4-1651/1

4-1651/1

Belgische Senaat

ZITTING 2009-2010

9 FEBRUARI 2010


Voorstel van resolutie betreffende de voorgenomen privatisering van de koffiesector in Burundi

(Ingediend door mevrouw Olga Zrihen c.s.)


TOELICHTING


In Burundi, een van de armste landen op aarde, maakt de koffieteelt een ernstige crisis door. Koffie is het belangrijkste exportproduct van het land.

De koffieteelt neemt in de Burundese economie overduidelijk een belangrijke plaats in. Ze vormt de grondslag van de industriële structuren en uitvoerinkomsten van het land. Voor de koffietelers, die aan bijna 750 000 gezinnen (bijna meer dan 50 % van de bevolking) werk verschaffen, levert koffie belangrijke inkomsten op.

De slechte resultaten van de koffiesector zorgden voor grote kosten, die moeilijk door de Staat konden worden gedragen, waardoor deze laatste zich enigszins terugtrok. Na de hervormingen in die sector, die in de jaren '90 werden aangevat (maar tot op de dag van vandaag nog altijd niet zijn afgerond), werd een grotere liberalisering doorgevoerd door privéoperatoren toe te laten in bepaalde functies (met name de uitvoer, het stampen en onlangs bij het branden van de koffie).

De voorgenomen volledige privatisering van de sector zal plaatsvinden in een onstabiel politiek en economische klimaat en in een context van extreme armoede en sociale onzekerheid. Bijgevolg leidt de verdere privatisering van de belangrijkste economische activiteit van het land tot angst, inhaligheid en grote belangenvermenging.

De Confédération nationale des Caféiculteurs du Burundi (CNAC) levert al jaren strijd tegen de wijze waarop de koffiesector wordt geprivatiseerd, een privatisering waarbij zij niet betrokken wordt. Al meer dan 10 jaar betaalt de beweging van koffietelers (die in federatieve verenigingen is georganiseerd) aan de Wereldbank de schuld af die de Burundese staat aanging voor de bouw van wasstations voor koffie. Via die terugbetaling eist die beweging het « vaderschap » op van de koffieproductie, van een groot deel van de aandelen van de Staat in de ondernemingen uit de sector alsook het beheer ervan.

Bij de internationale openbare aanbesteding, was de CNAC zo voorzichtig om alle mogelijke kopers ervoor te waarschuwen dat een overname buiten de koffieboeren om de koffiesector in gevaar kon brengen en dramatische sociaaleconomische gevolgen zou hebben voor het land, met name op financieel vlak. De belangrijkste potentiële kopers leken aan die oproep gehoor te geven, behalve de Zwitserse multinational WEBCOR die onlangs de aankoop van 23 wasstations bekendmaakte, wat in strijd is met de Burundese wet op de privatisering (die bepaalt dat voor een dergelijke operatie een wet nodig is die in het nationale parlement moet worden besproken).

Momenteel worden de hervormingen die met het privatiseringspoces te maken hebben, duidelijk in een sneller tempo doorgevoerd en de Burundese overheid heeft al in die zin maatregelen genomen (wetten over de liberalisering, beslissingen over de verkoop van bepaalde activa van het Office du Café du Burundi). Onder druk van de Wereldbank besloot de Burundese overheid om met name de wasstations en de pellerijen te verkopen aan buitenlandse investeerders, waardoor ze de essentie van het Burundese economische weefsel aan privéactoren geeft.

Gelet op de eigen financiële middelen van de Burundese Staat, droeg de door de Wereldbank voorgestelde oplossing om de sector te privatiseren onlangs nog de goedkeuring weg van de Staat en de CNAC. De voorwaarde was wel dat dit privatiseringsproces op basis van overleg zou worden uitgevoerd en dat de opvolging en de begeleiding van de koffieteeltactiviteiten in handen zou zijn van de organisaties van koffietelers, de wasstations en de pellerijen een aanzienlijk deel van de winsten zouden krijgen en de lokale producenten eigenaar van hun werkinstrument zouden worden. Ondanks de goede wil van de Wereldbank in het begin van de onderhandelingen, is de CNAC momenteel verontrust over de te verwachten dramatische daling van de koffieproductie omdat er geen instelling is die de producenten begeleidt in hun koffieteeltactiviteiten. Op basis van het SAPRIN-verslag (Internationaal Netwerk van het maatschappelijk middenveld voor een participatieve herziening van de programma's voor structurele aanpassing — PSA) met als titel « The Policy Roots of Economic Crisis and Poverty », dient eraan herinnerd te worden dat de sectoren waar de Wereldbank niet voldoende rekening heeft gehouden met de lokale productieorganisaties voor het uitwerken van haar systeem, volledig zijn ingestort en dat de PSA de meest kwetsbare sociale groepen veel zwakker hebben gemaakt.

