4-80

4-80

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 18 JUNI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Joris Van Hauthem aan de minister van KMO's, Zelfstandigen, Landbouw en Wetenschapsbeleid over źde scheeftrekkingen ten nadele van de Nederlandstaligen bij de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen╗ (nr. 4-961)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - In de loop van het jaar 2005 heeft mijn partij aan de hand van schriftelijke vragen een omstandig onderzoek verricht naar de verdeling van de betrekkingen over de taalgroepen in de federale wetenschappelijke instellingen. De vaststellingen die we toen hebben gedaan, waren verbijsterend. Hoewel dit land ruw geschat 60% Nederlandstaligen telt en 40% Franstaligen, waren de betrekkingen in de federale wetenschappelijke instellingen in 2005 voor 46,5% toebedeeld aan Vlamingen en voor 53,5% aan Franstaligen. Dat was met andere woorden de omgekeerde wereld. Daarmee werd overigens niet eens de pariteit gehaald die volgens de wet nochtans is voorgeschreven.

Ik heb daar toen de bevoegde minister, de heer Verwilghen, over ondervraagd. Die erkende de problemen en beloofde er ook iets aan te doen. `In een eerste fase wordt het herstel van het evenwicht nagestreefd, waar mogelijk door natuurlijke afvloeiingen en binnen het kader van de huidige wervingsmogelijkheden. Om stapsgewijs te komen tot een billijke verdeling van de betrekkingen, in overeenstemming met de nieuw vast te stellen taalkaders, zullen in de loop van de volgende maanden passende - dus ook budgettaire - maatregelen worden uitgewerkt met de HR-verantwoordelijken van de diensten van het Federaal Wetenschapsbeleid en met de nieuwe instellingshoofden', zo zei althans minister Verwilghen in antwoord op mijn vraag van 7 juli 2005, vier jaar geleden. Verder zei hij nog op diezelfde datum: `Daarnaast heb ik ook ingestemd met een voorstel voor de concrete maatregelen die dringend moeten worden genomen om het evenwicht te garanderen. Ik heb mijn administratie gevraagd om het dossier zo snel mogelijk voor te bereiden.' Het was dus duidelijk dat de minister van zin was een en ander snel recht te trekken.

Inmiddels zijn wij vier jaar verder. Het toeval wil dat onze collega Olivier Maingain, ongetwijfeld met andere verwachtingen voor ogen, in de Kamer de vraag over de taalverhoudingen opnieuw heeft gesteld voor een tiental federale wetenschappelijke instellingen. Die vraag werd gesteld en beantwoord op 1 december 2007. Tien federale wetenschappelijke instellingen zijn ze niet allemaal, maar de resultaten voor die tien zijn nog altijd verbijsterend. Na drie jaar, met name op 1 december 2007, blijkt voor acht van de tien instellingen nog altijd niet eens de pariteit bereikt te zijn. Voor vijf van de tien instellingen blijkt er een beetje vooruitgang te zijn geboekt, maar dat gebeurt tergend traag en is nog altijd absoluut onvoldoende.

Wat echter nog verbijsterender is, is dat er drie instellingen zijn waar er een achteruitgang werd geboekt in die drie jaar tijd. Bij de Koninklijke Musea voor Kunst en Geschiedenis was er op 1 januari 2005 een verhouding van 45,63% Nederlandstaligen tegenover 54,37% Franstaligen. Op 1 december 2007 blijkt dat 44% Nederlandstaligen en 56% Franstaligen te zijn geworden. Bij de Koninklijke Bibliotheek was dat in 2005 46,91% Nederlandstaligen tegenover 53,09% Franstaligen; eind 2007 evolueerde dat naar 45% Nederlandstaligen tegenover 55% Franstaligen. Voor het Algemeen Rijksarchief bestond er in 2005, wettelijk gezien tenminste, een klein voordeel voor de Vlamingen met 52,88% Nederlandstaligen tegenover 47,12% Franstaligen; nu is dat omgebogen naar 49% Nederlandstaligen tegenover 51% Franstaligen.

