4-101

4-101

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 10 DECEMBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de vice-eersteminister en minister van Financiėn en Institutionele Hervormingen over «de berekening van de financiering van de actieplannen inzake de verkeersveiligheid» (nr. 4-1284)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiėn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Artikel 2 van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid bepaalt: `De ontvangsten van de penale geldboeten inzake verkeer van de sommen tegen betaling met eventueel verval van de strafvordering, zoals bedoeld in de gecoördineerde wet van 16 maart 1968 betreffende de politie over het wegverkeer, en van de geldsommen beschreven in het artikel 216bis van het Wetboek van strafvordering worden, overeenkomstig de bepalingen van deze wet, gedeeltelijk toegewezen aan de lokale politiezones en aan de federale politie'. Het komt er dus op neer dat alle verkeersboetes gedeeltelijk worden geristorneerd aan de politiezones voor hun lokaal veiligheidsbeleid.

Volgens artikel 6 van diezelfde wet delen de ministers van Financiėn en van Begroting elk jaar uiterlijk 1 februari aan de ministers van Binnenlandse Zaken en van Mobiliteit het totaalbedrag van de ontvangsten bedoeld in artikel 2, mee verminderd met het bedrag van deze ontvangsten in 2002. Dit laatste werd bij koninklijk besluit van 19 december 2005 forfaitair vastgesteld op 183 442 060,68 euro.

In een schriftelijke vraag vroeg ik de minister mij de totaalbedragen van de hiervoor genoemde ontvangsten voor het jaar 2008 mee te delen, zodat we kunnen te weten komen hoeveel geld aan de actieplannen voor de verkeersveiligheid besteed kan worden. Ik ben overigens niet de enige die deze vraag heeft gesteld.

Tot mijn verbazing liet de minister ons weten dat hij die bedragen niet kan geven omdat de administratie de ontvangsten waarover we het hebben, meestal niet afzonderlijk bijhoudt, maar samen met een aantal andere ontvangsten centraliseert.

Dat vind ik bijzonder merkwaardig. De wet zegt dat van de totaalontvangsten een groot gedeelte teruggaat naar de politiezones, aan de hand van een bepaalde verdeelsleutel, maar de minister weet niet wat die totaalontvangsten zijn. Het is dan ook een raadsel op welke basis men kan berekenen hoeveel geld elk jaar moet worden vrijgemaakt en doorgestort voor de financiering van de actieplannen inzake verkeersveiligheid, zoals bepaald in de wet van 6 december 2005.

Artikel 7 van de wet werd vervangen bij de programmawet van 8 juni 2008 en bepaalt onder meer dat vanaf het begrotingsjaar 2009 de meerinkomsten in vergelijking met het begrotingsjaar 2007 onder de gewesten worden verdeeld op basis van de lokalisering van de vaststelling van de overtredingen van de wet betreffende de politie over het wegverkeer en haar uitvoeringsbesluiten en volgens de modaliteiten vastgelegd in een in Ministerraad overlegd koninklijk besluit.

(Voorzitter: de heer Hugo Vandenberghe, eerste ondervoorzitter.)

Eerst splitst men dus de bedragen op per gewest op basis van de lokalisatie van de vaststelling van de overtredingen. En vervolgens worden die bedragen volgens bepaalde criteria verdeeld onder de lokale politiezones en de federale politie. Dit veronderstelt dat men de inkomsten per gewest kent en dat men een koninklijk besluit uitvaardigt om de bepaling uitwerking te doen krijgen. Bij ministerieel besluit van 8 september 2009 werd voor het jaar 2009 reeds een eerste schijf toegekend. Het is evenwel onduidelijk of de genoemde criteria daarbij al toegepast werden.

Hoe komt het dat de administratie geen gegevens kan verstrekken over de ontvangsten waarvan sprake in artikel 2 van de wet van 6 december 2005?

Hoe bepaalt men de bedragen die als basis dienen om de som te berekenen die moet worden doorgestort voor de financiering van de actieplannen? Rijmt dat met de bepalingen van de wet van 6 december 2005? Kunnen we hierover in de toekomst meer duidelijkheid krijgen?

Kent men de inkomsten per gewest zoals bepaald in artikel 7, §1, tweede lid, van de voornoemde wet? Zo ja, over welke bedragen gaat het?

Is het koninklijk besluit waarvan sprake in artikel 7 al uitgevaardigd? Werd er bij de verdeling van de middelen voor de eerste schijf van 2009 reeds rekening mee gehouden?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst Financiėn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de minister.

In mijn antwoord op uw schriftelijke vraag 4-4553 van 24 september 2009 heb ik inderdaad enkele technische problemen aangehaald waarmee we geconfronteerd werden bij de vaststelling van de bedragen waarvan sprake in artikel 5, §1, van de wet van 6 december 2005 betreffende de opmaak en financiering van actieplannen inzake verkeersveiligheid.

Bij de discussies voorafgaand aan de wet gingen alle betrokkenen echter akkoord met de huidige werkwijze.

Het bedrag aan verkeersboetes bedoeld in het bovenvermelde artikel 5, §1, bestaat uit de onmiddellijke inningen, de transactionele stortingen en de boetes van veroordelingen door de politierechtbanken.

Deze berekeningsprincipes worden dus sinds 2005 toegepast en hebben eigenlijk nog nooit problemen opgeleverd.

De vaststelling van het bedrag, zoals bepaald in bedoeld artikel 5, §1, van de bovenvermelde wet werd tot op heden door mijn diensten correct, overeenkomstig artikel 6 van deze wet, meegedeeld aan alle betrokkenen.

De gegevens nodig om de financiering van de actieplannen inzake verkeersveiligheid te garanderen, worden dus wel degelijk verstrekt en kunnen perfect worden bepaald. Daaromtrent bestaat dus geen twijfel.

Voor de aanpassing van artikel 7, §1, van de wet van 6 december 2005, ingevoegd in de programmawet van 8 juni 2008, dient inderdaad eerst een koninklijk besluit te worden genomen. In dat besluit zal dan ook de gewestelijke verdeling worden geregeld van de met die wetswijziging bedoelde middelen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Ik blijf het vreemd vinden dat de minister als antwoord op een schriftelijke vraag over de totaalbedragen die in aanmerking komen om opnieuw verdeeld te worden, zegt dat hij het niet weet. Maar goed, we hebben daar nu meer duidelijkheid over.

Ik vind het ook vreemd dat de minister op mijn vaststelling dat volgens de wet een koninklijk besluit moet worden genomen om eerst de omslag per gewest te maken en dan de transactie uit te voeren, antwoordt dat er inderdaad een koninklijk besluit moet worden genomen. Mijn vraag was echter wanneer dat koninklijk besluit zal worden genomen, maar daar heb ik geen antwoord op gekregen.

Ik vind dat een zeer vreemde manier van regeren in dat land.

De voorzitter. - Het antwoord is toch eerlijk!

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Het is geen antwoord, maar gewoon een vaststelling, en die had ik zelf ook al gemaakt.