5-273/4

5-273/4

Belgische Senaat

ZITTING 2013-2014

25 FEBRUARI 2014


Wetsvoorstel tot wijziging van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, wat de wegsignalisatie en de verkeersboodschappen betreft


VERSLAG

NAMENS DE COMMISSIE VOOR DE BINNENLANDSE ZAKEN EN VOOR DE ADMINISTRATIEVE AANGELEGENHEDEN UITGEBRACHT DOOR

MEVROUW MATZ


I. INLEIDING

Dit voorstel van wet werd op 12 oktober 2010 ingediend door senator Guido De Padt. Het werd door de commissie onderzocht op 4 juni 2013 in aanwezigheid van mevrouw Joëlle Milquet, vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken en Gelijke Kansen. Tijdens die vergadering heeft de commissie beslist om het advies van de Raad van State in te winnen.

Het advies van de Raad van State (advies nr. 53.573/4/AV van 26 november 2013, St. Senaat 5-273/2) werd onderzocht tijdens de vergadering van 18 februari 2014.

II. INLEIDENDE UITEENZETTING DOOR DE HEER GUIDO DE PADT, INDIENER VAN HET WETSVOORSTEL

De heer De Padt stelt voor om de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, te wijzigen op het vlak van verkeersinformatie en wegsignalisatie. Om de verkeersveiligheid te verbeteren wordt het daardoor mogelijk om anderstalige borden te gebruiken in de Franse, Vlaamse en Duitstalige Gemeenschap. Het beginsel zou enkel van toepassing zijn op de gewestwegen en niet op de gemeentewegen.

De heer De Padt wijst erop dat andere landen reeds lang gebruik maken van anderstalige verkeersborden. Hij verwijst hierbij naar zowel Frankrijk als Nederland. De vertegenwoordiger van een organisatie van vrachtwagenbestuurders heeft hem per brief laten weten dat : « (...) Dit wetsvoorstel getuigt van gezond verstand. Op enkele gevaarlijke plaatsen in Wallonië staan al lang borden in het Nederlands, zoals in de buurt van Verviers en Dinant. Ook in andere Europese landen zijn er borden in meerdere talen. In Frankrijk vindt men borden in het Engels, het Nederlands, het Duits of het Italiaans naar gelang de streek. Ik was deze zomer in Slovenië en Kroatië en daar heb ik gelukkig ook borden gezien in meerdere talen.(...) »

Het wetsvoorstel is gebaseerd op de vaststelling dat er almaar meer vrachtwagenbestuurders ons land gebruiken als transitland. FEBETRA heeft gemeld dat ongeveer de helft van de vrachtwagenbestuurders van buitenlandse nationaliteit zijn. Men kan zich voorstellen dat het in bepaalde verkeersveiligheidssituaties aangewezen is om een andere taal te gebruiken dan enkel de nationale talen.

Het wetsvoorstel heeft bijgevolg tot doel om de overheidsinformatie die ertoe strekt om, onder welke vorm ook, weggebruikers in kennis te stellen van de betekenis van wegsignalisatie en van de inhoud van verkeersboodschappen, van de toepassingssfeer van de taalwetgeving uit te sluiten. Het principe zou enkel van toepassing zijn op wegen die onder het beheer vallen van de gewesten.

III. ALGEMENE DISCUSSIE

De heer De Nijn deelt de bekommernis van de heer De Padt inzake de communicatie rond verkeersveiligheid.

Hij stelt echter vast dat het wijzigen van de wet op het taalgebruik altijd een hachelijke oefening blijkt, omdat hij het resultaat is van een lange taalstrijd en van evenwichten waarover hard onderhandeld is. Volgens hem zal het overeenkomstig artikel 129 van de Grondwet noodzakelijk zijn de Franse en Vlaamse Gemeenschap te raadplegen om hun mening over het wetsvoorstel te vernemen.

Hij betwist het probleem niet, maar is men er heel zeker van dat alle buitenlandse vrachtwagenbestuurders Engels kennen ?

