4-63

4-63

Belgische Senaat

4-63

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 12 FEBRUARI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (Stuk 4-1096) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 8bis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, om de wachttijd voor de vaststelling van een handicap in te korten (Stuk 4-1152) (artikel 81, derde lid, en artikel 79, eerste lid, van de Grondwet)

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het instellen van een preventief consult in het kader van het Nationaal Kankerplan» (nr. 4-711)

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de psychiatrische medische urgentieteams» (nr. 4-712)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «nosocomiale infecties» (nr. 4-713)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het in stand houden van een wachtdienst van huisartsen in sommige landelijke gebieden» (nr. 4-714)

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het gebruik van de geldmiddelen van Beliris» (nr. 4-717)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het uitblijven van een koninklijk besluit over de ziekteverzekering voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen» (nr. 4-719)

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de internationale rekrutering van ziekenhuispersoneel» (nr. 4-723)

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de sluiting van verschillende postkantoren» (nr. 4-721)

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de wijzigingen in de dienstregeling van de NMBS op lijn 162 tijdens de spitsuren sinds 1 februari 2009» (nr. 4-716)

Vraag om uitleg van de heer Richard Fournaux aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de treinverbinding Dinant-Namen-Brussel» (nr. 4-724)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de minister van Justitie over «de toepassing van de wetten tot bescherming van de maatschappij» (nr. 4-710)

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de behandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers op de luchthaven» (nr. 4-683)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de afwezigheid van een ambtenaar-geneesheer op de Dienst Vreemdelingenzaken» (nr. 4-720)

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hervorming van het centraal wapenregister» (nr. 4-709)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Armand De Decker

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE)

De voorzitter. - Bij de Senaat is een voorstel ingediend tot wijziging van de samenstelling van de delegatie in de Parlementaire Assemblee van de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE).

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vóór het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister over «de werkzaamheden van de werkgroep belast met de problematiek van de splitsing van het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde» (nr. 4-633)

De voorzitter. - De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Het regeerakkoord bepaalt dat binnen het overlegcomité een werkgroep zal worden opgericht om een oplossing te zoeken voor de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Het regeerakkoord zegt ook dat oplossingen maar mogelijk zijn na de verkiezingen van de regionale parlementen en het Europees Parlement. Eergisteren is de werkgroep blijkbaar voor het eerst samengekomen.

Volgens de persberichten had die eerste vergadering echter weinig of niets om het lijf. Twee van de acht leden waren afwezig en er was ook geen voorzitterschap. Een deelnemer gaf volgens Le Soir volgend commentaar: `Ieder zei wat hem op de tong lag. We hebben elkaar vooral bestookt met slogans.'

Zoals te verwachten was, is de werkgroep dus blijkbaar in essentie bezig met bezigheidstherapie, waarbij het vooral de bedoeling is de kwestie ten minste over de datum van 7 juni te tillen. Een deelnemer liet overigens ook weten dat er geen resultaten moeten worden verwacht vóór de verkiezingen van 7 juni. Dat stond ook met zoveel woorden in het regeerakkoord. Volgens ons is dat een bepaald gevaarlijk spoor, want in de hypothese dat vóór die datum de federale regering zou vallen en er federale verkiezingen moeten worden uitgeschreven, rijst er een ernstig probleem.

In zijn arrest nr. 73/2003 van 26 mei 2003, dat de heer Vandenberghe ongeveer uit het hoofd kent, heeft het Arbitragehof gesteld dat `kan worden aanvaard dat de door de bestreden wet gemaakte indeling in kieskringen behouden blijft gedurende de door artikel 65 van de Grondwet bepaalde termijn van vier jaar, die aanvangt op het in artikel 105 van het Kieswetboek bepaalde ogenblik.' In een advies heeft de Raad van State daarover duidelijk gesteld dat zulks `impliceert dat de huidige regeling na het verstrijken van die termijn niet meer kan behouden blijven'. Bij de federale verkiezingen van 2007 was er nog discussie of de verkiezingen nog eenmaal volgens de oude regeling konden worden gehouden. Er werd toen met data gespeeld, maar vandaag is wel duidelijk dat het niet meer kan. Die discussie moeten we dus niet meer voeren.

Wij vragen ons dus af wat zal gebeuren indien door politieke omstandigheden de kamers ontbonden worden voordat welke oplossing dan ook gevonden is voor het probleem.

Wie leidt de vergaderingen van de werkgroep?

Wat werd er besproken, wat is het resultaat van de eerste vergadering?

Kunnen er volgens de regering wettelijk en grondwettelijk gezien, nog rechtsgeldige verkiezingen plaatsgrijpen in Brussel-Halle-Vilvoorde vóór er een oplossing is gegeven aan de problematiek van de splitsing van de kieskring?

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.

De werkgroep bepaalt zelfstandig zijn manier van werken. Het is correct dat bij de installatie geen voorzitter werd aangewezen, maar de werkgroep is ter zake autonoom. In een werkgroep kan er onder verstandige mensen gewerkt worden met een voorzitter of met verscheidene voorzitters of zonder voorzitter.

De eerste minister is niet formeel in kennis gesteld van wat er op de eerste vergadering is besproken. Als minister van Institutionele Hervormingen kan ik daaraan toevoegen dat we ter beschikking zijn van de werkgroep, mocht dat nodig zijn. Ik ben evenmin in kennis gesteld van wat er op die eerste vergadering is besproken.

Zoals op de installatievergadering is afgesproken verwacht de eerste minister het rapport van de werkgroep vanaf de zomer van 2009, tenzij de werkgroep het zelf relevant zou vinden om hem eerder informatie te verschaffen over zijn werkzaamheden. Ook daarover beslist de werkgroep autonoom.

Het arrest van het Arbitragehof van 26 mei 2003 heeft enkel betrekking op de verkiezingen voor de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Het arrest op zich is ter zake duidelijk.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik ben ontgoocheld. Uiteraard kan een werkgroep samenkomen met meerdere voorzitters, zonder voorzitter, met een voorzitter. Maar dat lijkt me toch wat onduidelijk. Er moet toch iemand zijn die het initiatief neemt, al was het maar om de werkgroep bijeen te roepen. Ik stel dus vast dat er geen voorzitter is aangewezen.

De werkgroep fungeert binnen het overlegcomité, dat bestaat uit alle mogelijke regeringen en deelstaatregeringen van het land. De premier wordt echter niet op de hoogte gehouden. Hij wacht het resultaat af.

Volgens het federaal regeerakkoord moeten er geen resultaten verwacht worden vóór juni 2009. Mijn essentiële vraag was wat er gebeurt indien de kamers voortijdig ontbonden worden. Kunnen er dan, wat Brussel-Halle-Vilvoorde betreft nog rechtsgeldige verkiezingen plaatsvinden? Het Grondwettelijk Hof, toen nog Arbitragehof, beantwoordde die vraag negatief. Ik dacht dat het parlement en de regering de rechtsstaat dienen te respecteren. Het arrest dateert van 2003. We zijn zes jaar verder. De regering, de partijen van de meerderheid en de parlementen permitteren het zich om geen oplossing te zoeken en de rechtsstaat zelf in gevaar te brengen.

Er kunnen geen rechtsgeldige verkiezingen plaatshebben. De regering verwijst naar het Grondwettelijk Hof en zegt dat het arrest duidelijk is. Wat moet er dan gebeuren? Gaat de regering bij een vervroegde ontbinding van het federale parlement naar ongrondwettige verkiezingen? De regering blijft daarover in het vage.

Ik vind het onverantwoordelijk dat de meerderheid zelf de rechtsstaat op de helling zet.

Mondelinge vraag van de heer Patrik Vankrunkelsven aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «orgaantransplantatie bij niet-Belgen» (nr. 4-620)

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Op 27 juni 2007 heb ik een schriftelijke vraag (4-1192) gesteld over orgaandonatie. Ik wens nu soortgelijke vraag te stellen over de transplantaties in gespecialiseerde ziekenhuizen.

Hoeveel organen werden in 2008 getransplanteerd bij niet-Belgen, residenten en niet-residenten?

Om welke organen ging het?

Is de minister van plan actie te ondernemen om te vermijden dat België, wegens zijn progressieve wetgeving inzake wegneming bij overlijden, een buitenproportioneel aantal organen ter beschikking stelt aan niet-residenten, van Eurotransplantlanden of niet-Eurotransplantlanden?

In mijn eerdere schriftelijke vraag had ik ook een listing per ziekenhuis gevraagd. De minister antwoordde toen dat zulke verdelingen niet konden worden gegeven wegens wettelijke bepalingen inzake privacy. Ik vraag geen informatie vraag over individuele patiëntengegevens, maar wel een overzicht van het aantal getransplanteerde organen per ziekenhuis, bij receptoren die in België gedomicilieerd zijn en bij receptoren die niet in België gedomicilieerd zijn. Dergelijke cijfers worden overigens ook verstrekt over de verspreiding van de ziekenhuisbacterie.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Voor België fungeert Eurotransplant als allocatieorganisme voor organen. Eurotransplant dient bij de toewijzing de bij wet vastgelegde criteria te volgen. Dat betekent dat onder andere rekening wordt gehouden met de compatibiliteit tussen donor en receptor, de urgentie, de wachttijd en ook met een evenwichtige balans van organen die ons land verlaten en die aan ons land worden toegewezen.

In 2008 werden in de Belgische ziekenhuizen 940 toegewezen organen weggenomen bij overleden donoren. Daartegenover staat dat 938 organen werden toegewezen voor transplantatie bij 814 patiënten in Belgische ziekenhuizen. Het verschil tussen het aantal patiënten en het aantal weggenomen organen is een gevolg van het feit dat sommige patiënten meerdere organen ingeplant krijgen of soms een dringende hertransplantatie dienen te ondergaan.

Concreet gaat het over 413 niertransplantaties, waarvan 6 dubbele niertransplanten; 2 pancreastransplantaties; 32 transplanten van eilandjes van Langerhans bij 12 patiënten; 16 gecombineerde nier-pancreastransplanten; 71 harttransplanten; 1 dubbele hartlongtransplantatie; 2 hart- en niertransplantaties; 1 lever- en harttransplantatie, 15 single-longtransplantaties; 1 lever- en longtransplantatie; 65 dubbele longtransplantaties; 186 levertransplantaties; 17 split-levertransplantaties; 10 lever- en niertransplantaties en 1 lever-pancreastransplantatie.

De netto export-importbalans bedraagt min 2 organen. Er gingen dus 2 organen naar andere landen.

Bij de appreciatie van de balans moet er ook mee rekening worden gehouden dat sommige organen van Belgische donoren niet kunnen worden toegewezen omdat ze incompatibel zijn of niet voldoende kwaliteit hebben.

Tot 2008 werd enkel het domicilie van de donoren en de receptoren geregistreerd.

De organen die in 2008 in België werden getransplanteerd, zijn toegewezen aan Belgen, Belgische residenten of residenten van landen die lid zijn van Eurotransplant.

In ongeveer 95% van de gevallen ging het om receptoren met een Belgisch domicilie. In 5% van de gevallen had de receptor een ander domicilie; in deze categorie had een meerderheid van de receptoren een domicilie in Nederland. In één geval was de receptor geen resident van een van de Eurotransplantlanden.

Overigens worden in België soms ook organen weggenomen bij overledenen met een domicilie in het buitenland. Zo werden in de jongste vijf jaren 47 organen weggenomen bij donoren uit Nederland.

Ik wil volledige transparantie inzake de toewijzing van de organen en de verhouding tussen de import en de export van organen. Ik vraag Eurotransplant dan ook extra gegevens te registreren, meer in het bijzonder de nationaliteit (en dus niet alleen het domicilie) van de patiënten die in de Belgische ziekenhuizen op de wachtlijsten worden geplaatst en worden getransplanteerd. Ik vraag Eurotransplant om mij zesmaandelijks een rapport te bezorgen met gegevens over de toewijzing per orgaan, per ziekenhuis en - onderverdeeld volgens domicilie - per land van residentschap en per nationaliteit.

Indien er argumenten zijn voor een disproportionele toewijzing waarbij Belgische burgers een langere wachttijd zouden hebben, dan zal ik met Eurotransplant overleggen teneinde de toewijzingsregels te verfijnen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - Ik heb de minister een zeer precieze vraag gesteld. Ik heb dezelfde vraag trouwens een jaar geleden gesteld, en toen heb ik exacte cijfers gekregen. Ik vroeg niet naar procenten, maar wel hoeveel organen werden getransplanteerd. Eurotransplant registreert die gegevens; ze zijn dus bekend. De minister heeft het over `ongeveer 95%'. Ik krijg geen gegevens over de ziekenhuizen.

Als parlementsleden worden wij geacht de belangen van de bevolking te verdedigen. Als ik de minister om exacte cijfers vraag, dan wil ik die ook krijgen. Het is totaal ongepast dat de minister hier wat vage cijfergegevens meedeelt. De gegevens staan grotendeels trouwens op de website van Eurotransplant.

Ik stel een precieze vraag en krijg geen antwoord. Dat is onaanvaardbaar.

De heer Philippe Moureaux (PS). - U heeft een antwoord gekregen.

De heer Patrik Vankrunkelsven (Open Vld). - De heer Moureaux heeft niet het recht om te tussenbeide te komen.

Ik stel een vraag en krijg geen antwoord. Waarom zitten wij hier nog?

De voorzitter. - De regering antwoordt wat ze meent te moeten antwoorden.

Mondelinge vraag van de heer Dirk Claes aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de verlaging van de btw voor de horeca» (nr. 4-626)

De heer Dirk Claes (CD&V). - Mijn mondelinge vraag handelt niet over Fortis, maar over een andere belangrijke aangelegenheid, namelijk de horeca, die de minister ongetwijfeld ook na aan het hart ligt.

Er wordt al jaren gesproken over een verlaagd btw-tarief voor de horeca. Diverse horecaorganisaties, waaronder UNIZO, zijn pleitbezorger van een btw-verlaging van 21% naar 6%. In elf Europese landen wordt een verlaagd tarief gehanteerd. In Nederland bedraagt het 6% en in Luxemburg zelfs 3%, wat een groot verschil uitmaakt, vooral voor de horecazaken die aan de grens gelegen zijn. Er is zelfs sprake van oneerlijke concurrentie.

In de zomer van 2008 schoof ook de Europese Commissie het idee naar voren om België te laten aansluiten op deze regeling. Eergisteren werd dit agendapunt besproken op de Raad van de Europese ministers van Financiën. Diverse bronnen suggereren dat deze kwestie op de Europese Raad van volgende maand aan bod zal komen. In het kader van een btw-verlaging voor arbeidsintensieve sectoren en het Europese economisch relanceplan hoop ik echt dat dit punt zo snel mogelijk een positief besluit zal kennen.

In de horeca zijn heel wat faillissementen te noteren. Dat is uiteraard niet alleen te wijten aan het btw-tarief, maar een verlaging daarvan zou alleszins bijdragen tot een grotere leefbaarheid.

Een van de hoofdoorzaken is het rentabiliteitsprobleem door de lage winstmarges. Een verlaging van de btw zou de rendabiliteit van de horeca ongetwijfeld verhogen, het zwartwerk tegengaan en de productiviteit van de sector verbeteren.

Welk standpunt neemt de federale regering in tegenover de vraag naar btw-verlaging in de horeca?

Welke inspanningen heeft de minister al gedaan om een gunstig resultaat in dit dossier te bekomen? Wat zal nog op korte termijn kunnen worden gerealiseerd?

Hoe evolueert het dossier en wat zijn de conclusies van de jongste Raad van de Europese ministers van Financiën? Binnen welke termijn denkt men in België tot een btw-verlaging in de horeca te kunnen overgaan?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - Reeds geruime tijd wordt geregeld gediscussieerd over een verlaging van de btw-tarieven. Voor de horecasector begon die discussie al in 1994.

In het kader van de onderhandelingen inzake de verlaagde btw-tarieven heb ik er op Europees niveau steeds voor gepleit de lidstaten meer bewegingsruimte te geven bij het vaststellen van de categorieën en diensten waarop ze een verlaagd btw-tarief kunnen toepassen.

Op de Ecofin-Raad van 10 februari 2009 heb ik de toepassing van een verlaagd btw-tarief in de horecasector nogmaals verdedigd. Ik blijf er immers van overtuigd dat de toepassing van een verlaagd btw-tarief op lokale diensten, waaronder restaurantdiensten, een positieve invloed zal hebben op de tewerkstelling en de economische groei, zonder een negatieve invloed te hebben op de goede werking van de interne markt.

Gedurende lange tijd zaten de onderhandelingen over het verlaagd btw-tarief vast op het niveau van de Ecofin-Raad, omdat er nu eenmaal unanimiteit moet bestaan tussen de lidstaten. Enkele lidstaten die tot op heden weigerachtig stonden tegenover elke uitbreiding van de lijst van goederen en diensten die zouden kunnen worden onderworpen aan een verlaagd btw-tarief zouden nu, onder druk van de economische crisis, iets meer openheid aan de dag leggen.

Tijdens de volgende Ecofin-Raad van 10 maart zal het Tsjechisch voorzitterschap de discussies met grote inzet verder zetten. Komt het niet tot een unaniem akkoord, dan wordt het dossier besproken door de regeringsleiders die op 19 en 20 maart voor de verdere opvolging van het Europees economisch herstelplan samenkomen.

Wij vragen een uitbreiding van de lijst van arbeidsintensieve diensten. Het voorzitterschap stelt nu een korte lijst voor met bijkomende arbeidsintensieve diensten en daarin zijn ook de restaurants opgenomen. Ik geef de voorkeur aan een algemene herziening. De Europese Commissie en daarna het Frans voorzitterschap deden een voorstel in die zin. Daarin waren niet alleen restaurants opgenomen, maar bijvoorbeeld ook werken aan schoolgebouwen. Het huidige voorstel, dat we wel zullen steunen, bevat een zeer korte lijst en het is de bedoeling ten laatste op de Europese Raad van maart tot een akkoord te komen. Daarin zal ook het btw-tarief voor restaurants worden opgenomen.

De heer Dirk Claes (CD&V). - Het verheugt me dat de minister zich mee achter dit standpunt schaart en dat de regeringsleiders het ook zullen verdedigen op de Raad van 19 en 20 maart. Ik zal er bij eerste minister Van Rompuy op aandringen dit mee te verdedigen. Laten we hopen dat we de btw-verlaging nog voor 1 april kunnen aankondigen.

Mondelinge vraag van de heer Paul Wille aan de vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen over «de steun aan banken» (nr. 4-629)

De heer Paul Wille (Open Vld). - De belastingbetaler zit met een dubbel gevoel. Geld lenen bij de bank gaat bijzonder stroef, maar hij heeft wel al een grote inspanning gedaan om bepaalde Belgische banken in rustiger vaarwater te krijgen. Aangezien de overheid nu medefinancier en zelfs hoofdaandeelhouder van diverse banken is, moeten we goed nagaan of de middelen van de belastingbetaler niet worden opgepot in de banken, maar worden aangewend om te investeren in mensen en economische projecten. In de VS worden er op het ogenblik hoorzittingen gehouden om precies dat na te gaan. Een CEO van Citigroup verklaarde: `The American people are right to expect that we use the bail-out funds responsibly, quickly and transparently. We will provide transparency about how we are putting the taxpayer's money to work to restart the economy.'

Is de minister het eens met het standpunt dat elke euro die we in een bank steken, alleen mag worden gebruikt voor leningen en investeringen met het oog op het heropstarten van de economie?

Is de minister voorstander van een bijzondere rapporteringsplicht van de banken aan regering én parlement over wat ze doen om onze economie opnieuw op te starten?

Heeft de minister instructies gegeven aan de vertegenwoordigers van de regering in de raden van bestuur van de banken die ze heeft gesteund? Zo neen, waarom eigenlijk niet?

Welke controlemiddelen heeft de overheid om erop toe te zien dat het geld niet wordt opgepot of aangewend om schulden van de bank in het buitenland af te betalen?

Heeft de minister al concrete cijfers over de bedragen die de belastingbetaler via de banken in de economie heeft geïnvesteerd?

De heer Didier Reynders, vice-eersteminister en minister van Financiën en Institutionele Hervormingen. - We hebben beslist de banken te herkapitaliseren. Dat geldt niet alleen voor Fortis, maar ook voor Dexia, dit samen met de gewesten, voor KBC en ook voor de verzekeringsmaatschappij Ethias.

Daarnaast heeft de staat waarborgen gegeven om de solvabiliteit en de liquiditeit van de banksector te verhogen.

Als tegenprestatie hebben we van de banken een duidelijk engagement gevraagd en een controle van de raad van bestuur. Van Dexia hebben we verkregen dat de bank eenzelfde volume aan leningen zou toestaan als vóór oktober 2008, dat wil zeggen, voor de interventie van de staat. Wij volgen op de voet in welke mate de bank dat realiseert en persoonlijk ben ik bereid het verslag dat daarover wordt opgemaakt voor de regering, ook aan het parlement te bezorgen.

Daarbovenop proberen we tegemoet te komen aan de liquiditeitsproblemen waarmee veel kmo's maar ook grote bedrijven meer en meer te maken krijgen. We geven hun bijvoorbeeld uitstel van betaling van bijdragen aan de sociale zekerheid, zonder enige boete of intrest. Veel bedrijfsleiders vrezen ook dat er een credit crunch komt, dat ze nog maar moeilijk leningen en krediet zullen krijgen bij de banken. We hebben daarom de gouverneur van de Nationale Bank gevraagd om, in samenwerking met de financiële sector en vertegenwoordigers van de bedrijfswereld, dat probleem op te volgen. Ook dat is niet genoeg. Daarom hebben we een bemiddelaar aangesteld die als neutrale verbindingsman tussen de bedrijven en de banken kan optreden en bij betwistingen over een specifiek krediet een oplossing kan uitwerken. Iets gelijkaardigs bestaat ook al in Frankrijk en in andere landen.

