisch centrum over te brengen. Ook geneesheren-specialisten kunnen aangesteld worden.

Iedere bewoner kan steeds op zijn kosten een beroep doen op een eigen arts.

Een persoon die verwijderd wordt en een ziekte heeft die zijn verwijdering niet belet, zal een kopie van zijn medische dossier meekrijgen evenals medicatie voor de duur van zijn behandeling of althans voor een zekere periode. Ook wordt nagegaan of de medische follow-up in het land van terugkeer verzekerd is.

Personen die om medische redenen niet kunnen worden verwijderd en een verdere medische behandeling moeten volgen, ontvangen een bevel om het grondgebied te verlaten voor een periode van 30 dagen. Deze termijn is verlengbaar voor de periode van de behandeling en op voorlegging van een medisch attest van opvolging.

Het komt voor dat personen vastgehouden worden in een gesloten centrum en vast komt te staan dat zij niet geschikt zijn voor het verblijf in het centrum en dus een meer geschikte opvang moeten krijgen. Deze personen zomaar terug op straat zetten is geen goede oplossing, daar ze niet in staat zijn voor zichzelf te zorgen of een bedreiging vormen voor hun medemensen.

Het is evenwel moeilijk een geschikte opvang te vinden voor personen die om medische en of psychiatrische redenen niet in een gesloten centrum kunnen verblijven. Het blijkt niet voor de hand te liggen om een plaats te krijgen in een meer aangepaste infrastructuur. Derhalve zoekt de administratie naar een psychiatrische instelling waar beter aangepaste opvang kan worden onderzocht.

Ook denk ik eraan zelf een aangepaste infrastructuur te ontwikkelen voor mensen die door hun gedrag het leven in groepsverband in een centrum te zwaar belasten, maar noch voor verwijdering in aanmerking komen, noch in een psychiatrische instelling terecht kunnen.

De huidige artsen in de centra dragen wel degelijk voldoende zorg voor de medische begeleiding van de bewoners. In het verleden verstrekte een externe arts van de FOD Volksgezondheid in twee centra de medische zorg. Hieraan werd een einde gesteld omdat de arts tijdens vakanties of bij andere afwezigheid niet werd vervangen, wat de noodzakelijke medische begeleiding in het gedrang bracht.

De artsen worden vergoed volgens contract per uur prestatie. De vergoeding is hoger dan voor de artsen die door de FOD Volksgezondheid worden aangesteld of de artsen van Fedasil die betaald worden volgens de vergoedingsschalen van de overheid. Ook krijgen ze een vergoeding voor de wachtdiensten. Hun vergoeding zal verder worden opgetrokken om ze nog competitiever te maken.

Op basis van deze elementen is het duidelijk dat het voor een betere medische begeleiding niet wenselijk is de organisatie van de medische diensten toe te vertrouwen aan een andere instelling dan de Dienst Vreemdelingenzaken.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Mijn vraag is ingegeven door bezorgdheid, niet zozeer bezorgdheid over de aard van de zorg die de centrumartsen bieden en zeker niet over de kwaliteit, maar over de beschikbaarheid van die zorg in de gesloten instellingen. Als er al wrevel is, dan is dat niet alleen vanwege externe inmenging, meer bepaald het project van Artsen zonder grenzen, maar leeft die vooral intern wegens de te beperkte mogelijkheden, beschikbaarheid, aanspreekbaarheid en inzetbaarheid. Dat geldt zowel voor artsen als voor psychologen, die maar een beperkt aantal uren in de centra blijven. Daardoor moet de directie vaak een beroep doen op externe artsen of artsen met wachtdienst die niet altijd even enthousiast zijn om naar de gesloten asielcentra te komen.

Mijn bezorgdheid is gebaseerd op vele gesprekken met centrumdirecties en centrumartsen en op de ervaringen van Artsen zonder grenzen. De minister heeft het rapport blijkbaar niet nagelezen. Ik zou het op prijs stellen indien zij daarvoor wat tijd kon uittrekken.

Dat de minister opmerkt dat de vreemdelingen artsen kunnen raadplegen op eigen kosten, vind ik een redelijk cynische opmerking. Ik heb uiteraard nergens gesuggereerd dat zieke personen op straat gezet zouden worden. Ik herhaal echter mijn vraag naar de ondersteuning door externe diensten.

Vraag om uitleg van mevrouw Els Schelfhout aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over ęTibetaanse asielzoekersĽ (nr. 4-226)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Wie vandaag de krant openslaat, valt onvermijdelijk op een artikel over het optreden van de Chinese politie en het Chinese leger tegen Tibetaanse activisten naar aanleiding van de `preolympische schoonmaak'.

Het is algemeen bekend dat de Chinese autoriteiten de mensenrechten van het Tibetaanse volk schenden. De Tibetanen wordt verhinderd een eigen culturele, godsdienstige en taalkundige identiteit te beleven door een Chinees beleid van discriminatie en onverdraagzaamheid. De Tibetanen worden ook blootgesteld aan foltering, mishandeling en opsluiting zonder proces.

Voor velen van hen is er dan ook geen andere uitweg dan Tibet te verlaten en naar een ander land te vluchten.

Nochtans zouden heel wat Tibetanen in BelgiŽ niet als vluchteling worden erkend. Momenteel verblijven ongeveer 800 Tibetanen in BelgiŽ, waarvan ongeveer 250 illegaal zijn. Voor anderen loopt de asielprocedure nog. Vele dossiers zouden worden afgewezen, onder meer omdat heel wat Tibetaanse asielzoekers geen identiteitsdocumenten kunnen voorleggen. De betrokkene zou immers in het bezit moeten zijn van een Chinees paspoort, en dat is veelal niet het geval. Het is evenwel evident dat het voor de Tibetaanse asielzoeker bijna onmogelijk is om van de Chinese overheid een identiteitsdocument te krijgen.

Hoeveel dossiers van Tibetaanse asielzoekers worden momenteel onderzocht? Hoeveel dossiers van Tibetaanse asielzoekers werden reeds afgehandeld en hoeveel personen werden als vluchteling erkend? Wat is volgens de minister het probleem bij de erkenning van Tibetanen als asielzoeker? Is het voornamelijk een identiteitsprobleem? Op welke manier meent de minister dat het probleem van het bewijs van de identiteit van de Tibetaanse asielzoeker kan worden opgelost? Welke stappen zal de minister doen om het probleem van de Tibetaanse vluchtelingen in BelgiŽ op te vangen?

Naar welk land worden de uitgeprocedeerde Tibetanen uitgewezen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de minister van Migratie- en Asielbeleid.

