3-48

3-48

Belgische Senaat

3-48

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 25 MAART 2004 - OCHTENDVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van het Europees Parlement, van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement en van het Kieswetboek (Stuk 3-546) (Evocatieprocedure)

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de artikelen 6, ß1, VIII, 4ļ, eerste lid, en 31, ß5, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 22, ß5, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, teneinde de controlebevoegdheid van de Raden inzake verkiezingsuitgaven en inzake de voor het publiek bestemde mededelingen en voorlichtingscampagnes te verduidelijken (Stuk 3-571)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad, de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-572) (Evocatieprocedure)

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde Duitse vertaling van wetteksten en verordenende teksten en de toegankelijkheid ervanĽ (nr. 3-193)

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in verband met de vermindering voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering (van de heer Hugo Vandenberghe c.s., Stuk 3-198)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde intentie tot uitbreiding van de inleiding van gerechtelijke procedures bij verzoekschrift op tegenspraakĽ (nr. 3-192)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorgĽ (nr. 3-178)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde spoeddiensten in de psychiatrieĽ (nr. 3-189)

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęde Belgische Technische CoŲperatie (BTC)Ľ (nr. 3-177)

Berichten van verhindering


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 10.05 uur.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezing van het Europees Parlement, van de wet van 23 maart 1989 betreffende de verkiezing van het Europees Parlement en van het Kieswetboek (Stuk 3-546) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-825/5.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de artikelen 6, ß1, VIII, 4ļ, eerste lid, en 31, ß5, eerste lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en van artikel 22, ß5, eerste en tweede lid, van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, teneinde de controlebevoegdheid van de Raden inzake verkiezingsuitgaven en inzake de voor het publiek bestemde mededelingen en voorlichtingscampagnes te verduidelijken (Stuk 3-571)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Noreilde voor een mondeling verslag.

De heer Stefaan Noreilde (VLD), rapporteur. - Dit ontwerp van bijzondere wet werd op 18 maart 2004 door de Kamer van volksvertegenwoordigers aangenomen. De Senaatscommissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden heeft het ontwerp, samen met het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad, de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap, besproken op 23 maart.

In zijn inleidende uiteenzetting wees de minister van Binnenlandse Zaken op de bijzondere wet van 13 juli 2001 ter uitvoering van de Lambermontakkoorden. Daarin wordt de bevoegdheid om controle uit te oefenen over de verkiezingsuitgaven van de partijen alsook op de verkiezingspropaganda van de partijen en kandidaten overgedragen aan de gemeenschappen en gewesten voor zover ze betrekking hebben op het desbetreffende niveau. Deze bevoegdheid wordt uitgeoefend door elke gemeenschaps- of gewestraad of door een orgaan dat hiervoor door hen wordt aangewezen en dit volgens de regels van het decreet of de ordonnantie.

Inzake de controle over de verkiezingsuitgaven rees de vraag of deze bevoegdheid uitsluitend betrekking heeft op de verkiezingsuitgaven dan wel of ze zich uitbreidt tot de herkomst van de geldmiddelen die hiervoor worden gebruikt. In dat laatste geval zouden de Raden ook toezicht moeten uitoefenen op de naleving van de verplichting van partijen en kandidaten om de identiteit te registreren van de natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer voor de verkiezingscampagne hebben gedaan. Deze onduidelijkheid leidde ertoe dat de parlementen van de gemeenschappen en de gewesten verschillende posities gingen innemen. Het Vlaamse Parlement en het Parlement van de Duitstalige Gemeenschap namen een decreet aan waarin zij zich beperken tot de strikte controle van de verkiezingsuitgaven zoals bepaald in de bijzondere wet van 13 juli 2001. Het Waalse en Brusselse Parlement gingen echter een stap verder. In het door hen aangenomen decreet, respectievelijk ordonnantie, breiden zij hun bevoegdheid uit tot de controle van de oorsprong van de geldmiddelen voor de verkiezingsuitgaven. Dit ontwerp van bijzondere wet wil aan deze dubbelzinnigheid een einde maken door te bepalen dat de controle op de verkiezingsuitgaven door de gemeenschaps- en gewestraden ook slaat op de herkomst van de geldmiddelen, met inbegrip van de identiteit van natuurlijke personen die giften van 125 euro en meer hebben gedaan.

De federale overheid blijft bevoegd voor het vaststellen van de procedures en formaliteiten voor de indiening van aangiften van de verkiezingsuitgaven en de herkomst van de geldmiddelen van politieke partijen en kandidaten. Inzake overheidscommunicatie kent het wetsontwerp de raden de bevoegdheid toe de communicatie uitgaande van hun voorzitter te controleren. De controlebevoegdheid van de raden wordt bijgevolg uitgebreid tot alle mogelijke communicatie- en informatiecampagnes gericht tot het publiek en uitgaande, niet alleen van ťťn of meer leden van de regering, maar ook van de regering in haar geheel of van de voorzitters van de desbetreffende parlementen.

