4-103

4-103

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 17 DECEMBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Ontwikkelingssamenwerking over «het Internationaal Humanitair Recht» (nr. 4-1315)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De beleidsnota Ontwikkelingssamenwerking voor 2010 spreekt over het Internationaal Humanitair Recht (IHR) als beschermingsgrond voor humanitaire werkers. Het IHR biedt specifieke groepen en ook burgers een bijzondere bescherming bovenop de mensenrechten.

In verschillende delen van de wereld vinden gewapende conflicten plaats, inzonderheid ook in enkele Belgische partnerlanden: Congo, Uganda en de Palestijnse gebieden. Gewapende conflicten zijn de laatste decennia sterk geëvolueerd. Meer en meer is het ook de burgerbevolking die slachtoffer wordt.

In 2005 heeft de Europese Unie richtlijnen ter promotie van de naleving van het internationaal recht opgesteld. Europese landen zouden ten aanzien van derde staten of tegenover gewapende groeperingen van dezelfde staat, een beleid voeren waarin ook nadruk gelegd wordt op de goede naleving van het IHR. Onder hoofdstuk drie worden een aantal mogelijkheden opgesomd voor Europese actie in relatie met derde landen. Hier liggen enkele belangrijke elementen in vervat die ook in het kader van de Belgische ontwikkelingssamenwerking belangrijk kunnen zijn: de algemene verspreiding en bekendmaking van het IHR; de afkeuring van schendingen van het IHR in een specifiek conflict via politieke verklaringen; samenwerking met internationale organisaties betreffende de naleving van het IHR; opleidingen over het IHR in eigen land of elders; de uitvoer van wapens afhankelijk maken aan de naleving van het IHR, enzovoort.

België toetst bij de partnerlanden de naleving van de mensenrechten af als criterium voor goed bestuur. De Belgische ontwikkelingssamenwerking maakt ook jaarlijks rapporten op van de mensenrechtensituatie in de achttien partnerlanden. Op basis van de verslagen voor het jaar 2008 stel ik vast dat er geen toetsing gebeurt van de situatie in de partnerlanden aangaande het IHR. Ik baseer me hiervoor de op verslagen die de minister ons heeft bezorgd.

Welke initiatieven heeft de minister of de Belgische Ontwikkelingssamenwerking reeds genomen in het kader van de uitvoering van de richtlijnen van de Europese Unie ter promotie van de naleving van het internationaal recht? Maakt het respect voor het IHR deel uit van de criteria die de Belgisch ontwikkelingssamenwerking hanteert in het kader van `goed bestuur'? Is de minister bereid om in het kader van de rapporten over de mensenrechtensituatie in de partnerlanden eveneens een toetsing te doen van de toepassing van het IHR?

De heer Jean-Marc Delizée, staatssecretaris voor Sociale Zaken, belast met Personen met een handicap. - Ik lees het antwoord van minister Michel.

De door senator de Bethune aangehaalde Europese richtlijnen over Internationaal Humanitair Recht slaan bijna exclusief op het externe beleid van de Europese Unie en maar zeer beperkt op het buitenlandbeleid van de lidstaten, waaronder België.

Niettemin heeft de Belgische ontwikkelingssamenwerking op eigen initiatief diverse acties ondernomen die in overeenstemming zijn met de EU-richtlijnen.

Een van de multilaterale partnerorganisaties van de Belgische ontwikkelingssamenwerking is het Internationale Rode Kruis Comité (CICR). In de periode 2008-2011 krijgt CICR een DGOS-bijdrage van 20 miljoen euro en daarbovenop bedragen die variëren naargelang van de ernst van de crisissen: 3,6 miljoen euro in 2008, 2,5 miljoen euro in 2009. Met die bijdrage kan de organisatie in ontwikkelingslanden onder meer vormingen organiseren over Internationaal Humanitair Recht.

DGOS financiert verschillende programma's of instellingen ter bestrijding van straffeloosheid in (post-)conflictlanden. Bijvoorbeeld het Internationaal Rwanda Tribunaal, of het REJUSCO-programma en de activiteiten van Artsen Zonder Grenzen ter versterking van het rechtssysteem in Oost-Congo.

Zoals uitgelegd in mijn beleidsnota voor 2010 zal de Belgische ontwikkelingssamenwerking in de toekomst toenemende aandacht besteden aan respect voor mensenrechten en democratisch bestuur. In de gouvernementele samenwerking hangt de budgettaire enveloppe per partnerland af van een reeks criteria, waaronder good governance. Dat selectiecriterium is een onderdeel geworden van ons beleid tegenover de partnerlanden. Die benadering moet pragmatisch worden ingevuld, zodat ze een maximaal effect heeft. Zo ben ik geen voorstander van een zo exhaustief mogelijke checklist met voorwaarden voor Belgische ontwikkelingshulp, bijvoorbeeld met inbegrip van respect voor het internationaal humanitair recht. Dat zou een zeer theoretische aanpak zijn. Uiteraard moeten overal minimumeisen gelden, maar we moeten selectief en geval per geval onderzoeken welke criteria we hanteren, afhankelijk van de belangrijkste problemen en de mogelijkheden tot objectieve evaluatie.

Het internationaal humanitair recht is in elk geval geen transversaal referentiekader voor de Belgische ontwikkelingssamenwerking. Immers, in tegenstelling tot de mensenrechten, die universeel gelden, is het internationaal humanitair recht enkel van toepassing in gewapende conflicten. Voor wat onze partnerlanden betreft dus enkel in DRC en de Palestijnse Gebieden.

Waar het internationaal humanitair recht van toepassing is, kan het inderdaad nuttig zijn een toetsing hiervan op te nemen in de jaarlijkse mensenrechtenrapporten. Ik zal daarop toezien bij de volgende rapportering aan het parlement.