4-79

4-79

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 JUNI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over ęde terugbetaling in het kader van een preventieve inplanting van een defibrillatorĽ (nr. 4-953)

De voorzitter. - De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Voor de vergoeding van hartdefibrillatoren bestaat een vrij complexe regeling, die werd opgesteld in samenspraak met de cardiologen van de centra die gerechtigd zijn om defibrillatoren te implanteren. De implantatie van hartdefibrillatoren is een dure technologie - ongeveer 20 000 euro per stuk - die van jaar tot jaar vaker wordt toegepast.

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen primaire en secundaire indicaties voor implantatie. De secundaire indicatie wordt al een heel aantal jaren terugbetaald; ze is namelijk een toestand na reanimatie van een ernstige hartritmestoornis. Iedereen aanvaardt het nut van een hartdefibrillator in dergelijke situaties.

Sinds ongeveer twee jaar kan ook de primaire indicatie worden vergoed. De primaire indicatie is de implantatie wegens de aanwezigheid van een risico op een fatale hartritmestoornis, zonder dat die reeds voorkwam bij de patiŽnt in kwestie. Het probleem daarbij is de keuze van de personen die baat hebben bij de implantatie zodat het budget goed wordt besteed.

De cardiologen gingen akkoord met een beperking om slechts veertig procent primaire implantaties te doen, een quotum dat zowel nationaal als per centrum moet worden berekend. Om enige flexibiliteit te verkrijgen kan een centrum dat tijdelijk boven de veertig procent van primaire implantaties zit, de patiŽnt doorverwijzen naar een centrum dat nog een marge heeft en dus recht heeft op een tussenkomst.

Een mogelijk probleem hierbij is dat patiŽnten hun operatie uitgesteld zien en dat ze bovendien moeten rekenen op de goodwill van andere centra die hun quotum nog niet hebben bereikt. Iedereen is het erover dat dit systeem niet goed functioneert; heel wat collega's hebben klachten ontvangen van personen die lang op een ingreep moeten wachten.

Wordt met de industrie onderhandeld over de prijzen van die vrij dure apparaten?

Bepaalde centra overschrijden hun quotum al in de loop van een jaar, andere centra overschrijden het echter niet. Vindt de minister niet dat het RIZIV beter geplaatst is om in de loop van het jaar een herziening van het aantal operaties in de verschillende centra te doen? Nu moeten bepaalde centra rekenen op de goodwill van andere centra zodra ze hun eigen quotum hebben bereikt. Het komt er met andere woorden op aan dat onderlinge afspraken moeten worden gemaakt. Een centraal register lijkt me eerlijker en efficiŽnter.

Ziet de minister eventueel een alternatief voor het systeem? Ik neem aan dat ook zij heel wat klachten heeft ontvangen.

De heer Jean-Marc Delizťe, staatssecretaris voor Armoedebestrijding, toegevoegd aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden. - Ik lees het antwoord van minister Onkelinx.

Voor de terugbetaling van de defibrillatoren werden plafondprijzen per categorie van toestel ingebouwd. Een apparaat met een hogere prijs dan het plafond dat door de minister van Economie werd vastgelegd, zal zijn prijs tot dat plafondbedrag moeten verlagen om te worden terugbetaald. Die plafondprijzen hebben voor effect dat de bedrijven hun prijzen volledig op die plafondbedragen richten en dat dus alle apparaten dezelfde prijs hebben. De Technische Raad voor implantaten, het College van geneesheren-directeurs en de Akkoordraad voor defibrillatoren hebben in het voorstel van nieuwe nomenclatuur een mechanisme ingebouwd dat het mogelijk maakt om prijscorrecties door te voeren op basis van de vastgestelde reŽle levensduur van de gebruikte apparaten.

Dat zal structureel een prijsbeheersing en een differentiatie binnen deze implantaten meebrengen.

Dat werd ook met de industrie besproken. Tevens worden onderhandelingen gevoerd met als doel de huidige plafondprijzen te verlagen.

Voor de periode van 1 mei 2008 tot 30 april 2009 zijn 1144 apparaten voor de eerste keer ingeplant bij een patiŽnt, waarvan 335 apparaten, of 29,9 procent voor de indicatie primaire preventie. Dit betekent dat we op nationaal niveau binnen het vastgestelde nationale quotum van veertig procent, of 520 apparaten, blijven voor de primaire preventie.

Normaal moeten de centra waar tijdelijk geen terugbetaling meer mogelijk is voor een implantatie voor primaire preventie, doorverwijzen naar een ander centrum waar dit wel mogelijk is. Er zijn 23 centra in BelgiŽ, wat maakt dat er in de meeste gevallen geen grote afstand dient te worden afgelegd.

Het overdragen van een quotum lijkt een aantrekkelijke oplossing te zijn. Het gaat echter niet alleen om het apparaat, maar ook om de ingreep, de bijgaande ziekenhuisopname en dergelijke. Dit idee zal dan ook bij een volgende Akkoordraad worden voorgelegd, waar de uitvoerbaarheid en de wenselijkheid van dit voorstel kan worden bekeken.

De ratio achter het quotum voor de primaire preventie is wetenschappelijk gefundeerd. De indicaties voor primaire preventie omvatten een enorm grote doelgroep. Binnen deze doelgroep dienen de patiŽnten die het meest baat hebben bij de behandeling met een defibrillator, nog beter te worden geÔdentificeerd, opdat de behandelingskosten efficiŽnt blijven. Dat is trouwens een van de belangrijkste aanbevelingen van het Kenniscentrum in zijn rapport 58B, De Implanteerbare Defibrillator: een Health Technology Assessment.

In afwachting van bijkomende criteria die kunnen helpen om binnen deze grote doelgroep de patiŽnten te identificeren die het meest baat hebben bij zo'n toestel, is dit quotum vastgelegd, zowel nationaal als per centrum, zodat alle centra dezelfde werkwijze kunnen hanteren.

Het voorstel het quotum tussen de centra over te dragen kan de situatie misschien verhelpen. Zoals reeds gezegd, zal op de volgende Akkoordraad de haalbaarheid en de wenselijkheid van dit voorstel worden nagegaan.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik blijf pleiten voor meer flexibiliteit. Uit het antwoord van de minister begrijp ik dat mijn voorstel mogelijk wordt opgenomen in de volgende onderhandelingen. Ik geef het voorbeeld van een patiŽnt die wegens hartproblemen reeds maanden wordt gevolgd door een bepaalde cardioloog en verzorgend team, maar aan wie enige tijd voor de geplande operatie wordt meegedeeld dat die niet zal worden uitgevoerd omdat het quotum is bereikt. Zelf ken ik iemand die uiteindelijk aan de andere kant van ons land werd geopereerd door een verzorgend team waarmee de patiŽnt niet vertrouwd was en dat het dossier van de patiŽnt tot dan toe niet had gevolgd. Dat is niet wenselijk, noch voor de patiŽnt, noch voor het verzorgend team en zelfs niet voor het RIZIV.

Ik herhaal dan ook dat ik hoop dat de onderhandelingen uitmonden in een meer flexibel systeem.