Bij de stemming werd het ontwerp van bijzondere wet in de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden eenparig en ongewijzigd aangenomen door de negen aanwezige leden.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-897/2.)

-De artikelen 1 tot 5 worden zonder opmerking aangenomen.

-Over het wetsontwerp in zijn geheel wordt later gestemd.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 19 mei 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen van de Vlaamse Raad, de Waalse Gewestraad, de Brusselse Hoofdstedelijke Raad en de Raad van de Duitstalige Gemeenschap (Stuk 3-572) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Brotcorne voor een mondeling verslag.

De heer Christian Brotcorne (CDH), rapporteur. - Dit ontwerp gaat over de aanpassing die de vorige spreker net heeft toegelicht. De wet van 19 mei 1994 moest worden gewijzigd om de deelgebieden de mogelijkheid te geven ook de herkomst van de bij verkiezingscampagnes aangewende middelen te controleren. Het ontwerp werd zonder wijziging eenparig aangenomen door de commissieleden.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-898/1.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde Duitse vertaling van wetteksten en verordenende teksten en de toegankelijkheid ervanĽ (nr. 3-193)

De heer Berni Collas (MR). - In der vorliegenden Problematik habe ich mich schon mal an die Justizministerin gewandt, da es hier einer Zusammenarbeit zwischen Ihnen, Herr Innenminister, und Ihrer Kollegin, die fŁr die Justiz zustšndig ist, bedarf.

Ik heb me reeds tot de minister van Justitie gewend, omdat samenwerking tussen u, mijnheer de minister, en uw collega van Justitie in deze problematiek nodig is.

Inderdaad, krachtens artikel 76, ß1, 2ļ, van de wet van 31 december 1983 betreffende de Duitstalige Gemeenschap is de voor het Duitstalige gebied bevoegde arrondissementscommissaris belast met het verzamelen en inventariseren van de van deze teksten bestaande Duitse vertalingen.

De Centrale Dienst voor Duitse Vertaling, die uitstekend werk levert, hangt af van de minister van Binnenlandse Zaken, en is toegevoegd aan het arrondissementscommissariaat van Malmedy. Dat beschikt over een gegevensbank of in elk geval over bestaande Duitse vertalingen van bepaalde geconsolideerde teksten. Zoals talrijke burgers en rechtsbeoefenaars het vragen, zou het mijns inziens verantwoord zijn de in het Duits vertaalde gecoŲrdineerde wetgeving toegankelijk te maken voor het publiek.

Ik heb de minister van Justitie dan ook gevraagd de toegang tot de Duitse vertaling mogelijk te maken via de federale website van Justitie, die verschillende gegevensbanken bevat met betrekking tot de publicatie van wetteksten, waaronder de gegevensbank `geconsolideerde wetgeving'.

De minister heeft mij geantwoord dat zij met u contact zou opnemen in verband met deze problematiek. Is dat gebeurd? Wat is het resultaat ervan? Wat kunt u doen of bent u van plan te doen om het vertaalwerk van de Centrale Dienst voor Duitse Vertaling te laten renderen via een ruimere toegang of verspreiding?

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Het wetsvoorstel dat u hebt ingediend om dit probleem gedeeltelijk te regelen, zal door de commissie voor de Justitie worden onderzocht. De wet van 31 mei 1961 betreffende het gebruik der talen in wetgevingszaken, dat uw voorstel wil wijzigen, behoort immers tot de bevoegdheidvan de minister van Justitie.

Op basis van de bepaling van de wet van 31 december 1983, waarnaar u verwijst, heb ik de adjunct-arrondissementscommissaris van Malmedy al schriftelijk gevraagd een volledige inventaris op te maken van alle Duitse vertalingen van wetten en verordeningen die hij tot op vandaag heeft opgesteld. Ik heb hem tevens gevraagd de nodige maatregelen te treffen om die inventaris toegankelijk te maken op zijn website.

Ik heb ook mijn collega mevrouw Onkelinx aangeschreven om haar te vragen de toegang tot die vertalingen te verzekeren op haar website, via een verwijzing die de internetgebruiker zou krijgen als hij de gegevensbank `geconsolideerde wetgeving' raadpleegt. Ik deel immers uw bekommernis om de toegang tot de gecoŲrdineerde Duitstalige tekst van de wetten en verordeningen te verbeteren voor de rechtsbeoefenaars en de Duitstalige burgers. Ik zal u zeker op de hoogte houden van de afwikkeling van dit dossier.

De heer Berni Collas (MR). - Ik dank de minister voor zijn constructieve en voluntaristische benadering van deze problematiek.