Ten slotte hebben wij een initiatief genomen om bedrijven, vooral de kmo's, aan nieuwe leningen te helpen. We hebben daarvoor bij het Participatiefonds Initio gelanceerd. Waar een bedrijfsleider vroeger naar een bank moest stappen en daarna naar het Participatiefonds, kan hij zich nu rechtstreeks tot het tweede richten en pas daarna tot de bank. Dat geeft hem meer zekerheid dat hij zijn lening zal krijgen. We kunnen dat doen dankzij een nieuwe financiering, waarvoor we midden maart een obligatie voor de burgers uitschrijven, zoals we al deden voor het Startersfonds. We rekenen erop dat we daarmee, dankzij het fiscaal voordeel dat dit voor de burgers oplevert, 300 miljoen euro inzamelen. Daarmee moet het Participatiefonds meer hulp kunnen geven aan bedrijven met liquiditeitsproblemen. Het gaat hier om een meer globale aanpak, die veel opvolging vereist. Alleen zo weten we wat de banken doen met de gelden van de belastingplichtigen. De regering geeft de steun aan de banken en bedrijven immers niet om hen ter wille te zijn, maar om het spaargeld van de burger te beschermen. Dankzij de bescherming van dat spaargeld kunnen we overigens niet alleen leningen toestaan aan bedrijven en banken, maar ook de gezinnen ondersteunen.

Ik ben bereid om in commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden een opvolging te organiseren en desgewenst in de loop van de komende maanden ook de banken en bedrijven te horen ten einde na te gaan of de leningen beantwoorden aan onze doelstellingen en of we de voorwaarden ervan moet bijsturen.

De heer Paul Wille (Open Vld). - De minister, zijn administratie en ook wij zullen heel creatief moeten zijn. Mijn partij gaat onder meer voorstellen indienen in verband met de groene economie. Als we niet creatief zijn, zullen de mensen hun centen thuis houden in plaats van ze aan de bank toe te vertrouwen, zullen bedrijven in moeilijkheden raken door slechte betalers, zullen de bestaande leningen bij de banken slechte leningen blijken en zal de rating van de banken verslechten. We mogen niet in die vicieuze cirkel terechtkomen. Iedereen moet creativiteit aan de dag leggen. We rekenen daarvoor op de minister.

Mondelinge vraag van de heer Marc Elsen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de numerus clausus en de oprichting van een kadaster van artsen» (nr. 4-621)

De heer Marc Elsen (cdH). - Ik kom nogmaals terug op de numerus clausus. De numerus clausus brengt voor alle studenten geneeskunde onaanvaardbare situaties met zich mee en met name voor studenten in overtal en voor studenten die wel geslaagd zijn, maar hun studie niet mogen voortzetten, terwijl we toch meer en meer een beroep doen op artsen uit het buitenland. Op sommige plaatsen is er trouwens al een tekort aan huisartsen en aan specialisten in ziekenhuizen, zodat er voor het medisch aanbod, voor de toegankelijkheid van de zorg en voor de volksgezondheid een echt probleem rijst.

Onlangs heeft de Franse Gemeenschap aangekondigd dat ze het moratorium zou verlengen waardoor studenten die voor het eerste jaar geslaagd zijn, toegang krijgen tot het tweede jaar. Er mag dan een eind zijn gekomen aan de numerus clausus op gemeenschapsniveau, de numerus clausus op federaal niveau geldt nog steeds en daardoor bestaat het risico dat men aan honderden gediplomeerden de toegang tot het beroep weigert, tenzij men het aantal RIZIV-nummers dat mag worden toegekend, optrekt.

Op mijn vorige vraag om uitleg in oktober jongstleden heeft de minister geantwoord dat ze haar administratie had verzocht sneller werk te maken van de oprichting van het kadaster. Uit dat kadaster bleek immers dat ten hoogste twee derde van de artsen die een RIZIV-nummer als huisarts bezitten, ook echt eerstelijnsgeneeskunde bedrijft. Bovendien beweerde zij dat de gegevens van het kadaster systematisch worden bijgewerkt.

Kan de minister bevestigen dat op datum van 7 april 2009 de resultaten van het kadaster van huisartsen worden meegedeeld? Organiseert de FOD Volksgezondheid op 25 april wel degelijk een colloquium over die resultaten?

Welke tendens tekent zich volgens de meest recente gegevens af in de RIZIV-nummers die werden toegekend aan huisartsen en aan specialisten in ziekenhuizen?

Werkt de minister samen met de gemeenschappen en met name met de Franse Gemeenschap?

Zou de minister op grond van de inlichtingen waarover zij in dit stadium beschikt, overwegen om vanaf nu het aantal RIZIV-nummers op te trekken voor studenten die het moratorium van de Franse Gemeenschap genieten?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid. - Het kadaster van de gezondheidsberoepen blijft natuurlijk een van mijn prioriteiten. Ik betreur het dat mijn collega van de Franse Gemeenschap, mevrouw Simonet, ongetwijfeld slecht begrepen heeft wat ik haar nochtans bijzonder vriendelijk heb uitgelegd.

Van bij mijn aantreden heb ik mijn administratie gevraagd om sneller werk te maken van de oprichting van het kadaster. Ik ben er absoluut van overtuigd dat het een onontbeerlijk instrument is voor een kwaliteitsvolle medische planning. Het kadaster inventariseert alle artsen, tandartsen, kinesitherapeuten en verplegers met hun algemene persoonlijke gegevens, erkenningen, RIZIV-nummers en adressen.

Het eigenlijke kadaster bestaat al verschillende jaren, maar ook de computerversie waarmee we onze gegevens dynamisch kunnen beheren en met andere gegevens, met name die van het RIZIV, kunnen vergelijken, is nu bijna klaar. Voor 99 procent van de gezondheidswerkers zijn de gegevens nu up-to-date. De brutocijfers lenen zich slechts in beperkte mate voor interpretatie bij een denkoefening over de planning. Uitgaand van het kadaster moet men inderdaad specifiek onderzoek doen om een betere kijk te krijgen op de praktische werkelijkheid. Er loopt een eerste onderzoek betreffende de huisartsen; dat onderzoek zou begin april klaar moeten zijn.

Op 25 april aanstaande organiseert mijn administratie dus een colloquium over de planning. Zoals u ziet, wordt er vooruitgang gemaakt. Nadien volgen er andere studies betreffende de specialisten - aan wie de nood ook groot is - en betreffende de paramedische beroepen. Alle resultaten worden meegedeeld aan de Planningscommissie, die haar huidige analyse dan zal moeten bijstellen.

Op grond van die analyse zal ik het brede overleg waarmee ik met toepassing van het koninklijk besluit van juni jongstleden ben begonnen, ook met de gemeenschappen voortzetten. Door dat besluit evolueert het contingent artsen geleidelijk aan van 757 naar 1230 eenheden. Zo kan elke gemeenschap de studenten in overtal gelijkmatig in de tijd spreiden tot 2018.

Mocht de analyse van de lopende studies aantonen dat in ons land extra behoefte aan artsen is, dan kunnen de quota uiteraard alleen op federaal niveau voor alle gemeenschappen worden opgetrokken.

Ik herinner eraan dat de contingentering alleen betrekking heeft op artsen die een RIZIV-nummer wensen om hun beroep te kunnen uitoefenen in de zorgsector en niet op artsen die actief zijn in de preventieve of administratieve sector, of in het onderzoek.

Kortom, het kadaster schiet goed op en levert op 7 april de eerste resultaten betreffende de huisartsen op. Onmiddellijk daarna is er niet alleen het colloquium, maar gaat de Planningscommissie ook over tot een analyse van het kadaster op grond waarvan ze haar besluiten voor de medische planning voor de komende jaren hopelijk zal herzien. Er zouden dus nog nieuwe voorstellen moeten worden geformuleerd in 2009.

De heer Marc Elsen (cdH). - Het verheugt me dat de minister het proces wil versnellen. Het lijkt me bijzonder belangrijk dat de inspanningen van de federale overheid en van de gemeenschappen op elkaar worden afgestemd.

Het kadaster is een onontbeerlijk instrument om het medische aanbod goed te kunnen plannen. Tot mijn tevredenheid is de verzameling van gegevens voor 99% rond. Nu moet men die gegevens natuurlijk nog behandelen, vergelijken en in voorkomend geval een bijkomend onderzoek verrichten om na te gaan of de gegevens overeenstemmen met de praktische werkelijkheid.

Net als ik staat de minister erop dat er voortgang wordt geboekt, niet alleen voor de huisartsen, maar ook voor de specialisten en de paramedische beroepen. We stellen voor die beroepen immers al een tekort vast.

Het is dus de bedoeling om zo snel mogelijk een structurele kijk te krijgen op de situatie en om reële termijnperspectieven te openen. Zo kunnen we het medische aanbod doeltreffend sturen en studenten en toekomstige studenten geneeskunde precies voorlichten.

Mondelinge vraag van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de opleidingsduur geneeskunde» (nr. 4-632)

De voorzitter. - Mevrouw Marie Arena, minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Het spijt mij dat mevrouw Onkelinx mijn vraag niet zelf wil beantwoorden en er de voorkeur aan geeft naar de Kamer te gaan.

Al meer dan tien jaar knokken de studenten geneeskunde in ons land voor een basisopleiding die zes jaar duurt, zoals gangbaar in heel Europa. Deze week publiceert Artsenkrant het vurige pleidooi van enkele studentenverenigingen.

In andere Europese landen bestaat de opleiding van huisarts uit een basisopleiding van zes jaar, gevolgd door drie jaar specialisatie als huisarts. In België is dat niet zo. Hier bedraagt de basisopleiding zeven jaar, gevolgd door twee jaar huisartsgeneeskunde. Dat zevende jaar wordt dan op zijn Belgisch het eerste jaar huisartsgeneeskunde genoemd, om aan de verdeling 6+3 te komen. Toen ik zelf student was, heb ik daar nog strijd tegen gevoerd, maar meer dan tien jaar later is er nog niets veranderd. Ons land maakt zich belachelijk met die regeling.

Een arrest van de Raad van State verwijst de Belgische regeling nu naar de prullenbak. Omdat de overheid zijn verantwoordelijkheid weigert te nemen, zou het kunnen dat de studenten nu zeven jaar basisopleiding plus drie jaar huisartsgeneeskunde moeten volgen alvorens ze huisarts kunnen worden. Maar zelfs al kan de minister het geregeld krijgen dat het geen 7+3-regeling wordt, maar weer een 7+2-regeling, dan is er na meer dan tien jaar nog niets substantieels veranderd.

Nochtans is dit het uitgelezen moment om eindelijk, zoals in de rest van Europa, de basisopleiding op zes jaar te brengen. Dat kan de Europese uitwisseling bevorderen, zodat de aspirant-artsen, naast de verrijkende menselijke ervaringen die ze opdoen, andere gezondheidszorgstructuren kunnen leren kennen.

Zal de minister actie ondernemen om de basisopleiding geneeskunde terug te brengen tot zes jaar, conform de rest van Europa, nu de Raad van State hetzelfde zegt als waar de geneeskundestudenten al jaren voor ijveren? Zo ja, binnen welke termijn? Zo neen, waarom niet?

Mevrouw Marie Arena, minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De Raad van State heeft recentelijk het besluit van februari 2006 over de erkenning van de huisartsen vernietigd. Voor zijn argumentatie baseert de Raad van State zich evenwel alleen op een procedurefout, namelijk het niet bereiken van een quorum tijdens een vergadering van de Hoge Raad.

Het besluit bepaalt eens te meer dat men de specialisatie huisartsgeneeskunde pas na het zesde studiejaar, dus momenteel in het vierde doctoraatsjaar kan aanvatten. Voor studenten die in de loop van dat jaar met huisartsgeneeskunde beginnen, blijven er bijgevolg nog maar twee specialisatiejaren om hun artsendiploma te behalen. Europese richtlijnen bevestigen die uitzondering trouwens.

Na de goedkeuring van het besluit over de erkenning in 2006 heeft de Raad van State erop gewezen dat aldus een ongelijkheid bestaat tussen de studenten huisartsgeneeskunde en studenten in andere specialiteiten. Sindsdien onderzoeken de gemeenschappen of het opportuun is om de basisopleiding voor artsen terug te brengen tot zes jaar dan wel ze op zeven jaar te behouden. Voor een beslissing hierover zijn uitsluitend de gemeenschappen bevoegd.

Om de studenten die thans huisartsgeneeskunde studeren, niet te straffen, zal minister Onkelinx een nieuwe tekst van besluit aan de Hoge Raad van geneesheren-specialisten en van huisartsen voorleggen. De tekst herneemt in grote lijnen het besluit van februari 2006, maar houdt wel rekening met de adviezen van de Raad van State en voert tegelijk een overgangsperiode in teneinde de huidige studenten te beschermen.

Om de rechtszekerheid te verzekeren wil de minister het nieuwe besluit binnen de kortst mogelijke termijn laten publiceren. Na het advies te hebben ingewonnen van de Hoge Raad en van de Raad van State, zal ze over het aantal studiejaren ruim overleg plegen, in het bijzonder met de gemeenschappen. De eindbeslissing hierover ligt immers, zoals ik al zei, bij de twee gemeenschappen die bevoegd zijn voor het hoger onderwijs.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik hoop dat de Hoge Raad vanavond in aantal is want anders rijst er een probleem.

De minister verschuilt zich achter procedurele aspecten en gaat niet in op de essentie van mijn vraag, namelijk de beperking van de basisopleiding tot zes jaar. De federale minister kan na zes jaar een RIZIV-nummer toekennen. De gemeenschappen zouden bijgevolg verplicht zijn de basisopleiding op zes jaar te brengen.

Deze kwestie sleept al meer dan tien jaar aan. Ons land maakt zich belachelijk tegenover de andere landen van Europa, die wel degelijk in staat zijn een zesjarige opleiding te organiseren. Wij vormen een uitzondering. Ik ben het daar geenszins mee eens.

Dit is het moment bij uitstek om ter zake een beslissing te nemen. Ik hoop dat de nodige stappen zullen worden gedaan om vanaf het volgende academiejaar met een zesjarige opleiding te kunnen starten.

Mondelinge vraag van mevrouw Christiane Vienne aan de minister van Justitie over «de overbelasting van de arbeidsrechtbanken ten gevolge van de nieuwe bevoegdheden op het vlak van de collectieve schuldenregeling» (nr. 4-623)

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - De bevoegdheden van de arbeidsrechtbanken zijn de jongste twee jaar uitgebreid, een eerste keer in 2007 met de overheveling van de geschillen inzake de collectieve schuldenregeling en een tweede keer in 2008 met de overheveling van de dossiers die voordien door de beslagrechter werden behandeld.

Die nieuwe bevoegdheden zorgen vanzelfsprekend voor een overlast bij de arbeidsrechtbanken. Te weinig lokalen, informaticaproblemen, personeelstekort ... ingewijden laten via de pers weten dat er te weinig mensen en middelen zijn om de nieuwe opdrachten te vervullen.

Door de crisis zonder voorgaande dreigt het aantal gevallen van overmatige schuldenlast toe te nemen. Hierdoor zal het werk voor de arbeidsrechtbanken ontegensprekelijk toenemen. Die rechtbanken moeten bijgevolg dringend de verzekering krijgen dat ze hun verplichtingen optimaal kunnen nakomen en dat ze de rechtsonderhorigen een kwaliteitsvolle dienstverlening kunnen aanbieden, want anders zullen de sociale drama's ten gevolge van de overmatige schuldenlast toenemen.

Eind vorig jaar heeft de begeleidingscommissie die de bovengenoemde problemen moest bestuderen, een gedetailleerd verslag opgesteld. Heeft de minister kennis genomen van dat verslag? Welke pijnpunten worden aangestipt? Welke maatregelen gaat hij nemen om de problemen op te lossen?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - De voorzitter van het toezichtcomité, de heer Joël Hubin, heeft al meerdere malen deelgenomen aan vergaderingen met mijn strategische cel.

Op 5 februari jongstleden heeft mijn strategische cel een constructief gesprek gehad met de vertegenwoordigers van de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken. De problemen werden besproken. De aanwezigen hebben suggesties gedaan met betrekking tot de beperking van de administratieve overlast die de procedure voor de collectieve schuldenregeling met zich mee heeft gebracht.

Ik wil binnen de organisatie vooruitgang boeken. Dat is essentieel. Er is geen sprake van de bevoegdheden van de arbeidshoven en -rechtbanken opnieuw aan te passen.

We gaan uit van de idee dat de arbeidshoven en -rechtbanken de problemen kunnen oplossen, enkele uitzonderingen daargelaten. Het is mogelijk aan de toegenomen werklast het hoofd te bieden, maar we beseffen dat bepaalde situaties problematisch zijn. Het gaat om een tijdelijk probleem, meer bepaald de overheveling en het beheer van dossiers naar aanleiding van de bevoegdheidsoverdracht. Hiervoor moet een tijdelijke oplossing worden gevonden die ons in staat moet stellen opnieuw tempo te maken en vooruit te gaan.

De werkgroep moet een procedure vinden om de werkzaamheden te verbeteren en te optimaliseren. Er zijn meerdere oplossingen voorgesteld. Ik denk dat alle aspecten duidelijk omschreven zijn.

Ik wil sommige voorstellen van de heer Hubin nog bestuderen.

Op donderdag 26 maart zal een tweede vergadering plaatsvinden van mijn strategische cel met dezelfde vertegenwoordigers. Ondertussen zal de werkgroep een voorstel uitwerken om het zeer grote aantal gerechtsbrieven terug te dringen.

Op de vergadering kwam aan het licht dat het grote aantal geschillen dat die procedure met zich meebrengt, kan worden ingedijkt door ons te concentreren op het aantal gerechtsbrieven dat telkens moet worden verzonden.

Het is bijgevolg zeer belangrijk dat de betrokkenen zelf alternatieven zoeken en uitwerken. De werkgroep heeft de verzekering gekregen dat ze een beroep kan doen op de FOD-diensten voor problemen inzake ICT en materiaal.

Ik hoop dat we samen met de werkgroep constructieve oplossingen kunnen vinden. Ik ben ervan overtuigd dat de problemen via een dialoog kunnen worden opgelost.

Aan de bevoegdheden moet niet worden geraakt. De problemen moeten duidelijk worden afgebakend en we moeten de diensten van de arbeidsrechtbanken beter organiseren.

We zijn bereid de nodige middelen aan te dragen om het probleem op te lossen.

Mevrouw Christiane Vienne (PS). - Aangezien eind maart een vergadering op de agenda staat, zal ik nog voor de komende vakantie een vraag stellen om te weten welke concrete maatregelen zullen worden genomen.

Mondelinge vraag van mevrouw Myriam Vanlerberghe aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over «het niet-uitnodigen van de gepensioneerdenorganisaties voor de Nationale Pensioenconferentie» (nr. 4-631)

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - Het is altijd belangrijk alle belanghebbende partijen bij een besluitvorming te betrekken.

Er wordt gewerkt aan de voorbereiding van een nationale pensioenconferentie. We hebben vandaag in de pers echter gelezen dat de gepensioneerdenorganisaties niet worden betrokken bij die grote nationale pensioenconferentie. Dat is pijnlijk en ook niet erg verstandig.

De organisaties van ouderen niet uitnodigen gaat in tegen de principes van de wet van 8 maart 2007 tot oprichting van een Federale Adviesraad voor ouderen, een initiatief dat destijds werd genomen door onze fractiegenoot, mevrouw Christel Geerts. We hebben daar heel wat werk voor verzet, maar we stellen nu vast dat er nog altijd geen uitvoeringsbesluiten genomen zijn, zodat de wet dode letter is gebleven en de adviesraad dus nog altijd niet is opgericht.

Klopt het bericht dat de ouderenorganisaties niet worden uitgenodigd voor de nationale pensioenconferentie? Gaat het om een vergetelheid of is dat een bewuste keuze? Kunnen de betrokkenen daar uitleg bij krijgen? Is de minister bereid om hen alsnog uit te nodigen?

Volgens de wet tot oprichting van een Federale Adviesraad voor ouderen moesten de uitvoeringsbesluiten ten laatste op 27 maart 2008 klaar zijn. Die deadline is nu al bijna een jaar overschreden. Wat is de verklaring daarvoor? De regering zou er goed aan doen een beleid te voeren op alle vlakken. Ze blijft echter ter plaatse trappelen en de betrokken verenigingen voelen dat ook zo aan.

Wanneer zullen de uitvoeringsbesluiten klaar zijn en zal de wet in werking kunnen treden?

Mevrouw Marie Arena, minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. - Ik hecht veel belang aan de inspraak en de betrokkenheid van de gepensioneerden. De Ministerraad heeft echter beslist dat de taskforce die de thema's van de nationale pensioenconferentie moet bepalen en begeleiden, zal bestaan uit een vertegenwoordiger van het kernkabinet, een vertegenwoordiger van de betrokken administraties en een vertegenwoordiger van de betrokken sociale partners.

