1-172

BELGISCHE SENAAT


GEWONE ZITTING 1997-1998
____


BEKNOPT VERSLAG


PLENAIRE VERGADERING

Namiddagvergadering - Donderdag 12 maart 1998

________



INHOUD



INOVERWEGINGNEMING

BELANGENCONFLICT

MONDELINGE VRAGEN
van de heer Mouton (werknemerspensioenen);
van mevrouw Willame-Boonen (beheer van het Nationaal Orkest);
van mevrouw Leduc (optreden van rijkswachters in de fruitteeltsector);
van de heer Jonckheer (het belasten van grensoverschrijdende kapitaalstromen);
van de heer Foret (werking van de justitiehuizen);
van de heer Hostekint (munitiediefstal in Houthulst);
van mevrouw Thijs (sluiting van postkantoren);
van de heer Verreycken (anglofilie bij Belgacom).

REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN

NAAMSTEMMINGEN
over het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 120bis van de nieuwe gemeentewet en tot invoeging van een artikel 50bis in de provinciewet van 30 april 1836, strekkende tot een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de gemeentelijke en provinciale adviesraden;
over het voorstel van resolutie betreffende de gokverslavingsproblematiek;
over de eenvoudige motie ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van de heer Verreycken aan de minister van vervoer, en
over de eenvoudige motie ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heren Van Hauthem en Loones aan de eerste minister.

MONDELINGE VRAGEN
van de heer Goovaerts (controle op de nachtwinkels), en
van de heer Loones (visserijblokkade in Oostende).

VRAGEN OM UITLEG
van de heer Vandenberghe (financiering van palliatieve zorgverlening) aan de minister van sociale zaken. (Sprekers : de heren Vandenberghe, De Volder, mevrouw Willame-Boonen en mevrouw mevrouw De Galan, minister van sociale zaken);
van mevrouw Dardenne (radioactieve stoffen in rookmelders) aan de vice-eerste minister en minister van economie en telecommunicatie. (Sprekers : mevrouw Dardenne en de heer Di Rupo, vice-eerste minister en minister van economie en telecommunicatie);
van mevrouw Lizin (aanwezigheid van de minister van justitie in Arusha) aan de minister van justitie. (Sprekers : mevrouw Lizin, de heren Goris en De Clerck, minister van justitie);
van de heer Erdman (ontwerp Franchimont : inzagerecht uitgehold) aan de minister van justitie. (Sprekers : de heren Erdman, Goris en De Clerck, minister van justitie);
van de heer Goris (deelname van de luchtmacht aan de hulpverlening in Angola) aan de minister van buitenlandse zaken en aan de minister van landsverdediging. (Sprekers : de heren Goris en Poncelet, minister van landsverdediging);
van de heer Goris (selectie en aanwerving van nieuwe manschappen) aan de minister van landsverdediging. (Sprekers : de heren Goris en Poncelet, minister van landsverdediging).

INOVERWEGINGNEMING

INDIENING VAN VOORSTELLEN

VRAGEN OM UITLEG

ARBITRAGEHOF

EUROPEES PARLEMENT




_____________






VOORZITTER : DE HEER SWAELEN

____


De vergadering wordt om 15.05 u. geopend.





INOVERWEGINGNEMING



De Voorzitter. - Aan de orde is thans de stemming over de inoverwegingneming van voorstellen.

U hebt de lijst van de verschillende in overweging te nemen voorstellen ontvangen met opgave van de commissies waarnaar het Bureau voornemens is ze te verwijzen.

Ik verzoek de leden die opmerkingen mochten willen maken, mij daarvan vóór het einde van de vergadering kennis te geven.

Indien intussen van geen bezwaren blijkt, worden die voorstellen in overweging genomen en verwezen naar de commissies die door het Bureau zijn aangeduid. (Instemming.)





BELANGENCONFLICT



De Voorzitter. - Bij brief van 5 maart 1998 zendt de voorzitster van het parlement van de Franse Gemeenschap aan de voorzitter van de Senaat, met toepassing van artikel 32, § 1, derde lid, van de gewone wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, de tekst van de op 25 november 1997 door het parlement van de Franse Gemeenschap aangenomen motie waarbij het verklaart ernstig in zijn belangen te worden benadeeld door het voorstel van decreet van de heer Suykerbuyk cs. houdende vaststelling van de voorwaarden voor getroffenen van repressie en epuratie, en voor oorlogsslachtoffers, om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming (Gedr. St. Vlaams parlement nr. 298/1 tot 9 (1995-1996).

De voorzitster van het parlement van de Franse Gemeenschap meldt dat het bij artikel 32, § 1, eerste lid, van de wet van 9 augustus 1980 voorgeschreven overleg tussen het parlement van de Franse Gemeenschap en het Vlaams Parlement niet tot een oplossing heeft geleid.

Het komt dus, overeenkomstig artikel 32, § 1, derde lid, aan de Senaat toe om binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uit te brengen aan het Overlegcomité.

Ik stel voor deze aangelegenheid te verzenden naar het Bureau. (Instemming.)





MONDELINGE VRAGEN

Werknemerspensioenen


De heer Mouton (PS) (in het Frans). - Op 16 januari 1997 antwoordde de minister van binnenlandse zaken namens de heer Colla dat deze laatste de rijksdienst voor pensioenen ermee belast had de mogelijkheid te onderzoeken om de geldigheidsduur te verlengen van de verblijfsattesten die de gerechtigden van een gewaarborgd inkomen voor bejaarden kwartaal moeten voorleggen.

Kunt u mij zeggen of de nodige maatregelen werden getroffen en of de nieuwe procedure met terugwerkende kracht zal worden toegepast vanaf 1 januari 1998 ? De huidige toestand weerhoudt sommige mensen er immers van hun pensioen op een financiële rekening te laten storten.

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). - Namens de heer Colla wijs ik erop dat, wanneer een persoon die een gewaarborgd inkomen voor bejaarden geniet in het buitenland verblijft, de rijksdienst voor pensioenen moet kunnen nagaan of het toegelaten aantal dagen per kalenderjaar (89) niet werd overschreden. Als de huidige procedure wordt gewijzigd zou de rijksdienst voor pensioenen de naleving van de reglementering niet meer kunnen controleren.

Niettemin worden oplossingen onderzocht om de procedure te vereenvoudigen. Dit probleem betreft niet alleen de bejaarden, maar ook de gehandicapten en de werknemers die noch Belg zijn, noch onderdaan van een EEG-land of van een land dat met België een overeenkomst heeft gesloten.



Beheer van het Nationaal Orkest van België


Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Niemand betwist dat onze biculturele instellingen, het Paleis voor Schone Kunsten, het Nationaal Orkest van België en de Koninklijke Muntschouwburg een belangrijke culturele rol spelen.

Het beleid dat bij het NOB wordt gevoerd baart mij zorgen : in acht jaar tijd zijn er vier intendanten geweest. Van geen enkele intendant werd het contract vernieuwd. De intendant is belast met het financiële beheer van de instelling. Hoe kan men een herstructurerings- of moderniseringsproject tot een goed einde brengen als een van de leidinggevende ambtenaren om de twee jaar wegvalt ?

Hoe kunt u, als toezichthoudend minister, het beleid dat bij de NOB wordt gevoerd verantwoorden ?

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). - Dit probleem is reëel, maar ik wil de situatie toch relativeren : een van de vier intendanten is weggegaan omdat hij door een minister was gevraagd.

De NOB is een biculturele instelling van type B. Dat betekent dat de raad van bestuur over alle macht beschikt inzake oriëntatie en beheer van de instelling. Ik maak mij zorgen over de niet-verlenging van het mandaat van de heer Pierlot. Ik heb contact opgenomen met de nieuwe voorzitter van de raad van bestuur en zal hem binnenkort ontmoeten. De uitleg voor het probleem kan worden gevonden in het feit dat het NOB niet over voldoende budgettaire middelen beschikt om tegelijk een administratieve directie te hebben die gemachtigd is om de vele relatieproblemen te regelen die uit de statutaire bepalingen voortvloeien, en een artistieke directie die de noodzakelijke contacten van het NOB onontbeerlijk maakt.

Om het beheer van de drie biculturele instellingen waarover ik het toezicht uitoefen, te moderniseren, heb ik een studie besteld bij de Universiteit van Luik. Een interkabinettenwerkgroep vergadert ook sinds juli 1997. Wij laten ons door haar werkzaamheden leiden om een definitief wetsontwerp op te stellen dat zo snel mogelijk aan de regering en vervolgens aan het parlement zal worden voorgelegd.

Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Als ik het goed begrepen heb, betreft de studie die u bestelt, de drie biculturele instellingen en niet alleen het Nationaal Orkest van België.

De heer Ylieff, minister van wetenschapsbeleid (in het Frans). - Het gaat wel degelijk om een studie om te achterhalen in welke mate men op de drie instellingen een statuut kan toepassen dat vergelijkbaar is met het statuut dat door de wetten op de autonome overheidsbedrijven werd vastgesteld.

Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Ik zal in de toekomst die drie instellingen aandachtig volgen.



Optreden van rijkswachters in de fruitteeltsector


Mevrouw Leduc (VLD). - Uit meerdere bronnen verneem ik dat anderskleurige mensen het zwaar te verduren krijgen bij de administratieve rijkswachtcontroles op de fruitboeren. Zij worden behandeld als uitschot. Er wordt geen rekening gehouden met hun taalkennis. Het proces-verbaal beantwoordt bijgevolg slechts aan de imaginaire werkelijkheid van de betrokken rijkswachter. De rechten van de mensen die men verbaliseert worden enkel gerespecteerd als men hen ondervraagt in hun eigen taal.

Is de minister op de hoogte van deze praktijken en zo ja, zal hij tegen deze willekeur optreden ? Zijn er tolken die kunnen ingeschakeld worden bij de ondervraging ?

Destijds werd afgesproken dat de rijkswachtbegeleiding zou wisselen. Nu blijkt dat altijd dezelfde racistisch ingestelde rijkswachters worden ingeschakeld. Weet de minister dat ? Welke maatregelen zal hij tegen deze arbitraire aanpak nemen ?

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Ik ben blij dat mevrouw Leduc bevestigt dat controles noodzakelijk zijn.

Verschillende eenheden voeren sporadische acties uit, zodat ik onmogelijk concreet kan antwoorden. Als mevrouw Leduc een onderzoek wil en zij beschikt over duidelijke aanwijzingen, dan zal ik een onderzoek instellen.

De rijkswachtbrigades in Sint-Truiden en Borgloon hebben een speciale cel opgericht voor de controle van de sociale wetgeving en de vreemdelingen wetgeving. De manschappen zijn speciaal opgeleid. De fruitboeren werden ingelicht over hun verplichtingen. Er werd niet afgesproken dat er voordurend andere rijkswachters uit andere districten zouden controleren; dat zou trouwens geen goede afspraak zijn.

De rijkswachters moeten zich correct gedragen. Doen ze dat niet, dan moet men mij precieze gegevens meedelen over de omstandigheden, de dag en het uur.

Tolken staat ter beschikking van de diensten van Sint-Truiden en Borgloon.

De verhoren moeten met een tolk worden afgenomen. Dat is wettelijk zo bepaald.

Mevrouw Leduc (VLD). - De gespecialiseerde controleurs zijn echte mensenjagers. Zij gaan zelfs in hun vrije tijd na hoe zij best de controles kunnen uitvoeren.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Dat is toch goed.

Mevrouw Leduc (VLD). - Ik noem dat gestapomethodes. De termen die de controleurs gebruiken zijn totaal ongepast. Vrouwelijke pluksters worden betast. Ik ken zelf de namen van de controleurs die zich bezondigen aan racistisch taalgebruik. Ik neem aan de bepaalde fruittelers niet graag controles hebben, maar controles moeten in ieder geval correct gebeuren. Er zijn zelfs sociale inspecteurs die mij bevestigen dat er door de controleurs een onbehoorlijk gedrag wordt gehanteerd. Het gaat over een echte machtsontplooiing. De vreemde arbeiders zijn zo bang dat zij hoe dan ook gaan lopen zelfs als zij in orde zijn.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Ik vind het merkwaardig dat mevrouw Leduc meent dat er te veel rijkswachters zijn en dat zij in hun vrije tijd hun werk voorbereiden. Waarop wachten mevrouw Leduc of de sociale inspecteurs om mij uitingen van onbehoorlijk gedrag te melden ? Van mijn kant vind ik het onbehoorlijk dat bepaalde mensen publiek verdacht worden gemaakt zonder dat dat concreet wordt gemaakt.

Mevrouw Leduc (VLD). - Ik heb over dit probleem vragen gesteld aan de staf van de rijkswacht die mij beloofde dat te onderzoeken. Ik heb nog steeds geen antwoord gekregen.

De heer Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken. - Ik ben de verantwoordelijke voor de tucht bij de rijkswacht. Mevrouw Leduc of de sociale inspectie kunnen mij altijd rechtstreeks inlichtingen verstrekken over onbehoorlijk optreden van bepaalde inspecteurs. De staf van de rijkswacht kan overigens geen onderzoek starten zonder concrete gegevens.

Mevrouw Leduc (VLD). - Ik zal de namen bezorgen.