Die privatiseringstermijn heeft dus aanzienlijke gevolgen voor de hele bevolking van Burundi :

— Op economisch vlak blijft koffie van groot strategisch belang voor dit land dat nog sterk afhankelijk is van de uitvoer. Het kan het zich dus niet veroorloven dat een hervormingsproces op een economische mislukking zou uitdraaien.

— Hoewel koffie een kostbare bron van deviezen is voor de Staat, stapelde de koffiesector grote financiële verliezen op die door de toenemende operationele lasten nog zijn toegenomen omdat de koffieprijs in de periode 2000-2004 wereldwijd daalde en de Burundese koffie de laatste jaren aan waarde heeft ingeboet.

— Op sociaal en politiek vlak hebben verschillende belangengroepen uiteenlopende visies over het verdere verloop van die hervormingen. De intrede van de koffietelers via hun vereniging geeft aan die hervormingen een bijkomende politieke, sociale en economische diepgang.

Het spreekt voor zich dat de hervormingen van de koffiesector in Burundi gevolgen hebben voor de vredesopbouw in Burundi en het soort economische ontwikkeling waar het land voor kiest.

De impact van de hervormingen van de koffiesector is uiteenlopend :

— Ondanks de moeilijkheden en slechte resultaten van de sector op macro-economisch vlak, verbeterde door de hervorming van de koffiesector het beheer van de wasstations en pellerijen, werd de privésector aangemoedigd door zijn toetreding tot het kapitaal van de geprivatiseerde entiteiten, werden de schakels van de uitvoer en de pellerijen effectief geliberaliseerd door nieuwe stations te bouwen, het industrieel werkinstrument te bewaren en de Staat tot in 1998 de uitvoertaksen op koffie en de financiële overschotten te laten innen.

— Men moet echter vaststellen dat dit soort hervormingen een negatieve impact heeft op de omkadering van de koffieteeltactiviteiten waardoor de gemeentelijke landbouwdiensten geen verantwoordelijkheid opnemen omdat met name de rol van de koffieteler in de nieuwe regeling of de omkaderingsmechanismen van de koffieteeltactiviteiten niet duidelijk is omschreven.

— Men verwacht ook conflicten tussen de verschillende actoren in de koffiesector :

• Tussen privé-investeerders en koffietelers (over het gebrek aan vertrouwen van de producenten in een geprivatiseerd systeem, spanningen in verband met de verdeling van de winst, het probleem van de lonen en het gebrek aan informatie over de prijsbepaling van de productie);

• Tussen koffietelers, beheersmaatschappijen van de wasstations, potentiële investeerders en de Staat (betreffende het eigendom van de koffie en de verdeling van de aandelen en inkomsten);

• Tussen aandeelhouders, beheerders van te privatiseren bedrijven en het personeel (in verband met de stabiliteit van de werkgelegenheid en de eventuele werkloosheidsuitkeringen in geval van jobverlies);

• Tussen de Staat en de privé-investeerders (betreffende de controle van de sector, de prijsbepaling, de taksen en de belastingen);

• Binnen de verenigingen van koffietelers (in verband met goed beheer).

Het privatiseringsproces speelt zich dus af in een context van economische onzekerheden en een bittere strijd om natuurlijke rijkdommen zowel bij de elite als bij de bevolking. Voor de bevolking en de koffietelers gaat het onzekere economische klimaat gepaard met sociale wanhoop en scherpe sociale eisen (zoals de oprichting van de vereniging van koffietelers aantoont).