De ouderenorganisaties zullen worden betrokken bij de werkzaamheden van de werkgroepen die in het kader van de nationale conferentie worden opgericht op basis van de thema's die op de agenda staan. Ik voeg er nog aan toe dat er al verschillende contacten geweest zijn met het Raadgevend Comité voor de pensioenen, waar de verschillende ouderenorganisaties in vertegenwoordigd zijn.

De uitvoeringsbesluiten in verband met de Federale Adviesraad voor ouderen werden inderdaad nog niet genomen. Dat is echter te wijten aan het feit dat de wet de Koning enkel de bevoegdheid geeft de leden van de raad te benoemen en regels vast te leggen voor de tenlastelegging van de kosten met betrekking tot het sluiten van een verzekering tegen arbeidsongevallen, de werkingskosten en de verplaatsingskosten. De wet bepaalt geenszins de manier waarop de raad moet worden samengesteld, noch wat de representativiteit van de leden als wat het aantal leden betreft, en geeft de Koning geen enkele bevoegdheid daartoe. Bij ontstentenis van een wettelijke basis is het dus onmogelijk een koninklijk besluit goed te keuren dat de werking van genoemde raad regelt. Dat verklaart waarom er nog geen uitvoeringsbesluit werd genomen.

Om de toekomstige raad in de best mogelijke omstandigheden te laten werken, is een herziening van de wet van 8 maart 2007 de enige logische oplossing. Het ligt in mijn bedoeling snel werk te maken van deze aanpassing, zodat de Federale Adviesraad voor ouderen effectief op korte termijn in werking kan treden.

Mevrouw Myriam Vanlerberghe (sp.a). - In de Vlaamse kranten is blijkbaar een misverstand gerezen, want uit het antwoord van de minister maak ik op dat de gepensioneerdenorganisaties wel worden betrokken bij de nationale conferentie, maar niet bij de taskforce.

De minister zegt dat de Federale Adviesraad nog niet is samengesteld omdat de wet niets bepaalt over de wijze van samenstelling en dus eerst moet worden gewijzigd. Ik stel voor dat er vrij snel een initiatief komt van de minister of van het Parlement.

Het is bijzonder jammer vast te stellen dat er niets vooruitgaat, terwijl de bevolking steeds meer veroudert en de ouderen echt wel willen meewerken.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de nieuwe selectiecriteria van de politie» (nr. 4-627)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Via de pers vernam ik dat de minimale lichaamslengte om politieagent te kunnen worden opnieuw verhoogd zou worden van 1,52 meter naar 1,60 meter. Als dat klopt, is het een verbazingwekkende maatregel, waarvan de reden me ontgaat. Ik hoop dat de minister daarvoor enige verklaring kan geven. Ik vind dat fitheid, uitstraling en gezag niet van de lengte van een persoon afhangen. Naar mijn mening is dit een discriminerende maatregel, in het bijzonder ten opzichte van vrouwen, aangezien vrouwen gemiddeld kleiner zijn dan mannen. Bovendien is de gemiddelde lengte van vrouwen 164,5 centimeter, wat betekent dat veel vrouwen en ook een aantal mannen kleiner zijn dan dat gemiddelde en dus niet meer in aanmerking zouden komen om politieagent te worden. Jaren geleden hebben we geijverd om de minimumlengte te verlagen, net om het beroep vrouwvriendelijker en beter toegankelijk te maken voor vrouwen.

Klopt het dat de selectiecriteria gewijzigd werden en dat de minimale lichaamslengte verhoogd werd tot 1,60 meter?

Wie is bevoegd om deze voorwaarde te bepalen? Is het de minister of de Ministerraad, of wordt die beslissing op een ander niveau genomen?

Om welke redenen werd deze maatregel genomen? Is er een negatieve evaluatie van de vorige criteria?

Is de minister van mening dat deze maatregel discrimineert?

De heer Guido De Padt, minister van Binnenlandse Zaken. - De regel van 152 cm is enige tijd geleden binnengeslopen in een protocol dat tussen mijn diensten en de vakbonden werd gesloten. Naar aanleiding van een evaluatie van de selectiecriteria werden opmerkingen gemaakt over mogelijke veiligheidsproblemen voor vrouwen die kleiner zijn dan 1 m 60 en dat zijn er heel wat.

De intentie bestond om de maatregel aan te passen. Ik heb dat doorgesproken met mijn kabinetsmedewerkers, die er mij op een bepaald moment van hebben overtuigd dat dit een goede of noodzakelijke maatregel was.

Vervolgens heb ik, na een gesprek met de heer De Witte van het Centrum voor gelijkheid van kansen en voor racismebestrijding, daar nog eens over nagedacht. Omdat dit criterium in een vakbondsprotocol is opgenomen, ben ik deze morgen nog met de vakbonden rond de tafel gaan zitten om hierover te praten.

In overleg met de vakbonden heb ik dan beslist om deze, en nog enkele andere maatregelen van dat protocol, nog niet in te voeren. Over de selectie van de personeelsleden zal in de nabije toekomst meer sociaal overleg worden gehouden.

De wijziging van de lengte van de dames van 1,52 meter naar 1,60 meter wordt dus nog niet ingevoerd.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Heb ik het goed begrepen dat de minister de wijziging naar 1,60 meter niet invoert? (De minister knikt bevestigend)

Dan wil ik hem daarvoor bedanken. De argumentatie om het wel te doen lijkt mij niet overtuigend. Lang geleden - mevrouw Smet was toen minister van Gelijke Kansen - hebben we heel hard gevochten - met een andere minister van Binnenlandse Zaken - om de vereiste inzake lichaamslengte af te zwakken. Er zijn heel wat redenen om dat te doen.

We kijken uit naar het verdere overleg. De vereiste inzake lichaamslengte aanscherpen acht ik zowel direct als indirect discriminerend. Ik hoop echt dat daarvan wordt afgestapt.

Mondelinge vraag van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Klimaat en Energie over «het illegaal transport van elektronisch afval naar derdewereldlanden» (nr. 4-628)

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Er is in Vlaanderen nogal wat commotie ontstaan naar aanleiding van een reportage die dit weekend op Canvas te zien was over de illegale export van elektronisch afval naar de derde wereld via de haven van Antwerpen. Mijn collega Rudi Daems in het Vlaams Parlement klaagt deze wanpraktijken al geruime tijd aan en volgde nu met een journalist het traject van een aantal verdachte containers vanuit de haven van Antwerpen tot in Ghana. We konden in de reportage allemaal zien dat in Ghana de containers bij aankomst in de haven nooit gecontroleerd worden, ondanks de internationale wetgeving die dit verplicht maakt.

Maar ook in de haven van Antwerpen worden de containers nauwelijks gecontroleerd en daar kunnen we meer aan doen. Amper vier inspecteurs, twee Vlaamse en twee federale, moeten daar samen met de douane zorgen voor de controle van álle containers die uit Antwerpen vertrekken.

Die controle gebeurt dus absoluut niet.

Nochtans valt die controle onder onze verantwoordelijkheid en die van de minister. De federale milieuinspecteurs zijn immers bevoegd voor de controle op doorvoer van afval langs de Belgische havens. Ik hoop dat de minister het met mij eens is dat het illegaal dumpen van elektronisch afval in de derde wereld een schande is en dat hier dringend iets aan gedaan moet worden. Tevens hoop ik dat de minister het met mij eens is dat er een zeer eenvoudige en snelle oplossing bestaat. Er is weliswaar overleg nodig tussen Vlaanderen en het federale niveau over een aanpak ten gronde van dit probleem, maar op korte termijn kan er snel, eenvoudig en effectief worden ingegrepen door de controle op de uitvoer in de haven gevoelig uit te breiden. Een vertienvoudiging van het aantal federale milieuinspecteurs - dat is veel, maar mij lijkt dat het absolute minimum - is niet overdreven.

Wat denkt de minister hierover? Hoe verloopt die controle momenteel? Zijn er voldoende inspecteurs? Zijn er meer nodig? Kan de minister die op korte termijn beloven? Is er over deze problematiek overleg met Vlaams minister Crevits?

De heer Paul Magnette, minister van Klimaat en Energie. - Ik dank mevrouw Piryns voor haar interesse voor deze problematiek.

Als minister van Leefmilieu ben ik onder meer bevoegd voor de doorvoer van afvalstoffen. In het kader van deze bevoegdheid worden door mijn administratie, het Directoraat-generaal Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid, Veiligheid van de Voedselketen en Leefmilieu een aantal activiteiten ontplooid.

Enerzijds wordt een aantal doorvoerregistraties ingebracht. Voor 2008 gaat het om een 55 000 meldingen. Deze zijn gelinkt, conform de gegevens tot en met augustus, aan 14 412 transporten.

Anderzijds werd het personeelsbestand van de dienst inspectie in de loop van 2007 uitgebreid met 5 eenheden voor de controle op de transit van afval, zodat thans 15 medewerkers ter beschikking zijn om die controles uit te voeren over het Belgische grondgebied.

Er worden weg- en havencontroles uitgevoerd en, in het kader van samenwerkingsakkoorden en internationale regelgeving, wordt er samengewerkt met andere bevoegde federale en gewestelijke diensten evenals met collega's uit andere Europese lidstaten.

Hierna volgen enkele cijfers: in de loop van 2008 werden 26 458 voertuigen gecontroleerd, waarvan 6 153 met afval. Er werden 501 inbreuken vastgesteld die aanleiding gaven tot 2 processen-verbaal van verhoor, 7 terugzendingen, 150 blokkeringen tot regularisatie, 25 schriftelijke en 317 mondelinge waarschuwingen.

In de havens waar, in tegenstelling tot de geciteerde berichten, 4 mensen ter beschikking staan, werden circa 84 000 douanedocumenten gecontroleerd. Op basis hiervan werd overgegaan tot de fysieke controle van 1 223 containers, waarvan er 117 e-waste bevatten. Er werden 321 inbreuken vastgesteld. Deze gaven aanleiding tot 46 blokkeringen tot regularisatie, 131 schriftelijke en 15 mondelinge waarschuwingen, 47 terugzendingen en 9 ladingen die werden vernietigd.

Door de samenwerking die de jongste jaren door mijn medewerkers werd op gang gebracht met andere bevoegde diensten, onder meer in het kader van het Actieplan afvalfraude van de parketten van Antwerpen en Dendermonde, krijgen we een beter zicht op de bewegingen van de verschillende afvalstromen. Die gegevens worden als input opgenomen bij de besprekingen die eerlang worden gevoerd met mijn collega's uit de gewesten, in het kader van een noodzakelijke aanpassing van het samenwerkingsakkoord van 1993 tussen de federale Staat en de gewesten inzake afvaltransporten, in het bijzonder met betrekking tot meer gerichte inspecties. De komende Interministeriële Conferentie Leefmilieu zal dit punt agenderen.

Er bestaat een grijze zone die juridisch op Europees niveau verklaard moet worden. Het gaat om tweedehandse apparaten waarvoor noch de federale Staat, noch de gewesten bevoegd zijn om in het kader van deze samenwerking tussenbeide te komen.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Als ik het goed heb genoteerd, blijkt dat een derde van de containers die in de haven van Antwerpen worden gecontroleerd problemen oplevert. Dat lijkt mij een ongelooflijk groot aantal. Ik denk dat meer en scherpere controle absoluut naadzakelijk is. Ik hoop dat de minister het overleg met zijn collega's snel opstart, want naar ik heb vernomen was er gisteren een overleg gepland tussen het kabinet van mevrouw Crevits, het kabinet van de heer Reynders en de minister zelf. De medewerkers van mevrouw Crevits waren daarop aanwezig, maar de medewerkers van de federale ministers waren daar volgens mijn informatie niet. Ik hoop dat hier echt een prioriteit wordt van gemaakt. Het kan niet dat we ons afval dumpen in derdewereldlanden met alle gevolgen die we hebben kunnen vaststellen. We moeten daar in Europees verband, maar zeker ook in overleg tussen het federale en het Vlaamse niveau, paal en perk aan stellen en zorgen dat we ons eigen afval op een milieuvriendelijke manier verwerken.

Mondelinge vraag van mevrouw Sfia Bouarfa aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «het verblijfsrecht voor vreemdelingen» (nr. 4-622)

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Mevrouw de minister, u ondervindt momenteel moeilijkheden - ik druk me zacht uit - om de regeringsverklaring met betrekking tot de regularisatie van mensen zonder papieren na te leven. We stellen rondom ons vast dat vele gezinnen wanhopen. Wij slagen er niet in hun een fatsoenlijk leven te bieden via een regularisatie die hun de kans geeft waardig te werken en te leven, conform de criteria die in de regeringsverklaring zijn opgenomen.

De opvangcentra kunnen de vraag niet meer aan. De nachtasielen ontvangen in deze koudeperiode vele mensen zonder papieren, terwijl die asielen eigenlijk bestemd zijn voor de daklozen.

Ik heb overigens vernomen dat vele vreemdelingen waarvan het verblijf geregulariseerd zou kunnen worden, het bevel krijgen om het grondgebied te verlaten. Ze verdwijnen dan in de clandestiniteit. Ik geef het voorbeeld van vrouwen die slachtoffer zijn van echtelijk geweld en hun woonplaats verlaten. Ze beantwoorden dan niet langer aan de vereisten van samenwoning, terwijl uw voorganger, de heer Dewael, ons bevestigde met die problematiek rekening te zullen houden. Hij beloofde een meer menselijke aanpak. Ik verwijs naar mijn vraag die ik hem daarover in 2006 stelde en naar het verslag van juli 2007 betreffende het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 15 december 1980.

Ik denk ook aan de mensen die werden geregulariseerd op grond van een werkvergunning. Vroeger werd een illegaal die een vergunning B kreeg, geregulariseerd. Na de derde werkvergunning werd hem een onbeperkte verblijfsvergunning verleend en kreeg hij zelfs een werkvergunning A. Helaas is dat nu niet meer het geval. Mensen die al een vijfde vergunning kregen, werden nog altijd niet geregulariseerd. Ze verdwijnen dan in de clandestiniteit en dat lost niets op.

Het wordt de hoogste tijd dat u het regeerakkoord uitvoert. Wanneer zal u de beloofde en zo lang verwachte rondzendbrief versturen? Kan u iets doen aan de toestanden die ik hier beschrijf? Wat zult u doen voor mensen die hier banden hebben gesmeed, aan alle criteria voldoen, een plaatselijke verankering hebben en zelfs hebben bijgedragen aan de solidariteit aangezien ze gedurende minstens drie jaar bijdragen hebben betaald? Hoe kunnen ze worden geregulariseerd en een onbeperkte verblijfsvergunning krijgen?

Ik hoop dat de antwoorden verschillen van wat u hier vroeger hebt gezegd.

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - Ik wil eerst zeggen dat uiteenlopende situaties, die niets met het probleem van mensen zonder papieren hebben te maken, niet met mekaar mogen worden verward. Er is geen enkel rechtstreeks verband tussen de saturatie van de open opvangcentra en de regeringsverklaring die, volgens uw woorden, over mensen zonder papieren handelt. In de open centra verblijven asielzoekers - of die zouden er in de eerste plaats moeten verblijven - en niet de mensen die hier onregelmatig verblijven en die zich mogelijk op een regularisatie kunnen beroepen.

Er zijn verschillende redenen voor het feit dat de centra vol zijn. Het is aan de bevoegde minister om daarover een juiste analyse te maken.

De dossiers van vrouwen die een bevel krijgen om het grondgebied te verlaten omdat ze niet voldoen aan de eis tot samenwoning, worden individueel onderzocht. Indien bij dat onderzoek geweld wordt vastgesteld, wordt daar rekening mee gehouden. Er kan hun dan een verblijfsvergunning worden verleend.

Mensen die een werkvergunning hebben en op basis daarvan een in de tijd beperkte verblijfsvergunning, kunnen in beginsel na de derde verlenging een onbeperkte verblijfsvergunning krijgen.

Indien dat niet het geval is, worden ze niet illegaal maar kunnen ze nog steeds op het grondgebied verblijven met een beperkte verblijfsvergunning zolang ze een arbeidsvergunning hebben.

Ik herinner eraan dat de regels inzake arbeid eventuele beperkingen aan het verblijf opleggen en niet omgekeerd.

Aangezien de situaties die u aanhaalt al wettelijk worden geregeld, zie ik de noodzaak niet in om ze op te nemen in het ontwerp van rondzendbrief.

Mevrouw Sfia Bouarfa (PS). - Ik ben tevreden dat de minister ermee akkoord gaat dat vrouwen die het slachtoffer zijn van echtelijk geweld een regularisatie kunnen krijgen na een individueel onderzoek door de DVZ. Toch wil ik weten waarom in de praktijk het verblijf van die vrouwen in ons land niet wordt geregulariseerd.

Is er iets dat de minister ontgaat aangaande de manier waarop de procedures door de DVZ worden gevoerd? Ik ben bereid te geloven dat de minister de dossiers van vrouwen die het slachtoffer zijn van echtelijk geweld, op een menselijker manier aanpakt. Zij weet overigens dat die drama's alle milieus en nationaliteiten treffen en niet in het bijzonder vrouwen van vreemde origine.

Echtelijk geweld is lange tijd een taboe gebleven. Vele vrouwen aarzelen nog om erover te spreken en wanneer sommigen dat toch doen riskeren ze hun verblijfsrecht te verliezen. Dat is dramatisch. Samen met de heer Moureaux heb ik daarover een wetsvoorstel ingediend waarmee rekening zou moeten worden gehouden.

Ik hoor het de minister graag zeggen dat na een derde werkvergunning een onbeperkte verblijfsvergunning wordt verleend. In de praktijk is dat echter niet het geval. Ik kan de minister kopieën voorleggen van vierde en vijfde verlengingen. Toen ik dat zag, dacht ik dat me iets was ontgaan in de wetgeving. Ik weet niet of ik daarover de gewestregering of mevrouw Turtelboom moet ondervragen.

Ik heb die voorbeelden vermeld om ook over de mensen zonder papieren te spreken. Zij worden geconfronteerd met de weigering van de minister om het regeerakkoord uit te voeren. Dat is jammer. Wij zijn de vertegenwoordigers van de natie. Wij zijn verantwoordelijk tegenover het volk en we moeten ons als verantwoordelijke verkozenen gedragen. Dat betekent voor de minister dat zij het regeerakkoord uitvoert en de lang verwachte rondzendbrief uitvaardigt.

Ik zal dit aandachtig opvolgen.

Mondelinge vraag van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de nieuwe instructies aan de Dienst Vreemdelingenzaken inzake de verlenging van tijdelijke regularisaties» (nr. 4-624)

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Tijdens de plenaire vergadering van 5 februari 2009 bevestigde de minister dat zij nieuwe instructies had gegeven aan de Dienst Vreemdelingenzaken inzake de verlenging van tijdelijke regularisaties. Die instructies werden echter niet meegedeeld aan de mensen op het terrein, waardoor de onduidelijkheid nog is toegenomen.

Kan de minister een en ander toelichten en openbaar maken, bijvoorbeeld door die instructies op de website te zetten van de DVZ? Zullen die instructie later ook worden opgenomen in de geplande rondzendbrief over het regularisatiebeleid?

Worden voor elke regularisatie steeds dezelfde voorwaarden opgelegd of wordt er gedifferentieerd naargelang het dossier, met specifieke voorwaarden zoals het voorleggen van een arbeidskaart of beroepskaart, het volgen van een opleiding? Op welke basis beoordeelt DVZ welke voorwaarden per dossier belangrijk zijn?

Wat zegt de instructie over de personen die wel gewerkt hebben in hun eerste jaar, maar dan hun baan verloren hebben en nog op zoek zijn naar een nieuwe job? Hoelang moet iemand gewerkt hebben voor een verlenging van zijn verblijfsvergunning?

Klopt het dat alleen in geval van OCMW-steun geen verlenging wordt toegestaan? Na hoeveel maanden OCMW-steun moet DVZ de verlenging van de regularisatie weigeren?

Wordt bij een verlenging soms rekening gehouden met humanitaire redenen?

Mevrouw Annemie Turtelboom, minister van Migratie- en Asielbeleid. - De verblijfsreglementering van 1980 voorziet in verschillende statuten op basis waarvan men een verblijfsvergunning kan bekomen. Elk statuut heeft zo zijn eigen specifieke voorwaarden. Sommige daarvan dienen ook vervuld te worden om een verlenging te verkrijgen.

De wetgever heeft de jongste jaren de controle hierop voornamelijk aangescherpt. Het meest recente voorbeeld is dat gezinsherenigers nu gedurende drie jaar moeten aantonen dat ze daadwerkelijk samenwonen. Andere voorbeelden zijn: de student die moet aantonen dat hij of zij ingeschreven is en regelmatig naar de lessen gaat; de hoogopgeleide die jaarlijks een arbeidskaart moet voorleggen, enzovoort.

Ook vreemdelingen die geregulariseerd werden en een tijdelijke verblijfsmachtiging hebben gekregen, zijn onderworpen aan bepaalde voorwaarden, die ik net als in het verleden verder zal blijven controleren.

Daarom heb ik DVZ instructies gegeven om, voor wat betreft de verlengingen van verblijf, deze voorwaarden te controleren.

De voorwaarden voor hernieuwing van verblijf zijn aangegeven in de afgeleverde verblijfsvergunning. Derhalve zijn de betrokkenen hiervan op de hoogte en bestaat er geen enkel risico op onduidelijkheid. Daar individuele situaties steeds van elkaar verschillen en uniek zijn, is het moeilijk om een lijst van voorwaarden te publiceren via internet of via een rondzendbrief.

