5-73COM

5-73COM

Commission des Relations extérieures et de la Défense

Annales

MARDI 24 MAI 2011 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Demande d'explications de M. Rik Daems au vice-premier ministre et ministre des Finances et des Réformes institutionnelles sur «la situation, le sens et l'efficacité des fonds structurels européens» (nº 5-655)

M. le président. - M. Steven Vanackere, vice-premier ministre et ministre des Affaires étrangères et des Réformes institutionnelles, répondra.

De heer Rik Daems (Open Vld). - Mijn vraag om uitleg is gebaseerd op de gezamenlijke bevindingen van het Bureau of Investigative Journalism en journalisten van de Financial Times. Dat bureau maakt op geregelde tijdstippen een financiële analyse van bepaalde omvangrijke wereldgebeurtenissen. Het heeft zich, samen met de Financial Times, toegelegd op de Europese structuurfondsen.

Hun bevindingen zijn vrij spectaculair. Ten eerste berichten ze dat in 2010 binnen het kader van de structuurfondsen 700 miljoen euro zou zijn uitgekeerd tegen de regels van de Europese auditeurs in. Een tweede bevinding is dat multinationals zeer uitgebreid gebruik maken van structuurfondsen, hoewel die fondsen voor kleine en middelgrote ondernemingen zijn bedoeld. Ten derde werd vastgesteld dat enkele multinationals dit soort middelen hebben gebruikt om van regio's met hogere kosten binnen de Europese Unie naar regio's met lagere kosten te verhuizen. Dat gaat nochtans uitdrukkelijk in tegen de regels met betrekking tot het gebruik van structuurfondsen. Een vierde bevinding is dat eind 2010 door een gebrek aan matching funds, die de partners voor de cofinanciering op tafel moeten leggen, slechts 10% van de toegewezen middelen waren gebruikt. Er staat dus nog heel wat ongebruikt geld op de bankrekening.

Zelf heb ik vastgesteld dat in Kortenaken, de veiligste gemeente van het land, een lokale vrouwenvereniging met middelen van de Europese structuurfondsen een strijkcursus heeft georganiseerd.

Met de Europese structuurfondsen is een bedrag gemoeid dat even groot is als het Belgische nationale product. Bovendien draagt in het systeem iedereen bij aan een grote pot. Alle regio's - dat zijn er 271 - maken een min of meer gelijke aanspraak op een deel van die pot. Tijdens een grote onderhandelingsronde worden de middelen vooraf, ex ante, verdeeld. Pas nadien, ex post, worden de projecten bepaald waaraan de vooraf vastgelegde middelen zullen worden besteed.

Twee denktanks zijn tegen die praktijk in opstand gekomen. Ze stellen een andere aanpak voor, waarbij de omvang van de te besteden middelen wordt beperkt en waarbij ze worden geconcentreerd op die regio's waar projecten lopen die zinvol zijn en een meerwaarde creëren. Daarbij moet abstractie worden gemaakt van de logica dat elke lidstaat evenveel moet terugkrijgen uit de pot als hij erin legt. Zo gaat dat immers momenteel. Iedereen weet dat een derde van de middelen van de structuurfondsen gaat naar landen met een hoger gemiddelde inkomen dan het gemiddelde van de 27 lidstaten van de Europese Unie. Via die omweg worden de middelen besteed in regio's die al dan niet vermeend achtergesteld zijn binnen de betrokken lidstaat zelf.

Ook in België is het debat op gang gekomen over de toekomst van de Europese structuurfondsen vanaf 2014. Ik weet dat een regering in lopende zaken in deze weinig mag, maar toch wil ik de volgende vragen stellen.

Heeft de minister een idee van de verhouding bijdrage/ontvangst voor België en vooral van het rendement? Structuurfondsen aanwenden om in Kortenaken een strijkcursus te geven, lijkt me niet renderend voor de ontwikkeling van de regio!

Kan de minister de visie op lange termijn toelichten? Zou het niet beter zijn minder, maar wel gerichter uit te geven voor de structuurfondsen?

Welke technische mogelijkheden bestaan er voor een lidstaat om impact te hebben op de volumeverdeling en het soort bestedingen dat door de structuurfondsen wordt gefinancierd? Vandaag komt het al te vaak voor dat zo maar projecten worden ingediend om een deel van de pot te kunnen opstrijken. Dat is niet efficiënt en evenmin verantwoord in een land als België waar de belastingen bij de hoogste horen van de wereld.

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Met een voorbeeld uit zijn onmiddellijke omgeving wil de heer Daems aantonen dat hij gelijk heeft, precies zoals de Franse auteur die zei: `Et pour que vous me croyiez, je vous dis que cela m'est arrivé personnellement.'

Hoewel de heer Daems beseft dat we in een periode van lopende zaken verkeren, heeft hij toch veel principiële vragen gesteld. In mijn antwoord zal ik ingaan op de punctuele vragen, maar het grondig debat dat de heer Daems wil aangaan, zal ik op een ander moment met hem moeten voeren.