Belasting van grensoverschrijdende kapitaalstromen


De heer Jonckheer (Ecolo) (in het Frans). - Vorig jaar had de minister het over studies van de OESO en het Internationaal Monetair Fonds over de internationale belasting van grensoverschrijdende kapitaalstromen.

Kan de minister zeggen hoe het staat met deze studies en welk politiek belang de ministers van de OESO en de regering eraan hechten, gelet op de huidige mondialisering en steeds immateriëler wordende economie.

Na een snelle raadpleging van de Internet-site van DAFFE (OESO) is gebleken dat men nergens een spoor vindt van het soort studie waarover de minister het had.

De heer Maystadt, vice-eerste minister en minister van financiën en buitenlandse handel (in het Frans). - De belasting van de heer Tobin staat niet op de agenda van het comité voor fiscale aangelegenheden van de OESO. De laatste bespreking daarover, in juni 1994, was beperkt tot een informele gedachtewisseling. Tijdens een informeel seminarie over de financiële crisis in Azië, wees de heer Helmut Reisen van de OESO erop dat een belasting van de kapitaalstromen geen goede oplossing lijkt te zijn.

Wel acht hij het opportuun een mechanisme in te voeren dat de samenstelling van deze kapitaalstromen kan beïnvloeden om de meest mobiele stromen te beperken.

Deze stelling getuigt van een open geest bij de OESO. Op de ministervergadering van april zal men kunnen nagaan of de Aziatische crisis invloed heeft op de analyse van de OESO.

Er zijn werkzaamheden van de OESO aan de gang in aanverwante domeinen. De ministervergadering van april zal een aanzet geven tot de goedkeuring van een verslag over de fiscale concurrentie in verband met de meest mobiele financiële activiteiten. Tijdens de werkzaamheden die geleid hebben tot dit verslag heeft België gevraagd en bekomen dat het dossier over de belastingen op spaargeld opnieuw op de agenda van de OESO wordt geplaatst.

Onlangs is er binnen de raad van bestuur van het IMF geen bespreking meer gevoerd over de belasting van grensoverschrijdende kapitaalstromen, maar de belangstelling van de diensten blijft. Zij hebben een hoogleraar van Berkeleg aangetrokken, de heer Barry Eichengreen, specialist ter zake, die studies heeft gewijd aan de belasting van Tobin. De crisis in Azië doet problemen rijzen met betrekking tot de kapitaalstromen en de werking van de financiële markten die door de diensten van het IMF zullen worden bestudeerd.

De conclusies zullen worden voorgelegd op de vergadering van het interimcomité van 16 april eerstkomend.

Ten slotte heb ik er in Hongkong, tijdens de jaarvergadering van het IMF, op aangedrongen dat het IMF meer middelen moet uittrekken om de kapitaalbewegingen te bestuderen. Op basis van een grondigere kennis van die problematiek zal het Fonds geloofwaardiger overkomen, op de kapitaalbewegingen toezicht kunnen uitoefenen en ertoe kunnen bijdragen dat de liberalisering zo veel mogelijk profijt en zo weinig mogelijk risico's oplevert.

De heer Jonckheer (Ecolo) (in het Frans). - Ik dank de minister voor zijn zeer volledig antwoord. Ik vraag hem echter om er tijdens de conferentie van het interimcomité van het IMF in april eerstkomend opnieuw op aan te dringen dat de werkzaamheden hun tweede adem vinden. Het verslag over de fiscale concurrentie is een belangrijk gegeven, maar men moet verder gaan. Ik reken dus op u.



Werking van de justitiehuizen


De heer Foret (PRL-FDF) (in het Frans). - Zopas is in Charleroi het eerste justitiehuis geopend.

De advocaten van de plaatselijke balie plegen overleg om nader te bepalen hoe zij tot de werking van dat justitiehuis kunnen bijdragen. Alle advocaten zijn verplicht bij toerbeurt dienst te doen. Die verplichte dienstverlening zou door een systeem van vrijwilligers kunnen worden vervangen. Kunt u mij zeggen hoe het daar juist mee staat en of er instructies zijn gegeven ? Kan de balie daar zelf over beslissen ?

De advocaten zullen de onvermogende rechtzoekenden moeten bijstaan. Voor de andere rechtzoekenden is een terugbetaling in het vooruitzicht gesteld. Om welk bedrag gaat het ? Komt dat bedrag toe aan de balie of aan het justitiehuis ?

Is het juist dat onvermogende rechtzoekenden, zelfs wanneer ze documenten bij zich hebben waaruit hun staat van onvermogen blijkt, niet meer in de bureaus voor consultatie en verdediging mogen worden geholpen, als zij zich niet eerst in het justitiehuis hebben aangemeld ? Mijnheer de voorzitter, kunt u ons bevestigen dat de prestaties van de advocaten in de justitiehuizen zullen worden vergoed bovenop de prestaties die verband houden met de gebruikelijke pro deo ? Wanneer zal die vergoeding worden toegekend en hoeveel zal ze bedragen ?

De heer De Clerck, minister van justitie (in het Frans). - Een van de hoofddoelstellingen van het nieuwe meerjarenplan bestaat erin de justitie toegankelijker te maken. Zoals bepaald in mijn nota die door de Ministerraad van 17 oktober 1997 is goedgekeurd, moet de dienst voor eerstelijnsrechtsbijstand worden gedaan door de advocaten van de orde van elk arrondissement. Voor de kosteloze eerstelijnsrechtsbijstand zijn op de begroting extra financiële middelen uitgetrokken. Het gaat om bedragen van 43 miljoen voor 1998, 101 miljoen voor 1999 en 104 miljoen voor 2000.

Ik heb amendementen ingediend op het voorstel van wet betreffende de kosteloze of gedeeltelijk kosteloze bijstand van advocaten. De bespreking van dat wetsvoorstel is nog niet afgerond. Ik hoop dat het zeer binnenkort zal kunnen worden aangenomen.

In afwachting van de goedkeuring ervan werken de balies van de arrondissementen waar al een justitiehuis werd geopend, vrijwillig aan de werking ervan mee in het kader van de huidige regelgeving inzake de vergoeding van advocaten voor de bijstand aan personen met een onvoldoende inkomen.

De balie van Charleroi heeft inderdaad beslist voor alle advocaten een verplichte wachtrol in te stellen. Onze amendementen strekken er evenwel toe advocaten die aan die juridische bijstand wensen mee te werken en die in die zin een overeenkomst hebben afgesloten, voor die dienst te laten zorgen. Zij bepalen bovendien dat aan de rechtzoekende die een eerstelijns juridische bijstand vraagt, een forfaitaire bijdrage wordt gevraagd. Personen met een onvoldoende inkomen hoeven die bijdrage niet te betalen.

In onze amendementen staat ook dat, wanneer de doorverwijzing naar een tweedelijns juridische bijstand is aangewezen, de aanvrager, alsook het consultatiebureau en het verdedigingsbureau hiervan onmiddellijk op de hoogte worden gebracht.

In dringende gevallen kan de aanvrager van een tweedelijnsbijstand zich rechtstreeks tot een advocaat wenden die deze verleent, maar wij hopen dat de wachtdiensten van de eerstelijns juridische bijstand als filter zullen fungeren. Het meerjarenplan voorziet in een verhoging van de bedragen voor een vergoeding van de tweedelijns juridische bijstand. Voor 1997 werd 500 miljoen uitgetrokken en voor het jaar 2000, 1 miljard.

Kortom, wij beschikken al over een systeem dat werkt, maar dat op dit moment een overgangssysteem is.

De heer Foret (PRL-FDF) (in het Frans). - Ik dank de minister. Hij heeft mij de inhoud van het wetsvoorstel, alsmede de bijzondere praktijken in Charleroi, beter doen begrijpen.



Munitiediefstal in Houthulst


De heer Hostekint (SP). - Vorige zomer werd een omvangrijk arsenaal oorlogswapens ontvreemd uit het munitiedepot van het leger in Houthulst. De diefstal raakte pas bekend bij een stockcontrole in december.

Het onderzoek van het Krijgsauditoraat in deze zaak en het gerechtelijk onderzoek dat sinds medio vorige maand naar de motorbendes in Vlaanderen wordt gevoerd, hebben aangetoond dat er een verband bestaat tussen de grootscheepse raid van 19 februari jl. tegen de Hells Angels en de munitiediefstal in Houthulst. De speurders ontdekten namelijk bij de Iron Skulls in Jabbeke een lijst van munitie die minutieus overeenstemde met de verdwenen buit uit het munitiedepot.

Gisteren werd in Waregem in een garagebox toebehorend aan een Hells Angel een heus wapenarsenaal ontdekt. Alle in beslag genomen wapens bleken afkomstig te zijn uit het munitiedepot van Houthulst.

Een ex-para die als militair in Houthulst dient is lid van de bewuste motorbende. Dat bevestigt het vermoeden dat de munitiediefstal het werk was van militairen zelf. Deze zaak wijst op een schrijnend gebrek aan beroepsernst binnen het leger. Het leger kwam het voorbije jaar al meermaals in een bijzonder negatief daglicht te staan. Ik denk hierbij aan het wangedrag van de para's in Somalië en Oost-Slavonië en aan de disfuncties binnen het leger zoals die in het verslag van de Rwanda-commissie werden vastgesteld.

Kan de minister zeggen hoeveel militairen bij de diefstal zijn betrokken en welke disciplinaire maatregelen tegen hen werden genomen ? Welke procedure zal worden gevolgd bij het nemen van maatregelen tegen de hoge militairen die in het Rwanda-rapport verantwoordelijk worden gesteld voor het debacle in Rwanda ? Ik denk aan luitenant-generaal Charlier, vice-admiraal Verhulst, de kolonels Flament, Marchal, Briot en Dewez en majoor Maggen.

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - Op dit ogenblik wordt door justitie onderzocht of militairen in actieve dienst betrokken zijn bij de diefstal in Houthulst. Omdat daarover nog geen absolute zekerheid bestaat kan ik nog geen maatregelen treffen.

Wat de tweede vraag betreft, stel ik vast dat senator Hostekint een zeer eigenzinnige interpretatie geeft van de vastgestelde verantwoordelijkheden in het Rwanda-drama. De commissie heeft in haar verslag herhaald dat de moord op de tien blauwhelmen door Rwandezen is gepleegd. Daarnaast zegt de commissie dat ook politieke en militaire overheden van België, van de VN en van de hele internationale gemeenschap, rechtstreeks of onrechtstreeks verantwoordelijkheid dragen voor sommige aspecten van de dramatische gebeurtenissen. De commissie besluit dat niet één instantie, laat staan één persoon, volledig verantwoordelijk is.

Concreet kan ik het volgende antwoorden : op gerechtelijk vlak heb ik geen enkele bevoegdheid. Het gerecht heeft slechts één officier in beschuldiging gesteld en die is vrijgesproken. Op tuchtrechtelijk gebied voorziet de wet een verjaringstermijn van één jaar. Vier jaar na de feiten kan geen tuchtstraf meer worden opgelegd. Er blijft dus enkel het domein van de statutaire maatregelen. Ik heb een informatiecommissie opgericht die de genoemde militairen die nog in dienst zijn heeft gehoord. Deze commissie zal me binnenkort een advies formuleren. Indien hieruit zou blijken dat een militair zich schuldig zou hebben gemaakt aan feiten die niet met de waardigheid van zijn ambt overeenkomen, kunnen verdere procedurestappen worden genomen, zoals het verschijnen voor een onderzoeksraad. De statutaire maatregelen die ik in fine kan nemen zijn een tijdelijke of definitieve ambtsontheffing of eventueel een pensionering. Ik mag niet afwijken van de procedure die hiervoor is voorgeschreven in een koninklijk besluit van 7 april 1959.

De heer Hostekint (SP). - De minister draagt toch de eindverantwoordelijkheid voor wat er in het leger gebeurt. Uit de manier waarop de zware wapens uit de kazerne van Houthulst werden gestolen, kan men afleiden dat militairen mede aan het werk zijn geweest. Toen de minister via de pers van de diefstal op de hoogte werd gesteld, zou hij zich boos hebben gemaakt en beloofde hij maatregelen.

De minister beweert het gerechtelijk onderzoek niet te kunnen doorkruisen. Toch vermoed ik dat er een intern onderzoek werd georganiseerd, want ik ken een voormalig lid van de para's, dat nu geen deel meer uitmaakt van het leger. In de streek van Houthulst is het een publiek geheim dat iedereen zomaar de kazerne binnen en buiten kan lopen. De aanwezigheid van zware munitie in een garagebox in het centrum van Waregem had een enorme ramp kunnen veroorzaken. De minister verschuilt zich achter procedures om niet te moeten optreden. In zijn plaats zou ik geen oog meer dicht doen.

In de Rwanda-zaak verwijt de minister mij eens te meer te ver te gaan. De minister verwijst naar de VN, maar ik heb namen genoemd, zoals die van collega Delcroix en zoals die van stafchef Charlier. De minister wordt voortdurend voor schut gezet door de hoge militaire overheid.

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - De scheiding der machten verplicht mij te wachten op de resultaten van het gerechtelijk onderzoek. Ik pas het koninklijk besluit van 7 april 1959 nauwgezet toe. Binnenkort krijg ik nieuws van de informatiecommissie.