Wetsvoorstel tot opheffing van artikel 150 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in verband met de vermindering voor pensioenen, vervangingsinkomsten, brugpensioenen, werkloosheidsuitkeringen en wettelijke vergoedingen inzake ziekte- en invaliditeitsverzekering (van de heer Hugo Vandenberghe c.s., Stuk 3-198)

Algemene bespreking

De voorzitter. - De heer Schouppe verwijst naar zijn schriftelijk verslag.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Tijdens de zittingperiodes 1995-1999 en 1999-2003 heb ik wetsvoorstellen ingediend tot opheffing van alle discriminaties van gehuwden in de fiscale regeling en de sociale zekerheid. Onder meer op 19 mei 2000 heb ik in de Senaat een wetsvoorstel ingediend dat ertoe strekte allerlei discriminaties van gehuwde gepensioneerden, bruggepensioneerden, zieken en werklozen weg te werken. Omdat ze gehuwd waren kregen ze immers minder pensioen, brugpensioen, ziekte- of werkloosheidsuitkeringen dan samenwonenden.

Ik vond dat zoiets niet kon, maar al jaren zegt men dat die discriminatie diende gehandhaafd te worden omdat het afschaffen ervan te duur was. Alsof het naleven van de Grondwet een kwestie is van kostprijs. Die argumentatie zou erop neerkomen dat bepaalde Grondwetsartikelen niet kunnen worden nageleefd omdat zulks te duur zou zijn. Dan zouden we de kostprijs van de artikelen van de Grondwet in een voetnoot moeten vermelden. Zo zouden we weten dat we kunnen ingrijpen op de Grondwetsartikelen waarvan de toepassing gratis is, maar dat we tijdelijk niet mogen raken aan de artikelen die duur zijn. Ik vond dat een zeer eigenaardige redenering, maar in het land van Magritte is dat de logica die we verdienen.

Nadat ik in 2000 mijn wetsvoorstel had ingediend, organiseerde de toenmalige regering in 2001 een rondetafelconferentie. Bij de herziening van de wet op de fiscaliteit, de wet van 10 augustus 2001, werden allerlei elementen overgenomen die ik in mijn wetsvoorstel had voorgesteld. Met andere woorden, wat men het parlementslid dat een voorstel indient niet gunt, neemt men gedeeltelijk over in een regeringsontwerp en het wordt wet. Al verheug ik mij over het resultaat, dit is het zoveelste bewijs dat er in de politiek geen auteursrechten bestaan, laat staan erkenning van de intellectuele prestaties. Vandaag de dag is misschien wel nog een auteursrechtelijke bescherming denkbaar van de artistieke prestaties van politici, in ieder geval van de carnavaleske prestaties van de politiek, want in het kader van de algemene `carnavalisering' van het land, moet de politiek natuurlijk het voorbeeld geven!

Een deel van mijn wetsvoorstel is dus in de fiscale hervorming overgenomen, wat mij verheugt, en daardoor werden een aantal discriminaties van gehuwden afgeschaft. Iedereen weet evenwel dat de gehuwden nog tot de afrekening bij de fiscus in 2006 moeten wachten op het effect van de fiscale hervorming. Men gaat er blijkbaar van uit dat gehuwden over een extreem geduld beschikken en het nog wel twee jaar zullen volhouden.

Er blijft echter nog een laatste discriminatie over, waardoor mijn voorstel zinvol blijft: gehuwde werklozen en nieuwe bruggepensioneerden kunnen nog niet de voordelen van de individualisering genieten. Samenwonende werklozen en nieuwe bruggepensioneerden krijgen een individuele en dus hogere vergoeding dan gehuwde. Aan deze laatsten kan dus enkel de raad gegeven worden zo vlug mogelijk uit de echt te scheiden. In het kader van de flitscultuur, zal men immers misschien niet alleen meer flitspalen plaatsen, maar ook het flitshuwelijk en de flitsechtscheiding in het leven roepen.

Kortom, ex uno omnia, in ieder wetsvoorstel zitten altijd allerhande achterliggende gedachten die naar voren kunnen gebracht worden en die aantonen welke lange lijdensweg wordt bewandeld door personen die de discriminaties ten aanzien van gehuwden in dit land willen opheffen.

-De algemene bespreking is gesloten.

-De stemming over de conclusie van de commissie heeft later plaats.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde intentie tot uitbreiding van de inleiding van gerechtelijke procedures bij verzoekschrift op tegenspraakĽ (nr. 3-192)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In uitvoering van de regeringsverklaring van 14 juli 2003 zou de minister de toegang tot het gerecht willen vergemakkelijken door het verminderen van de kostprijs van justitie voor de burger. Dat zou gebeuren middels een uitbreiding van het gebruik van het verzoekschrift op tegenspraak, dat de dagvaarding zou vervangen.

