5-30

5-30

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 14 JULI 2011 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Justitie over «het UN Women-rapport Progress of the World's Women: In pursuit of Justice» (nr. 5-258)

Mondelinge vraag van mevrouw Inge Faes aan de minister van Justitie over «het aantal verkrachtingen dat tot een veroordeling leidt» (nr. 5-268)

De voorzitter. - Ik stel voor deze mondelinge vragen samen te voegen. (Instemming)

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Enkele dagen geleden verscheen het eerste rapport van UN Women, het VN-agentschap voor gendergelijkheid en empowerment van vrouwen, over Progress of the World's Women: In Pursuit of Justice. In dat rapport maakt UN Women de balans op van de toegang van vrouwen tot het rechtssysteem en gaat UN Women na of er wereldwijd voldoende wetten zijn die de rechtszekerheid voor vrouwen garanderen.

Zeer specifiek onderzoekt het rapport in welke landen er wetten zijn die de politieke en economische participatie van vrouwen bevorderen. Verder gaat het over het waarborgen van de reproductieve rechten van vrouwen en over wetten om huiselijk geweld, seksuele intimidatie en verkrachting te bestraffen. Er wordt ook gekeken op welke manier die wetten in praktijk worden gebracht.

De parameters in het VN-rapport over geweld op vrouwen zijn: cijfers over verkrachting binnen het huwelijk, over fysiek partnergeweld, over seksueel partnergeweld, over de perceptie van huiselijk geweld, over vrouwelijke genitale verminking en over kindhuwelijken.

Het afgelopen weekend heb ik het rapport helemaal doorgenomen en in de bijlage lees ik dat België goed scoort inzake politieke deelname van vrouwen en vind ik ook gegevens over de economische deelname van vrouwen in ons land, maar niet of nauwelijks over de geweldproblematiek. Dat verbaast me, omdat veel van die cijfers volgens mij wel beschikbaar zijn.

Mijn vraag is dan ook hoe dat komt. Misschien kan de minister dat ook goedmaken door de cijfers nu te geven, zodat het VN-rapport hier in de Senaat een officiële aanvulling krijgt.

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Uit het recente rapport van UN Women, dat dinsdag in de media verscheen, blijkt dat in België 25% van de volwassen vrouwen en 15% van de mannen minstens één keer slachtoffer is van seksuele agressie.

Bij klachten van verkrachting wordt in 58% van de gevallen de verdachte geïdentificeerd en de helft van hen wordt in verdenking gesteld. Maar slechts 4% van de klachten mondt uit in een veroordeling. Dat staat in schril contrast met het Europese gemiddelde waar in 14% van de gevallen van verkrachting de dader wordt veroordeeld.

Verkrachting is een zwaar misdrijf waarbij de fysieke integriteit zwaar wordt geschonden, en kan niet getolereerd worden.

Als maar 4% van de klachten van verkrachting uitmondt in een veroordeling, stel ik mij toch de vraag of de werking van justitie op dat gebied niet beter kan, zeker tegenover een Europees gemiddelde van 14%.

Nochtans staat in het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011 dat feiten als niet-georganiseerde zware geweldmisdrijven en seksuele misdrijven, in het bijzonder verkrachting, en andere ernstige aantastingen van de fysieke integriteit een hoge en geüniformeerde afhandelingskwaliteit nodig hebben. Met het oog daarop werd aan alle betrokken actoren zoals het college van procureurs-generaal en de politiediensten gevraagd algemene nationale richtlijnen en operationele draaiboeken op te stellen.

Ondanks het feit dat de strijd tegen verkrachting als belangrijk staat vermeld in het Nationaal Veiligheidsplan 2008-2011 en er operationele draaiboeken bestaan, lijkt het mij dat de strijd tegen de verkrachtingen in ons land veel beter kan.

In welke mate is het mogelijk om de bestaande draaiboeken te verbeteren en kan de Belgische justitie lessen trekken uit de handelwijze van de andere Europese landen aangaande deze kwestie?

De heer Stefaan De Clerck, minister van Justitie. - Het rapport komt spijtig genoeg neer op een simplistische analyse en is compleet verkeerd voor bepaalde aspecten zoals het aantal vrouwelijke magistraten.

Een aantal conclusies in verband met de efficiëntie en de effectiviteit van de gerechtelijke afhandeling van verkrachtingszaken in ons land zijn gewoon voorbarig.