Sluiting van postkantoren


Mevrouw Thijs (CVP). - Op 1 mei zullen 200 postkantoren worden gesloten omdat ze niet rendabel meer zijn. Het personeel zal niet worden ontslagen. Een postbediende moet na jaren dienst op zijn 55ste naar Antwerpen pendelen. We hebben de indruk dat het platteland wordt ontmanteld. Enkele jaren geleden verdwenen de eerste postkantoren in Limburg. Voor de lokale gemeenschap is de sluiting een ramp. Nochtans beloofde de minister destijds in elke gemeente voor een minimum aantal basisvoorzieningen te zorgen.

Worden alle kantoren met één of twee bedienden op termijn gesloten ? Welke normen worden gehanteerd ? Waar zullen de bedienden van de Limburgse postkantoren opnieuw worden tewerkgesteld ? Kan de minister een lijst bezorgen van kantoren die zullen worden gesloten ?

De heer Di Rupo, vice-eerste minister en minister van economie en telecommunicatie. - De Post heeft in het raam een gezond beheer beslist tegen het jaar 2000 de beheerslast met 10 % te verminderen. De sluiting van 200 kantoren is hiervan een onderdeel. het gaat om kleine kantoren die niet meer beantwoorden aan de kwaliteitsvereisten. Aldus hoopt de Post meer te kunnen investeren in opleiding voor personeel en in bureautica. De regel geldt voor het hele land. Limburg is dus geen uitzondering.



(Verder in het Frans.)

De volgende criteria werden in acht genomen om te bepalen welke kantoren worden gesloten : het activiteitsvolume, de uitgestrektheid van de bediende zone, het verbod om een kantoor te sluiten als er binnen een straal van 5 km., geen ander is, de staat van de gebouwen, de eventuele concurrentie tussen kantoren, enz...

Die criteria werden opgesteld in overleg met de gewestelijke directies en de sectorverantwoordelijken.

De post voegt eraan toe dat de kantoren die één of twee personen tewerkstellen niet noodzakelijk bedreigd zijn. De dienstverlening aan de klanten zal worden verbeterd. Zo zullen sommige kantoren op zaterdag open zijn of eenmaal per week tot 18 u. 30 m. openblijven. Zij wijst er ook op dat de plaatselijke bevolking bediend blijft door de postbode, die de meeste verrichtingen bij de klant thuis kunnen uitvoeren. Ze zullen daarvoor zelfs meer tijd krijgen.

Wie gebruik wil maken van de diensten van de postbode zal een roze poster voor het raam kunnen plaatsen of telefonisch vragen dat de postbode langskomt. Bovendien beschikt de Post over 1 564 postzegelverdelers, vooral in landelijke gebieden. Waar postkantoren verdwijnen kan dit netwerk eventueel worden uitgebreid. De personeelsleden van de gesloten postkantoren zullen in het dichtstbijzijnde ontvangstkantoor worden ingeschakeld. Bovendien zal elk personeelslid zowel op sociaal als op professioneel gebied door een mutatiecel begeleid worden.

Als toezichthoudend minister kan ik de beslissingen van de organen van de Post niet betwisten voor zover ze in overeenstemming met de wet en het beheerscontract zijn.

Mevrouw Thijs (CVP). - Het ziet er niet slecht uit. De minister wijst erop dat De Post een autonoom overheidsbedrijf is. Ik begrijp dat De Post inderdaad geen liefdadigheidsinstelling is. Maar op het platteland is een goede dienstverlening toch belangrijk. Enkele jaren geleden werd ook een aantal postkantoren gesloten. Van de maatregelen die de minister toen in het vooruitzicht stelde, kwam niet veel in huis.

Ik hoop dat de mensen van de door de minister aangekondigde dienstverlening zullen kunnen genieten.



Anglofilie bij Belgacom


De heer Verreycken (Vlaams Blok). - De minister ontving op 15 augustus 1997 een brief van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht waarin deze stelde dat Belgacom in de relaties met de binnenlandse klanten, de taal van het gebied moet gebruiken. Op 12 september 1997 bevestigde de minister dat Belgacom de wet moet toepassen.

Op 10 maart 1998 ontving een klant van Belgacom die zich had beklaagd over de anglofilie, een bericht van de dienst « Written complaints ». Belgacom vat daarin het advies van de VCT samen, maar zegt enkel dat Engelse termen gebruikt mogen worden als er geen alternatief in één van de landstalen voorhanden is. Die samenvatting druist in tegen de letter en de geest van het advies. De Belgacombrief eindigt met « in dit kader zal Belgacom trachten dit advies van de commissie zo consequent mogelijk toe te passen ».

Moet Belgacom niet gewoon de wet toepassen ? Mogen alle andere rechtsonderhorigen ook de wetten « zo consequent mogelijk » toepassen ? Hoe zal de minister Belgacom op zijn verplichtingen wijzen ?

De heer Di Rupo, vice-eerste minister en minister van economie en telecommunicatie. - Er moet een onderscheid gemaakt worden tussen de volgende drie gevallen. Allereerst zijn er de kaderleden. Belgacom heeft strategische allianties met drie buitenlandse operatoren. Dit verklaart waarom de kadeleden het Engels gebruiken.

In de communicatie met het personeel moet Belgacom de taalwetgeving respecteren. Volgens Belgacom wordt deze verplichting in de interne communicatie nageleefd.

Ik heb er de aandacht van Belgacom op gevestigd dat het de taalwetgeving moet toepassen in zijn contacten met de klanten. Als de heer Verreycken concrete gevallen kent waarin dit niet gebeurde, vraag ik hem mij die mee te delen, zodat ik aan Belgacom kan vragen onmiddellijk een einde te maken aan deze onregelmatigheden.

De heer Verreycken (Vlaams Blok). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Daaruit blijkt dat hij opnieuw tracht de vis te verdrinken. Ik heb niet gevraagd naar de relaties met Singapore, noch naar de interne communicatie, maar wel naar de contacten met de klanten. Het blijkt dat er nog altijd eentalige Engelse briefhoofden worden gebruikt. Ik begrijp de ergernis van de mensen die daartegen protesteren.

De relaties met de klanten moeten conform de taalwetgeving verlopen. Is het niet aangewezen om in het nieuwe beheerscontract te eisen dat Belgacom de taalwetgeving toepast ?





REGELING VAN DE WERKZAAMHEDEN



De Voorzitter. - Het Bureau stelt voor dat de Senaat bijeenkomt in plenaire vergadering op donderdag 19 maart, om 10 en 15 uur. Om 10 uur zijn er vragen om uitleg van de heer Anciaux aan de vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken, over « het uitblijven van een politioneel beleid betreffende misdrijven tegen de volksgezondheid en het uitblijven van tuchtsancties tegen burgemeesters die schendingen van normen gedogen »; van mevrouw Lizin aan de vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken, over « de bestrijding van het terrorisme in Europa en de GIA-netten » en van de heer Anciaux aan de staatssecretaris voor veiligheid, toegevoegd aan de minister van binnenlandse zaken, staatssecretaris voor maatschappelijke integratie en leefmilieu, toegevoegd aan de minister van volksgezondheid, over « het gebrek aan een degelijk beleid naar het voorkomen van dioxine-uitstoot en andere ernstige verontreinigingen veroorzaakt door de verbranding van huis- en ander afval ».

Om 15 uur zijn er de inoverwegingneming van voorstellen, mondelinge vragen en vragen om uitleg van de heer Anciaux aan de minister van volksgezondheid en pensioenen, over « de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid van dioxineuitstoot en andere ernstige verontreinigingen veroorzaakt door de verbanding van huis- en ander afval »; van de heer Hostekint aan de minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en aan de minister van sociale zaken, over « de problematiek van de beschutte werkplaatsen »; van de heer Devolder aan de minister van tewerkstelling en arbeid, belast met het beleid van gelijke kansen voor mannen en vrouwen en aan de minister van sociale zaken, over « de sociale identiteitskaart », van de heer Anciaux aan de minister van justitie, over « het uitblijven van enig justiëel beleid tegen het op een georganiseerde wijze vergiftigen van de bevolking door afvalverbrandingsinstallaties ».

De heer Anciaux (VU). - Ik dank de voorzitter dat er gevolg is gegeven aan mijn harde tussenkomst van vorige week.

De Voorzitter. - Ik heb gezocht naar een eerlijke oplossing gesteund op de gegrondheid van de argumenten en niet op de hardheid van de tussenkomst.





NAAMSTEMMINGEN



De Voorzitter. - Wij moeten ons uitspreken over het wetsvoorstel tot invoeging van een artikel 120ter in de nieuwe gemeentewet, strekkende tot een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de gemeentelijke adviesraden. Dat voorstel heeft een nieuw opschrift gekregen dat als volgt luidt : wetsvoorstel tot wijziging van artikel 120bis van de nieuwe gemeentewet en tot invoeging van een artikel 50bis in de provinciewet van 30 april 1836, strekkende tot een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de gemeentelijke en provinciale adviesraden.

Mevrouw Cornet d'Elzius (PRL-FDF) (in het Frans). - Dat wetsvoorstel steunt mij sceptisch aangezien ik eraan twijfel of dit wel het beste middel is om tot een partnerschap tussen vrouwen en mannen inzake gemeentelijke adviesraden te komen.

Vandaag staan wij voor een nieuw sociaal model als gevolg van de economische ontvoogding van de vrouwen. De verplichting een quota vrouwen in de gemeentelijke adviesraden op te nemen is een gevaarlijk iets. Die vrouwen dreigen te worden genegeerd of buiten spel gezet omdat zij niet op grond van verdienste werden opgenomen. Vrouwen hebben er belang bij om zich te bevestigen, hun kwaliteiten, hun kracht en hun solidariteit te tonen.

Bovendien dreigt dit voorstel dode letter te blijven aangezien het in mogelijke afwijkingen voorziet wanneer niet aan de vereisten van de tekst kan worden voldaan. Nu al ondervinden sommige gemeenten moeilijkheden bij het samenstellen van hun adviesraden. Er zullen dus waarschijnlijk systematische afwijkingen worden toegestaan.

Die verplichting dreigt de kwaliteit van die organen te schaden waarin « strovrouwen » zullen worden geparachuteerd.

Laten wij evenwel hopen dat die maatregel roepingen zal doen ontstaan. In die optiek zou het goed zijn het vrouwelijk potentieel op te voeren en voor een omgeving te zorgen die de media en de politieke partijen sensibiliseert.

Die ontwikkeling zou de vrouwen ertoe aanzetten zich meer in te zetten voor dit soort taken. De PRL-FDF heeft zich al op die weg begeven door zijn interne structuren aan te passen ten einde aan de vrouwen de plaats voor te behouden die zij verdienen.

Om al die redenen heeft mijn fractie beslist zich te onthouden. (Applaus bij de PRL-FDF.)

De heer Ceder (Vlaams Blok). - Niet alleen vrouwen zijn onvoldoende vertegenwoordigd in gemeentelijke adviesraden. Onderzoek zou dat ook bevestigen voor jongeren, senioren of mensen uit lagere inkomensklassen. Ook de verhouding tussen werklozen, arbeiders, bedienden en zelfstandigen klopt niet. Waarom wordt op die terreinen niet wetgevend opgetreden ?

Een vaste vertegenwoordiging invoeren voor bepaalde bevolkingsgroepen is de democratie beperken, niet bevorderen. Men bewijst met deze wetgeving de vrouwen geen dienst. Zij die in de adviesraden terechtkomen, zullen ervan verdacht worden daarvoor de steun van een wet nodig te hebben.

Bekwame en gemotiveerde vrouwen hebben geen wettelijke steun nodig. Ik weiger ook te geloven dat de vrouwen in deze Senaat een positieve discriminatie nodig hadden om senator te worden.

Het Vlaams Blok zal dan ook tegen stemmen. (Applaus bij het Vlaams Blok.)

De heer Loones (VU). - De VU-fractie zal dit voorstel goedkeuren omwille van zijn verheven doelstellingen. Persoonlijk zal ik me onthouden om twee redenen. Ten eerste denk ik dat toezichtsmaatregelen in dit verband beter zijn dan wetgeving. De tweede reden heeft te maken met de defederalisering van de gemeentewet. Ik weiger nog medewerking te verlenen aan een federale wetgeving over gemeentelijke organen.

Mevrouw Jeanmoye (PSC) (in het Frans). - België is een democratie maar de helft van de Belgische bevolking, namelijk de vrouwen, is slecht vertegenwoordigd. Men moet altijd rekening houden met de wil van de minderheid.

De formele gelijkheid is een feit, maar nu moet ook nog de feitelijke gelijkheid gerealiseerd worden. Het doel van dit voorstel is bij te dragen tot het ontstaan van een paritaire democratie waarin mannen en vrouwen als gelijken worden beschouwd. De gelijke participatie van vrouwen en mannen is een democratische noodzaak. Om dit, ondanks de terughoudendheid van de maatschappij, te bereiken moet daadwerkelijk worden ingegrepen.

Persoonlijk vind ik het quota-systeem maar een lapmiddel en een zorgwekkend teken dat de motor van onze democratie sputtert.

