3-95

3-95

Belgische Senaat

3-95

Handelingen - Nederlandse versie

DONDERDAG 27 JANUARI 2005 - NAMIDDAGVERGADERING


Waarschuwing: de blauwe kleur geeft aan dat het gaat om uit het Frans vertaalde samenvattingen.


60ste verjaardag van de bevrijding van het concentratiekamp Auschwitz II-Birkenau

Verzoekschrift

Inoverwegingneming van voorstellen

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde Belgisch-Luxemburgs-Duitse Kamer van KoophandelĽ (nr. 3-546)

Mondelinge vragen

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde erbarmelijke en onveilige staat van het justitiepaleis van DoornikĽ (nr. 3-552)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęhet straatracenĽ (nr. 3-554)

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde knelpuntennota van het Limburgs Platform Alternatieve Gerechtelijke MaatregelenĽ (nr. 3-558)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van FinanciŽn over ęde inplanting van nieuwe bankautomatenĽ (nr. 3-555)

Wetsontwerp tot toekenning aan de journalisten van het recht om hun informatiebronnen te verzwijgen (Stuk 3-670) (Evocatieprocedure)

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 april 1958 tot toekenning, onder sommige voorwaarden, van een pensioen aan de weduwen die na het schadelijk feit in het huwelijk zijn getreden met een gerechtigde van de wetten op de vergoedingspensioenen, tot het instellen van een strijdersrente en een gevangenschapsrente ten voordele van de strijders, de politieke gevangenen en de krijgsgevangenen van 1940-1945 en ter verwezenlijking van sommige aanpassingen inzake frontstrepen (Stuk 3-947) (Evocatieprocedure)

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (van de heer Wouter Beke c.s., Stuk 3-991)

Belangenconflict

Stemmingen

Regeling van de werkzaamheden

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over ęde klacht van Swissair wegens het gratis overdragen van trafiekrechten aan Delta Air Transport (DAT)Ľ (nr. 3-523)

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęhet sociaal telefoontarief en de door Belgacom uitgevoerde controle op de begunstigdenĽ (nr. 3-540)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde aanpassing van de bedrijven aan de nieuwe fiscale regeling voor bedrijfswagensĽ (nr. 3-556)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde hoge concentraties sulfiet in onze voedingĽ (nr. 3-557)

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęautopsie bij wiegendoodĽ (nr. 3-489)

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęzijn beleid inzake kankerĽ (nr. 3-559)

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde rationalisering van de ziekenhuisdiensten en functiesĽ (nr. 3-560)

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Werk over ęde sociale rechtsonzekerheid van jonge vrijwilligers die deelnemen aan internationale activiteiten in het buitenlandĽ (nr. 3-511)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęde absolute rechtsonzekerheid die er heerst in verband met de ambtenaren van de federale overheidsdienstenĽ (nr. 3-551)

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęde toepassing van de regelgeving met betrekking tot de gecertificeerde opleidingenĽ (nr. 3-553)

Berichten van verhindering

Bijlage


Voorzitter: de heer Staf Nimmegeers, eerste ondervoorzitter

(De vergadering wordt geopend om 15.10 uur.)

60ste verjaardag van de bevrijding van het concentratiekamp Auschwitz II-Birkenau

De voorzitter (voor de staande vergadering). - Op het ogenblik bevindt mevrouw de voorzitter zich in Auschwitz op een huldeplechtigheid ter ere van de 60ste verjaardag van de bevrijding van het concentratiekamp Auschwitz II-Birkenau.

Herdenken betekent: weer in gedachten brengen.

Vandaag, bij deze verjaardag, kunnen we het niet laten bij de dikwijls wat matte bedoening van een loutere herdenking. Daarmee is de kous niet af. Naast Auschwitz komen ons namen voor de geest als Theresienstadt, Treblinka, Buchenwald, Dachau, FlossenbŁrg... een lange lijst die synoniem staat voor onnoemelijke wreedheden: uitmoording, medische experimenten op mannen, vrouwen en kinderen. Alleen omdat ze anders waren, omdat ze tot een andere etnische groep behoorden, een ander geloof of een andere levensovertuiging hadden, seksueel anders geaard of gehandicapt waren, of gewoon omdat ze het slachtoffer waren van blind antisemitisme.

Herdenken volstaat niet. De verjaardag van vandaag wijst de Senaat op het belang van waakzaamheid. We moeten waakzaam zijn opdat zoiets nooit meer gebeurt. De verjaardag wijst ons op het belang van een kritische ingesteldheid tegenover regimes, van welke ideologie ook, die dezelfde oneerbare praktijken uitvoeren of dreigen uit te voeren.

Het ontkennen van de waardigheid van de mens, de ontaarding - die sommige absolute regimes zelf zogezegd aan de kaak stellen -, de ware perverse decadentie die in de ander geen mens meer ziet, dat alles moet de democratie vreemd blijven. Een joodse overlevende van Auschwitz verklaarde gisteren nog: "Zo had ik mij de hel voorgesteld!"

Een samenleving die geen menselijke gevoelens en geen waardebesef meer kent, wordt uiteraard een hel, erger dan die van Dante.

Mensen, wij allen dus, moeten ons lot en dat van anderen in de hand nemen, om er voor te zorgen dat deze wereld leefbaarder en vooral rechtvaardiger wordt. Zo zit in de rouw van vandaag de vreugde van de bevrijding. Dictators sterven, maar de drang naar vrijheid nooit.

Of zoals de protestantse theoloog Dieter Bonhoeffer - op 9 april 1945 vermoord in het concentratiekamp van FlossenbŁrg - het kort voor zijn executie aan zijn vrouw schreef: "Ik lig op mijn brits en staar naar de grijze muren. Hou stand, tot na de lange nacht de dag aanbreekt".

ĽAlle Menschen werden BrŁderę, ein Text Schillers, der zu Europahymnus geworden ist, darf keine fromme Utopie bleiben. Mehr als je zuvor sollen diese Worte fŁr jedermann ein Auftrag sein, hier in Europa und auf aller Welt.

`Alle mensen worden broeders', de tekst van de hand van Schiller die het Europese volkslied geworden is, mag geen vrome utopie blijven. Die woorden moeten meer dan ooit een opdracht worden voor elk van ons, hier, in heel Europa en elders in de wereld.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - `De strijd van het geheugen tegen de vergetelheid.' Op een dag als vandaag denken we meer dan ooit aan deze zinsnede uit een boek van Milan Kundera.

Herinneren is respect betonen aan allen die slachtoffer werden van de Tweede Wereldoorlog omdat ze jood waren of omdat ze verzet boden.

Herinneren is niet enkel een dag herdenken, maar ijveren opdat ideologieŽn die steunen op racisme en antisemitisme, niet opnieuw tot de verschrikking leiden die zij hebben moeten doorstaan.

Herinneren is ook aan onze kinderen doorgeven dat ze kunnen bouwen aan een vrije wereld die onder meer mogelijk is geworden door de inzet van wie daar tijdens de Tweede Wereldoorlog voor heeft gestreden.

Op 23 december jongstleden heeft de Ministerraad beslist dat BelgiŽ op 27 januari de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog en van Nazi-Duitsland kan herdenken.

Op 27 januari zullen activiteiten worden opgezet welke die herdenking ondersteunen en levendig maken. We hopen dat het parlement zich bij de federale regering, de overheden van het land, de verenigingen en de bedrijven zal aansluiten opdat op die dag de slachtoffers overal in het land worden herdacht.

(De vergadering neemt een minuut stilte in acht.)

Verzoekschrift

De voorzitter. - Bij brief van 18 januari 2005 heeft de heer Louis Van Roost, burgemeester van Zemst aan de Senaat overgezonden, een motie met betrekking tot de splitsing van de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde en het gerechtelijk arrondissement Brussel.

-Verzonden naar de commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden.

Inoverwegingneming van voorstellen

De voorzitter. - De lijst van de in overweging te nemen voorstellen werd rondgedeeld.

Leden die opmerkingen mochten hebben, kunnen die vůůr het einde van de vergadering mededelen.

Tenzij er afwijkende suggesties zijn, neem ik aan dat die voorstellen in overweging zijn genomen en verzonden naar de commissies die door het Bureau zijn aangewezen. (Instemming)

(De lijst van de in overweging genomen voorstellen wordt in de bijlage opgenomen.)

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Christian Brotcorne aan de eerste minister over ęde renovatie van het Belgische paviljoen in het museum van AuschwitzĽ (nr. 3-549)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens de heer Guy Verhofstadt, eerste minister.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Minister Onkelinx heeft er terecht op gewezen dat we ons op een bijzondere dag als vandaag het verleden moeten blijven herinneren. In 1990 heeft de toenmalige regering een bedrag van ťťn miljoen euro vrijgemaakt om in Auschwitz een Belgisch museum op te richten in een gebouw dat heropgebouwd en heringericht was zoals destijds. Er werd een tentoonstelling ingericht ter nagedachtenis van de Belgische slachtoffers.

Dit werk van herinnering moet worden versterkt. Met de vrijgemaakte bedragen kon het nodige worden gedaan. Nu moeten de ruimten en de tentoonstelling worden aangepast aan de evolutie van de moderne museologie.

De regering moet tonen dat ze alles in het werk stelt om die herinneringsplicht na te komen. De verantwoordelijken voor de financiering van deze Belgische instelling in Auschwitz vragen blijkbaar sinds enkele jaren bijkomende middelen aan de regering om de tentoonstellingen en het gebouw waarin die gevestigd is, aan te passen.

Op 7 november 2003 werd een brief aan de eerste minister verstuurd. Nu klagen de opstellers van die brief dat ze nog geen enkel antwoord hebben gekregen op hun zeer legitieme vraag. Ik hoop alleszins dat het antwoord positief zal zijn.

Wat is het antwoord van de regering op die pertinente vraag?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - De eerste minister betreurt dat men ervoor gekozen heeft hem vandaag een hele reeks vragen te stellen hoewel iedereen weet dat hij op dit ogenblik BelgiŽ vertegenwoordigt in Auschwitz. Ik kan de heer Brotcorne dan ook maar een kort antwoord meedelen.

De eerste minister en de minister van Landsverdediging hebben afgesproken dat genietroepen van het leger zo snel mogelijk het Belgische paviljoen in het museum van Auschwitz zullen renoveren. Die beslissing werd ook meegedeeld aan de voorzitter van het Belgische comitť voor de herdenking van Auschwitz.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Het was zeker niet mijn bedoeling om op een dag als vandaag een polemiek te starten. Mondelinge vragen moeten echter bij de actualiteit aansluiten. Blijkbaar was mijn vraag niet onterecht, want uit het antwoord kan ik opmaken dat het probleem naar aanleiding van mijn vraag een oplossing heeft gekregen.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de eerste minister over ęde 60ste verjaardag van de herdenking van de bevrijding van het concentratie- en uitroeiingskamp van AuschwitzĽ (nr. 3-550)

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De minister verwees naar "het geheugen tegen de vergetelheid", een citaat uit Het boek van de lach en de vergetelheid van Milan Kundera.

Het spreekt voor zich dat wij de initiatieven zullen steunen die Territoires de la mťmoire organiseert voor het overbrengen van de herinnering aan de toekomstige generaties.

Ik heb in de Senaat, samen met de heer Roelants du Vivier, een voorstel van resolutie tegen het antisemitisme ingediend en er werden verschillende schriftelijke vragen over gesteld. We moeten voorkomen dat het antisemitisme opnieuw de kop opsteekt of wordt gebagatelliseerd.

We denken daarbij allen aan de recente agressies en grafschendingen. We moeten alle negationistische daden met klem veroordelen.

Wat is de inhoud van de politieke boodschap die de eerste minister onze burgers heeft meegegeven? Zijn er nog altijd voldoende middelen beschikbaar om de veiligheid te garanderen van de plaatsen waar joodse erediensten worden gehouden en van de scholen die druk bezocht worden door leden van de joodse gemeenschap?

Hoe wordt die wetgeving geŽvalueerd? Beschikt de minister over nauwkeurige gegevens om uit te maken of antisemitische daden al dan niet opnieuw de kop opsteken? Een misdaad of delict tegen die tot ťťn of andere gemeenschap behoort, kan misschien ook door andere motieven zijn ingegeven.

De wetgeving met betrekking tot de strijd tegen het negationisme moet doeltreffend zijn. Is dat het geval?

Hoe staat het met de steun van de regering voor de dťmarche van het Studie- en Documentatiecentrum Oorlog en Hedendaagse Maatschappij, dat een historische analyse moet maken van de betrokkenheid van de Belgische overheden bij de deportatie van Belgische joden?

De herinnering verplicht ons onder meer om politieke besluiten te trekken. Jacques Chirac heeft namens de Franse Staat vergiffenis gevraagd voor de deportaties die, onder meer op 16 juli 1942, in Frankrijk gebeurd zijn. Kunnen wij binnenkort ook beschikken over een historische analyse die klaar en duidelijk aantoont wie mede verantwoordelijk was?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - We beschikken over zeer precieze wetteksten, zoals de wet-Moureaux en de wet ter bestrijding van discriminatie. Er moeten echter nog toepassingsbesluiten worden opgesteld, onder meer met betrekking tot het vergaren van de bewijzen die noodzakelijk zijn om een rechtszaak aan te spannen.

Ook de strijd tegen de computercriminaliteit moet nog worden opgevoerd. De Kamer onderzoekt een wetsontwerp over die materie en over enkele weken zullen we er ook hier kunnen over debatteren.

Op het terrein gaan we transversaal te werk. We evalueren ons werk jaarlijks, namelijk rond 27 januari. Minister Dewael heeft, op verzoek van de joodse gemeenschap, voorgesteld om de politiebescherming rond risicogebouwen te verhogen. Dat is gebeurd. We zullen het effect van die maatregel evalueren aan de hand van het aantal klachten dat nadien nog werd geformuleerd.

Op het gerechtelijke niveau zijn er referentiemagistraten voor het fenomeen `racisme' in de ruime zin van het woord. Het gaat dus om racisme en antisemitisme. Ik vraag die referentiemagistraat om mij op de hoogte te houden van het gevolg dat aan elk dossier wordt gegeven. De auteurs van racistische en antisemitische graffiti kunnen spijtig genoeg niet altijd worden opgespoord. Voor dergelijke dossiers wordt in ieder geval de nultolerantie gehanteerd.

Samen met de gemeenschappen, die bijzonder geÔnteresseerd zijn, willen we de herinnering levendig houden. Er wordt aan gewerkt in het kader van het overlegcomitť en we proberen concrete maatregelen uit te werken.

De eerste minister geeft ons in verband met Auschwitz de volgende boodschap mee: `De confrontatie met de donkerste bladzijde uit de geschiedenis van het mensdom is bijzonder pijnlijk. Er hangen foto's van jonge kinderen - wanhopige blikken, voetsporen in de sneeuw - die nooit meer zullen terugkeren.

De mens kan daar alleen maar stil van worden. Auschwitz betekent nochtans meer dan stilte. Elke hoed, elke foto, elke vierkante meter brengt een oorverdovende boodschap over, de boodschap dat we nooit mogen zwijgen. Auschwitz bewijst opnieuw dat de mens een donkere plek in zich heeft, een gevaarlijke plaats omdat er verderfelijke ideeŽn kunnen groeien die het individu zijn menselijke waardigheid ontnemen en van hem slechts een nummer maken. De boodschap van Auschwitz is duidelijk. Dit mag nooit meer gebeuren. Dergelijke ideeŽn mogen nooit meer de kop opsteken. Laten we niet vergeten waar racisme en xenofobie toe leiden. Laten we vooral nooit vergeten wat de joodse gevangenen dachten toen ze de dood in het aangezicht keken: in ben geen nummer, ik ben een menselijk wezen.'

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Ik kan daar niets aan toevoegen. Deze woorden spreken voor zich. Ze hebben ons diep geraakt.

Mondelinge vraag van mevrouw Anke Van dermeersch aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęhet jeugdsanctierechtĽ (nr. 3-548)

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Vorige week vroeg mijn collega Wim Verreycken wat de houding van de minister zou zijn, indien de Vlaamse regering het samenwerkingsakkoord over de federale jeugdinstelling te Everberg niet zou hernieuwen. De Vlaamse regering dreigt er, bij monde van minister van Welzijn Inge Vervotte, immers al langer mee het akkoord op te zeggen, wanneer het wetsontwerp tot wijziging van de jeugdbeschermingswet niet tegemoet komt aan de Vlaamse verzuchtingen. Ze handelt hiermee trouwens consequent en in lijn van vroegere beslissingen die op Vlaams niveau werden genomen. In de kamercommissie van Justitie gaf de minister onlangs nochtans te kennen geen weet te hebben van deze Vlaamse verzuchtingen.

Vorige dinsdag nog liet minister Vervotte in de commissie voor Welzijn, Volksgezondheid en Gelijke Kansen van het Vlaams Parlement voor de zoveelste keer klaar en duidelijk horen dat de Vlaamse regering niet langer van plan is mee te werken aan het nieuwe jeugdsanctierecht van de federale minister, indien er geen fundamentele wijzigingen worden aangebracht.

Vlaanderen is radicaal gekant tegen de versoepeling van de uithandengeving. De minister van Justitie antwoordde collega Verreycken vorige week dat "de uithandengeving volgens de federale regering behouden moet blijven... De uithandengeving dient om die enkele jongeren te responsabiliseren bij wie een pedagogische aanpak helaas geen enkel effect meer heeft." Vlaanderen daarentegen beweert juist dat de uithandengeving resulteert in straffeloosheid en in het niet voldoende beschermen van de maatschappij. Hierover bestaat in Vlaanderen wel degelijk een grote consensus. Ook de Orde van de Vlaamse balies en de Vlaamse kinderrechtencommissaris lieten al weten niet akkoord te gaan met het voorliggende ontwerp.

Minister Vervotte, die het mandaat heeft gekregen van de Vlaamse regering om met de minister van Justitie te overleggen, beschuldigt de federale regering ervan niet bereid te zijn "te luisteren naar de standpunten hieromtrent die in Vlaanderen leven", en dit terwijl de gesprekken op federaal niveau rustig verder worden gezet. Daarom stelt Vlaams minister Vervotte haar collega's van de Vlaamse regering nu voor het tijdelijk samenwerkingsakkoord met Everberg op te zeggen en de 24 plaatsen over te hevelen naar Vlaanderen.

De hele Vlaamse regering verklaarde in december 2004 nog dat het wetsontwerp geenszins een eindproduct kan zijn en verwijst het dossier door naar het Overlegcomitť. Het ziet er naar uit dat ook daar geen akkoord zal worden gevonden.

Wat is het standpunt van de federale regering over het initiatief van minister Vervotte om het tijdelijke samenwerkingsakkoord inzake Everberg op te zeggen?

Is de minister van Justitie op de hoogte van de bezwaren die de Vlaamse regering heeft geuit tegen het wetsontwerp tot wijziging van de jeugdbeschermingswet? Zo ja, sinds wanneer?

Weet de minister van Justitie of deze zaak ter sprake komt op een vergadering van het Overlegcomitť? Zo ja, wanneer?

Is de minister van Justitie bereid haar standpunten over het jeugdsanctierecht te herzien? Ze beweerde vorige week dat "aan bepaalde verzoeken van de Vlaamse regering wel kan worden tegemoetgekomen". Over welke verzoeken is ze bereid te onderhandelen en over welke niet? Is ze bereid alsnog het systeem van uithandengeving te schrappen, zoals de Vlaamse regering vraagt?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Vlaams minister Vervotte heeft inderdaad verklaringen afgelegd, maar de Vlaamse regering heeft het samenwerkingsprotocol inzake Everberg niet opgezegd. Er is dus nog geen probleem.

De wijziging van de wet van 1965 is een exclusieve bevoegdheid van het federaal parlement. Iedereen moet dit principe respecteren. Deze wijziging wordt nu behandeld in de Kamercommissie voor de Justitie.

Het Overlegcomitť heeft vastgesteld dat overleg heeft plaatsgehad met de gemeenschappen. We hebben urenlang gewerkt, niet alleen met de betrokkenen zelf, maar ook met de betrokken instellingen van de gewesten en de gemeenschappen en met de gemeenschappen zelf. Het wetsontwerp tot wijziging van de wet van 1965 werd in belangrijke mate herwerkt om rekening te kunnen houden met alle mogelijke overwegingen.

De Raad van State schrijft in zijn advies dat de consultatieprocedure daadwerkelijk werd doorgevoerd. Het wetsontwerp moet nu naar het parlement, dat het laatste woord heeft.

De reacties van de balies en van de Kinderrechtencommissaris wijken sterk af van uw versie van de feiten, mevrouw Van dermeersch. Allereerst hebben ze ons bedankt voor de ruime consultatie die heeft plaatsgevonden. Ze hebben gewezen op de wijzigingen die ingevolge deze consultatie werden aangebracht en op de enkele punten waarover meningsverschillen bestonden.

Achter de termen sanctierecht en beschermingsrecht gaat een realiteit schuil die door velen niet wordt gevat. Diegenen die bijkomende sancties vragen, stellen geen andere sancties voor dan deze die zijn opgenomen in de wet van 1965. Het debat gaat niet over andere sancties, maar over tarifering. Anders gezegd, welke rol moeten de persoonlijkheid van de jongeren en de openbare veiligheid spelen in de criteria die een jeugdrechter hanteert bij het nemen van maatregelen? Daar gaat het om. Er is geen sprake van bijkomende sancties. De sanctie is uiteraard noodzakelijk, ze maakt deel uit van de opvoeding en de preventie.

Zeggen dat de uithandengeving tot straffeloosheid leidt, wijst op een inschattingsfout. De uithandengeving houdt in dat een jongere vanaf zijn zestiende niet onder de maatregelen van de wet van 1965 valt, maar voor de volwassenenrechtbank moet verschijnen en mogelijk in de gevangenis terechtkomt. Jaarlijks zijn er een honderdtal uithandengevingen.

Het wetsontwerp stelt voor dat de dossiers van uit handen gegeven jongeren door gespecialiseerde rechters bij de rechtbank van eerste aanleg worden behandeld. Voorts wil het gespecialiseerde inrichtingen oprichten die de voorrang geven aan reclassering. De jongeren moeten worden beschermd tegen contacten met doorgewinterde criminelen. Iedereen weet dat de gevangenissen misdaadscholen zijn.

De woorden en concepten verhelen veel onbegrip en soms ook een miskenning van de realiteit van het jeugdrecht.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Het getuigt van weinig respect voor de Vlamingen dat een Franstalig antwoord wordt gegeven op een Vlaamse vraag in de tweetalige of zelfs drietalige Senaat.

Uit het antwoord van de minister leid ik af dat de federale regering nog geen standpunt heeft ingenomen over de aankondiging van de opzegging door minister Vervotte. De federale regering is blijkbaar nog niet formeel op de hoogte van de bezwaren die geuit werden. Ik neem dus aan dat de minister niet bereid is het systeem van uithandengeving te schrappen. Ze verdoezelt dit in een lange uitleg over waar en hoe de straf moet worden uitgevoerd, maar gaat verder niet in op de uithandengeving.

Mondelinge vraag van mevrouw Christine Defraigne aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde gevolgen die werden gegeven aan de resolutie inzake de invoering van sport- en cultuurchequesĽ (nr. 3-545)

De voorzitter. - Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - De minister van Volksgezondheid is ziek. Dat doet mij denken aan zijn hittegolfplan van vorige zomer, toen het niet ophield met regenen. Van een samenloop van omstandigheden gesproken!

De Senaat keurde op 15 juli 2004 een voorstel tot resolutie goed inzake de invoering van sport- en cultuurcheques, om de toegang te vergemakkelijken tot een sport waarvan erkend wordt dat ze heilzaam is voor de gezondheid.

De werkgevers zouden die cheques aan hun werknemers kunnen schenken. De cheques worden beschouwd als sociale voordelen waarop geen sociale bijdragen of belastingen moeten worden betaald. Dat bijkomend voordeel voor de werknemers kost de sociale zekerheid en het departement FinanciŽn geen cent.

De minister van FinanciŽn heeft meermaals verklaard dat hij de resolutie van onder meer senator Wilmots onderschreef omdat die maatregel de uitoefening van een sport bevordert en de gezinnen minder lidgeld aan de sportclubs moeten betalen.

De vertegenwoordiger van de heer Demotte verklaarde in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden dat hij die maatregel om budgettaire redenen niet zou steunen. Er is dus een hiaat, want net zoals voor de maaltijdcheques moeten de uitgiftevoorwaarden van de sport- en cultuurcheques bij koninklijk besluit worden geregeld.

De reactie van de heer Demotte verwondert mij omdat toch aangetoond was dat dit een nuloperatie is voor de openbare financiŽn.

Kan de minister bevestigen wat gisteren in de commissie werd verklaard? Zal hij de op 15 juli 2004 goedgekeurde resolutie niet steunen? Hoeveel zou het eventuele prijskaartje voor de sociale zekerheid bedragen? En als er geen prijskaartje is, waarom gaat de minister dan op de rem staan wanneer het erop aankomt deze maatregel in de praktijk te brengen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Minister Demotte is absoluut van mening dat sport en cultuur een belangrijke plaats innemen op educatief, sociaal en persoonlijk vlak, dat ze een fundamentele rol spelen in de integratie en bijgevolg in de strijd tegen racisme en xenofobie en dat sport een heilzaam effect heeft op de volksgezondheid.

Ik vestig er de nadruk op dat minister Demotte momenteel werkt aan een plan voeding-gezondheid dat onder andere de bevordering van de sportbeoefening als doelstelling heeft.

Hij deelt de opvatting dat sport en cultuur toegankelijker moeten worden voor iedereen en niet alleen voor de werkende bevolking. We moeten ons echter afvragen of we ons hier niet vergissen in de rol van de sociale zekerheid. Moet de sociale zekerheid hier echt worden ingeschakeld?

Er werden in de sociale zekerheid trouwens al heel wat specifieke maatregelen genomen. Ik denk bijvoorbeeld aan het statuut van de kunstenaar en dat van de betaalde sportbeoefenaar.

De minister van Sociale Zaken is vanzelfsprekend van plan de verschillende wetsvoorstellen en het voorstel van resolutie dat gisteren in de Senaatscommissie besproken werd, in overweging te nemen. Die teksten zullen voor advies worden voorgelegd aan de inspectie van FinanciŽn en ter goedkeuring aan de minister van Begroting, vooraleer ze voor advies naar de Nationale Arbeidsraad zullen worden gestuurd.

Indien het correct is dat de sport- en cultuurcheques een nieuw sociaal voordeel betekenen, moeten we rekening houden met de impact op de ontvangsten van de sociale zekerheid. De werkgevers- en persoonlijke bijdragen vertegenwoordigen ongeveer 50% van de waarde van het voordeel, of 125 euro voor een chequeboekje ter waarde van 250 euro.

Daarom is het advies van de sociale partners, de beheerders van ons stelsel van sociale zekerheid, van essentieel belang.

De minister van Sociale Zaken zal de Senaatscommissie ad hoc vanzelfsprekend op de hoogte brengen van de verschillende adviezen die zullen binnenkomen.

Mevrouw Christine Defraigne (MR). - Gelukkig steunt de heer Demotte de resolutie. Wat zou er gebeuren, mocht dat niet het geval zijn?

Ik heb de indruk dat we hier doen alsof we mekaar niet goed begrijpen. De sociale zekerheid speelt hier helemaal geen rol. Men geeft blijkbaar niet om een bijzonder populaire maatregel die echt nuttig is. Ik heb de indruk dat men intellectueel de verkeerde richting uitgaat.

Mondelinge vraag van de heer Philippe Mahoux aan de eerste minister en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęde beschikbare informatie op de federale portaalsiteĽ (nr. 3-544)

De heer Philippe Mahoux (PS). - Op de internetsite van de federale regering (www.belgium.be) ontbreken een aantal inlichtingen met betrekking tot een nieuwe categorie van kiezers voor de gemeenteraadsverkiezingen.