Zoals reeds gezegd is iedere situatie verschillend en het spreekt voor zich dat de voorwaarden voor regularisatie en hernieuwing van verblijf uiteraard niet dezelfde kunnen zijn voor een gezin met kinderen, een bejaarde, een ernstig zieke of iemand die uit een oorlogsgebied komt.

De dienst Vreemdelingenzaken baseert zich op de feitelijke situatie van de betrokkene en op de kennis die zij heeft van de toestand in het land van oorsprong. Het feit dat iemand een winstgevende activiteit uitoefent is één van de elementen waarvan het belang echter evident is.

Om de verblijfsvergunning te hernieuwen wordt rekening gehouden met het feit of de betrokkene daadwerkelijk werk heeft. Indien de betrokkene recent werkloos is geworden, dan zal zijn of haar verblijfsvergunning worden hernieuwd, maar de toestand zal na een bepaalde periode opnieuw worden geëvalueerd.

De niet-naleving van de voorwaarden voor de hernieuwing is een afdoende reden om een verlenging van het verblijf te weigeren. Of de persoon OCMW-steun ontvangt, is een van de elementen waarmee rekening wordt gehouden, net als het feit dat de persoon ten laste is van een familielid of een andere persoon.

Alle elementen van het dossier zijn onderzocht. En vanzelfsprekend worden alle humanitaire redenen steeds geëvalueerd overeenkomstig het Verdrag voor de Rechten van de Mens, dat in ons land wordt toegepast.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik dank de minister voor haar antwoord, hoewel dat op enkele punten niet echt concreet was.

Ik heb begrepen dat tewerkstelling een belangrijk element is. Ik heb echter niet gehoord hoe lang een persoon OCMW-steun kan ontvangen voordat de verlenging van zijn of haar verblijfsvergunning in het gedrang komt.

Ik roep de minister dan ook op duidelijkheid te scheppen en in de mate van het mogelijke humanitaire overwegingen in de criteria voor de verlenging van de verblijfsvergunning op te nemen. Ik beoog hiermee uiteraard de algemene criteria; de specifieke criteria in individuele dossiers kunnen inderdaad onmogelijk in een wet of een rondzendbrief worden opgenomen.

Mondelinge vraag van de heer Berni Collas aan de staatssecretaris voor Mobiliteit over «de circulaire betreffende de gemeentelijke machtiging die praalwagens toelaat gebruik te maken van de openbare weg» (nr. 4-630)

De heer Berni Collas (MR). - In deze crisistijd wil ik het hebben over een wat luchtiger onderwerp. Mensen moeten zich eens kunnen amuseren en hun dagelijkse beslommeringen even vergeten.

In de Oostkantons is carnaval een diep gewortelde traditie. De organisatoren van de vele carnavalstoeten die binnenkort zullen rondtrekken, maken zich echter ongerust.

Een circulaire van 22 januari 2009 machtigt de gemeenten praalwagens toe te laten gebruik te maken van de openbare weg. De circulaire die gebaseerd is op het koninklijk besluit van 27 januari 2008, was gericht aan de gouverneurs en de burgemeesters van het land.

Om gebruik te kunnen maken van de openbare weg moeten de carnavalwagens die niet ingeschreven zijn en niet aan de technische controle zijn onderworpen, beschikken over een machtiging van de gemeenten van vertrek en van aankomst. De machtiging moet rekening houden met de volgende elementen: de technische staat van het voertuig of de aanhangwagen, het traject met een beschrijving van de proefrit of het traject, de lading, de verplichte aansprakelijkheidsverzekering en het aantal voertuigen dat deel uitmaakt van de praalwagen; het tractorvoertuig moet door de technische controle zijn gekeurd.

De publicatie van de circulaire, enkele weken voor carnaval, heeft geleid tot verwarring en tot uiteenlopende interpretaties bij gemeentelijke verantwoordelijken en carnavalsverenigingen. Het Duitstalige dagblad Grenz Echo van 7 februari 2009 titelde Viel Verwirrung um Zulassung von Karnevalswagen. De meeste wagens voor de stoeten van dit jaar stonden immers al klaar.

Bovendien zijn er verschillende soorten wagens. Sommige wagens worden vervoerd tussen de gemeenten van vertrek en van aankomst door een ingeschreven, verzekerde en gekeurde aanhangwagen met tractor. Bij andere gaat het om oude, verbouwde en gemotoriseerde voertuigen die niet noodzakelijk gekeurd werden. Ten slotte zijn er nog de klassieke wagens met een aanhangwagen en tractor.

Ik vind het goed dat er een wettelijk kader komt voor carnavalswagens zodat de veiligheid op de weg kan worden gegarandeerd. Kan u mij wat meer uitleg geven over de circulaire?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Nu iedereen blijkbaar andere zorgen heeft, vind ik het goed dat we het kunnen hebben over carnaval.

De vragen over de carnavalswagens verbazen mij enigszins omdat vorig jaar, toen de nieuwe reglementering werd gepubliceerd, geen enkele kritiek werd geuit. Integendeel, er waren alleen felicitaties.

Ik wens eerst de toestand van vóór 2008 in herinnering te brengen. Elke carnavals- of praalwagen die zich op de openbare weg begaf, pleegde meerdere inbreuken op de bepalingen van het verkeersreglement - verkeerslichten, veiligheid van de lading, maximale afmetingen, gevaarlijke uitrustingen en zo meer - evenals op de bepalingen van het technisch reglement over de maximale afmetingen en de technische controle. Soms hadden voertuigen geen nummerplaat of was de bestuurder niet in het bezit van een geldig rijbewijs.

Het koninklijk besluit van 27 januari 2008 wilde precies de bestaande toestand regelen door een minimum aan voorwaarden op te leggen inzake verkeersveiligheid, als de voertuigen zich op de openbare weg begeven. Het koninklijk besluit bepaalt dat een gemeentelijke machtiging moet worden afgeleverd, maar preciseert niet met welke elementen de gemeentelijke overheid rekening moet houden. Bovendien wordt niet gezegd welke de betrokken gemeentelijke autoriteiten zijn.

Al die vragen hebben mij ertoe gebracht de reglementering in een circulaire te preciseren.

De circulaire bevat een aantal aanbevelingen aan de gemeentelijke overheid. Daardoor kan er een grotere eenvormigheid komen op het terrein. De gemeenten van vertrek en aankomst moeten erbij worden betrokken om de verplaatsing van de voertuigen een officieel karakter te geven. De circulaire bevat overigens alleen verwijzingen naar de bestaande reglementering en aanbevelingen, meer bepaald wat betreft de verplichte verzekering.

Als praalwagens een traject afleggen dat gesloten is voor het wegverkeer, bijvoorbeeld een uitgestippelde route voor een carnavalstoet, is het verkeersreglement niet van toepassing. De organisatoren beschikken bijgevolg over een grotere vrijheid.

Als de afmetingen van de tractoren en de aanhangwagens conform het technisch reglement zijn, zijn de bepalingen van de reglementering over de praalwagens niet van toepassing.

Ik ben op de hoogte van de persartikels waarnaar u verwijst. Ik heb met tevredenheid vastgesteld dat de gemeenten en de carnavalsverenigingen van de Duitstalige Gemeenschap verder gaan dan de federale reglementering, aangezien ze een technische controle en een verzekering verplicht stellen.

Het was zeker niet mijn bedoeling de praalstoeten overdreven te reglementeren zoals de plaatselijke pers insinueert, maar ze integendeel te bevorderen en aan te moedigen.

De heer Berni Collas (MR). - Ich zweifle keinen Augenblick an Ihren guten und lobenswerten Absichten.

Ik betwijfel uw goede bedoelingen geenszins.

De reacties zijn een gevolg van het feit dat uw circulaire van 22 januari enkele dagen later in de gemeenten is toegekomen en dat die gebonden zijn door een strikte timing. Aan de wagens wordt immers lang op voorhand gewerkt.

U zegt dat u overdreven reglementering wil vermijden. De machtigingen die zowel in de gemeenten van vertrek als van aankomst moeten worden aangevraagd, vergen echter bijkomende demarches.

Wie moet de veiligheid en de conformiteit van de voertuigen overigens controleren? De gemeente, de lokale politie of de organisatoren, zoals in het noorden van het land? Vaak gaat het om kleine tractoren met een kleine aanhangwagen, niet ingeschreven voertuigen dus die dus ook niet onderworpen zijn aan het technisch reglement.

Indien nodig zal ik hierop later terugkomen.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (Stuk 4-1096) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Berni Collas (MR), rapporteur. - Het voorliggende wetsontwerp werd op 8 januari aangenomen door de Kamer van volksvertegenwoordigers.

De Senaat heeft het op 22 januari geëvoceerd. De commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden heeft het op 28 januari besproken. De heren Daras en Martens hebben gevraagd hoorzittingen te organiseren, maar de minister en een meerderheid van de commissieleden meenden dat de Kamer dat werk al had gedaan.

In zijn inleidende uiteenzetting beklemtoont de minister dat twee types activiteiten moeten worden onderscheiden. Enerzijds omvat het gasvervoer in strikte zin alle gasvervoer waarvan het vertrekpunt of eindpunt zich in België bevindt. Anderzijds omvat de doorvoeractiviteit het vervoer van gas waarvan noch het beginpunt, noch het eindpunt zich in België bevindt.

De doorvoeractiviteit is hoofdzakelijk van toepassing op de internationale operatoren. Deze concurrentiële activiteit plaatst België vandaag op een centrale plaats op internationaal vlak, aangezien er alternatieve keuzes bestaan voor de leveranciers, zowel voor het transport per methaantanker of via andere landen, wat meer aantrekkelijke voorwaarden kan bieden, onder andere op het vlak van stabiliteit.

Deze strategische positionering van België als draaischijf voor de gasmarkt is van essentieel belang.

Het is belangrijk dat de toepasbare regels in deze materie niet enkel duidelijk zijn voor de netbeheerder Fluxys, maar ook voor de leveranciers, aan wie een maximale zichtbaarheid moet worden verzekerd in het licht van een stabiele en geloofwaardige Belgische markt.

De regering hecht veel belang aan netbeheerder Fluxys. Ze heeft beslist de historische energieoperator in België bij wet te dwingen zijn belang onder de blokkeringsminderheid te brengen en toe te staan dat Publigas, de `gewapende arm' van de gemeenten, en dus de vertegenwoordiger van de overheid, er meerderheidsaandeelhouder van wordt.

De voorgestelde wetswijzigingen willen twee essentiële elementen verduidelijken in verband met de doorvoer van aardgas: het statuut van de doorvoercontracten tussen de leveranciers en Distrigas of Fluxys, afhankelijk van de periode waarin ze werden gesloten, en het tariefregime dat van toepassing is op de doorvoer.

Het gaat bijgevolg om een wijziging van artikel 15/5quinquies en artikel 15/19 van de wet van 12 april 1965.

Voor de uiterst interessante gedachtewisseling met onze gedreven collega's Duchatelet en vooral Daras en Martens verwijs ik naar het schriftelijk verslag.

De amendementen van de heer Daras werden verworpen met 8 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding.

Het ontwerp werd in zijn geheel aangenomen met 7 tegen 3 stemmen bij 1 onthouding.

Dit verslag is goedgekeurd met 8 stemmen bij 1 onthouding.

De heer Bart Martens (sp.a). - Ik zal de discussie niet overdoen, maar me beperken tot het aanstippen van enkele belangrijke aspecten van het wetsontwerp.

Ten eerste, zal door het blijvend onderscheid tussen het transport voor verbruik in eigen land en transport voor doorvoer van gas, de strategische positie van onze aardgasnetbeheerder Fluxys in het Europees aardgasnet ondergraven worden. Door voor het transport andere tarieven te hanteren dan voor de doorvoer, zijn de tarieven niet voorspelbaar of transparant en is er ook geen duidelijkheid over de prijzen. Dat is nadelig voor toekomstige doorvoercontracten.

Daarom blijven we voorstander van cost plus voor het transport van gas voor eigen gebruikers en voor de doorvoer van gas doorheen ons land. Een gereguleerd prijzensysteem via cost plus is duidelijk en voorspelbaar en zal extra transshippers aantrekken om van ons net gebruik te maken voor de doorvoer van aardgas naar het achterland.

Ten tweede, worden we juridisch bijgevallen door de Raad van State, alsook door de Europese Commissie, die op een prejudiciële vraag van het Brussel hof van beroep heeft geantwoord dat naar haar oordeel volgens de Europese richtlijnen geen onderscheid mag worden gemaakt tussen transport en transshipment. Als we dit wetsontwerp goedkeuren, zullen we ons juridisch in de problemen werken. We zullen de Europese toets niet doorstaan en benadeelde partijen zullen zich dan ook aandienen bij de Raad van State en zelfs bij het Europees Hof van justitie.

Ten derde, worden door het wetsontwerp de historische transshipment-contracten die bij Distrigaz & Co zaten, buiten de gereguleerde context gehouden. Uiteraard is dat in het voordeel van wie die contracten heeft gesloten, zoals GDF SUEZ, want zij blijven die goedkope tarieven genieten. Het is evenwel in het nadeel van de nieuwkomers op de markt. Het is dan ook niet voor niets dat een bedrijf als het Noorse Statoil zich schriftelijk bij de Kamer heeft beklaagd over het wetsontwerp. Het bedrijf bestempelt de regeling als puur discriminerend en voorspelt dat het hen extra geld zal kosten. Ook verscheidene andere transshippers maken zich ernstige zorgen over mogelijk discriminatie.

Het wetsontwerp geeft een groot cadeau aan GDF SUEZ, maar zet een rem op de concurrentie op onze markt en heeft zelfs consequenties voor de prijs die Fluxys moet betalen voor de overname van de transitcontracten van Distrigaz & Co. Door het afzonderen van de historische transitcontracten uit de gereguleerde context moet Fluxys - en dus wij allemaal, aangezien Publigas, de vereniging die de belangen van de gemeenten verdedigt in het aardgastransportnet, een belangrijke aandeelhouder is - honderden miljoenen extra betalen voor de overname van die transshipment-contracten. Dat geld zal de consument op een of andere manier moeten ophoesten en zou door Fluxys zelf beter kunnen worden besteed voor investeringen in het uitbreiden van de opslag- en reservecapaciteit.

Conclusie: we denken dat dit wetsontwerp de Europese toets niet zal kunnen doorstaan; door het Europese Hof van Justitie onderuit zal worden gehaald; een gigantisch cadeau is aan GDF SUEZ; een enorm nadeel inhoudt voor de consument, die meer zal betalen voor het transport van aardgas; een grote belemmering vormt voor de concurrentie op onze markt en een ernstig nadeel is voor nieuwkomers op onze markt die nieuwe transshipment-contracten willen sluiten.

Om die redenen hebben we in de plenaire vergadering opnieuw de amendementen ingediend die in de Kamer werden besproken en die we in de commissie hebben gesteund. We vinden dit te belangrijk om er zomaar overheen te stappen. Het gaat om een onverantwoord cadeau van honderden miljoenen aan GDF SUEZ.

De heer Roland Duchatelet (Open Vld). - Ik zal me bij de stemming over het ontwerp onthouden. Ik was lid van de commissie, heb de verschillende partijen gehoord en het dossier bestudeerd en wil deze onthouding kort motiveren.

Het verschil tussen transport en doorvoer vormt op zich al een probleem. Tenslotte is doorvoer, als je er logisch over nadenkt, ook transport. De structuur die nu wordt ingevoerd en waarbij in definitie en kostprijs een verschil tussen beide wordt gemaakt, lijkt me dan ook niet logisch. Ik vrees dat het systeem voor problemen zal zorgen, niet alleen van juridische aard, maar op langere termijn ook van economische aard.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1320/6.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Martens amendement 1 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Martens amendement 2 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Martens amendement 3 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Martens amendement 4 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Martens amendement 5 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Op hetzelfde artikel heeft de heer Martens amendement 6 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

Artikel 3 luidt:

Op dit artikel heeft de heer Martens amendement 7 ingediend (zie stuk 4-1096/2) dat luidt:

-De stemming over de amendementen wordt aangehouden.

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 8bis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, om de wachttijd voor de vaststelling van een handicap in te korten (Stuk 4-1152) (artikel 81, derde lid, en artikel 79, eerste lid, van de Grondwet)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan mevrouw Lijnen voor een mondeling verslag.

Mevrouw Nele Lijnen (Open Vld), rapporteur. - Mensen die hun handicap officieel door de overheid willen laten vaststellen, moeten daarvoor aankloppen bij de directie-generaal Personen met een handicap. Volgens de huidige wetgeving moet het dossier in acht maanden worden afgehandeld. Tijdens de vorige legislatuur diende voormalig senator Stephanie Anseeuw, samen met voormalig senator Van de Casteele en huidig senator Zrihen, een wetsvoorstel in om die wachttijd tot zes maanden te verkorten.

Op 19 april 2007 keurde de plenaire vergadering van de Senaat het geamendeerde voorstel eenparig goed. De Kamer heeft het wetsontwerp niet meer behandeld voor de ontbinding van de federale wetgevende kamers op 2 mei 2007 met het oog op de parlementsverkiezingen van 10 juni 2007. Bijgevolg diende het ontwerp als vervallen te worden beschouwd. Als gevolg van de wet van 8 juni 2008 houdende opheffing van het verval van sommige wetsontwerpen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet, werd het wetsontwerp evenwel van verval ontheven.

De Kamer heeft het ontwerp met eenparigheid geamendeerd tijdens de plenaire vergadering van 29 januari 2009.

De commissie voor de Sociale Aangelegenheden van de Senaat besprak het geamendeerde wetsontwerp tijdens haar vergadering van 11 februari 2009. De commissie besliste met eenparigheid van de negen aanwezige leden om in te stemmen met het wetsontwerp in zijn geheel zoals het door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd overgezonden.

Tot slot wil ik heel graag de voormalige collega's Anseeuw en Van de Casteele en collega Zrihen feliciteren met hun voorstel. Door het inkorten van de wachttijd zitten mensen met een handicap minder lang in de onzekerheid en kunnen ze sneller een tegemoetkoming krijgen of speciale parkeerkaarten aanvragen.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Sociale Aangelegenheden is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers geamendeerd en teruggezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 52-1260/7.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 12 april 1965 betreffende het vervoer van gasachtige producten en andere door middel van leidingen (Stuk 4-1096) (Evocatieprocedure)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 3 van de heer Martens.

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 11
Tegen: 39
Onthoudingen: 7

-Het amendement is niet aangenomen.

-Dezelfde stemuitslag wordt aanvaard voor de amendementen 2 en 1 en voor de amendementen 4 tot 7 van de heer Martens. Deze amendementen zijn dus niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsontwerp in zijn geheel.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 36
Tegen: 19
Onthoudingen: 2

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen. Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 8bis van de wet van 27 februari 1987 betreffende de tegemoetkomingen aan personen met een handicap, om de wachttijd voor de vaststelling van een handicap in te korten (Stuk 4-1152) (artikel 81, derde lid, en artikel 79, eerste lid, van de Grondwet)

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-De Senaat heeft het wetsontwerp ongewijzigd aangenomen en derhalve ingestemd met de tekst zoals die door de Kamer van volksvertegenwoordigers werd geamendeerd. Het ontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 19 februari 2009 om 15 uur

Inoverwegingneming van voorstellen.

Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

Wetsontwerp houdende opheffing van het verval van sommige wetsontwerpen die een aangelegenheid regelen als bedoeld in artikel 77 van de Grondwet; Stuk 4-584/6 tot 8.

Art. 81, derde lid, en art. 79, eerste lid, van de Grondwet
Wetsontwerp tot opheffing van de wet van 11 april 1936 waarbij de regering gemachtigd wordt het binnenbrengen in België van sommige vreemde publicaties te verbieden; Stuk 4-594/5 tot 7.

Wetsontwerp tot wijziging van de wetgeving inzake de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de indiening van de vermogensaangifte; Stuk 4-1092/1 en 2.

Ontwerp van bijzondere wet tot wijziging van de wetgeving inzake de verplichting om een lijst van mandaten, ambten en beroepen, alsmede een vermogensaangifte in te dienen, wat betreft de indiening van de vermogensaangifte; Stuk 4-1093/1 en 2.

Wetsontwerp tot vaststelling van de totale kostprijs van de dienst van de gewestelijke belastingen, in uitvoering van artikel 68ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten; Stuk 4-1153/1 en 2.

Vanaf 17 uur: Stemmingen

Geheime stemming over de voordracht van kandidaten voor een ambt van assessor (F) bij de afdeling wetgeving van de Raad van State.

Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

Naamstemming over het ontwerp van bijzondere wet; Stuk 4-1093/1 en 2 (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet).

Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het instellen van een preventief consult in het kader van het Nationaal Kankerplan» (nr. 4-711)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Reeds in het Kankerplan vermeldde de minister van Volksgezondheid het invoeren van een preventief consult voor gezondheidsrisico's zoals kanker.

In haar beleidsnota komt ze daar nog eens op terug. Er staat letterlijk dat het preventief consult zal worden ingevoerd.

Nochtans is daarvoor geen wetenschappelijke evidentie en bestaat er heel wat verzet tegen bij de betrokken beroepsgroepen.

Wat is de stand van zaken betreffende het invoeren van het driejaarlijks preventief consult? Zal de minister het nu doorvoeren of niet?