Naar verluidt zou ervoor worden geopteerd om het verzoekschrift op tegenspraak als algemene wijze van inleiding voor procedures voor de arbeidsrechtbanken te hanteren. Het exploot van dagvaarding zou blijven bestaan, maar zou de uitzondering worden. Tevens zou de kennisgeving van gerechtsbeslissingen bij gerechtsbrief gebeuren. Die kennisgeving doet de verhaaltermijn lopen.

Zal het voorontwerp volgende week op de justitietop worden goedgekeurd? Er circuleren reeds voorontwerpen bij allerlei personen die bij deze beroepsactiviteiten betrokken zijn. Het gaat om een belangrijk politiek probleem, zowel voor de professionele doelgroepen als voor de griffies bij de rechtbank.

Hoe zeer ook de doelstelling van de gemakkelijke toegang tot het gerecht kan worden ondersteund, ook wanneer ik van oordeel ben dat daaraan voorwaarden moeten worden gekoppeld, noopt de voorliggende intentie tot reflectie.

Een minimum aan formalisme is immers noodzakelijk om de rechtszekerheid te vrijwaren. Bij de betekening van een dagvaarding bevestigt een gerechtsdeurwaarder in een authentieke akte hoe en aan wie de stukken zijn overhandigd en dit overeenkomstig de bepalingen opgenomen in het Gerechtelijk Wetboek. Dergelijk formalisme heeft een relatieve kostprijs, maar biedt een rechtszekerheid die door postbrieven nooit wordt bereikt. Hierbij kan trouwens worden opgemerkt dat de absolute kostprijs van de inleiding bij verzoekschrift dan wel bij dagvaarding nagenoeg niet vergeleken kan worden.

Bij de inleiding bij verzoekschrift wordt de kostprijs van de inleiding van de procedure doorgeschoven naar de overheid. De kostprijs wordt gedragen door de gemeenschap, in het bijzonder door de administratie Justitie die dan meer personeel nodig heeft, alsook door De Post waarvan ik hoop dat de brieven beter worden rondgedragen dan de fraude er bestreden wordt. Ik denk aan de grote fraudeaffaire waarmee De Post wordt geconfronteerd en waar volgens persberichten de bestrijder van de fraude in feite de organisator ervan was.

Het niet becijferbare karakter van de kostprijs verhindert tevens dat deze daadwerkelijk ten laste van de veroordeelde wordt gelegd, zoals dat het geval is bij de inleiding per dagvaardingsexploot. Een meer algemene bedenking is dan ook of de onderlinge solidariteit dermate ver kan reiken dat openbare instellingen, bedrijven en particulieren ten laste van de gemeenschap nagenoeg kosteloos een procedure kunnen opstarten. Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen een gelijke toegang tot de rechtbank - waar ook ik achter sta - en een gemakkelijke toegang tot het gerecht. We moeten alternatieve oplossingen zoeken. Het beroep op het gerecht moet niet het eerste, maar het ultieme middel zijn wanneer zich een conflict voordoet.

In elk geval verhogen de verzoekschriften de werklast op de griffies aangezien die per zaak minstens twee gerechtsbrieven moeten verzenden. Zo heeft de toepassing van de wet op de collectieve schuldenregeling een enorme verhoging met zich meegebracht van de werklast van de griffies van de rechtbanken van eerste aanleg in de grote steden, waar schuldenlast een reŽel probleem is.

Ik heb dan ook volgende vragen. Een verregaande uitbreiding van de inleiding per verzoekschrift kan de rechtszekerheid in het gedrang brengen. Kan de inleiding per verzoekschrift wel voldoende soepel inspelen op adreswijzigingen, de taalwetgeving en het probleem van fictieve adressen? Zo kijkt de gerechtsdeurwaarder in principe nauwgezet toe op de naleving van de taalwetgeving of vervult hij terzake minstens een adviserende rol. Nemen de griffies die onderzoekende en adviserende rol over?

Aangezien de kennisgeving van het vonnis of arrest niet gebeurt op initiatief van een van de partijen en bovendien de verhaaltermijn doet lopen, kunnen onderhandelende partijen genoodzaakt worden om ten bewarende titel een rechtsmiddel in te stellen. Vanuit die optiek verhoogt het ontwerp de kosten voor de partijen alsmede het aantal procedures. Wat zijn de bevindingen van de minister op dat punt? Wat is de impact van de vooropgestelde maatregel op de begroting en de personeelsbehoeften bij de griffies?

(Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter.)

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In het regeerakkoord staat dat het vergemakkelijken van de toegang tot het gerecht een van de essentiŽle doelstellingen is in deze regeerperiode. Een van de mogelijke maatregelen daarbij is de veralgemening van de inleiding van gerechtelijke procedures bij verzoekschrift.