Voor de programmatieperiode 2007-2013 geniet België, in overeenstemming met het cohesiebeleid, een totale steun van 2,257 miljard euro. Die steun is verdeeld als volgt: een bedrag van 638,3 miljoen voor de convergentiedoelstelling dat essentieel naar Henegouwen gaat, 1,425 miljard toegewezen aan Doelstelling 2, regionaal concurrentievermogen en werkgelegenheid en 194,3 miljoen voor de territoriale samenwerking.

De meest recente cijfers dateren van 2009. Toen heeft België 3,238 miljard euro bijgedragen aan de jaarlijkse begroting van de Unie. De bijdragen van de lidstaten aan de jaarbegroting worden globaal opgemaakt. Hun toewijzing aan de uitgavenposten van de Unie wordt nooit gespecificeerd. Het is dan ook onmogelijk te verduidelijken welk percentage van de Belgische bijdrage aan de jaarbegroting van de Unie wordt toegewezen aan structuurfondsen.

Met betrekking tot de totstandkoming van de toekomstige structuurfondsen werd het Vijfde Verslag over de economische, sociale en territoriale cohesie op de informele raad Cohesiebeleid van 22 en 23 november 2010 en op het vijfde forum van 31 januari en 1 februari 2011 positief onthaald. Op 21 februari 2011 heeft de raad Algemene Zaken conclusies aangenomen over het verslag. Dat bevat enkel een aantal eerste overwegingen. Om het standpunt van België over de toekomstige structuurfondsen vast te leggen moeten we eerst de concrete voorstellen van de Commissie krijgen. Die worden in juli verwacht.

De lidstaten kunnen op verschillende niveaus impact hebben op het volume, de verdeling en het soort besteding van de structuurfondsen. Het globaal budget van de structuurfondsen en de verdeling ervan worden in het meerjarig financieel kader onderhandeld in de Raad en goedgekeurd door het Europees Parlement. Alle lidstaten kunnen in het debat hun stem laten horen. Die onderhandeling zal starten in juli 2011, wanneer de Commissie haar voorstellen bekend zal maken, dus onder het voorzitterschap van Polen.

De operatie moet ten laatste eind 2012 afgerond zijn en dat zal onder het voorzitterschap van Cyprus vallen. Tussendoor krijgen de Denen dan nog het genoegen de discussie gaande te houden. In de loop van het jaar 2013 kunnen de nationale parlementen dan hun goedkeuring geven, zodat het nieuwe financiële kader vanaf 1 januari 2014 in werking kan treden. De prioritaire doelstelling en de organisatie van de fondsen worden door de Raad en het Europees Parlement vastgesteld volgens de gewone wetgevingsprocedure, dat wil zeggen met codecisie. Op dat moment hebben de lidstaten de mogelijkheid hun voorkeur over de besteding van de fondsen kenbaar te maken.

De heer Rik Daems (Open Vld). - Uit het antwoord van de minister blijkt alleszins dat ik met mijn vraag op tijd ben.

De impact van de nationale parlementen is in deze materie relatief tot zeer beperkt. Het gaat om een codecisieproces op Europees niveau en een totaal budget zo groot als het nationaal product van ons land. Voor ons land gaat het concreet over meer dan 2 miljard euro. Mij verbaast het dat we niet weten welk deel van onze bijdragen aan Europa naar de grote pot van de structuurfondsen gaat. Dat is toch vreemd aangezien het parlement wel het budget ervoor moet goedkeuren. Ik heb die opmerking in het verleden al verschillende keren op diverse fora gemaakt en ik breng ze nu, als kersverse senator, opnieuw naar voren, omdat het objectief gezien echt niet aanvaardbaar is.

Op Europees niveau wordt het grote verhaal geschreven, het nationale niveau kan niet veel meer doen dan aanvaarden wat er in codecisie is beslist, en onder dat nationale niveau wordt het geld uitgegeven. Dat is niet zo correct en houdt een stuk democratisch deficit in.

Gelukkig kom ik met mijn vragen niet te laat. Ik weet immers dat het proces pas nu op gang komt. Bovendien loopt het parallel met een andere discussie die ook op gang komt, namelijk die over eigen Europese belastingen en over een andere democratische dynamiek op Europees niveau. Dat zijn belangrijke punten wanneer het gaat om een behoorlijke organisatie van de verschillende geledingen. Ik weet dat ook de minister zoals ik daarin geïnteresseerd is, al verschillen we misschien wel wat van mening.

Ik kom dus zeker op het debat terug want zoals de denktank zegt, waar ik naar heb verwezen, is regionale ontwikkeling geen subnationaal gegeven, maar een Europees gegeven. Over wat in de pot wordt ingebracht kan niet `gemarchandeerd' worden, om het wat grof te zeggen, maar zo ontlok ik de minister misschien een reactie!

De heer Steven Vanackere, vice-eersteminister en minister van Buitenlandse Zaken en Institutionele Hervormingen. - Mag ik even opmerken dat in het Europees Parlement geen ambtenaren zitting hebben, maar democratisch verkozen parlementsleden die een mandaat hebben gekregen van de bevolking om het algemeen belang behartigen. Dat zou veel meer aandacht mogen krijgen in de media.

De beslissingen op Europees niveau over de structuurfondsen zijn geen technocratische aangelegenheid en het Verdrag van Lissabon heeft door de formule van codecisie het democratisch gehalte verhoogd. Ik zou dus niet van een democratisch deficit spreken.