Hij meent dat het verstandiger is met pictogrammen te werken die op Europees niveau gestandaardiseerd zijn. Die pictogrammen moeten voor allen begrijpelijk zijn, los van de taal, en moeten onze gewestwegen veiliger maken.

De heer Moureaux geeft het voorbeeld van Noord-Frankrijk, waar in de buurt van Calais alle verkeersborden in het Frans en in het Engels zijn, wegens het drukke doorgaand verkeer van Engelse burgers.

De heer Buysse wijst er eveneens op dat de taalwetgeving een gevoelig thema is. Een wijziging ervan ligt waarschijnlijk nog gevoeliger. Het huidige wetsvoorstel raakt materies die grondwettelijk geregeld zijn. Hij is bijgevolg van oordeel dat de commissie, alvorens verder te gaan met de behandeling van het wetsvoorstel, het advies van de Raad van State moet inwinnen.

Hij stelt zich veel vragen bij dit wetsvoorstel. Wat zou de volgorde van de talen zijn, bijvoorbeeld ? Eerste de nationale talen en dan een derde taal ? Deze kleine details moeten volgens hem door de Raad van State worden onderzocht. Ook het legistieke aspect van het wetsvoorstel moet verbeterd worden : in de toelichting spreekt men over de vermelding van de informatie in het Engels maar dit vindt men niet terug in het beschikkend gedeelte.

Het vertalen van preventiecampagnes lijkt hem evenmin realistisch.

Ten slotte zou hij over cijfers willen beschikken waaruit blijkt dat dergelijke ingrepen een positieve impact hebben op de verkeersveiligheid.

De heer Claes heeft ook een aantal bedenkingen bij het wetsvoorstel. Eerst en vooral is zijn fractie van oordeel dat pictogrammen een efficiënter middel zijn omdat ze universeel zijn. Het verdrag van Wenen « Convention on Road Signs and Signals » van 8 november 1968 had tot doel om tot een grotere uniformisering te komen van de verkeersborden in heel Europa.

Hij wenst ook te weten of er cijfers bestaan over het aantal verkeersongevallen die rechtstreeks verband houden met een gebrek aan taalkennis.

De uitzondering die op de taalwetgeving wordt voorgesteld in het wetsvoorstel is volgens zijn fractie te ruim. Hij zou veeleer voorstander zijn om in die uitzondering te voorzien in een koninklijk besluit, goedgekeurd door de Ministerraad.

Ook hij ziet het nut niet in van de vertaling van sensibiliseringcampagnes. Het is immers bewezen dat sensibiliseringscampagnes slechts een impact hebben indien de bestuurders ze meermaals en langdurig zien. Dit zal niet het geval zijn voor vrachtwagenbestuurders die slechts een enkele keer over ons grondgebied rijden.

De Staatshervorming voorziet er bovendien in dat het verkeer en de sensibilisering rond verkeer in de toekomst naar de gewesten zal worden overgeheveld.

De uitholling van de taalwetgeving is altijd gevoelig. Hij pleit dan ook voor een advies van de Raad van State, van de Vaste Commissie voor taaltoezicht en van een verkeersexpert.

De heer Deprez verklaart het initiatief, dat hij van gezond verstand en van zorg voor het algemeen belang vindt getuigen, te steunen. Europa impliceert het beginsel van het vrij verkeer van personen. Het is dus wenselijk dat de Europese burgers de mogelijkheid krijgen de wegsignalisatie te begrijpen, vooral wanneer er een risico of een potentieel gevaar is.

Hij meldt overigens dat er in Frankrijk en Spanje zelfs verkeersborden in het Arabisch zijn.

Spreker pleit er echter voor dat men voor de oplossing van de pictogrammen kiest. Men moet onze regering verzoeken initiatieven op Europees niveau te nemen.

Omdat het een delicate aangelegenheid is, lijkt het hem ook nuttig het advies van de Raad van State te vragen.