Ik werk in dit verband aan een voorontwerp van wet dat de veralgemening van het gebruik van het verzoekschrift op tegenspraak beoogt voor alle materies die betrekking hebben op de bevoegdheid van de arbeidsgerechten. In het voorontwerp staat dat de kennisgeving door de griffie van de uitspraken per gerechtsbrief, de verhaaltermijn zal doen lopen. Het ontwerp wordt momenteel in de regering besproken en staat op de agenda van de ministerraad van 30 en 31 maart.

Op de eerste vraag van de heer Vandenberghe over het respect voor de rechten van de verdediging kan ik antwoorden dat het verzoekschrift op tegenspraak een instrument is dat al ruimschoots zijn sporen heeft verdiend. Ik verwijs in dat verband naar de zogenaamde kleine familiale geschillen die voor de vrederechter komen, naar de huurgeschillen, naar de burgerlijke procedures voor de jeugdrechtbank, naar de betwistingen inzake de sociale zekerheid en naar tal van bijzondere procedures die al voorzien in een beroep op het verzoekschrift op tegenspraak. In al die procedures leverde het gebruik van het verzoekschrift positieve ervaringen op. De rechten van de verdediging komen dus geenszins in het gedrang.

Het Gerechtelijk Wetboek verbindt daarenboven zeer belangrijke procedurele gevolgen aan meerdere uitspraken of akten die via gerechtsbrief worden verstuurd. Ik denk daarbij onder meer aan de eenzijdige inleidingen zoals die gebeuren krachtens de artikelen 751 en 747, ß2, van het Gerechtelijk Wetboek, waarbij de kennisgeving via gerechtsbrief aan de partijen gebeurt.

Bovendien zijn de arbeidsgerechten al lang gewend aan het gebruik van het verzoekschrift. Er zal overigens worden bepaald dat de verzoeker bij zijn verzoekschrift een officieel document moet voegen tot staving van de woonplaats van de persoon die moet worden opgeroepen. Die verplichting zal ook gelden voor de kennisgeving. Deze elementen zullen voor een hoge mate van rechtszekerheid zorgen, terwijl het verzoekschrift en de kennisgeving gratis zullen worden. Die bepaling kan de toegang tot het gerecht duidelijk vergemakkelijken. Met uitzondering van een eventuele uitvoeringsprocedure zullen de inleiding en de beŽindiging van de procedure voor de rechtzoekende kosteloos zijn.

Wanneer er twijfel bestaat over het adres van de persoon die moet worden opgeroepen, zal het nog steeds mogelijk zijn een beroep te doen op de dagvaarding. In dat geval moet de verzoeker die keuze rechtvaardigen op het ogenblik van de veroordeling tot de kosten.

De griffier krijgt geen raadgevende opdrachten ten overstaan van de partijen. Artikel 297 van het Gerechtelijk Wetboek dat bepaalt dat "de leden van de hoven, rechtbanken, parketten en griffies mondeling noch schriftelijk de verdediging van de partijen mogen voeren en hun geen consult mogen geven" blijft ongewijzigd.

Wat het gebruik der talen betreft, moet de partij en over het algemeen zijn raadsman de nodige maatregelen treffen om de bepalingen te respecteren die een vertaling opleggen.

Met betrekking tot uw tweede vraag kan ik u mededelen dat de kennisgeving per gerechtsbrief om de verhaaltermijn te doen lopen op verzoek van ťťn van de partijen zal plaatsvinden. Dit zal dus niet automatisch gebeuren, precies om te voorkomen dat alleen beroep wordt aangetekend om louter conservatoire redenen.

Wat ten slotte de budgettaire maatregelen betreft, heb ik alle arbeidsgerechten en arbeidshoven van het land en hun griffies ondervraagd over deze maatregel. De budgettaire evaluatie zal worden gemaakt op basis van alle antwoorden die ik zal ontvangen. Alle nodige maatregelen zullen worden genomen om de goede werking van de griffies te garanderen wanneer het verzoekschrift op tegenspraak en de kennisgeving worden veralgemeend.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord. Na de goedkeuring door de regering en het advies van de Raad van State zal ik zeker terugkomen op de verschillende punten die ik hier vandaag heb aangehaald en op de conclusies die we uit de voor te leggen teksten kunnen trekken.

(De vergadering wordt geschorst om 10.55 uur. Ze wordt hervat om 11.25 uur.)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorgĽ (nr. 3-178)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Uit een recente Europese studie blijkt dat meer dan ťťn op vier Belgen in zijn leven minstens eenmaal te kampen heeft met een mentale stoornis. Dat is een onrustwekkend cijfer dat ik heb vernomen uit de literatuur. Momenteel doe ik, samen met enkele collega's, een stage in de geestelijke gezondheidszorg. Daar gaan je ogen open voor de vele noden en de enorme evolutie die de geestelijke gezondheidszorg de voorbije decennia heeft gekend. Van alle mensen die een of ander psychisch probleem hebben, zoekt slechts ťťn op drie professionele hulp en de helft van hen wacht daar langer dan een maand mee. Dit uitstel zou volgens studies in 32% van de gevallen financiŽle redenen hebben.