Ik heb het meer bepaald over de informatiebladzijden over de voorwaarden voor het actief kiesrecht voor de gemeenteraad en over de beschrijving van de evolutie van het stemrecht sedert 1830. In geen van beide gevallen is er sprake van het gemeentelijk stemrecht voor buitenlanders.

Het gaat om nieuwe rechten die aan een deel van de bevolking zijn toegekend. Mijn fractie nam daartoe het initiatief en heeft lang gestreden voor de toekenning van gemeentelijk stemrecht aan vreemdelingen.

De wetgeving werd in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd op 23 april 2004 en is dus al bijna een jaar van kracht.

Waarom wordt het vreemdelingenstemrecht niet vermeld op de website van de regering? Wordt die website niet geregeld geactualiseerd?

Een snelle aanpassing is gewenst want de datum van de gemeenteraadsverkiezingen komt steeds dichterbij.

De heer Patrick Dewael, vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken. - Krachtens artikel 6, ß1, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming van de instellingen zijn de gewesten sedert 1 januari 2002 bevoegd voor de reglementering en de organisatie van de gemeenteraadsverkiezingen. De federale overheid bleef bevoegd voor het stemrecht van EU-burgers die geen Belg zijn en van personen die in BelgiŽ verblijven maar die geen EU-burger zijn.

Voor die laatste groep werd de toepassing van de Grondwet verzekerd door de wet van 19 maart 2004 tot toekenning van het actief kiesrecht bij de gemeenteraadsverkiezingen aan vreemdelingen. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2006 moeten de informatiecampagnes ten behoeve van de Belgische en niet-Belgische kiezers, omwille van de coherentie, door de gewesten worden gevoerd. Om die redenen en aangezien de organisatie van de gemeenteraadsverkiezingen niet langer een federale bevoegdheid is, moet daarover geen informatie verstrekt worden op www.belgium.be. Ofschoon mijn administratie vindt dat een federale website geen informatie hoeft te verstrekken over een gewestelijke bevoegdheid, zal ik haar opdracht geven een rubriek in te lassen over de principes van de voormelde wet van 19 maart 2004.

De heer Philippe Mahoux (PS). - Ik dank de minister voor de institutionele toelichting en voor het gebaar van goede wil van zijn departement. De wet die stemrecht verleent aan vreemdelingen is een federale wet. Het verstrekken van informatie over de gemeenteraadsverkiezingen is inderdaad een bevoegdheid van de gewesten. Het verstrekken van algemene informatie over een federale tekst is echter een federale bevoegdheid en ik dank de minister voor het initiatief dat hij zal nemen.

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over ęhet rapport van het onafhankelijk panel van de VN aangaande het wapenembargo in Oost-CongoĽ (nr. 3-546)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Conform paragraaf 6 van resolutie 1552 van de VN-Veiligheidsraad heeft een onafhankelijk panel van experts begin januari 2005 een rapport opgemaakt betreffende de naleving van het wapenembargo in Ituri, Noord- en Zuid-Kivu. Resolutie 1493 van 2003, verlengd door resolutie 1552, legt een ruim wapenembargo op ten aanzien van verschillende groeperingen die in het gebied actief zijn en die het vredesproces bedreigen. Uit dit rapport blijkt dat naast de netwerken van wapenhandelaars vooral Oeganda en Rwanda de regels schenden door hetzij rechtstreeks wapens te leveren of onrechtstreeks de verschillende groeperingen financieel, logistiek en commercieel te ondersteunen waardoor deze in staat zijn hun militaire capaciteit te behouden. De VN-experts halen menig voorbeeld aan en wijzen ook op de - weliswaar beperkte - aanwezigheid van Rwandese militairen in Oost-Congo. Bovendien worden ook Rwanda en Burundi duidelijk met de vinger gewezen omwille van de logistieke ondersteuning tijdens de opstand in Bukavu in juni 2004.

Heeft de minister kennis van dit rapport?

De experts roepen op om het embargo uit te breiden tot het gehele grondgebied van de DRC. Welke houding neemt BelgiŽ aan met betrekking tot die aanbeveling? Is er enig overleg binnen de EU om een gezamenlijk standpunt in te nemen?

De bevoegde Senaatscommissie heeft in haar rapport van 18 mei 2004 de regering aanbevolen alle statelijke en niet statelijke actoren die in weerwil van de vredesakkoorden de territoriale integriteit niet respecteren, te treffen met een door de VN opgelegd wapenembargo. Welke stappen zal de minister, gezien de bewijslast van het recente VN rapport, nemen ter uitvoering van deze aanbeveling?

Is ons land tevens bereid, gezien de dubieuze rol van bedrijven en personen in de regio, steun te verlenen aan een initiatief waarbij een sanctiecomitť persoonsgebonden sancties zoals reisverbod of bevriezing van tegoeden kan opleggen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik antwoord namens de minister van Buitenlandse Zaken, die thans in Auschwitz is voor de herdenking van 60 jaar bevrijding.

De minister is inderdaad op de hoogte van het rapport van het onafhankelijke panel van experts van de VN met betrekking tot het wapenembargo in het oosten van de DRC. Dit rapport wordt ook nauwkeurig gelezen door de verschillende diensten van zijn departement.

De experts formuleren een aantal interessante aanbevelingen die de toepassing van het embargo zouden moeten verbeteren. De uitbreiding van het embargo tot het gehele Congolese grondgebied is daar ťťn van. De minister staat in principe positief tegenover dit voorstel. De huidige formulering van het embargo is immers omslachtig. Het toepassingsveld van het embargo is enerzijds geografisch gelimiteerd tot Ituri en de Kivu's, maar anderzijds is het ruimer, daar het ook geldt voor alle partijen die het globale vredesakkoord niet hebben ondertekend.

Het komt de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties toe om de beslissing te nemen over de definiŽring van het embargo, of over het uitvaardigen van persoonsgebonden sancties. BelgiŽ heeft als niet-lid uiteindelijk geen beslissingsbevoegdheid terzake. Wij kunnen wel onze opvattingen mededelen aan de leden van de Veiligheidsraad, in het bijzonder aan de overige leden van de Europese Unie. De minister hoopt natuurlijk dat wij een echte stem in de Veiligheidsraad zullen krijgen in 2007-2008.

Indien de Veiligheidsraad beslist om persoonsgebonden sancties uit te vaardigen, dan zal BelgiŽ de nodige schikkingen treffen om deze maatregelen nauwgezet uit te voeren.

U weet dat BelgiŽ op positieve wijze wordt vermeld in het rapport. Wij worden bedankt voor onze samenwerking met het panel van experts. Wij worden gefeliciteerd voor onze financiŽle steun aan een gespecialiseerde opleiding inzake monitoring van het embargo die gegeven wordt aan leden van de VN-missie MONUC. Met die opleiding wordt er gevolg gegeven aan een aanbeveling uit een eerder rapport van het panel van experts. Dit toont aan dat BelgiŽ op actieve wijze bijdraagt tot een betere toepassing van het embargo.

BelgiŽ is ook op andere terreinen behulpzaam. Via zijn ontwikkelingssamenwerking met Congo draagt ons land ook daadwerkelijk bij tot het versterken van de instellingen in Congo en daardoor zal zeker de capaciteit van de Congolese staat vergroten, wat ook een effect zal hebben op de bestrijding van wapenhandel en -smokkel. Eveneens bestudeert ons land een vraag vanwege de Congolese autoriteiten tot steun voor de vorming en uitrusting van 300 Congolese ontmijners en via de NGO Handicap International BelgiŽ wordt iets gedaan in Congo voor o.m. de slachtoffers van landmijnen.

Tenslotte moet natuurlijk de Belgische inzet vermeld worden voor de vorming van een geÔntegreerd Congolees nationaal leger, dat langzamerhand de verschillende milities en gewapende groeperingen moet opslorpen ťn tevens tot demobilisatie en integratie in de maatschappij moet overgaan van de zogenaamde niet-geschikte elementen.

Een professioneel leger vormt een tegenwicht voor de wildgroei van allerlei milities met de daaraan verbonden wapenhandel en -smokkel.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik dank de minister voor het uitgebreid antwoord. Ik wil terugkomen op het hoofdpunt van mijn vraag, namelijk wat de mening van de minister is over het rapport. Ik begrijp dat hij het rapport van het VN-panel zal steunen, dat hij onze analyse deelt en dat hij van oordeel is dat het wapenembargo moet worden uitgebreid. Ofschoon BelgiŽ vandaag geen lid is van de Veiligheidsraad, wil ik hem toch vragen een pro-actieve diplomatie te voeren opdat de Veiligheidsraad de moed zou opbrengen om deze beslissing wel te nemen. Het is belangrijk dat dit punt op de agenda van de Europese Unie komt, en dat men de Europese partners op die lijn krijgt. Als we ťťn Europees beleid hebben op dit vlak, kunnen we wegen op de agenda van de Veiligheidsraad.

Vraag om uitleg van de heer Berni Collas aan de minister van Buitenlandse Zaken en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęde Belgisch-Luxemburgs-Duitse Kamer van KoophandelĽ (nr. 3-546)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens de heer Karel De Gucht, minister van Buitenlandse Zaken.

De heer Berni Collas (MR). - Weil es sich hier doch um eine allgemeine Materie handelt, begnŁge ich mich mit diesen kurzen Worten in deutscher Sprache.

Aangezien het toch om een algemene materie gaat, zal ik het bij deze enkele woorden in het Duits laten.

De Belgisch-Luxemburgs-Duitse Kamer van Koophandel, debelux, heeft altijd al bijstand verleend aan Belgische bedrijven op de Duitse markt.

Ze heeft koopdagen en informatieseminaries in BelgiŽ georganiseerd over de gewoonten en bijzondere kenmerken van de Duitse markt. Ook heeft ze commerciŽle medewerkers gezocht en studies gemaakt over de sectorale markten.

Bovendien organiseert de Kamer van Koophandel regelmatig persconferenties teneinde op handelsbeurzen en expo's de knowhow, de producten en de diensten van de Belgische bedrijven in de verf te zetten. Voor die activiteiten stelt ze sinds jaren een jaarlijks actieplan op. Dit wordt onderzocht, beoordeeld en goedgekeurd door de Belgische ambassade in Berlijn en door de vroegere BDBH en haar opvolger, de ABH-ACE, in overleg met de gewesten. Dit programma heeft tot nu toe altijd geleid tot de toekenning van een subsidie van 185.000 euro waardoor het programma kon worden gerealiseerd.

Sinds de verhuizing van de Belgische ambassade van Bonn naar Berlijn bestaat tussen debelux en het directoraat-generaal B een conventie over een cel `normen en reglementeringen'. Die cel, die voordien in de ambassade was gevestigd, informeert Vlaamse, Waalse en Brusselse bedrijven over de Duitse normen en reglementeringen en werkt nauw samen met de gewesten. De cel krijgt hiervoor een jaarlijkse subsidie van 43.200 euro.

In 2004 heeft de Kamer van koophandel dus 228.200 euro ontvangen.

Naast de subsidies die ze krijgt voor haar algemene diensten, haalt debelux ook 60% van haar inkomsten uit bijdragen van haar leden en uit betalingen voor geleverde diensten.

Al die vergoede diensten vullen het werk van de economische attachees van de gewesten aan. Debelux neemt de beheerskosten op zich voor het verkooppersoneel van Belgische bedrijven in Duitsland.

Die zeer gespecialiseerde dienst verstrekt juridisch advies, met name met betrekking tot de redactie en de tenuitvoerlegging van arbeidsovereenkomsten. Ook geeft hij raad op fiscaal en sociaal vlak en sinds kort gaat hij ook op zoek naar personeel voor de `verkoopbegeleiding'.

De diensten worden verleend tegen een zeer schappelijke prijs en zijn ook gericht op Belgische KMO's.

Verder stelt debelux ook betaalbaarstellingen voor en vanaf 2005 geeft ze praktische hulp bij de oprichting van filialen in Duitsland.

Teneinde het dienstengamma te vervolledigen heeft ze ook een Sales Office voor Belgische ondernemingen opgericht. Hierbij delen meerdere Belgische bedrijven hun intern verkoopspersoneel, teneinde de Duitse markt op een voordeliger wijze te veroveren.

De nieuwe diensten staan in de steigers en moeten in BelgiŽ nog bekender worden. Ze zullen op middellange termijn bijdragen tot de zelffinanciering van de Kamer van Koophandel.

Door zijn paritaire samenstelling - twee zetels in Brussel en Keulen met een bijzetel in Luxemburg, ťťn trinationale beheerraad - is debelux perfect geÔntegreerd in het Duitse systeem van kamers van koophandel.

Die integratie brengt grote voordelen met zich mee. Zo heeft debelux rechtstreeks toegang tot de informatiesystemen tussen de verschillende kamers, zoals de zeer gedetailleerde gegevensbank met data over zowat alle Duitse bedrijven.

In Duitsland is de toetreding tot een kamer van koophandel of een kamer van ambachten en neringen verplicht. Die kamers staan dan ook bekend om hun ernst, professionalisme en expertise.

Dankzij haar lidmaatschap van de Duitse Kamers van Koophandel kan debelux ook deelnemen aan evenementen, salons, handelsbeurzen en seminaries waartoe andere instellingen geen toegang hebben.

Debelux is de enige Belgische Kamer van Koophandel in het buitenland die op een paritaire wijze werkt. Ze is de oudste en de Duitsers hebben de paritaire werking aanvaard hoewel hun bijdrage veel aanzienlijker is dan die van de Belgische Staat. Een schrapping van de subsidies, al was het maar tijdelijk, zou de pariteit binnen de Kamer verbreken en een einde maken aan een vruchtbare en zeer gesmaakte samenwerking.

Bovendien kan men niet van de Duitse regering eisen dat ze de promotie van de Belgische export naar Duitsland subsidieert.

Een schrapping van de subsidie zal schade berokkenen aan de belangrijke rol die de kamer speelt in de organisatie van zakenreizen of in de voorbereiding van de bezoeken van ministers. Het netwerk, de kennis en de integratie in het lokale landschap worden terzijde geschoven.

Bovendien is debelux de enige nationale privť-instelling die permanent informatie en raad geeft aan Duitse investeerders en beginnende ondernemers die interesse hebben voor BelgiŽ.

Een van de praktische instrumenten bij die activiteiten is de handleiding `Die belgischen Steuern', waarvan volgende maand de vijfde druk verschijnt.

Ze is ook de enige neutrale voorkeurspartner van de Duitse landelijke en economische pers, een land waarmee ze sinds haar begin zeer nauwe banden onderhoudt.

Een schrapping van de subsidies zal aanzienlijke schade toebrengen aan het Belgische imago. Ook zal opnieuw twijfel rijzen over de ernst en de geloofwaardigheid van BelgiŽ ten aanzien van het belang van de Duitse markt voor ons land.

De schrapping zal nefast zijn voor de voortzetting van de activiteiten, zowel die inzake het algemeen Belgisch belang als de concrete diensten voor Belgische exporteurs.

Aangezien debelux over zeer gespecialiseerde medewerkers beschikt zal elke vermindering van het personeel er onvermijdelijk toe leiden dat niet langer alle diensten kunnen worden verleend. Ook zal de ontwikkeling van nieuwe diensten onmogelijk worden. De Kamer zal bijgevolg minder aantrekkelijk worden voor de leden en hun partners in Duitsland.

De subsidie vertegenwoordigt 39% van het totale budget van de kamer en is dus zeer belangrijk. Er kunnen zeven personen mee worden betaald, evenals een specialist inzake normen en reglementeringen die de Belgische ondernemingen, de Belgische Staat en de gewesten bijstaat.

Is de beslissing om de Belgische kamers van koophandel in het buitenland niet langer te subsidiŽren onomkeerbaar?

Zo ja, is het niet mogelijk een overgangsregeling uit te werken die de kamers ertoe in staat stelt zich aan te passen aan de nieuwe evolutie, die tot aanzienlijke problemen leidt inzake de financiering? Dit laatste geldt zeker voor debelux, die toch een van de meest actieve kamers is.

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - De Belgische regering heeft op 10 oktober 2004 beslist de subsidiŽring van de Belgisch-Luxemburgse kamers van koophandel in het buitenland om budgettaire redenen stop te zetten.

In het verleden werden aan de verschillende Belgisch-Luxemburgse kamers van koophandel en business clubs in het buitenland, alsook aan sommige kamers van koophandel in ons land, de zogenaamde `gemengde comitťs' middelen toegekend in de vorm van een subsidie voor de uitvoering van een actieprogramma.

In 2004 werd een totaal van 1.240.000 euro aan subsidies toegekend aan 8 bilaterale kamers in BelgiŽ en aan 23 kamers van koophandel en 5 business clubs in het buitenland.

In totaal zijn er 55 bilaterale kamers van koophandel: 31 in het buitenland en 23 in BelgiŽ. Van die 55 zijn er 29 Belgisch-Luxemburgse kamers.

Ook de Luxemburgse regering geeft financiŽle steun aan enkele kamers. In 2003 gaf ze in totaal 93.000 euro aan 18 Belgisch-Luxemburgse kamers van koophandel.

De kamers van koophandel in het buitenland verlenen diensten aan ondernemingen. Ze geven onder meer informatie over de handelsreglementeringen, statistische gegevens, commerciŽle inlichtingen en kansen op de markt, en ze verzamelen en overhandigen zakenvoorstellen.

Ze organiseren studiedagen, seminaries en colloquia. Ze bereiden missies voor of begeleiden ze, en ze nemen onder andere deel aan handelsbeurzen.

De regering heeft de kamers per brief van 6 december 2004 op de hoogte gebracht van het feit dat de subsidie voor 2005 wordt geschrapt.

Ook werd een brief gestuurd naar de gewestoverheden, meer bepaald naar minister-president Charles Picquť, minister-president Van Cauwenberghe en minister Moerman. Ze werden van de beslissing op de hoogte gebracht en er werd aan toe gevoegd dat de gewesten desgewenst zelf de bilaterale kamers kunnen financieren.

Dit weekend las ik in een krant de volgende uitspraak van een econoom: "Niets is zo moeilijk als een subsidie in te voeren. Het is nog moeilijker ze af te schaffen."

De heer Berni Collas (MR). - Als ik het goed begrepen heb, werden de kamers op 6 december 2004 ingelicht. Dit is nogal laat. De betrokkenen hebben niet de nodige maatregelen kunnen nemen om de overgang te verzekeren. Het is jammer dat niet in een overgangsperiode is voorzien.

De beslissing is nu genomen. Jammer genoeg moeten de kamers nu op korte termijn andere middelen vinden zodat ze hun diensten, die door de Belgische firma's ten zeerste worden gewaardeerd, kunnen blijven verlenen.

Mondelinge vragen

Mondelinge vraag van de heer Jean Cornil aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over ęde samenwerking met IvoorkustĽ (nr. 3-543)

De heer Jean Cornil (PS). - Vandaag, 27 januari, wil ik het, zonder een historische of politieke vergelijking te willen maken met het niet te vergoelijken en uitzonderlijke karakter van de holocaust, even hebben over de situatie in Ivoorkust. Sommigen zien daarin immers terecht of ten onrechte de aanzet tot een volkenmoord.

U weet beter dan ik dat de situatie in dat land, vooral sedert november 2004, de broosheid aantoont van het vredesproces dat onder bescherming van Frankrijk en van de internationale gemeenschap en met de steun van de president van Zuid-Afrika, voortgevloeid is uit de Marcoussis-akkoorden.

De aanwezigheid van BelgiŽ in Ivoorkust lijkt aanzienlijk te zijn ingeperkt. Wij hebben daar eergisteren, op de jongste vergadering van de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging langdurig over gepraat met de ambassadeur van Ivoorkust, alsook met de heer Dozon en mevrouw Braeckman. Gelet op de nood aan internationale hulp in dat land, zou ik u een vraag willen stellen over de criteria die er toe hebben geleid dat Ivoorkust niet is opgenomen in de lijst van 18 prioritaire landen voor ontwikkelingssamenwerking. Ik ben er mij van bewust dat die vraag ook kan worden gesteld voor tal van andere landen, zoals Burkina Faso, die evenmin tot die prioritaire landen behoren.

Ik wil het vooral hebben over uw wil en die van de minister van Buitenlandse Zaken om hun stempel te drukken op de aanwezigheid van BelgiŽ in Ivoorkust, naast Frankrijk.

Hebt u contact gehad met uw Europese collega's die belast zijn met ontwikkelingssamenwerking? De experts van de situatie in dat land stellen immers vast dat de Europese Unie daar jammer genoeg afwezig is. Frankrijk speelt er een essentiŽle rol. Toch heeft dat land niet kunnen beletten dat het drama er nog groter is geworden. De Amerikanen hebben ook steeds meer belangstelling voor Ivoorkust. Hebt u daarover gesproken met uw Europese collega's?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - BelgiŽ is zeer bezorgd over de evolutie in Ivoorkust sedert vijf jaar. De vooruitgang die na 40 jaar ontwikkelingssamenwerking werd bereikt, wordt op de helling gezet door de politieke situatie.

De landen in de regio worden eveneens getroffen, want het nationaal inkomen van Ivoorkust vertegenwoordigde, vůůr de crisis, 40% van dat van Franstalig West-Afrika.

De beslissing van november 2003 om het aantal partnerlanden van 25 tot 18 te verminderen kan worden verklaard door de bezorgdheid om onze directe bilaterale steun te concentreren om ze efficiŽnter te maken. De ontwikkeling van een land of van een regio is immers het gevolg van diverse acties op verschillende gebieden, zoals gezondheid, opvoeding en sociale economie. Met een versnippering van onze inspanningen zouden we maar weinig resultaten bereiken.

De regering heeft dan ook de beslissing genomen het aantal partnerlanden te beperken tot 18. Bij een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit heeft de regering keuzes gemaakt.

Sommige van die keuzes zijn pijnlijk. Ik begrijp dat u dat gevoel hebt met betrekking tot Ivoorkust. De andere donorlanden voeren hetzelfde beleid en kiezen soms voor een nog sterkere concentratie, zoals bijvoorbeeld Nederland.

Met betrekking tot Ivoorkust heeft BelgiŽ er overigens voor gezorgd dat de programma's waartoe in de gemengde commissie werd beslist, zo veel mogelijk behouden blijven. Sedert november heeft de BTC zelfs beslist bepaalde projecten in Abidjan en Abengourou voort te zetten met Belgische geŽxpatrieerden die vrijwillig gekozen hebben om ter plaatse te blijven.

Het is waar dat het land meer dan ooit nood heeft aan hulp, maar die steun kan thans alleen nog worden gegeven in de vorm van humanitaire hulp, liefst op internationaal niveau.

Twee voorbeelden kunnen dat aantonen. BelgiŽ blijft bereid een programma uit te werken voor de herstructurering van de administratie in de departementen in het noorden, die sedert september 2002 door de rebellen worden bezet. Door de voortdurende verdeling van het land kan het project niet worden uitgevoerd. Vůůr het uitbreken van de jongste crisis heb ik de eerste minister van Ivoorkust ontvangen en hem beloofd dat project inzake ondersteuning van de administratie voort te zetten.

Dat lijkt nu echter onmogelijk. De Europese Commissie had een belangrijk programma van niet-gebonden begrotingssteun van ongeveer honderd miljoen in het vooruitzicht gesteld, dat eind 2003 werd goedgekeurd door het comitť van het EDF (European Development Fund).

De afwending van de opbrengst van de belastingen op de verkoop van cacao heeft geleid tot de schrapping van een programma dat alleen denkbaar is in een context van een degelijk financieel bestuur. Een gedeelte van de in het vooruitzicht gestelde middelen werd door de Europese Unie omgezet in noodhulp.

BelgiŽ heeft enige tijd het contingent uit Benin gefinancierd dat binnen de Afrikaanse strijdmacht van de Economische Gemeenschap van West-Afrikaanse Staten (ECOWAS) bijdroeg tot de vredeshandhaving.

In tegenstelling tot Groot-BrittanniŽ, Nederland en Zweden, die hun ambassade voorlopig hebben gesloten, heeft BelgiŽ zijn ambassade opengehouden, zodat de politieke dialoog mogelijk blijft.

Aangezien onze samenwerking gebaseerd is op partnerschap, moet worden gewezen op de enorme verantwoordelijkheid van de Ivoriaanse politieke klasse in de huidige crisis. De ambities van enkele politieke gezagsdragers hebben het land naar de ondergang geleid. Hopelijk beheerst de politieke klasse zich en neemt ze haar verantwoordelijkheden op ten gunste van een proces van nationale verzoening. Zodra de rust is hersteld en het land opnieuw verenigd is, kunnen verkiezingen worden gehouden. BelgiŽ zou dan kunnen bijdragen tot de financiering daarvan.

De heer Jean Cornil (PS). - Ik dank de minister voor zijn openhartige antwoord.

Mondelinge vraag van mevrouw Christel Geerts aan de vice-eerste minister en minister van FinanciŽn over ęde heroriŽntatie van het alimentatiefondsĽ (nr. 3-547)

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Sinds 1 juni 2004 kunnen alimentatiegerechtigden terecht bij de Dienst voor Alimentatievorderingen.

Het platform Alimentatiefonds dat altijd gepleit heeft voor de oprichting van dergelijke dienst, had bedenkingen bij de start van de afgeslankte versie. De dienst staat immers alleen in voor de invordering van het saldo van het onderhoudsgeld. Het was een stap in de goede richting, maar onvoldoende. Het platform vroeg dan ook terecht de volledige toepassing van de wet van 21 februari 2003, dat wil zeggen de uitbetaling van voorschotten aan alle alimentatiegerechtigden.

Deze week vernamen we via de pers dat minister van FinanciŽn Reynders wil dat de Dienst voor Alimentatievorderingen (DAVO) ook voorschotten uitbetaalt. Dat zou een reactie zijn op het eerste werkingsrapport, waaruit blijkt dat de dienst met nog behoorlijk wat kinderziekten kampt. Het terugvorderen van gelden verloopt namelijk een stuk moeilijker dan verwacht. Zo vernamen we bijvoorbeeld dat van de 9 miljoen euro aan achterstallige betalingen amper 3 procent werd geÔnd. Zo ook blijkt de invordering bij schuldenaars die in het buitenland verblijven, nagenoeg onmogelijk. Bovendien zou meer dan de helft van de mensen die een aanvraag doen bij de DAVO, niet in aanmerking komen voor een voorschot bij het OCMW.

In juni 2004 gaf toenmalig minister van Economie Moerman hier aan dat de minister van FinanciŽn desgevallend het evaluatieverslag zou voorleggen aan de federale wetgevende kamers. Wanneer zal dat gebeuren?

Zijn er al stappen gedaan om het engagement van de minister in verband met de ruimere taakinvulling van de Dienst voor Alimentatievorderingen uit te bouwen? Hoe zal dat concreet verlopen? Is er in een timing voorzien?

Zijn er vanuit de diensten van de minister aanbevelingen vertrokken of stappen gedaan om op Europees vlak tot een herziening van de vorderingsmethodes te komen?

De heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van FinanciŽn. - De commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden heeft deze aangelegenheid op 12 januari besproken. Er bestaat nog geen evaluatieverslag. Ik heb aan het secretariaat van de commissie echter een zeer uitgebreid verslag gegeven met alle commentaar en gegevens in verband met de werking van de Dienst voor Alimentatievorderingen. Dat verslag staat ter beschikking van alle senatoren.