De heer Moureaux wijst erop dat dit debat over de talen ook in Frankrijk wordt gevoerd, waar er sprake van is universitaire cursussen in het Engels te geven. Dat geeft aanleiding tot een levendig debat.

IV. STANDPUNT VAN DE REGERING

De vice-eersteminister en minister van Binnenlandse Zaken stelt vast dat voorliggend wetsvoorstel over het gebruik van de talen inzake het wegverkeer gaat. Die aangelegenheid behoort tot de bevoegdheden van staatssecretaris voor Mobiliteit M. Wathelet en dit advies kwam dus in overleg met hem tot stand.

Het voorliggende wetsvoorstel strekt om een artikel 1/1 in te voegen in de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966.

Dat enig artikel strekt om, wat de gewestwegen betreft, « de overheidsinformatie die ertoe strekt om, onder welke vorm ook, weggebruikers in kennis te stellen van de betekenis van wegsignalisatie en van de inhoud van verkeersboodschappen » van de toepassingssfeer van vermelde gecoördineerde wetten uit te sluiten.

Als voorbeeld wordt de volgende boodschap van het BIVV gegeven : « Of het nu motregent of giet, inhalen doe ik niet ».

Het wetsvoorstel steunt op de vaststelling dat vermelde gecoördineerde wetten het aanbrengen van boodschappen in andere talen dan de nationale talen langs onze wegen verbieden.

Volgens de indiener van het voorstel is dat ongunstig voor de verkeersveiligheid. Hij vermeldt daarbij cijfers die aangeven dat op onze wegen steeds meer voertuigen, vooral vrachtwagens, van alle nationaliteiten rijden en dat zij vaak bij verkeersongevallen betrokken zijn.

Het besluit van het voorstel luidt : « Affiches in het Engels, naast de bestaande affiches in het Nederlands, Frans en Duits, kunnen de verkeersveiligheid alleen maar ten goede komen. »

Wat zijn voorgeschiedenis betreft : dit wetsvoorstel ontheft een vroeger identiek voorstel van dezelfde indiener van verval (stuk Kamer, nr. 52-1550/1).

Een identiek voorstel is overigens bij de Kamer van volksvertegenwoordigers ingediend (stuk Kamer, nr. 53-1212/1), door mevrouw Lahaye-Battheu, de heer Somers en mevrouw Rutten.

We hebben verder in het verleden, in 1988, nog een vergelijkbaar wetsvoorstel teruggevonden, « tot regeling van het gebruik der talen voor de verkeersborden in verband met buitenlandse bestemmingen » (stuk Kamer, nr. 47-215/1), dat werd ingediend door de heren V. Fleaux en L. Van Den Bossche.

Het standpunt van de minister luidt als volgd :

1. Men kan het alleen maar eens zijn met het standpunt van de staatssecretaris voor Mobiliteit dat signalisatie in verscheidene talen op onze snelwegen en wegen die veel door vreemdelingen worden gebruikt, ongetwijfeld een meerwaarde kan betekenen voor de verkeersveiligheid en voor vlot verkeer.

2. Dit wetsvoorstel doet echter een delicaat probleem rijzen inzake de verdeling van de bevoegdheden, omdat :

— wegsignalisatie en verkeersveiligheid een federale bevoegdheid gebleven zijn;

— de gewesten echter bevoegd zijn voor het beheer van de snelwegen en de gewestwegen, inclusief het plaatsen van signalisatie op die wegen;

— tot slot, overeenkomstig artikel1 29, § 1, van de Grondwet, de gemeenschappen in principe bevoegd zijn voor de regels inzake het gebruik van de talen, met name in bestuurszaken.

Paragraaf 2 van dat artikel 129 voorziet echter in uitzonderingen ten gunste van de federale bevoegdheid, waaronder het geval van de gemeenten met een speciaal statuut en dat van « de diensten waarvan de werkkring verder reikt dan het taalgebied waarin zij gevestigd zijn ».