Vooraf wijs ik erop dat de Belgische wetgever de beoordeling van de asielaanvragen in de handen heeft gelegd van twee onafhankelijke instanties. In eerste aanleg is dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, een onafhankelijke administratieve instantie. In tweede aanleg is dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, een rechtscollege.

De minister kan niet tussenbeide komen in de beoordeling van de asielvragen.

Het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen kan geen statistieken voorleggen over de behandeling van Tibetaanse asielzoekers, omdat geen statistieken per etnische afkomst worden opgemaakt. Het CGVS heeft wel statistieken overhandigd over de behandeling van personen afkomstig uit China. Ik zal die cijfers schriftelijk overhandigen.

Bij de statistieken hoort enig commentaar. Ongeveer 90% van de Chinese asielzoekers zijn personen van vermeende Tibetaanse afkomst. Daarnaast zijn er ook asielzoekers van andere herkomst uit China.

Het merendeel van de toekenningen van de vluchtelingenstatus betreft personen van Tibetaanse herkomst.

Een relatief groot deel van de asielzoekers van Tibetaanse afkomst wordt wel degelijk erkend als vluchteling. Dit geldt zeker en vast voor de beslissingen genomen in 2006 en 2007. Het is manifest onjuist dat het CGVS Tibetaanse asielzoekers zou afwijzen omdat zij geen identiteitsdocumenten kunnen voorleggen. Zoals aan andere asielzoekers wordt gevraagd zo mogelijk documenten voor te leggen die de identiteit, herkomst, reisweg of het relaas aantonen. Indien blijkt dat geen bewijzen kunnen worden voorgelegd, kunnen in principe verklaringen volstaan. Dit is conform algemeen aanvaarde regels van bewijs voor de asielprocedure.

De meeste negatieve beslissingen zijn gebaseerd op de vaststelling van een tekort aan geloofwaardigheid met betrekking tot de herkomst, de identiteit of de redenen waarom men gevlucht is of niet naar zijn of haar land van herkomst terug kan, omdat valse of vervalste documenten worden voorgelegd of de verklaringen totaal ongeloofwaardig zijn en men zodoende geen zicht heeft op de reŽle situatie van de betrokkene. Veelal gaat het hierbij om personen die beweren Tibet niet zolang geleden te hebben verlaten, terwijl dit duidelijk niet waar blijkt te zijn. Vermoedelijk gaat het om personen die in feite afkomstig zijn uit Nepal of India. In sommige gevallen gaat het om personen die de nationaliteit van die landen hebben of er definitief gevestigd waren en in andere is het niet duidelijk hoe lang zij in die landen verbleven hebben of wat daar hun status was. Door hun gebrek aan medewerking heeft men dit niet kunnen achterhalen.

Zoals eerder aangegeven, kan de minister in de beoordeling van de asielvragen niet ingrijpen. Het is ook niet nodig maatregelen te nemen met betrekking tot het bewijs van de identiteit.

Met betrekking tot de terugkeer is het in de eerste plaats aan de uitgeprocedeerde asielzoekers zelf om hun al dan niet vrijwillige terugkeer te organiseren via bevoegde instanties, zoals de International Organisation for Migration, onderdeel van de Verenigde Naties. Het is dan mogelijk om terug te keren naar hun land van herkomst of naar een ander land waar zij kunnen verblijven of al eerder voor lange tijd verbleven hebben.

De voorbije jaren zijn er geen gedwongen verwijderingen van een uitgeprocedeerde Tibetaan georganiseerd.

Mevrouw Els Schelfhout (CD&V-N-VA). - Uit dit antwoord maak ik op dat het probleem niet zozeer ligt bij het al dan niet beschikken over identiteitsdocumenten. Ik zal de mij bezorgde cijfers aandachtig bestuderen en de minister er te gepasten tijde opnieuw over aanspreken.

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde mogelijkheid om een noodoproep te doen via smsĽ (nr. 4-217)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Wanneer iemand betrokken raakt bij een ongeval of daarvan getuige is, of wanneer iemand het slachtoffer is van een misdrijf of getuige is van een dergelijk feit, of wanneer iemand geconfronteerd wordt met een medische crisissituatie, is het bijzonder belangrijk, vaak zelfs letterlijk van levensbelang, om snel de hulpdiensten te kunnen verwittigen.

Voor de medeburgers in onze samenleving die doof of slechthorend zijn of een spraakstoornis hebben, is het doen van een noodoproep vandaag echter nog steeds in vele gevallen onmogelijk. Het gaat niet om een beperkte groep mensen want vandaag zijn er in ons land ongeveer 400.000 doven en gehoorgestoorden. Voor hen is het noodfaxsysteem tot stand gekomen dankzij de samenwerking tussen de Vlaamse dovenfederatie Fevlado en plichtbewuste politiemensen die zich verenigd hebben onder de naam `Het Reddend Gebaar', maar dat systeem is buiten de thuissituatie niet te gebruiken. Dezelfde opmerking geldt voor de Vlaamse dienst Teletolk die enkel op werkdagen tussen 9 en 19 uur beschikbaar is. Verder is het, opnieuw dankzij een initiatief van onder meer `Het Reddend Gebaar', in de politiezones VLAS, met onder andere Kortrijk, en RIHO, met onder andere Roeselare, sinds enkele jaren voor doven en slechthorenden mogelijk een sms-noodoproep te doen op het algemeen telefoonnummer van de lokale politiezone. Deze dienst is momenteel wegens technische beperkingen bij Belgacom enkel beschikbaar tussen 8 en 22 uur. Het blijft overigens een lokale oplossing die buiten de genoemde politiezones niet beschikbaar is.

Hoe ver staat de nv ASTRID met het opzetten van een sms-noodoproepsysteem? Op welke termijn zal dit systeem operationeel zijn?

Welke resultaten heeft het overleg met de communicatiesector opgeleverd en wanneer is een volgend overlegmoment gepland?

Is de minister bereid de nodige budgettaire middelen vrij te maken zodat er op korte termijn een oplossing komt voor deze letterlijk levensbelangrijke problematiek, die toch al heel wat jaren wordt aangekaart?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - De noodzakelijke voorwaarde voor het uitwerken van het project `sms voor doven' is dat een gsm-oproep moet kunnen worden gelokaliseerd. Kan een gsm-oproep niet worden gelokaliseerd, dan rijzen er in de werking van noodcentrales ernstige problemen, zoals reeds is gebleken.