We gaan door met de verbetering van de werking van de dienst. Wellicht kan een eerste bespreking plaatsvinden in de commissie FinanciŽn over de vraag onder welke voorwaarden we voorschotten kunnen uitkeren. Kan dat zonder financiŽle beperkingen? Kan de dienst voorschotten toekennen onder dezelfde voorwaarden als de OCMW's. Kunnen de bedragen worden opgetrokken? Ik heb ter zake een voorstel ingediend bij de commissie FinanciŽn met het oog op een eerste algemene bespreking.

Het is nog niet echt nodig geweest om dit dossier op Europees vlak aan te kaarten, aangezien we ons bij de toepassing van de wet hebben beperkt tot personen die een band met BelgiŽ hebben. Tijdens de bespreking in de Kamer en de Senaat was immers gebleken dat het zeer moeilijk is invorderingen in het buitenland te doen. Dat geldt trouwens niet alleen voor alimentatiegelden, maar ook voor fiscale schulden en dergelijke. Het parlement heeft er dan ook voor gekozen bij de toepassing van de wet enkel rekening te houden met mensen die een band met BelgiŽ hebben.

Er is dus een verslag opgesteld, waarvan ik mevrouw Geerts een kopie zal geven. Ook ben ik altijd beschikbaar om in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden of elders een gesprek aan te gaan over de mogelijke voorwaarden voor de voorschotten. Ten slotte ben ik bereid het dossier in Europa aan te kaarten, maar dat is niet echt noodzakelijk voor een correcte toepassing van de wet.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en voor de kopie van het verslag. Ik heb er begrip voor dat er financiŽle en transnationale obstakels kunnen bestaan. We mogen echter niet vergeten dat heel wat personen, vaak alleenstaande vrouwen met kinderen, in de kou blijven staan. Ik hoop dan ook dat nog vooruitgang kan worden geboekt.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde erbarmelijke en onveilige staat van het justitiepaleis van DoornikĽ (nr. 3-552)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - De minister heeft niet altijd gebouwen in perfecte staat geŽrfd. We mogen niet te pessimistisch zijn, maar in Doornik wordt de toestand nijpend. In juli vorig jaar heeft de Dienst voor preventie en bescherming op het werk een controle uitgevoerd. Volgens het verslag is de toestand van het justitiepaleis erbarmelijk en is het nog nauwelijks bruikbaar. Plaatsen waar voorheen 130 mensen werkten, zijn voortaan verboden terrein. Het personeel werd herverdeeld over veel kleinere lokalen, wat de efficiŽntie niet ten goede komt.

Werden dringende werken gepland, meer bepaald wat de brandveiligheid betreft? Werden brandbeveiligingssystemen en evacuatiemaatregelen uitgewerkt? Er zouden vooral problemen rijzen met de archieven die in het gebouw zijn opgeslagen.

Zijn meer ingrijpende werken mogelijk in het kader van het driejarenplan 2005-2008 van het departement van Justitie? Werd daarin rekening gehouden met het justitiepaleis van Doornik? Moet, gezien de vermelde tekortkomingen en de spreiding van de gerechtelijke diensten over verschillende plaatsen, niet ernstig worden overwogen deze samen te brengen op ťťn functionele plek? In het hof van beroep van Bergen zijn werken aan de gang en ik verneem dat werken worden gepland in Dinant.

Ik hoop dat de minister van FinanciŽn, die het toezicht uitoefent op de Regie der Gebouwen, mevrouw Onkelinx een steuntje kan geven zodat het gerechtelijk arrondissement van Doornik binnenkort een splinternieuw gerechtsgebouw krijgt.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Alleen de heer Reynders is bevoegd voor de Regie der Gebouwen. Hij doet dat overigens uitstekend. Het is goed dat Justitie en de Regie der Gebouwen ter zake samenwerken.

Bij mijn aantreden heb ik al snel moeten vaststellen dat de gerechtelijke gebouwen zich spijtig genoeg in een werkelijk erbarmelijke toestand bevinden. We hebben dan ook een speciale samenwerking tot stand willen brengen tussen de FOD Justitie en de Regie der Gebouwen om tegemoet te kunnen komen aan de noden van de gerechtelijke diensten die vaak op het randje van het onfatsoenlijke gehuisvest zijn. Alle uitgaven voor de renovatie van gerechtelijke en van federale gebouwen in het algemeen vallen ten laste van de begroting van de Regie der Gebouwen en niet van Justitie.

Wat meer bepaald de problemen betreft die aangehaald werden in het verslag van de preventieadviseur van de Dienst voor bescherming en preventie op het werk, zullen mijn diensten op 31 januari een ontmoeting hebben met de eerste voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg om na te gaan welke maatregelen het dringendst zijn en ze dan over te leggen aan de Regie der Gebouwen, die dan in het allernoodzakelijkste kan voorzien.

Ik kan nu al het volgende meedelen.

De zolders bevinden zich in een erbarmelijke toestand omdat er archieven zijn opgeslagen of op een hoop gegooid en er oude meubelen rondslingeren. Dat probleem bestaat al sinds 2000. Ingevolge de brandverslagen heeft de FOD Justitie de Regie en de gebruikers aangeschreven, maar zonder veel resultaat.

In 2001 hebben de gerechtelijke diensten van het paleis nieuwe lokalen kunnen betrekken. In feite gaat het om twee binnenplaatsen die werden overkoepeld, met in de kelder een oppervlakte van 210 vierkante meter voor archieven en op de benedenverdieping ongeveer 70 vierkante meter voor compactus.

De toegang tot een lift en tot de op zolder opgeslagen archieven is sinds 1 juli 2004 verboden nadat industrieel ingenieur Normain van de FOD Werkgelegenheid de veiligheid van het paleis had onderzocht. De lift in kwestie wordt nog gebruikt door de personeelsleden en wordt om de drie maanden door de Regie der Gebouwen gecontroleerd.

Ten slotte vond op 22 december 2004 een vergadering plaats van het basisoverlegcomitť. Het actieplan 2005 vermeldt onder punt 11 de veiligheidsproblemen evenals het gebruik van het gebouw. Het gerechtsbouw van Doornik staat op de agenda van het volgende comitť op 1 februari.

Omdat de begroting van de Regie der Gebouwen niet toelaat tegemoet te komen aan alle vragen, heb ik aan de regering een meerjarenplan voor de gerechtsgebouwen voorgelegd, meer bepaald de justitiepaleizen en gelijkgestelde en de gevangenissen. Dit plan moet tegemoetkomen aan de meest in het oog springende noden. Het justitiepaleis van Doornik is erin opgenomen.

Dit meerjarenplan komt bovenop de jaarlijkse kredieten voor werken aan justitiepaleizen en gevangenissen.

In 2007 werd in een eerste tranche van 3 miljoen euro voorzien om te starten met uitbreidingswerken van het huidige justitiepaleis. De Regie der Gebouwen beschikt over de lijst van werken die werd opgesteld door de Doornikse gerechtelijke overheden en die door de Inspectie van FinanciŽn werd goedgekeurd.

Ik heb ook vernomen dat een eerste vestigingsschets van de lokalen door de Regie wordt opgesteld. Dat is dus voor de middellange termijn.

Het meerjarenplan Justitie voorziet in de renovatie en uitbreiding van het huidige justitiepaleis, zodat de gerechtelijke diensten samen gehuisvest kunnen worden. Ik zal erop toezien dat de oplossing die door de Regie der Gebouwen wordt voorgesteld, functioneel is en definitief een einde maakt aan de problemen.

We zullen ons inspannen om het probleem op te lossen. We hebben bijkomende kredieten gekregen. We krijgen natuurlijk vele investeringsaanvragen uit verschillende delen van het land. We kunnen niet alle problemen als bij toverslag oplossen, maar we trachten in elk geval billijk te zijn.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik wist dat de minister zich van het probleem bewust was. Nu ik de plannen ken, hoef ik de andere bevoegde minister niet onmiddellijk te interpelleren. We zullen de toestand blijven volgen. Die zal waarschijnlijk nog evolueren ingevolge het onderhoud van de minister met de eerste voorzitter van de rechtbank van eerste aanleg.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie en aan de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken over ęhet straatracenĽ (nr. 3-554)

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Nachtelijk straatracen is een fenomeen dat meer en meer de kop opsteekt. Met dure wagens, vaak van het nieuwste type en opgefokt, worden de straten onveilig gemaakt. In Charleroi overleed afgelopen weekend een man, nadat hij door een racende tiener frontaal werd aangereden.

Straatracen is geen nieuw fenomeen. In de Verenigde Staten groeide het uit tot een echte plaag, waarbij jaarlijks tientallen doden vallen. Ondertussen is deze zogenaamde sport wereldwijd een modeverschijnsel geworden, waarbij via het internet, in een geheimtaal, contacten worden gelegd en afspraken worden gemaakt.

In een antwoord op mijn schriftelijke vraag van 24 juni 2002 verklaarde de minister van Binnenlandse Zaken dat er in de afgelopen twee jaar zeven nachtelijke straatraces feitelijk werden vastgesteld. Verder werden er vijf meldingen genoteerd van aan de gang zijnde straatraces, zonder dat het plaatsvinden ervan daadwerkelijk kon worden vastgesteld. Voor zover bekend werd gedurende twee jaar, noch gerechtelijk, noch bestuurlijk iemand aangehouden. Maar de politiediensten zijn gemotiveerd om het probleem aan te pakken, het fenomeen te detecteren en in kaart te brengen en personen die betrapt worden aan te houden.

Naast de illegale straatraces worden ook legale straatraces georganiseerd. De afgelopen twee jaar werden er drie gereden, voor 2005 zijn er minstens vijf gepland. Het vinden van een geschikte locatie is daarbij een groot probleem. Vaak voldoen enkel militaire domeinen aan de voorwaarden van de organisatoren. Bij deze legale straatraces moeten dan wel de nodige veiligheidsmaatregelen worden genomen.

Graag kreeg ik van de vice-eerste minister een antwoord op de volgende vragen.

Is in ons land sinds 2002 een merkbare stijging van het aantal illegale straatraces waar te nemen?

Hebben de politiediensten dit fenomeen al in kaart gebracht?

Hoeveel personen werden gerechtelijk vervolgd voor het deelnemen aan dergelijke activiteiten?

Welke houding neemt de regering aan tegenover het eventueel legaal organiseren van straatraces?

Acht de vice-eerste minister het wenselijk hieromtrent een wetgevend initiatief te nemen?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Volgens de inlichtingen die ik van collega Dewael en van de Algemene Directie van de operationele ondersteuning van de federale politie kreeg, is het fenomeen van het straatracen als dusdanig niet als prioriteit opgenomen in het nationaal veiligheidsplan. Bijgevolg bestaat er op nationaal vlak hiervoor geen gecentraliseerde gegevensbank en is het dan ook onmogelijk om de evolutie precies te bepalen.

Volgens inlichtingen van het BIVV is het illegale straatracen als oorzaak van ongevallen niet opgenomen in de documenten die de politie gebruikt bij de vaststellen van verkeersongevallen.

Het Nationaal Instituut voor de Statistiek beschikt derhalve niet over cijfergegevens van het aantal ongevallen dat tijdens dergelijke straatraces wordt veroorzaakt.

De lokale autoriteiten moeten op basis van hun strategische analyse bepalen of dit fenomeen al dan niet als prioriteit dient te worden beschouwd. Desgevallend kunnen de politiediensten de bestrijding ervan inschrijven in hun zonaal veiligheidsplan en de evolutie opvolgen op grond van de belangrijkheid in hun zone.

De complexiteit van de toepasbare wettelijke bepalingen zet vice-eerste minister Dewael aan te verwijzen naar het antwoord op de vraag 2196 van 24 juni 2002. Daarin staan meer details dan ik hier kan geven.

Geen enkel wetgevend initiatief moet worden overwogen - hoewel ik open sta voor voorstellen ter zake - wat betreft de legalisering van de straatraces, aangezien die onder bepaalde omstandigheden mogelijk zijn. In het bijzonder moeten de bepalingen worden nageleefd van het koninklijk besluit van 28 november 1997 betreffende de reglementering van de organisatie van sportwedstrijden of sportcompetities voor auto's die geheel of gedeeltelijk op de openbare weg plaatshebben.

Artikel 9 van de verkeerswet bepaalt daaromtrent ondubbelzinnig dat de organisatie van een sportwedstrijd of een sportcompetitie die geheel of ten dele op de openbare weg plaatsvindt, verboden is behalve als er een voorafgaande en schriftelijke toestemming is van de burgemeester op wiens grondgebied de wedstrijden of competities plaatshebben.

Indien dit reglement niet wordt gerespecteerd, moet er streng worden opgetreden. De wetgeving werd overigens reeds toegepast. Ik verwijs hiervoor naar het antwoord op een vraag die de heer Dedecker op 8 augustus 2003 stelde. De bestaande wetgeving maakt dus een streng optreden mogelijk.

Als de toestand zich zou ontwikkelen zoals u beschrijft, moeten we aan het NIS vragen dit nieuwe, mogelijk moorddadige fenomeen onder een aparte referentie in de statistieken op te nemen. Ik zal de gemeentelijke overheid dan vragen ons de nodige informatie te verschaffen zodat we iets kunnen ondernemen via de prioriteiten van het verkeersactieplan.

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde knelpuntennota van het Limburgs Platform Alternatieve Gerechtelijke MaatregelenĽ (nr. 3-558)

De heer Jacques Germeaux (VLD). - In de Kamercommissie voor de Justitie van 5 juli 2004 interpelleerde de heer Bert Schoofs de minister van Justitie over de knelpuntennota van het Limburgs platform Alternatieve Gerechtelijke Maatregelen. Het constructieve overleg tussen het Steunpunt Alternatieve Maatregelen, de justitiehuizen van Hasselt en Tongeren en de diensten Gerechtelijke Maatregelen zou volgens de minister hebben geleid tot concrete afspraken inzake informatie-uitwisseling en -doorstroming en tot het organiseren van debatten over zeer precieze problemen zoals het beroepsgeheim.

Kan de minister mij meedelen wat ze de voorbije zes maanden ter zake heeft ondernomen en wat de huidige stand van zaken is?

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - In de lente van vorig jaar heeft de FOD Justitie een knelpuntennota ontvangen van het Limburgs platform Alternatieve Gerechtelijke Maatregelen. Naar aanleiding van deze nota werd een overleg op gang gebracht tussen het steunpunt Alternatieve Maatregelen van de FOD Justitie, de beide justitiehuizen en de projectplaatsen. Dit overleg is eveneens ter sprake gekomen op de vergadering van de commissie voor de Justitie van 11 juli 2004.

Dit overleg behandelde zowel actuele als structurele problemen. De geldende regelgeving bepaalt dat er alleen met contracten van bepaalde duur kan worden gewerkt en dat de steden en gemeenten zelf een deel van de werkingskosten dienen te dragen. Dat kan niet direct worden gewijzigd. Dit werd aan de projectplaatsen nogmaals duidelijk gemaakt tijdens het overleg.

Het overleg was ook een gelegenheid om meer informatie te geven en de afspraken omtrent samenwerking bij ter sturen. Alle partijen hebben dit als constructief ervaren.

In beide arrondissementen zijn er drie tot vier overleg- en evaluatievergaderingen per jaar. Op initiatief van de justitiehuizen wordt zowel in Tongeren als in Hasselt drie tot vier keer per jaar een nieuwsbrief verspreid met informatie over evoluties, projecten en wijzigingen in de FOD Justitie en de projecten.

De justitiehuizen meldden mij dat er recentelijk geen problemen zijn gesignaleerd.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Het antwoord van de minister verrast me enigszins. Ik neem me voor opnieuw contact te nemen met de mensen op het veld.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van FinanciŽn over ęde inplanting van nieuwe bankautomatenĽ (nr. 3-555)

De voorzitter. - De heer, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt namens de heer Didier Reynders, vice-eerste minister en minister van FinanciŽn.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In Brussel zijn momenteel 45 bankautomaten waar iedereen geld kan afhalen. Daarnaast zijn er een honderdtal banken die alleen hun eigen klanten bedienen met een systeem van selfbanking.

De Brusselse burgemeester vindt dit veel te weinig en wil vanaf volgend jaar een boete uitschrijven van 2.500 euro voor alle banken die geen automaat buiten zetten. De Brusselse burgemeester wil ook andere steden en gemeenten achter zijn voorstel scharen en stuurde de andere gemeenten een brief met dit voorstel.

Is het niet wenselijk dat de federale regering de betrokken partijen zo spoedig mogelijk rond de tafel brengt? Moet dit probleem op gemeentelijk vlak worden opgelost? Moet de federale regering niet zorgen voor een minimale spreiding van de bankautomaten?

De heer Armand De Decker, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - De ministers van Economie, van Consumentenzaken en van FinanciŽn hebben een werkgroep met alle betrokken partijen samengesteld. Die werkgroep, onder het beschermheerschap van de Nationale Bank van BelgiŽ, denkt momenteel na over de toekomst van de betalingsmiddelen. In december werd bij banken, handelaars en consumenten een grootscheeps onderzoek ingesteld naar hun voorkeur en gewoonten betreffende het gebruik van de verschillende betalingsmiddelen. De conclusies van dat onderzoek worden tegen maart verwacht. Het lijkt me raadzaam de resultaten van dat onderzoek af te wachten alvorens maatregelen te nemen op regeringsniveau.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We zullen de conclusies van de werkgroep afwachten.

Wetsontwerp tot toekenning aan de journalisten van het recht om hun informatiebronnen te verzwijgen (Stuk 3-670) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De heer Philippe Mahoux (PS), rapporteur. - Ik verwijs naar het verslag, maar wens toch te onderstrepen dat de commissiebesprekingen in een zeer positieve en harmonieuze sfeer zijn verlopen. Ook de samenwerking met de minister van Justitie en haar kabinetsmedewerkers was uitstekend.

We hebben de tekst van het ontwerp grondig geamendeerd. Na de goedkeuring van het verslag werden, met instemming van de voorzitter en van de commissieleden, door de diensten van de Senaat enkele technische correcties aangebracht in de Nederlandstalige versie van de tekst. Het betreft de draagwijdte van de amendementen die door de commissie werden aangenomen.

Ik kom nu tot mijn persoonlijke opmerkingen. Op 13 januari 2005, precies twee weken geleden, deed een Franse onderzoeksrechter, vergezeld van een groep politiemensen, een inval bij het weekblad Le Point en nam zonder enig overleg computers en documenten in beslag.

Gisteren hebben we vernomen dat, terwijl het debat over het bronnengeheim in de Kamer aan de gang was, de telefoon van een journaliste van de krant De Morgen werd afgeluisterd in het kader van een onderzoek naar eventuele lekken bij de Antwerpse politie. Het motief van het onderzoek was de verdenking van medeplichtigheid bij de schending van het beroepsgeheim. Dat zijn twee voorbeelden in twee weken van de schending van het bronnengeheim in twee democratische landen.

Volgens Sigmund Freud neemt de opeenstapeling de indruk van het toeval weg. Anders gezegd, het gaat hier niet meer om toeval! Men kan inderdaad niet van toeval spreken bij deze voortdurende confrontatie tussen pers en justitie. Er is, enerzijds, de onvoorwaardelijke behoefte aan vrije informatie en, anderzijds, de nood aan gerechtvaardigd onderzoek, dat samenhangt met de problemen van de rechtsstaat en dus van de veiligheid.

Pers en justitie hebben een gemeenschappelijke opdracht, met name zoeken naar de waarheid. Maar hier houdt de vergelijking op. De rol van de journalist is niet voor of tegen zijn, maar de pen in de wonde leggen, zo beweert de gerenommeerde journalist Albert Londres. Hoe kan men zonder een veelheid aan informatie de pen in de wonde leggen? Hoe kan men in de wonde schrapen om ze te reinigen als de journalist niet het volle vertrouwen heeft van zijn informanten of in elk geval van zijn informatiebronnen? Meer zelfs, hoe kan een vertrouwensrelatie tot stand komen als het bronnengeheim niet wordt beschermd?

In een land waar er geen wettelijke regeling is, zodat de journalist zijn informatiebronnen kan beschermen, kan de pers niet volledig vrij zijn. Zonder de vrijheid van meningsuiting kan geen enkele andere vrijheid bestaan.

In die geest heeft de Kamer een eerste tekst opgesteld die journalisten het recht verleent hun informatiebronnen geheim te houden.

Dat is een belangrijke stap voorwaarts. De Kamer heeft een aangelegenheid die tot hier toe uitsluitend aan het oordeel van de rechters werd overgelaten, in een wet vertaald.

Het leek me belangrijk die bescherming nog uit te breiden met als doel niet alleen de bescherming van de journalist zelf, maar ook van zijn bronnen, die zorgen voor meervoudige informatie, en daardoor ook de bescherming van de personen die in de uitoefening van hun beroep van die informatie kennis krijgen.

Het amendement dat ik heb ingediend houdt in dat niet alleen journalisten, maar ook redactiemedewerkers het recht hebben hun informatiebronnen te verzwijgen. Als we het voorbeeld nemen van een geluidstechnicus die een journalist bij een interview vergezelt, dan begrijpen we de noodzaak van deze uitbreiding. Bij een onderzoek kan de journalist zich beroepen op het zwijgrecht. Zijn medewerker is daarentegen verplicht te antwoorden op de gestelde vragen, waardoor de bescherming die men wenst te creŽren, wordt uitgehold.

De wens om de bronnen maximaal te beschermen heeft me ertoe aangezet een ander amendement in te dienen met als doel het opschrift te vervangen door "wetsontwerp ter bescherming van de journalistieke bronnen". Deze bronnen werden door sommigen restrictief gedefinieerd als de fysieke persoon die informatie levert.

Zowel in de Kamer als in de commissie voor de Justitie van de Senaat had men de bedoeling journalistieke bronnen zo goed mogelijk te beschermen. Met het geamendeerde artikel 3 kunnen personen die het recht hebben hun bronnen te verzwijgen weigeren elke inlichting, opname of document te geven die tot de onthulling van een bron kan leiden.

Voor elke verhoor moeten personen op de hoogte worden gebracht van hun recht hun bronnen te verzwijgen. De commissie is van oordeel dat deze kwestie zal worden geregeld in het nieuwe Wetboek van strafvordering, de zogenaamde grote Franchimont. Er is geen speciale wet nodig. Men kan verwijzen naar de algemene principes van het voornoemde wetboek.

De idee van Montesquieu indachtig dat vrijheid het recht is alles te doen wat de wet toestaat, heeft de commissie bevestigd dat de bescherming van de bronnen kan worden ingeperkt als ze in botsing komt met de veiligheidseisen, die de onontbeerlijke tegenhanger van elke vrijheid zijn.

Daarom moet het recht om zijn bronnen te verzwijgen worden opgeheven zodra een rechter de onthulling van de bronnen vordert om misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van ťťn of meerdere personen.

Die uitzondering is slechts van toepassing wanneer twee cumulatieve voorwaarden vervuld zijn. Ten eerste moet de gevraagde informatie cruciaal zijn voor het voorkomen van de misdrijven. Ten tweede mag de gevraagde informatie op geen enkele andere wijze kunnen worden verkregen.

In de tekst die door de Kamer werd overgezonden, wordt deze uitzondering versterkt door de verwijzing naar artikel 137 van het Strafwetboek, meer bepaald naar terroristische misdrijven. Die misdrijven houden evenwel niet systematisch een ernstige bedreiging in voor de fysieke integriteit van personen. Ik heb de commissie voorgesteld de verwijzing naar artikel 137 van het Strafwetboek te beperken tot de inbreuken die de fysieke integriteit van personen aantasten.

Deze beperking, die op het eerste gezicht een tautologie lijkt, biedt de rechter de mogelijkheid de proportionaliteit- en subsidiariteitprincipes toe te passen die in het kader van de hervorming van het Wetboek van strafvordering uitgebreid worden behandeld.

In artikel 5 wordt het toepassingsveld van het onderzoek naar gegevens over informatiebronnen beperkt tot de gegevens waardoor de inbreuken kunnen worden voorkomen die ik zopas heb vermeld.

Het leek me belangrijk een artikel in te voegen over de nietigverklaring van onderzoeksmaatregelen, en dus ook bewijzen, als die maatregelen buiten de toepassingssfeer van artikel 5 worden uitgevoerd.

Ook hier verkoos de commissie te verwijzen naar het nieuwe Wetboek van strafvordering. Ik wil er terloops aan herinneren dat de commissie, en ook de minister van Justitie wensen dat onze werkzaamheden over het nieuwe wetboek op dezelfde manier worden voortgezet. Zo kan de tekst binnen een aanvaardbare termijn door de Senaat worden aangenomen. Laten we hopen dat er niet te veel wijzigingen worden aangebracht door de Kamer. Dat zou een erkenning zijn van het werk van onze assemblee.

De laatste twee artikelen van het ontwerp moeten een einde maken aan praktijken om journalisten te dwingen hun bronnen vrij te geven. Vaak worden journalisten beschuldigd van geheimhouding als ze weigeren hun bronnen te onthullen.

In de tekst van de Kamer staat dat journalisten op grond daarvan niet kunnen worden vervolgd, als ze zich beroepen op het recht om hun bronnen niet bekend te maken. Ik heb een amendement ingediend om die bescherming uit te breiden tot de redactiemedewerkers.

Ik heb ook een amendement ingediend met het oog op bescherming tegen vervolging wegens medeplichtigheid aan schending van het beroepsgeheim. Dit amendement werd aangenomen. Ik wist overigens niet dat de actualiteit het belang hiervan zou aantonen.

Deze tekst is heel belangrijk voor de democratie.

BelgiŽ werd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens veroordeeld omdat het bronnengeheim niet wettelijk werd beschermd. Het bronnengeheim is nochtans de hoeksteen van de vrije informatie. Wetgeving was nodig voor dit essentiŽle recht, dat voor een goede werking van een democratische samenleving onontbeerlijk is.

Ik verheug me over het werk van de commissie voor de Justitie. Het recht van de burgers wordt versterkt, namelijk het recht op een vrije pers die onderzoek kan doen en zo haar rol kan spelen, meer bepaald informeren.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De vrijheid van meningsuiting is van uitzonderlijk belang voor de democratie en wordt daarom ook gewaarborgd door de Grondwet en door verschillende internationale verdragen en bepalingen, waaronder artikel 10 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM). Ik verwijs onmiddellijk naar dit artikel 10 omdat de rechtspraak over het journalistieke bronnengeheim in West-Europa precies onder dat artikel is ontstaan.

De bijzondere plaats die dit artikel inneemt in het EVRM wordt vaak onderschat. Het gaat niet alleen om een individueel grondrecht, maar om een grondrecht dat in dienst staat van de bewaking en de naleving van andere rechten en vrijheden in een democratische samenleving.

Via de uitoefening van de vrijheid van meningsuiting wordt het publiek geÔnformeerd over de res publica. De samenleving verneemt op welke wijze de verschillende machten in die samenleving de burgers bejegenen, hoe het project van de democratische rechtsstaat zich ontwikkelt, waar zich desgevallend schendingen van mensenrechten voordoen. Het is trouwens opvallend dat landen of politieke regimes die het niet zo nauw nemen met de democratische spelregels of met de rechten en vrijheden van hun burgers, tegelijk ook de vrijheid van expressie en informatie aan banden pogen te leggen of specifieke beperkingen pogen op te leggen aan de media door journalisten te vervolgen of te veroordelen, door andere vrijheden te beperken en verregaande restricties op te leggen aan de openbare meningsuiting en het publieke debat.

Schendingen van mensenrechten en beperkingen op de vrijheid van meningsuiting gaan vaak samen en houden elkaar in stand. De vrijheid van mening en informatie ondersteunt het project van een democratische samenleving en de daaraan ten grondslag liggende fundamentele waarden.

Zoals het Europese Hof Mensenrechten te Straatsburg meermaals heeft geoordeeld, vormt de vrijheid van expressie en informatie een noodzakelijke pijler voor een democratische samenleving, waarin plaats moet zijn voor meningen, denkbeelden en informatie die hinderlijk kunnen zijn voor de overheid of voor bepaalde groepen in de samenleving.