Niettemin zal ik, zoals de PSC, dit voorstel goedkeuren omdat het op dit ogenblik de enige manier is om tot een evenwichtige vertegenwoordiging te komen.

Als vrouwelijk parlementslid is het mijn wens dat deze vergadering binnenkort evenveel mannen als vrouwen telt, zodat een paritaire democratie tot stand komt.

Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Men mag geen genoegen nemen met deze tekst.

Het quota-systeem is een voorlopige maatregel. Deze maatregel moet gevolgd worden door een voorstel om tot pariteit te komen. Wij zullen pas tevreden zijn wanneer er op elke verkiezingslijst afwisselend evenveel mannen als vrouwen staan.

Wij zullen dit voorstel goedkeuren en hopen dat het aangevuld zal worden met het onderdeel dat men niet uit de wet Smet-Tobback had mogen lichten.

- Het wetsvoorstel tot wijziging van artikel 120bis van de nieuwe gemeentewet en tot invoeging van een artikel 50bis in de provinciewet van 20 april 1836 strekkende tot een evenwichtige aanwezigheid van vrouwen en mannen in de gemeentelijke en provinciale adviesraden wordt met 35 tegen 5 stemmen aangenomen; 18 leden hebben zich onthouden.



Voor hebben gestemd : de leden :

Anciaux, Bourgeois, Caluwé, Cantillon, Chantraine, Ph. Charlier, Daras, Dardenne, de Bethune, Delcourt-Pêtre, Delcroix, Dua, Erdman, Happart, Hotyat, Jeanmoye, Jonckheer, Lallemand, Lizin, Maximus, Merchiers, Moens, Mouton, Nothomb, Olivier, Poty, Santkin, Sémer, Staes, Swaelen, Thijs, Vandenberghe, Van der Wildt , Weyts, Willame-Boonen.



Tegen hebben gestemd : de leden :

Buelens, Ceder, Raes, Van Hauthem, Verreycken.



Onthouden hebben zich : de leden :

Coene, Cornet d'Elzius, Coveliers, Desmedt, Destexhe, Devolder, Foret, Goovaerts, Goris, Hatry, Hazette, Leduc, Loones, Mayence-Goossens, Nelis-Van Liedekerke, Vautmans, Vergote, Verhofstadt.


De Voorzitter. - Het wetsvoorstel zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

De heer Vergote (VLD). - Ik heb afgesproken met de heer Pinoie.

De Voorzitter. - We stemmen nu over het voorstel van resolutie betreffende de gokverslavingsproblematiek.

- Het voorstel van resolutie wordt eenparig aangenomen door de 59 aanwezige leden. Het zal worden meegedeeld aan de eerste minister.



Waren aanwezig : de leden :

Anciaux, Bourgeois, Boutmans, Buelens, Caluwé, Cantillon, Ceder, Chantraine, Ph. Charlier, Coene, Cornet d'Elzius , Coveliers, Daras, Dardenne, de Bethune, Delcourt-Pêtre, Delcroix, Desmedt, Destexhe, Devolder, Dua, Erdman, Foret, Goovaerts, Goris, Happart, Hatry, Hazette, Hotyat, Jeanmoye, Jonckheer, Lallemand, Leduc, Lizin, Loones, Maximus, Mayence-Goossens, Merchiers, Moens, Mouton, Nelis-Van Liedekerke, Nothomb, Olivier, Poty, Raes, Santkin, Sémer, Staes, Swaelen, Thijs, Vandenberghe, Van der Wildt, Van Hauthem, Vautmans, Vergote, Verhofstadt, Verreycken, Weyts, Willame-Boonen.


De Voorzitter. - We stemmen nu over de moties ingediend tot besluit van de vraag om uitleg van de heer Verreycken aan de minister van vervoer gesteld op 5 maart 1998 in plenaire vergadering. De gewone motie heeft voorrang.

De heer Boutmans (Agalev). - De beide groene fracties zullen tegen de gewone motie stemmen zoals zij dat altijd doen omdat wij menen dat het debat moet worden aangegaan. Dit standpunt houdt geen goedkeuring in van de gemotiveerde motie.

- De gewone motie wordt aangenomen met 31 tegen 28 stemmen; 1 lid heeft zich onthouden.



Voor hebben gestemd : de leden :

Bourgeois, Caluwé, Cantillon, Chantraine, Ph. Charlier, de Bethune, Delcourt-Pêtre, Delcroix, Erdman, Happart, Hostekint, Hotyat, Jeanmoye, Lallemand, Lizin, Maximus, Merchiers, Moens, Mouton, Nothomb, Olivier, Poty, Santkin, Sémer, Staes, Swaelen, Thijs, Vandenberghe, Van der Wildt , Weyts, Willame-Boonen.



Tegen hebben gestemd : de leden :

Anciaux, Boutmans, Buelens, Ceder, Coene, Cornet d'Elzius , Coveliers, Daras, Dardenne, Desmedt, Destexhe, Devolder, Dua, Foret, Goovaerts, Goris, Hatry, Hazette, Jonckheer, Leduc, Loones, Mayence-Goossens, Nelis-Van Liedekerke, Raes, Van Hauthem, Vautmans, Verhofstadt, Verreycken.



Onthouden heeft zich : het lid :

Vergote.


De Voorzitter. - Wij stemmen nu over de moties ingediend tot besluit van de vragen om uitleg van de heren Van Hauthem en Loones aan de eerste minister, gesteld op 5 maart 1998.

De heer Foret (PRL-FDF) (in het Frans). - België moet dringend de verplichtingen nakomen die het Verdrag van Maastricht het oplegt inzake de toekenning van het stemrecht bij gemeenteraadsverkiezingen aan de Europese onderdanen.

Als de regering beslist artikel 8 van de Grondwet in die zin aan te passen, zullen wij daarop gunstig reageren. Met een gewone wet kunnen wij al evenzeer instemmen als ze door de Raad van State juridisch aanvaardbaar wordt geacht. Wij zullen er in ieder geval op toezien dat het stemrecht aan de Europeanen wordt toegekend zonder andere voorwaarden dan de inschrijving op de kiezerslijsten. Wat de niet-Europese vreemdelingen betreft, is de PRL-FDF van oordeel dat de beste oplossing erin bestaat het aannemen van de Belgische nationaliteit zoveel mogelijk aan te moedigen en de naturalisatieprocedure te versoepelen.

Ik betreur dat de regering het niet raadzaam heeft geacht het probleem van het stemrecht van de in het buitenland verblijvende Belgen te behandelen. Het zou onlogisch zijn een discriminatie in stand te houden waardoor de Belgen niet in hun land van herkomst kunnen stemmen terwijl de vreemdelingen dat uitsluitend op basis van hun woonplaats wel zouden kunnen doen.

De PRL-FDF kan geen gemotiveerde moties steunen waarbij voor de toekenning van het stemrecht aan Europese onderdanen onaanvaardbare voorwaarden worden gesteld. De PRL-FDF kan de regering evenmin een blanco cheque geven. Kortom, mijn fractie zal zich onthouden. (Applaus van de PRL-FDF).

De heer Van Hauthem (Vlaams Blok). - Wij vragen de eerste minister of hij het stemrecht voor Europese onderdanen via een wijziging van de Grondwet zou regelen en of hij rekening zou houden met de voorwaarden die het Vlaams Parlement had gesteld. De eerste minister antwoordde dat hij de tweederde meerderheid nastreeft, maar als die niet zou worden behaald, wil hij het stemrecht voor Europese onderdanen regelen via een gewone meerderheid.

De premier schuift de voorwaarden van het Vlaamse Parlement opzij. Enkel op de voorwaarde omtrent de fiscaliteit wordt ingegaan maar dat is niet essentieel. De voorwaarden die het Vlaams Parlement stelde, hebben niets te maken met de Europese verplichtingen, maar gaan over de uitvoering van de Sint-Michielsakkoorden en de minimum vertegenwoordiging van de Vlamingen in Brussel op alle bestuursniveaus.

Volgens de gewone motie gaat de Senaat over tot de orde van de dag. Men kan moeilijk tot de orde van de dag overgaan als een premier zegt dat de Grondwet te zullen negeren. Het is eigenaardig dat de Vlaamse nationalisten als enigen de Belgische Grondwet verdedigen.

De heer Loones (VU). - Wij zijn voorstanders van het stemrecht voor EU-burgers maar wij zijn het niet eens om dit te regelen met een gewone wet in plaats van met een constitutionele meerderheid, want dit opent de poort voor verregaander afwijkingen in de toekomst.

Ik roep de collega's op om de inhoud van mijn gemotiveerde motie te bekijken. In de motie wordt de grondwettelijke behandeling gevraagd en wordt gevraagd rekening te houden met de voorwaarden gesteld door het Vlaamse Parlement. Ik vraag de gemeenschapssenatoren om deze motie te steunen.

De heer Boutmans (Agalev). - Wij zullen tegen de gewone motie stemmen omdat wij tegenstander zijn van moties die geen inhoudelijk standpunt bevatten. Wat de zaak zelf betreft kunnen wij niet akkoord gaan met het opzij schuiven van de Grondwet door de eerste minister. De oplossing van het probleem zou erin bestaan dat alle democratische fracties erover nadenken of het zinvol is de tweederde meerderheid te blokkeren die nodig is om het algemeen stemrecht uit te breiden tot al wie hier langdurig woont. Ik richt me vooral tot de liberale fractie.

De heer Coveliers (VLD). - Een van de essentiële kenmerken van de liberalen is dat zij nadenken. Anderen in deze zaal moeten hiervan het bewijs nog leveren.

De Voorzitter. - Ik herinner eraan dat de stemverklaringen niet als doel hebben het debat te heropenen. Zij hebben enkel als doel te verklaren waarom men vóór of tegen stemt of zich onthoudt. Ieder senator beschikt daarvoor over twee minuten spreektijd.

- De gewone motie wordt aangenomen met 34 tegen 21 stemmen; 8 leden hebben zich onthouden.



Voor hebben gestemd : de leden :

Bourgeois, Busquin, Caluwé, Cantillon, Chantraine, G. Charlier, Ph. Charlier, de Bethune, Delcourt-Pêtre, Delcroix, Erdman, Happart, Hostekint, Hotyat, Jeanmoye, Lallemand, Lizin, Maximus, Merchiers, Moens, Mouton, Nothomb, Olivier, Poty, Santkin, Sémer, Staes, Swaelen, Thijs, Urbain, Vandenberghe, Van der Wildt, Weyts, Willame-Boonen.



Tegen hebben gestemd : de leden :

Anciaux, Boutmans, Buelens, Ceder, Coene, Coveliers, Daras, Dardenne, Devolder, Dua, Goovaerts, Goris, Jonckheer, Leduc, Loones, Nelis-Van Liedekerke, Raes, Van Hauthem, Vautmans, Verhofstadt, Verreycken.



Onthouden hebben zich : de leden :

Cornet d'Elzius, Desmedt, Destexhe, Foret, Hatry, Hazette, Mayence-Goossens, Vergote.






MONDELINGE VRAGEN

Controle op nachtwinkels


De heer Goovaerts (VLD). - Mijn vraag dateert van 18 januari. Intussen is de problematiek van de nachtwinkels in een stroomversnelling geraakt.

De wetgeving omtrent de uitbating van nachtwinkels dateert o.m. van 1973. Ze wordt in sommige gemeenten nogal laks toegepast. Zo zijn er winkels die 24 op 24 uur open blijven en geen sluitingsdag respecteren.

Hoeveel controles werden het voorbije jaar uitgevoerd ? Welke inbreuken werden er vastgesteld ? Hoeveel nachtwinkels werden strafrechtelijk vervolgd en voor welke inbreuken ?

De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - Tot nu is er geen specifiek wettelijk kader voor nachtwinkels. De wet van 24 juli 1973 op de verplichte avondsluiting en de wet van 22 juni 1960 op de wekelijkse rustdag worden gecontroleerd door de inspectiediensten van economische zaken. Ten aanzien van de nachtwinkels werd een gedoogbeleid gevoerd. Naar aanleiding van bepaalde klachten werden in 1994 : 92; in 1995 : 118, en in 1996 : 122 controles uitgevoerd. Er werden respectievelijk 55, 49 en 88 pv's opgesteld.

De kamercommissie bedrijfsleven heeft eergisteren haar goedkeuring gehecht aan een wijziging van de wet van 24 juli 1973. Dit ontwerp crëeert een wettelijk kader voor nachtwinkels. Zij mogen enkel open zijn tussen 18 uur 's avonds en 7 uur 's morgens en mogen op een verkoopsoppervlakte van maximaal 150 m2 slechts algemene voedingswaren en huishoudelijke artikelen verkopen. Ze moeten permanent de vermelding « Nachtwinkel » dragen. Bovendien heeft de commissie een amendement goedgekeurd dat de verkoop van gedistilleerde alcoholische dranken en gegiste alcoholische dranken van méér dan 6 % volume verbiedt. Voor de controle zal de inspectiedienst van het bestuur voor KMO-beleid van mijn departement bevoegd zijn.



