5-1753/2

5-1753/2

Belgische Senaat

ZITTING 2012-2013

25 SEPTEMBER 2013


HERZIENING VAN DE GRONDWET


Voorstel tot herziening van artikel 123, § 2, van de Grondwet


AMENDEMENTEN


Nr. 1 VAN DE HEER LAEREMANS

Enig artikel

Dit artikel vervangen door wat volgt :

« Enig artikel. Artikel 123, § 2, van de Grondwet, gewijzigd bij de herziening van de Grondwet van 25 februari 2005, wordt vervangen als volgt :

« § 2. In afwijking van paragraaf 1 worden de samenstelling en de werking van de Regering van de Vlaamse Gemeenschap door het Parlement van de Vlaamse Gemeenschap bij decreet geregeld. Dat decreet wordt aangenomen volgens de meerderheidsregels die door dit Parlement bij decreet worden bepaald.

Een wet, aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid, duidt de aangelegenheden aan betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Franse Gemeenschap en de Regering van het Waalse Gewest, welke door hun Parlementen, elk voor zich, bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel worden geregeld, naargelang van het geval. Dat decreet en die in artikel 134 bedoelde regel moeten worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het betrokken Parlement aanwezig is.

Een wet duidt de aangelegenheden aan betreffende de samenstelling en de werking van de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, welke door haar Parlement bij decreet worden geregeld. Dat decreet moet worden aangenomen met een meerderheid van twee derden van de uitgebrachte stemmen, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van het Parlement aanwezig is. » »

Verantwoording

De indiener verwijst naar zijn amendement nr. 1 op voorstel nr. 5-1752. Het is logisch dat de regeling inzake de constitutieve autonomie die voor de parlementen van de deelstaten wordt voorgesteld, wordt doorgetrokken voor wat de regeringen van deze deelstaten betreft.

Nr. 2 VAN DE HEER LAEREMANS

(Subsidiair op amendement nr. 1)

Enig artikel

De volgende wijzigingen aanbrengen :

a) het 1º doen vervallen;

b) in het 2º de zinsnede « de paragraaf wordt aangevuld met twee leden » vervangen door de zinsnede « de paragraaf wordt aangevuld met een nieuw lid »;

c) het in het 2º voorgestelde artikel 123, § 2, tweede lid, doen vervallen.

Verantwoording

Het toekennen van constitutieve autonomie aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is in de communautaire strijd die in en om Brussel wordt gevoerd vanuit Vlaams perspectief een onvergeeflijke fout en een strategische blunder van formaat.

Dat is ook altijd het standpunt geweest van de Vlaamse beleidsverantwoordelijken en van een ruime democratische meerderheid in Vlaanderen.

De nu door de institutionele meerderheid voorgestelde toekenning van deze constitutieve autonomie aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest gaat onder meer terug naar de zogenaamde Octopusnota van februari 2008 van de Brusselse regering. Daarin vraagt deze (in punt 4.4) constitutieve autonomie « ter bevestiging van het statuut van volwaardig gewest ». Het opzet hiervan is dus wel zeer duidelijk.

Het is daarom ook volkomen onbegrijpelijk dat de huidige Vlaamse meerderheidspartijen (en de N-VA) in de federale regering deze eis tijdens de onderhandelingen omtrent de zesde staatshervorming zonder meer hebben overgenomen en aanvaard. Het is immers sinds jaar en dag een vast standpunt van de Vlaamse meerderheidspartijen én van de Vlaamse oppositie dat Brussel in de Belgische staatsorde niet kan worden gelijkgesteld met de deelstaten Vlaanderen en Wallonië en bijgevolg niet in aanmerking komt om begiftigd te worden met het statuut van een volwaardig gewest.

Vlaanderen is er integendeel steeds van uitgegaan dat Brussel als hoofdstad een afzonderlijk statuut moest krijgen. Daarvoor kan verwezen worden naar de 5 resoluties van het Vlaams Parlement uit 1999 die nagenoeg unaniem werden aangenomen. Van deze resoluties is er één die integraal handelt over « Brussel in de volgende staatshervorming » (Vlaams Parlement, stuk 1341 (1998-1999)), wat onderstreept hoe belangrijk de rol en de toekomst van Brussel werden beschouwd in het institutionele kader dat Vlaanderen voor ogen staat. In deze resolutie wordt gesteld dat « als principieel uitgangspunt de tweeledigheid van het federale staatsbestel voorop [staat] met daarnaast een specifiek statuut voor Brussel dat door Vlamingen en Franstaligen op voet van gelijkheid moet worden bestuurd ». Over het al dan niet verlenen van constitutieve autonomie is er in dit document geen sprake omdat niemand er in de verste verte ook maar aan dacht dat deze aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zou kunnen en mogen worden toegekend. Het is dan ook duidelijk dat het door de Vlaamse partijen principieel ingenomen uitgangspunt impliceert dat er van constitutieve autonomie voor Brussel in hoofde van Vlaanderen geen sprake kon en kan zijn.