Wat zijn de voorwaarden voor het preventief consult?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De uitvoering van het Kankerplan in verband met de invoering van een preventief consult bij de huisarts was het voorwerp van formeel en informeel overleg met de representatieve organisaties van de artsen binnen de Nationale Overeenkomstencommissie geneesheren-ziekenfondsen van het RIZIV.

Als resultaat van dit overleg werd in de overeenkomst geneesheren-ziekenfondsen 2009-2010, die goedgekeurd werd door het Verzekeringscomité gezondheidszorgen en door de Algemene Raad van het RIZIV, een extra budget ingeschreven. Dat bedraagt 20,9 miljoen euro in 2009 en wordt besteed aan het invoegen in de nomenclatuur van de huisartsen van een preventief consult voor personen tussen 45 en 74 jaar. Het consult wordt vergoed met een verhoogd honorarium van 10 euro voor het globaal medisch dossier, overeenkomstig punt 3.1.3 van de overeenkomst. Die overeenkomst werd nu naar alle Belgische artsen gestuurd, die zich al dan niet achter de inhoud kunnen scharen. Eind februari zullen we dan weten of de overeenkomst formeel aangenomen is door het medisch korps, maar gelet op de unanimiteit binnen de Commissie over de inhoud, is er weinig kans dat het anders zal zijn.

De Technisch Geneeskundige Raad van het RIZIV of TGR zal er bijgevolg mee belast worden om, in het kader van het globaal medisch dossier dat door de huisarts beheerd wordt, een preventiemodule uit te werken die volgende elementen zal bevatten:

De TGR zal die aspecten uitwerken met het oog op de implementatie ervan in het elektronisch medisch dossier, zonder dat dit het gebruik van de module door niet-geïnformatiseerde artsen in gevaar brengt.

De Nationale Raad voor Kwaliteitspromotie zal aanbevelingen opstellen betreffende de meetbare preventieve doelstellingen die voor elke doelgroep worden uitgewerkt.

Ik zal erop toezien dat dit punt van het akkoord zo snel als mogelijk wordt uitgevoerd. De module zou bij het einde van het eerste semester van dit jaar operationeel moeten zijn.

De maatregel die aanvankelijk hernomen was in het Kankerplan werd dus aangepast om tegemoet te komen aan de kritiek van het medisch korps en dat in perfect overleg met het korps. Ik ben heel blij met de constructieve houding waarvan het medisch korps blijk gaf en met het voorstel dat uiteindelijk werd goedgekeurd.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Als ik het goed heb begrepen ziet de minister af van het driejaarlijks consult en financiert ze een module binnen het elektronisch medisch dossier of binnen het gewone papieren medisch dossier voor wie helaas nog niet met een pc werkt, zodat per patiënt de preventie continu kan worden opgevolgd. Als dat het geval is, kan ik mij daarachter scharen. Ik heb mijn vraag alleen gesteld omdat ik over het preventief consult geen duidelijkheid vond in de verslagen van de commissie voor de Sociale Aangelegenheden, noch in de documenten van de Kamer. Daar spreekt men nog steeds van een handhaving van het driejaarlijkse consult, dat echter niet evidence-based is.

Vraag om uitleg van de heer Louis Ide aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de psychiatrische medische urgentieteams» (nr. 4-712)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Minister Onkelinx kondigde enkele weken geleden in de Kamer aan dat ze twaalf MUG-teams voor psychiatrische patiënten in het leven zou roepen. Die moeten de link vormen tussen de centra voor geestelijke gezondheidszorg en de psychiatrische spoedafdelingen in de ziekenhuizen. Het betreft in de eerste plaats een proefproject, maar toch heb ik nu al mijn bedenkingen.

Dat de minister iets wil doen voor psychiatrische patiënten is een lovenswaardig idee, maar dit project lijkt me niet echt de goede oplossing. Er rijzen veel problemen en vragen.

Met slechts twaalf equipes zal de aankomsttijd van deze equipes veel te lang zijn, waardoor in acute situaties toch nog een gewone MUG moet worden opgeroepen, die dan misschien ook nog eens moet wachten op de psychiatrische MUG alvorens naar het ziekenhuis te rijden. Het lijkt me eenvoudiger om de bestaande MUG-equipes bijvoorbeeld bij te scholen over psychofarmaca die kunnen worden gebruikt in acute situaties. Is de minister van plan een `tweede net' van psychiatrische MUG's te ontwikkelen? Welke arts zal dan aan het hoofd van deze MUG staan? De psychiater? Moet er telkens een psychiater mee als die MUG uitrukt? Hoe zal de selectie verlopen?

Waar gaat dit project door? Wat is de standplaats van deze psychiatrische MUG's? Welke specialisten zullen ze bemannen? Hoeveel zal het project kosten?

Kan de minister mijn verschillende bemerkingen over dit project begrijpen? Zo ja, wat is haar mening over de verschillende problemen die ik heb geschetst?

Zal ze met deze bemerkingen rekening houden bij de evaluatie van dit proefproject?

Is de minister bereid om de gewone MUG-equipes financiële steun te bieden voor bijscholing omtrent bijvoorbeeld psychofarmaca die in acute situaties kunnen worden gebruikt?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik geef het antwoord van minister Onkelinx.

Het project dat ik wens te realiseren, betreft de oprichting van mobiele interventieteams voor dringende psychiatrische hulpverlening en dus niet de oprichting van psychiatrische medische urgentieteams. Het is zeker niet de bedoeling een doorslagje te maken van de mobiele urgentiegroep, MUG. Het is dus belangrijk om de uitgangspunten van het project te verduidelijken. De mobiele interventieteams werken op een totaal andere manier dan de urgentieteams die worden ingezet voor levensbedreigende situaties.

Het project zal zich in de eerste plaats richten op patiënten met een psychiatrische problematiek die thuis of in een residentiële inrichting verblijven en die in een potentiële crisissituatie terechtkomen die rechtstreeks verband houdt met hun psychiatrische problematiek. Ze lijden niet aan een somatische aandoening, maar moeten worden opgenomen in een dienst van een algemeen ziekenhuis.

De gezinsorganisaties hebben het project trouwens heel positief ontvangen. In de praktijk moeten gezinnen dikwijls heel lang wachten op hulpverlening wanneer er dingen dreigen mis te lopen in de thuissituatie. Dankzij een dergelijk project kan de mobiele equipe naar de gezinswoning gaan en kan ze interveniëren nog vóór er zich een acute crisissituatie voordoet. De situatie kan zich dan stabiliseren of het interventieteam kan oordelen dat een ziekenhuisopname nodig is. Een korte interventie in de thuissituatie kan verhinderen dat patiënten opgenomen worden via de spoeddiensten van een algemeen ziekenhuis.

In de uitbouw van het project voorzie ik in een multidisciplinaire equipe van vijf voltijdse equivalenten en daarnaast, naar analogie met de wachtdiensten van de huisartsen, een vierentwintigurenwacht van psychiaters. Deze wacht kan georganiseerd worden door alle psychiaters die werkzaam zijn in een bepaalde regio, en moet niet aan een bepaalde instelling verbonden zijn.

Het budget dat voor de mobiele equipes werd begroot, bedraagt 3 679 000 euro.

Een vraag voor gedetailleerd advies werd overgemaakt aan de Nationale Raad voor ziekenhuisvoorzieningen. Ik verwacht het advies in de loop van deze maand. Zodra ik erover beschik, zal ik een openbare oproep doen.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - In de media, onder andere De Standaard, was sprake van een andersoortig MUG-team. Als ik het goed begrijp, gaat het om een team dat helpt crisissituaties thuis onder controle te krijgen. Ik ben benieuwd naar de resultaten ervan. Ik heb wel nog enkele vragen, waarop ik later zal terugkomen. Zal de wachtdienst voor psychiaters worden georganiseerd in het kader van de bestaande ziekenhuiswachtdiensten of wordt het een extra wachtdienst? Hoe zal dat praktisch worden georganiseerd?

De verduidelijkingen van de minister schenken mij echter voldoening.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «nosocomiale infecties» (nr. 4-713)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Zo'n 125 000 patiënten of zes procent van alle ziekenhuispatiënten lopen elk jaar een ziekenhuisinfectie op. Iets meer dan 2 600 patiënten overleven die infectie niet. Het vaakst overlijden patiënten aan longontstekingen en bloedbaan- en urinewegeninfecties die ze door een ziekenhuisbacterie oplopen.

Nosocomiale infecties verlengen het ziekenhuisverblijf gemiddeld met een week, wat neerkomt op 720 000 extra ligdagen, ze veroorzaken jaarlijks 2 625 extra overlijdens en kosten de ziekteverzekering 384 miljoen euro. Dat concludeert het Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg in een nieuw rapport. De helft van de ziekenhuizen wilden niet meewerken aan het onderzoek wegens geen geld of te weinig tijd. Dat stemt toch tot nadenken.

Bij het opzetten van incidentie- en prevalentiestudies moet, aldus het KCE, dan ook meer aandacht gaan naar de afdelingen die het meest met nosocomiale infecties te maken hebben. Infecties van de lage luchtwegen, septicemie en urineweginfecties moeten deel uitmaken van de surveillance en op de prioriteitenlijst voor preventieve acties komen. Prevalentiestudies op geregelde tijdstippen kunnen het effect van nationale campagnes opvolgen. Alle acute ziekenhuizen moeten er dan wel verplicht aan deelnemen, besluiten de auteurs.

De minister lanceerde reeds een campagne omtrent betere handhygiëne. Welke maatregelen gaat de minister nog nemen om in deze situatie verbetering te brengen?

Heeft het gebruik van betere onderhoudsproducten een plaats in de strijd tegen ziekenhuisinfecties?

Beschikt de minister over exacte cijfers van de ons omringende landen?

Wat denkt de minister van het jaarlijks publiceren via internet van scoretabellen betreffende nosocomiale infecties in ziekenhuizen en RVT's?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De handhygiënecampagnes zijn inderdaad zeer belangrijk, maar zijn zeker niet de enige initiatieven die de Belgian Antibiotic Policy Coordination Committee, de BAPCOC, en het federaal platform voor ziekenhuishygiëne de voorbije jaren in de bestrijding van ziekenhuisinfecties hebben genomen.

In 2002 werden lokale en nationale overkoepelende structuren opgericht, met name 9 regionale platforms voor ziekenhuishygiëne en het federaal platform voor ziekenhuishygiëne. Die platforms verzekeren de samenwerking en coördinatie van zowel regionale als op nationale initiatieven met een duidelijke kwaliteitsverbetering tot gevolg.

In 2006 werd de deelname aan de registratie van ziekenhuisinfecties door het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid verplicht gemaakt.

In 2007 werden nieuwe normen voor ziekenhuishygiëne gedefinieerd en werd de financiering voor ziekenhuishygiëne in de acute ziekenhuizen verhoogd met een bedrag van 4,3 miljoen euro.

Gelet op het succes van de vorige handhygiënecampagnes - 97% van de acute ziekenhuizen namen op vrijwillige basis deel en de naleving van de handhygiënevoorschriften steeg telkens van 50% vóór de campagne tot 70% na de campagne - zullen die campagnes tweejaarlijks worden herhaald. De derde campagne loopt momenteel.

Ook de nationale puntprevalentiestudies zullen voortaan tweejaarlijks worden herhaald. De tweede editie is gepland voor het najaar van 2009.

We stellen trouwens vast dat de combinatie van al die initiatieven zijn uitwerking niet heeft gemist. Zo zien we in de Belgische acute ziekenhuizen de laatste jaren een gunstige evolutie voor MRSA. Sinds 2003 daalt immers zowel de incidentie van nosocomiale MRSA als het resistentiecijfer, of het procentuele aandeel van MRSA in alle Staphylococcus aureus-isolaten.

Er is echter nog altijd ruimte voor verbetering. Met name in de chronische en psychiatrische ziekenhuizen en in de woon- en zorgcentra is er nood aan bijkomende initiatieven ter bestrijding van de zorginfecties. Immers, niet alleen de acute ziekenhuizen, ook de chronische en psychiatrische ziekenhuizen worden met ziekenhuisinfecties geconfronteerd. Het is duidelijk dat ook die ziekenhuizen voldoende middelen moeten krijgen om die infecties met de nodige expertise en deskundigheid te bestrijden. De huidige financiering is echter ontoereikend om dit doel ten volle te realiseren. Daarom heeft een werkgroep van het federale platform een `Voorstel voor de minimale bestaffing van teams voor ziekenhuishygiëne in gespecialiseerde, geriatrische en psychiatrische ziekenhuizen' uitgewerkt. De realisatie van dit voorstel, waar een kostenplaatje van 4,7 miljoen euro aan verbonden is, is een prioriteit op korte termijn.

Zorginfecties zijn bovendien niet langer beperkt tot ziekenhuizen. Door de intense uitwisseling van patiënten worden ook woon- en zorgcentra steeds vaker met de problematiek geconfronteerd. Die instellingen beschikken momenteel echter niet over de vereiste structuren en expertise om adequaat in te spelen op deze situatie. Daarom heeft een andere werkgroep van het federaal platform een `Voorstel voor een wetgevend initiatief voor de beheersing van zorginfecties in woon- en zorgcentra' uitgewerkt. Samen met mijn collega's van de gewesten en gemeenschappen heb ik onlangs besloten om dit voorstel te evalueren aan de hand van vier proefprojecten die nog dit jaar zullen starten. Ik maak hier een budget van 400 000 euro voor vrij.

Het gebruik van betere onderhoudsproducten heeft slechts een beperkt effect aangezien de ziekenhuisomgeving niet zo vaak een bron van besmetting is. De belangrijkste kiembronnen zijn de gehospitaliseerde patiënten met als belangrijkste overdrachtsweg de niet-ontsmette handen van de zorgverleners en besmet medisch materiaal.

Bovendien zorgen de teams voor ziekenhuishygiëne er al voor dat in alle ziekenhuizen goede aanbevelingen omtrent de reiniging en ontsmetting van oppervlakken en ruimten beschikbaar zijn voor het onderhoudspersoneel.

De prevalentie van 6,2% in België is perfect vergelijkbaar met de cijfers in andere Europese landen, die zich situeren tussen 5 en 9%.

De public disclosure van die cijfers zou de betrouwbaarheid van de registratie ernstig in het gedrang kunnen brengen. Gelet op de complexiteit van de materie - denk maar aan de enorme impact van de case mix van de patiënten - is een interpretatie en zeker een vergelijking van de cijfers van de verschillende ziekenhuizen bijzonder moeilijk. Het is niet ondenkbaar dat bepaalde ziekenhuizen de ziekste patiënten, die dus ook het meest vatbaar zijn voor ziekenhuisinfecties, zouden gaan doorverwijzen naar andere instellingen.

Een dergelijke rapportering roept dus veel vragen op en biedt geen enkele garantie voor een reële kwaliteitsverbetering.

We kunnen dit in ieder geval niet top down opleggen, maar moeten dit bij de betrokken zorgverleners bottom up laten groeien. Het federale platform werkt trouwens aan de definitie van valide kwaliteitsindicatoren voor ziekenhuishygiëne.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik dank de minister voor zijn zeer uitgebreide en goed doordachte antwoord. Een budget hiervoor is inderdaad nodig.

Het is een win-winproject. Elke euro die u erin steekt haalt u er weer uit, omdat er dan minder mensen zullen overlijden.

Bedenk dat meer dan 2 600 mensen per jaar overlijden als gevolg van die infectieziekten en dat er in 2008 857 verkeersdoden waren. In het derde millennium is elke patiënt die daaraan overlijdt er een te veel.

In Nederland zijn de cijfers wat beter in vergelijking met ons land. Het feit dat ze op een website werden geplaatst heeft effect gesorteerd. Het was een stimulans voor de ziekenhuizen om er iets aan te doen.

De guidelines zijn natuurlijk moeilijk te dragen voor iedereen.

Dokter Ide kent dat waarschijnlijk beter dan ik.

Volgens een artikel in de Artsenkrant heeft men toch veel baat bij de onderhoudsproducten. Het Gentse UZ en het OCMW van Lokeren hebben een onderzoek gevoerd naar biologische onderhoudsproducten. Na 8 000 stalen te hebben afgenomen in 2006 en 9 000 in 2007, zagen ze de verbluffende resultaten dat de ziektekiemen waren gehalveerd en dat de MRSA zelfs met 80 procent gedaald was. Die producten zijn helemaal niet duurder. Die mensen moeten beleidsmatig worden gesteund.

De heer Louis Ide (Onafhankelijke). - Ik deel de bezorgdheid inzake ziekenhuishygiëne omdat ik zelf ziekenhuishygiënist ben.

Men moet steeds openstaan voor innoverende initiatieven, maar het onderzoek in Lokeren is slechts één onderzoek, dat gevalideerd moet worden. Er moeten meer studies komen voor men naar die nieuwe techniek kan overstappen.

Het is niet zo eenvoudig om dat nu al te doen. Ik heb ook een zekere scepsis tegenover dit onderzoek.

Met public disclosure van cijfers moet men opletten. Een eenvoudig voorbeeld: een universitair ziekenhuis met veel zware pathologie, heeft bij manier van spreken `meer recht' op MRSA dan een gewoon ziekenhuis met minder zware pathologie. Hoe beter men MRSA opspoort, hoe meer men er vindt en dus bij wijze van spreken `hoe slechter het lijkt', terwijl men eigenlijk goed werkt.

Let dus op met het vergelijken van cijfers.

De puntprevalentiestudie ten slotte werd voor het eerst, op vrijwillige basis, georganiseerd en er werd een bedrag uitgetrokken voor de ziekenhuizen die meededen. Dat is een stimulans gebleken. Men gaat dat nu herhalen, maar men moet opletten dat men niet te veel zaken organiseert: én een handhygiënecampagne én een puntprevalentiestudie overstijgt de mogelijkheden van de mensen.

Beide zaken afwisselen is een goed idee.

Technisch is het soms moeilijk om bepaalde zaken uit te klaren, ik hoop op die manier een technische bijdrage te hebben geleverd.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het in stand houden van een wachtdienst van huisartsen in sommige landelijke gebieden» (nr. 4-714)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - De MR-fracties van Kamer en Senaat hebben op 13 juni 2008 een studiemiddag georganiseerd over het tekort aan huisartsen en de aantrekkelijkheid van de huisartsengeneeskunde. De conclusies ervan werden aan het kabinet van de minister bezorgd. Ik weet dat de promotie van de huisartsengeneeskunde een prioritair aandachtspunt van de minister is. Toch werd nog geen oplossing voorgesteld voor bepaalde landelijke gebieden waar de hulpkreet van de huisartsen niet wordt gehoord.

Zoals bekend zijn er in sommige landelijke gebieden niet voldoende huisartsen meer om de wachtdiensten te bemannen. Ik geef het voorbeeld van de wachtdienst Martelange-Fauvillers, waar ongeveer 5000 mensen wonen en waar begin april nog slechts drie huisartsen overbleven nadat er een met pensioen was gegaan. De artsen in dat gebied werken 10 tot 12 uur per dag en hebben al een zekere leeftijd - 60, 56 en 48 jaar -, en twee onder hen kunnen gezondheidsredenen aanvoeren om geen wachtdienst te hoeven doen. Dat betekent dat, indien niet onmiddellijk een maatregel wordt genomen, de laatste arts alle weekends wachtdienst heeft, wat onmogelijk is.

Hetzelfde probleem doet zich voor in Gouvy, met eveneens ongeveer 5000 zielen, waar het aantal huisartsen van drie naar twee gaat, en weldra ook in Herbeumont. We stellen dit tevens vast in Gedinne, Vresse en sommige streken in Henegouwen en Luik. Het is een algemeen probleem.

De artsen ertoe dwingen om na een uitputtende werkdag wachtdienst na wachtdienst te doen is absurd en ook gevaarlijk, niet enkel voor hun praktijk, maar ook voor hun eigen gezondheid.

Welke maatregelen kunnen er snel worden genomen om die toestand te verbeteren?

Wat zal de minister op zeer korte termijn doen voor de bedreigde landelijke gebieden?

Welk plan heeft zij voor die gebieden wanneer bijvoorbeeld bij een gezondheidsprobleem de wachtdienst niet meer kan worden gegarandeerd?

Vindt zij het normaal dat, in gebieden met een tekort, een huisarts gemiddeld 10 tot 12 uur werkt, om de drie weken een weekend en elke week een tot twee nachten van wacht is, en dat zonder recuperatie?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

De toestand van de huisartsengeneeskunde in landelijke gebieden vereist inderdaad een diepgaande studie en concrete maatregelen om een tekort in de toekomst en, op korte termijn, problemen inzake de organisatie van wachtdiensten te voorkomen.

In ons land is er gemiddeld één voltijdse huisarts per 1000 inwoners. De situatie in Martelange met drie huisartsen voor 1500 inwoners is dus niet uitzonderlijk, maar leidt wel tot problemen voor de organisatie van wachtdiensten en voor de middellange termijn, rekening houdend met de leeftijd van de huisartsen in die gemeente.

De jongste jaren werden verschillende aanmoedigingsmaatregelen genomen, waaronder het fonds Impulseo I dat premies van 20 000 euro en renteloze leningen geeft aan artsen die zich vestigen in gebieden met een lage bevolkingsdichtheid. Sinds oktober 2006 hebben 183 artsen gebruik gemaakt van een installatiepremie en 243 van een renteloze lening, van wie respectievelijk 15 en 9 in Luxemburg. In 2008 heb ik de zones van het fonds Impulseo I uitgebreid. Recent heb ik het fonds Impulseo II opgericht. Dat geeft aanzienlijke financiële hulp aan artsen die samenwerken in een netwerk dat administratieve hulp verstrekt. Een Impulseo III-fonds voor solopraktijken wordt nog opgericht. Die fondsen zullen het administratieve werk van de huisartsen sterk doen verminderen en ook het teveel aan werk in sommige gebieden verlichten.