3. Het gevolg daarvan is dat het probleem van het gebruik van de talen inzake wegsignalisatie nogal delicaat is temeer omdat in het verleden kennelijk verschillende antwoorden werden gegeven.

1º Zo werd onlangs, in 2012, bij de Vaste Commissie voor Taaltoezicht (VCT) een klacht aanhangig gemaakt tegen het Belgisch Instituut voor Verkeersveiligheid (BIVV), omdat het in Overijse voor een campagne affiches had aangebracht die gedeeltelijk in het Engels waren gesteld (« Go for Zero »-campagne) en omdat het postkaarten had verspreid met dergelijke boodschappen op eentalig Engelse zelfklevers.

In dat geval heeft de VCT geoordeeld dat het BIVV moest worden beschouwd als een centrale dienst waarvan, overeenkomstig artikel 40 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, de berichten en mededelingen hoofdzakelijk in het Frans en in het Nederlands moeten worden gesteld.

Uiteindelijk heeft de VCT toegestaan dat in dat geval Engelse woorden werden gebruikt. Die analyse ondersteunt echter de stelling dat voor dergelijke boodschappen de Federale Staat bevoegd blijft, krachtens de vermelde uitzondering van artikel 129, § 2, 2e streepje, van de Grondwet.

2º In 2008, in de vorige regeerperiode, daarentegen, heeft de staatssecretaris voor Mobiliteit op een parlementaire vraag geantwoord dat de bevoegdheid om boodschappen, die heel vergelijkbaar zijn met de in dit geval bedoelde — dus boodschappen over de staat van de wegen en niet van het BIVV —, bij de gemeenschappen lag.

In die parlementaire vraag werd ook melding gemaakt van de boodschappen over het wegverkeer die men in de Franse Alpen vindt en die in het Nederlands kunnen worden vertaald. De analogie met de gevallen die in de toelichting van dit wetsvoorstel worden vermeld, is dus opvallend.

3º Nog langer geleden, in 2003, heeft de minister van Mobiliteit en Sociale Economie op een andere parlementaire vraag geantwoord dat :

— wat het gebruik van de talen op wegwijzers betreft, de wetgeving op het gebruik van de talen in bestuurszaken moet worden toegepast;

— er evenwel een bijzondere reglementering bestaat voor de snelwegen, voor het aangeven van buitenlandse bestemmingen, en die reglementering is een koninklijk besluit van 1991, en dus een federale bevoegdheid.

4º Tot slot heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State in1988 geoordeeld dat de gemeenschapswetgever bevoegd was om te bepalen welke taal moet worden gebruikt voor de bronwoorden van de wegsignalisatie, waarbij de bronwoorden de oorspronkelijke woorden zijn die in een andere taal worden vertaald. Dat ontneemt de Staat echter niet zijn bevoegdheid om, inzake verkeersveiligheid, de vertalingen van die bronwoorden te gebruiken, of te vermelden dat die woorden een vertaling zijn, of de bronwoorden, waarvan ze de vertaling zijn, te herhalen.

Uit al die bestanddelen van een antwoord onthouden we dat de kwestie van het gebruik van de talen inzake wegsignalisatie uiterst complex is.

De ene situatie is zeker de andere niet. En de aard van de boodschap is waarschijnlijk de grondslag van die verschillen.

Maar om meer duidelijkheid te krijgen en gelet op het belang van het probleem — dat betrekking heeft op de verkeersveiligheid en dus op de veiligheid van de burgers — stelt de minister voor het aan de Raad van State en aan de VCT voor te leggen, opdat ze over het voorstel een advies verstrekken.

Na dat debat heeft de Commissie beslist zich tot de voorzitster van de Senaat te wenden om het advies van de Raad van State te vragen over het wetsvoorstel. Dat advies werd gegeven op 26 november 2013 (stuk Senaat 5-273/2). Het advies van de Raad van State luidde dat het wetsvoorstel geen aanleiding tot opmerkingen gaf.