Hoe is het mogelijk dat de taalverhoudingen in die drie instellingen nog meer werden scheefgetrokken ten nadele van de Nederlandstaligen, ondanks de duidelijke politieke wil en blijkbaar ook ondanks de instructies van toenmalig minister Verwilghen om, op zijn minst wettelijk gezien, de zaak op korte termijn recht te trekken?

Wie is daarvoor verantwoordelijk? Welke maatregelen overweegt de minister tegenover diegenen die daarvoor verantwoordelijk zijn? Ik verwijs in het bijzonder naar de artikelen 57 en 58 van de taalwet in bestuurszaken, die trouwens een wet van openbare orde is. Volgens die artikelen is elke beslissing die niet conform met de taalwetgeving is, nietig. Die artikelen staan al meer dan veertig jaar in de taalwet in bestuurszaken, maar zijn dode letter gebleven.

Welke maatregelen overweegt de minister om de wanverhoudingen in de federale wetenschappelijke instellingen in het algemeen, en wat de drie vernoemde instellingen in het bijzonder betreft, op korte termijn recht te trekken?

Kan de minister mij ten slotte meedelen wat de actuele taalverhoudingen zijn voor alle federale wetenschappelijke instellingen samen en voor elk van hen afzonderlijk?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de minister.

Er is nog steeds een onevenwicht van enkele procenten tussen het aantal Nederlandstalige en Franstalige personeelsleden. De oorzaken zijn grotendeels toe te schrijven aan twee factoren: enerzijds is het zeer moeilijk om Nederlandstalig uitvoerend personeel te vinden dat bereid is om in het Brussels Gewest te gaan werken. Dikwijls betreft het bewakings- en onderhoudspersoneel dat opteert voor kort woon-werkverkeer. De meeste ge´nteresseerden zijn dus woonachtig in het Brussels Gewest.

Anderzijds wensen de federale wetenschappelijke instellingen zich te blijven profileren door de hoogstaande wetenschappelijke kennis van hun wetenschappers. Buitenlandse wetenschappers worden veelal op de Franstalige taalrol geplaatst. Veelal worden nieuwe vacatures in de beide landstalen bekendgemaakt. Op de arbeidsmarkt is evenwel niet altijd een kandidaat beschikbaar die de vereiste bekwaamheden bezit en bovendien tot de Nederlandstalige taalrol behoort. De arbeidsmarkt is zeer verschillend in het noorden en het zuiden van ons land.

Ik bevestig evenwel dat de federale wetenschappelijke instellingen alles in het werk stellen om een globaal evenwicht te bereiken tussen het aantal Franstaligen en het aantal Nederlandstaligen in dienst bij de federale wetenschappelijke instellingen.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Dit antwoord is niet alleen verbijsterend, het is ook belachelijk. Op den duur begrijpen we het niet meer: als de taalkaders bij de politie in Brussel niet opgevuld raken wegens gebrek aan tweetalige kandidaten, wordt er gezegd dat er onvoldoende Franstalige kandidaten worden gevonden die de andere landstaal machtig zijn. Dat argument wordt niet alleen gebruikt voor de politie, maar ook voor De Post en voor andere overheidsinstellingen.

Voor de federale wetenschappelijke instellingen zouden onvoldoende Nederlandstalige kandidaten te vinden zijn die tweetalig zijn. Wat een onzin! Wie in de Brusselse ziekenhuizen gaat kijken, ziet dat bijvoorbeeld in het AZ van Jette tweetalig personeel - het zijn Nederlandstaligen - werkt en dat Franstalige ziekenhuizen blijkbaar nog steeds geen tweetalig - Franstalig - personeel vinden.

Dit antwoord is om bij te huilen. Het is bovendien helemaal in tegenspraak met de belofte van de heer Verwilghen in 2005 om op korte termijn tenminste een poging te doen om een einde te maken aan de scheeftrekkingen. Mevrouw Laruelle heeft die bezorgdheid en die doelstelling blijkbaar niet. Ze haalt alleen drogredenen aan. Als het de Franstaligen goed uitkomt, zoeken ze altijd wel redenen om scheeftrekkingen te laten bestaan, maar dat is blijkbaar eigen aan ons land.