Het Verbond van Verzorgingsinstellingen, dat ook aan de alarmbel trekt over de onderfinanciering van psychiatrische ziekenhuizen, heeft een knelpuntennota opgemaakt over de toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg, die het resultaat is van een jarenlang overleg met de verschillende partners uit de sector. Het is een zeer interessant document. De patiŽnten in de geestelijke gezondheidszorg zijn vaak de meest kwetsbaren in onze samenleving: verslaafden, mensen die uit hun sociale omgeving worden uitgesloten, mensen die jarenlang inactief zijn. Hun financiŽle situatie is daardoor zeer precair en zij hebben bijgevolg een probleem als ze hulp moeten zoeken en financieren.

Aan de inkomstenzijde vallen heel wat mensen door de mazen van het net, maar er zijn ook een hele reeks problemen die als onrechtvaardigheden overkomen en die bij het factureren van prestaties zwaar doorwegen voor de patiŽnten en vaak ook een weerslag hebben voor de instellingen, aangezien steeds meer facturen onbetaald blijven. Ik geef u een aantal feiten uit de knelpuntennota.

Een invalide die feitelijk gescheiden is, heeft pas na ťťn jaar feitelijke scheiding recht op een verhoogde tegemoetkoming van de ziekteverzekering. Vanuit de praktijk wordt gevraagd om die termijn te verlagen tot drie maanden bewezen feitelijke scheiding.

Een langdurig werkloze heeft recht op een verhoogde tegemoetkoming, maar een psychiatrische patiŽnt haalt vaak de noodzakelijke periode van zes maanden niet, omdat hij opnieuw ziek wordt en de werkloosheidsperiode bij elke opname wordt geschorst. Uit de cijfers blijkt dat die verhoogde uitkering nochtans zeer belangrijk is, omdat de factuur sterk stijgt voor mensen die geen recht hebben op een verhoogde uitkering.

Een alleenstaande patiŽnt in een psychiatrische instelling wordt voor het verkrijgen van het leefloon beschouwd als samenwonende. Kan hij vanaf drie maanden opname niet beschouwd worden als alleenstaande?

Wie recht heeft op een leefloon heeft na drie maanden recht op een verhoogde tegemoetkoming. Kan die verhoogde tegemoetkoming niet retroactief worden toegekend?

Ook een patiŽnt met gezinslast heeft slechts na drie maanden recht op een verhoogde tegemoetkoming. Kan ook hier de termijn niet worden ingekort?

Als gezinslast worden alleen beschouwd de kinderen die voor het RIZIV ten laste zijn van de patiŽnt, dus niet wanneer de kinderen rechthebbende zijn via de partner van de patiŽnt. Kan hier geen rechtvaardiger invulling worden gegeven aan het begrip gezinslast?

Er bestaat een discriminatie tussen opname in een psychiatrisch ziekenhuis ten opzichte van opname in een algemeen ziekenhuis. In het eerste geval komt men slechts zes maanden na het ontslag opnieuw in aanmerking voor tussenkomst voor de eerste dag opname, terwijl dit voor een algemeen ziekenhuis slechts drie maanden is. Is dit een objectief verschil?

Na vijf jaar opname stijgt het persoonlijke aandeel dat de patiŽnt moet betalen zeer sterk. Als een patiŽnt in daghospitalisatie is, zelfs als dat maar een dag per week is, blijft de opnametermijn lopen. Kan daghospitalisatie hier niet worden uitgesloten?

Elke patiŽnt betaalt bij opname een forfait van 12,39 euro als persoonlijk aandeel in de kosten van medisch-technische prestaties, die evenwel in een psychiatrisch ziekenhuis nagenoeg niet bestaan. Kan dit niet worden afgeschaft?

Heel wat levensnoodzakelijke geneesmiddelen voor psychiatrische patiŽnten vallen onder categorie B waardoor de kost hoog oploopt. Kunnen een aantal van die geneesmiddelen, eventueel onder bepaalde voorwaarden, niet worden opgenomen in categorie A?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Personen met psychiatrische problemen zijn inderdaad bijzonder kwetsbaar. Vaak worden ze met sociale problemen geconfronteerd, onder meer met verlies van werk. Zo komen ze ongewild in een financieel precaire situatie.

Zoals aangegeven in het regeerakkoord van 10 juli 2003, blijkt uit recente studies dat de gezondheid de eerste bekommernis is van de burgers. De dekking van ons verplichte ziekteverzekeringsstelsel is ruim. Maar toch zijn er nog ongelijkheden.

