4-1336/1

4-1336/1

Belgische Senaat

ZITTING 2008-2009

20 MEI 2009


Voorstel van resolutie betreffende de executie van Delara Darabi in Iran

(Ingediend door de dames Sabine de Bethune en Margriet Hermans)


TOELICHTING


Dit voorstel van resolutie beoogt een krachtdadige veroordeling van de wederrechtelijke terechtstelling van minderjarigen in Iran.

Sabine de BETHUNE
Margriet HERMANS.

VOORSTEL VAN RESOLUTIE


De Senaat,

a. Gelet op de terechtstelling van Delara Darabi op 1 mei 2009 voor een moord die ze gepleegd zou hebben op haar zeventiende; dat zij geen eerlijk proces kreeg, de procedures niet werden nageleefd en zij geen nieuw bewijsmateriaal had mogen aanbrengen dat nochtans aantoonde dat zij de moord onmogelijk gepleegd kon hebben;

b. Gelet op andere recente onrustwekkende berichten : Vali Azad werd op 5 maart 2009 gestenigd voor overspel; Mohammed Ali Navid Khamami en Ashraf Kalhori zijn wegens moord tot steniging veroordeeld; gelet op de opschorting van de executie van twee jonge Iraniërs op 6 mei, veroordeeld voor moord begaan toen ze nog minderjarig waren;

c. Gelet op de wereldwijde golf van protest tegen de wederrechtelijke terechtstelling van Delara Darabi, zoals tot uiting gebracht in de campagnes van mensenrechtenorganisaties en de actie « Bloemen voor Delara Darabi » van Amnesty International;

d. Gelet op de veroordeling van de wederrechtelijke doodstraf van Delara Darabi door de Europese Unie;

e. Overwegende de onaanvaardbare praktijken van Iran inzake executies : cijfers tonen aan dat sinds 1990 al 42 jongeren werden geëxecuteerd, waaronder 26 sinds 2005, wat een onrustwekkende stijging is; Human Rights Watch meldt dat nog zeker 135 andere jongeren hetzelfde lot wacht voor misdrijven die ze zouden hebben gepleegd vóór ze 18 jaar waren;

f. Overwegende dat in Iran jongeren vanaf hun puberteit veroordeeld kunnen worden tot de doodstraf; dat dit bij jongens vanaf 15 jaar geldt en bij meisjes al vanaf 9 jaar; dat die jongeren vaak opgesloten blijven tot ze meerderjarig worden om dan de doodstraf te ondergaan; dat een rechter zelfs kinderen jonger dan die leeftijd toch kan veroordelen tot de doodstraf wanneer hij oordeelt dat het kind de puberteit heeft bereikt;

g. Overwegende dat bekentenissen vaak na foltering worden verkregen; aangeklaagden de bijstand van een advocaat missen en de rechtsgang niet voldoet aan de minimumnormen om een eerlijk proces te waarborgen;

h. Overwegende dat deze onmenselijke praktijken van Iran een ernstige inbreuk vormen op de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties, met name op artikel 6 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en de artikelen 37(a) en 6 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, welke Iran nochtans geratificeerd heeft;

i. Overwegende dat deze praktijken in strijd zijn met het eigen engagement uitgesproken op 5 augustus 2008 door het Iraanse gerecht om het gebruik van steniging als executiemiddel op te schorten;

j. Gelet op het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, door Iran ondertekend;

k. Gelet op de resolutie A/RES/62/149 van 18 december 2007 van de algemene Vergadering van de Verenigde Naties over een moratorium op de doodstraf;

l. Gelet op de dito resolutie A/RES/62/168 over de situatie van de mensenrechten in de Islamitische Republiek Iran;

m. Overwegende dat Iran de internationale aanmaningen negeert van onder meer de Hoge Commissaris voor de Rechten van de Mens van de Verenigde Naties en de Europese Unie, stellende dat executie van jeugdige delinquenten volgens het internationaal recht verboden is;

n. Onder verwijzing naar resoluties van het Europees Parlement over Iran, met name die welke de mensenrechten betreffen, en meer in het bijzonder de resoluties van 19 juni 2008 over de executie van jeugdige overtreders in Iran en van 4 september 2008 over executies in Iran;

o. Onder verwijzing naar de eenparig goedgekeurde resolutie in de Senaat betreffende de executies van minderjarigen in Iran (stuk 4-842/4);

p. Gelet op het feit dat niet alleen in Iran, maar ook in Saoedi-Arabië, Jemen, Soedan en Pakistan nog steeds minderjarigen veroordeeld worden tot de doodstraf;

Vraagt de regering :

1. De terechtstelling van Delara Darabi in Iran met aandrang te veroordelen, evenals het executeren van « criminele » jongeren en minderjarigen en de Iraanse ambassadeur ter verantwoording te roepen;

2. Ertoe bij te dragen dat deze zoveelste schendingen van de mensenrechten volgens de geëigende procedure bij de VN-Mensenrechtenraad worden aangeklaagd;

3. Het probleem aan te kaarten op Europees niveau opdat ook de EU concrete acties onderneemt in haar relaties met Iran, vermits Iran tot nog toe geen afdoende maatregelen inzake de executies nam;

4. Concrete bilaterale maatregelen te nemen in het licht van de relaties met Iran, vermits er in het verleden geen gevolg is gegeven aan eerdere reacties op wederrechtelijke terechtstellingen;

5. De executie van minderjarigen in Iran op de agenda te plaatsen van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties;

6. Iran op te roepen een wet aan te nemen die voor altijd de standrechtelijke executie van minderjarigen verbiedt en inmiddels alle uitgesproken doodstraffen bij meer dan 135 jeugdige overtreders stelselmatig om te zetten in een andere straf;

7. Te streven naar een algeheel moratorium op de doodstraf en erop aan te dringen dat de Iraanse wetgeving in overeenstemming wordt gebracht met de internationale verplichtingen op het gebied van de mensenrechten;

8. Hetzelfde diplomatiek protest te uiten bij de andere vier landen waar de doodstraf voor minderjarigen vooralsnog wordt uitgevoerd.

9. Deze resolutie officieel te bezorgen aan de Raad van Europa, de Europese Commissie, de VN-secretaris-generaal, de VN-Mensenrechtenraad, het hoofd van de rechterlijke macht van Iran en de regering en het parlement van de Islamitische Republiek Iran.

7 mei 2009.

Sabine de BETHUNE
Margriet HERMANS
Berni COLLAS
Olga ZRIHEN
Marleen TEMMERMAN
Josy DUBIÉ
Els SCHELFHOUT
Elke TINDEMANS.