In een koninklijk besluit van 27 april 2007 worden de telecomoperatoren verplicht tot het aanleveren van lokalisatiegegevens aan de noodcentrales. De uitvoering van dit koninklijk besluit is aan het BIPT toevertrouwd. Een werkgroep Nooddiensten, onder leiding van het BIPT en met onder meer experts van de nooddiensten, maar ook vertegenwoordigers van de gsm-operatoren, is momenteel bezig met de implementatie van de regelgeving ter zake. Ik kan me moeilijk uitspreken over de concrete stand van zaken, en verwijs u in dat verband graag door naar mijn collega die bevoegd is voor telecom, minister Van Quickenborne.

Eens de lokalisatie van gsm-oproepen gerealiseerd zal zijn, zijn er nog een aantal andere problemen in het kader van het project `sms voor doven'. De materie werd momenteel, in afwachting van de lokalisatiegegevens, op technisch vlak al verkend in een aantal vergaderingen. Vooralsnog is er geen oplossing.

Het versturen van sms-berichten is gemeengoed geworden, maar er rijzen problemen als deze commerciŽle dienst wordt gebruikt voor het uitsturen van een noodoproep. Zo is er geen gegarandeerde aflevering, het bericht kan niet naar de territoriaal bevoegde meldkamer worden gerouteerd en het opnieuw contact maken met de `oproeper' is niet altijd mogelijk. Dit zijn nochtans fundamentele voorwaarden waaraan een noodoproep moet voldoen, wil men een adequate interventie kunnen uitsturen.

De hele zaak zal, na het uitklaren van de lokalisatieproblematiek, door de werkgroep Nooddiensten binnen het BIPT worden behandeld. Aangezien deze werkgroep de specialisten van de nooddiensten en de mobiele operatoren verenigt, is dit forum het beste geplaatst om een zo goed mogelijke oplossing voor te stellen.

Het technische concept kan nog niet onmiddellijk operationeel zijn. Er is nog studiewerk nodig. In de meerjarenraming ASTRID wordt hiervoor in de nodige financiŽle middelen voorzien voor 2009.

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de vice-eersteminister en minister van Werk en Gelijke Kansen en aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over ęhet Label Gelijkheid DiversiteitĽ (nr. 4-195)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Eind juni 2006 ging op initiatief van de toenmalige ministers van Werk en van Maatschappelijke Integratie een lovenswaardig proefproject van start. Het doel was bedrijven, organisaties en overheden ertoe aan te zetten een actief diversiteitsbeleid voor kansengroepen, vrouwen, allochtonen, personen met een handicap en ouderen, op te starten en uit te bouwen. Veertien bedrijven, overheden en organisaties die op vrijwillige basis in het project stapten en de vooropgestelde antidiscriminatiedoelstellingen waarmaakten, kregen in het voorjaar van 2007 het `Label Gelijkheid Diversiteit' toegekend.

Ook vandaag blijft een werkgelegenheidsbeleid dat diversiteit stimuleert een absolute noodzaak. Voor personen met een handicap is dit zelfs nog meer het geval dan voor andere kansengroepen. Dit blijkt uit recente cijfers over het project `Jobkanaal' in Vlaanderen. Personen met een handicap lopen op het vlak van tewerkstelling duidelijk achterop ten opzichte van ouderen en allochtonen. In die context heeft de Vlaamse minister van Werk onlangs zijn verantwoordelijkheid opgenomen en bijkomende initiatieven ten voordele van deze specifieke groep in het vooruitzicht gesteld.

Op de eerste informatievergadering over dit project in juni 2006 waren dertig bedrijven en organisaties aanwezig. Heeft de minister een verklaring voor het feit dat slechts de helft daarvan deelnam aan het proefproject? Ik hoop dat ik er niet moet van uitgaan dat de andere helft de doelstellingen van het project niet onderschrijft?

Welke toekomst heeft het `Label Gelijkheid Diversiteit'? Welke evaluatiemechanismen zijn er voor de bedrijven die het label kregen toegekend? Welke initiatieven staan op stapel om andere bedrijven, organisaties en overheden ertoe aan te zetten zich in dit project te engageren? Is er geen nood aan een drastische schaalvergroting van het project?

In hoeverre wordt binnen de federale overheidsdiensten en federale wetenschappelijke en culturele instellingen systematisch een diversiteitbeleid op de werkvloer gevoerd, conform de bepalingen van het `Label Gelijkheid Diversiteit'?

Hoewel de gebruiksaanwijzing van het `Label Gelijkheid Diversiteit' talrijke goede ideeŽn bevat, vind ik er niet meteen in terug dat een bedrijf of een organisatie systematisch gegevens zou moeten bijhouden inzake het aanwerven van mensen uit kansengroepen, het deelnemen van deze werknemers aan cursussen, of het doorstromen naar hogere functies. Is in een dergelijke bepaling voorzien? Indien niet, zou het niet goed zijn om deze bepaling in de doelstellingen op te nemen?

De recente cijfers over de werkgelegenheidssituatie van personen met een handicap in Vlaanderen gaan misschien ook op voor WalloniŽ en Brussel. Welke andere initiatieven lopen er momenteel op federaal niveau om personen met een handicap in hun zoektocht naar werk te ondersteunen? Is de minister van mening dat bijkomende maatregelen voor deze groep nodig zijn? CoŲrdinatie met de bevoegde gemeenschapsministers is ongetwijfeld wenselijk.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de bevoegde ministers.

Bij de voorstelling van het Label aan de organisaties en ondernemingen in juni 2006, was het de bedoeling een pilootproject te lanceren. Om een efficiŽnte invoering en opvolging van dat project te garanderen, hebben we het aantal deelnemers beperkt tot vijftien organisaties en ondernemingen daarbij rekeninghoudend met het evenwicht tussen de gewesten. Dat pilootproject diende om de haalbaarheid te testen van een diversiteitsbeleid gecombineerd met een `Label' en de ondersteunende instrumenten aan te passen en te evalueren, met name wat de kandidaatstelling, procedure en reglementering betreft.

Het project `Label Gelijkheid Diversiteit' bevat een extern controlemechanisme. Die jaarlijkse audit biedt de mogelijkheid het driejaarlijkse actieplan, voorgesteld door de organisaties met een label, te evalueren. Het biedt ook de mogelijkheid de gestage verbetering van het diversiteitsbeleid van de organisatie na te gaan. Elke audit maakt het voorwerp uit van een verslag dat wordt voorgelegd aan het adviescomitť dat zich moet uitspreken over de toekenning of het afnemen van het Label.