De aangehaalde tekortkomingen inzake de financiŽle toegankelijkheid voor een bijzonder kwetsbare doelgroep in de geestelijke gezondheidszorg zullen door mijn diensten een voor een met de grootst mogelijke aandacht worden onderzocht. Omwille van de techniciteit van de vermelde knelpunten kan ik vandaag onmogelijk een concreet antwoord geven op elk van de gestelde vragen. Ik stel voor dat de senator daarvoor een schriftelijke vraag stelt. Er moet trouwens nog een verdere analyse worden gemaakt van de problemen en van de budgettaire consequenties, die het wegwerken ervan met zich meebrengt.

Desalniettemin kan ik mevrouw Van de Casteele verzekeren dat de geestelijke gezondheidszorg een belangrijk aandachtspunt vormt van mijn beleid voor de komende jaren. In het kader van de Sectorale synthese Geestelijke Gezondheidszorg en van de Gezondheidsdialogen heeft de werkgroep psychiatrie een aantal acties voorgesteld om op korte termijn de vastgestelde problemen te verhelpen. In de loop van de verdere besprekingen zal de financiŽle en geografische toegankelijkheid van de geestelijke gezondheidszorg centraal staan. Deze studies zullen uitmonden in een aantal concrete voorstellen die het beleid inzake geestelijke gezondheidszorg mede zullen bepalen. De eerste concrete beleidsvoorstellen voor de sector geestelijke gezondheidszorg voor de jaren 2004 en 2005 zullen binnen afzienbare tijd kenbaar worden gemaakt.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik had geen ander antwoord van de minister verwacht. Ik heb de verschillende vragen ook schriftelijk en nog meer gedetailleerd gesteld, zodat de minister de tijd kan nemen om mij een inderdaad soms erg technische antwoord te geven.

Ik wilde vooral de aandacht vestigen op een aantal problemen in de geestelijke gezondheidszorg, vooral inzake de toegankelijkheid voor de meest kwetsbare groep.

Ik pleit ervoor om in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden of naar aanleiding van de evaluatie van de Gezondheidsdialogen een debat te voeren over de geestelijke gezondheidszorg, zodat we de problematiek in een breder geheel met de minister kunnen bespreken.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde spoeddiensten in de psychiatrieĽ (nr. 3-189)

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Hoewel in het verleden verschillende experimenten dienaangaande zijn opgezet, zouden er geen plannen bestaan om voor de psychiatrische zorg spoeddiensten op te richten. Ik heb tijdens een bezoek aan een dergelijke dienst nochtans persoonlijk kunnen vaststellen dat die zeer zinvol werk leveren.

Bovendien blijkt dat patiŽnten met een psychiatrische problematiek die voor een dringende opname niet bij een spoeddienst van een psychiatrisch ziekenhuis of psychiatrische instelling terecht kunnen, zich wenden tot een spoeddienst van een algemeen ziekenhuis. Gevolg is dat er kostbare tijd verloren gaat en dat de patiŽnt er de hele molen moet doorlopen en vaak ook zeer technische onderzoeken moet ondergaan, hoewel die in zijn geval helemaal niet nodig zijn. Daarom zou het zelfs een besparing kunnen betekenen, wanneer tenminste in elke regio een psychiatrisch ziekenhuis over een spoeddienst zou beschikken. Sommige instellingen hebben daartoe al de benodigde infrastructuur uitgebouwd, in de overtuiging dat er een spoeddienst zou komen, en zitten nu met grote vraagtekens.

Wat is het standpunt van de minister terzake?

De heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Momenteel bestaan er formeel geen specifieke urgentiediensten die personen met psychiatrische problemen opvangen. Personen met dergelijke stoornissen worden het vaakst opgevangen in de spoedgevallendiensten van de ziekenhuizen. Deze spoedgevallendiensten beschikken echter niet over de nodige knowhow om deze doelgroep adequaat op te vangen.

In het kader van de Federale Beleidsnota Drugs werd in 2002 het pilootproject voor `de uitbouw van crisiseenheden voor personen met middelengerelateerde stoornissen en de implementatie van de functie casemanager binnen deze eenheden' opgestart. De overeenkomsten met de deelnemende ziekenhuizen lopen ten einde op 31 oktober 2004. Er nemen in totaal negen ziekenhuizen deel aan dit project. Het zijn de Campus Stuivenberg te Antwerpen, het `Centre Hospitalier Universitaire' te Charleroi en het Brugmann-ziekenhuis te Brussel. De overige zes deelnemende ziekenhuizen richten zich enkel tot personen met middelengerelateerde stoornissen. Het zijn het Sint-Jan te Brugge, het Universitair Ziekenhuis te Gent, het Universitair Ziekenhuis te Leuven, het Ziekenhuis Oost-Limburg te Genk, het `Centre hospitalier rťgional' te Namen en `la Citadelle' te Luik.