V. VOORTZETTING VAN DE BESPREKING

De heer Buysse is verbaasd over het advies van de Raad van State. Het feit dat het wetsvoorstel van de vierde kamer naar de algemene vergadering wordt doorgestuurd, bevestigt dat het om een gevoelige materie gaat. Het advies zelf is dan beperkt tot een enkele zin. Hij vindt dit niet echt ernstig. Van de Raad van State mag men een beredeneerd en uitgewerkt advies verwachten.

In elk geval zal zijn fractie dit wetsvoorstel niet goedkeuren omdat het gaat om een onaanvaardbare inbreuk op het principe van de eentaligheid van het grondgebied.

De heer Buysse heeft ook bedenkingen bij de finaliteit van het wetsvoorstel. Er is immers een discrepantie tussen de toelichting bij het wetsvoorstel en het beschikkend gedeelte. In de toelichting wordt er gezegd dat het Engels zou kunnen worden gebruikt naast de officiële landstalen, in het beschikkend gedeelte wordt deze materie onttrokken aan de taalwetgeving. Dat lijkt hem een totaal andere finaliteit. Het gevolg van dit wetsvoorstel is dat er een totale vrijheid bestaat om talen te gebruiken. Er is zelfs geen enkele zekerheid dat de officiële taal van het gewest niet in het gedrang komt.

Het is evenmin duidelijk wie bevoegd wordt voor de te treffen maatregelen als dit wetsvoorstel goedgekeurd wordt. Wie zal bepalen welke talen gebruikt worden bij een specifieke campagne ? Op basis van welke wetgeving zal die beslissing genomen worden ?

Dit wetsvoorstel creëert een gevaarlijk precedent. Er zijn misschien nog wel materies die uit de toepassing van de taalwetgeving kunnen worden uitgesloten.

Minstens moet het advies van de Vaste Commissie voor het Taaltoezicht worden ingewonnen — dit kan gebeuren door de bevoegde minister.

Verder herhaalt hij zijn vraag naar de basisgegevens die tot dit wetsvoorstel hebben geleid. Is er onderzoek geweest naar het causaal verband tussen het gebruik van dergelijke meertalige borden en de verkeersveiligheid ?

Ten slotte suggereert de heer Buysse dat er vooral gebruik zou worden gemaakt van pictogrammen die voor iedereen verstaanbaar zijn.

De heer Moureaux herinnert er aan dat het advies van de Raad van State strikt beperkt is tot de eventuele juridische problemen en geen betrekking heeft op de politieke opportuniteit van het wetsvoorstel. Het wetsvoorstel geeft enkel de juridische mogelijkheid. Het is aan de beheerders van de gewestwegen om te beslissen of zij al dan niet van deze mogelijkheid zullen gebruik maken.

De heer De Padt herinnert er aan dat het uitgangspunt van het wetsvoorstel de verkeersveiligheid is. Er zijn situaties waarin het veilig en nuttig is om in bepaalde verkeersituaties ook een andere taal dan de streektaal te gebruiken.

Wat het gebruik van pictogrammen betreft, wijst hij erop dat er geen EU-regelgeving bestaat over weg- en verkeerssignalen. Er is enkel een internationale conventie van Wenen die dateert van 8 november 1968 en die aandringt op uniformisering maar de lidstaten kunnen daar al dan niet vrijwillig op ingaan. Er bestaat trouwens geen EU-regeling over het gebruik van nationale talen in het verkeer. Dat is en blijft een bevoegdheid van de nationale wetgeving.