Het diversiteitsbeleid binnen de federale overheidsdiensten en de federale wetenschappelijke en culturele instellingen behoort niet tot de bevoegdheid van de minister van Werk.

De procedure inzake conceptie en uitwerking van het dossier voor kandidaatstelling vereist een kwantitatieve en kwalitatieve analyse van de diversiteit van elke organisatie. De kwantitatieve analyse berust op het doelpubliek van het Label, met name de mensen van vreemde origine, de gehandicapten, het geslacht en de leeftijd van personeelsleden. Die lijst moet het mogelijk maken een actieplan op te stellen dat rekening houdt met de diversiteitsbehoeften van de organisatie.

De plaatsing van werknemers en hun begeleiding in hun zoektocht naar werk behoren tot de bevoegdheid van de gewesten. Die deelgebieden bieden de gehandicapten een reeks specifieke hulpmiddelen voor hun professionele integratie. Op federaal niveau hebben de gehandicapte werknemers die voldoen aan de toekenningsvoorwaarden recht op een vermindering van de socialezekerheidsbijdragen door hun werkgever, zoals de structurele vermindering en, in voorkomend geval, verminderingen die aan doelgroepen worden toegekend. Ze kunnen ook gebruik maken van activeringsprogramma's inzake toelagen zoals de programma's Activa, Sine en programma's voor verandering van beroep.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik dank de minister voor zijn duidelijke en zeer gestructureerde antwoord. Ik begrijp dat het onderwerp van mijn vraag gedeeltelijk ook onder de bevoegdheid van andere ministers valt.

Ik ben blij te vernemen dat het Label Gelijkheid Diversiteit niet eenmalig is, dat het driejaarlijks zeer streng zal worden geŽvalueerd en dat het kan worden ingetrokken als niet aan de nodige voorwaarden is voldaan.

Vraag om uitleg van mevrouw Helga Stevens aan de staatssecretaris voor Personen met een handicap over ęde Nationale Hoge Raad voor Personen met een handicapĽ (nr. 4-215).

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - In juli vorig jaar werd in het Belgisch Staatsblad de zesjaarlijkse oproep tot kandidaatstelling voor de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap gelanceerd. Ik heb vernomen dat ondertussen een selectie is gemaakt.

Op welke manier verloopt de selectieprocedure precies? Op basis van welke criteria worden de ingediende kandidaturen beoordeeld en de kandidaten geselecteerd?

Wie verstrekt de adviezen bij de selectie? Neemt de staatssecretaris zelf de eindbeslissing? Heeft zij steeds de adviezen gevolgd die haar werden verstrekt? Zo neen, in welke gevallen niet en waarom?

Welke kandidaten zullen uiteindelijk zetelen in de Nationale Hoge Raad? Hoeveel nieuwe leden zijn er? Is er onder de nieuwe leden van de Nationale Hoge Raad een vertegenwoordiger van de gebarentaalgebruikers? Zo neen, op welke manier zal de staatssecretaris dan de vertolking van de standpunten van deze groep waarborgen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - De hernieuwing van de mandaten van de leden van de Nationale Hoge Raad voor personen met een handicap gebeurde via het koninklijk besluit van 29 februari 2008 tot benoeming van de voorzitter, de ondervoorzitters en de leden van de raad. Dat is pas enkele weken geleden, op 2 april 2008, in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd. De raad bestaat uit twintig leden: tien Nederlandstaligen en tien Franstaligen. De leden zijn benoemd op basis van hun deelname aan activiteiten van organisaties van personen met een handicap of wegens hun sociale of wetenschappelijke activiteiten. De leden van de Raad worden benoemd door de toezichthoudende minister, zoals bepaald in artikel 3 van het koninklijk besluit van 9 juli 1981.

De oproep tot kandidaten voor het hernieuwen van de mandaten verscheen op 16 juli 2007 en vijftig personen stelden zich kandidaat: 24 Nederlandstaligen en 26 Franstaligen. Minister Onkelinx wenste zo nauw mogelijk aan te sluiten bij de vroegere raad, dit met het oog op de continuÔteit en om de expertise van de leden te behouden. De minister gaf de voorkeur aan personen die een rechtstreekse band hebben met personen met een handicap en met de verenigingen die hen vertegenwoordigen.

Ze wenste ook personen te kiezen die in andere organen zetelen, om de coŲrdinatie tussen de organen die van verschillende beleidsniveaus afhangen, makkelijker te maken. Daarbij heeft zij ervoor gezorgd personen te selecteren die een algemeen zicht hebben op de verschillende facetten van de problematiek, maar ook personen die kennis hebben van handicaps of specifieke ziektes. Tot slot heeft de minister gezorgd voor de bevordering van een evenwichtige verdeling tussen mannen en vrouwen: twaalf mannen en acht vrouwen.

Ik zal de senator de lijst van de leden van de Nationale Hoge Raad bezorgen. Onder de leden bevindt zich mevrouw Pascale Van der Belen, coŲrdinatrice van Infosourds te Brussel, die gebarentaal kent, wat een meerwaarde is voor deze raad.

Mevrouw Helga Stevens (CD&V-N-VA). - Ik dank de staatssecretaris voor het duidelijke antwoord. Ik ben blij dat ik de lijst met leden zal krijgen. Indien nodig zal ik later op dit onderwerp terugkomen.

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęademanalysetoestellenĽ (nr. 4-219)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - De Vaste Commissie van de Lokale Politie vestigde onlangs de aandacht op het contract van de ademanalysetoestellen die worden gebruikt voor de alcoholcontroles.

Volgens de Commissie wordt door de firma Dršger een monopoliepositie gecreŽerd waarvan ze ook misbruik maakt. Zo is er een forse prijsverhoging van technische apparatuur en accessoires. De mondstukken voor de ademtesters bijvoorbeeld zijn op korte termijn sterk in prijs gestegen: van 0,15 cent naar 1 euro. Daarnaast zouden de onderhouds- en ijkingsfrequenties niet beantwoorden aan de redelijke minimumnormen.

De Vaste Commissie klaagt aan dat de Lokale Politie hierdoor financieel in moeilijkheden komt, zeker nu de Staten Generaal van de Politie verwacht dat er twee miljoen ademtests per jaar zullen worden uitgevoerd. Dat betekent een meeruitgave van 1,7 miljoen euro.

De Vaste Commissie van de Lokale Politie vraagt de minister het tienjarige contract met de firma Dršger Belgium voor de ademanalysetoestellen te herzien. Gaat hij in op deze vraag en hoe zal hij die contractherziening aanpakken?