Zonder botsing van ideeŽn en informatie is er geen pluralisme, verdraagzaamheid en openheid van geest. En zonder die waarborgen is er geen democratische samenleving. Er is dus een essentiŽle relatie tussen de vrijheid van meningsuiting, het pluralisme en het respect voor de basisregels in een democratie.

Bij het benadrukken van het belang van de vrijheid van meningsuiting in relatie tot de ondersteuning van de democratische samenleving is ook de rol van de media en van de journalistiek aan de orde. Dat is de tweede gedachte die ik onder de aandacht wil brengen.

Meermaals werd juridische bescherming verleend aan denkbeelden en informatie die door de media werden gebracht en die kunnen kwetsen, choqueren of verwarring kunnen zaaien. Aan de pers moet immers de kans worden gegeven om zijn vitale rol te kunnen spelen als publieke waakhond voor de werking van de democratie.

Bij herhaling is door het Hof te Straatsburg benadrukt hoe telkens bij de toetsing van artikel 10 van het EVRM rekening moet worden gehouden met het maatschappelijk belang dat gemoeid is met de uitoefening van de persvrijheid. Met andere woorden artikel 10 van het EVRM moet de nodige waarborgen bieden opdat de pers zijn rol als publieke waakhond zou kunnen vervullen, son rŰle indispensable de chien de garde et son aptitude ŗ fournir des informations prťcises et fiables. Daarbij laat het Hof een bijzondere alertheid blijken wanneer de pers door de aard of door de gevolgen van overheidsinmenging zijn functie niet langer zou kunnen uitoefenen.

Het is de essentiŽle taak van de pers in een democratie om informatie openbaar te maken betreffende aangelegenheden met een publiek belang, wat ook plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt. Ongetwijfeld is het ook zo dat er beperkingen aan de vrijheid van meningsuiting kunnen worden aangebracht wegens de noodzaak om een democratie te beschermen of om andere rechten en vrijheden te respecteren. Een afwegingsproces is soms noodzakelijk.

Deze beperkingen kunnen echter enkel en alleen ingegeven worden binnen de reikwijdte van het concept van een open democratische samenleving.

De politieke expressievrijheid wordt begrensd door het respect voor fundamentele democratische beginselen. Het beklemtonen, met het oog op de vorming van een plurale samenleving, van het belang van de vrije meningsuiting en de persvrijheid en het mogelijk maken van beperkingen, indien nodig voor een democratische samenleving, kan een moeilijke evenwichtsoefening zijn. De persvrijheid kan dus beperkt worden door het noodzakelijke respect voor het privť-leven dat als een ander grondrecht erkend wordt in artikel 8 EVRM, of het respect voor het vermoeden van onschuld, artikel 6 EVRM. Ook in dit afwegingsproces behoudt de vrije meningsuiting een doorslaggevende betekenis. Het is in dit perspectief dat het belang van het bronnengeheim van de journalist moet worden geÔnterpreteerd.

Eťn van de meest fundamentele rechten van de journalist is het recht om de bron van zijn informatie confidentieel te houden. Het is een hoeksteen van de persvrijheid. Door de verplichting van de journalist om het confidentiŽle karakter van zijn bron te beschermen, kan hij ongetwijfeld in conflict komen met onder meer de rechterlijke macht die op zoek is naar bewijsmiddelen in verband met het al dan niet bestaan van een misdrijf. Het ontbreken van het bronnengeheim heeft echter ongetwijfeld tot gevolg dat de pers haar rol in een open society niet kan spelen.

Wanneer bepaalde informatie van publiek belang vertrouwelijk wordt gelekt, dan is het duidelijk dat de informatiegaring en -verspreiding maar verder mogelijk zal zijn als het bronnengeheim wordt verzekerd. Zonder bronnengeheim zullen de bronnen uitdrogen en zal de noodzakelijke democratische openheid van het debat worden beperkt of zelfs vervalst.

Het uiteindelijke doel en belangrijkste perspectief van de vrijheid van meningsuiting is het recht van het publiek om op een aangepaste wijze geÔnformeerd te worden over zaken van publiek belang. Vanuit dat perspectief is een proactieve en kritische journalistiek onmisbaar in een democratisch debat, dat zich niet kan beperken tot het weergeven van de officiŽle regeringsverklaringen of slechts kan steunen op informatie die door de spin doctors bij de journalisten wordt verspreid. Dat is dan een moderne versie van het Belgisch Staatsblad.

Het niet-respecteren van het bronnengeheim leidt op termijn tot de beeldvorming dat de doorgegeven informatie aan journalisten uiteindelijk op het politiebureel of de rechtbank kan terechtkomen.

In de befaamde zaak Goodwin tegen het Verenigd Koninkrijk van 1996 werd op een bijzondere wijze de nadruk gelegd op het maatschappelijke belang van de journalistiek. Het Europese Hof heeft daar het bronnengeheim van de journalisten uitdrukkelijk erkend als een essentieel element voor de persvrijheid in een democratische samenleving waar het gebrek aan respect niet verzoenbaar is met de naleving van artikel 10 EVRM, tenzij zwaarwichtige redenen van publiek belang de opheffing van het bronnengeheim verantwoorden.

Meerdere uitspraken hebben deze regel bevestigd. Het bronnengeheim, het recht om zijn bron niet mede te delen, heeft echter ook verregaande afgeleide gevolgen die soms onvoldoende onder ogen worden genomen. Het wetsontwerp wil daaraan trouwens een grote betekenis geven.

Ik verwijs naar twee recente arresten van het Europese Hof. Het Hof heeft in 2003 in de zaak Roemen en Schmit tegen Luxemburg uit de schending van artikel 10 een inbreuk op artikel 8 EVRM, namelijk de bescherming van de privacy, afgeleid. De zaak houdt verband met een strafonderzoek dat werd ingesteld tegen journalist Roemen wegens heling en gebruik van verduisterde documenten, in combinatie met de schending van het beroepsgeheim door een ambtenaar die blijkbaar een vertrouwelijk document had gelekt. Om de oorsprong van de gelekte documenten op het spoor te komen, beval de onderzoeksrechter een huiszoeking bij Roemen en bij zijn advocate Anne-Marie Schmit. Schmit voerde voor het Hof aan dat de briefwisseling en de communicatie tussen de advocaat en haar cliŽnt ressorteren onder de bescherming van het recht op privacy, wat door het Hof ook werd erkend.

Terwijl het Hof de huiszoeking bij de journalist als strijdig beoordeelt met artikel 10 EVRM - de bescherming van het journalistiek bronnengeheim - is het van oordeel dat de huiszoeking in het kantoor van de advocate er in essentie op was gericht om een journalistieke bron via de advocaat op te sporen. Door indirecte maatregelen die tot doel hebben het bronnengeheim te doorbreken, heeft de huiszoeking een weerslag op de in artikel 10 EVRM gewaarborgde rechten van de journalist.

In de zaak Ernst en anderen tegen BelgiŽ van 2003 komt het Hof tot de conclusie dat de acht gewraakte huiszoekingen en inbeslagnemingen in de woningen van verschillende journalisten en in de redactielokalen van verschillende media, waarbij niet minder dan 160 politieagenten werden ingeschakeld, naast de schending van artikel 10 EVRM, tevens een schending van artikel 8 EVRM betekenen. De huiszoekingen en inbreuken op het journalistieke brongeheim waren totaal onevenredig met de beoogde doelstellingen.

Ik citeer uit het arrest Roemen: "... des perquisitions ayant pour objet de dťcouvrir la source d'un journaliste constituent - mÍme si elles restent sans rťsultat - un acte plus grave qu'une sommation de divulgation de l'identitť de la source".

De rechtstreekse vraag aan de journalist om zijn bronnen kenbaar te maken, is dus minder erg dan de toepassing van dwingende justitiŽle maatregelen die op indirecte wijze pogen het bronnengeheim te doorbreken.

Ook in de zaak Ernst heeft het Hof het optreden van de Belgische politie en justitie gelaakt.

Hoewel de Belgische rechters in deze materie voortaan artikel 10 EVRM moeten toepassen, zoals geÔnterpreteerd door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, en dus de bescherming van het bronnengeheim moeten erkennen binnen het kader van artikel 10, blijft het de vraag of ter zake een wettelijk kader moet worden gecreŽerd met een aantal criteria en waarborgen teneinde het bronnengeheim een effectieve bescherming te geven. Met name lijken ook flankerende waarborgen te moeten worden geboden tot inperking van de mogelijkheid van huiszoekingen, inbeslagnames en telefoontaps.

Tijdens het Senaatscolloquium over de verhouding tussen pers en justitie van december 1995 bestond er vrijwel unanimiteit over de wenselijkheid om op korte termijn ook in BelgiŽ over te gaan tot de wettelijke erkenning van het journalistieke bronnengeheim, al bleek er nog wel discussie te bestaan over de draagwijdte van die erkenning alsook over de mogelijke beperkingen.

De parketten, onderzoeksrechters en rechtscolleges in BelgiŽ zijn verplicht, ten gevolge van de directe werking van het EVRM, de overeenkomstige interpretatie van artikel 10 in de zaak Goodwin en de daaropvolgende arresten onverkort toe te passen.

Om meer duidelijkheid te creŽren omtrent het toepassingsgebied, de uitzonderingen en de flankerende waarborgen aan het journalistieke bronnengeheim, werd op 8 maart 2000 door het comitť van ministers van de Raad van Europa een aanbeveling goedgekeurd waarin de lidstaten worden uitgenodigd om de basisprincipes van die aanbevelingen in de nationale rechtsorde toe te passen.

Volgens die aanbeveling mag een journalist slechts tot getuigenis in verband met zijn informatiebronnen worden gedwongen onder een dubbele voorwaarde: voor justitie mogen er geen alternatieven meer beschikbaar zijn voor de waarheidsvinding in een bepaalde rechtszaak - dat is een omschrijving van het beginsel van de subsidiariteit - en er moet een doorslaggevend belang in het geding zijn met een voldoende vitaal en ernstig karakter volgens het beginsel van de proportionaliteit. Deze aanbeveling zet 7 basisbeginselen voorop die in de nationale wetgeving moeten worden vertaald: het recht om journalistieke bronnen niet te onthullen; het journalistieke bronnengeheim kan worden ingeroepen door andere personen; beperkingen aan het journalistieke bronnengeheim worden getoetst aan de subsidiariteits- en proportionaliteitsregel; bij procesvoering tegen journalisten moet worden gezocht naar alternatief bewijsmateriaal; er zijn bijkomende voorwaarden voor een bevel tot onthulling van journalistieke bronnen; er moeten flankerende waarborgen zijn in verband met telefoontap; huiszoeking en inbeslagneming; de journalist mag nooit tot zelfincriminatie worden gedwongen.

Het huidige wetsontwerp is het gevolg van een discussie die reeds geruime tijd in ons land wordt gevoerd. Ze vond ook weerklank in de interessante discussie in de senaatscommissie voor de justitie met bijbehorende hoorzittingen en documenten. Het ontwerp werd grondig geamendeerd en verbeterd. Het komt tegemoet aan en preciseert beter de fundamentele rechten van de journalist op het bronnengeheim. Niet alleen de journalist, maar ook de redactiemedewerkers kunnen een beroep doen op dit geheim, terwijl artikel 3 duidelijk maakt op welke informatie het bronnengeheim van toepassing is. De uitzondering van artikel 4, dat het doorbreken van het bronnengeheim mogelijk maakt, beantwoordt volkomen aan de beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

De personen die zich op het bronnengeheim kunnen beroepen, kunnen enkel op vordering van de rechter ertoe worden gedwongen informatiebronnen vrij te geven, indien die van aard zijn misdrijven te voorkomen die een ernstige bedreiging vormen voor de fysieke integriteit van ťťn of meer personen, daarin begrepen de misdrijven van terrorisme in de mate dat zij de fysieke integriteit in het gedrang brengen en indien de gevraagde informatie van cruciaal belang is voor het voorkomen van deze misdrijven en deze informatie op geen enkele andere wijze kan worden verkregen.

In artikel 5 wordt uitdrukkelijk bepaald dat de opsporingen of onderzoeksmaatregelen zoals fouilleringen, huiszoekingen, inbeslagnames en het afluisteren en opnemen van telefoongesprekken, niet mogen slaan op gegevens die betrekking hebben op de informatiebronnen van de journalist, tenzij die gegevens kunnen voorkomen dat de ernstige misdrijven bepaald in artikel 4, kunnen worden verhinderd. Uit artikel 5 moet dus worden afgeleid dat opsporings- of onderzoeksmaatregelen die worden bevolen met het oog op het doorbreken van het journalistiek bronnengeheim niet alleen artikel 10 van het EVRM schenden, maar ook in strijd zij met artikel 5 van deze wet. Deze wet betreft trouwens de openbare orde, aangezien ze de draagwijdte van artikel 10 EVRM preciseert.

Overtredingen van deze regel moeten noodzakelijkerwijze tot de nietigheid van de gestelde onderzoekshandelingen leiden en vervolgens tot de nietigheid van alles wat erop steunt.

Deze tekst moet samen worden gelezen met de teksten van het nieuwe Wetboek van Strafprocesrecht die nu worden besproken en die een rechtszekere duidelijkheid geven aan de nietigheidssancties en de hypothesen waarin die nietigheidssancties kunnen worden opgelegd bij het overtreden van fundamentele rechtswaarborgen.

De heer Mahoux herinnerde er trouwens ook aan dat in het Wetboek van Strafprocesrecht uitdrukkelijk wordt voorzien in het beginsel van de subsidiariteit en dat van de proportionaliteit als algemene beginselen. We herhalen deze beginselen hier uitdrukkelijk en de wettelijk bepaalde sancties moeten vanzelfsprekend worden toegepast wanneer de bedoeling van de maatregelen erin bestaat het bronnengeheim te doorbreken, tenzij het gaat over de uitzonderlijke hypothese van de misdrijven van artikel 4 van dit wetsontwerp.

Ik wijs er eens te meer op dat het noodzakelijk is dat de Senaat haar taak als wetgevende kamer die de kwaliteit van de wet bewaakt, ter harte moet en kan nemen. Een goede wet biedt een grotere rechtsbescherming en vormt een onmisbare bijdrage voor een democratische samenleving. De bijrage van een tweede kamer in het tot stand komen van kwalitatief hoogstaande wetgeving is in de huidige politieke toestand onmisbaar. De bespreking van dit belangrijke ontwerp heeft dit nogmaals aangetoond.

Een dringende goedkeuring in de Senaat en vervolgens in de Kamer zal tenslotte tot de gewenste rechtszekerheid leiden.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Ik verheug me over de kwaliteit van het verslag. Ik heb niet deelgenomen aan de werkzaamheden van de commissie voor de Justitie. Het verslag is evenwel zeer leerzaam. Het is de weergave van de waardevolle inbreng van de heer Mahoux, die het grootste deel van de amendementen heeft ingediend, en van de heer Vandenberghe, van wie ik het nauwgezette werk ten zeerste waardeer. Het toont aan dat de Senaat goed heeft gewerkt om de door de Kamer overgezonden tekst te verbeteren.

Dit is geen onbeduidend onderwerp want het heeft betrekking op de bescherming van het journalistieke bronnengeheim. In theorie is dat recht opgenomen in het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden. Het wetsontwerp strekt ertoe de theorie om te zetten en toepasbaar te maken. Na de goedkeuring in de Kamer werden aan de tekst een aantal verbeteringen aangebracht. De huidige versie wil journalisten en redactiemedewerkers het recht toekennen hun informatiebronnen te verzwijgen. Ze kunnen er niet toe worden gedwongen hun informatiebronnen vrij te geven en inlichtingen te verstrekken die de identiteit van hun informanten kunnen bekendmaken, de aard of de herkomst van hun informatie kunnen prijsgeven, de identiteit van de auteur van een tekst of audiovisuele productie kunnen bekendmaken, of de inhoud van de informatie en van de documenten zelf kunnen bekendmaken.

De uitzondering op dat principe is een heikel punt. De journalist kan enkel op vordering van de rechter en indien bepaalde voorwaarden zijn vervuld, gedwongen worden zijn informatiebronnen vrij te geven, indien die van aard zijn misdrijven te voorkomen, ook terroristische misdrijven, zoals bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek, voorzover de fysieke integriteit van personen ernstig wordt bedreigd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Er is nog een andere beperking: de toepassing van het subsidiariteits- en proportionaliteitsprincipe. Zelfs in geval van terrorisme moet worden aangetoond dat er geen enkele andere mogelijkheid is dan kennis te nemen van de journalistieke informatiebronnen. We houden ons aan de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat in die uitzondering heeft voorzien.

De heer Marcel Cheron (ECOLO). - Ik dank u voor die precisering. Toch zullen we de toepassing van die wettelijke bepaling in de praktijk moeten evalueren.

Bovendien moeten we een einde maken aan een andere praktijk: de ontwijking van het principe van de bronnenbescherming en de vervolging van journalisten wegens geheimhouding of medeplichtigheid ingeval een inlichting hen werd toevertrouwd door een persoon die zodoende het beroepsgeheim zou hebben geschonden.

Mijn fractie steunt dit ontwerp, vooral omdat de tekst van de Kamer werd verbeterd en aangepast. Dit ontwerp is bovendien actueel aangezien we pas hebben vernomen dat er een huiszoeking werd verricht bij een journaliste en dat haar telefoon werd afgeluisterd met de bedoeling de identiteit van een informant te achterhalen.

We hopen dat de Kamer de geamendeerde tekst spoedig zal goedkeuren. Deze tekst is een bewijs van het kwaliteitsvolle werk van de Senaat.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Een vrije pers heeft een centrale rol in een democratie. Ze werkt als alarmlicht omdat ze onafhankelijk van de drie machten mistoestanden aan het licht brengt. Vaak wordt de pers voorgesteld als waakhond van de democratie. Door sommigen wordt ze zelfs als de vierde macht bestempeld. Het is misschien die koosnaam die ervoor gezorgd heeft dat sommige parlementsleden extra beperkingen wilden inbouwen in voorliggende tekst. Zij vreesden dat de wet de bevoegdheden van justitie zou inkrimpen, ten voordele van de rechten van de journalist. Ik ben blij dat ze er niet in geslaagd zijn die beperkingen op te leggen. De strijd tegen terrorisme en andere criminaliteit mag geen excuus zijn om het bronnengeheim aan banden te leggen. De wettelijke bepalingen moeten los van die context staan, en tot elke prijs moet worden vermeden dat journalisten onder valse voorwendsels voor de rechtbank worden gebracht.

Sommigen vreesden dat het bronnengeheim een te ruim toepassingsveld zou krijgen en dat journalisten daardoor al te veel speelruimte zouden krijgen.

Meestal stopt de vrijheid van de ene waar die van de andere begint. Het probleem is dat de rechten van de journalist momenteel niet afgebakend zijn, en dat justitie soms vlot over de vage grens stapt. In het verleden heeft BelgiŽ daarvoor meermaals een tik op de vingers gekregen, zowel van Reporters zonder Grenzen als van Europa.

Gerechtelijke acties tegenover journalisten kunnen gevaarlijke gevolgen hebben. De gerechtelijke druk op journalisten om hun bronnen vrij te geven, kan ervoor zorgen dat de officieuze informatiestroom naar de pers opdroogt. Welke tipgevers zullen nog belangrijke informatie doorspelen aan de pers als het gerecht journalisten gemakkelijk kan dwingen hun bronnen vrij te geven? Mocht dat de regel worden dan zou de journaliste van De Morgen die vandaag wordt geviseerd, in de toekomst niet meer kunnen rekenen op geheime informatie. De telefoontap die dezer dagen aan het licht is gekomen, kan misschien nuttig zijn in het desbetreffende gerechtelijk onderzoek, maar heeft ongetwijfeld journalistieke schade aangericht. Het Goodwin-arrest van het Europees hof voor de rechten van de mens neemt duidelijk stelling in. Het bronnengeheim is een recht dat enkel moet wijken als de informatie op geen andere manier kan worden verkregen en als het om zeer ernstige feiten gaat, zoals het ook duidelijk in voorliggend ontwerp staat.

Ik begrijp niet dat de Belgische justitie een Europees arrest al vijf jaar naast zich kan neerleggen. En als het juist is wat De Morgen over het onderzoek schrijft, dan kunnen we zeggen dat voorliggend ontwerp dringend moet worden goedgekeurd.

Het recht om bronnen te verzwijgen moet toegekend worden aan zij die het verdienen. Informatie, op voorwaarde dat ze correct is, mag niet tegengehouden worden door instanties of bedrijven die de bekendmaking ervan uit eigenbelang niet opportuun vinden. De informatiestroom uit anonieme bronnen mag niet worden ingekrompen. Als de pers uitsluitend informatie mag halen uit officiŽle bronnen, dan krijgen we in het nieuws alleen nog maar promopraat en faits divers. En dat mag nooit de kerntaak worden van de pers.

Het wetsontwerp dat ter stemming voorligt, bakent eindelijk de rechten van pers en justitie af. De twee instellingen moeten naast elkaar kunnen bestaan, zonder onnodige conflicten en krachtpatserij. Onderzoeksjournalistiek probeert mistoestanden aan te kaarten en machtsmisbruik aan te klagen, al is het evenzeer de taak van het gerecht om daartegen op te treden. In zekere zin dienen beide instanties hetzelfde doel. Ze oefenen beiden een controlefunctie uit op onze maatschappij. Maar in dat proces moeten beide instanties elkaar respecteren en niet aan elkaars rechten willen knagen. De speelruimte die tot nog toe bestond, wordt nu afgebakend, en zoals bekend maken goede afspraken goede vrienden. We steunen ten volle dit ontwerp, dat in de Senaat uitstekend is geamendeerd.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Zoals iedereen ben ik verheugd over de tekst die ons ter stemming wordt voorgelegd.

Deze stemming is symbolisch. Om goed te kunnen functioneren heeft de democratie nood aan verschillende instanties, zoals het parlement en de regering. Een democratie heeft evenwel ook nood aan een goede en kwaliteitsvolle pers. Daarvoor zijn een aantal waarborgen nodig, zoals de bescherming van de informatiebronnen.

Tot op heden ontbrak het aan een wettelijk kader voor de bescherming van het bronnengeheim. Zowel magistraten als journalisten waren overgeleverd aan dubbelzinnige interpretaties en aan de vage toepassing van het Europees Verdrag ter Bescherming van de Rechten van de Mens.

De tekst heeft als eerste verdienste dat hij de toestand verduidelijkt en op die manier de rechtszekerheid verhoogt. Deze tekst heeft een lange weg afgelegd. Na een lang debat keurde de Kamer hem uiteindelijk goed. De Senaatscommissie heeft de tijd genomen om talrijke sprekers te horen: journalisten, universiteitsprofessoren en uitgevers. Het uitstekende werk is het resultaat van de persoonlijkheid van de commissievoorzitter en de inzet van de commissieleden, zowel van de meerderheid als van de oppositie. De oorspronkelijke tekst van de Kamer heeft twee wijzigingen ondergaan, waarmee wij het ten volle eens zijn.

Enerzijds wordt de bescherming van de bronnen uitgebreid tot de redactiemedewerkers. Anderzijds wordt er een iets subtieler verband gelegd tussen inbreuken op de fysieke integriteit en misdrijven zoals bedoeld in artikel 137 van het Strafwetboek en die betrekking hebben op terroristische activiteiten.

De commissie is erin geslaagd het aantal uitzonderingen op het recht van journalisten om hun informatiebronnen te beschermen, te beperken.

We zullen de voorgestelde tekst met overtuiging goedkeuren.

Een goede en kwaliteitsvolle pers is enkel mogelijk op voorwaarde dat het bronnengeheim wordt gewaarborgd. Gunstige arbeidsvoorwaarden komen de kwaliteit van de informatie ten goede. Een degelijke pers is essentieel om de burger op de hoogte te houden van de politiek. Bovendien draagt de pers ertoe bij dat wij, parlementsleden, onze opdracht efficiŽnt kunnen uitoefenen, in het bijzonder met betrekking tot de democratische controle op het werk van de uitvoerende macht.

De heer Luc Willems (VLD). - Het debat rond het bronnengeheim sleept reeds jaren aan. Het betreft een zeer complexe materie waarin broodnodig een evenwicht moet worden gezocht tussen enerzijds pers en anderzijds justitie. Beide hebben in onze maatschappij een belangrijke rol te vervullen. Ik verwijs hierbij naar de zeer recente incidenten met een journaliste van De Morgen.

Evenwicht houdt vrijheid en verantwoordelijkheid in. De bescherming van het bronnengeheim is een essentieel instrument voor het bedrijven van journalistiek, zeker de onderzoeksjournalistiek. Privacy en integriteit van personen moeten worden gerespecteerd waarbij het vermoeden van onschuld moet gelden. Journalisten werden op een onterechte wijze door de vleesmolen van justitie en burgers door de vleesmolen van de journalistiek gehaald. Er is een journalistieke deontologie nodig die de verantwoordelijkheid van de journalist om met zijn vrijheid en vooral met zijn macht om te gaan in relatie met derden, vorm geeft.

Iedereen is het erover eens dat het bronnengeheim dient te worden beschermd. Het breekpunt is evenwel op welke manier deze bescherming dient te worden geboden. Tijdens de vorige legislatuur was de toenmalige minister van Justitie van mening dat dit diende te gebeuren via een omzendbrief. Het bronnengeheim is immers reeds principieel erkend in onze Belgische rechtsorde sinds het arrest Goodwin van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Het gerecht diende dus artikel 10 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de praktische uitlegging ervan door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens te toetsen. Uit een memorandum van medio 2003 blijkt dat de Algemene Vereniging van Belgische Beroepsjournalisten het hiermee eens is.

De minister verklaarde zelfs op 3 juni 2002 in de commissie dat de AVBB ietwat weigerachtig stond ten aanzien van een wettelijke regeling omdat het opnemen van uitzonderingen in een wet een bijzonder gevoelige denkoefening is en dikwijls gebonden aan allerhande concrete omstandigheden.

Het Europees Hof heeft dit ook erkend door te stellen dat het inderdaad moeilijk is om precieze normen in wetten op te nemen. Het voordeel van een omzendbrief is de soepelheid ervan, waardoor de rechter in een concrete zaak nog steeds een zekere appreciatiebevoegdheid heeft. Uit de debatten in de senaatscommissie voor de Justitie blijkt dat Nederland werkt met een omzendbrief.

De mening overheerst nochtans dat het bronnengeheim wettelijk moet worden geregeld. Verschillende landen hebben ervoor gekozen een lex specialis in het leven te roepen. In BelgiŽ zijn blijkbaar niet alle magistraten zich ten volle bewust van de Europese rechtspraak inzake het bronnengeheim. Opnieuw verwijs ik naar het incident met de journaliste van De Morgen. Het bronnengeheim wordt te weinig door de rechters gerespecteerd, waardoor journalisten verplicht worden te procederen.

Een wettelijke regeling moet voor meer rechtszekerheid zorgen. Ze moet rekening houden met een broos evenwicht, wat wordt bemoeilijkt door het uitvaardigen van een algemene norm. Dit blijkt eens te meer uit de commissiewerkzaamheden, niet alleen van de Senaat, maar ook van de Kamer. De discussie over wat precies een journalist is en in welke uitzonderingen moet worden voorzien, was een zeer moeilijke discussie. Uit de praktijk zal blijken of de goede keuzes werden gemaakt.

De tekst die de Kamer ons heeft overgemaakt, geeft een zeer vage omschrijving van wie journalist is. In een tijd van communicatie en internet is het zeer moeilijk om op grond van die definitie geen journalist te zijn.

