4-89

4-89

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 OKTOBER 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de minister van Justitie en aan de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen en aan de minister van Binnenlandse Zaken over ęde misbruiken in de vastgoedsector aan de Belgische kustĽ (nr. 4-1063)

De voorzitter. - De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude, antwoordt.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Er werden mij recentelijk enkele misbruiken in de vastgoedsector aan de Belgische kust gesignaleerd. Het betreft praktijken die naar mijn mening niet door de beugel kunnen. Het gaat onder andere om overtredingen op het vlak van de brandveiligheid, een gebrekkige controle op de naleving van de wet-Breyne bij het bepalen van de schadevergoeding wegens vertraging bij de uitvoering van werkzaamheden, problemen met de beheerder en slecht geÔnformeerde vastgoedmakelaars.

Ik kreeg van de minister graag antwoord op volgende vragen.

Is hij op de hoogte van die problemen? Heeft de minister ook al dergelijke klachten ontvangen?

Wordt de bestaande wetgeving voldoende geŽvalueerd?

Moet deze wetgeving niet worden aangepast zodat een voorlopige oplevering van een gebouw niet mogelijk is zonder dat de brandweer ter plaatse is geweest?

Is de minister bereid om, in overleg met zijn collega's en andere bevoegde overheden, een initiatief te nemen opdat er een oplossing wordt gevonden voor de misbruiken in de vastgoedsector, meer specifiek op het vlak van de gebrekkige controle op de naleving van de wettelijke verplichtingen?

De heer Bernard Clerfayt, staatssecretaris voor de Modernisering van de Federale Overheidsdienst FinanciŽn, de Milieufiscaliteit en de Bestrijding van de fiscale fraude. - Ik lees het antwoord van de bevoegde minister.

Ik weet dat er bepaalde problemen opduiken bij de toepassing van de door de heer Van Den Driessche aangehaalde wetgeving.

De controle van de brandveiligheid is de bevoegdheid van de burgemeester. Artikel 22 van het koninklijk besluit van 8 november 1967 bepaalt: `Elke brandweerdienst moet zowel in zijn eigen gemeente als in een andere gemeente van de gewestelijke groep die hij beschermt, controle uitoefenen op de toepassing van de maatregelen voorgeschreven bij de wetten en verordeningen inzake brandvoorkoming. Die controle heeft plaats in de bij de wetten en verordeningen bepaalde gevallen en telkens als de burgemeester erom verzoekt.'

Met andere woorden, de burgemeester moet aan de brandweer de opdracht geven voor de controle, voor zover er op het gebouw in kwestie een reglementering van toepassing is.

In het door de heer Van Den Driessche aangekaarte geval van de nieuwe gebouwen is wel het advies van de brandweer gevraagd in het kader van de gewestelijke bouwwetgevingen, namelijk bij het verlenen van de bouwvergunning. De brandweer baseert zich op het koninklijk besluit van 7 juli 1994 tot vaststelling van de basisnormen voor de preventie van brand en ontploffing. Dit besluit wordt meestal opgelegd bij het verlenen van de bouwvergunning.

Tegen overtredingen op het gebied van brandpreventie kan worden gereageerd op basis van twee rechtsgronden, namelijk de bouwwetgeving die valt onder de bevoegdheid van de gewesten en deels door de gemeente moet worden uitgevoerd en artikel 5 van de wet van 1979 betreffende de preventie van brand en ontploffing en betreffende de verplichte verzekering tegen burgerrechterlijke aansprakelijkheid. Dat artikel bepaalt: `Op verslag van de territoriale brandweerdienst ziet de burgemeester toe op de uitvoering van de krachtens deze wet voorgeschreven veiligheidsmaatregelen'.

Bij de toepassing van de wet-Breyne kunnen zich enkele problemen voordoen.

Wat betreft de schadevergoeding wegens vertraging, stipuleert artikel 13 van de wet-Breyne dat de niet-nakoming van artikel 7 de nietigheid van de overeenkomst of de nietigheid van het met het wet strijdige beding tot gevolg heeft. De bepaling van de aanvangsdatum voor de berekening van de vertragingsvergoeding kan worden overeengekomen door de partijen in de aanvankelijke overeenkomst. Bij onduidelijkheid over die aanvangsdatum is het de rechter die naar eer en geweten en op basis van de wettelijke en contractuele bepalingen de aanvangsdatum moet bepalen.

Ook in verband met de andere knelpunten die de senator aanhaalt, zijn er toepassingsmoeilijkheden.

Ik heb nog enkele concrete antwoorden.

Het aantal klachten is zeer beperkt. Op dit ogenblik wordt er op vlak van brandveiligheid ťťn klacht onderzocht. In verband met de wet-Breyne heb ik persoonlijk nog geen klacht ontvangen.

De regering plant in haar kmo-plan een evaluatie van de wet-Breyne waarbij onder andere de problemen die de senator aanstipt, zullen worden onderzocht. Momenteel voeren de bevoegde ministers dit plan stelselmatig uit.

De voorlopige oplevering van een gebouw is een contractuele verbintenis tussen de bouwheer en de aannemer.

Een evaluatie van de wet-Breyne wordt gepland.

De bestaande wetgeving voor brandveiligheid volstaat om misbruiken te voorkomen indien alle betrokken partijen hun verantwoordelijkheid opnemen. Ik ben echter bereid om elk initiatief dat het systeem kan optimaliseren, te ondersteunen.