In drie van die ziekenhuizen bestond voor de aanvang van dit proefproject reeds een project van psychiatrische urgentie. Er zal een diepgaande evaluatie worden gevoerd door een wetenschappelijke onderzoeksploeg. Op basis van die evaluatie en indien er voldoende middelen zijn, zal er een beslissing worden genomen over het al dan niet voortzetten van dit project.

We hopen op basis van die evaluatie te kunnen beslissen hoe we de opvang voor de patiŽnten met een psychiatrische problematiek verder kunnen organiseren in ons land.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Het antwoord van de minister is vaag. Bij de evaluatie van de experimenten zullen we in elk geval op deze problematiek terugkomen.

Er heerst onzekerheid in de psychiatrische sector over de talrijke pilootprojecten. De financiering van de pilootprojecten is belangrijk voor de toekomst van de instellingen. De instellingen weten niet waarin ze al dan niet moeten investeren. Deze namiddag zullen we daarop terugkomen.

De minister zegt dat er financiŽle middelen voorhanden moeten zijn. Ik wil wijzen op de besparing die volgens sommigen mogelijk is bij een opname van psychiatrische patiŽnten in een spoedopname van een psychiatrisch ziekenhuis in plaats van een opname in de spoedgevallendienst van een algemeen ziekenhuis. Die overweging moet in de evaluatie aan bod komen. Ik hoop dat er op termijn een structurele financiering komt voor de zorgvernieuwingsprojecten.

Vraag om uitleg van mevrouw Anne-Marie Lizin aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęde Belgische Technische CoŲperatie (BTC)Ľ (nr. 3-177)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Marc Verwilghen, minister van Ontwikkelingssamenwerking.

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Het Rekenhof wees in zijn jongste verslag over de Belgische Technische CoŲperatie op een reeks tekortkomingen. Het wees onder meer op:

Als andere instellingen dan de BTC - NGO's, vzw's, enz. - die met de Staat werken zich in dezelfde toestand als de BTC zouden bevinden, zouden ze allang geen middelen meer krijgen.

Heeft men iets kunnen doen aan de tekortkomingen van de BTC of zal het volgende verslag van het Rekenhof opnieuw verpletterend zijn?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de heer Verwilghen voor.

"In zijn verslag bij de jaarrekening 2002 heeft het Rekenhof inderdaad een reeks punten aangehaald die bijzondere aandacht vragen.

In de eerste plaats constateer ik op het terrein een hoge graad van professionaliteit, motivatie en kennis van zaken, zowel op het vlak van de uitvoering van onze bilaterale programma's als bij de bedienden van de BTC, die het BTC-project op die manier verdedigen.

De samenwerking, de informatie en de uitwisseling van informatie tussen de NV BTC en de DGOS, en de harmonisering van de structuur van de zetel blijven evenwel een belangrijke zorg.

Het spreekt vanzelf dat de administratie en ikzelf, en natuurlijk ook het Directiecomitť van de BTC, op elk ogenblik over betrouwbare financiŽle- en bedrijfsgegevens en over een goed controlesysteem moeten kunnen beschikken teneinde een degelijk beleid te kunnen voeren. Die gegevens vormden trouwens de basis van de hervorming-Moreels.

Ik heb verscheidene initiatieven genomen om die doelstelling te bereiken:

Ik heb de heer Van Eeckhoutte, professor aan de UGent en erkend expert ter zake, belast met de behandeling van dit dossier.

Ondanks het aanzienlijk aantal maatregelen heerst er een groeiende bezorgdheid over het gegevensbeheer bij de BTC. Dat verontrust mij, te meer omdat er een duidelijk opnamegebrek kan worden vastgesteld: 89 miljoen euro op een herziene begroting van 136 miljoen en op een oorspronkelijke begroting van 140 miljoen in 2003.

Wat de kasproblemen betreft, die het gevolg zijn van de laattijdige betaling van de facturen door de DGOS, werd er een definitieve gestructureerde oplossing gevonden dank zij de toepassing van het tweede Beheerscontract in de `FinanciŽle titel'.

Tot slot wil ik erop wijzen dat ik zeer waakzaam blijf en dat ik het Parlement op de hoogte zal brengen van de stappen die ik in de toekomst zal doen."

Mevrouw Anne-Marie Lizin (PS). - Ook ik stel het werk van het personeel van de BTC op prijs. Wat telt, is dat de kasproblemen zullen worden opgelost. Ik wil de regering erop wijzen dat het verslag van het Rekenhof van volgend jaar anders van toon moet zijn. De kritische elementen moeten grondig worden aangepakt.

De voorzitter. - We zetten onze werkzaamheden voort vanmiddag om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 11.55 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de heren De Clerck, Jean-Marie Dedecker, Destexhe, Ramoudt en Timmermans, in het buitenland.

-Voor kennisgeving aangenomen.