Blokkade van de haven van Oostende


De heer Loones (VU). - De visserijsector voelt zich steeds meer in de steek gelaten door de federale regering en moet afrekenen met de concurrentievervalsing van de Nederlandse visserij. De Nederlanders blijven op Belgische quota vissen en komen tot vlak voor onze kust.

Wanneer zal de quotaregeling eindelijk worden aangepast ? Zal er een economische band worden opgelegd tussen de vaartuigen en de vlag waaronder ze varen ? Waarom wordt de Europese regelgeving voor de 3-mijlszone niet toegepast ? Waarop wordt het primeren van de Beneluxakkoorden op de Europese regelgeving gebaseerd ? Wat zal de minister ondernemen om de visserij leefbaar te houden ?

De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - Mijn diensten leggen de laatste hand aan een ontwerp koninklijk besluit over quotahopping. Het probleem van de hopping staat echter los van het probleem van de kustvissers. De EU-verordening 3760/92 bepaalt dat vaartuigen die vissen tussen de drie en de 12 mijl niet méér dan 24 meter lang mogen zijn en een vermogen van minder dan 300 PK moeten hebben. Binnen de 3-mijlszone geldt de Benelux-nabuurschapsregeling van 3 februari 1958. Krachtens dit akkoord kunnen Nederlandse Eurokotters in onze kustzone vissen en omgekeerd. De bijzondere rechten van het Benelux-akkoord vloeien voort uit de toepassing van artikel 6 van de verordening. De Benelux-akkoorden primeren dus niet op de Europese regelgeving.

Hoewel de Nederlandse vissersvaartuigen in onze kustzone mogen vissen is er toch een ernstig probleem voor onze kustvaartuigen. Daarom hebben mijn diensten op 10 maart met de rederscentrale en met een delegatie van de kustvissers en van de Eurokotters overleg gepleegd. We stellen voor de tongvisserij in de 3-mijlszone te beperken tot schepen van ten hoogste 70 bruto tonnenmaat. de Eurokotters hebben aangedrongen op het behoud van de maatregelen voor garnaal en kabeljauwvisserij. Ik heb mijn Nederlandse collega uitgenodigd voor een bilateraal overleg.

De heer Loones (VU). - Ik hoop dat de minister niet meer zal talmen met het ontwerp koninklijk besluit voor de quotahopping. Bij de blokkade was er blijkbaar een misverstand. Ik wist niet dat het nabuurschapsakkoord een uitvloeisel was van de Europese regelgeving.

De wederkerigheid is slechts theorie, omdat de Nederlandse kustwaters leeggevist zijn.

Onze vissers kunnen ook niet uitwijken naar Frankrijk omdat er met onze zuiderburen geen nabuurschapsregelingen werden getroffen. Er rest ons dan enkel een nieuw akkoord te bedingen, of het huidig akkoord eenzijdig op te zeggen. Het schermen met de regelgeving is illusoir wanneer men te maken heeft met vissers die de ingewikkelde verordeningen en beschikkingen niet begrijpen. Ik hoop dat de minister erin zal slagen de meningsverschillen tussen het verbond van Vlaamse vissers en de redercentrale te overbruggen.



Voorzitter : de heer Moens


De heer Pinxten, minister van landbouw en de kleine en middelgrote ondernemingen. - De rechter heeft geoordeeld dat rekening houdend met het Benelux-Verdrag, het optreden van de vissers onrechtmatig was.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER VANDENBERGHE AAN DE MINISTER VAN SOCIALE ZAKEN,
over « de financiering van palliatieve zorgverlening »

De heer Vandenberghe (CVP). - De forfaitaire financiering van palliatieve initiatieven via de experimenten-Busquin eindigde op 31 december 1997. Zij werd vervangen door een structurele financiering waardoor jaarlijks 30 multi-disciplinaire palliatieve équipes zullen worden betoelaagd en de remgelden voor geneeskundige verstrekkingen voor palliatieve patiënten die thuis worden verzorgd, kunnen worden verlaagd of afgeschaft.

Er moeten echter nog twee uitvoeringsbesluiten worden genomen : één over de minimale voorwaarden waaraan de conventies tussen de palliatieve équipe en het Comité van geneesheren-directeurs van het RIZIV moeten voldoen; een ander koninklijk besluit moet de voorwaarden bepalen waaronder het remgeld volledig of gedeeltelijk wordt afgeschaft.

Inmiddels wordt de financiële situatie van de palliatieve organisaties alsmaar nijpender. Daarom wil ik aan de minister vragen welk budget zij zal ter beschikking stellen voor de multidisciplinaire équipes en voor de verlaging of afschaffing van de remgelden. Hoe ver staat het met de voorbereiding van de koninklijke besluiten ?

Hoeveel disciplines zullen in de équipes vertegenwoordigd zijn ?

Wat stelt de minister voor om te verhelpen aan de onzekere toestand van de precaire financiële situatie van de organisaties voor palliatieve zorg ?

Welke maatregelen stelt de minister in het vooruitzicht om de palliatieve pijler van de ziekteverzekering volledig uit te werken ? Zullen er maatregelen genomen worden die verhelpen aan de hogere kosten van de thuiszorg, vergeleken met de kosten van intramurale palliatieve verzorging ?

Is het geen tijd om een interministeriële conferentie bijeen te roepen over de globale aanpak van de problematiek ?

De heer Devolder (VLD). - Sedert 1991 zijn er over de palliatieve zorg 13, meestal federale, besluiten gepubliceerd. In 1995 heeft de Vlaamse regering ook een aantal besluiten genomen en voorziet zij ook in de noodzakelijke financiering. Zal de minister ook overleg plegen met de Gemeenschappen ? Ik vrees dat sommigen anders van twee ruiven zullen eten, terwijl de individuele patiënt in de kou blijft staan. Zal de minister de nomenclatuur aanpassen, zodat ook de individuele patiënt van verhoogde tegemoetkomingen kan genieten ?

Mevrouw Willame-Boonen (PSC) (in het Frans). - Ik maak een onderscheid tussen mijn vragen over de palliatieve verzorging thuis op een dienst in het ziekenhuis of door een mobiele dienst in het ziekenhuis.

In een koninklijk besluit worden de normen vastgelegd voor de erkenning van verenigingen voor palliatieve thuiszorg. Net zoals in de wet houdende sociale bepalingen, worden in dat koninklijk besluit de begrippen hulpteam van de vereniging en multidisciplinair begeleidingsteam door elkaar gehaald. Die verwarring is nadelig, aangezien het begeleidingsteam niet tot taak heeft alle actoren op het terrein te coördineren.

Zullen er koninklijke besluiten worden uitgevaardigd om een duidelijk onderscheid te maken tussen de taken van het begeleidingsteam en die van de vereniging ? Zullen koninklijke besluiten zorgen voor een aparte financiering van de begeleidingsteams en de coördinatieteams, waarbij, voor de erkenning en de subsidiëring, rekening wordt gehouden met de geografische ligging en de lessen die uit de « Busquinexperimenten » zijn getrokken ? Zal een koninklijk besluit garanderen dat de goede experimenten in 1998 gefinancierd kunnen worden ?

Voor de medische leiding van de residentiële ziekenhuisdiensten moet een gespecialiseerd en ervaren arts zorgen. De wet voorziet echter niet in die specialisatie. Vele huisartsen hebben echter opleidingen gevolgd en ervaring opgedaan. De diensten worden trouwens de facto door hen geleid.

Twee derde van de verpleegkundigen zouden een A1-diploma moeten hebben. In de diensten werken echter veel A2-verpleegkundigen en het is moeilijk A1-verpleegkundigen in dienst te nemen. Zal het koninklijk besluit in het licht van die feitelijke toestand worden gewijzigd ? Zal de bezoldiging van de leidinggevende artsen binnenkort worden geregeld ? Zo ja, hoe ?

De mobiele ziekenhuisteams moeten worden aangemoedigd. Vanuit budgettair standpunt is het echter wellicht onmogelijk zulke teams voor alle ziekenhuizen te financieren. Wij stellen dan ook voor om per gebied van 300 000 inwoners één ziekenhuis uit te kiezen om daarin zo een team op te richten. Men zal het filosofische en taalevenwicht moeten respecteren en aan de bestaande teams voorrang moeten geven. Wat zijn de voornemens van de minister in dit verband ?

Mevrouw De Galan, minister van sociale zaken (in het Frans). - Aangezien ik alleen vragen van de heer Vandenberghe gekregen had, kan ik niet precies antwoorden op de vragen van mevrouw Willame die een gedetailleerd technisch antwoord vergen.

De eerste grote stap inzake palliatieve verzorging werd binnen de interministeriële conferentie onderhandeld met de gemeenschappen en de gewesten. Ik wijs erop dat de bevoegde Vlaamse minister op dat gebied al een aanvullend besluit heeft genomen.

Voor deze delicate aangelegenheden genieten de deelstaten enige autonomie. Voor het Waals Gewest zullen ook aanvullende maatregelen worden genomen.

Wat de andere vragen betreft, kan ik u zeggen dat financiële steun in het vooruitzicht is gesteld om de palliatieve verzorging binnen de ziekenhuizen aan te moedigen. Het gaat om een forfaitair bedrag, vastgesteld op basis van het aantal ziekenhuisbedden. Men heeft eerst de palliatieve verzorging in de ziekenhuizen gefinancierd, want die wordt daar minder verstrekt dan in de rusthuizen.

Wat de bevordering van de palliatieve thuisverzorging betreft, verwijs ik naar het antwoord dat ik aan de heer Vandenberghe zal geven.

De kwalificatie van het verplegend personeel moet uiteraard ook worden herzien.



(Verder in het Nederlands.)

Geruime tijd terug werd een koninklijk besluit gepubliceerd tot erkenning van samenwerkingsplatforms inzake palliatieve zorg. Per zone van 300 000 inwoners wordt elk platform gefinancierd voor 1,2 miljoen per jaar ten laste van de begroting sociale voorzorg. Deze platforms moeten alle acties inzake palliatieve zorg coördineren, de patiënt en zijn omgeving de nodige logistieke steun bieden, de zorgverstrekkers uit de eerste lijn betrekken bij de zorg voor terminale patiënten, vrijwilligers vormen en zorgen voor voldoende informatie. Daarvoor beschikt elk platform, naast het personeelslid door het departement gefinancierd, over een multidisciplinair team van twee verpleegkundigen, vier uren huisarts en een halftijdse administratieve kracht.

In toepassing van de recente programmawet kan het RIZIV conventies afsluiten met die multidisciplinaire teams. Daarvoor heeft het RIZIV 120 miljoen ingetrokken. Een koninklijk besluit moet de criteria bepalen waaraan elke conventie moet voldoen. Een ontwerp daarvoor zal eerlang worden voorgelegd aan het advies van het verzekeringscomité van het RIZIV. De criteria betreffen het minimum aantal patiënten, de registratie van activiteiten, rapportering enz. Het RIZIV betaalt alleen de zorg aan de patiënten terug. De palliatieve zorg van de multidisciplinaire equipes kunnen geen aanleiding geven tot remgelden bij de patiënt.

Die equipes kunnen zich evenmin in de plaats stellen van de zorgverstrekkers uit de eerste lijn. Zij hebben een belangrijke rol ten aanzien van die zorgverstrekkers, namelijk hen betrekken in de zorg voor de terminale patiënt. In de werkgroep palliatieve zorg zien de vertegenwoordigers van de artsen het echter anders. Zij willen dat de multidisciplinaire teams alleen op vraag van de huisarts contact mogen nemen met de terminale patiënten. Het is dus zeer de vraag of de artsenvertegenwoordigers de RIZIV-conventies zullen goedkeuren.

De recente programmawet bepaalt eveneens de mogelijkheid voor de Koning om het persoonlijk aandeel in de kosten door palliatieve patiënten volledig of gedeeltelijk af te schaffen. Daarover bestaat nog geen consensus in de werkgroep palliatieve zorg binnen het college van geneesheren-directeurs van het RIZIV.

Allereerst moet naar een definitie van palliatieve zorg worden gezocht. Bovendien is die werkgroep zeer terughoudend omwille van de budgettaire implicaties. Ik hoop nochtans dat die RIZIV-conventies snel tot stand zullen komen. In afwachting daarvan zal het RIZIV tijdelijk en voorlopig voor de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 1998 een forfait betalen van 2 miljoen voor de mensen die reeds in de equipes werken.



(Verder in het Frans.)

Een forfaitaire financiering van 2 miljoen wordt toegekend aan de teams die in het kader van een samenwerkingsakkoord werken; de niet-multidisciplinaire teams zouden één miljoen ontvangen.



(Verder in het Nederlands.)

Om de grotere kost van de thuiszorg in vergelijking met de kost bij intramurale zorg te verminderen, moeten de barrières die nu op de thuiszorg wegen worden weggewerkt. Dit betekent dat mensen die thuis willen ziek zijn of willen sterven dit moeten kunnen doen aan dezelfde financiële voorwaarden als in het ziekenhuis. Daarom wens ik een project inzake thuishospitalisatie ten experimentele titel te financieren via het RIZIV.



(Verder in het Frans.)

Wij werken met een experimentele regeling en een kwalitatieve evaluatie.

Zuster Léontine heeft mij gezegd dat op dat gebied best geen budget wordt uitgetrokken voor amateurs die zich op dat terrein aandienen en « all-in »-initiatieven voorstellen. De pioniers raden immers aan stapsgewijs vooruit te gaan op dat gebied.