Heeft hij oren naar de opmerking dat de prijs voor de ademtests de laatste tijd bijzonder is toegenomen en dat deze situatie financiŽle gevolgen heeft? Welke oplossingen stelt hij daarvoor in het vooruitzicht?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik heb een dergelijke vraag van volksvertegenwoordiger Guido De Padt al beantwoord in de Kamercommissie Binnenlandse Zaken van 13 februari jongstleden.

De politie heeft bij de marktprocedure en bij het afsluiten van het contract de wetgeving gerespecteerd. Dit contract omvat verschillende posten, zodat elk politiekorps er al dan niet modulair gebruik van kan maken.

Het raamcontract tussen de politie en de leverancier Dršger Safety Belgium nv betreft de aankoop, het onderhoud - inclusief het door de leverancier zelf voorgeschreven jaarlijkse kalibreren, de driejaarlijkse vervanging van een essentieel onderdeel, namelijk het kristal - en de verificatie door een geaccrediteerd laboratorium, die nodig is voor een modelgoedkeuring door de Dienst Metrologie van het departement Economie. De firma Dršger heeft hiervoor gekozen voor het laboratorium Alcometrics bvba, dat over de nodige accreditaties beschikt.

Het is niet uitgesloten dat een korps andere toestellen aankoopt, maar bij de toekenning van middelen via het verkeersveiligheidsfonds wordt wel gestreefd naar standaardisering en harmonisatie.

Het huidige contract is geldig tot 2009 voor de aankoop van nieuwe toestellen, tot 2012 voor de bijbehorende verbruiksproducten en tot 2013 voor het onderhoud, de kalibratie en de verificatie door erkende laboratoria. Er moet dus zeer binnenkort een nieuwe overheidsopdracht worden voorbereid.

Een gewoon plastic mondstuk voor de drie analysetoestellen van de vorige generatie kostte respectievelijk 45 cent, 494 cent en 289 cent; die mondstukken werden bovendien tweemaal per jaar door de vroegere APSD gezamenlijk voor alle politiediensten besteld, zodat de prijs kon worden gedrukt.

De nieuwe mondstukken kosten per stuk 788 cent. Ze zijn technisch veel hoogstaander en worden door alle politiezones apart en dus in beperkte hoeveelheden aangekocht. De prijs houdt rekening met een gedecentraliseerde levering en ligt contractueel vast voor heel de duur van het contract.

Het onderhoudscontract is niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen.

Het onderhoud door de firma Dršger omvat ook de driejaarlijkse vervanging van het kristalonderdeel. De vervanging van de sensor kost ongeveer 500 euro per toestel. Die kosten zijn begrepen in de maandelijkse betaling aan de firma, zodat voor politiezones die een onderhoudscontract sluiten, elke sensor in feite op drie jaar wordt afgeschreven. Afzien van het aangeboden preventief onderhoudscontract verhoogt de kans op defecten en op afkeuring bij de jaarlijkse verificatie. Bovendien brengt de driejaarlijkse vervanging van de sensor onvermijdelijk kosten met zich mee.

Ik heb de voorzitter van de Vaste Commissie van de Lokale Politie en de commissaris-generaal van de Federale Politie gevraagd hierover duidelijk te communiceren.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Onze eerste bekommernis blijft dat er, ongeacht de kostprijs van het materiaal, voldoende alcoholcontroles moeten gebeuren. Ik heb begrepen dat ook de minister die mening is toegedaan.

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken over ęveiligheid in de Belgische voetbalstadionsĽ (nr. 4-222)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Volgens een recent UEFA-rapport bevinden de Belgische voetbalstadions zich in een lamentabele toestand. Nu reeds staat vast dat geen enkel stadion eerste klasse aan de strengere voorwaarden van de UEFA voor 2008-2009 voldoet. Vanaf volgend jaar kunnen Standard, Brugge, Anderlecht en geen enkele Belgische club in geval van Europese overwintering hun thuiswedstrijden nog in eigen stadion afwerken. Ook de staatssecretaris zal dat niet aangenaam vinden.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Zondag mag ik toch nog gaan kijken?

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Zondag kan dat nog! Gelukkig.

Ik neem aan dat de criteria van de UEFA rationeel zijn afgetoetst. Ze zijn wellicht een goede graadmeter voor de toestand waarin onze voetbalstadions momenteel verkeren. Los van de sportieve implicaties gaat mijn aandacht uit naar de veiligheid van de gebouwen voor toeschouwers, spelers en talrijke medewerkers. Minstens even belangrijk zijn goede voorzieningen voor de ordehandhavers en een maximale capaciteit om in geval van crisis op een snelle en doortastende manier te kunnen optreden. De infrastructuur van het gebouw is daarbij dus cruciaal.

Naar aanleiding van de Belgische kandidatuur voor het WK 2018 staan bovendien diverse projecten op stapel om in ons land nieuwe stadions te bouwen. Ik wijs er echter op dat het aspect veiligheid een essentieel criterium is bij nieuwbouw of verbouwingswerken. Zelfs in de tijdsdruk die kan ontstaan in de aanloop naar de gestelde datum mag het veiligheidsaspect niet worden verwaarloosd.

Beschikt de vice-eersteminister al over de resultaten van de UEFA-doorlichting van de Belgische voetbalstadons en welke conclusies trekt hij daaruit? Hoe staat het met de veiligheid van de Belgische sport- en vooral voetbalstadions? Wat is zijn globale visie op de veiligheid in sport- en voetbalstadions en grote sportmanifestaties in het algemeen? Is hij van plan om van de veiligheid een prioriteit te maken bij de nieuwbouw en verbouwingswerken van de Belgische stadions en welke middelen zal hij daarvoor inzetten?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de vice-eersteminister.

Ik zou er eerst willen op wijzen dat de UEFA geen doorlichting gemaakt heeft van de Belgische stadions en zeker niet van de veiligheid ervan. Het beoogde `rapport' betreft de nieuwe regels van de UEFA voor de stadioninfrastructuur voor alle competities die onder haar verantwoordelijkheid gespeeld worden. De UEFA voorziet in vier categorieŽn van stadions, namelijk 1, 2, 3 en Elite, vastgesteld op basis van sportief-technische aangelegenheden als speelveld, kleedkamers en verlichting, en criteria die te maken hebben met de media zoals de perstribune, de perszaal en studio's, en tenslotte criteria die te maken hebben met toeschouwerscapaciteit, voorzieningen voor toeschouwers enzovoort. De finales van de UEFA Cup en de Champions League kunnen enkel worden gespeeld in een elitestadion, terwijl voor de meeste andere wedstrijden een stadion categorie 3 vereist is. In BelgiŽ behoort momenteel geen enkel stadion tot de categorie Elite.