Deze visie werd door de Vlaamse beleidsverantwoordelijken en democratisch verkozen organen daarna meermaals hernomen en herbevestigd. Dat gebeurde onder meer nog in de toespraak van 1 februari 2008 van Vlaams minister-president Kris Peeters naar aanleiding van de afronding van het zogenaamde Octopusoverleg dat door de Vlaamse meerderheidspartijen was gehouden. Daarin benadrukte de minister-president : « Onze visie op Brussel wordt bepaald vanuit onze visie op de staatkundige evolutie van België. Die visie gaat uit van een fundamentele tweeledigheid op basis van twee deelstaten met daarnaast een specifiek statuut voor Brussel én een Duitstalige Gemeenschap. » Deze uitspraak ligt volledig in het verlengde van de resoluties van 1999 en ook zij sluit heel duidelijk constitutieve autonomie voor Brussel uit. Vermits deze verklaring werd opgenomen als bijlage bij het Vlaams regeerakkoord van 13 juli 2009, maakt zij er integraal deel van uit en is dit het standpunt van de huidige Vlaamse regering.

Met dit amendement wordt beoogd aan te sluiten bij deze vele jaren lang breed gedragen visie en wordt de constitutieve autonomie ten behoeve van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bijgevolg geschrapt.

Nr. 3 VAN DE HEER LAEREMANS

(Subsidiair op amendement nr. 2)

Enig artikel

In het 2º het voorgestelde artikel 123, § 2, tweede lid, vervangen door wat volgt :

« Onverminderd de bepalingen uit het voorgaande lid, moet de in artikel 134 bedoelde regel, voor wat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreft, worden aangenomen met een meerderheid in elke taalgroep. »

Verantwoording

In zijn advies over het voorstel van bijzondere wet tot wijziging van de bijzondere wet van 12 januari 1989 met betrekking tot de Brusselse instellingen, ter uitvoering van de artikelen 118 en 123 van de Grondwet (stuk Senaat, nr. 5-1745/2) merkt de Raad van State terecht op dat « in de tekst van de voorgestelde artikelen 118 en 123 van de Grondwet alleen bepaald [wordt] dat de ordonnanties van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest die uitvoering geven aan de aan dat gewest toegekende constitutieve autonomie, moeten voldoen aan « bijkomende meerderheidsvoorwaarden ». In die tekst wordt evenwel niet uitdrukkelijk bepaald dat deze « bijkomende meerderheidsvoorwaarden » een meerderheid van de uitgebrachte stemmen binnen elk van de twee taalgroepen van het Brussels Hoofdstedelijk Parlement vereisen. »

Als men toch constitutieve autonomie wil geven aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest — iets waar indiener van dit amendement tegen is — en dit betonneert in de Grondwet, dan kan men de waarborgen die men in het verlengde daarvan ten behoeve van de minst talrijke taalgroep wenst in te voeren in de Grondwet evengoed precies omschrijven, in plaats van dat te doen via een vage en voor velerlei interpretatie en invulling vatbare formulering zoals nu het geval is (« bijkomende meerderheidsvoorwaarden »). Dit is des te meer noodzakelijk omdat deze garantie voor de minst talrijke taalgroep in het verleden reeds via wijzigingen in de bijzondere wet substantieel werd afgezwakt. In het kader van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen werd immers bepaald dat de oorspronkelijk vereiste meerderheid van stemmen in elke taalgroep wordt herleid tot een minderheid van een derde van de stemmen in elke taalgroep in een tweede stemronde, indien tijdens de eerste stemronde in één van beide taalgroepen de meerderheid niet was behaald. Met deze les in het achterhoofd is het bijgevolg niet wijs om de bijzondere wetgever hieraan verder invulling te laten geven, maar verdient het de voorkeur deze bepaling rechtstreeks in de Grondwet in te schrijven. Op deze manier kunnen de karakterzwakke en toegevingsgezinde Vlaamse onderhandelaars van de traditionele partijen in de toekomst iets meer worden behoed voor verdere stommiteiten dienaangaande.

Bart LAEREMANS.