De heer De Padt wil met dit wetsvoorstel vooral geen communautair spelletje spelen. Het gaat om de verkeersveiligheid. Ook Koen Van den Heuvel, momenteel fractieleider van de CD&V in het Vlaams parlement heeft destijds gepleit voor het gebruik van het Engels voor signalisatiewerken bij grote wegeniswerken. Ook hij pleitte er in 2004 voor dat, als de verkeersveiligheid in het gedrang komt, de verkeerssignalisatie bij grote wegenwerken ook in een andere taal zou kunnen gebeuren. Hij verwijst hierbij naar de werken aan de Antwerpse ring waar heel wat buitenlanders passeren. Ook de adjunct-gouverneur van Vlaams-Brabant, Valérie Flohimont, heeft gewezen op de belangrijke rol van België als transitland voor internationaal vervoer en dat lang niet alle berichten langs onze wegen worden begrepen door alle weggebruikers.

Het advies van de Raad van State spreekt boekdelen : het wetsvoorstel is zo eenvoudig dat het geen enkel probleem doet rijzen op juridisch vlak.

De heer Broers stelt vast dat het advies van de Raad van State geen enkele hulp verschaft voor de beoordeling van dit wetsvoorstel terwijl het toch een uitzondering invoert op de taalwetgeving van 1966. Zou er over de afschaffing van de faciliteiten een even sibillijns advies worden verstrekt ?

Het feit dat de Franstalige vicegouverneur van Vlaams-Brabant geen bezwaren heeft tegen Franstalige borden in Vlaams-Brabant verbaast hem overigens niet.

Wat betreft het inwinnen van het advies van de VCT, wijst de heer Broers erop dat men binnen de VCT quasi nooit meer tot overeenstemming komt, ook daar bestaat er een breuklijn tussen de twee taalgemeenschappen.

Hij vraagt wat er gebeurt als men dergelijke borden aanbrengt op gewestwegen en men daarbij in conflict komt met de taalwetgeving die geldt in een bepaalde gemeente. Zo heeft hij in de Voerstreek vele gewestwegen waar hij ingevolge de geldende taalwetgeving een andere taal mag gebruiken dan die op de zijwegen.

De heer Claes heeft begrip voor de bezorgdheid van de heer De Padt.

Hij herinnert eraan dat ingevolge de staatshervorming de gewesten in de toekomst bevoegd zullen zijn voor informatie en sensibilisering.

Hij meent dat een goede signalisatie met pictogrammen al een heleboel problemen zou oplossen. Voor het inhaalverbod voor vrachtwagens, bijvoorbeeld, bestaat er meer dan voldoende beeldtaal die een voor iedereen duidelijke boodschap kan overbrengen.

Als er een andere taal zou worden gebruikt, dan kan men zich afvragen of het Engels in alle gevallen de meest aangewezen oplossing is. Zal het op de grens met Duitsland niet veeleer aangewezen zijn om Duits te gebruiken ? Kan men de uitzondering op de gecoördineerde taalwet niet eerder laten bepalen bij een K.B. dat wordt goedgekeurd in de Ministerraad ?

De heer Deprez meent dat het wetsvoorstel op geen enkele manier de regeling op het gebruik der talen in ons land geweld aandoet. Hij herinnert eraan dat dit wetsvoorstel in de eerste plaats gericht is op buitenlanders die over ons grondgebied rijden. Als deze buitenlandse chauffeurs geen van de landstalen begrijpt kunnen zij het veiligheidsrisico op onze wegen doen toenemen, ook voor de Belgen.

Dit wetsvoorstel ontneemt dus geen enkele Belg een recht maar creëert een bijkomende informatiemogelijkheid voor buitenlandse chauffeurs, enkel en alleen om de verkeersveiligheid te verhogen.

Verschillende sprekers hebben verklaard dat zij de voorkeur geven aan pictogrammen. De heer Deprez wijst er op dat dit wetsvoorstel geenszins het gebruik van pictogrammen uitsluit, wel integendeel : « de overheidsinformatie die er toe strekt om, onder welke vorm ook ... ». Dat betekent uiteraard ook dat pictogrammen mogelijk zijn.

Men moet niet lacherig doen over het advies van de Raad van State : het feit dat deze instelling geen enkele opmerking maakt wijst erop, dat zij geen enkel probleem ziet, noch op het vlak van de bevoegdheid, noch op juridisch vlak.