Wat betreft de veiligheid, wat mijn bevoegdheid is, moeten de Belgische voetbalstadions voldoen aan de regels van de voetbalwet en het koninklijk besluit infrastructuur. De politie en de Voetbalcel controleren de naleving ervan. De eindverantwoordelijkheid berust bij de burgemeester, op basis van een jaarlijkse stabiliteits- en brandweercontrole.

Ik ben van mening dat de situatie inzake veiligheid in onze stadions de afgelopen jaren enorm verbeterd is, maar ik ben er mij wel van bewust dat in sommige stadions, zeker in de lagere afdelingen, nog ruimte is voor verbetering.

Mijn visie op veiligheid steunt op drie grote pijlers. Het evenement moet namelijk plaats kunnen hebben in veilige omstandigheden, in omstandigheden die aangenaam zijn voor iedereen en op basis van een proportioneel evenwicht tussen de inspanningen van de publieke en de privťsector voor de financiŽle middelen en het personeel.

Het spreekt vanzelf dat het veiligheidsaspect daarbij primeert op het commercieel belang van de clubs. De veiligheid van de toeschouwers mag op geen enkel ogenblik in gevaar komen.

Bij de huidige plannen voor nieuwe stadions en tribunes werk ik in twee richtingen. Ik heb, ten eerste, onlangs een omvangrijke wijziging aan het koninklijk besluit infrastructuur voor de voetbalstadions goedgekeurd, gebaseerd op de nieuwe Europese regelgeving, op binnen- en buitenlandse ervaringen en op de bestaande plannen voor de multifunctionele stadions. Het ontwerp wordt nu voor advies gestuurd naar de verschillende bevoegde instanties, waaronder de Europese Commissie.

Mijn diensten verstrekken, ten tweede, advies bij de bouw van nieuwe stadions of tribunes, vanaf de planningsfase. Als een club niet zelf om advies verzoekt, schrijven mijn diensten de verantwoordelijken aan met een vraag om overleg zodat elk veiligheidsrisico op voorhand kan worden geŽlimineerd.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Ik stel vast dat de minister begaan is met de veiligheid van de voetbalstadions en dat is zeker positief. Anderzijds zou het jammer zijn dat Standard niet in eigen stadion zou kunnen spelen, mochten ze volgend jaar de finale van de Champions League halen.

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęverkeersveiligheid voor fietsers en veilige fietsenĽ (nr. 4-220)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Momenteel loopt in Vlaamse kranten een grote enquÍte over de toestand van de fietspaden in Vlaanderen. Dat geeft het belang van het fietsen aan. We moeten dat stimuleren omdat fietsen milieuvriendelijk is en goed is om de verkeersknoop te ontwarren.

Niet alleen de veiligheid van de fietspaden is belangrijk, maar ook de veiligheid van de fiets zelf. De veiligheidsnormen voor fietsen zijn daarvoor het uitgangspunt. Momenteel is op Europees vlak echter alleen maar werk gemaakt van een gestandaardiseerde productnormen. Deze geven evenwel onvoldoende garantie dat de fiets ook voldoende veilig is om in het verkeer te komen.

Uit onderzoek is gebleken dat 10 procent van de ongevallen met een fiets te wijten is aan een technisch mankement aan de fiets zelf, zoals inferieure verlichting, slecht werkende remsystemen, slepende kettingen en gebroken bagagedragers.

De kans om een veilige fiets te kopen neemt toe wanneer men deze aankoopt bij de vakhandel. De gespecialiseerde vakhandel is bijzonder begaan met de verkoop van veilig materiaal en staat ook in voor een goede klantenservice. In een groothandel daarentegen ontbreekt de noodzakelijke informatie, zijn er weinig tot geen onderhoudsmogelijkheden of een degelijke service na de verkoop. De meerprijs van een speciaalzaak is op lange termijn een investering in kwaliteit.

Onlangs controleerde de politie in West-Vlaanderen 20.000 fietsers. Daarvan was 42%, hetzij meer dan 8.000 fietsers, niet in orde met de technische normen.

Acht de staatsecretaris het raadzaam om op termijn, samen met alle deelstaten, een grondige evaluatie te maken van het fietsbeleid in ons land waarbij de verkeersveiligheid primordiaal wordt naar voren geschoven? Is hij van plan om zelf initiatieven te nemen die het fietsbeleid in ons land ten goede komen? Maakt de overheid werk van sluitende verkoopscriteria inzake veiligheidsnormen voor fietsen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van staatssecretaris Schouppe.

Ik deel de bezorgdheid van de heer Claes en het lijkt mij een zeer goed idee om samen met de gewesten een grondige evaluatie te maken van het fietsbeleid in ons land, uiteraard rekening houdend met de respectieve bevoegdheden van de federale overheid en de gewesten. Nu al is er systematisch overleg binnen de Federale Commissie voor de verkeersveiligheid, meer bepaald in de werkgroep Zwakke Weggebruikers, waarin ook de gewesten vertegenwoordigd zijn. Ook is er geregeld overleg tussen de federale fietsambtenaar en haar collega's in de gewestadministraties over punctuele aangelegenheden.

Het fietsbeleid maakt integraal deel uit van een duurzaam mobiliteitsbeleid, met specifieke aandacht voor de aspecten van veiligheid en leefmilieu. Ook hierover is overleg met de gewesten noodzakelijk, maar ook met andere federale overheden inzake fiscaliteit, leefmilieu en werk, in het kader van het woon-werkverkeer. Vanuit het federale niveau zal ik een aantal hefbomen kunnen aanreiken om het fietsen te stimuleren.

De veiligheidsnormen en een kwaliteitslabel voor fietsen zijn bevoegdheden van de ministers bevoegd voor ondernemen, KMO en consumentenzaken.