Olga ZRIHEN.
Sabine de BETHUNE.
Philippe FONTAINE.
Bart TOMMELEIN.
Marleen TEMMERMAN.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

A. Gelet op de wereldwijde voedselcrisis en het gebrek aan voedselsoevereiniteit in bijna alle ontwikkelingslanden en verwijzend naar de Millenniumdoelstellingen inzake Ontwikkeling;

B. Overwegende dat koffie de belangrijkste bron van inkomsten is voor Burundi en voor meer dan 750 000 plattelandsgezinnen (bijna 50 % van de Burundese bevolking) en gelet op de ernst van de situatie en de risico's voor de koffiesector in Burundi, en de rechtstreekse impact van het privatiseringsproces van de koffiesector op de sociaaleconomische omstandigheden van een groot deel van de Burundese bevolking;

C. Gelet op het proces van privatisering van de Burundese koffiesector dat voortvloeit uit de hervorming van 1991, en de decreten van 27 juni 2000 van de Burundese regering « portant autorisation de la vente du patrimoine de l'État dans ce secteur » en van 14 januari 2005 « consacrant sur le plan légal la pleine libéralisation de la filière café »;

D. Gelet op de fundamentele rol en de rechtmatige plaats van de landbouworganisaties — meer bepaald de beweging waarin de verenigingen van Burundese koffietelers zitten — in een koffieproductiestrategie en in het proces van hervorming van de koffiesector;

E. Rekening houdend met het feit dat er geen overleg is met de koffieproducenten over het privatiseringsproces en dat er conflicten kunnen ontstaan tussen de verschillende bij de Burundese koffiesector betrokken partijen;

F. Overwegende dat die hervorming nog steeds niet de rol van de koffietelers in de nieuwe regeling, noch de omkaderingsmechanismen van de koffieteeltactiviteiten heeft omschreven;

G. Gelet op het feit dat de Confédération nationale des Caféiculteurs du Burundi gekant is tegen de manier waarop de Burundese koffiesector wordt geprivatiseerd;

H. Gelet op de intentie van de Wereldbank om zijn steun aan de Burundese begroting (ten belope van 51 % van de nationale begroting) afhankelijk te maken van de privatisering van de koffiesector en gelet op de druk die alle Internationale Financiële Instellingen (IFI) uitoefenen op Burundi om de hervorming van de koffiesector zo snel mogelijk af te ronden;

I. Overwegende dat de hervorming van de koffiesector één van de voorwaarden is die het IMF en de Wereldbank naar voren schuiven om de buitenlandse schuld van Burundi te verlichten en dat de koffietelers al meer dan 10 jaar de schuld van de Burundese Staat aan de Wereldbank voor de bouw van wasstations voor koffie terugbetalen;

J. Gelet op de besluiten van het SAPRIN-verslag met als titel « The Policy Roots of Economic Crisis and Poverty » betreffende de programma's voor structurele aanpassing (PSA) die de Wereldbank oplegt aan de ontwikkelingslanden;

K. Eraan herinnerend dat Burundi een bevoorrechte partner is van de Belgische Onwikkelingssamenwerking;

Vraagt de regering :

1. de Wereldbank op te roepen zijn eisen te herzien inzake het privatiseringsproces van de Burundese koffiesector. Dat zou bovendien gepaard kunnen gaan met :

a) de omzetting van de fondsen die op het inkomen van de koffietelers worden geheven in financiële activa in wasstations voor koffie;

b)  de uitvoering van een audit om de reële waarde van elk wasstation en de verschillende fondsen die betrokken zijn in het privatiseringsproces van de koffiesector te bepalen (stabiliseringsfonds, fonds voor de dekking van wisselkoersrisico's, egalisatiefonds);

2. de internationale financiële instellingen die betrokken zijn in het economisch beleid van Burundi (de Wereldbank en het IMF) en de Burundese regering op te roepen om alle sociale en economische actoren in de koffiesector te laten deelnemen aan de eventuele voortzetting van het privatiseringsproces van die sector en in dat opzicht de prominente plaats van de koffietelers te erkennen;

3. De financiële instellingen (het IMF en de Wereldbank) en de Burundese regering op te roepen een plan uit te werken voor de preventie van conflicten tussen de verschillende partijen die betrokken zijn bij deze problematiek (informatie, communicatie, reglementering, controle, capaciteitsopbouw, ondersteuningsmechanismen);

4. De landbouworganisaties te steunen in de nieuwe uitdagingen die zij moeten aangaan en hen bij te staan op financieel vlak, op het vlak van capaciteiten, de erkenning van verplichtingen die eigen zijn aan een sociale beweging en hun economische en beleidsactiviteiten.

11 december 2009.

Olga ZRIHEN.
Sabine de BETHUNE.
Philippe FONTAINE.
Bart TOMMELEIN.
Marleen TEMMERMAN.