Hoewel iedereen het eens is over de basisidee, met name de bescherming van journalistieke bronnen, is de uitwerking ervan in een wettelijke regeling allerminst van een leien dak gelopen. Het bronnengeheim is zo belangrijk dat het niet door om het even wie mag worden gebruikt. De definitie van journalist is hier van wezenlijk belang. Dit blijkt ook uit de lange beraadslaging in de commissie.

De uitzonderingen zijn het gevolg van maatschappelijke noodzakelijkheden. Het nut van het bronnengeheim moet bijvoorbeeld nader worden bekeken bij zeer zware misdrijven die de fysieke integriteit aantasten en bij terreurmisdrijven, waarbij belangrijke informatie mensenlevens kan redden. Ook voor deze uitzonderingen wil het wetsontwerp rechtszekerheid creŽren. Interpretatieproblemen kunnen echter niet volledig worden uitgeschakeld. Blijft een te grote interpretatie mogelijk, dan zal de wet haar doel, klaar en duidelijk het bronnengeheim beschermen, voorbijschieten. De wetgeving heeft niet alleen een symboolwaarde, ze moet ook een juridische basis zijn die de journalist toelaat zich te verdedigen voor het gerecht. Een te ruime interpretatie maakt de wet overbodig. We moeten dan teruggrijpen naar de bestaande regels, met name de dwingende rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

De commissie heeft ook aandacht gehad voor de op stapel staande hervorming van het strafprocesrecht, de zogenaamde grote Franchimont-wet, waarbij ook rond het verhoor regels zullen worden bepaald. Ik dank de rapporteur voor het degelijke verslag dat Justitie een goed hulpmiddel kan bieden bij de toepassing van de wet.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Informatie- en communicatievrijheid zijn essentiŽle onderdelen van een democratie. Onze Grondwet voorziet dan ook in vrije meningsuiting en persvrijheid. Ook artikel 10 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens voorziet in de nodige bescherming van deze vrijheden. Bovendien heeft het EVRM een rechtstreekse werking in onze rechtsorde. Er bestaat dus reeds een uitgebreid arsenaal aan nationale en supranationale wetgeving die garanties biedt voor de nodige bescherming van de informatie- en communicatievrijheid. Nochtans tonen recente feiten aan dat het voorliggende wetsontwerp tot toekenning aan de journalisten van het recht om hun informatiebronnen te verzwijgen een dringend probleem moet oplossen.

Alhoewel de Belgische Staat op 15 juli 2003 door het Europees Hof voor de Rechten van de Mens werd veroordeeld wegens een flagrante schending van het bronnengeheim, en dus ook van artikel 10 van het EVRM, hebben speurders onlangs het inkomende en uitgaande telefoonverkeer van een journaliste van De Morgen gedurende anderhalve maand retroactief gescreend in het kader van onderzoek naar lekken vanuit de Antwerpse politie. De journaliste in kwestie kon vorig jaar dankzij enkele bronnen bij de Antwerpse politie achterhalen dat een terroristische aanslag was gepland op een Antwerpse tunnel. Nadat het verhaal op 8 mei 2004 de voorpagina van De Morgen haalde, werd de aanslag blijkbaar afgeblazen.

Ik kan bezwaarlijk een fan van De Morgen worden genoemd, maar Antwerpen ligt me wel na aan het hart. In dit geval werd eens te meer bewezen hoe belangrijk informatie- en communicatievrijheid wel is. Niet iedereen blijkt er zo over te denken, want naar aanleiding van het bovenvermelde artikel kreeg de krant het bezoek van speurders van het Comitť P. Het parket had trouwens reeds op 18 januari een huiszoeking gedaan bij het Vlaams Belang in het kader van ditzelfde onderzoek naar de vertrouwelijke gerechtelijke informatie over de verijdelde terroristische aanslag in een Antwerpse tunnel. De speurders klopten ook aan bij ons partijhoofdkwartier aan het Brusselse Madouplein. Het gaat hier dus duidelijk om de zoveelste intimidatiepoging van het gerecht ten aanzien van de grootste oppositiepartij in Vlaanderen en nu dus ook ten aanzien van de media.

Ik ben geschokt en verontwaardigd door de heksenjacht op klokkenluiders die parlementsleden en journalisten informatie bezorgen over dossiers die het daglicht blijkbaar niet mogen zien. Parlementsleden moeten zich onder meer bezig houden met de controle op de overheidsdiensten, met inbegrip van politie en gerecht. Het Vlaams Belang - en ook alle andere politieke partijen - moeten de vrijheid hebben om aan informatievergaring te doen. Hiertoe behoort het inwinnen van vertrouwelijke informatie over politie en gerecht.

Parlementsleden genieten momenteel geen bescherming van hun informatiebronnen. Die leemte moet nog worden opgevuld, want ook het bronnengeheim van politieke partijen moet worden beschermd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Artikel 58 van de Grondwet inzake de parlementaire onverantwoordelijkheid impliceert een absoluut bronnengeheim. Dit wordt algemeen aanvaard en door verschillende publicaties bevestigd. Een parlementslid kan nooit worden verplicht de bronnen waarop hij zich voor zijn politieke actie baseert, prijs te geven.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - De Grondwet en artikel 10 van het EVRM voorzien ook in de bescherming van de vrije meningsuiting en de persvrijheid, maar blijkbaar is dit niet voldoende. Voor huiszoekingen naar informatie bij politieke partijen bestaat enkel een reglementering die bepaalt dat een specifieke procedure moet worden gevolgd. Juist omdat de wetgeving niet wordt nageleefd, ligt dit wetsontwerp vandaag ter stemming voor.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - We mogen de zaken niet verwarren. Een parlementslid heeft tijdens een ondervraging door een onderzoeksrechter het recht om te weigeren zijn bronnen prijs te geven. Daarover bestaat er rechtspraak.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Dat is niet hetzelfde als een huiszoeking.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het bronnengeheim van een journalist valt onder een andere reglementering dan dat van een parlementslid. Het gaat om een andere vorm van de uitoefening van het vrijheidsrecht.

In principe kan er bij een parlementslid geen huiszoeking worden gedaan, tenzij...

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - ... er een specifieke procedure wordt gevolgd.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Aan de voorwaarden was niet voldaan en de huiszoeking heeft niet plaatsgehad. Het is de rechterlijke macht die moet oordelen over de rechtsgeldigheid van handelingen die klaarblijkelijk, prima facie, de bestaande rechtsnormen niet respecteren.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - U geeft toch toe dat bijvoorbeeld de huiszoeking bij onze partij niet heeft plaatsgevonden omdat de specifieke procedure niet is gevolgd. Volgt men die wel, dan heeft men wel toegang tot documenten waarin bronnen vermeld staan.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De rechterlijke macht moet haar werk doen en rechters oordelen of een huiszoeking al dan niet rechtsgeldig is. Wij hier geven aan wat de betekenis is van artikel 10, wat de betekenis is van de wet en de conclusie daarvan is duidelijk. Ik wilde gewoon zeggen dat uw uitspraak dat er voor parlementsleden geen brongeheim is, niet volledig klopt. Daarvoor verwees ik naar artikel 58 van de Grondwet en tot nog toe bleek het niet nodig te zijn hiervoor een specifieke wet te maken. Dat zou kunnen...

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Dat bedoel ik precies: dat is wel nodig.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - De telefoontap bij parlementsleden, niet bij het plegen van misdrijven, ...

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Nee, uiteraard niet, het gaat hier gewoon om het vrijgeven van bronnen. Dat is geen misdrijf.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - U moet zich niet zo druk maken, mevrouw Van dermeersch.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Dat doe ik niet, maar u hebt niet volledig gelijk.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik wil geen gelijk hebben, ik wil gewoon mijn mening geven. Huiszoekingen of telefoontap organiseren bij een parlementslid met het doel de uitoefening van zijn taak - het geven van zijn mening en het uitbrengen van zijn stem - te verhinderen of te onderzoeken of hij confidentiŽle informatie uitbrengt die de regering in gevaar kan brengen, is vanzelfsprekend in strijd met artikel 10 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens. Bovendien speelt hier de scheiding der machten, ook tegenover de rechterlijke macht. Ik wilde dus maar aangeven dat er parallellen zijn, maar ook grote verschillen. De juridische context is verschillend, maar de vraag kan terecht worden gesteld.

Mevrouw Anke Van dermeersch (VL. BELANG). - Maar u bent het er toch mee eens dat de huidige wetgeving inzake persvrijheid, vrijheid van meningsuiting en artikel 10 van het EVRM, niet volstaat om het bronnengeheim van journalisten volledig te beschermen. Vandaar de wetgeving die we nu bespreken. In het verlengde daarvan merk ik op dat de bescherming van het bronnengeheim volgens de Grondwet niet voldoende is voor het beschermen van bronnen van politieke partijen. Daarom wees ik erop dat als men de specifieke procedures wel volgt bij een huiszoeking, men nog altijd toegang tot bronnen van parlementsleden kan hebben. Het behoort tot de taak van parlementsleden informatie te vergaren, dus ook geheime informatie.

In dit debat heb ik me al vaak afgevraagd wat we allemaal niet mogen weten. Waarom is men er zo op uit om de bronnen droog te leggen? Verkeren de Antwerpenaren of ander Vlamingen bijvoorbeeld in groot gevaar? En waarom mogen we hierover niet worden ingelicht? Er is namelijk nog altijd het spreekwoord `Waar rook is, is vuur'.

De ratio legis van deze wetgeving is het vrijwaren van de waakhondfunctie van de journalist in onze democratie. Een slaafse relatie tussen pers en politiek doet het democratisch debat immers verstommen. Vandaag keuren we een algemeen wetgevend kader goed, waarschijnlijk om zelfcensuur in de politieke journalistiek te voorkomen of zelfs - volgens mij althans - terug te schroeven. Jammer genoeg bestaat er vandaag namelijk al een journalistieke zelfcensuur onder een deel van de Wetstraat-journalisten die figureren in de goednieuwsshow van de regering. Ik heb al menig journalist - net zoals de zogenaamde progressieve politici - angstig in elkaar zien krimpen als het Vlaams Belang nog maar wordt vermeld. Als we al door journalisten worden vermeld - want ook zij blijken het nodig te vinden naast het politieke ook een journalistiek cordon sanitair in het leven te roepen - is het meestal negatief. In kranten, tijdschriften en politieke televisieprogramma's krijgen we absoluut niet de aandacht die een partij met meer dan 1 miljoen kiezers verdient.

Portretten van winnende lijsttrekkers worden pas na de verkiezingen gepubliceerd of uitgezonden. De directie van de openbare omroep verbiedt zelfs uitzendingen over het Vlaams Belang als die partij te menselijk overkomt.

Gelukkig zijn niet alle journalisten verworden tot politieke marionetten in de goednieuwsshow van de regering. Klokkenluiders zijn nodig, zowel op journalistiek als op politiek vlak. Informatiebronnen moeten worden beschermd, want anders zullen ze niet meer geneigd zijn om gevoelige informatie aan het publiek te bezorgen. Deze wetgeving mag geenszins tot doel hebben zich te mengen in het burgerlijk procesrecht waarin een journalist burgerlijke partij is.

Een journalist die als getuige in een strafzaak wordt opgeroepen, moet beschermd worden. Daarvoor kan een uitzondering worden gemaakt door deze specifieke wet ter bescherming van de journalistieke bronnen. Het is immers niet goed voor de democratie dat een journalistieke informatiebron verplicht wordt in een strafzaak te getuigen om makkelijker de waarheid te vinden, maar met de nodige schade voor de blootgelegde bron.

Het gerecht heeft geijkte middelen om de waarheidsvinding te bewerkstellingen. Vele journalistiek waardevolle informatiebronnen zullen automatisch tot het zwijgen en verzwijgen worden veroordeeld als ze niet worden beschermd. Dat is ten nadele van de waakhond- of klokkenluidersfunctie die de pers in een democratie dient te hebben. Het maatschappelijke belang van de journalistiek rechtvaardigt deze wetgeving.

Mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie. - Ik dank alle leden die aan de werkzaamheden hebben deelgenomen. Zonet kwam een van de sprekers op de tribune de martelaar uithangen. Uit het commissieverslag blijkt dat geen enkel lid van het Vlaams Belang het woord heeft genomen in de commissie voor de Justitie.

Het verslag is uitstekend. Het betreft een complexe materie. Het is niet eenvoudig persvrijheid, bescherming van de journalistieke bronnen, Veiligheid van de Staat en bescherming van de individuele rechten en vrijheden met elkaar te verzoenen. De grenzen tussen rechten en vrijheden zijn moeilijk af te bakenen. Na een diepgaand debat, waarin we werden bijgestaan door een aantal specialisten, beschikken we nu over een belangrijk document dat als leidraad kan dienen bij de debatten die voor de hoven en rechtbanken zullen worden gevoerd wanneer de persvrijheid in het gedrang komt. Het is een reflectiebron voor de rechtspraak.

Het gewijzigde ontwerp werd unaniem goedgekeurd en zal naar de Kamer worden teruggezonden. Het is positief dat er in zulke gevoelige materie een consensus kon worden bereikt, te meer omdat in het uitstekend verslag van de heer Mahoux blijkt dat de standpunten aanvankelijk wel verschilden, vooral over de definitie van het begrip journalist. Enkele actuele dossiers tonen aan dat er nood is aan een wetswijziging. Ik zal de nodige contacten leggen en ik hoop dat de Kamer de door de Senaat aangenomen amendementen aanvaardt, zodat we binnenkort over een wetgeving kunnen beschikken die duidelijkheid verschaft aan de journalisten en aan allen die belang hebben bij de persvrijheid.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de Justitie, zie stuk 3-670/7.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 april 1958 tot toekenning, onder sommige voorwaarden, van een pensioen aan de weduwen die na het schadelijk feit in het huwelijk zijn getreden met een gerechtigde van de wetten op de vergoedingspensioenen, tot het instellen van een strijdersrente en een gevangenschapsrente ten voordele van de strijders, de politieke gevangenen en de krijgsgevangenen van 1940-1945 en ter verwezenlijking van sommige aanpassingen inzake frontstrepen (Stuk 3-947) (Evocatieprocedure)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Mevrouw Pehlivan verwijst naar haar schriftelijk verslag.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(De tekst aangenomen door de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging is dezelfde als de tekst van het door de Kamer van volksvertegenwoordigers overgezonden ontwerp. Zie stuk Kamer 51-1405/3.)

-De stemming over het wetsontwerp in zijn geheel heeft later plaats.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (van de heer Wouter Beke c.s., Stuk 3-991)

Algemene bespreking

De voorzitter. - Het woord is aan de heer Collas voor een mondeling verslag.

De heer Berni Collas (MR), corapporteur. - Het voorliggend wetsvoorstel strekt ertoe artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro te wijzigen om de periode voor de inlevering van de Belgische muntstukken bij de Nationale Bank en de Post tot 23 maart 2005 te verlengen zodat de opbrengst van het aldus verzamelde geld naar de actie Tsunami 12-12 kan gaan. De mogelijkheid tot inlevering zou normaal lopen tot 31 december van vorig jaar.

De auteurs hebben het voorstel uitvoerig toegelicht. Verschillende leden van de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden en een vertegenwoordiger van de minister van FinanciŽn hebben hun standpunt uiteengezet in een zeer constructieve geest.

Voor meer informatie verwijs ik naar het schriftelijk verslag dat binnen zeer korte tijd zal verschijnen.

Het wetsvoorstel werd met een amendement legistiek verbeterd.

Een ander amendement, dat ertoe strekte de opbrengst van de actie uit te breiden tot andere NGO's, werd verworpen.

De rapporteurs kregen het vertrouwen van de leden van de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden voor het uitbrengen van een mondelinge verslag. Het voorstel zelf werd aangenomen met 10 stemmen voor en 1 onthouding.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Het wetsvoorstel van Wouter Beke, dat mede ondertekend werd door Jacques Germeaux en mezelf, vindt zijn oorsprong bij enkele Limburgse verenigingen. Het is dan ook logisch dat drie Limburgse senatoren het voorstel mede ondertekend hebben.

Het voorstel gaat uit van het verenigingsleven; een niet te onderschatten groep in onze maatschappij die staat voor solidariteit. Het is goed dat parlementsleden degelijke voorstellen die in de maatschappij groeien, omzetten in wetgevend werk. Ik dank de heer Beke dan ook voor zijn initiatief, dat alleen winnaars kan hebben.

Dat zijn in de eerste plaats de slachtoffers van de vreselijke natuurramp. Elke bijdrage aan de heropbouw van de getroffen landen, hun infrastructuur en hun gezondheidszorg is uiteraard welkom. We realiseren ons in al onze welvaart veel te weinig hoe schrijnend de situatie van de plaatselijke bevolking geworden is. Het is onze morele plicht opnieuw een sprankje hoop te brengen. Dit wetsvoorstel kan daartoe, hoe bescheiden ook, een bijdrage leveren.

Toch zal dit voorstel voor de Belgische staat geen aderlating betekenen. De niet-teruggebrachte oude muntstukken vormen een oneigenlijke verrijking van de staatskas. Dat het bedrag van de omgeruilde muntstukken vrij beperkt is gebleven, is een budgettaire meevaller. Het wetsvoorstel peuzelt daar in het beste geval een stukje van af. Dit initiatief zal onze financiŽn in ieder geval niet in gevaar brengen. Op een zachte manier kan ons land via deze wetgeving een extra steentje bijdragen om het onnoemelijke leed dat de vloedgolf met zich bracht, te helpen leningen.

Ook voor het personeel van de postkantoren en van de Nationale Bank zal het initiatief nauwelijks een extra werkbelasting betekenen. Mits een goede organisatie en een goede plaatsing van urnen kan het werk tot een minimum worden beperkt.

Voor de burger ten slotte biedt het initiatief alleen voordelen. Zonder noemenswaardige inspanningen en financiŽle opoffering, alleen door wat gericht zoeken in kasten, op zolder en in oude jassen en de buit naar het plaatselijke postkantoor te brengen, kan hij wat waardeloos geworden was, opnieuw waarde geven.

Het voorstel is ingegeven door de solidariteitsgedachte. Ik reken er dan ook op dat het, over taal- en partijgrenzen heen, ieders goedkeuring zal krijgen. Het zou een duidelijk signaal zijn dat ook de politieke wereld niet ongevoelig is voor het drama dat al zoveel spontane initiatieven bij de bevolking heeft losgeweekt.

Om het voorstel echt te doen slagen, richt ik me ook tot de media. Ik dring er bij hen met veel nadruk op aan dat ze de bevolking oproepen om de klassieke lenteschoonmaak in het kader van de tsunamislachtoffers te plaatsen. Ruim uw stoffige lades op, schud uw oude sokken eens goed uit, friemel in de zakken van uw oude kleren die u al jaren niet meer draagt, neus in uw spaarvarken, ... Kortom, ontdoe u van al uw oude munten en geef de tsunamislachtoffers letterlijk uw laatste frank. Waarvoor hartelijk dank.

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS), corapporteur. - Dit wetsvoorstel sluit naadloos aan bij de grote golf van solidariteit met de tsunamislachtoffers die sedert vijf weken door de internationale gemeenschap gaat en ook in alle delen van de Belgische samenleving voelbaar is.

We mogen evenwel niet vergeten dat, los van natuurrampen, dagelijks honderden miljoenen mensen leven met hongersnood, armoede, ziekte, geweld en oorlog.

Daarom diende de PS-fractie gisteren in de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden een amendement in. Er kan immers geen gradatie zijn in de verschillende vormen van ongelijkheid: ze zijn alle onaanvaardbaar en de mensheid onwaardig. Vandaag dienen we dat amendement opnieuw in om te vragen dat de opbrengst van deze actie niet enkel wordt toegewezen aan de actoren die de tsunamislachtoffers te hulp komen, maar ook aan verenigingen die hulp verlenen aan al wie dagelijks en ongemerkt gebukt gaat onder zwaar leed.

In de commissie verwierpen sommigen de idee om technische redenen. De oplossing die we voorstellen, namelijk gebruik te maken van bestaande financieringsmechanismen. is nochtans heel eenvoudig

Het volstaat een tweede rekeningnummer in het voorstel op te nemen en de Koning de verdeelsleutel te laten bepalen. Zo kan een deel van de opbrengst gaan naar NGO-programma's als het Centre National de Coopťration au Dťveloppement in Franstalig BelgiŽ en naar de Koepel van de Vlaamse Noord-Zuidbeweging in Vlaanderen. Die platforms groeperen een reeks NGO's die permanent actief zijn in de ontwikkelingssamenwerking en beschikken via de actie 11.11.11 reeds over de nodige ervaring. Ze gaan ervan uit dat ontwikkeling een recht is dat voortdurend moet kunnen rekenen op verdediging en financiering.

Het zou onaanvaardbaar zijn mocht door de ramp in Zuidoost-AziŽ, dat deel van de wereld dat het meest te lijden heeft van ongelijkheid bijkomend wordt getroffen.

Omdat de PS strijdt voor een rechtvaardiger wereld zal onze fractie dit voorstel en mijn amendement goedkeuren.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Naar aanleiding van de vloedgolf in Zuidoost-AziŽ hebben sommige verenigingen vůůr het jaareinde oude Belgische franken ingezameld voor de slachtoffers van de tsunami. Sommige filialen van de Nationale Bank en zelfs enkele postkantoren hadden spontaan een collectebus geplaatst voor mensen die hun oude Belgische franken kwamen inleveren. De oude Belgische muntstukken waren inwisselbaar bij de Nationale Bank en De Post tot en met 31 december 2004. Krachtens artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro was die inwisseling vanaf 1 januari 2005 niet meer mogelijk. Nu blijkt dat er nog heel wat oude muntstukken in omloop zijn. Uit cijfers van de Nationale Bank blijkt dat eind november 2004 er nog voor 190 miljoen euro muntstukken in omloop zijn. Eind 2001 waren er nog voor 447 miljoen euro muntstukken in omloop. Dat betekent dat eind november 2004 nog 42,7 procent van de muntstukken, uitgedrukt in waarde, in omloop waren. Het potentieel om nog oude muntstukken te recupereren is dus zeer hoog.

Oude Belgische franken verzamelen is een populaire manier om middelen in te zamelen voor de slachtoffers van de vloedgolf. Verschillende mensen en organisaties in Limburg hebben dat gedaan tussen 27 december en 31 december 2004. Zij willen hun acties verlengen. Daarom vragen ze dat het wettelijk kader wordt aangepast. Aangezien de vraag uitging van enkele Limburgse verenigingen heb ik dit wetsvoorstel ingediend en de steun gevraagd van mijn Limburgse collega's Jacinta De Roeck en Jacques Germeaux. Ik ben hen dankbaar voor hun steun.

Het voorstel beoogt de termijn waarin de oude muntstukken kunnen worden ingeleverd met drie maanden te verlengen ten gunste van de slachtoffers van de vloedgolf. De tegenwaarde van de ingeleverde muntstukken wordt rechtstreeks door de Nationale Bank en de Post overgeschreven op de rekening 000-0000012-12. De Belgische franken hebben geen waarde meer voor de burger, maar ze kunnen nog een waarde krijgen voor de slachtoffers van de tsunami. Tijdens de bespreking in de commissie werd voorgesteld dat de overheid de resterende waarde van de Belgische franken die niet zijn ingeleverd voor 31 december 2004 rechtstreeks doorstort aan tsunami 12-12. Immers, boekhoudkundig is dat geld op dit ogenblik niet meer in handen van de mensen, maar in handen van de Belgische staat. Zulks gaat echter voorbij aan het finale doel, namelijk verenigingen, organisaties en individuen de mogelijkheid te geven de acties die gestart zijn nieuw leven in te blazen of de kans te geven nieuwe acties te starten. Het is immers niet alleen een kwestie van geld, maar ook van mobilisering en bewustwording.

Dit wetsvoorstel is een mooi voorbeeld van publiek-private samenwerking. De private sector, het middenveld, de verenigingen, de organisaties en individuen schieten in actie en de overheid betaalt de rekening met het geld dat indirect reeds van de burgers is ontvangen.

Sommigen spreken over het einde van de tsunamigekte. De solidariteitsbeweging is kort maar krachtig geweest, hoewel ze in Nederland vijf keer krachtiger was dan bij ons. Velen beseffen dat langdurige mobilisering en bewustwording nodig zijn, niet alleen uit solidariteit met de slachtoffers van vandaag, maar ook met de slachtoffers van natuurgeweld of menselijk geweld die elke dag wel ergens vallen. Dit voorstel kan het gevoel voor solidariteit opnieuw wakker maken. Het biedt een gelegenheid om mensen opnieuw te mobiliseren voor het leed overal ter wereld.

Ik lees in de krant en ik hoor op de radio dat er internationaal al voldoende geld is opgehaald voor de wederopbouw na de tsunami. De 000-0000012-12 rekening wordt beheerd door een consortium van allerlei initiatieven en organisaties die over heel de wereld actief zijn en waarvoor nooit genoeg geld kan worden ingezameld. Hopelijk kunnen ze hier op eenieders steun rekenen.

Ik begrijp het amendement dat de Franstalige, socialistische collega' s hebben ingediend, maar de commissie heeft het niet aangenomen en zelf kan ik het vandaag evenmin steunen, niet zozeer omdat ik de solidariteit wil beperken tot de rekening 000-0000012-12, maar wel omdat de boodschap van solidariteit er een stuk zou door vervagen. De administratieve rompslomp zou groter worden en wegen op de mobilisatiekracht. Vredeseilanden heeft in zijn recente campagne kunnen vaststellen dat de giften voor de tsunami geen negatieve invloed hadden op het bedrag dat zij konden inzamelen. Integendeel, ze hebben ondanks, of beter, dankzij de solidariteitscampagne voor de slachtoffers van de tsunami, dit jaar meer geld ingezameld dan vorig jaar.

Het hier voorliggend initiatief zal extra geld op de rekening brengen en bijdragen aan de bewustwording. Ik reken op eenieders steun.

De heer Berni Collas (MR), corapporteur. - De commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden heeft het wetsvoorstel van de senatoren Beke, De Roeck en Germeaux aangenomen dat tot doel heeft de tsunamislachtoffers te helpen. De MR-fractie staat achter de doelstellingen van het voorstel en zal het dan ook steunen.

In de commissie hebben we ons onthouden om de aandacht te vestigen op het gebruikte financieringsmechanisme. Krachtens de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro, hebben de muntstukken in Belgische frank sedert 31 december 2004 geen waarde meer. Particulieren kunnen sedert die datum geen aanspraak meer maken op de tegenwaarde van de muntstukken waarover ze nog beschikken. De tegenwaarde die tijdens de inzamelperiode wordt bijeengebracht is dus ten laste van de Staat.

Iedereen die nu nog muntstukken binnenbrengt moet er zich dus van bewust zijn dat het de Staat is, en dus de belastingbetaler, die deze steun aan het platform 12-12 zal financieren.

Deze operatie zal bovendien bijkomende kosten meebrengen voor de Nationale Bank en voor de Post. De daartoe bestemde voorzieningen zijn immers weggehaald en moeten nu worden teruggeplaatst.

Men kan zich dus afvragen of het initiatief wel economisch doeltreffend zal zijn. Niemand kan voorspellen hoeveel muntstukken zullen worden ingezameld. Misschien zal de opbrengst zelfs niet volstaan om de logistieke en administratieve kosten te dekken.

Wij denken dat men met minder kosten hetzelfde doel had kunnen bereiken. Door muntstukken in te leveren, geeft de burger echter wel aan dat hij wil dat de Staat via het platform 12-12 nog meer solidariteit betoont met de tsunamislachtoffers dan wat door de bevolking, de Belgische Staat en de deelgebieden al werd gedaan, wat we uiteraard toejuichen.