Ik beschik over geen afdoende en systematische gegevens die erop wijzen dat de grootdistributie minder veilige fietsen verkoopt dan de gespecialiseerde fietsenhandel. In BelgiŽ is de fietshandel, in vergelijking met het buitenland, sterk in handen van de vakhandel, maar ook de warenhuizen hebben, meer dan in het verleden, oog voor kwaliteit en veiligheid. Ik sta positief tegenover elk initiatief waardoor de technische veiligheid en de kwaliteit van de fietsen wordt verhoogd.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Het is belangrijk dat er een degelijk technisch reglement is, zodat fietsen verkeersveilig zijn. We weten dat de vakhandel erover klaagt dat vele consumenten die een fiets kochten in een supermarkt, voor het herstellen van die fiets bij hen komen. Die fietsen zijn er vaak slecht aan toe en het is moeilijk om daar degelijk materiaal voor te vinden. Erger nog! Het is al gebeurd dat een fietshandelaar die zo'n fiets herstelde, nadien aansprakelijk gesteld werd voor een ongeval, terwijl de fiets vanaf het begin onvoldoende kwaliteit vertoonde. Een herstelling kan van zo'n fiets geen degelijke kwaliteitsfiets maken.

Vraag om uitleg van de heer Dirk Claes aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over ęcrashtests uitgevoerd door Euro NCAPĽ (nr. 4-221)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, antwoordt.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Uit tests, uitgevoerd door Euro NCAP, het Europees consortium van consumentenorganisaties, automobilistenclubs en overheidsinstanties, blijkt dat diverse zogenaamde `pick-ups' bijzonder onveilig zijn.

Ze zien er avontuurlijk uit en hebben een open laadbak. De verkoop ervan is op vijf jaar tijd met 53% gestegen. Het zijn milieuonvriendelijke wagens, maar ze kunnen als lichte vrachtwagen worden ingeschreven en genieten dus een gunstig fiscaal regime, wat wellicht ook de gestegen verkoopcijfers verklaart.

Euro NCAP, toch een autoriteit op het vlak van veiligheidsmetingen, heeft een onderzoek gedaan naar de werkelijke veiligheid van deze pick-ups. De resultaten waren ontluisterend: de veiligheid bij tal van deze modellen laat te wensen over, zowel voor de passagiers in de wagen als de zwakke weggebruiker op straat.

Mij interesseert vooral wat er wordt gedaan met de gegevens van erkende consumentenorganisaties waaruit kan worden geconcludeerd dat sommige wagens, volgens betrouwbare tests, ondermaats scoren en een regelrechte bedreiging vormen voor de veiligheid.

Welke procedure wordt gevolgd na het bekendmaken van gegevens waaruit blijkt dat bepaalde types auto's bijzonder onveilig zijn, zowel voor de inzittenden als andere weggebruikers?

Spreekt de minister daarover met zijn collega's-ministers in het kader van de Raad van de Europese Unie?

Welke maatregelen zal de minister concreet nemen na de tests van Euro NCAP waaruit blijkt dat diverse modellen pick-ups onveilig zijn?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk. - Ik lees het antwoord van de staatssecretaris voor Mobiliteit.

Alle voertuigen die in BelgiŽ op de markt worden gebracht, moeten aan een reeks technische vereisten voldoen die moeten garanderen dat het voertuig op een betrouwbare en veilige manier kan worden gebruikt. Daarvoor bestaat een Europese of nationale typegoedkeuring, een homologatie dus, van de verschillende onderdelen en het prototype.

Euro NCAP is een initiatief van consumentenorganisaties. Op basis van een reeks simulaties worden de karakteristieken van een voertuig dat betrokken raakt in een ongeval, getest en geŽvalueerd: een frontale aanrijding, een zijdelingse aanrijding en een frontale aanrijding met een voetganger. Op het einde wordt de score uitgedrukt in een aantal sterren: de belangrijkste sterrenscore is die voor de bescherming van een volwassen persoon en kan maximum 5 zijn.

Deze rating heeft als doel de veiligheid verder te verbeteren door ervoor te zorgen dat de burger op voorhand weet wat hij koopt. Op deze manier oefent Euro NCAP reeds heel wat invloed uit op de autoconstructeurs. Sinds de publicatie van de resultaten van de testen van de pick-ups heeft ťťn van de constructeurs reeds maatregelen genomen en zijn model aangepast. Als gevolg daarvan werd de sterrenscore van een halve ster naar 3 sterren opgetrokken.

Er is geen procedure om te reageren op resultaten die door Euro NCAP worden bekendgemaakt. Euro NCAP is een consumentenorganisatie die het belangrijk vindt om naast de elementaire veiligheidsvoorzieningen ook de impact van een ongeval in te schatten. Ik kan u verzekeren dat die resultaten niet onopgemerkt blijven en dat de inspanningen van Euro NCAP sterk worden geapprecieerd.

Euro NCAP is voor de Raad van de Europese Unie geen onbekende organisatie. Euro NCAP werkt zeer actief mee aan de verbetering van de veiligheidsprestaties van de voertuigen op onze Europese wegen en is vaak aanwezig op Europese en internationale verkeersveiligheids- en constructiefora.

Er zullen geen concrete maatregelen genomen worden ingevolge de pick-upresultaten. Euro NCAP zal in de toekomst zeker een rol blijven spelen en de resultaten zullen altijd actief worden opgevolgd. Als de burger vragen heeft over de veiligheidsprestaties van een voertuig bij een ongeval zal niet nagelaten worden naar het werk en de resultaten van Euro NCAP te verwijzen.

De heer Dirk Claes (CD&V-N-VA). - Ik vind het belangrijk dat een bepaalde constructeur aanpassingen heeft aangebracht. We moeten er wel op letten dat de normen die door Euro NCAP worden uitgevaardigd, altijd afdwingbaar zijn. In BelgiŽ kunnen nog altijd voertuigen worden ingevoerd die niet aan de normen voldoen. We moeten de wetgeving sluitend maken. De Belgische wetgeving mag overigens strenger zijn dan de Europese normen.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 24 april 2008 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Evocatieprocedure
Wetsontwerp houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coŲperatieve vennootschap; Stuk 4-660/1 en 2.

Wetsontwerp houdende diverse bepalingen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coŲperatieve vennootschap; Stuk 4-661/1 tot 2.

Wetsontwerp houdende opheffing van het verval van sommige wetsontwerpen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 4-584/1 tot 4.

Wetsvoorstel tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet, aan de benaming "Grondwettelijk Hof" (van de heer Francis Delpťrťe); Stuk 4-513/1 en 2.

Voorstel van bijzondere wet tot aanpassing van verschillende bepalingen aan de benaming "Grondwettelijk Hof" (van de heer Francis Delpťrťe); Stuk 4-514/1 tot 4.

Wetsvoorstel tot aanpassing van verschillende wetten die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, aan de benaming "Grondwettelijk Hof" (van de heer Francis Delpťrťe); Stuk 4-515/1 tot 4.