Ik kan u bevestigen dat wij op het gebied van de technieken in verband met het levenseinde op vijf jaar tijd meer vooruitgang hebben geboekt dan tijdens een eeuw curatieve geneeskunde.

Over een maand kan ik u meer informatie geven over de ontwikkeling van dit dossier.

De heer Vandenberghe (CVP). - Ik dank de minister voor haar overzichtelijk antwoord en voor haar voornemen om in afwachting van een koninklijk besluit in een forfaitaire financiering te voorzien. Ik hoop dat er voor de vakantie een wettelijke regeling tot stand komt.

Ik dank de minister ook voor haar wil om de organisaties voor thuiszorg te ondersteunen.

Ik neem nota van de aankondiging om een interministeriële conferentie ter coördinatie te organiseren.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN MEVROUW DARDENNE AAN DE VICE-EERSTE MINISTER EN MINISTER VAN ECONOMIE EN TELECOMMUNICATIE,
over « de aanwezigheid van radioactieve stoffen in rookmelders »

Mevrouw Dardenne (Ecolo) (in het Frans). - Op 3 december 1996 heb ik u, mijnheer de minister, hierover een schriftelijke vraag gesteld. In uw antwoord zei u dat de rookmelders die radioactieve stoffen bevatten, aan de veiligheidsvereisten zijn onderworpen bedoeld in de wet van 9 februari 1994 inzake de veiligheid van de verbruikers. U voegde eraan toe dat u de commissie voor de veiligheid van de verbruikers moest raadplegen alvorens een besluit uit te vaardigen. Heeft de commissie advies uitgebracht ? Kunt u mij de inhoud ervan mededelen ? Zal u derhalve maatregelen nemen in verband met de etikettering om de verbruikers te melden dat die melders voor problemen zorgen als afval ?

Uw antwoord van destijds inzake de te volgen procedure in verband met het beheer van dat soort radioactief afval is slechts theorie. Wat gebeurt er werkelijk op dat vlak ? Kan men over de cijfers beschikken van het NIRAS over het aantal teruggewonnen melders en het aantal aanvragen om niet verpakt afval over te nemen ? Hoeveel ioniserende melders worden elk jaar in België geplaatst ?

In 1996 deelde u mij uw intentie mee aan de commissie voor de veiligheid van de verbuikers te vragen dat zij over de alternatieven een gemotiveerd advies uitbrengt. Hebt u dat gedaan ?

Bent u van plan het op de markt brengen van alternatieve producten te bevorderen die volgens een eindrapport van juni 1997 van de Europese commissie tegenwoordig prestaties leveren die met de ioniserende melders overeenstemmen ?

Wat is het standpunt van de regering over de 15 aanbevelingen inzake de kleine producenten die door de Senaatscommissie voor informatie en onderzoek inzake nucleaire veiligheid werden geformuleerd ?

De heer Di Rupo, vice-eerste minister en minister van economie en telecommunicatie (in het Frans). - Uw vraag betreft de bevoegdheden van verschillende ministeriële departementen, waaronder dat van binnenlandse zaken. Ik raad u dus aan over verschillende punten mijn collega te ondervragen.

Mijn diensten zijn van mening dat de mogelijke problemen die door de ioniserende melders worden veroorzaakt niet kunnen worden geregeld op grond van de wet van 9 februari 1994 inzake de veiligheid van de verbruikers.

Die wet heeft namelijk een suppletief karakter. Men moet er dus het algemeen reglement op nakijken van de bescherming van de bevolking en van de werknemers tegen de gevaren die uit ioniserende stralen voorkomen. De dienst voor de bescherming tegen de ioniserende stralen houdt zich bezig met alle problemen van die aard. Wat de vergunningen betreft, behoren de rookmelders tot de apparaten van klasse IV en hoeven ze dus geen afzonderlijke vergunning. Ondanks mijn wens diende de commissie voor de veiligheid van de verbruikers zich niet over het probleem van de rookmelders met ioniserende stralen uit te spreken.

Ik zal het nu hebben over de reële beheerspraktijk van radioactief afval afkomstig van de verwerking van rookmelders. Van 1991 tot 1997 steeg het aantal rookmelders dat de NIRAS heeft weggehaald van 300 tot bijna 13 000. Het totale aantal rookmelders dat de NIRAS heeft weggenomen, ligt ongetwijfeld veel lager dan het aantal rookmelders dat jaarlijks wordt geïnstalleerd, maar alleen de rookmelders die door hun eigenaars zijn afgeschreven, worden door de NIRAS weggehaald. Die eigenaars moeten bovendien een aanvraag indienen bij de NIRAS.

De vooruitgang die sinds 1991 werd geboekt, beantwoordt ruimschoots aan de aanbevelingen van de Senaatscommissie voor informatie en onderzoek inzake nucleaire veiligheid. In deze aangelegenheid blijven wij vooral streven naar veiligheid. Er zijn belangrijke inspanningen geleverd om de tarieven voor de kleine producenten te verlagen. In een bepaald aantal gevallen konden opslagcentra worden opgericht. Afvalstoffen met de kortste halveringstijd komen nooit tot bij de NIRAS. Voor het andere afval werd een tarifering vastgesteld per categorie. De afval van kleine producenten wordt zodanig verwerkt en verpakt dat een zo groot mogelijk volume ervan als niet radioactief afval kan worden afgevoerd. De tarieven voor de afval van kleine producenten werden geruime tijd niet aangepast. Tot 1995 kon het beperkte tekort ten laste worden genomen door de NIRAS. Voor de periode 1996-2000 zal dat tekort toenemen, maar Electrabel is bereid daarvan 50 miljoen ten laste te nemen.

Bovendien is een langetermijn-fonds opgericht. In de toekomst krijgt het provisies naargelang de afval van de kleine en de grote producenten toekomt.

Door de oprichting van het federaal agentschap voor nucleaire controle is een betere coördinatie mogelijk met de NIRAS waaraan alle exploitatievergunningen moeten worden voorgelegd.

De commissie heeft ten slotte aanbevolen een inventaris op te maken van de in België gevestigde isotopengeneratoren. De NIRAS zal daar binnenkort over beschikken. Hij moet om de vijf jaar worden bijgewerkt.

Mevrouw Dardenne (Ecolo) (in het Frans). - U raakt het essentiële probleem niet aan. Die rookmelders kunnen door particulieren aangekocht worden voor een prikje. Er wordt met geen woord gerept over wat er moeten gebeuren wanneer ze onbruikbaar zijn geworden. Ze zullen op een stortplaats terechtkomen. Ik vraag dus dat een minimale etikettering wordt opgelegd.

Wat de promotie van alternatieve materialen betreft, moet ik vaststellen dat u niet op mijn vraag heeft geantwoord.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN MEVROUW LIZIN AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE,
over « zijn aanwezigheid in Arusha »

Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Kan de minister ons zeggen in welk verband hij aanwezig was op het tribunaal van Arusha ? Werd hij uitgenodigd of is hij er uit eigen beweging heen gegaan ?

U heeft gezegd dat Belgische gevangenissen sommige veroordeelden zouden kunnen opnemen. Heeft u contact gehad met de Tanzaniaanse overheid, in het bijzonder met de voormalige president, die in een steeds slechter daglicht komt te staan wegens zijn houding in Burundi ?

Welke conclusies trekt u uit uw bezoek ?

Volgens sommigen had uw bezoek veeleer tot doel de getuigen te doen zwijgen dan te doen spreken. Wat is uw mening over de verklaringen van generaal Dallaire ? Naar het schijnt zorgt de heer David voor de Belgische aanwezigheid op het tribunaal. Welk mandaat heeft hij van u gekregen ?

De heer Goris (VLD). - Is het proces-Bagosora vandaag begonnen ? Zal de minister het verloop ervan op de voet volgen ? Wordt van de Belgische regering méér verwacht dan een loutere aanwezigheid op het proces ? Is ons gevraagd om het Arusha-tribunaal en het gerechtelijk apparaat in Rwanda met mensen en middelen te ondersteunen ?

De heer De Clerck, minister van justitie (in het Frans). - Ik heb het internationaal tribunaal van Arusha bezocht. In uitnodiging van de voorzitter ervan. Onze diplomatieke vertegenwoordiging in Tanzania werd bij de voorbereiding van dit bezoek betrokken.

Volgens het statuut van dit tribunaal kan de uitvoering van de gevangenisstraffen plaatsvinden in Rwanda of in een andere Staat die door het tribunaal wordt aangewezen onder de landen die bereid zijn veroordeelden op te nemen.

Ik heb reeds in 1996 verklaard dat België bereid was veroordeelden op te nemen die de Belgische nationaliteit hebben of waarvan de zaak aan de Belgische rechtbanken ten voordele van het tribunaal van Arusha was onttrokken.

Ik heb geen contact gehad met de Tanziaanse overheid. Ik wijs erop dat de gevangenen door het tribunaal zelf en niet door de Tanzaniaanse Staat in hechtenis worden gehouden. Wat betreft de conclusies die ik uit mijn bezoek trek, verwijs ik naar het antwoord dat ik in de Kamer op 2 maart jl. aan de heer Van Belle heb gegeven. Bovendien denk ik niet dat ik met mijn bezoek ook maar iemand tot zwijgen heb aangezet. Dat ik het tribunaal heb bezocht toen generaal Dallaire daar aanwezig was, is puur toeval.



(Verder in het Nederlands.)

Ik heb vernomen dat procureur Arbour voorstelt om de processen te groeperen, b.v. de kolonels of RTLM, in plaats van elke persoon afzonderlijk te veroordelen. Dit zou de procesgang versnellen. Gisteren nog werd me bevestigd dat het proces-Bagosora vandaag zou beginnen.

In naam van de Belgische regering zal professor David morgen het verzoek tot amicus curiae toelichten. In samenwerking met mijn departement heeft hij een nota uitgewerkt over de juridische aspecten met betrekking tot de bevoegdheden. Daar er geen burgerlijke partijstelling is, kan de Belgische aanwezigheid worden beschouwd als een soort vertegenwoordiging van de slachtoffers. Bovendien zal professor David het opsporingswerk dat reeds in België werd verricht, nader toelichten.

De behandeling van het dossier van Radio Mille Collines zou in april beginnen.

In het proces-Bogosora zal uiteraard ook de moord op de tien para's aan bod komen. Ik zal de families op de hoogte blijven houden.

Het tribunaal vraagt ons extra juristen en hulp voor slachtofferprogramma's. Ik verwacht bijkomende informatie over deze vraag.

Mevrouw Lizin (PS) (in het Frans). - Het gebeurt niet vaak dat wij op onze vragen een echt antwoord krijgen. Toch was dit nu het geval.

Aangezien de Rwandezen zich zorgen maken, is het misschien raadzaam contact op te nemen met uw Rwandese ambtsgenot opdat de informatie correct kan doorstromen. Hij moet weten dat wij niet in de dossiers tussenbeide willen komen maar alleen dat onze belangen vertegenwoordigd worden.

De heer De Clerck, minister van justitie (in het Frans). - Ik heb de situatie uitgelegd aan de Rwandese procureur-generaal toen hij op bezoek was. Ik hoop dat hij dat in zijn verslag zal vermelden. Ik heb hem ook de scheiding der machten in België uitgelegd. Zoals u heeft voorgesteld zal ik evenwel ook met mijn ambtgenoot contact opnemen.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER ERDMAN AAN DE MINISTER VAN JUSTITIE,
over « het ontwerp Franchimont : inzagerecht uitgehold »

De heer Erdman (SP). - Op 26 maart 1991 diende ik een wetsvoorstel in tot invoeging van een artikel 61bis van het wetboek van strafvordering, onder meer om verdachte en burgerlijke partij toe te laten inzage te krijgen in het strafdossier.

De commissie-Franchimont heeft in 1994 het recht op inzage in haar voorstellen ingelast en steunde zich daarvoor op mijn wetsvoorstel. Onder druk van de gerechtelijke wereld heeft de commissie-Franchimont het inzagerecht ernstig beperkt.

Na de dramatische feiten van augustus 1996 heeft de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux-Nihoul duidelijk gesteld dat de toegang tot het dossier als een recht moet worden erkend. In haar verslag werd uitdrukkelijk verwezen naar het ontwerp Franchimont.

De Senaat heeft op 2 december 1996 mijn oorspronkelijk voorstel goedgekeurd en daardoor het inzagerecht geconcretiseerd. Het ontwerp werd overgezonden naar de Kamer waar het werd geblokkeerd omdat de regering argumenteerde dat het inzagerecht was opgenomen in het ontwerp-Franchimont. Verder vond de regering ook het begrip « inverdenkinggestelde » eerst vanuit het ontwerp-Franchimont moest worden gedefinieerd.

In het door de regering bij de Kamer ingediende ontwerp-Franchimont werd het inzagerecht beperkt. De Kamer keurde het ontwerp goed.