Gelet op de grote golf van solidariteit en de wens om daar nog iets aan toe te voegen, zal de MR-fractie dit wetsvoorstel goedkeuren. Wat het amendement van mevrouw Kapompolť betreft, herhalen we dat uitzonderlijke omstandigheden ook en uitzonderlijke reactie vereisen. Het is juist dat honderden miljoenen mensen dagelijks veel te lijden hebben als gevolg van structurele problemen die ook met structurele maatregelen moeten worden verholpen.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Ik ben het eens met mevrouw Kapompolť dat er elke dag miljoenen en miljoenen mensen in nood verkeren, maar het wetsvoorstel hangt samen met de kortlopende sensibilisering via de 12-12-actie. Die campagne duurt nauwelijks twee maanden. Als het project te ingewikkeld wordt gemaakt, komt de haalbaarheid ervan in het gedrang. Alle aanwezige commissieleden waren het eens over de nood aan structurele hulp. Ik hoop dat zij hun woord houden, een debat zullen voeren en in de toekomst, waar nodig, structurele oplossingen zullen uitwerken.

Die verbintenis staat echter los van de goedkeuring van het wetsvoorstel dat vandaag voorligt.

-De algemene bespreking is gesloten.

Artikelsgewijze bespreking

(Voor de tekst geamendeerd door de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden, zie stuk 3-991/5.)

De voorzitter. - Artikel 2 luidt:

Op dit artikel heeft mevrouw Kapompolť amendement 2 ingediend (zie stuk 3-991/3) dat luidt:

Mevrouw JoŽlle Kapompolť (PS). - Ik heb mijn amendement verdedigd tijdens de algemene bespreking. Ik heb daar niets aan toe te voegen. Ik hoop dat de nacht sommige commissieleden geÔnspireerd heeft.

-De stemming over dit amendement en over artikel 2 wordt aangehouden.

-De overige artikelen worden zonder opmerking aangenomen.

-De aangehouden stemmingen en de stemming over het wetsvoorstel in zijn geheel hebben later plaats.

Belangenconflict

De voorzitter. - Bij brief van 24 januari 2005, ontvangen op 27 januari 2005, zendt de voorzitter van het Vlaams Parlement aan de voorzitter van de Senaat de motie over die door het Vlaams Parlement werd aangenomen op 24 november 2004, en waarbij het Vlaams Parlement verklaart ernstig in zijn belangen te worden benadeeld door het wetsontwerp houdende invoering van een egalisatiebijdrage voor pensioenen (Gedr. St. Kamer nr. 51-1444).

Het overleg tussen de afvaardiging van de Kamer van volksvertegenwoordigers en de afvaardiging van het Vlaams Parlement heeft plaatsgevonden op 18 januari 2005.

Daar dit overleg tot geen oplossing heeft geleid wordt dit belangenconflict, overeenkomstig artikel 32, ß1quater, van de wet van 9 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, overgezonden aan de Senaat, die binnen dertig dagen een gemotiveerd advies uitbrengt aan het in artikel 31 van dezelfde wet bedoeld Overlegcomitť.

-Verzonden naar de commissie voor de Institutionele Aangelegenheden.

Stemmingen

(De naamlijsten worden in de bijlage opgenomen.)

Wetsontwerp tot bescherming van de journalistieke bronnen (Stuk 3-670) (Evocatieprocedure) (Nieuw opschrift)

Stemming 1

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is aangenomen.

-Het werd geamendeerd en zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Wetsontwerp tot wijziging van de wet van 24 april 1958 tot toekenning, onder sommige voorwaarden, van een pensioen aan de weduwen die na het schadelijk feit in het huwelijk zijn getreden met een gerechtigde van de wetten op de vergoedingspensioenen, tot het instellen van een strijdersrente en een gevangenschapsrente ten voordele van de strijders, de politieke gevangenen en de krijgsgevangenen van 1940-1945 en ter verwezenlijking van sommige aanpassingen inzake frontstrepen (Stuk 3-947) (Evocatieprocedure)

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsontwerp is ongewijzigd aangenomen. Bijgevolg wordt de Senaat geacht te hebben beslist het niet te amenderen.

-Het zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden met het oog op de bekrachtiging door de Koning.

Wetsvoorstel tot wijziging van artikel 3 van de wet van 10 december 2001 betreffende de definitieve omschakeling op de euro (van de heer Wouter Beke c.s., Stuk 3-991)

De voorzitter. - We stemmen over amendement 2 van mevrouw Kapompolť.

Stemming 3

Aanwezig: 54
Voor: 7
Tegen: 45
Onthoudingen: 2

-Het amendement is niet aangenomen.

De voorzitter. - We stemmen nu over artikel 2.

Stemming 4

Aanwezig: 54
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

-Artikel 2 is aangenomen.

De heer Wouter Beke (CD&V). - Ik ben bijzonder blij dat dit wetsvoorstel in twee weken kon worden behandeld en goedgekeurd.

Ik dank de voorzitter en de diensten van de Senaat, de voorzitter van de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden en alle collega's-senatoren voor hun bereidheid om het voorstel `snel en efficiŽnt en zeer onverwijld' te willen behandelen. Ik hoop dat het ook in de Kamer die snelle behandeling kan krijgen.

Het wetsvoorstel maakt het mogelijk dat de oude Belgische muntjes in alle postkantoren kunnen worden binnengebracht. Wij hebben in het peristylium van het Parlement een doos geplaatst - die normaal bij verkiezingen wordt gebruikt, maar ik heb begrepen dat er de volgende twee maanden toch geen verkiezingen zullen zijn - waarin iedereen zijn oude Belgische munten kan gooien.

Ik spoor de Belgische parlementsleden en alle medewerkers van het parlement dan ook aan om de munten die zij krijgen, eventueel via organisaties, erin te gooien. Ik zal zelf het voorbeeld geven.

Ik ben amper zes maanden lid van deze Hoge Vergadering en toen ik hier binnenkwam vroeg een collega, met al een behoorlijke staat van dienst, mij wat ik hier eigenlijk kwam doen. Er zou hier niet veel te beleven vallen. De behandeling van een wetsvoorstel zou maanden, zo niet jaren, duren en als het voorstel, bij wijze van uitzondering, dan al de steun van de oppositie krijgt, zou het in de plenaire vergadering toch nog gekelderd kunnen worden, omdat de meerderheid geen oppositiewerk duldt. Ik vond dat een dramatische mededeling, maar het heeft mijn enthousiasme niet kunnen temperen. Met dit voorstel heb ik het tegendeel kunnen bewijzen. Het geeft me de kracht om de andere wetsvoorstellen die ik heb ingediend, of nog zal indienen, te verdedigen.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik had het woord gevraagd voor het geval de heer Beke zijn woord niet zou houden. Als de oppositie met een schitterend voorstel komt, wat zelden gebeurt, volgen wij met veel plezier.

Ik gun hem dit record. We hebben zijn voorstel met veel plezier gesteund en het verheugt me dat hij de verklaring die hij in de commissie heeft afgelegd, in plenaire vergadering heeft herhaald.

Mevrouw Jacinta De Roeck (SP.A-SPIRIT). - Dit is een historisch moment. Het wetsvoorstel werd ingediend door drie Limburgse senatoren en Limburgers zijn misschien wel traag in het spreken, maar kunnen heel snel zijn als het erop aankomt wetsvoorstellen onverwijld te behandelen en goed te keuren.

De voorzitter. - We stemmen nu over het wetsvoorstel in zijn geheel.

Stemming 5

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

-Het wetsvoorstel is aangenomen.

-Het wetsontwerp zal aan de Kamer van volksvertegenwoordigers worden overgezonden.

Regeling van de werkzaamheden

De voorzitter. - Het Bureau stelt voor volgende week deze agenda voor:

Donderdag 3 februari 2005 om 15 uur

1. Inoverwegingneming van voorstellen.

2. Actualiteitendebat en mondelinge vragen.

3. Ontwerp van tekst tot wijziging van de terminologie van de Grondwet (Toepassing van artikel 198 van de Grondwet); Stuk 3-925/1 en 2.

4. Wetsontwerp tot invoeging van de artikelen 187bis, 187ter, 191bis, 191ter, 194bis en 194ter in het Gerechtelijk Wetboek en tot wijziging van de artikelen 259bis-9 en 259bis-10 van hetzelfde Wetboek; Stuk 3-976/1 tot 5. (Pro memorie)

5. Wetsvoorstel tot oprichting van een BTW-compensatiefonds bij de federale overheidsdienst FinanciŽn (van mevrouw Sabine de Bethune c.s.); Stuk 3-702/1 en 2.

Vanaf 17 uur:

a) Naamstemmingen over de afgehandelde agendapunten in hun geheel.

b) Naamstemming over de afgehandelde grondwetswijziging (Stemming met de meerderheid bepaald in artikel 195, laatste lid, van de Grondwet)

6. Vragen om uitleg:

-De Senaat is het eens met deze regeling van de werkzaamheden.

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven over ęde klacht van Swissair wegens het gratis overdragen van trafiekrechten aan Delta Air Transport (DAT)Ľ (nr. 3-523)

De heer Luc Willems (VLD). - De vereffenaar van de voormalige Zwitserse luchtvaartmaatschappij Swissair heeft eind november een klacht tegen onbekenden ingediend met burgerlijke partijstelling.

De curator van Swissair is van mening dat het patrimonium van Sabena, waarin Swissair een belang had van 49,5%, werd aangetast door de oprichting van SN Brussels Airlines. Swissair vindt zich tekortgedaan, onder meer omdat de raad van bestuur van Sabena op 7 november 2001, enkele uren vůůr het faillissement van de maatschappij, gratis negen slots afstond aan haar filiaal DAT hoewel British Airways er 80 miljoen euro voor bood.

Volgens de curator zouden er ook mistoestanden zijn geweest in de periode dat Sabena onder gerechtelijk akkoord stond. Er zou dan volgens zijn interpretatie volop zijn gewerkt aan de oprichting van een nieuwe luchtvaartmaatschappij op basis van Sabena-dochter DAT in plaats van aan de redding van Sabena. De curator verwijt dat het gerechtelijk akkoord oneigenlijk werd gebruikt.

Hij verzet zich vooral tegen de overdracht van negen slots - landingsrechten - van Sabena aan DAT op de dag vůůr het faillissement van de luchtvaartmaatschappij op 7 november 2001. Voorts verklaarde hij dat de Belgische overheid een lening van 125 miljoen euro, die oorspronkelijk bedoeld was voor Sabena, uiteindelijk aan DAT heeft uitbetaald.

DAT werd later overgedragen aan de investeerders en herdoopt tot SN Brussels Airlines, een bedrijf waarin Swissair geen enkel belang meer had.

Wat is het standpunt van de minister tegenover die aanklacht?

Werd de regering geconsulteerd over de overdracht van trafiekrechten?

Kan de aanklacht financiŽle gevolgen hebben voor de federale overheid die aandeelhouder was van Sabena?

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik heb de toenmalige minister, de heer Daems, verscheidene vragen om uitleg gesteld over het faillissement van Sabena, onder meer over de overdracht van de slots.

Het is mogelijk dat het dossier elementen bevat die mij niet bekend zijn, maar de theorie dat slots geen enkele waarde hebben in een handelszaak, kan uit juridisch oogpunt niet worden verdedigd. Vůůr het faillissement van Sabena heb ik het standpunt verdedigd dat in een toestand van going concern, de slots van een luchtvaartmaatschappij een commerciŽle waarde hebben in de vennootschap.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Een van de gangbare opvattingen is dat slots automatisch vervallen wanneer een vennootschap in vereffening gaat.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ze werden overgedragen vůůr het faillissement.

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik zal een beknopt overzicht geven van de toestand.

We hebben geen inzage gehad in de strafklacht. Ik kan dus niet uitweiden over de draagwijdte en de eventuele gevolgen ervan. Net als de heer Willems heb ik via de pers over de aanklacht gehoord. Het persbericht bevat overigens weinig nieuwe elementen. De argumentatie over de slots is evenmin nieuw en heeft in november 2003 het voorwerp uitgemaakt van een antwoord van de eerste minister.

Bij het Hof van Beroep in Brussel is een zaak aanhangig over de aansprakelijkheid van de Swissair-groep en Swiss Air Lines voor de gebeurtenissen die hebben geleid tot het faillissement van Sabena. De rechtbank van koophandel heeft in eerste aanleg tot de aansprakelijkheid van de Swissair-groep en Swiss Air Lines besloten. De overdracht van de slots heeft zich voorgedaan op de vooravond van het faillissement, op een ogenblik dat Sabena reeds virtueel failliet was ten gevolge van de tekortkomingen van de Swissair-groep en Swiss Air Lines. Dat maakt het dossier natuurlijk complex.

Hoewel de overheid meerderheidsaandeelhouder was bij Sabena, was de maatschappij georganiseerd als een NV van privaatrecht. De beslissing om de slots over te dragen werd genomen door de raad van bestuur van Sabena met de instemming van de rechters-commissarissen. Dat is een essentieel element. De rechters-commissarissen waren aangesteld door de rechtbank van koophandel in het kader van het gerechtelijk akkoord. Het was dus niet aan de ministerraad, noch aan de algemene vergadering, waarin de regering via de toenmalige minister van Telecommunicatie was vertegenwoordigd, om een dergelijke transfer goed te keuren. Dat is een belangrijk element in het dossier.

Ik zal me verder niet uitspreken over dit dossier. Er bestaan nog te veel juridische betwistingen. We moeten het gerechtelijk apparaat zijn werk laten doen.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor zijn duidelijk antwoord. Het is belangrijk te weten dat de beslissing werd genomen door de raad van bestuur met instemming van de rechters-commissarissen. Het verheugt me dat ons land nog een luchtvaartmaatschappij heeft die het vrij goed doet en die nog altijd Brussel bedient.

Ik begrijp ook dat de minister gelet op de juridische context voorzichtig moet zijn met wat hij hier zegt.

Vraag om uitleg van de heer Luc Willems aan de vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven en aan de minister van Economie, Energie, Buitenlandse Handel en Wetenschapsbeleid over ęhet sociaal telefoontarief en de door Belgacom uitgevoerde controle op de begunstigdenĽ (nr. 3-540)

De heer Luc Willems (VLD). - Midden 2003 organiseerde Belgacom een controle op zijn sociale abonnees, teneinde na te gaan of ze nog aan de voorwaarden voldeden om het sociale telefoontarief te genieten. Daartoe heeft Belgacom 90.000 controlebrieven verstuurd. Talrijke abonnees van Belgacom, die alle nodige documenten hadden ingediend om het sociale telefoontarief verder te kunnen verkrijgen, ontvingen vanaf oktober 2003 niet langer het sociaal tarief. Sommigen merkten dit op en reageerden bij Belgacom. Wie een klacht formuleerde, verkreeg een correctie. Belgacom corrigeerde haar foute facturatie echter pas vanaf februari 2004 en niet voor de periode van oktober 2003 tot en met januari 2004.

Diegenen die niet reageerden, en dit zijn voornamelijk bejaarden of zieken, ontvangen nog steeds een te hoge factuur. Het betreft meerdere duizenden gedupeerden.

Deze controleactie van Belgacom heeft trouwens geleid tot een belangrijk aantal klachten bij de Ombudsdienst voor Telecommunicatie.

Wij stellen vast dat artikel 82 van het wetsontwerp betreffende de elektronische communicatie, ingediend door de regering op 4 november 2004, nieuwe bepalingen voor de toekomst met betrekking tot het sociale telefoontarief bevat. Deze bepalingen worden uitgewerkt in de artikelen 22 en 37 van de bijlage bij dit wetsontwerp. Zo wordt elke operator verplicht de sociale tariefvoorwaarden toe te passen voor klanten die in aanmerking komen om het sociale telefoontarief te verkrijgen. De operatoren mogen dergelijke begunstigden niet als klanten weigeren. Er wordt tevens een spreidingsmechanisme van sociale abonnees over de diverse operatoren ingevoerd. Bovendien kan het sociale tarief onder diverse vormen worden toegekend: een korting op de vergoeding voor de terbeschikkingstelling van een vaste lijn, een korting op het abonnementsgeld en de gesprekskosten, enzovoort. Om een dergelijke kaart ter beschikking te laten stellen van gsm-gebruikers, die voor het sociale tarief in aanmerking komen, dienen de nadere regels nog bepaald te worden door het BIPT. Dit wetgevend initiatief biedt echter geen oplossing voor de bestaande problematiek. Bovendien zal het na afkondiging ervan zeker nog enige tijd duren vooraleer de regels kunnen worden toegepast via het uitvoeringsbesluit en de regels die bepaald worden door het BIPT.

Heeft het BIPT reeds de opdracht gekregen om een advies te formuleren met betrekking tot het in te voeren spreidingsmechanisme van sociale abonnees over de diverse operatoren?

Heeft het BIPT concrete initiatieven op stapel staan om in de nabije toekomst de nadere regels vast te leggen voor de beschikbaarstelling van een voorafbetaalde kaart aan bepaalde genieters van het sociaal tarief?

Welke maatregelen zijn er reeds genomen voor de slachtoffers van de controleactie van Belgacom in verband met het recht op het sociaal telefoontarief?

Is de minister bereid Belgacom richtlijnen op te leggen die zullen leiden tot een correctie van de foute facturatie vanaf oktober 2003 tot en met januari 2004 voor diegenen die reeds een klacht hebben ingediend en tot een ambtshalve correctie voor diegenen die nog niet hebben gereageerd?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - In artikel 82 van het door de regering ingediende wetsontwerp over de elektronische communicatie wordt bepaald dat in de toekomst elke operator sociale kortingen moet aanbieden. Die verplichting gaat in zodra de wet wordt goedgekeurd aangezien er geen uitvoeringsbesluit moet worden genomen.

Het bedoelde spreidingsmechanisme is waarschijnlijk het compensatiemechanisme dat wordt ingesteld wanneer blijkt dat de sociale abonnees niet redelijk verspreid zijn over de verschillende operatoren. Voor de activering van dat compensatiefonds is een koninklijk besluit vereist, op advies van het BIPT. Dan kan pas ten vroegste 5 jaar na de inwerkingtreding, omdat anders operatoren die geen sociaal tarief aanbieden eigenlijk onmiddellijk zouden worden gesanctioneerd. Sommigen beweren dat het sociale tarief, dat vooral voor oudere klanten geldt, eigenlijk een voordeel inhoudt voor de bestaande operatoren van vaste telefonie. Tal van oudere mensen hebben immers een vaste telefoonlijn, maar gebruiken die niet vaak. Ze zouden zelfs geen telefoon nemen als ze geen sociaal tarief kregen. Daarom moeten operatoren die willen meespelen 5 jaar de tijd krijgen om klanten te winnen.

De terbeschikkingstelling van een vooraf betaalde kaart aan leefloontrekkers bestaat al en wordt gehandhaafd. De voorwaarden werden vastgesteld ten aanzien van het sociale tarief van Belgacom. De praktische regels inzake het afgeven van de vooraf betaalde kaarten werden door het BIPT vastgesteld in overleg met de OCMW's en de universele dienstverlener. Die laatste verstrekt de vooraf betaalde kaarten die overeenstemmen met het bedrag van de wettelijk bepaalde korting na ontvangst van een attest ad hoc dat werd afgegeven door het OCMW waarvan de begunstigde afhangt. Dat is een standaardprocedure.

De klanten die in het raam van de actie van Belgacom geacht werden ten onrechte hun sociale tarief te hebben gekregen en van wie dat sociale tarief werd ingetrokken, hebben retroactief een terugbetaling gekregen van de gemiste korting.

Het BIPT is in december 2004 gestart met een telefonisch onderzoek bij 800 personen die in oktober 2003 uitgesloten werden van het sociale tarief. Er zijn vragen gesteld om na te gaan of ze nog voldoen aan de voorwaarden. Er is een schriftelijke bevestiging gevraagd, samen met de attesten ad hoc van de personen die hebben geantwoord dat ze nog altijd voldoen aan de voorwaarden om van het sociale tarief te genieten. Dat zal worden onderzocht, wat enige tijd in beslag zal nemen. De resultaten van dat onderzoek worden in maart 2005 verwacht. Ondertussen wordt geen nieuwe verificatie gedaan van de databank van de begunstigden van het sociale tarief.

De heer Luc Willems (VLD). - Ik dank de minister voor zijn uitgebreid antwoord. Ik veronderstel dat het onderzoek bij 800 personen waarnaar hij verwijst, abonnees betreft die zelf niet spontaan hebben gereageerd. Belgacom heeft zijn systeem veranderd en heeft tal van mensen uitgesloten van het sociale tarief. Een aantal daarvan hebben gereageerd, een groot aantal ouderen en zieken hebben niet gereageerd. Is het bij die personen, die niet gereageerd hebben, dat het onderzoek wordt gevoerd?

De heer Johan Vande Lanotte, vice-eerste minister en minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Dat is inderdaad zo.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde aanpassing van de bedrijven aan de nieuwe fiscale regeling voor bedrijfswagensĽ (nr. 3-556)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Sinds 1 januari 2005 is een milieubelasting op bedrijfswagens van kracht. Vroeger inde de overheid een zogenaamde solidariteitsbijdrage van 33 procent, maar die was niet op alle bedrijfswagens van toepassing. Bedrijven lieten hun personeel vaak betalen voor de kilometers die ze met de bedrijfswagen reden in hun vrije tijd. Daardoor werd de wagen niet meer beschouwd als een voordeel in natura en werd hij vrijgesteld van belasting.

Vanaf 1 januari 2005 werd de solidariteitsbijdrage vervangen door een belasting op alle bedrijfswagens, op basis van de uitstoot van CO2. Gevolg is dat bedrijven per jaar ongeveer 1.000 euro aan belastingen moeten betalen per bedrijfswagen ofwel hun personeel milieuvriendelijker moeten laten rijden.

Een peiling van een human resources-groep bij meer dan 700 ondernemingen wijst uit dat amper 12 procent van de bedrijven voorbereid is op de CO2-belasting en 18 procent is de nodige voorbereidingen aan het treffen.

Volgens de peiling zouden heel wat bedrijven niet weten welke wagens een lage uitstoot van CO2 hebben en zijn ze druk vergelijkingen tussen wagens aan het maken. Vervolgens brengt het herbekijken van de juridische aspecten van het bedrijfswagenbeleid heel wat extra kosten en administratie met zich mee. Tenslotte verwacht twee derden van de bevraagden meerkosten op het bedrijfswagenpark.

Welke conclusies trekt de minister uit deze peiling? Welke maatregelen zal hij nemen om het voor de bedrijven gemakkelijker te maken om zich aan te passen aan de nieuwe wetgeving?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Al sinds enkele jaren bestaan er twee regelingen voor de bedrijfswagens:

1.het fiscale stelsel dat van toepassing is op de werknemer die een wagen heeft die ter beschikking wordt gesteld door zijn werkgever; dit stelsel is niet gewijzigd op 1 januari 2005.

2.Het sociale stelsel dat van toepassing is op de werkgever die een wagen ter beschikking stelt van zijn werknemer, ook voor privť-gebruik; dit stelsel is gewijzigd sinds 1 januari 2005 door toepassing van de programmawet van 27 december 2004.

Het gaat om een solidariteitsbijdrage die sinds 1 januari 1997 moet worden betaald. Aan het stelsel werden vier wijzigingen aangebracht.

De bijdrage is verschuldigd van zodra de werkgever direct of indirect een wagen ter beschikking stelt van de werknemer. Deze wijziging dient om het hoofd te bieden aan de engineering die bepaalde werkgevers hebben uitgedacht om aan de bijdrage te ontsnappen.

De bijdrage is verschuldigd los van elke financiŽle bijdrage van de werknemer in de financiering of het gebruik van het voertuig. Het voordeel dat voortvloeit uit het ter beschikking stellen van een wagen is zeker groter dan de fiscale waarde die in acht wordt genomen. Deze waarde wordt sinds 1 januari 2004 forfaitair berekend naargelang de woon-werkafstand gelijk is aan of groter is dan 25 kilometer.

De solidariteitsbijdrage is verschuldigd van zodra het voertuig ter beschikking wordt gesteld voor een gebruik anders dan louter professioneel.

De solidariteitsbijdrage wordt berekend rekening houdend met de CO2-uitstoot van de wagen en met de gebruikte brandstof. De solidariteitsbijdrage is geen milieubelasting. Het nieuwe stelsel streeft naar een grotere gelijkheid in de inning en houdt rekening met de impact van het voertuig op het milieu.

Toen ze in 1997 werd ingevoerd, was de solidariteitsbijdrage verschuldigd voor alle bedrijfswagens. Sommige werkgevers hebben echter de zwakke plekken in de bewoording van de teksten aangewend om de bijdrage te ontwijken. Het nieuwe stelsel wil hieraan een einde stellen.

Bij de vergelijking van de verschuldigde solidariteitsbijdrage volgens het oude stelsel en in toepassing van de programmawet van 21 december 2004, onderscheiden we drie fasen. Allereerst hield de berekeningswijze die van toepassing was tot 31 december 2003, rekening met de woon-werkafstand en voegde daar het privť-gebruik aan toe, vastgesteld op een minimum van 5.000 kilometer per jaar. De berekeningswijze die van toepassing was in 2004, na de wijziging van de fiscale wetgeving via circulaire, houdt rekening met een forfait vastgesteld op 5.000 kilometer als de woon-werkafstand niet meer dan 25 kilometer bedraagt en op 7.500 kilometer als de afstand meer is dan 25 kilometer. Ten slotte is er het nieuwe stelsel dat sinds 1 januari 2005 van toepassing is.

Minister Demotte heeft in de Kamercommissie een cijfervoorbeeld gegeven dat de drie fasen vergelijkt voor een Peugeot 406, Model Zenith en een woon-werkafstand van 75 kilometer. Als dat voertuig op benzine rijdt, bedraagt de jaarlijkse solidariteitsbijdrage 3.319,33 euro tot 2003, 655,13 euro in 2004 en 870 euro sinds 1 januari 2005. Voor hetzelfde voertuig op diesel is de bijdrage respectievelijk 4.025 euro, 794,47 euro en 723 euro. Steeds voor dezelfde auto, maar dan op LPG, bedraagt de solidariteitsbijdrage respectievelijk 4.025,34 euro, 794,47 euro en 333 euro.

De heer Vandenberghe heeft ongelijk te beweren dat de bedrijven de CO2-uitstoot van de wagens niet kennen, zeker als het gaat om wagens die vanaf 2001 in het verkeer werden gebracht. Die informatie is immers opgenomen in het gelijkvormigheidsattest van het voertuig. Ze is ook beschikbaar op de website van het DG Leefmilieu van de FOD Volksgezondheid en op die van Febiac of Federauto. Er werd ook een kleine brochure uitgegeven. De bedrijven en de sociale secretariaten beschikken dus over de nodige informatie om de verschuldigde solidariteitsbijdrage te berekenen.

Het zou de regering alleszins plezier doen als de nieuwe berekeningsbasis voor de solidariteitsbijdrage tot gevolg zou hebben dat de bedrijven meer rekening houden met het milieu wanneer ze wagens ter beschikking stellen van hun werknemers.

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde hoge concentraties sulfiet in onze voedingĽ (nr. 3-557)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Uit onderzoek van Test-Aankoop blijkt dat er te veel sulfiet in onze voeding zit. Dat zijn additieven die bekend staan als bewaarmiddel; ze remmen de ontwikkeling van schimmels en gisten af en voorkomen bruinverkleuring. Ze hebben echter ook een schadelijk effect: ze kunnen een tekort aan vitamine B veroorzaken en astmatische reacties en allergieŽn in de hand werken. De Europese Commissie verbiedt sulfiet in sommige producten.

Test-Aankoop onderzocht 93 producten, waarvan er 34 sulfiet bevatten. De helft van die 34 voedingsmiddelen mocht bovendien niet worden verkocht. Vooral in gehakt vlees en garnalen was de aanwezigheid van sulfiet illegaal.

