4-77

4-77

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 14 MEI 2009 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Pol Van Den Driessche aan de vice-eersteminister en minister van Ambtenarenzaken, Overheidsbedrijven en Institutionele Hervormingen en aan de minister van Maatschappelijke Integratie, Pensioenen en Grote Steden over «de pensioenen van de gerechtelijke politie» (nr. 4-910)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - In kringen van de federale gerechtelijk politie is enige beroering ontstaan over een vermeende wijziging in de berekening van het pensioen.

Een volledige loopbaan in deze dienst beslaat 37,5 jaar. Concreet wordt het pensioen nu berekend op de gemiddelde wedde van de laatste 5 jaar. Dat zou binnen afzienbare tijd worden gewijzigd in een berekening op het gemiddelde van de volledige loopbaan. Indien deze berekeningswijze effectief wordt ingevoerd, dan kan dat voor heel wat leden van de federale gerechtelijke politie een aanzienlijke daling van hun pensioen betekenen.

Is men van plan de berekeningswijze van het pensioen voor de leden van de gerechtelijke politie te wijzigen? Zo ja, waarin bestaat die wijziging? Wanneer wordt ze eventueel ingevoerd? De datum van inwerkingtreding heeft immers verregaande gevolgen voor de mensen die plannen om binnenkort met pensioen te gaan.

Komt er eventueel een overgangsmaatregel voor wie nu plant om met pensioen te gaan volgens het oude stelsel, maar desgevallend onder het nieuwe stelsel zou vallen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van minister Vanackere.

De toekenning en de berekening van de pensioenen van de geļntegreerde politie, waarvan de gerechtelijke politie deel uitmaakt, worden geregeld door de wet van 30 maart 2001 betreffende het pensioen van het personeel van de politiediensten en hun rechthebbenden. Onder voorbehoud van een beperkt aantal bijzondere bepalingen van deze wet, genieten de personeelsleden van de politie die een vaste of een door of krachtens de wet daarmee gelijkgestelde benoeming hebben verkregen, identiek dezelfde rustpensioenregeling als de ambtenaren. Dit betekent dat, overeenkomstig de basiswet van 21 juli 1844 op de burgerlijke en kerkelijke pensioenen, het rustpensioen wordt berekend aan de hand van een loopbaanbreuk voor elk jaar dienst van de gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar van de loopbaan.

De bijzondere afwijkende bepalingen in de wet van 30 maart 2001 betreffen vooral de loopbaanbreuk en enkele preferentiėle pensioenleeftijden die afwijken van het algemene ambtenarenregime. Zo wordt voor de bepaling van de rustpensioenen elk jaar doorgebracht in dienstactiviteit in de hoedanigheid van politieambtenaar of hulpagent van politie van het operationeel kader aangerekend naar rata van 1/50 van de gemiddelde wedde. De verwijzing naar 37,5 jaar om een maximumpensioen van 75% van de gemiddelde wedde te verkrijgen vloeit daar trouwens rechtstreeks uit voort: 50 × 75% = 37,5%. Bij de overige personeelsleden wordt de algemene ambtenarenregeling van 1/60 per dienstjaar toegepast.

Sinds de hervorming van de militaire pensioenen bestaat er geen enkele uitzondering meer op het principe van de berekening van het ambtenarenpensioen op basis van de gemiddelde wedde van de laatste vijf dienstjaren. Vanuit het standpunt van een gelijke behandeling van alle ambtenaren kan een ingrijpende wijziging zoals de heer Van Den Driessche citeert, enkel door een aanpassing van de basiswet van 21 juli 1844 en dat is niet mijn bedoeling. Ik kan hem dan ook geruststellen: er is momenteel geen enkele wijziging in de berekeningswijze van het pensioen voor de leden van de federale gerechtelijke politie in onderzoek.

De heer Pol Van Den Driessche (CD&V). - Ik dank de minister voor het duidelijke antwoord. De gerechtelijke politie zal er zeer tevreden mee zijn.