De oplossing die door de actoren in gebieden met zeer lage bevolkingsdichtheid het vaakst wordt voorgesteld is het overnemen van de wachtdiensten door de urgentiediensten van de ziekenhuizen en de dienst 112. De Orde van geneesheren heeft daarover echter onlangs een negatief advies gegeven. Mijn juridische diensten onderzoeken momenteel deze problematiek om in de komende maanden een oplossing te vinden.

Daarnaast lanceer ik een proefstudie inzake een centrale dispatching die patiënten die in het weekend of 's nachts medische hulp wensen, hetzij rechtstreeks naar een urgentieziekenwagen stuurt, hetzij naar de wachtdienst van het dichtstbijzijnde ziekenhuis, hetzij naar een vooruitgeschoven wachtdienst, hetzij naar de huisarts van wacht. Dat systeem zou de huisartsen van wacht moeten ontlasten. Na een evaluatie zou dit systeem kunnen worden veralgemeend voor het hele Belgische grondgebied. Ik heb ook maatregelen genomen om de vooruitgeschoven wachtdiensten te ondersteunen, waardoor het aantal huisbezoeken significant afneemt.

De werkvoorwaarden van sommige artsen in landelijke gebieden zijn inderdaad moeilijk, maar als men de toestand wil verbeteren moet op middellange termijn de aanwezigheid van medische hulp in die zones verhogen. Er moeten dan andere maatregelen worden genomen zoals de verhoging van het aantal stages voor studenten en huisartsen in opleiding in die gebieden of het opzetten van hulp voor huisartsen in samenwerking met de plaatselijke besturen.

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Zeggen dat de toestand in Martelange niet uitzonderlijk is, getuigt van een miskenning van de situatie op het terrein. De artsen moeten er vele uren draaien en de toestand zal nog verslechteren na het vertrek van een van hen. Het is onmogelijk om aan de huisartsen te vragen een op de twee weekends wachtdienst te doen bovenop de weekdiensten. Dat is fysiek niet vol te houden.

De maatregelen met de Impulseofondsen zijn positief. We kunnen ons daarover slechts verheugen. Daarentegen getuigt het voorstel om de wachtdiensten te laten overnemen door de urgentiediensten eveneens van een gebrek aan kennis van de situatie in landelijke gebieden, waar een ziekenhuis soms 40 minuten ver ligt. Dat betekent dat in een spoedgeval een persoon dreigt te overlijden voordat hij een urgentiearts ziet.

Ik heb de minister al ondervraagd over de centrale dispatching. Die bestaat in Bergen. In andere gebieden, zoals in Luxemburg, schreeuwt de toestand om een oplossing, maar wordt niets gedaan. Hetzelfde geldt voor de vooruitgeschoven wachtdienst. Wij hebben geen behoefte aan een oplossing op middellange termijn, maar aan onmiddellijke oplossingen voor crisissituaties waarbij niet tegemoet wordt gekomen aan de behoeften van de bevolking.

Ik vraag de staatssecretaris mijn opmerkingen en mijn ontevredenheid aan de minister over te brengen.

Vraag om uitleg van de heer Alain Destexhe aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het gebruik van de geldmiddelen van Beliris» (nr. 4-717)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Alain Destexhe (MR). - De belangrijkste opdracht van Beliris bestaat erin het samenwerkingsakkoord van 15 september 1993 en zijn bijakten te concretiseren. Sinds 1993 voorziet de federale Staat jaarlijks in een budget voor de financiering van verschillende initiatieven in Brussel.

Volgens de Federale Overheidsdienst Mobiliteit en Vervoer waren `Mobiliteit en transport vanaf het begin de essentie van Beliris. Een optimale veiligheid garanderen en meer comfort bieden in het verkeer aan de Brusselaars en de duizenden pendelaars blijven dan ook de stokpaardjes. Niet alleen leggen we grote verkeersaders of publieke ruimtes opnieuw aan, we creëren en renoveren ook metrostations. Zowel personen met een beperkte mobiliteit, als voetgangers, fietsers, automobilisten of gebruikers van het openbaar vervoer, iedereen moet zich op de meest aangename manier door Brussel kunnen bewegen.'

Op het vlak van het openbaar vervoer is er zeer weinig uitgevoerd. De verwezenlijkingen via Beliris in de spoorwegen zijn zeer beperkt. De beschrijving van de omgeving van het Zuidstation op de site van Beliris lijkt wel verblinding: `Het grootste station van het land kon nieuwe impulsen gebruiken. De komst van de hogesnelheidstrein bood de gelegenheid die te geven. De nieuwe aanleg deelt de openbare ruimte in straten, lanen en pleinen in. Daardoor kon een hoogwaardige aanleg worden gecombineerd met een grotere veiligheid en een betere bereikbaarheid voor alle transportmiddelen. De toegangen voor het openbaar vervoer zijn gescheiden van het autoverkeer. De woonwijken werden rustig gehouden en de doorgaande verkeerstroom werd gekanaliseerd.' Wie dat stukje van de site heeft gemaakt, is waarschijnlijk nooit in de wijk geweest!

Op andere domeinen, zoals de renovatie van gebouwen en sociale woningen, zijn de verwezenlijkingen eveneens mager. De Internetsite geeft overigens bijna geen financiële informatie.

Hoe worden de door Beliris gefinancierde projecten gekozen?

Welke criteria worden gehanteerd om de prioriteiten in de werkzaamheden vast te stellen?

Hoeveel bedragen de uitgaven voor de projecten in uitvoering, per type uitgave: mobiliteit, gebouwen, herwaardering van de wijken en groene ruimtes?

Hoeveel middelen werden er sinds 1993 in totaal toegekend?

Wat zijn de tien belangrijkste realisaties?

Hoeveel middelen werden er de afgelopen vijf jaar toegekend en wat is het uitvoeringspercentage, per jaar?

Welke vertragingen zijn opgelopen in de uitvoering van de projecten en wie is daarvoor verantwoordelijk?

Bestaat er een precieze planning van de aan de gang zijnde werkzaamheden?

Wie verzet zich ertegen dat het Gewest de door Beliris en de federale overheid toegekende financiering rechtstreeks beheert?

Hoe kan de werking van Beliris worden verbeterd?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik geef het antwoord van de minister.

Hoe worden de projecten gekozen?

Het samenwerkingsakkoord van 15 september 1993 tussen de federale Staat en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met betrekking tot bepaalde initiatieven om de internationale rol en de hoofdstedelijke functie van Brussel te bevorderen, `Beliris' genoemd, wordt geregeld, in overeenstemming met artikel 43 van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse Instellingen, door het Samenwerkingscomité. Dat comité bestaat uit vier federale en vier gewestministers die in consensus beslissen over de initiatieven en projecten die in het samenwerkingsakkoord en zijn bijakten worden opgenomen.

Welke criteria worden gehanteerd om de prioriteiten in de werkzaamheden vast te stellen?

Er worden geen prioriteiten vastgesteld. De Directie Vervoersinfrastructuur, het bestuur van Beliris, heeft als taak op te schieten met alle dossiers. Talrijke gegevens beïnvloeden evenwel de volgorde van de werkzaamheden: het akkoord van alle partijen over een concreet project, de termijn om een bouwvergunning te bekomen, enzovoort.

Wat is de kostprijs van de projecten in uitvoering, per type uitgave: mobiliteit, gebouwen, herwaardering van de wijken en groene ruimtes?

De bijakte nr. 10 bij het Samenwerkingsakkoord, die de jaren 2008, 2009 en 2010 dekt, is onderverdeeld in zeven hoofdstukken.

Het eerst hoofdstuk, Mobiliteit, is goed voor een budget van 158 189 071 euro. Het tweede betreft de investeringen in de strategische zones van de Europese wijk en het Internationaal Ontwikkelingsplan van het Brussel Hoofdstedelijk Gewest. Het omvat een budget van 130 040 360 euro. Het derde betreft de Brusselse gebouwen en openbare ruimtes voor een bedrag van 56 920 142 euro. Het vierde omvat alle initiatieven in verband met de stimulering van de wijken en is goed voor een budget van 140 032 439 euro. Het vijfde betreft de stadsparken en vertegenwoordigt een budget van 47 425 593 euro. Het zesde betreft de culturele initiatieven, voor een bedrag van 29 925 800 euro. Het laatste hoofdstuk omvat de werkingskredieten van de Directie Vervoersinfrastructuur en de diverse kosten die niet in een ander specifiek hoofdstuk zijn ondergebracht. Het budget voor dat hoofdstuk bedraagt 46 808 200 euro. In totaal, samen met de overgedragen budgetten van de vorige jaren, bedraagt het budget dus 609 341 606 euro.

In 2008 heeft de Directie Vervoersinfrastructuur 117 728 745,15 euro van de 125 miljoen euro toegestane kredieten kunnen besteden. Dat komt dus neer op een besteding van 94%.

Hoeveel middelen werden er sinds 1993 in totaal toegekend?

Van 1993 tot 2009 werd via het Samenwerkingsakkoord een totaal bedrag van 1 749 897 471 euro toegekend.

Wat zijn de tien belangrijkste verwezenlijkingen?

Beliris heeft talrijke zaken verwezenlijkt, maar die zijn niet altijd zeer zichtbaar. Zo heeft Beliris 55 schoolomgevingen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vernieuwd en plant het nog 45 vernieuwingen in de loop van 2009-2010. Die vernieuwingen zijn niet erg zichtbaar, maar ze zijn wel essentieel voor de veiligheid van de kinderen en de ouders die hen naar school brengen.

Uitgedrukt in geld zijn de belangrijkste investeringen van Beliris onder meer de renovatie van het Atomium, van de Janletvleugel van het Koninklijk Instituut voor natuurwetenschappen en van het Congressenpaleis, de vernieuwing van vele wijkcontracten in alle uithoeken van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, de uitvoering van een deel van de verlenging van metrolijn 1A naar Erasmus (station COOVI en aanleg van sporen), de uitvoering van een deel van de metrolus parallel aan de kleine ring (stations Delacroix en Weststation), de aan de gang zijnde renovatie van het Paleis voor Schone Kunsten, de aan de gang zijnde aanleg van tramlijn 94 op de Vorstlaan, de vernieuwing, in het kader van het GEN, van het Schumanstation en de toekomstige vernieuwing van de GEN-stations van lijn 26 (Bordet, Moensberg, Meiser, Sint-Job, Diesdelle) het herstel van het Ter Kamerenbos en het Josaphatpark.

Hoeveel middelen werden de afgelopen vijf jaar toegekend en wat is het uitvoeringspercentage, per jaar?

Volgende bedragen werden begroot en besteed: in 2004 werd op het begrote bedrag van 101 190 000 euro 43 262 124 besteed; in 2005 werd er op het begrote bedrag van 101 190 000 euro 93 057 117 euro besteed; in 2006 werd er op het begrote bedrag van 101 190 000 euro 87 784 228 euro besteed; in 2007 werd er op het begrote bedrag van 125 000 000 euro 87 783 656 euro besteed; in 2008 werd er op een begroot bedrag van 125 000 000 euro 117 728 745 euro besteed. Op het totale begrote bedrag van 553 570 000 euro werd dus een bedrag van 429 615 870 euro besteed.

Alle bouwprojecten lopen vertragingen op, wie ook de projectontwikkelaar is. De oorzaken van de vertragingen bij Beliris kunnen van verschillende aard zijn. Ten eerste moet voor sommige projecten die in een bijakte zijn opgenomen, het proces nog volledig worden begonnen, met inbegrip van de opportuniteits- of haalbaarheidsstudie. Voor andere projecten moeten programma's worden opgesteld, wat tijd vergt. Ten tweede is er vaak veel tijd nodig om tussen alle partijen een akkoord te bereiken over een stedenbouwkundig project in Brussel. Ten derde vergt het tijd om van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een stedenbouwkundige vergunning te krijgen. Ten vierde geldt hetzelfde voor de procedures voor de goedkeuring van en de controles op de overheidsopdrachten door de federale Staat. Ten vijfde had de Directie Vervoersinfrastructuur, die belast is met de uitvoering van het samenwerkingsakkoord, te kampen met een ernstig personeelstekort. In 2006 telde deze Directie, die grote infrastructuurwerken beheert, slechts 43 ambtenaren. Via de personeelsplannen 2007 en 2008, kon de personeelsformatie worden verhoogd tot 112 ambtenaren. Gezien de lange procedures bij SELOR beginnen de wervingsprocedures nu pas resultaten op te leveren. De Directie Vervoersinfrastructuur beschikt vandaag over 85 ambtenaren. Tegen juni 2009 zouden er een honderdtal moeten zijn.

Elk projectleider houdt uiteraard een precieze kalender bij van de projecten die hij heeft uitgevoerd. Ik kan hier moeilijk de details geven van de meer dan honderd lopende projecten bij Beliris.

De keuze om de financiering die door Beliris en de federale overheid is toegekend, door het Gewest te laten beheren werd uitgelegd in de memorie van toelichting van het voorontwerp van de wet op de institutionele hervormingen, het zogenaamde `eerste pakket'. Als deze keuze ooit in de praktijk wordt omgezet, is het belangrijk de huidige Directie Vervoersinfrastructuur als `unieke' structuur te behouden, aangezien ze een zeer waardevolle administratie is, die door sommigen ten onrechte zwart wordt gemaakt.

Er is een oplossing voor de personeelsproblemen. De formatie van de Directie Vervoersinfrastructuur moet normaal gezien volledig zijn opgevuld in de loop van dit jaar.

Gelijktijdig is er ook contact opgenomen met de verschillende instanties die bij de administratieve afhandeling van de projecten betrokken zijn, om de procedures zoveel mogelijk te vereenvoudigen.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «het uitblijven van een koninklijk besluit over de ziekteverzekering voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen» (nr. 4-719)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Sinds 1 januari 2008 zijn de mogelijkheden voor niet-begeleide minderjarige vreemdelingen (NBMV) om zich aan te sluiten bij de ziekteverzekering uitgebreid. De NBMV die niet werken of nog niet in het rijksregister ingeschreven zijn, kunnen al een ziekteverzekering aangaan via de school of via een vrijstelling. Die regeling was echter beperkt tot de NBMV zelf en in de wet bleef een lacune bestaan. Wanneer een NBMV een kind kreeg in België, was dat kind niet verzekerd omdat het in strikte zin geen NBMV was. Ik heb dat probleem vorig jaar aangekaart en de minister heeft die lacune verholpen door een wijziging van de ZIV-Wet.

Op 19 december 2008 werd in de ZIV-Wet van 14 juli 1994 een nieuwe mogelijkheid tot verzekerbaarheid ingeschreven voor kinderen ten laste van NBMV. De nieuwe regeling geldt met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 en maakt het mogelijk kinderen van NBMV aan te sluiten bij de ziekteverzekering als het kind ten laste is van de niet-begeleide minderjarige ouder die zelf verzekerd is via de school of via een vrijstelling. Er moet echter nog altijd een koninklijk besluit worden opgesteld dat het recht op een verhoogde tegemoetkoming regelt voor de NBMV en hun kinderen. De minister had dat besluit nochtans aangekondigd, zodat de NBMV minder remgeld zouden moeten betalen en het OMNIO-statuut zouden krijgen. Voorts moeten zij ook niet meer steeds naar het OCMW om het remgeld te vragen, waardoor de administratieve rompslop voor de OCMW's ook afneemt.

Is de minister van plan het beloofde koninklijk besluit op korte termijn op te stellen? Wat is de streefdatum? Verwacht ze eventueel nog moeilijkheden in verband met dit aspect? Zolang het besluit niet in werking treedt, kan immers geen verhoogde tegemoetkoming worden uitgekeerd en is er ook geen sprake van het OMNIO-statuut.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Het koninklijk besluit houdende toekenning van het recht op een verhoogde tegemoetkoming (het OMNIO-statuut) voor niet-begeleide minderjarigen en hun kinderen werd in augustus ter goedkeuring of verwerping aan de staatssecretaris voor Begroting voorgelegd. Tot nu toe heeft hij nog geen beslissing genomen.

Ik heb de staatssecretaris zopas nog een herinnering gestuurd en volgens zijn kabinet zou hij er zich zeer binnenkort mee akkoord verklaren. Zeer onlangs heeft het RIZIV immers bijkomende preciseringen bezorgd aan de administratie voor Begroting, op grond waarvan het dossier snel moet kunnen worden afgesloten.

Als staatssecretaris kan ik dat alleen maar bevestigen. We kunnen het dossier op de agenda van de Ministerraad van 20 februari aanstaande zetten. Er bestonden immers nog altijd vragen over de begrotingsenveloppe waarin men de kosten voor het nieuwe statuut zou onderbrengen, en over het geschatte aantal rechthebbenden. Deze week heeft mijn kabinet die informatie ontvangen.

Ik lees nu verder het antwoord van de minister.

Als de Ministerraad het besluit heeft goedgekeurd, moet eerst nog het advies van de Raad van State worden ingewonnen en zijn er nog andere formaliteiten alvorens het besluit kan worden afgekondigd. Dat duurt minstens nog twee maanden.

Hoe betreurenswaardig die vertraging ook is, ze zal geen negatieve gevolgen hebben voor de betrokkenen. Hun gezondheidszorg wordt voortaan terugbetaald.

In overleg met de strategische cel van de staatssecretaris voor Begroting hebben we tevens nuttige lering getrokken uit die uitzonderlijke vertraging en een procedure uitgewerkt om te voorkomen dat een en ander opnieuw voorvalt.

Als staatssecretaris voor Begroting kan ik dat bevestigen.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik vind het jammer dat deze zaak een half jaar heeft aangesleept, maar toch ben ik blij te vernemen dat ze op de agenda van de Ministerraad van 20 februari staat en dat er dus een beslissing komt. Ik weet dat het besluit terugwerkende kracht zal hebben, maar dat geldt uiteraard niet voor de vermindering van de administratieve rompslomp voor de OCMW's.

Ik zou ook graag hebben dat de mensen die de verhoogde tegemoetkoming die samenhangt met het OMNIO-statuut niet hebben gekregen omdat het koninklijk besluit nog niet is opgesteld, deze alsnog met terugwerkende kracht krijgen. Er moet immers voor gezorgd worden dat de betrokkenen door het uitblijven van dat besluit geen schade zouden ondervinden.

Vraag om uitleg van mevrouw Lieve Van Ermen aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de internationale rekrutering van ziekenhuispersoneel» (nr. 4-723)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - In drie jaar tijd plaatste het bedrijf Moving People al meer dan 300 gekwalificeerde zorgverstrekkers in Franstalige Belgische en Franse ziekenhuizen. Het bedrijf bestaat sinds 2005 en heeft permanente filialen in Roemenië en Libanon, waar ze personeel rekruteren.

De assistenten die Moving People hier aan het werk zet, vallen niet onder de quota van de universiteiten.

Men kan er van uitgaan dat dit een oplossing is voor het tekort aan assistenten en specialisten in sommige ziekenhuizen. Het is bovendien een stuk eenvoudiger dan de maatregelen waarop de ziekenhuiswereld aandringt: betere werkomstandigheden en een hogere verloning om te voorkomen dat de Belgische artsen naar het buitenland trekken of een privépraktijk beginnen.

Een jaar geleden heb ik reeds over het quotum van het aantal artsen vragen gesteld en bleven de antwoorden vaag.

Ik stel vast dat men er vandaag blijkbaar voor kiest de eigen kandidaat-studenten aan een strenge selectieproef te onderwerpen, althans wat Vlaanderen betreft, en velen de studies te ontzeggen, om dan vervolgens via een privéfirma buitenlandse artsen te rekruteren om de eigen gecreëerde tekorten aan te vullen.

Vindt de minister dit een juist beleid?

Hoe kan ze de kwaliteit en bekwaamheid garanderen van deze nieuwe gerekruteerde artsen, die enkel dienen te slagen voor een Frans taalexamen? Zijn er nog andere maatstaven waaraan zij moeten voldoen?

Heeft ze vandaag reeds gegevens over het aantal artsen die dit bedrijf reeds in ons land tewerkstelde en waar?

Hoe gaat ze het tekort aan artsen in Vlaanderen bijsturen gezien het bedrijf momenteel Franstaligen rekruteert?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Moving People is inderdaad een organisatie die gezondheidswerkers rekruteert, tot nu toe voornamelijk paramedici.

Over het algemeen is de situatie verschillend voor de Europese en niet-Europese artsen.

Voor wat de intra-Europese mobiliteit betreft, inclusief mensen afkomstig uit Roemenië, is de professionele erkenning van de kwalificaties van de Europese artsen gebaseerd op de Europese richtlijn 2005/36/EG betreffende de erkenning van beroepskwalificaties. Sinds de toetreding van Roemenië tot de Europese Unie op 1 januari 2007, is de Europese wetgeving ter zake van toepassing. In 2007 was richtlijn 93/16/EEG van toepassing voor de artsen, maar sinds eind oktober 2007 heeft de nieuwe unieke richtlijn 2005/36/EG de oude richtlijnen betreffende de beroepserkenning vervangen. Wat de erkenning van de professionele kwalificaties van de Europese artsen betreft, werd deze richtlijn omgezet in Belgisch recht in:

Artsen van buiten Europa moeten eerst een erkenning van de gelijkwaardigheid van hun diploma verkrijgen bij de Vlaamse of Franse Gemeenschap en ze kunnen hun beroep pas uitoefenen na akkoord van de minister van Volksgezondheid, na raadgevend advies van de Koninklijk Academie voor Geneeskunde van België. Over Libanese artsen die zouden gerekruteerd zijn via Moving People heeft de administratie nog niets ontvangen. Tot op heden hadden de dossiers van Libanese gezondheidswerkers die Moving People doorstuurde alleen betrekking op verpleegkundigen.