Welke conclusies trekt de minister uit het onderzoek van Test-Aankoop? Acht de minister het raadzaam een strengere normering op te stellen, zeker wat de aanvaardbare dagelijkse inname van sulfiet voor kinderen betreft? Acht de minister het wenselijk, in het licht van het onderzoek van Test-Aankoop, het controlesysteem van het Federaal Agentschap voor Voedselveiligheid te verbeteren, daar de huidige controles van het agentschap blijkbaar niet voldoen? Acht de minister het wenselijk de problematiek op Europees niveau aan te kaarten?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Het koninklijk besluit van 1 maart 1998 betreffende de in voedingsmiddelen toegelaten toevoegsels met uitzondering van kleurstoffen en zoetstoffen bepaalt dat het gebruik van sulfiet in een hele reeks voedingsmiddelen is toegestaan. Dat koninklijk besluit is de omzetting van de Europese richtlijn 95/2/EG.

Het onderzoek van Test-Aankoop toont aan dat sulfiet ook wordt toegevoegd aan andere voedingsmiddelen of in hogere concentraties dan de vastgelegde limiet. Ook uit controles van het Federaal Agentschap voor de Voedselveiligheid (FAVV) blijkt dat er inbreuken plaatsvinden op de bepalingen van dit koninklijk besluit. Bij overtreding worden de betreffende goederen in beslag genomen en wordt een proces-verbaal opgesteld.

Aangezien kinderen wegens hun lager lichaamsgewicht veel sneller dan volwassenen de aanvaardbare dagelijkse inname - ADI - van 0,7 milligram per kilogram lichaamsgewicht per dag overschrijden, hechtte het agentschap reeds veel belang aan deze controles. Bovendien werd sulfiet opgenomen in de Europese Richtlijn 2003/89/EG als zijnde een belangrijk allergeen. Dit betekent dat sulfiet vanaf 25 november 2005 verplicht moet worden vermeld op het etiket als het aanwezig is in een concentratie hoger dan 10 milligram per liter of 10 milligram per kilogram.

De normen betreffende de aanwezigheid van additieven in het algemeen, waaronder dus ook sulfiet, worden op Europees niveau vastgelegd. Een lidstaat kan dan ook geen strengere normen opleggen zonder een inbreuk te plegen op het vrije verkeer van goederen.

Het FAVV beseft dat er overmatig gebruik van sulfiet is, en dit niet alleen in BelgiŽ, maar in heel Europa. Het agentschap voert jaarlijks controles uit naar het gebruik van sulfiet in de voeding. Het aantal controles wordt bepaald door middel van een risico-evaluatie.

Aangezien gehakt door een groot deel van de bevolking wordt geconsumeerd en er geregeld sulfiet wordt aan toegevoegd om het er langer vers te laten uitzien, heeft het FAVV beslist dat jaarlijks verschillende controles moeten worden gedaan op gehakt. In 2002 waren 16 monsters positief, in 2003 vond het agentschap 97 positieve monsters en in 2004 waren er 45 positieve monsters op een totaal van meer dan 900 controles, dus ongeveer 5%.

In 2003 werd het controleprogramma uitgebreid met het opsporen van sulfiet in gedroogde tomaten: 2 positieve monsters op 55 in 2003 en 1 positief monster op 35 in 2004. In 2004 werd het controleprogramma verder uitgebreid met het opsporen van sulfiet in witte en rode wijn - sulfiet was in 15 monsters aanwezig, maar zonder overschrijdingen - en met het opsporen van sulfiet in gedroogde abrikozen - 3 positieve monster op 52. De resultaten van 2004 zijn echter nog niet allemaal beschikbaar en daarom zijn dit minimumcijfers. Zoals reeds gezegd, moet het gebruik van sulfiet vanaf 2005 verplicht op het etiket worden vermeld. Het FAVV zal daaraan de komende jaren veel aandacht besteden.

In de vergaderingen van de Europese Commissie wordt de problematiek van additieven geregeld besproken en wordt de regelgeving herzien. In samenwerking met een aantal lidstaten werd een Europees verslag opgesteld, waaruit blijkt dat voor bepaalde additieven, waaronder sulfiet, een bijkomende studie nodig is om na te gaan of een gedeelte van de bevolking toch niet de aanvaardbare dagelijkse inname kan overschrijden.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Ik dank de minister voor zijn antwoord en zal de gegevens die hij heeft meegedeeld, verder onderzoeken. De cijfers zijn inderdaad heel verschillende, ook ten opzichte van die van Test-Aankoop. Positief is natuurlijk dat het gebruik van sulfiet vanaf dit jaar verplicht op het etiket moet worden vermeld, maar dat zal ook ernstig gecontroleerd moeten worden.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, ondervoorzitter.)

Vraag om uitleg van de heer Jacques Germeaux aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęautopsie bij wiegendoodĽ (nr. 3-489)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Deze vraag werd al enkele keren uitgesteld. Vandaag verkeert de heer Demotte in de onmogelijkheid om te antwoorden en dus kijk ik uit naar het antwoord dat de heer Dupont zal lezen.

Op 5 februari 2004 stelde ik een mondelinge vraag over de stand van zaken betreffende de uitvoeringsbesluiten van de wet op de autopsie bij wiegendood. De minister antwoordde dat hij aan een ontwerp werkte dat over enkele maanden meer duidelijkheid zou scheppen. De uitvoeringsbesluiten zouden nog eind 2004 worden uitgevaardigd en ook de financiŽle middelen zouden tegen het jaareinde worden vrijgemaakt.

Kan de minister bevestigen dat de uitvoeringsbesluiten en de financiering rond zijn zodat de wet in 2005 kan worden uitgevoerd? Wanneer kunnen we daarvoor een concrete datum verwachten?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - De wet betreffende de autopsie bij het medisch onverklaarbaar overlijden van kinderen jonger dan 18 maanden zal worden uitgevoerd door de `centra voor wiegendood' waarmee het Verzekeringscomitť van het RIZIV een overeenkomst heeft afgesloten. Ik heb het RIZIV de opdracht gegeven om via het College van Geneesheren-directeurs die opdracht op te nemen in bedoelde overeenkomsten.

Er zal worden voorzien in een specifieke financiering voor het vervoer en de psychosociale begeleiding. Via een wijziging van de nomenclatuur, die nu door het RIZIV wordt voorbereid, zal het mogelijk zijn verstrekkingen die in uitvoering van de wet worden verricht, terug te betalen. Die financiering is opgenomen in de begroting van de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging van het jaar 2005. Na het doorlopen van de volledige procedure voor het uitvaardigen van bedoelde besluiten, zullen die in de loop van 2005 in werking treden.

De heer Jacques Germeaux (VLD). - Ik had van de minister alleen nog graag gehoord wat hij bedoelt met `in de loop van'.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik zal die vraag aan minister Demotte stellen.

Vraag om uitleg van de heer Stefaan Noreilde aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęzijn beleid inzake kankerĽ (nr. 3-559)

De voorzitter. - De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

De heer Stefaan Noreilde (VLD). - De Vlaamse Liga tegen Kanker, VLK, presenteerde onlangs haar eerste jaarrapport. Het rapport bevat diverse aanbevelingen voor het beleid. Zo pleit de VLK voor een omvattend meerjarenplan, zowel vanwege de regionale als de federale overheden, naar het voorbeeld van het Franse Plan Cancer 2003-2007. Het plan tekent een beleidsstrategie uit om de sterfte aan kanker met 20% te verminderen. Het bevat een pakket van maatregelen met meetbare doelstellingen, alsook een raming van de kosten en de financiŽle engagementen.

Verder is de VLK zeer verheugd over het koninklijk besluit op de zorgprogramma's. De liga heeft wel enkele opmerkingen en suggesties. Zo zijn er vragen bij het feit dat het aantal ziekenhuizen met een gespecialiseerd programma veel hoger ligt, namelijk 38 dan het aantal ziekenhuizen dat enkel in een basisprogramma voorziet, namelijk 27. Een mogelijke oorzaak zou de uitholling van de bijzondere beroepstitel in de oncologie kunnen zijn. Het is immers niet het college van oncologie dat de erkenningcriteria opstelt, maar wel verschillende erkenningcommissies die paritair zijn samengesteld uit academici en vertegenwoordigers van de beroepsverenigingen. Enkele oncologen suggereren dat de beroepsverenigingen vooral voor de aangesloten leden en iets minder voor het belang van de patiŽnten opkomen.

De zorgprogramma's voor kinderoncologie en voor zeldzame tumoren moeten nog worden uitgebouwd, zodat patiŽnten zeker in centra met de juiste expertise terechtkomen. Ook oncologische zorg buiten het ziekenhuis wacht nog op een wettelijke regeling. Tot slot zouden voor psychosociale zorg nog steeds te weinig financiŽle middelen beschikbaar zijn.

Daarom de volgende vragen. Is de minister van plan te werken met een omvattend meerjarenplan met een duidelijke beleidsstrategie en zal hij de diverse overheden hiervoor samenbrengen? Zo ja, wat is de planning? Heeft de minister een streefcijfer inzake de vermindering van het aantal sterftegevallen? Deelt de minister al dan niet de mening dat de paritair samengestelde erkenningcommissies te laks zijn inzake het toekennen van de beroepstitel? Overweegt hij op korte termijn al dan niet een evaluatie?

Kan hij iets zeggen over de uitbouw van zorgprogramma's voor kinderoncologie en zeldzame tumoren? Wat is de timing? Werkt hij aan een wettelijke regeling voor oncologische zorg buiten het ziekenhuis? Gaat hij akkoord met het gebrek aan financiŽle middelen voor psychosociale zorg? Zijn er verschuivingen mogelijk binnen de bestaande budgetten? Zo ja, kan de minister een tip van de sluier oplichten?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Zoals meegedeeld in het kader van het federale plan ter bestrijding van tabaksgebruik, maakt de strijd tegen kanker deel uit van de prioriteiten voor 2005. Een aantal medewerkers van de minister hebben als opdracht een meerjaren beleidsplan op te stellen om de morbiditeit en de mortaliteit ten gevolge van kanker te verminderen.

Op korte en op lange termijn wenst de minister dat verschillende bevoegde autoriteiten aan dat ambitieuze project meewerken. In een eerste fase zullen in 2005 de zorgprestaties op federaal niveau worden gemonitord en verbeterd. BelgiŽ moet zich bij de best presterende landen in Europa plaatsen. We baseren ons op de cijfers van de buurlanden. Het doel voor de komende 15 jaar is de mortaliteit met 10 ŗ 20% te verminderen.

Zoals men weet had minister Tavernier ervoor gekozen om een titel van oncologie te creŽren die openstaat voor alle disciplines betrokken bij de oncologie. Het alternatief, dat werd verworpen door de medische vakbonden, was zich te beperken tot de medische en pediatrische oncologie. De werkgroep van de Hoge Raad onderzoekt die optie verder, maar het gaat om een complexe zaak, aangezien een groot aantal medische disciplines daarbij betrokken zijn.

De huidige regel is dat de titel in oncologie wordt verbonden aan een regelmatige permanente vorming in oncologie, wat is opgenomen in het kader van de accreditering. Voordat beslissingen worden genomen inzake kwalificatie, lijkt het raadzaam te onderzoeken hoe de oncologische zorg het best georganiseerd worden voor de patiŽnt. In functie daarvan kunnen dan de nodige middelen worden vastgelegd, zowel op kwalitatief vlak - inzake de bevoegdheden en het niveau - als op kwantitatief vlak. Dat laatste slaat op vragen als welke praktijk er minimaal vereist wordt en hoeveel titularissen er voor de diverse bevoegdheden nodig zijn. Het is op basis daarvan dat er een beroepstitel sensu stricto zal worden bepaald.

Zoals de senator zelf opmerkt is het niet echt logisch dat er meer ziekenhuizen erkend zijn voor een compleet oncologisch zorgprogramma dan voor oncologische basiszorgprogramma's. Minister Demotte heeft aan zijn medewerkers gevraagd als eerste prioriteit de huidige situatie van de oncologische zorgprogramma's te analyseren, zodat hij eventueel wijzigingen kan aanbrengen aan het koninklijk besluit van 21 maart 2003. Verder zullen er gespecialiseerde programma's worden voorgesteld om de oncologische zorg voor kinderen en patiŽnten met zeldzame tumors te verbeteren en te garanderen. Minister Demotte hoopt in de loop van het eerste semester van 2005 concrete voorstellen bij de ministerraad te kunnen indienen.

Gedurende zijn hele mandaat heeft minister Demotte steeds getracht projecten aan te moedigen die patiŽnten in staat stellen thuis degelijke zorg te krijgen. Voor chronische ziekten zoals kanker, waarbij alles moet worden gedaan om ondanks de vaak zware behandelingen, de levenskwaliteit te garanderen, zal hij alle acties die daartoe kunnen bijdragen, blijven steunen, voor zover ze het welslagen van de behandeling niet in het gedrang brengen. Zo heeft hij financiŽle hulp toegekend aan de vereniging …claircie. Het proefproject van de vereniging wil de ontbrekende schakel zijn tussen het ziekenhuis en thuis, door continuÔteit te waarborgen in de verzorging thuis van zwaar zieke kinderen. Een aantal van de verzorgde kinderen lijdt aan kanker.

Het is inderdaad waar dat er geen specifieke financiering bestaat die nominatim aan de psychologische zorg wordt toegekend. Maar met de invoering van het zorgprogramma wordt nu wel gezorgd voor een financiering van het multidisciplinair oncologisch consult, waarbij in een multidisciplinair verband de diagnostiek en het behandelingsschema van de patiŽnt worden besproken. Het staat het ziekenhuis vrij om het aldus geaccumuleerd bedrag te verdelen volgens de noden van de patiŽntenopvolging. In hoever een eventueel partiŽle reallocatie daarvan kan worden aangewend voor een gerichte financiering van de psychosociale zorg, kan deel uitmaken van de hoger vermelde evaluatie van de huidige situatie.

Vraag om uitleg van mevrouw Annemie Van de Casteele aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde rationalisering van de ziekenhuisdiensten en functiesĽ (nr. 3-560)

De voorzitter. - de heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen, antwoordt namens de heer Rudy Demotte, minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - In het ontwerp van gezondheidswet dat de minister heeft aangekondigd wordt de gecoŲrdineerde ziekenhuiswet aangepast om een geografisch gebied vast te stellen waarbinnen in ziekenhuisdiensten en -functies wordt voorzien. Die geografische criteria lokken heel wat vragen uit.

Collega's hebben de minister ondervraagd over de rationalisering van de pediatrische centra in de ziekenhuizen. De minister heeft in zijn antwoord gewezen op de bekommernis achter die hervorming, namelijk de duurzaamheid, de toegankelijkheid en de kwaliteit van de zorgverlening. Een zelfde rationalisering zou gebeuren voor de kraamklinieken. Wellicht - maar dat is niet duidelijk - zijn de doelstellingen hierbij dezelfde. Toch durf ik te betwijfelen of deze rationalisering steeds aan de bekommernissen van de minister zal tegemoetkomen.

Ik wil bij wijze van voorbeeld het ziekenhuis van Asse nemen dat gefusioneerd is met het OLV-Ziekenhuis Aalst. De campus Asse ligt op ongeveer 18 km van Aalst. Indien de minimale geografische afstand 20 km wordt en dit het enige criterium is, zou de kraamkliniek er moeten worden gesloten.

Ik begrijp dat de minister stelt dat in een ziekenhuis, in het belang van moeder en kind, een minimal aantal bevallingen per jaar moet gebeuren. De minister zou als criterium 400 bevallingen per jaar willen hanteren. In Asse waren er in 2003 600 bevallingen tegenover 1048 in Aalst. Dat aantal wijst erop dat er zeker voldoende bevallingen zijn om de kwaliteit te waarborgen.

De toegankelijkheid voor de patiŽnten, in dit geval voor de aanstaande moeders, wordt door de sluiting van een kraamkliniek als deze zeker niet verhoogd. Het is voor hen belangrijk dicht in de buurt te kunnen zijn van de kraamkliniek. Zij zouden in de toekomst vooral naar Aalst moeten gaan. Dat is in een andere provincie gelegen, waardoor de afstand psychologisch groter is dan de afstand uitgedrukt in kilometers. Bovendien is elke zwangere vrouw graag zo snel mogelijk in het ziekenhuis wanneer een geboorte zich aankondigt. Als men de oostkant in plaats van Aalst kiest betekent dat bijna automatisch dat de patiŽnten in een universitair ziekenhuis terechtkomen, wat mijns inziens niet nodig is voor een doorsnee bevalling. De vraag is dan ook of dit opportuun is en een besparing zal betekenen.

Welke criteria zal de minister hanteren in het raam van de voorgestelde gezondheidswet? Is het geografische criterium het enige of het belangrijkste? Werd daarover overleg gepleegd met alle betrokken actoren? Heeft de minister een zicht op het aantal diensten die zouden worden gesloten en de verschuivingen die zulks zou teweeg brengen? Dreigt er geen overbelasting voor ziekenhuizen of campussen die de patiŽnten van de gesloten diensten opnemen? Als bijvoorbeeld de helft van de vrouwen uit Asse naar Aalst zouden gaan, dan zou dat voor Aalst 300 bijkomende bevallingen als gevolg hebben. Ik vermoed dat Aalst daartoe niet de nodige infrastructuur heeft.

Wat zijn de concrete gevolgen voor de artsen en het ander personeel die in een dienst werken die gesloten wordt? Bestaat er een verband tussen de beperking van het aantal kraamklinieken en die van de pediatrische diensten? De minister had een norm vastgelegd voor het aantal patiŽnten van pediatrische diensten. Als de sluiting van een pediatrische dienst echter de sluiting van een kraamkliniek als gevolg heeft, krijgen we een sneeuwbaleffect dat ongewilde effecten kan hebben.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Waar het mij om gaat, is de organisatie van het zorgaanbod volgens de noden van de bevolking. Daarbij staat in de eerste plaats de kwaliteit voorop. In de gezondheidswet voeg ik eraan toe dat er ook moet worden toegezien op een correcte geografische spreiding van het zorgaanbod zodat toegankelijkheid over heel het grondgebied gelijkwaardig is en concentratie in bepaalde polen wordt vermeden. De minister wil dat principe algemeen toepassen; het heeft dus niet alleen betrekking op het zorgprogramma moeder en kind. In het concrete geval van dat zorgprogramma kan ik u geruststellen: dat bijkomende geografische criterium zal zeker niet leiden tot de bijkomende sluiting van diensten, integendeel.

Het eerste criterium in de reflectie hierover betreft de kwaliteit en de eerbiediging van een minimale activiteitsgraad. Het aantal van 600 bevallingen ligt daarbij duidelijk boven de vooropgestelde drempel. Als er bij de toepassing van dat criterium in een bepaalde geografische zone een blinde vlek zou ontstaan en er dus een probleem van toegankelijkheid rijst, maakt dit geografische criterium een vrijstelling mogelijk. De vermelde 18 kilometergrens vormt hierbij ťťn van de denksporen.

Er is gepland om nog verder met de sector overleg te plegen. Er zal uiteraard op worden toegezien dat bij de rationalisatie van het aanbod ziekenhuizen met een onvoldoende activiteitsniveau zich kunnen reorganiseren. Pas nadien wordt de sluiting van de betrokken afdeling in overweging genomen. Vandaag weet ik nog niet definitief over hoeveel afdelingen het zou kunnen gaan.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - Ik dank de minister voor zijn geruststellend antwoord. In het concrete geval dat ik heb aangehaald, zal het belangrijkste criterium voor de geplande rationalisatie dus de minimumactiviteit zijn. Verder zal er nog overleg met de sector plaatsvinden zodat bepaalde activiteiten niet onverwachts met een sluiting zullen worden bedreigd.

Over de concrete cijfers en de mogelijke andere gevolgen zal ik de minister binnen afzienbare tijd opnieuw ondervragen. Een en ander zal in elk geval bij de bespreking van de gezondheidswet opnieuw aan bod komen.

Vraag om uitleg van mevrouw Margriet Hermans aan de minister van Werk over ęde sociale rechtsonzekerheid van jonge vrijwilligers die deelnemen aan internationale activiteiten in het buitenlandĽ (nr. 3-511)

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Er bestaat geen ťťnduidige regeling voor jongeren die deelnemen aan internationale activiteiten en vrijwilligerswerk in het buitenland. Er bestaan wel regelingen voor studenten en stagiaires, maar vrijwilligers vallen haast volledig uit de boot. In het kader van de toenemende Europese en nationale erkenning van de waarde van niet-formele leerervaringen, zou een aangepaste regeling voor vrijwilligers wenselijk zijn. Ik verwijs maar naar de jongeren die zich geŽngageerd hebben in de landen die door de tsunami getroffen zijn. Op het terrein ontstaan dan ook heel wat problemen.

Het statuut van de vrijwilliger in het buitenland is een eerste probleem. Vele langdurige activiteiten in het buitenland betreffen vrijwilligersprojecten. Er bestaat voor die groep jonge vrijwilligers geen enkele wettelijke dekking. Er zijn regelingen voor medewerkers van internationale ontwikkelingsprojecten, voor werknemers in het buitenland, studenten, enzovoort, maar vrijwilligers komen nergens aan bod.

Een tweede probleem is de wachttijd. Schoolverlaters in wachttijd die als vrijwilliger naar het buitenland trekken, komen in een nadelige situatie terecht. De wachttijd wordt opgeschort omdat de jongere niet meer beschikbaar is op de arbeidsmarkt. Dat heeft nadelige gevolgen voor de kinderbijslag en op fiscaal gebied. Terug in BelgiŽ moet de jongere immers opnieuw de volledige wachttijd doorlopen vooraleer recht te hebben op een uitkering.

De kinderbijslag is een derde probleem. Jonge vrijwilligers die buiten de vijftien voormalige EU-lidstaten actief zijn, verliezen vaak hun recht op kinderbijslag. Bij de betrokken kinderbijslagfondsen heerst grote onduidelijkheid over dit onderwerp. Voor welke landen blijft de kinderbijslag bestaan? Blijven de barema's dezelfde? Garanderen die vrijwilligersactiviteiten nog het recht op kinderbijslag?

De werkloosheidsuitkering vormt een vierde probleem. Voor jongeren die uitkeringsgerechtigd zijn, kan een deelname aan een internationaal vrijwilligersproject een zeer sterke leerervaring zijn. Op die manier kunnen ze hun vaardigheden op alle mogelijke terreinen versterken, wat ook nuttig kan zijn in het kader van de reÔntegratie op de arbeidsmarkt. Het wegvallen van de werkloosheidsuitkering is voor sociaal kwetsbare jongeren echter een belangrijke hinderpaal om zich maatschappelijk te engageren. Mensen kunnen bij de RVA een individuele vrijstelling van stempelcontrole krijgen in het kader van een studie, een stage of opleiding in het buitenland, op voorwaarde dat een vergelijkbare studie of stage in BelgiŽ niet wordt aangeboden. Opnieuw vallen de vrijwilligers van internationale jongerenprojecten uit de boot.

Is de minister op de hoogte van deze problematiek? Zo ja, heeft ze al stappen ondernomen om het statuut van de jonge vrijwilligers in het buitenland te verbeteren en welke? Zo neen, waarom niet? Welke maatregelen wil de minister treffen om deze doelgroep van het noodzakelijke wettelijke kader te voorzien? Binnen welke termijn zal dat gebeuren?

Is het mogelijk de wachttijd van de schoolverlaters te laten doorlopen wanneer zij actief zijn in een project dat erkend is door een Belgische erkende zendorganisatie? Zo ja, kan de minister dit toelichten en zo neen, is de minister het er mee eens dat deze schade nefast is voor de jonge vrijwilligers? Welke maatregelen wil de minister treffen om aan dit probleem te verhelpen en wanneer?

Kan de minister een aangepaste regeling uitwerken voor de kinderbijslaggerechtigde jongeren die als vrijwilliger actief zijn in het buitenland? Zo ja, hoe zal die regeling eruit zien en wanneer zal ze er komen? Zo neen, kan de minister toelichten waarom ze niet wenselijk is?

Vindt de minister het niet onrechtvaardig dat er een verschil bestaat tussen behandeling van vrijwilligers in het binnenland en het buitenland betreffende de werkloosheidsuitkering?

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - De vraag van mevrouw Hermans over jonge vrijwilligers vereist wellicht een specifiek antwoord. Ik wil er evenwel op wijzen dat er in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden reeds kort van gedachten is gewisseld over het statuut van de vrijwilliger en dat het de bedoeling was op dat onderwerp terug te komen. Ik had graag van de minister vernomen hoever de besprekingen ter zake in de Kamer zijn gevorderd en of het nog zinvol is dat de Senaatscommissie dit onderwerp opnieuw agendeert.

Mevrouw Freya Van den Bossche, minister van Werk. - Ik zal eerst kort antwoorden op de vraag van mevrouw Van de Casteele. Naar aanleiding van de bespreking van de twee wetsvoorstellen die in de Kamer werden ingediend, werd de Nationale Arbeidsraad om advies gevraagd. De bespreking zal over enkele weken wellicht worden hervat. Het lijkt mij zinvol dat de Senaat zijn overwegingen over de beide voorstellen of over eventuele andere voorstellen formuleert.

Er is inderdaad nood aan een algemene regeling voor de vrijwilligers en aan een specifieke regeling voor sommige doelgroepen, zoals de jonge vrijwilligers in het buitenland. Ik zal de huidige toestand beknopt toelichten.

Voor jongeren die de wachttijd doorlopen, bestaat er geen omkaderde mogelijkheid voor het uitvoeren van vrijwilligerswerk. Schoolverlaters die een uitkering ontvangen, kunnen met behoud van hun uitkering een beroep doen op het statuut van coŲperant-jonge werkzoekende voor het uitoefenen van een activiteit in een erkende organisatie voor ontwikkelingssamenwerking. NGO's maken jammer genoeg weinig gebruik van deze interessante mogelijkheid. De jongere sluit een uitzendovereenkomst met de NGO, die de verantwoordelijkheid voor de omkadering op zich neemt. De jongere mag gedurende die periode uiteraard geen commerciŽle activiteit of andere beroepsactiviteit verrichten. Hij behoudt zijn werkloosheidsuitkering en zijn statuut van vergoede werkloze, wat later van belang is voor de berekening van het pensioen. Tevens heeft het een weerslag op de kinderbijslag en op de ziekteverzekering van de vrijwilliger. Een bijkomend voordeel is dat de vrijwilliger inmiddels ervaring opdoet. Ik ben van plan te onderzoeken waarom de NGO's niet meer gebruik maken van deze mogelijkheid.

Voor kortlopende programma's in het buitenland kan de RVA toestaan dat de wachttijd doorloopt. De vrijwilliger is slechts een korte tijd afwezig en blijft in principe beschikbaar voor de arbeidsmarkt. Bij langere projecten wordt ervan uitgegaan dat de vrijwilliger niet meer beschikbaar is voor de arbeidsmarkt. Hij wordt dus niet meer als werkzoekende beschouwd. Bovendien kan moeilijk worden gecontroleerd of die vrijwilligers geen commerciŽle activiteiten uitoefenen.

Ik verzoek mevrouw Hermans de vraag in verband met de kinderbijslag aan de bevoegde minister te stellen.

Ik begrijp dat werkzoekende jongeren die vrijwilligerswerk in het buitenland willen verrichten, zich onheus behandeld voelen. Voor vrijwilligerswerk in het binnenland kan een eenvoudige aanvraag bij de RVA worden ingediend. Hoewel de argumenten van de RVA gerechtvaardigd zijn, kan er misschien in een afwijking worden voorzien, indien kan worden aangetoond dat het vrijwilligerswerk een relevante ervaring heeft opgeleverd waardoor de kansen op de arbeidsmarkt vergroten. Ik denk in dit verband aan de maatregelen in het kader van de begeleiding van werkzoekenden. Ik zal die mogelijkheid door mijn administratie laten onderzoeken.