De heer De Padt begrijpt de opmerking van de heer Broers niet. Wanneer het met het oog op de verkeersveiligheid nodig is om bepaalde informatie te geven dan zullen de buitenlandse bestuurders zich vooral op gewestwegen bevinden. Hij heeft gemeentewegen bewust van het toepassingsgebied uitgesloten om de communautaire doos van Pandora niet al te fel te openen.

Uiteraard blijven ingevolge het wetsvoorstel pictogrammen mogelijk. In zijn toelichting heeft hij het Engels als voorbeeld gegeven maar het wetsvoorstel laat het aan de beheerders van de gewestwegen zelf over om te beslissen in welke vreemde taal zij verkeersboodschappen wensen te verspreiden, met het oog op de verkeersveiligheid. Dit wetsvoorstel creëert een mogelijkheid om de verkeersveiligheid te verbeteren maar legt geen enkele verplichting op.

De heer Broers wijst er op dat zowel in Vlaanderen als in Wallonië verkeersborden Engelse of Duitse informatie bevatten over bepaalde bestemmingen, zonder dat daarin door de wet wordt voorzien. Moet daarom echt een wettelijke uitzondering worden gemaakt op de taalwetgeving ?

De heer Buysse wijst erop dat er in 2012 wel degelijk een eensluidend advies is geweest van de VCT om de « Go for Zero »-campagne te verbieden. De VCT zou zeker een advies kunnen geven over de implicaties van dit wetsvoorstel. Op dit ogenblik heeft men er geen enkel zicht op wat de gevolgen van dit wetsvoorstel zullen zijn voor het geheel van de taalwetgeving.

Het volstaat niet om te zeggen dat men ergens « het volste vertrouwen in heeft ». Indertijd had Vlaanderen er ook het volste vertrouwen in dat de taalfaciliteiten uitdovend zouden zijn. Taalwetgeving moet duidelijk zijn en niet voor interpretatie vatbaar.

Van de voorbeelden die men geeft uit het buitenland kan men enkel zeggen dat er ook in een andere taal dan de nationale taal informatie wordt gegeven. Het wetsvoorstel maakt het echter perfect mogelijk om verkeersboodschappen uitsluitend in het Engels of het Pools te geven. Bovendien is niet duidelijk wie dergelijke verkeersboodschappen zal mogen verspreiden, de gewesten of de federale overheid, die de residuaire bevoegdheden behoudt.

VI. ARTIKELSGEWIJZE BESPREKING EN STEMMINGEN

Artikel 1

Dit artikel wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen.

Artikel 2

Op dit artikel wordt een eerste amendement ingediend door de heer Dirk Claes (St. Senaat 5-273/2, amendement nr. 1) waarin de Koning wordt belast met de uitvoering van dit wetsvoorstel.

De heer Buysse wijst erop dat de uitvoering van een dergelijke wijziging van de taalwetgeving niet aan een minister kan worden toevertrouwd, dat kan enkel bij wet gebeuren.

De heer heer Buysse dient zelf een amendement in (St. Senaat 5-273/2, amendement nr. 2) waarin hij voorstelt een derde lid toe te voegen dat preciseert dat het gebruik van een andere taal dan de bestuurstaal van het gewest enkel kan als de verkeersboodschap ook in de bestuurstaal van het gewest is opgesteld.

Amendement nr. 2 wordt verworpen met 9 stemmen tegen 1 stem bij 1 onthouding.

Amendement nr. 1 wordt aangenomen met 8 tegen 2 stemmen bij 1 onthouding.

Het aldus geamendeerde artikel wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen.

Het geheel van het geamendeerde wetsvoorstel wordt aangenomen met 9 tegen 2 stemmen.

Dit verslag werd eenparig goedgekeurd door de 9 aanwezige leden.

De rapporteur, De voorzitter,
Vanessa MATZ. Philippe MOUREAUX.