De kwaliteit en de bekwaamheid van deze Europese artsen, inclusief de Roemeense, zijn gegarandeerd door de bepalingen van richtlijn 2005/36/EG. Om automatisch in België erkend te worden, moeten ze inderdaad een opleiding volgen die beantwoordt aan de voorwaarden die vastgelegd zijn in artikel 24 van deze richtlijn: onder meer 6 jaar studies gevolgd hebben of 5 500 uren theoretisch en praktisch onderwijs genoten hebben in een universiteit of onder toezicht van een universiteit. Een lijst van de onmisbare kennis en bevoegdheden staat eveneens in dit artikel.

In het geval dat de artsen geen opleiding volgden die overeenstemt met die welke vereist is volgens het artikel 24, kunnen ze alleen automatisch erkend worden indien ze, op een legale en doorlopende wijze, drie jaar een praktijk hadden gedurende de vijf voorgaande jaren in een andere lidstaat en indien de bevoegde overheid van die Staat ons dat met een officieel document bevestigt. Dat is wat men de verworven rechten noemt die opgenomen zijn in artikel 23, §1, van de richtlijn 2005/36/EG.

Voorts moeten de Europese artsen die in België hun beroep willen uitoefenen, geen taalexamen afleggen om hun beroep te mogen uitoefenen.

We hebben geen cijfers over het aantal Roemeense artsen waarvoor een erkenningsdossier werd ingediend via Moving People. Voor onze administratie is de aanvrager de gezondheidszorgbeoefenaar. We moeten geen aandacht schenken aan de eventuele tussenpersonen.

Blijkbaar houdt Moving People zich sinds 2008 bezig met dossiers van Roemeense artsen; voorheen hield de organisatie zich grotendeels bezig met de dossiers van Roemeense verpleegkundigen.

Sinds de toetreding van Roemenië tot de EU in 2007 evolueerde het aantal geïnventariseerde aanvragen van Roemeense artsen als volgt.

In 2007 hebben 123 Roemeense artsen toegang gevraagd tot het uitoefenen van de geneeskunde op 428 aanvragen voor toegang tot het uitoefenen van de geneeskunde van Europese en niet-Europese ingezetenen.

In 2008 hebben 116 Roemeense artsen toegang gevraagd tot het uitoefenen van de geneeskunde op 433 aanvragen voor toegang tot het uitoefenen van de geneeskunde van Europese en niet-Europese ingezetenen.

In 2009 hebben tot op heden 18 Roemeense artsen toegang gekregen tot de uitoefening van de geneeskunde.

De Roemeense artsen beschikken uitsluitend over een basisdiploma en dus over een RIZIV-nummer dat op 000 eindigt. Ze mogen bijgevolg alleen assisteren bij chirurgische ingrepen of superviseren in zaal. Elke vorm van consultatie, bezoek of voorschrijven van een technische handeling is uitgesloten.

Er is geen verband tussen het relatieve gebrek aan artsen binnen bepaalde specialiteiten en de activiteit van een organisatie zoals Moving People. Ik verwijs naar de beslissingen die recent werden genomen met betrekking tot de quota die progressief verhogen van 757 naar 1230, en betreffende de aantrekkelijkheid van de huisartsgeneeskunde, bijvoorbeeld via de Impulseofondsen I en II.

Mevrouw Lieve Van Ermen (LDD). - Ik was aanvankelijk een beetje ontgoocheld door het antwoord want ik kende die antwoorden al. Ik zit al heel lang in een erkenningscommissie en weet hoe ze werkt.

Wat het beleid betreft, blijf ik onvoldaan. Er is een economische drift: Vlaamse artsen gaan in Nederland werken en Franstalige in Frankrijk. In de toekomst zal hun plaats steeds meer worden ingenomen door goedkopere krachten uit Oost-Europa. Ik weet dat we niet tegen Europese richtlijnen kunnen ingaan, maar toch moet België dit fenomeen beleidsmatig bekijken. Op die vraag heb ik geen antwoord gekregen.

Vraag om uitleg van de heer Marc Elsen aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de sluiting van verschillende postkantoren» (nr. 4-721)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Marc Elsen (cdH). - Het Europees Parlement heeft in juli 2007 de volledige `liberalisering' van de postmarkt op 1 januari 2011 goedgekeurd. De Europese postrichtlijn verplicht de lidstaten aan alle burgers zonder onderscheid een universele dienstverlening van hoge kwaliteit en aan een redelijke prijs te waarborgen.

In antwoord op mijn vorige parlementaire vraag over dit onderwerp heeft de voorganger van de minister, mevrouw Vervotte, ons trouwens verzekerd dat die dienst voor alle burgers gewaarborgd blijft, en dat vijf dagen per week.

Gelijktijdig met de voorbereiding van de liberalisering, heeft De Post beslist zijn netwerk om te vormen en 277 postkantoren te sluiten. Die hervorming moet de postdiensten winstgevend maken.

Vandaag zien we echter negatieve gevolgen van die beslissing, bijvoorbeeld in Verviers, waar de hervorming de sluiting van het kantoor van Mangombroux op 23 februari tot gevolg zal hebben. Alleen het Retailkantoor van het centrum wordt behouden. Sinds de tijdelijke sluiting van het kantoor van Mangombroux in de zomer van 2006 is het aantal klanten en de rentabiliteit van dat Retailkantoor alleen maar gestegen.

Door dergelijke sluitingen gaan banen verloren en moet een groot deel van de bevolking naar het stadscentrum voor hun bankverrichtingen, terwijl het centrum steeds meer dichtslibt en moeilijker bereikbaar wordt en een wijk als Mangombroux zich volop ontwikkelt.

We moeten ons voorbereiden op de liberalisering van de markt in 2011 en de nodige maatregelen nemen om de postdienst concurrerend te maken, maar we kunnen dat doen zonder ernstige sociale gevolgen teweeg te brengen en met behoud van een kwalitatieve dienst voor de bevolking.

Houdt De Post in haar hervormingen rekening met de geografische, stedelijke, sociale en economische omstandigheden?

Denkt de minister dat een betere samenwerking met de gemeenten moet worden bevorderd teneinde een kwalitatieve dienst te verzekeren?

Blijft De Post in overleg werken met de vakbonden, zoals bepaald in haar strategisch plan?

Kan de minister bevestigen dat de voorbereiding van de liberalisering van de markt zonder naakte ontslagen zal verlopen?

Denkt de minister dat de beslissing van mevrouw Vervotte om te voorzien in twee bedelingen per week, in plaats van drie door de andere operatoren, het voortbestaan van De Post kan garanderen?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.

In het kader van het hervormingsplan van het netwerk van verkooppunten, streeft De Post een tweevoudig doel na: de economische leefbaarheid van het netwerk en de toegankelijkheid van de diensten aan zoveel mogelijk mensen verzekeren.

De Post is dus afgestapt van de dienstverlening met een enkel toegangspunt, namelijk het postkantoor en kiest voor een dienst met verschillende toegangspunten: het postkantoor, het PostPunt, de eShop op internet en de postzegelwinkels.

Die hervorming houdt rekening met drie elementen: ten eerste, de absolute noodzaak om het verlies van het netwerk van verkooppunten van De Post zo klein mogelijk te houden door het aantal verkooppunten terug te brengen tot 650 postkantoren en 650 PostPunten; ten tweede, de mogelijkheden die verband houden met het beheerscontract, namelijk het behoud van minimaal één postkantoor per gefusioneerde gemeente; ten derde, cijfers over het aantal bezoeken en socio-demografische gegevens in verband met elk kantoor.

In het kader van de hervorming is de samenwerking met de gemeenten in het beheerscontract gedefinieerd: de verplichting tot overleg met de gemeentelijke overheid in geval van sluiting van een postdienstpunt, een postkantoor of een PostPunt dat meer dan vijf kilometer verwijderd is van een andere postdienst. De Post komt die verplichting na en doet vaak zelfs meer. Ze blijft bereid tot dialoog met elke betrokken gemeente als die gemeente zich constructief opstelt inzake de invoering van alternatieve oplossingen voor postkantoren. Ze biedt de gemeenten ook de mogelijkheid zich kandidaat te stellen voor de opening van een PostPunt.

De Post heeft steeds in overleg met de sociale partners gewerkt en zal dat blijven doen. De Post heeft opnieuw beloofd, in de huidige collectieve arbeidsovereenkomst, niet tot naakte ontslagen over te gaan. Die principes, die ik essentieel acht, gelden al van bij de aanvang van de hervormingsprojecten van de onderneming.

De heer Marc Elsen (cdH). - Ik neem nota van de verschillende verduidelijkingen, in het bijzonder over het overleg met de sociale partners.

De gevolgen kunnen inderdaad vreemd lijken: sommige postkantoren zien hun rentabiliteit stijgen, maar zullen misschien moeten sluiten. Het lijkt me bijzonder moeilijk om dat te doen inzien.

Vraag om uitleg van mevrouw Dominique Tilmans aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de wijzigingen in de dienstregeling van de NMBS op lijn 162 tijdens de spitsuren sinds 1 februari 2009» (nr. 4-716)

Mevrouw Dominique Tilmans (MR). - Ik zal beknopt en positief zijn.

Ik dank de NMBS omdat ze, na enig aandringen, positief heeft gereageerd op de catastrofale situatie in de provincie Luxemburg. Ik heb zelf de trein genomen om 7.40 uur en dankzij de toevoeging van een vijfde wagon kunnen de reizigers nu eindelijk zitten.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik zal de bevoegde minister de complimenten overmaken.

Vraag om uitleg van de heer Richard Fournaux aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen over «de treinverbinding Dinant-Namen-Brussel» (nr. 4-724)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Richard Fournaux (MR). - Het is niet de eerste maal dat ik de bevoegde minister een vraag stel over de spoorverbinding Dinant-Namen-Brussel, die door zeer veel pendelaars wordt gebruikt.

Om mij onbekende - technische of politieke - redenen zijn het altijd de pendelaars uit Luik, Andenne en Hoei die rechtstreeks kunnen doorreizen naar de hoofdstad, terwijl pendelaars uit het zuiden en Dinant systematisch enkele minuten stilstaan, en dat zowel 's ochtends als 's avonds. De mensen uit het zuiden zijn de weerkerende problemen in het station van Namen een beetje beu.

Trouwens, vanaf Namen - en hier wordt iedereen getroffen - zitten de treinen altijd overvol. De pendelaars die in Ottignies-Louvain-la-Neuve opstappen moeten vaak de hele weg naar Brussel staan.

Terwijl iedereen de mond vol heeft van duurzame ontwikkeling en nieuwe inspanningen inzake mobiliteit, wordt de toestand voor de pendelaars vrijwel onhoudbaar. Er wordt voortdurend gesproken over de koopkracht en alternatieven voor de auto, met andere woorden het openbaar vervoer.

Voor de pendelaars die deze lijn nemen, wordt de situatie ondraaglijk. Er moet een structurele oplossing worden gevonden.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.

De verbinding Dinant-Namen-Brussel kan momenteel niet worden ontdubbeld omdat de Noord-Zuidverbinding in Brussel op de spitsuren verzadigd is.

In artikel 10 van het beheerscontract van de NMBS staat dat een nieuw vervoersconcept zal worden bestudeerd. Het directoraat-generaal Vervoer te Land moet me de resultaten van die studie uiterlijk op 30 juni 2010 voorleggen.

De NMBS zal onderzoeken over hoeveel reizigers het eventueel zal gaan teneinde het aanbod daarop af te stemmen, wat een van de wensen van het beheerscontract is. De verbetering van de kwaliteit van het aanbod is een prioriteit.

De NMBS zal onderzoeken welke interstedelijke relaties een potentieel bieden voor de inleg van meer treinen, met bijzondere aandacht voor de regio's waar het aanbod beperkt is in vergelijking met de behoeften en alwaar een hoger kwaliteitsniveau van materieel wenselijk is. In dat kader zal de dienst op de spoorverbinding Dinant-Namen-Brussel worden bekeken.

De NMBS zal ten laatste tegen december 2011 in overleg met het directoraat-generaal Vervoer te Land, de regionale vervoersmaatschappijen en andere stakeholders het nieuwe klantgerichte en geïntegreerde vervoersconcept implementeren.

De heer Richard Fournaux (MR). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik vraag me altijd af waarom de verbinding met Luik in het station van Dinant voorrang heeft, terwijl de mensen uit Dinant en Namen systematisch moeten wachten. Die lijn zal nog `de rode trein' worden genoemd!

De voorzitter. - Het is een preventieve maatregel tegen de revolutie.

De heer Richard Fournaux (MR). - Misschien. Ik wil het debat tussen het graafschap Namen en het prinsbisdom Luik niet oprakelen, maar ik herinner eraan dat Dinant een `goede stad' is van het prinsbisdom Luik en dat het stadhuis van Dinant de zomerresidentie van de prins-bisschoppen van Luik was. Er moet dus ook rekening worden gehouden met de Dinantezen, en niet alleen met de Luikenaars die uit Luik komen.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de minister van Justitie over «de toepassing van de wetten tot bescherming van de maatschappij» (nr. 4-710)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Philippe Monfils (MR). - In de nasleep van dramatische misdaden is er rond het thema internering heel wat discussie ontstaan. Psychiaters deden overigens uiteenlopende uitspraken over de mogelijkheid om na te gaan of een persoon zich in een staat van krankzinnigheid, dan wel van mentaal onevenwicht of zwakzinnigheid bevindt, waardoor hij zijn daden niet meer kan controleren. We zagen dat meer bepaald in de zaak Lhermitte.

De publieke opinie krijgt terecht de indruk dat internering niet het gevolg is van concrete feiten, maar veeleer een manier om aan zijn straf te ontsnappen. Die indruk kan nog worden versterkt door - ik zeg het met een eufemisme - de discretie die de internering wegens misdaden of wanbedrijven omgeeft. Zelf heb ik getracht er meer over te weten te komen, maar ik heb alleen schaamteloos simplistische statistieken gevonden.

Daarom zou ik graag precieze inlichtingen over de problematiek ontvangen.

Hoeveel beschuldigden en veroordeelden wegens misdaden en wanbedrijven zijn er momenteel geïnterneerd? Hoe lang duurt hun internering?

Zijn er geïnterneerden op proef vrijgelaten? Hoe lang waren zij al geïnterneerd?

Zijn er geïnterneerden definitief vrijgelaten en wat was de duur van hun internering?

Internering is weliswaar geen straf want men interneert om medische redenen. Een geïnterneerde kan genezen, maar het is toch normaal dat men nagaat of de wetten tot bescherming van de maatschappij wel ernstig worden toegepast. We moeten ons ervan vergewissen dat bij de behandeling en bij de eventuele vrijlating rekening wordt gehouden met alle parameters - vooral met de gevaarlijkheid van de geïnterneerde of met het risico op recidive - en dat de wet niet laks wordt toegepast.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister.

Internering is een maatregel tot bescherming van de maatschappij en dus geen straf. Ze dient om iemand te behandelen die een misdaad heeft begaan in een staat van krankzinnigheid of zwakzinnigheid. De maatregel is van nature van onbeperkte duur en kan worden uitgesproken door een onderzoeksrechter of door een grondrechter.

Zodra de internering wordt uitgesproken, beslist een administratief rechtscollege, de commissie tot bescherming van de maatschappij, over de plaats van internering, over eventuele aanpassingen aan de behandeling, over de mogelijkheid tot vrijlating op proef of zelfs tot definitieve vrijlating. Daartoe past ze de vigerende wetgeving toe.

De wet van 21 april 2007 over de internering, die nog niet van kracht is, bepaalt dat de strafuitvoeringsrechtbank beslist over de uitvoeringsmodaliteiten en de voorwaarden van de internering.

Als de commissie tot bescherming van de maatschappij zich uitspreekt over een uitvoeringsmodaliteit van de internering of over een vrijlating op proef, houdt ze daarbij rekening met eventuele contra-indicaties in hoofde van de geïnterneerde. Die contra-indicaties hebben betrekking op de afwezigheid van enig vooruitzicht op sociale reïntegratie, onvoldoende beterschap in de geestesziekte waaraan betrokkene lijdt, het risico dat hij zware misdrijven begaat, het risico dat hij slachtoffers lastigvalt, enzovoorts.

Bijgevolg zal de duur van de internering sterk variëren, in elk geval sterker dan de duur van vrijheidsstraffen ingevolge een veroordeling.

Behoudens in heel uitzonderlijke gevallen wordt een geïnterneerde altijd eerst op proef vrijgelaten of in een instelling tot bescherming van de maatschappij geplaatst alvorens men hem definitief vrijlaat.

Op 3 februari 2009 waren er 1034 geïnterneerden in de instellingen van de FOD Justitie. Daarbij komen nog 411 geïnterneerden in de instellingen tot bescherming van de maatschappij van Bergen en Doornik. Dat cijfer houdt geen rekening met de geïnterneerden die momenteel op proef zijn vrijgelaten en die een residentiële - in een psychiatrisch ziekenhuis - of een ambulante behandeling krijgen.

Het is moeilijk om op zo'n korte termijn cijfers te geven over de gemiddelde duur van interneringen. Bovendien schommelt die gemiddelde duur sterk van de ene commissie tot bescherming van de maatschappij tot de andere en ook de manier waarop de internering wordt uitgevoerd, verschilt sterk.

Nochtans blijkt uit een studie die gepubliceerd werd in nummer 1 van 2007 van het tijdschrift Panopticon, dat meer dan de helft van de geïnterneerden sinds minstens zeven jaar geïnterneerd zijn en 41 van hen sinds meer dan 20 jaar.

De heer Philippe Monfils (MR). - In het eerste deel van zijn antwoord wees de minister me op de inhoud van het Wetboek van strafvordering. Ik ken dat, ik heb het gelezen voor ik mijn vraag opstelde. Zoals steeds als ik dit onderwerp aansnijdt, antwoordt hij naast de kwestie. De minister legt me uit hoe de Commissie tot Bescherming van de Maatschappij werkt, hoe men in een instelling terechtkomt en dat het niet om een straf gaat, enzovoorts. Dat weet ik allemaal.

De statistieken die hij meedeelt, zijn trouwens van nul en generlei waarde: 1035 geïnterneerden! Dat cijfer komt wellicht uit de NIS-statistieken. Het is volstrekt onvoldoende.

Ik heb de indruk dat men de bevolking niet wil uitleggen wat er in de instellingen voor geïnterneerden gebeurt. Dat is zeer erg want het gaat om personen die beschuldigd zijn van of veroordeeld voor misdaden. Uiteraard zal ik het hier niet bij laten en zal ik andere stappen doen om inlichtingen te verkrijgen over toestanden die voor de bevolking onaanvaardbaar zijn.

Vraag om uitleg van mevrouw Freya Piryns aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de behandeling van uitgeprocedeerde asielzoekers op de luchthaven» (nr. 4-683)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Uitgeprocedeerde asielzoekers die vrijwillig naar hun land van herkomst willen terugkeren, worden daarbij normaal gezien door de IOM begeleid. Maar `begeleiding' is een ruim interpreteerbaar begrip, zo blijkt uit recente getuigenissen die mij bereikten.

Zo een terugkeer komt er vaak na jaren van hoop op een nieuw leven en een nieuwe toekomst in België. Wanneer asielzoekers uiteindelijk toch moeten terugkeren, dan is dat uiteraard een belangrijke en traumatische gebeurtenis en ik denk dat dit geldt voor elke uitgeprocedeerde asielzoeker. Een minimum aan menselijkheid bij de begeleiders zou dan ook evident moeten zijn. Helaas is niets minder waar. De uitgeprocedeerde die mij zijn getuigenis gaf, werd niet opgewacht in de luchthaven. Van het luchthavenpersoneel kreeg hij te horen dat `de begeleider altijd een beetje laat is', en hij moest dan maar blijven wachten met op zijn schoot een plastic zak met `IOM' erop als herkenningsteken. Die mensen worden daar gedropt en moeten in hun wanhoop zitten wachten tot iemand hen komt ophalen. De persoon die kwam opdagen sprak geen Nederlands. De uitgeprocedeerde in kwestie verbleef al jaren in Vlaanderen, sprak alleen Nederlands en kon dus niet met de begeleider communiceren. Zonder enige uitleg werd hij daarna richting bagage en check-in geduwd. Er was geen tijd om afscheid te nemen van vrienden, die hij waarschijnlijk nooit meer zou zien.

Naar aanleiding van dit verhaal kreeg ik dan ook graag een antwoord op volgende vragen.

Kan de minister het begeleidingstraject omschrijven dat een uitgeprocedeerde doorloopt voor zijn effectieve uitwijzing? Is er enige vorm van psychologische hulp tijdens het traject?

Wat is het profiel van de mensen die op de luchthaven de uitgeprocedeerde asielzoekers begeleiden? Welke opleiding hebben ze gekregen om met de situatie te kunnen omgaan? Wordt er van hen niet verwacht dat ze ten minste de twee landstalen kennen - dat is volgens mij het absolute minimum - plus liefst ook het Engels?