Mevrouw Margriet Hermans (VLD). - Ik voel dat er bij de minister een grote bereidheid bestaat om een oplossing te zoeken voor de problemen. Dat is zeer positief. Ik wil ook beklemtonen dat het statuut van de vrijwilliger iets anders is dan die specifieke situatie van jonge mensen die eigenlijk nog niets hebben. Zij zitten in een wachtperiode. De minister heeft aangegeven dat, wanneer zij uitkeringsgerechtigd zijn, zij mogelijkheden hebben die zij misschien niet genoeg benutten. Daar moeten we dan meer ruchtbaarheid aan geven. Ik verwijs specifiek naar jonge mensen die in een wachtperiode zitten en die noch kinderbijslag, noch een geldig uitstel voor hun wachtperiode krijgen. Ik dank de minister alvast voor haar antwoord.

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęde absolute rechtsonzekerheid die er heerst in verband met de ambtenaren van de federale overheidsdienstenĽ (nr. 3-551)

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Een drietal maanden geleden stelde ik de minister reeds een vraag om uitleg over de juridische chaos en de totale rechtsonzekerheid die er momenteel heerst in de federale ambtenarij ingevolge het feit dat er voor de lagere echelons van de meeste FOD's geen taalkader voorhanden is. De minister minimaliseerde toen de problematiek en schoof de verantwoordelijkheid hiervoor van zich af door te stellen dat elke minister afzonderlijk verantwoordelijk is voor zijn departement. Dat laatste is inderdaad correct, maar dat neemt niet weg dat de minister van Ambtenarenzaken in deze ook een globale verantwoordelijkheid heeft.

Aanleiding om terug op deze materie te komen, zijn twee vaststellingen, namelijk het jaarverslag 2003 van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht en het feit dat vandaag, bijna 3 maanden nadat ik hierover een vraag heb gesteld en de minister heb gewezen op het bestaande rechtsvacuŁm, nog geen enkel koninklijk besluit in het Belgisch Staatsblad is verschenen waarmee een taalkader wordt vastgelegd voor een FOD. De juridische chaos blijft dus bestaan en er wordt absoluut niets aan gedaan, toch niet met enige spoed.

Het jaarverslag van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht is vernietigend voor de regering en voor de minister van Ambtenarenzaken in het bijzonder. Het is nog scherper dan wat de commissie het jaar daarvoor in haar verslag over deze wantoestand wist te melden.

Ik citeer uit het jaarverslag 2003, pagina's 19 en 20: "Op het stuk van de federale overheidsdiensten, met uitzondering van de FOD Budget en Beheerscontrole en de FOD Informatie- en Communicatietechnologie die over taalkaders beschikken voor alle trappen van de hiŽrarchie, werd de VCT geconfronteerd met een bijzondere moeilijkheid: zij kon die departementen niet geldig controleren daar zij, sinds hun omwerking tot FOD, nog steeds niet over geldige taalkaders beschikken voor de lagere trappen van de hiŽrarchie. Sinds hun oprichting bevinden die FOD's zich in de onmogelijkheid de betrekkingen van de trappen 3 tot 5 wettig te beheren: het ontbreken van taalkaders belet immers wettelijk elke benoeming, elke aanwerving, elke bevordering op die trappen.

Die toestand werd reeds aangeklaagd in het jaarverslag 2002. Zij is er in 2003 niet op vooruit gegaan.

Aangezien de taalkaders het beheersinstrument zijn waardoor een dienst in overeenstemming met de taalwetgeving kan functioneren, ziet de VCT zich ertoe verplicht toestanden aan te klagen waarin een dienst niet langer in staat is wettig te functioneren, hetzij doordat dossiers die in een bepaalde taal moeten worden behandeld, toch worden toevertrouwd aan ambtenaren van de andere taalrol, hetzij doordat een bepaalde taalgroep overbelast is ten aanzien van de andere, wat erop neerkomt dat de ratio legis van de taalkaders wordt uitgehold en alle zin verliest.

De VCT heeft de eerste minister daarover aangeschreven met het verzoek structurele maatregelen te nemen om die toestanden te verhelpen. Deze laatste heeft de brief overgezonden aan de minister van Ambtenarenzaken, opdat de opmerkingen van de VCT in acht worden genomen bij de continue modernisering". Tot daar dit lange, maar voor de vorige en de huidige regering wel uiterst vernietigende citaat uit het jaarverslag van de VCT.

Hiermee is, voor zover daaraan nog moest worden getwijfeld, nogmaals bewezen dat de Copernicushervorming een belangrijk deel van de federale administratie in een juridisch vacuŁm heeft gestort, dat benoemingen, aanwervingen of bevorderingen voor de lagere echelons in feite onmogelijk zijn, scherper nog, dat deze diensten niet wettig kunnen functioneren - dixit de VCT - en dat de regering na meer dan een jaar nog altijd niets heeft gedaan om deze onwettige toestanden uit de wereld te helpen.

Bewezen is meteen ook dat de minister van Ambtenarenzaken wel degelijk niet alleen verantwoordelijk is voor zijn eigen departement, maar ook een verantwoordelijkheid toegemeten heeft gekregen om deze zaak minstens mee op te volgen voor de andere departementen. Dat vloeit toch voort uit het feit dat de eerste minister de brief die de VCT aan hem heeft gestuurd, heeft overgezonden aan de minister van Ambtenarenzaken om er verder gevolg aan te geven.

Wanneer heeft de minister de brief van de VCT aan de eerste minister ontvangen, welke opmerkingen heeft de VCT daarin geformuleerd en welke structurele maatregelen heeft hij getroffen om gevolg te geven aan deze opmerkingen? Waarom beschikken de meeste FOD's na meer dan een jaar nog altijd niet over geldige taalkaders voor de lagere echelons, waarom moet dat zo lang duren? Welke maatregelen werden getroffen om deze illegale toestand zo snel mogelijk uit de wereld te helpen en welke initiatieven of maatregelen overweegt de minister terzake nog te nemen?

Wanneer mag in feite worden verwacht dat deze toestand voor alle FOD's geregulariseerd zal zijn? Worden er effectief benoemingen, bevorderingen en aanwervingen verricht in de FOD's die over geen taalkader beschikken hoewel dit juridisch gezien niet kan en vindt hij dat een aanvaardbare praktijk? Worden deze ambtenaren op deze wijze niet in een totaal rechtsonzekere situatie geplaatst? Hoeveel dergelijke onwettige benoemingen, bevorderingen en aanwervingen werden er verricht sinds de omvorming van de ministeries in FOD's?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik heb inderdaad de brief van de Vaste Commissie voor Taaltoezicht van 23 juli 2004 ontvangen die door de eerste minister werd overgezonden. In deze brief stelde de commissie dat er bij de jaarlijkse controle van de taalkaders in vele diensten een groot onevenwicht werd vastgesteld op het vlak van de wervingsgraden.

Net zoals in haar jaarverslag, betreurt de VCT ook dat dit betekent dat de ratio legis van de taalkaders volledig zijn betekenis heeft verloren. De VCT is van mening dat er structurele maatregelen moeten worden genomen om deze situatie te verhelpen en de betrokken diensten op die manier de mogelijkheid te bieden zich aan te passen aan de wet.

Tot slot vindt de VCT dat de problematiek van de naleving van de taalkaders, die past in een wetgeving van openbare orde, niet mag worden verwaarloosd omwille van een reorganisatie- en moderniseringsproces van de administratie.

Zoals de heer Van Hauthem heeft kunnen vaststellen, maakt deze brief helemaal geen melding van het juridisch vacuŁm waarover hij het heeft in zijn vraag, maar wordt er louter een onevenwicht vastgesteld. Het is de taak van elke minister het taalevenwicht te herstellen in de diensten die hij onder zijn gezag heeft. Als minister van Ambtenarenzaken heb ik geen enkel rechtsmiddel om mijn collega's te verplichten dit te doen.

Desalniettemin heb ik mijn diensten gevraagd de VCT uit te nodigen op een werkvergadering om een beter inzicht te kunnen verwerven in de interpretatieproblemen met betrekking tot de personeelsplannen en hun omzetting in taalkaders. Indien nodig zullen we aan de FOD's vragen om de informatie te vervolledigen die ze thans aan de VCT toesturen om te kunnen werken in volledige transparantie.

Wat betreft de tweede en derde vraag verzoek ik de heer Van Hauthem dus elke minister te interpelleren. Wat betreft de FOD Personeel en Organisatie worden de taaltrappen gereglementeerd door het koninklijk besluit van 4 april 2003 tot wijziging van het koninklijk besluit van 20 september 2002 tot vaststelling van de taalkaders van de FOD Personeel en Organisatie wat betreft de eerste en tweede taaltrappen en door het koninklijk besluit van 5 maart 1999 tot wijziging van het koninklijk besluit van 19 november 1997 tot vaststelling van de taalkaders van het ministerie van Ambtenarenzaken wat betreft de derde tot vijfde taaltrappen.

De taalwetgeving werd gewijzigd om er de nieuwe loopbaan van niveau A in op te nemen: de artikelen 504 en 505 van de programmawet van 27 december 2004 regelen deze wijziging. Bovendien werden de vakbondsorganisaties geraadpleegd over twee ontwerpen van koninklijk besluit die ook de taaltrappen aanpassen aan de nieuwe loopbaan A. Deze ontwerpen zullen zeer binnenkort voor advies worden voorgelegd aan de VCT. De ontwerpen van de taalkaders van de FOD Personeel en Organisatie houden natuurlijk reeds rekening met de wettelijke en reglementaire wijzigingen.

De heer Joris Van Hauthem (VL. BELANG). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Hij zegt dat in de brief die hij van de eerste minister heeft gekregen alleen sprake is van een onevenwicht. Daaruit leidt hij af dat er geen juridisch vacuŁm bestaat. Dan moet hij het jaarverslag eens lezen. Daarin staat letterlijk dat de VCT toestanden aanklaagt waarin een dienst niet langer in staat is wettig te functioneren wegens het ontbreken van taalkaders. Er is daar effectief een juridisch vacuŁm en er bestaat rechtsonzekerheid.

Ten tweede zegt de minister dat hij verantwoordelijk is voor zijn departement en ik de andere ministers stuk voor stuk moet interpelleren. Ik vraag me af waarom de eerste minister hem die brief stuurt met de vraag om die zaak op te volgen in het kader van de modernisering. Ik denk dus dat de minister die verantwoordelijkheid niet van zich af kan schuiven. Ik heb inderdaad aan alle ministers schriftelijke vragen gericht. Dat is een hoop informatie die we nu aan het verwerken zijn. Daaruit blijkt dat er effectief een enorm onevenwicht is wat de taalverhoudingen betreft in de FOD's. We zullen daar te gepasten tijde mee uitpakken. Maar ik vind dat de minister die het geheel moet opvolgen, zijn verantwoordelijkheid ontloopt.

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Ik herhaal dat ik niet verantwoordelijk ben voor de taalkaders van de andere departementen en dat we een vergadering georganiseerd hebben met de VCT om zoveel mogelijk de problemen aan te kaarten. Dat is wat ons betreft een gebaar van goede wil en een stap in de goede richting. Meer kunnen we niet doen, wat niet betekent dat we geen aandacht hebben voor het probleem. Het is evenwel in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van mijn collega's.

Vraag om uitleg van de heer Christian Brotcorne aan de minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen over ęde toepassing van de regelgeving met betrekking tot de gecertificeerde opleidingenĽ (nr. 3-553)

De heer Christian Brotcorne (CDH). - In het kader van de loopbaanhervorming wordt bepaald dat de evolutie in de nieuwe loopbanen onder andere mogelijk wordt door de deelname aan gecertificeerde opleidingen die vanaf 2005 geleidelijk de competentiestests zullen vervangen.

Werden de inhoud van die opleidingen en de methode voor de erkenning van het slagen of het mislukken al uitgewerkt? Zo ja, wat zijn ze? Worden opleidingen die thans al worden gegeven in aanmerking genomen en gelijkgesteld met gecertificeerde opleidingen? Meent de minister niet dat bepaalde kwalitatief hoogstaande opleidingen die door personeelsleden op regelmatige basis werden gevolgd bij het OFO moeten worden gevaloriseerd wanneer het werk van het personeelslid overeenstemt met zijn opleiding?

Worden de opleidingen, gevolgd in het kader van de `opleidingstrajecten', die zijn samengebracht onder de benaming P&O - vier mogelijke opleidingen - of HRM - vijf mogelijke opleidingen - alsook de `COMM Training' beschouwd als gecertificeerde opleidingen? Kan een hiŽrarchische chef zich eventueel verzetten tegen het verzoek van ťťn van zijn personeelsleden om een opleiding te volgen? Zo ja, om welke redenen? Wordt in het geval van een weigering voorzien in een minimale procedure om het personeelslid in te lichten? Wat zijn de gevolgen als die procedure niet wordt nageleefd?

De heer Christian Dupont, minister van Ambtenarenzaken, Maatschappelijke Integratie, Grootstedenbeleid en Gelijke Kansen. - Voor de niveaus C en B worden de competentiemetingen binnenkort inderdaad vervangen door gecertificeerde opleidingen. In 2004 hebben 1.200 personen uit technische functiefamilies al een gecertificeerde opleiding gevolgd. Er werden zeer diverse opleidingen gegeven: meteorologie, cartografie, welzijn op het werk, hygiŽne en veiligheid, enzovoort. Die opleidingen worden afgesloten met een validatietest over de verworven kennis, die voor de geslaagden recht geeft op de betaling van een competentietoelage.

De bedoeling bestaat erin de personeelsleden kwalitatief hoogstaande opleidingen te geven, zodat ze hun ambt in de toekomst beter kunnen uitoefenen en ze beloond worden voor de ontwikkeling van hun competentie. Voor het jaar 2005 werden de gecertificeerde opleidingen uitgebreid tot een doelpubliek van 12.000 personen van de niveaus B en C. Thans zijn bij het Opleidingsinstituut van de Federale Overheid de voorbereidingen aan de gang voor de vaststelling van de nieuwe inhoud van de opleidingen.

Ook voor de nieuwe loopbaan van niveau A werd het beginsel van de gecertificeerde opleiding opgenomen voor ongeveer 10.000 personeelsleden. Hen zal in 2005 gevraagd worden een opleiding te kiezen, namelijk zodra de nieuwe wegingen van de ambten voltooid zijn. De keuze van die opleiding geschiedt in onderlinge overeenstemming tussen het personeelslid en zijn dienstchef. De lijsten van de gecertificeerde opleidingen worden vastgesteld door de commissies van beroepsrichtingen, die zijn samengesteld uit deskundigen inzake opleiding en de betrokken beroepen.

De methode wordt nog uitgewerkt. Er zijn al verschillende opties genomen die mij ernstig lijken. De evaluatiecriteria worden vastgesteld op basis van de taxonomie van Bloom, zowel wat de vaststelling van de opleidingsdoelstellingen als van de evaluatiedoelstellingen betreft. De vaststelling van de opleidingsdoelstellingen en van de validatietest van de verworven kennis geschiedt in overleg met experts inzake de betrokken beroepen. Er zal een onderscheid worden gemaakt tussen de opleiding en de validatie van de bekwaamheden. De beoordelaars zullen worden gesteund door een team pedagogen en specialisten inzake docimologie.

In niveau A voorziet de reglementering in de mogelijkheid voor personeelsleden die tijdens de afgelopen drie jaar geslaagd zijn voor een derde universitaire studiecyclus, deze opleiding te valoriseren als gecertificeerde opleiding. Het komt de commissies van de beroepsrichtingen toe al dan niet te beslissen tot de valorisatie van de opleidingen die de personeelsleden vroeger hebben gevold.

Ik wil de kwaliteit van de opleidingen die werden gevolgd in het kader van de P&O-ontwikkelingstrajecten niet in twijfel trekken, maar ik wijs toch op een moeilijkheid die een erkenning zou kunnen beletten. De gecertificeerde opleiding wordt in principe afgesloten met een validatie van de competenties van de personeelsleden. In het kader van de P&O-opleidingen werd eigenlijk niet overgegaan tot een validatie van de verworven kennis. De P&O-opleidingstrajecten zullen in de toekomst blijven bestaan en zullen worden aangepast om die validatie mogelijk te maken. De commissies moeten een standpunt innemen voor het verleden, daarbij rekening houdend met alle pertinente elementen.

De deelname aan de gecertificeerde opleidingen is een recht voor de ambtenaren, die dienstvrijstelling krijgen om ze te volgen en om deel te nemen aan de validatie van de competenties.

Over de vraag of een hiŽrarchische chef zich kan verzetten tegen de aanvraag van een personeelslid om een opleiding te volgen, is de reglementering zeer duidelijk. Als een personeelslid het initiatief neemt om een opleiding te volgen, heeft hij recht op een opleidingsverlof. Er gelden evenwel verschillende voorwaarden: de duur van de opleiding is maximum 120 uur per schooljaar; de opleiding moet erkend zijn en moet in verband staan met de huidige functie van het personeelslid of met een functie die hij in de toekomst kan uitoefenen.

Als de voorwaarden vervuld zijn, mag de hiŽrarchische chef zich geheel of gedeeltelijk verzetten tegen de aanvraag. De weigering moet zijn ingegeven door het belang van de dienst, bijvoorbeeld als de werklast te hoog is. Het verlof kan echter niet twee jaar na mekaar worden geweigerd.

Ik denk dat voor deze nog enigszins theoretische hervorming alles in het werk werd gesteld opdat alles zo ernstig mogelijk zou verlopen, zowel op het vlak van de kwaliteit van de opleiding als op dat van de validatie. De doelstelling bestaat erin opleidingen aan te bieden die aangepast zijn aan het beroep van ambtenaar en die een reŽle meerwaarde met zich meebrengen voor onze administratie.

De heer Christian Brotcorne (CDH). - Ik dank de minister voor zijn gedetailleerde antwoord en voor de duidelijke belangstelling die hij heeft voor de overheidsdiensten.

De voorzitter. - De agenda van deze vergadering is afgewerkt.

De volgende vergadering vindt plaats donderdag 3 februari 2005 om 15.00 uur.

(De vergadering wordt gesloten om 20.15 uur.)

Berichten van verhindering

Afwezig met bericht van verhindering: mevrouw Anseeuw, om gezondheidsredenen, mevrouw Durant en de heren Roelants du Vivier en Wille, met opdracht in het buitenland, de heren Coveliers en Steverlynck, wegens andere plichten.

-Voor kennisgeving aangenomen.

Bijlage

Naamstemmingen

Stemming 1

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-HťlŤne Crombť-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpťrťe, Amina Derbaki SbaÔ, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, JoŽlle Kapompolť, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Andrť Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

Stemming 2

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-HťlŤne Crombť-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpťrťe, Amina Derbaki SbaÔ, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, JoŽlle Kapompolť, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Andrť Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

Stemming 3

Aanwezig: 54
Voor: 7
Tegen: 45
Onthoudingen: 2

Voor

Sfia Bouarfa, Jean Cornil, Amina Derbaki SbaÔ, Jean-Marie Happart, JoŽlle Kapompolť, Philippe Mahoux, Philippe Moureaux.

Tegen

Jihane Annane, Wouter Beke, Jacques Brotchi, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Frank Creyelman, Marie-HťlŤne Crombť-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Jeannine Leduc, Bart Martens, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Andrť Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

Onthoudingen

Christian Brotcorne, Francis Delpťrťe.

Stemming 4

Aanwezig: 54
Voor: 53
Tegen: 0
Onthoudingen: 1

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-HťlŤne Crombť-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpťrťe, Amina Derbaki SbaÔ, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Andrť Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

Onthoudingen

JoŽlle Kapompolť.

Stemming 5

Aanwezig: 54
Voor: 54
Tegen: 0
Onthoudingen: 0

Voor

Jihane Annane, Wouter Beke, Sfia Bouarfa, Jacques Brotchi, Christian Brotcorne, Yves Buysse, Jurgen Ceder, Jean-Marie Cheffert, Marcel Cheron, Pierre Chevalier, Berni Collas, Jean Cornil, Frank Creyelman, Marie-HťlŤne Crombť-Berton, Sabine de Bethune, Jean-Marie Dedecker, Michel Delacroix, Francis Delpťrťe, Amina Derbaki SbaÔ, Jacinta De Roeck, Mia De Schamphelaere, Alain Destexhe, Francis Detraux, Christel Geerts, Jacques Germeaux, Jean-Marie Happart, Margriet Hermans, Nele Jansegers, JoŽlle Kapompolť, Jeannine Leduc, Philippe Mahoux, Bart Martens, Philippe Moureaux, Staf Nimmegeers, Stefaan Noreilde, Luc Paque, Fatma Pehlivan, Etienne Schouppe, Fauzaya Talhaoui, Erika Thijs, Annemie Van de Casteele, Hugo Vandenberghe, Lionel Vandenberghe, Ludwig Vandenhove, Anke Van dermeersch, Joris Van Hauthem, Patrik Vankrunkelsven, Myriam Vanlerberghe, Andrť Van Nieuwkerke, Karim Van Overmeire, Marc Van Peel, Wim Verreycken, Luc Willems, Marc Wilmots.

In overweging genomen voorstellen

Wetsvoorstellen

Artikel 81 van de Grondwet

Wetsvoorstel betreffende de rechten van de vrijwilliger (van de heer Wouter Beke c.s.; Stuk 3-993/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot wijziging van het Gerechtelijk Wetboek met betrekking tot de minnelijke aanzuiveringsregeling (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 3-999/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Wetsvoorstel tot wijziging van de verminderingscoŽfficiŽnt bij vervroegde pensionering van zelfstandigen (van de heer Jan Steverlynck; Stuk 3-1000/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Sociale Aangelegenheden.

Wetsvoorstel tot invoeging van een nieuw artikel 11 in de wet van 24 februari 1921 betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingsstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen (van de heren Patrik Vankrunkelsven en Jacques Germeaux; Stuk 3-1002/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Justitie.

Voorstellen van resolutie

Voorstel van resolutie betreffende een nieuw chemicaliŽnbeleid (van de heer Bart Martens; Stuk 3-992/1).

-Verzonden naar de commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden.

Voorstel van resolutie betreffende het herstel van de door de ramp in Bhopal veroorzaakte schade (van mevrouw Isabelle Durant en de heer Marcel Cheron; Stuk 3-994/1).

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging.

Samenstelling van commissies

Met toepassing van artikel 21-4, tweede zin, van het Reglement werden de volgende wijzigingen in de samenstelling van bepaalde commissies aangebracht:

Commissie voor de Institutionele Aangelegenheden:

Commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging:

Commissie voor de Binnenlandse Zaken en voor de Administratieve Aangelegenheden:

Commissie voor de FinanciŽn en voor de Economische Aangelegenheden:

Commissie voor de Sociale Aangelegenheden:

Vragen om uitleg

Het Bureau heeft volgende vragen om uitleg ontvangen:

-Deze vragen worden naar de plenaire vergadering verzonden.

Niet-evocaties

Bij boodschappen van 25 en 27 januari 2005 heeft de Senaat aan de Kamer van volksvertegenwoordigers terugbezorgd, met het oog op de bekrachtiging door de Koning, de volgende niet geŽvoceerde wetsontwerpen:

Wetsontwerp tot wijziging van artikel 82, tweede lid, van de faillissementswet van 8 augustus 1997 (Stuk 3-974/1).

Wetsontwerp tot wijziging van de wetten van 1 maart 1958 betreffende het statuut van de beroepsofficieren van de krijgsmacht, 27 december 1961 betreffende het statuut van de onderofficieren van het actief kader van de krijgsmacht en 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht (Stuk 3-975/1).

Wetsontwerp houdende administratieve vereenvoudiging (Stuk 3-995/1).

-Voor kennisgeving aangenomen.

Boodschappen van de Kamer

Bij boodschappen van 20 januari 2005 heeft de Kamer van volksvertegenwoordigers aan de Senaat overgezonden, zoals ze ter vergadering van dezelfde dag werden aangenomen:

Kennisgeving

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:

1ļ Aanvullende Overeenkomst tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 13 november 1984;

2ļ Aanvullende Overeenkomst nr. 2 tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 23 oktober 1991;

3ļ Aanvullende Overeenkomst nr. 3 tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlage, ondertekend te Parijs op 20 december 1994;

4ļ Aanvullende Overeenkomst nr. 4 tussen de Regering van het Koninkrijk BelgiŽ en de Regering van de Franse Republiek betreffende de gezamenlijke uitvoering van een programma voor de observatie van de aarde, en Bijlagen, ondertekend te Parijs op 9 januari 1996 (Stuk 3-401/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en het Koninkrijk Marokko betreffende wederzijdse rechtshulp in strafzaken, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-767/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Internationaal Verdrag inzake Plantgenetische Hulpbronnen voor Voeding en Landbouw, en met de Bijlagen I en II, gedaan te Rome op 6 juni 2002 (Stuk 3-768/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst inzake de voorrechten en immuniteiten van het Internationaal Strafgerechtshof, gedaan te New York op 9 september 2002 (Stuk 3-821/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de volgende Internationale Akten:

1ļ Verdrag tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van de zeevaart,

2ļ Protocol tot bestrijding van wederrechtelijke gedragingen gericht tegen de veiligheid van vaste platforms op het continentale plat,

gedaan te Rome op 10 maart 1988 (Stuk 3-920/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met de Overeenkomst tussen het Koninkrijk BelgiŽ en het Koninkrijk Marokko betreffende uitlevering, ondertekend te Brussel op 7 juli 1997 (Stuk 3-928/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol opgesteld op grond van artikel 43, lid 1, van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst), tot wijziging van artikel 2 en de Bijlage bij die Overeenkomst, gedaan te Brussel op 30 november 2000 (Stuk 3-929/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Protocol tot wijziging van de Overeenkomst tot oprichting van een Europese Politiedienst (Europol-Overeenkomst) en het Protocol betreffende de voorrechten en immuniteiten van Europol, de leden van zijn organen, zijn adjunct-directeuren en zijn personeelsleden, gedaan te Brussel op 28 november 2002 (Stuk 3-930/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Wetsontwerp houdende instemming met het Verdrag tussen het Koninkrijk BelgiŽ, het Koninkrijk der Nederlanden en het Groothertogdom Luxemburg inzake grensoverschrijdend politieel optreden, en met de Bijlagen, gedaan te Luxemburg op 8 juni 2004 (Stuk 3-931/1).

-De Kamer heeft het ontwerp aangenomen op 20 januari 2005 zoals het haar door de Senaat werd overgezonden.

Arbitragehof - Arresten

Met toepassing van artikel 113 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - PrejudiciŽle vragen

Met toepassing van artikel 77 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof aan de voorzitter van de Senaat kennis van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Arbitragehof - Beroepen

Met toepassing van artikel 76 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof, geeft de griffier van het Arbitragehof kennis aan de voorzitter van de Senaat van:

-Voor kennisgeving aangenomen.

Vaste Commissie voor taaltoezicht

Bij brief van 21 januari 2005, heeft de vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken, overeenkomstig artikel 62 van de door het koninklijk besluit van 18 juli 1966 samengeordende wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, aan de Senaat overgezonden, het jaarverslag van de Vaste Commissie voor taaltoezicht voor het jaar 2003.

-Neergelegd ter Griffie.

Europees Parlement

Bij brief van 19 januari 2005 heeft de voorzitter van het Europees Parlement aan de Senaat overgezonden:

aangenomen tijdens de vergaderperiode van 13 tot 16 december 2004.

-Verzonden naar de commissie voor de Buitenlandse Betrekkingen en voor de Landsverdediging en naar het Federaal Adviescomitť voor Europese Aangelegenheden.