Belangenconflict tussen het Parlement van de Franse Gemeenschap en het Vlaams Parlement naar aanleiding van het voorstel van decreet houdende interpretatie van de artikelen 44, 44bis en 62, ß1, 7ļ, 9ļ en 10ļ, van het decreet basisonderwijs van 25 februari 1997 (Vlaams Parlement, Stuk 1163 (2006-2007) - Nr. 1 tot 6); Stuk 4-643/1 en 2. (Pro memorie)

Vanaf 17.30 uur:

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemming over het voorstel van bijzondere wet tot aanpassing van verschillende bepalingen aan de benaming "Grondwettelijk Hof"; Stuk 4-514/1 en 2. (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 24 april om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.25 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Lizin en Smet, de heren Mahoux, Van den Brande en Wille, in het buitenland, mevrouw Hermans, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 77 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 20 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken (van mevrouw Christine Defraigne en de heer Berni Collas; Stuk 4-692/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel tot wijziging van de artikelen 223, 1447 en 1479 van het Burgerlijk Wetboek en van de artikelen 587, 594 en 1280 van het Gerechtelijk Wetboek, inzake preventieve uithuisplaatsing en houdende andere maatregelen ter opvolging en beteugeling van het partnergeweld (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Stuk 4-684/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel ter bevordering van de evenwichtige vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de raden van bestuur van economische overheidsbedrijven en van vennootschappen die een publiek beroep op het spaarwezen hebben gedaan (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.; Stuk 4-685/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 470ter in het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, met het oog op een regelmatige doorstorting van belastinggelden naar de gemeenten (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 4-688/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel met betrekking tot de rechtspersoonlijkheid en de representativiteit van de vakverenigingen (van de heer Michel Delacroix; Stuk 4-689/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 82 van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (van mevrouw Christine Defraigne; Stuk 4-690/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de regelgeving inzake het adoptieverlof (van mevrouw Marleen Temmerman; Stuk 4-691/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen met het oog op de toekenning van een tijdelijke machtiging tot verblijf aan de niet-begeleide minderjarige vreemdeling (van mevrouw Nahima Lanjri; Stuk 4-694/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot bevordering van de werkgelegenheid van werknemers van buitenlandse origine (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-695/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, inzake de bescherming tegen geweld, pesterijen en ongewenst seksueel gedrag op het werk (van de heer Philippe Mahoux; Stuk 4-696/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende aanvulling van artikel 53 van het koninklijk besluit van 14 december 2006 betreffende geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik, teneinde het dubbelgebruik van geneesmiddelen te vermijden (van de heer Patrik Vankrunkelsven c.s.; Stuk 4-697/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot strafbaarstelling van het kraken van gebouwen en tot uitbreiding van de strafbaarstelling van woonstschennis (van de heren Tony Van Parys en Hugo Vandenberghe; Stuk 4-698/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie tot bevordering van de economische ontwikkeling van de horecasector (van de heer Dirk Claes c.s.; Stuk 4-686/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de algemene maatschappelijke aanvaarding en gelijkschakeling van holebi's (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-687/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende de mensenrechtensituatie in China naar aanleiding van de Olympische Spelen (van mevrouw Marleen Temmerman; Stuk 4-699/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Justitie:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Evocatie

De Senaat heeft bij boodschap van 14 april 2008 aan de Kamer van volksvertegenwoordigers ter kennis gebracht dat tot evocatie is overgegaan, op die datum, van:

Wetsontwerp houdende begeleidende maatregelen met betrekking tot de instelling van een bijzondere onderhandelingsgroep, een vertegenwoordigingsorgaan en procedures betreffende de rol van de werknemers in de Europese coŲperatieve vennootschap (Stuk 4-660/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de Commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 10 april 2008 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 78 van de Grondwet

Wetsontwerp tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek wat betreft de procedure inzake huurgeschillen (Stuk 4-693/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 11 april 2008; de uiterste datum voor evocatie is maandag 28 april 2008.

Kennisgeving

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 587 van het Burgerlijk Wetboek (van de heren Hugo Vandenberghe en Tony Van Parys; Stuk 4-15/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 april 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Lissabon tot wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, en met de Slotakte, gedaan te Lissabon op 13 december 2007 (van de Regering; Stuk 4-568/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 10 april 2008 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Parket

Bij brief van 14 april 2008 heeft de Procureur des Konings te Veurne overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Parket van de Procureur des Konings te Veurne, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 10 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Arbeidsauditoraat

Bij brief van 14 april 2008 heeft de arbeidsauditeur te Turnhout overeenkomstig artikel 346 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van het Arbeidsauditoraat te Turnhout, goedgekeurd tijdens zijn korpsvergadering van 31 maart 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbank van eerste aanleg

Bij brief van 11 april 2008 heeft de voorzitter van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag 2007 van de Rechtbank van eerste aanleg te Tongeren, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 10 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Rechtbanken van koophandel

Bij brief van 7 april 2008 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Oudenaarde overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2007 van de Rechtbank van koophandel te Oudenaarde, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 21 maart 2008.

Bij brief van 10 april 2008 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Doornik overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2007 van de Rechtbank van koophandel te Doornik, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 11 maart 2008.

Bij brief van 11 april 2008 heeft de voorzitter van de Rechtbank van koophandel te Namen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2007 van de Rechtbank van koophandel te Namen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 8 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken

Bij brief van 9 april 2008 heeft de voorzitter van de Algemene Vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Bergen overeenkomstig artikel 340 van het Gerechtelijk Wetboek aan de Senaat overgezonden, het werkingsverslag voor 2007 van de Algemene vergadering van de vrederechters en de rechters in de politierechtbanken ressorterende onder het Hof van Beroep te Bergen, goedgekeurd tijdens zijn algemene vergadering van 4 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Hoge Raad voor de Justitie

Bij brief van 14 april 2008, heeft de voorzitter van de Hoge Raad voor de Justitie, overeenkomstig de artikelen 259bis-12, ß1, en 259bis-18 van het Gerechtelijk Wetboek, aan de Senaat overgezonden:

goedgekeurd door de Verenigde advies- en onderzoekscommissie op 10 april 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Federaal Planbureau

Bij brief van 25 maart 2008 heeft het Federaal Planbureau, overeenkomstig de wet van 5 mei 1997 betreffende de coŲrdinatie van het federale beleid inzake duurzame ontwikkeling, aan de Senaat overgezonden, het tweejaarlijks Federaal Rapport 2007.

-Neergelegd ter Griffie.

Europees Parlement

Bij brief van 9 april 2008 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 10 tot en met 13 maart 2008.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomitť voor Europese Aangelegenheden.