Wat is de juiste procedure in de luchthaven voor de begeleiding van uitgeprocedeerden? Moet er niet iemand aanwezig zijn bij hun aankomst in de luchthaven om ze op te vangen?

Is het niet mogelijk in de luchthaven een aparte ruimte of hoek in te richten waar uitgeprocedeerden hun vertrek kunnen afwachten en afscheid kunnen nemen van dierbaren? Dat lijkt me beter dan ze met een plastic zak als enige herkenningsteken, in de hal te laten wachten tot iemand hen, als een stuk bagage, komt ophalen en de weg naar het vliegtuig wijst.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

De organisatie van de vrijwillige terugkeer en de regelingen die hiervoor met de partners worden getroffen, vallen onder de bevoegdheid van mijn collega Marie Arena, minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. Zij onderhandelt over de overeenkomsten waarin de taken van de partners worden vastgelegd.

Bovendien kan ik voor de begeleiding bij vrijwillige terugkeer natuurlijk alleen maar spreken over de begeleiding van personen die met steun van de Internationale Organisatie voor Migratie vertrekken vanuit de gesloten centra of vanuit de woningen voor families.

Onze ervaring inzake vrijwillige terugkeer in samenwerking met de IOM is de volgende. Op de dag van vertrek worden de vreemdelingen naar de luchthaven gebracht, waar ze worden opgevangen door een personeelslid van de IOM.

In het geval van overdracht vanuit een gesloten centrum zullen de chauffeurs van de transferdienst ervoor zorgen dat alle bagage van de betrokken vreemdeling tot aan de incheckbalie wordt gebracht. De persoonlijke documenten van de persoon worden aan het personeelslid van de IOM afgegeven, die ze dan op zijn beurt op het ogenblik van aankomst aan de gate aan de vreemdeling zal bezorgen, zodat hij zoals iedere passagier kan inchecken. Het personeelslid van de IOM zorgt ook voor het inchecken van betrokkene en diens bagage, alsook voor begeleiding aan de grenscontrolepost van de federale politie.

Bovenop de omkadering door de IOM geeft de DVZ ter voorbereiding van de vrijwillige terugkeer in de centra en de woningen een specifieke en cliëntgerichte begeleiding door sociale assistenten en coaches. Voor meer gedetailleerde informatie over de omkadering door de IOM bij de effectieve terugkeer verwijs ik naar minister Arena.

Mevrouw Freya Piryns (Groen!). - Ik wil de heer Wathelet met aandrang vragen dat hij de regering mijn ongenoegen overbrengt. Het is nu de zoveelste keer dat de minister van Migratie- en asielbeleid op een vraag van mij en tal van andere collega's haar paraplu opentrekt en verwijst naar mevrouw Arena, die bijna even vaak het omgekeerde doet. Dat was het geval met mijn vraag over het gebrek aan plaatsen in de open centra, over de circulaire over de regularisatie, waar mensen zonder papieren al zo lang op wachten en dat maken we nu opnieuw mee met mijn vraag over de vrijwillige terugkeer, net datgene waar minister Turtelboom zoveel van verwacht. Zelfs dat blijkt niet goed geregeld en een bron van dispuut te zijn tussen twee ministers.

Ik kan alleen maar herhalen dat deze twee ministers of de hele regering er eindelijk eens voor moeten zorgen dat ze uit dit soort problemen raken. Alleen al uit fatsoen tegenover de mensen over wie het allemaal gaat.

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Migratie- en Asielbeleid over «de afwezigheid van een ambtenaar-geneesheer op de Dienst Vreemdelingenzaken» (nr. 4-720)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - Ik hoop dat als antwoord op mijn vraag, die net als de vorige op asielzoekers betrekking heeft, niet opnieuw paraplu's worden opgestoken en dat er niet opnieuw pingpong tussen twee ministers wordt gespeeld.

Krachtens artikel 9, lid 3, van de vreemdelingenwet kunnen mensen een regularisatie aanvragen om medische redenen. Nu vernam ik onlangs dat sinds enige tijd bij de dienst Vreemdelingenzaken geen ambtenaar-geneesheer meer werkzaam zou zijn. Dat is nochtans een zeer belangrijke functie, omdat deze geneesheer moet instaan voor het evalueren van de ziekte waaraan de vreemdeling lijdt, en moet uitmaken of deze ziekte een reëel risico inhoudt voor het leven of de fysieke integriteit van de vreemdeling bij een mogelijke terugkeer naar het land van herkomst. Daarnaast oordeelt hij over de mogelijkheid van een behandeling in het land van oorsprong of het land waar de aanvrager regelmatig verblijft, en geeft hij hierover advies aan de ambtenaar van de DVZ die over de verblijfstoelating beslist.

De ambtenaar-geneesheer bij de DVZ is dus nodig, want hij bepaalt of de ziekte een reden kan zijn voor een tijdelijke of definitieve regularisatie.

De ambtenaar-geneesheer van de DVZ kan verder voor de behandeling van een aanvraag op basis van artikel 9ter ter van de vreemdelingenwet een vraag voor bijkomend advies stellen aan een deskundige, dus aan een medisch specialist. Het koninklijk besluit van 17 mei 2007 voorziet daarvoor in een netwerk van specialisten. De afwezigheid van een ambtenaar-geneesheer bij de DVZ kan bijgevolg ook voor problemen zorgen bij een beslissing ten gronde over een aanvraag op basis van artikel 9ter, aangezien hij een deskundige moet aanstellen voor bijkomend advies. Er zijn al verschillende jaren problemen bij de aanstelling van deskundigen wegens een gebrek aan financiële middelen.

Is het juist dat er momenteel geen ambtenaar-geneesheer meer werkzaam is bij de DVZ? Wat is de mening van de minister hieromtrent? Is zij van plan om deze functie snel in te vullen?

Bestaat de mogelijkheid om beslissingen ten gronde te nemen voor aanvragen op basis van artikel 9ter van de vreemdelingenwet indien er geen ambtenaar-geneesheer is aangesteld? Zorgt dit voor een achterstand bij de behandeling van die dossiers? Betreft de achterstand dossiers uit de periode van de oude procedure of van de nieuwe procedure? Kan de minister de exacte cijfers betreffende de achterstand geven?

Uit hoeveel geneesheren bestaat vandaag het netwerk van deskundigen waarin het koninklijk besluit van 17 mei 2007 voorziet? Wat zijn hun specialisaties? Over welke financiële middelen beschikt de minister om dit netwerk te financieren? Volstaan die middelen? Hoeveel werd hiervoor begroot in 2009? Hoeveel werd aan dit netwerk in 2007 en 2008 uitgegeven? Is de minister bereid de financiële middelen voor het netwerk op te trekken indien ze ontoereikend zijn?

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van minister Turtelboom.

De twee artsen die bij de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) in dienst waren, hebben inderdaad andere carrièrekeuzes gemaakt. Daardoor werken sinds 1 januari 2009 geen artsen meer bij de DVZ. In de komende weken treedt een nieuwe arts in dienst. Daarenboven werd een aanwervingsprocedure bij SELOR opgestart om in totaal zes ambtenaren-geneesheren beschikbaar te hebben.

Bij de uitwerking van artikel 9ter hebben sommigen expliciet gevraagd om de medische dossiers te laten onderzoeken door een ambtenaar-geneesheer. Dat geeft nu problemen omdat de aanwervingprocedure zwaarder is. Daarenboven zijn er weinig dokters geïnteresseerd om als ambtenaar in dienst te treden.

Er zal dan ook verder worden onderzocht hoe we het probleem van te weinig ambtenaren-geneesheren kunnen oplossen.

Er bestaan mogelijkheden om medische dossiers ten gronde te beslechten zonder het advies van een arts en zonder achterstand in de behandeling van de dossiers op te lopen. Een eerste mogelijkheid is dat de aanvrager op een andere rechtsbasis of om andere motieven een verblijfsvergunning krijgt. Een tweede mogelijkheid is dat er feiten van openbare orde of nationale veiligheid zijn die leiden tot de uitsluiting van het voordeel van artikel 9ter.

Ondanks het feit dat er momenteel geen arts meer in dienst is, kunnen de nieuwe aanvragen in toepassing van artikel 9ter wel worden onderzocht op hun ontvankelijkheid, in tegenstelling tot de oude medische dossiers.

Ik kan alleen cijfers geven over de nieuwe dossiers.

In 2007 werden met toepassing van artikel 9ter 1338 aanvragen ingediend en voor 501 ervan werd een eindbeslissing genomen. In 2008 werden 5426 aanvragen ingediend en voor 2283 ervan werd een eindbeslissing genomen.

Dossiers waarin geen eindbeslissing werd genomen, zijn wel onderzocht op hun ontvankelijkheid. Op datum van 9 februari 2009 hebben evenwel 959 aanvragers nog geen beslissing ontvangen over de ontvankelijkheid van hun dossier. Dat aantal komt overeen met de 9ter-instroom van ongeveer 6 weken.

Na een oproep begin 2008 werden voor elk van de 34 specialisaties die worden vermeld in het koninklijk besluit van 17 mei 2007, kandidaat-deskundigen gevonden. Het dossier ligt momenteel voor akkoord bij de staatssecretaris voor Begroting.

Ik hoop uiteraard zo spoedig mogelijk over de vereiste deskundigen te kunnen beschikken. De budgettaire impact zal eerder beperkt zijn. Deskundigen worden alleen ingeschakeld, als de geneesheer in een concreet dossier om een bijkomend advies verzoekt. Ze worden betaald volgens de gewone barema's. Het spreekt vanzelf dat we in de hiervoor vereiste financiële middelen zullen voorzien.

Overigens stelt niet de arts de deskundigen aan. Ze worden aangesteld bij een in ministerraad overlegd koninklijk besluit.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V). - De minister betreurt blijkbaar dat de wet bepaalt dat het advies van een ambtenaar-geneesheer vereist is. Daartoe werd echter besloten door een regering waarvan ook haar partij deel uitmaakte, wat niet geldt voor CD&V.

Wet is wet. Krachtens de wet moet men een beroep doen op een ambtenaar-geneesheer, maar tot mijn verbazing is die er niet en blijven de twee vacante plaatsen al sinds 1 januari open. Hopelijk worden beide vacatures binnen enkele weken bezet. Vreemd is ook dat de opdracht in afwachting van de aanwerving van een ambtenaar-geneesheer niet op contractuele basis wordt uitbesteed aan artsen. Positief is dan weer dat de minister erkent dat voor die opdracht op termijn zes artsen nodig zijn.

Bijna duizend aanvragers hebben nog geen uitsluitsel gekregen over de ontvankelijkheid van hun aanvraag. Het gaat dus om een echte achterstand. De beslissing ten gronde zal nog langer op zich laten wachten dan de zes weken achterstand in de ontvankelijkheidsbeoordeling. Er is werk aan de winkel. Ik vraag de minister dan ook met aandrang om de achterstand desnoods met tijdelijke maatregelen weg te werken.

Vraag om uitleg van de heer Philippe Monfils aan de minister van Binnenlandse Zaken over «de hervorming van het centraal wapenregister» (nr. 4-709)

De voorzitter. - De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie, antwoordt.

De heer Philippe Monfils (MR). - Het centraal wapenregister dat moet toelaten alle wapens te traceren, is volledig verouderd. De meeste inschrijvingen van wapens zijn onjuist, fictief, te laat, zelfs niet bestaand.

Sedert drie jaar ondervraag ik de minister om het zes maanden om te weten hoever het staat met de hervorming van het register. In 2006 gebeurde er niets. In oktober 2006 heeft de voorganger van de huidige minister bevestigd dat de hervorming eindelijk aan de gang was: werving van personeel, een nieuw informaticaprogramma, een digitale handleiding voor de lokale politiediensten via een intranet van de politie. Naar verluidt zou dat laatste niet werken ofwel begrijpen de politieagenten het niet.

De hervorming moest tegen het tweede kwartaal van 2007 zijn afgerond. In november 2006 en januari 2007 zijn twee politieagenten de ploeg komen versterken, tevergeefs echter. Wellicht had men beter informatici aangeworven.

In de plenaire vergadering van 14 februari 2008 heeft de minister nog eens geantwoord dat de hervorming aan de gang was en zich zelfs in de eindfase bevond. Het nieuwe register zou tegen april 2008 klaar zijn. Volgens de planning zouden de politiediensten en de gouverneurs er in juni 2008 over kunnen beschikken. Bij mijn weten is dat niet het geval, vandaar mijn vragen.

Is de hervorming van het centraal wapenregister beëindigd? Zo ja, hoe zal het register concreet werken? Zijn alle politiezones uitgerust met computerterminals? Zo neen, wat is nu de timing?

Als uit het antwoord zou blijken dat de hervorming nog geen feit is, zal ik de nieuwe minister hierover kort voor of na de regionale verkiezingen opnieuw ondervragen.

De heer Melchior Wathelet, staatssecretaris voor Begroting, toegevoegd aan de eerste minister, en staatssecretaris voor Gezinsbeleid, toegevoegd aan de minister van Werk, en wat de aspecten inzake personen- en familierecht betreft, toegevoegd aan de minister van Justitie. - Ik lees het antwoord van de minister van Binnenlandse Zaken.

De ontwikkeling van een nieuwe toepassing van het centraal wapenregister - CWR - werd aangevat in 2005 en liep door tot april 2008, na enkele problemen te hebben gekend. De ploeg van het centraal wapenregister heeft de toepassing van mei tot midden juli 2008 getest.

Tijdens de tests werden enkele anomalieën vastgesteld. Daarom werd eind juli 2008 een analist aangesteld om de toepassing te herzien en de interfaces voor invoer en verwerking te vereenvoudigen. De analyse van de aan te brengen wijzigingen en het opstellen van de instructies voor de technische ontwikkelingen zullen eind februari 2009 worden beëindigd.

Op dit ogenblik hebben de vier politieagenten die voor het centraal wapenregister werken als opdracht de politiediensten en de provincies te helpen bij het informatiebeheer. Zij staan in voor de kwaliteit van de inhoud van de huidige toepassing en hebben geregeld contact met de gebruikers met betrekking tot het aanbrengen van verbeteringen of het geven van opleidingen.

Met hun ervaring volgen zij de inhoudelijke ontwikkeling van het nieuwe wapenregister. De technische ontwikkeling van het centraal wapenregister valt niet onder hun bevoegdheid.

De oorzaak van de problemen moet zowel op centraal als op lokaal niveau worden gezocht.

Op centraal niveau moest de huidige toepassing functioneel en technisch worden aangepast om de continuïteit van de inschrijvingen, de vergunningen en de erkenningen ingevolge de inwerkingtreding van de nieuwe wapenwet te kunnen verzekeren. Ingevolge de interne test die werd uitgevoerd, moest de timing worden aangepast omdat technische wijzigingen noodzakelijk waren gebleken.

Zoals ook collega Geert Lambert tijdens zijn bezoek van het centraal wapenregister op 14 november 2008 kon vernemen, hield de timing aanvankelijk geen rekening met eventuele wijzigingen. Een herziening van het tijdschema is inherent aan de ontwikkeling van een dergelijk project dat vaak uitgebreide informaticaprogramma's vereist. Na de technische verbeteringen zullen de leden van het wapenregister, de lokale politie en de wapendiensten van de gouverneurs een reeks externe tests doen.

Op lokaal vlak konden sommige wapens niet worden ingeschreven bij gebrek aan personeel in sommige diensten. De problematiek van de traceerbaarheid van vuurwapens is dus niet te wijten aan de huidige toepassing.

Rekening houdend met die elementen, zal de nieuwe toepassing uiterlijk in september 2009 in een proefversie beschikbaar zijn.

De heer Philippe Monfils (MR). - Dat lijkt me ingewikkelder dan de Fortisaffaire, terwijl niets eenvoudiger is.

De lokale politie hoeft alleen maar over een computer te beschikken om het aangeboden vuurwapen samen met de naam, het adres en het telefoonnummer van de aangever te kunnen invoeren. Vervolgens stuurt zij die gegevens voor verwerking door naar de computer van het centraal wapenregister. Het is bijna zo eenvoudig als een huiscomputer. Nu verneem ik nogmaals dat er nog zes maanden nodig zijn.

Inmiddels valt de politie mensen lastig omdat hun wapen niet is ingeschreven in het CWR. Hoe kan dat als het systeem niet werkt?

Ik heb dan ook een bijzonder strenge brief geschreven naar de betrokken politiezone. De zaken slepen al drie en een half jaar aan. Ik was voorstander van een wetswijziging, maar ik wens wel te weten waar de wapens zich precies bevinden zodat de politie indien nodig kan optreden.

Dat we nog steeds niet over dat fundamentele instrument beschikken, ontmoedigt mij. Ik zal de minister in oktober of november opnieuw ondervragen.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 19 februari om 15 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 19.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: de dames Delvaux en Lizin, de heer Dubié, om gezondheidsredenen, de heer Van Den Driessche, in het buitenland, mevrouw Hermans, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 57
Voor: 11
Tegen: 39
Onthoudingen: 7

Voor

Marcel Cheron, Michel Delacroix, Vera Dua, Isabelle Durant, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke.

Tegen

Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Louis Ide, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lieve Van Ermen, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille.

Onthoudingen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Roland Duchatelet, Nele Jansegers, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Karim Van Overmeire.

Stemming 2

Aanwezig: 57
Voor: 36
Tegen: 19
Onthoudingen: 2

Voor

Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Marc Elsen, Richard Fournaux, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Els Schelfhout, Miet Smet, Martine Taelman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Patrik Vankrunkelsven, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille.

Tegen

Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Vera Dua, Isabelle Durant, Louis Ide, Nele Jansegers, Bart Martens, Freya Piryns, Carine Russo, Helga Stevens, Guy Swennen, Marleen Temmerman, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire.

Onthoudingen

Michel Delacroix, Roland Duchatelet.

Stemming 3

Aanwezig: 57
Voor: 57
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Marcel Cheron, Dirk Claes, Berni Collas, Christophe Collignon, Marie-Hélène Crombé-Berton, Sabine de Bethune, Armand De Decker, Christine Defraigne, Jean-Jacques De Gucht, Michel Delacroix, Francis Delpérée, Alain Destexhe, Vera Dua, Roland Duchatelet, Isabelle Durant, Marc Elsen, Richard Fournaux, Louis Ide, Nele Jansegers, Joëlle Kapompolé, Nahima Lanjri, Yves Leterme, Nele Lijnen, Philippe Mahoux, Bart Martens, Vanessa Matz, Philippe Monfils, Philippe Moureaux, Freya Piryns, Jean-Paul Procureur, François Roelants du Vivier, Carine Russo, Els Schelfhout, Miet Smet, Helga Stevens, Guy Swennen, Martine Taelman, Marleen Temmerman, Dominique Tilmans, Elke Tindemans, Hugo Vandenberghe, Lieve Van Ermen, Freddy Van Gaever, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, André Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Tony Van Parys, Marc Verwilghen, Christiane Vienne, Paul Wille.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel houdende diverse wijzigingen inzake kansspelen (van mevrouw Marie-Hélène Crombé-Berton; Stuk 4-1162/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van deel XII van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten, bekrachtigd door de programmawet van 30 december 2001 (van de heer Dirk Claes c.s.; Stuk 4-1165/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Wetsvoorstel houdende verplichting om alle bromfietsen die op de openbare weg rijden met een nummerplaat uit te rusten (van mevrouw Vanessa Matz; Stuk 4-1167/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, om de rechter de mogelijkheid te geven een recidiverende overtreder in staat van alcoholopname of van dronkenschap de plaatsing van een alcoholslot op te leggen (van de dames Christine Defraigne en Dominique Tilmans; Stuk 4-1170/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Financiën en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende uitbreiding van het systeem van de sociale derde betaler (van mevrouw Nahima Lanjri c.s.; Stuk 4-1166/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende het voeren van een bewustmakingscampagne voor jonge vrouwen (van de dames Martine Taelman en Nele Lijnen; Stuk 4-1171/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Boodschap van de Kamer

Bij boodschap van 5 februari 2009 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsontwerp tot opheffing van de wet van 11 april 1936 waarbij de regering gemachtigd wordt het binnenbrengen in België van sommige vreemde publicaties te verbieden (van mevrouw Martine Taelman; Stuk 4-594/1).

-Het ontwerp werd ontvangen op 6 februari 2009; de onderzoekstermijn, die overeenkomstig artikel 79, eerste lid, van de Grondwet 15 dagen bedraagt, verstrijkt op maandag 23 februari 2009.

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 5 februari 2009.

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Indiening van een wetsontwerp

De Regering heeft volgend wetsontwerp ingediend:

Wetsontwerp houdende instemming met en uitvoering van het Avenant, ondertekend te Brussel op 12 december 2008, bij de Overeenkomst tussen België en Frankrijk tot voorkoming van dubbele belasting en tot regeling van wederzijdse administratieve en juridische bijstand inzake inkomstenbelastingen, ondertekend te Brussel op 10 maart 1964 en gewijzigd door de Avenanten van 15 februari 1971 en 8 februari 1999 (van de Regering; Stuk 4-1143/1).

-Het wetsontwerp werd verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Grondwettelijk Hof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Prejudiciële vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Grondwettelijk Hof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Grondwettelijk Hof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Europees Parlement

Bij brief van 3 februari 2009 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 12 tot en met 15 januari 2009.

Voorts is de schriftelijke verklaring over fibromyalgie door de meerderheid van de leden van het Parlement ondertekend.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomité voor Europese Aangelegenheden.