Na evocatie heeft de Senaatscommissie voor justitie het inzagerecht besproken. Collega Vandenberghe stelde dat het desbetreffende artikel samen met andere als volledig bicameraal moest worden beschouwd en hij diende daartoe een amendement in. In de overlegcommissie werd uiteindelijk een akkoord bereikt om niet aan te dringen op het bicameraal karakter, en einde de behandeling van het ontwerp niet te vertragen. Ook wilde de Kamer het ontwerp als een geheel behandelen.

De Senaat kwam uiteindelijk tot een vergelijk en voerde een tekstwijziging door. De Senaat voerde ook uitvoerige discussies over de draagwijdte van de strafbepaling en formuleerde ernstig voorbehoud. Het is enkel omdat de minister van justitie zich uitdrukkelijk verbond om de interpretatie van onder meer senator Lallemand en mezelf te vertalen in de onderrichtingen aan de onderzoeksrechters en procureurs-generaal, dat er geen amendementen werden ingediend.

Bij de bespreking in de Kamer werden vier amendementen die gekwalificeerd werden als tegen-amendementen aangenomen. Amendement 228 op artikel 12 had betrekking op het verplichte onderhoor. Amendement 229 beoogde de verjaring opnieuw te schorsen in geval een procedure wegens nietigheid werd opgeworpen, dit ondanks de technische bezwaren van de minister.



Amendement 206 van de heren Bourgeois, Verwilghen en Willems ontzegde de verenigingen die zich inzetten voor de verdediging van de rechten van de slachtoffers, het recht om in rechte op te treden. Door amendement 229 ten slotte werd het vergelijk dat in de Senaat was bereikt behouden, maar werden terzelfdertijd de strikte beperkingen van de oorspronkelijke tekst opnieuw ingevoerd.

De constructie die nu voorligt, brengt dus mee dat het inzagerecht beperkt wordt tot het deel betreffende de feiten die tot inverdenkingstelling of burgerlijke partijstelling hebben geleid.

De onderzoeksrechter kan inzage verbieden als de noodwendigheden van het onderzoek dit vereisen of als inzage een gevaar zou opleveren voor personen of hun privé leven. Verder kan de onderzoeksrechter ook inzage weigeren als de burgerlijke partijstelling niet ontvankelijk lijkt of geen rechtmatige beweegredenen tot het raadplegen van het dossier doet blijken. Het gebrek aan criteria of juridische omschrijving van deze onontvankelijkheid leidt tot een totale rechtsonzekerheid. Vervolgens wordt ook een tijdschema uitgewerkt. De verkregen inlichtingen mogen alleen worden gebruikt in het belang van de verdediging en misbruik van deze inlichtingen wordt strafbaar gesteld.

Het inzagerecht wordt dus werkelijk uitgehold. De argumentatie dat men ertoe geneigd zal zijn om zoveel mogelijk inzagerecht toe te kennen, is geenszins afdoend.

Is de minister overtuigd dat door het amendement 229 wel degelijk een tegenamendement werd ingediend in de zin van artikel 78 laatste lid van de Grondwet ? Ik heb het gevoel dat men bij cumulatie van de voorwaarden in § 1 en § 3 van artikel 61ter van het Wetboek van strafvordering, het amendement 229 niet als een tegenamendement kan beschouwen.

Meent de minister dat de geamendeerde tekst beantwoordt aan de beloften om een inzagerecht aan slachtoffers-burgerlijke partijen te waarborgen ? Er is steeds de nadruk gelegd op de verruiming van de rechten, en het inzagerecht van de slachtoffers. Houdt de minister voor dat hiermee geantwoord wordt op de rechtmatige verzuchtingen van diegenen die veel te lang uit het strafproces werden uitgesloten ? Meent de minister dat dit wettelijk antwoord voldoende is of nog meer onvrede zal teweegbrengen ?

De heer Goris (VLD). - Vooreerst begrijp ik de tussenkomst over het amendement-tegenamendement van de heer Erdman niet goed. De minister kan hier enkel zijn advies geven. De beide Kamers beslissen op dit punt autonoom.

Wat de grond van de zaak betreft steun ik de tussenkomst van de heer Erdman. De publieke opinie is voorstander van het uitbreiden van een inzagerecht. Terecht heeft de Senaat het wetsontwerp terzake uitgebreid. Ik betreur dat de Kamer de tekst op dit punt heeft teruggeschroefd. Dit gebeurde op verzoek van SP, PS en enkele CVP'ers. De minister verdedigde het standpunt van de Senaat. Waarom heeft de heer Erdman nu geen wetsvoorstel ingediend om het inzagerecht opnieuw uit te breiden en doet hij geen moeite om de Kamer van zijn standpunt te overtuigen ? Ik meen dat ook de wetgeving op de telefoontap op parallele wijze dringend moet worden aangepast. Ik meen dus dat een wetsvoorstel of een motie om het inzagerecht uit te breiden noodzakelijk is.

De heer De Clerck, minister van justitie. - De inzet van de heer Erdman inzake dit onderwerp staat buiten kijf. Het debat gaat echter verder, zelfs nu ik vandaag het wetsontwerp voor publicatie heb ondertekend. Men kan deze zaak altijd heropenen, hoewel dit misschien nu wat voorbarig is. De vraag van de heer Erdman betreft niet enkel de inhoud maar ook de procedure en de grondwettelijkheidsvraag. Wat dit laatste betreft kan ik dat als uitvoerende macht slechts vaststellen.

De heer Erdman stelde terecht dat er in de Kamer vier amendementen werden goedgekeurd. Ik heb er de teksten van de Senaat verdedigd.

Het amendement betreffende de eerste paragraaf van artikel 61ter, voorgesteld tijdens de besprekingen van de Senaat en waarbij het verzoek tot inzage vanwege de niet-aangehouden inverdenkinggestelde en de burgerlijke partij wordt beperkt, werd door de Kamer aangenomen. Het amendement 229, aangenomen door de Kamer, voorziet in de herinvoeging van de door de Senaat geschrapte paragraaf 3 van artikel 61ter waarbij de onderzoeksrechter om bepaalde redenen de inzage van het dossier kan verbieden. Uit de samenlezing van artikel 78, laatste lid van de Grondwet en artikel 69, 1bis, van het reglement van de Kamer en uit de analyse van de wijze waarop de uiteindelijke versie van artikel 61ter is tot stand gekomen, moet blijken dat het wel degelijk een tegenamendement betreft. De Kamer deelt over de eerste paragraaf de zienswijze van de Senaat zodat de Kamer, door het aannemen van dit door de Senaat aangenomen amendement, definitief heeft beslist.

Wat de derde paragraaf betreft, strekte het door de Kamer aangenomen amendement er alleen toe het door de Senaat met toepassing van artikel 78, derde lid, van de Grondwet, aangenomen amendement, met name de schrapping van deze paragraaf, ongedaan te maken en aldus de door de Kamer aangenomen tekst te herstellen. Conform artikel 69, 1bis, van het reglement van de Kamer werd dit amendement door de auteurs dan ook terecht gekwalificeerd als « tegenamendement ».

Er is bijgevolg geen aanleiding voor de toepassing van artikel 79 van de Grondwet. Het betreft immers geen nieuw amendement. Ik meen dat het principe van de mogelijkheid tot inzage inderdaad gewaarborgd blijft en dat de beperkingen van paragraaf 1 en paragraaf 3 geenszins dit principe uithollen.

De beperkingen van paragraaf 3 dienen juist om het principe van het recht tot inzage te verzoenen met de al even fundamentele vereisten van de efficiëntie van het gerechtelijk onderzoek, van de bescherming van de fysische integriteit van personen en van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Zoals ik tijdens de besprekingen reeds verklaarde kan het niet de bedoeling van deze nieuwe bepaling zijn om die fundamentele belangen in het gedrang te brengen.

Het probleem van het onderzoek naar de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling kan niet los worden gezien van de tekst van § 1 zoals die door de Senaat werd aangepast : Wanneer enerzijds het verzoek tot inzage behalve aan de inverdenkinggestelde alleen wordt toegekend aan de burgerlijke partij, en wanneer anderzijds het verzoek tot inzage vanwege de burgerlijke partij beperkt blijft tot het deel van het dossier betreffende de feiten die tot de burgerlijke partijstelling hebben geleid, dan volgt daar logischerwijs uit dat eerst een appreciatie moet gebeuren omtrent de ontvankelijkheid van de burgerlijke partijstelling. De appreciatie van de rechtmatige beweegredenen waarvan de burgerlijke partij moet doen blijken hangt tenslotte samen met de noodzaak om oneigenlijk gebruik of misbruik van het recht tot inzage uit te sluiten.

De beperkingen voorzien in § 3 leggen een bijkomende nadruk op de grote verantwoordelijkheid van de onderzoeksrechter, die garant moet staan voor een doelmatig verloop van het gerechterlijk onderzoek. Deze bepalingen kaderen volledig binnen de basisfilosofie die ten grondslag lag van dit wetgevend initiatief. Deze appreciatiemogelijkheid is evenwel noch onbegrensd, noch absoluut aangezien de beperkingen van § 3 limitatief worden opgesomd.

Ten slotte kan ook zuiver rechtsvergelijkend worden verwezen naar het Nederlandse wetboek van strafvordering dat een gelijkaardig principe van recht tot inzage bevat.

Over het inzagerecht werd lang gedebatteerd. Het debat is wellicht niet ten einde.

Ongeacht de tekst van het wetsontwerp zal de mentaliteit van de onderzoeksrechter bepalend zijn. Als de onderzoeksrechter de goede trouw erkent, zal hij inzage geven. Er bestaan echter gevallen van kwade trouw en daarom moet de appreciatiemogelijkheid van de onderzoeksrechter bestaan.

Het gezond verstand moet zegevieren. Wij moeten kijken hoe de zaak in de praktijk evolueert.

De heer Erdman (SP). - Ik ben het eens met de opmerking van senator Goris waarbij hij zegt dat de uitvoerende macht een wetsontwerp nog slechts kan ondertekenen eens de kamer de beslissing heeft genomen.

Ik waarschuw ervoor dat het een wet van strafvordering betreft. Wij zullen worden geconfronteerd met zogenaamde handige advocaten die een hiaat in de wet zullen opwerpen.

Door het inzagerecht te beperkten tot een gedeelte van het dossier en daarbinnen een bijkomende selectie toe te laten, creëert men een nieuwe situatie die nog veel inkt zal doen vloeien.

De minister heeft erop gewezen dat de Kamer opnieuw een amendement heeft willen invoeren. Ik respecteer dit. In de Senaat werd een tekst uitgewerkt die een evenwicht en een compromis vormde.

De Kamer heeft de tekst van de Senaat geïnterpreteerd alsof de onderzoeksrechter voor de keuze stond tot het geven van inzage in het gehele dossier ofwel geen inzage. Dat is een verkeerde interpretatie.

De argumentatie van de minister heeft mij niet overtuigd. Er blijft niets over van het inzagerecht. De onderzoeksrechter beslist nagenoeg soeverein.

Ik begrijp de draagwijdte niet van de bevoegdheid die aan de onderzoeksrechter wordt gegeven waarbij hij de ernst van de burgerlijke partij beoordeelt, zonder dat vooraf over de ontvankelijkheid van de burgerlijke partij wordt geoordeeld. Wat zal er gebeuren indien de ontvankelijkheid van de burgerlijke partij achteraf wordt erkend ?

De optie die oorspronkelijk naar voor werd gebracht is de bescherming van het slachtoffer dus van de burgerlijke partij.

De zaak van onderzoeksrechter Vandermeersch heeft aangetoond dat er geen nood is aan de beperking van het inzagerecht.

In het ontwerp zoals goedgekeurd door de Senaat bestond er een selectie binnen de stukken die ter inzage worden verleend. Nu wordt een bijkomende selectie ingevoerd, met name de evaluatie van de partijen. De tekst die aanvankelijk in de Senaat was gestemd was veel breder en evenwichtiger. Mijn vraag komt inderdaad vroeg. Het is echter belangrijk tijdig een wederwoord te geven aan de onderzoeksrechters.

Ik sluit niet uit dat ik een nieuwe tekst zal indienen. In de huidige tekst wordt de strafbepaling behouden terwijl het inzagerecht wordt beperkt. Daarmee is het evenwicht verbroken.

Ik heb de versie van de Senaat inclusief het amendement in de Kamer verdedigd. Het is evident dat de onderzoeksrechters een sleutelrol zullen spelen bij de toepassing van de teksten. Toch mogen we niet vergeten dat de kamer van inbeschuldigingstelling zal zorgen voor het toezicht.

Het inzagerecht van de burgerlijke partij is een uitzondering op de regel van het geheim van het onderzoek. Ik heb meer de klemtoon willen leggen op het voorkomen van misbruiken. De vraag tot inzage moet kunnen worden geweigerd om te voorkomen dat sommigen zich enkel maar burgerlijke partij zouden stellen om over vertrouwelijke informatie te kunnen beschikken.