Mocht maar 4% van de verkrachtingszaken tot een veroordeling leiden dan zou dat een bijzonder onrustwekkend resultaat zijn voor het Belgische strafrechtelijk beleid in verkrachtingszaken. Een rondvraag in de diensten van de FOD Justitie leert echter dat voor de opmaak van het rapport geen cijfers werden opgevraagd bij de federale overheidsdiensten.

Evenmin is de rapportering gebaseerd op een mutuele periodieke evaluatie van lidstaten. Het cijfer is ook niet gebaseerd op het beschikbare statistische materiaal van de gerechtelijke instanties.

Het cijfer en het diagram uit het VN-rapport blijkt afkomstig uit de studie Different systems, similar outcomes? Tracking attrition in reported rape cases across Europe van Lovett en Kelly, gepubliceerd in 2009, waarvan de resultaten al werden besproken in de Senaat op 16 juni 2009.

Die studie is nochtans genuanceerd. Ze biedt evenwel niet de mogelijkheid om de efficiëntie van het strafrechtelijk beleid en de gerechtelijke aanpak van de lidstaten onderling te vergelijken. De auteurs waarschuwen daar ook voor. De bedoeling van de studie is een analyse te geven van de `uitval en uitstroom', attrition, tijdens het verloop van de gerechtelijke behandeling van verkrachtingszaken in heel Europa, ongeacht het juridische systeem of de culturele verschillen. De gehanteerde benadering is gebaseerd op meerdere methodieken, waaronder een case study, case tracking, gebaseerd op een steekproef van honderd concrete dossiers, aangereikt door twee Belgische experts. Het is het concreet gevolgde staal van zaken in België dat erg negatief uitvalt qua ophelderings- en veroordelingsgraad, in casu vier op honderd. Het is niet serieus op basis van dat gegeven een algemene conclusie te trekken.

Uit vroegere statistieken over de aangiften van de federale politie, uit de cijfers van het College van procureurs-generaal en uit de veroordelingsstatistieken blijkt evenwel een veel hoger percentage van opheldering en veroordeling.

Toch daalde het aantal veroordelingen tussen 1996 en 2006 van 20% tot 13%. Dat cijfer komt overeen met het Europese gemiddelde uit de studie, namelijk 14% effectieve veroordelingen. De oorzaken hiervan dienen nader te worden onderzocht.

Ik verwijs ook naar mijn antwoord op de vraag van senator Helga Stevens van 7 december 2009. Ik bezorgde haar toen de gegevens van de statistische analisten van het College van procureurs-generaal. Die gegevens geven een volledig beeld van verkrachtingsdossiers, van het inleiden tot het behandelen door de correctionele rechtbank. Ik lees bijvoorbeeld dat 47,36% van de verkrachtingszaken werden geseponeerd en dat 23,86% van de zaken tot een dagvaarding voor de rechtbank leidden. Dat zijn toch heel andere cijfers dan de aangehaalde 4%. Ik laat de gegevens bezorgen.

Meer algemeen bestaat er een nationaal plan 2008-2011 in verband met het seksueel misbruik van vrouwen. Dat plan wordt geactualiseerd en geeft de nodige aandacht dan het echtelijk geweld en aan nieuwe methodes en opleidingen.

Het VN-rapport bevat veel nuttige informatie, maar biedt niet de mogelijkheid om conclusies te formuleren over het aantal dossiers dat in België tot vervolging of veroordeling leidt of over het aantal magistraten. Uit de studies van het verleden blijkt dat minstens 13 of 14% van de gevallen tot een veroordeling leiden.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik suggereer de minister om via onze ambassade in New York een officiële nota te bezorgen aan UN Women zodat de cijfers kunnen worden rechtgezet. Daarnaast stel ik voor om na het reces het onderwerp en de concrete beleidsdaden te bespreken in de commissie.

Mevrouw Inge Faes (N-VA). - Mogelijk hebben we inderdaad een verkeerde conclusie getrokken uit het rapport. Uit het antwoord van de minister mogen we daarentegen wel concluderen dat het aantal veroordelingen is gedaald tussen 1996 en 2006. Ik reken op de minister om de cijfers te actualiseren en aandacht te geven aan een nieuw draaiboek.