Er is geen gevaar voor uitholling van het inzagerecht, ik ben ervan overtuigd dat de onderzoeksrechters hun werk naar behoren zullen vervullen.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER GORIS AAN DE MINISTER VAN BUITENLANDSE ZAKEN EN AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING,
over « de deelname van de luchtmacht aan de hulpverlening in Angola »

De heer Goris (VLD). - Op 13 februari besliste de Ministerraad in te gaan op het verzoek van het humanitair bureau van de Europese Unie om onze luchtmacht te laten deelnemen aan de hulpverlening aan Angola. Hoeveel militairen en burgers zullen hieraan deelnemen ? Wat moeten ze doen en over welk materiaal zullen ze beschikken ? Welke andere landen nemen eveneens deel en onder welke voorwaarden ? Welk budget zal worden aangesproken en hoelang zal de operatie duren ? Werd een grondige studie gemaakt over de situatie en waarom werd het parlement niet ingelicht ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - De ECHO wenst de transportmiddelen van onze luchtmacht te gebruiken voor zwaarder transport ten voordele van humanitaire operaties tussen Europa en Angola, in Angola zelf of vanuit Namibië of Zambia naar Angola.

In het verleden werden gelijkaardige opdrachten in Zuid-Sudan en Somalië uitgevoerd. België is het enige land dat tot dusver werd aangezocht. Vanuit Europa zal een C130H of uitzonderlijk een A310 worden gebruikt, en in het binnenland van Angola een C130H. Een ploeg bestaat uit negen militairen of eventueel uit dertien bij droppings op lage hoogte. De operaties worden uitgevoerd tegen terugbetaling van de kosten gedurende één jaar. Dit komt erop neer dat er acht zendingen van zestien dagen zullen worden gevraagd. De ADIV heeft de veiligheidsituatie bestudeerd. De generale staf en de ADIV zullen de operaties volgen. De opdracht is nog niet begonnen. De beslissing over de deelname is een van de prerogatieven van de Ministerraad. Het Parlement kan zijn normale controletaal uitoefenen.

De krachtlijnen zijn een onderdeel van de beleidsnota van de eerste minister van 28 januari.

De heer Goris (VLD). - Werd er een COps voorzien ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - Bij dergelijke beperkte operatie is er geen COps.

- Het incident is gesloten.





VRAAG OM UITLEG VAN DE HEER GORIS AAN DE MINISTER VAN LANDSVERDEDIGING,
over « het probleem van de selectie en aanwerving van nieuwe manschappen »

De heer Goris (VLD). - Bij de selectie- en kwalificatieproeven voor de 900 nieuwe kandidaatvrijwilligers van het leger zal tweederde worden voorbehouden voor Nederlandstaligen. In Vlaanderen vindt men immers nauwelijk jonge kandidaten. Voor veel jongeren uit West- of Oost-Vlaanderen zijn de opleidingscentra van Leopoldsburg en Spich te ver. De krijgsmacht oogt aantrekkelijker voor jonge Franstaligen en Vlaanderen heeft minder affiniteit met het leger dan Wallonië. Slechts 34 % van de kandidaten blijven over van de selectietest, en tijdens de wachttijd vinden veel meer Vlamingen ander werk.

Intussen worden Franstaligen op « Vlaamse » plaatsen gedropt. Op termijn is dat echter geen oplossing. Hoe zal de minister het recruteren van Vlamingen activeren ? Welk budget heeft hij hiervoor vrijgemaakt ? Zou het niet beter zijn het aantal open plaatsen bij de selectie te verhogen met ongeveer 30 % opdat er voldoende kandidaten zouden overblijven ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - Er moeten toch enkele nuanceringen worden aangebracht. Tot nog toe werden alle opengestelde plaatsen voor Nederlandstaligen ingevuld. Het aantal plaatsen dat voor de Nederlandstalige vrijwilligers wordt opengesteld bedraagt 64 %. Ik kan dit cijfer niet verhogen zonder de operationaliteit van de Franstalige eenheden in het gedrang te brengen. Bovendien mag ik de globale getalsterkte niet overschrijden.

Ik kan niet ontkennen dat er meer Franstalige dan Nederlandstalige kandidaten zijn. Het argument van de streekgebondenheid wil ik relativeren. Als de kandidaat-militair zich door de afstand laat afschrikken, dan heeft hij volgens mij niet de correcte ingesteldheid om in een soepel inzetbaar leger te dienen. Bovendien dreigt men door steeds te herhalen dat er goede redenen zijn om het kleine aantal kandidaten te verklaren, potentiële kandidaten in de negatieve zin te beïnvloeden.

Als zou blijken dat de Nederlandstalige plaatsen niet bezet worden, zullen we dit trachten bij te sturen door een gerichte publiciteitscampagne. Welke budgettaire middelen daarvoor zullen worden aangewend, zal afhangen van de omvang van het probleem.

Het aantal militairen in dienst is beperkt. Ik mag niet aan overbooking doen. Bij aanwervingen moet altijd rekening worden gehouden met de verliezen van het jaar voordien. De mislukkingen in de opleiding worden dus snel gecompenseerd.

De heer Goris (VLD). - De minister antwoordde niet op mijn vraag over de verhoging van het contingent. De contingentering slaat op het aantal militairen dat definitief kan worden gerecruteerd. Bij de paracommando's is één kwart tot één derde van de plaatsen niet bezet. De eenheden zijn niet onmiddellijk inzetbaar bij gebrek aan manschappen. Dit komt omdat er zoveel jonge kandidaten afvallen. Van de 100 kandidaten die een opleiding beginnen komen er maar 25 bij de paracommando's terecht. Zou het niet beter zijn 300 jongeren met een opleiding te laten starten om er dan uiteindelijk 100 te recruteren ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - De wet op het contingent heeft daar niets mee te maken. Het gaat om een budgettaire beperking.

De heer Goris (VLD). - Als het budget toelaat 1 000 jongeren te recruteren voor de landmacht, worden er maar 500 daadwerkelijk ingeschakeld. Waarom mogen niet meer mensen aan een opleiding beginnen ?

De heer Poncelet, minister van landsverdediging. - Omwille van de budgettaire beperkingen is het moeilijk om de aantallen in de loop van het jaar aan te passen.

- Het incident is gesloten.





INOVERWEGINGNEMING ##/##

In overweging te nemen voorstellen


Wetsvoorstellen :

Artikel 77 :

- Wetsvoorstel tot oprichting van een Hoge Raad voor gezondheidsethiek en deontologie, van mevrouw Merchiers cs. (Gedr. St. 1-893/1).

Artikel 81 :

- Wetsvoorstel tot aanvulling van artikel 317 van de nieuwe gemeentewet, van mevrouw Lizin (Gedr. St. 1-857/1);

- Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 52bis van het koninklijk besluit nr. 72 van 10 november 1967 betreffende het rust- en overlevingspensioen der zelfstandigen, van de heer Charlier en mevrouw Nelis-Van Liedekerke (Gedr. St. 1-891).

- De voorstellen worden in overweging genomen.





INDIENING VAN EEN WETSONTWERP



De Voorzitter. - De regering heeft volgend wetsontwerp ingediend :

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag van Amsterdam houdende wijziging van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de Verdragen tot oprichting van de Europese Gemeenschappen en sommige bijbehorende Akten, met de Bijlage, met verscheidene Protocollen en met de Slotakte, gedaan te Amsterdam op 2 oktober 1997 (Gedr. St. 1-903/1).





INDIENING VAN VOORSTELLEN



De Voorzitter. - De volgende voorstellen werden ingediend :

A. Wetsvoorstellen :

Artikel 81 :

- Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 15 van de wet van 4 januari 1975 houdende het tuchtreglement van de krijgsmacht en van artikel 71 van de nieuwe gemeentewet, van de heer Stephan Goris (Gedr. St. 1-905/1).

- Wetsvoorstel tot wijziging van de nieuwe gemeentewet, de gemeentekieswet, de wet van 19 oktober 1921 tot regeling van de provincieraadsverkiezingen, de wet van 11 april 1994 tot organisatie van de geautomatiseerde stemming en de wet van 7 juli 1994 betreffende de beperking en de controle van de verkiezingsuitgaven voor provincieraden en de gemeenteraden en voor de rechtstreekse verkiezing van de raden voor maatschappelijk welzijn, strekkende tot de oprichting van districten en de organisatie van de rechtstreekse verkiezing van hun raden, van de heer Ludwig Caluwé (Gedr. St. 1-907/1).

- Wetsvoorstel houdende bepalingen inzake gemeentelijke belastingen, van de heer Ludwig Caluwé (Gedr. St. 1-908/1).

B. Voorstel van bijzondere wet :

Artikel 77 :

Voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, van de heer Ludwig Caluwé (Gedr. St. 1-906/1).

C. Voorstel van resolutie :

Voorstel van resolutie betreffende de benoeming van generaal Augusto Finochet tot senator voor het leven, van de heer Alain Destexhe (Gedr. St. 1-904/1).

D. Voorstel tot herziening van de Grondwet :

Herziening van artikel 8 van de Grondwet, van de heer Jan Loones cs. (Gedr. St. 1-902/1).





VRAGEN OM UITLEG



De Voorzitter. - Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen :

van de heer Bert Anciaux aan de vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken, over « het uitblijven van een politioneel beleid betreffende misdrijven tegen de volksgezondheid en het uitblijven van tuchtsancties tegen burgemeesters die schendingen van normen gedogen » (nr. 1-473);

van de heer Bert Anciaux aan de minister van wetenschapsbeleid, over « het gebrek aan degelijke wetenschappelijk onderzoek naar de schadelijke gevolgen van dioxine-uitstoot en andere ernstige verontreinigingen veroorzaakt door de verbranding van huis- en ander afval op de gezondheid van de bevolking » (nr. 1-474);

van de heer Bert Anciaux aan de minister van volksgezondheid en pensioenen, over « de schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid van dioxine-uitstoot en andere ernstige verontreinigingen veroorzaakt door de verbranding van huis- en ander afval » (nr. 1-475);

van de heer Bert Anciaux aan de minister van justitie, over « het uitblijven van enig justitieel beleid tegen het op een georganiseerde wijze vergiftigen van de bevolking door afvalverbrandingsinstallaties » (nr. 1-476);

van de heer Bert Anciaux aan de staatssecretaris voor veiligheid en staatssecretaris voor maatschappelijke integratie en leefmilieu, over « het gebrek aan een degelijk beleid naar het voorkomen van dioxine-uitstoot en andere ernstige verontreinigingen veroorzaakt door de verbranding van huis- en ander afval » (nr. 1-477);

van Mevrouw Erika Thijs aan de minister van buitenlandse zaken, over « het transferverdrag met Marokko » (nr. 1-478);

van de heer Jacques Devolder aan de minister van tewerkstelling en arbeid en aan de minister van sociale zaken, over « de sociale identiteitskaart » (nr. 1-479);

van Mevrouw Anne-Marie Lizin aan de vice-eerste minister en minister van binnenlandse zaken, over « de bestrijding van het terrorisme in Europa en de GIA-netten » (nr. 1-480);

van de heer Ludwig Caluwé aan de vice-eerste minister en minister van Financiën en buitenlandse handel, over « de gemeentelijke belastingen en de burgers van de Europese Unie » (nr. 1-481).

Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.





ARBITRAGEHOF



De Voorzitter. - Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis gegeven van :

de beroepen tot vernietiging van artikel 1, § 1, van de wet van 10 april 1990 op de bewakingsondernemingen, de beveiligingsondernemingen en de interne bewakingsdiensten, zoals gewijzigd bij artikel 2, 1°, van de wet van 18 juli 1997, ingesteld door de CV Security Mediation Company en door de CVBA Security Guardian's Institute (rolnummers 1167 en 1299, samengevoegde zaken).

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, heeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat eveneens kennis gegeven van :

de prejudiciële vraag betreffende artikel 126, tweede lid, van het Wetboek der successierechten, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brussel (rolnummer 1264);

de prejudiciële vraag betreffende artikel 208 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen (rolnummer 1265);

de prejudiciële vraag betreffende artikel 419, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Brugge (rolnummer 1294).





EUROPEES PARLEMENT



De Voorzitter. - Bij brief van 5 maart 1998 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden :

een resolutie over de eerbiediging van de rechten van de mens in de Europese Unie (1996);

een resolutie over het gebruik van de middelen van de structuurfondsen;

een resolutie over het milieubeleid en de klimaatsverandering na de top van Kyoto;

een resolutie over de 54e zitting van de VN-Commissie voor de rechten van de mens;

een resolutie over de uitwerking van een grondwet in Albanië en de resultaten van het bezoek van de gezamenlijke delegatie van de Parlementaire Vergadering van de Organisatie voor Veiligheid en samenwerking in Europa, de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa en het Europees Parlement;

een resolutie over de aanbeveling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Monetair Instituut en het Economisch en Sociaal Comité getiteld : « Het verstreken van het vertrouwen van de cliënt in electronische betaalinstrumenten in de interne markt »;

een resolutie over het verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement over de resultaten van de tweede fase van SLIM en over de follow-up van de tenuitvoerlegging van de aanbevelingen uit de eerste fase,

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 16 tot en met 20 februari 1998.

- De vergadering wordt om 19.25 uur gesloten.

- Donderdag, 19 maart 1998, om 10 en 15 uur, openbare vergadering.





BERICHTEN OVER VERHINDERING



De heren Mahoux, D'Hooghe en Bock, met opdracht in het buitenland.





Het Beknopt Verslag geeft een samenvatting van de debatten

Het volledig verslag verschijnt in de Parlementaire Handelingen