4-52

4-52

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 11 DECEMBER 2008 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Mondelinge vraag van de heer Joris Van Hauthem aan de eerste minister over «de opmerkingen van de Vlaamse regering over de vereenvoudiging van de banenplannen voorgesteld in het interprofessioneel akkoord» (nr. 4-523)

De voorzitter. - De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - In het kader van het interprofessioneel akkoord wordt voorgesteld bepaalde banenplannen te vereenvoudigen. Dat impliceert onder meer dat de huidige lastenverminderingen voor bepaalde doelgroepen, zoals de ouderen, drastisch worden teruggeschroefd.

Gisteren werd daarover in het Vlaams Parlement een vraag gesteld en de Vlaamse minister van Werk, volgens zijn eigen woorden met de steun van de minister-president, trok daar aan de alarmbel. Hij deed dat aan de hand van enkele berekeningen. Volgens hem worden oudere werknemers met de in het vooruitzicht gestelde maatregelen inderdaad een stuk duurder voor de ondernemingen, wat er wellicht toe zal leiden dat dergelijke `oudere' werknemers massaal worden ontslagen. De minister gaf het voorbeeld van een modale werknemer met een bruto maandloon van 2 200 euro.

Om een loonkostvoordeel te geven van 0,5% zal men iemand met dat maandloon die 55 jaar is, 3% duurder maken. Iemand met datzelfde bruto maandloon die 60 jaar is, wordt in dat voorstel 6% duurder. Iemand van 64 jaar wordt 9% duurder.

Ik citeer verder minister Vandenbroucke: `In plaats van mensen te ondersteunen, gaat men ze het doelwit maken van afvloeiingsplannen. Het gaat hier over een beslissing die structureel dramatische gevolgen heeft voor de arbeidsmarkt.'.

Minister Vandenbroucke heeft dan ook, met de volle steun van de Vlaamse minister-president, een brief naar de premier gestuurd met de uitdrukkelijke vraag geen uitrangeerplan, maar wel een relanceplan op poten te zetten. Ik citeer uit de brief: `Mijnheer de eerste minister, zorg ervoor dat het relanceplan geen afdankingsplan wordt voor vijftigplussers. Zorg ervoor dat een relanceplan geen uitrangeerplan wordt voor al wie kwetsbaar is op de arbeidsmarkt. Wat voorligt is geen generatiepact. Hier wordt een hele generatie gepakt op een dramatische manier.' Minister Vandenbroucke en de Vlaamse minister-president vragen dan ook ofwel dit plan drastisch te herzien, ofwel de gewesten de instrumenten te geven die noodzakelijk zijn om de ondersteuning van de kwetsbare doelgroepen zelf voort te kunnen zetten.

Wat heeft de premier aan de Vlaamse regering geantwoord?

Wordt dit plan drastisch bijgestuurd in de zin zoals gevraagd, of worden aan de gewesten de nodige bevoegdheden gegeven zodat zij hierin zelf hun verantwoordelijkheid kunnen nemen?

De heer Etienne Schouppe, staatssecretaris voor Mobiliteit, toegevoegd aan de eerste minister. - Ik lees het antwoord van de eerste minister.

Mijnheer Van Hauthem, ik zal beginnen met een citaat uit uw toespraak gisteren in het Vlaams Parlement: `Een federaal beleid, waar men massa's banenplannen heeft, lukt niet meer omdat de arbeidsmarktsituatie nu eenmaal verschillend is in het noorden en het zuiden van het land.' Het voorliggende vereenvoudigingsvoorstel van de sociale partners komt in wezen tegemoet aan het eerste aspect van uw opmerking. Immers, op federaal vlak worden banenplannen geschrapt en met het vrijgekomen geld wordt de structurele lastenverlaging, wat het loon betreft, versterkt. Dat is ook de visie van minister Frank Vandenbroucke, die in zijn tekst `De Sociale Staatshervorming' het volgende zegt: `De federale overheid behoudt de exclusieve bevoegdheid voor de toekenning van algemene lastenverlagingen, inbegrepen lastenverlagingen die gemoduleerd worden in functie van het loon, zoals bijvoorbeeld lastenverlagingen gericht op lage lonen. Daarnaast worden de regio's exclusief bevoegd voor loonlastvermindering voor specifieke doelgroepen.'

Ik wil er ook op wijzen dat de sociale partners in hun voorstel, dat de regering zal uitvoeren, vragen om op federaal niveau geen nieuwe doelgroepen meer op te starten.

De vraag die blijft is dus die naar de gevolgen van het vereenvoudigingsvoorstel voor bepaalde doelgroepen. Volgens minister Vandenbroucke zullen vooral oudere werknemers er het slachtoffer van worden, omdat voor hen het verlies van de doelgroepkorting niet volledig wordt gecompenseerd door de stijging van de structurele lastenverlaging.

Hierbij zijn toch een paar kritische kanttekeningen te plaatsen.

Klopt de berekening van minister Vandenbroucke wel? Onze inschatting is dat, hoewel de grote lijnen correct zijn, de percentages waarmee de lonen stijgen, meestal overschat zijn. Minister Vandenbroucke vergelijkt de daling van de korting met de brutolonen en zegt dan dat dit een stijging met zoveel procent is van de loonkosten. Dat is niet correct, men moet vergelijken met de volledige loonkosten, dus ook de werkgeversbijdragen, de eindejaarspremie, het vakantiegeld en de extralegale voordelen. Op deze correcte manier berekend is de stijging van de loonkosten voor de oudere werknemers verwaarloosbaar.

Als een loonkostenverhoging van 2% zou maken dat er massale ontslagen komen, zouden we bij iedere loonindexering een massale golf van ontslagen moeten zien. Dat is gelukkig niet het geval.

Heel wat van de bestaande bijdrageverminderingen zijn vandaag al tijdelijk. Na enkele kwartalen wordt de werknemer vanzelf duurder. Er is in een overgangsperiode voorzien.

Aangezien ook de doelgroepvermindering voor jongeren grotendeels wegvalt, blijft de relatieve kostprijs van ouderen min of meer gelijk.

De loonkosten van oudere werknemers kunnen door deze vereenvoudiging dan wel met 1 of 2% procent stijgen. Wie weet dat oudere werknemers, door het bestaan van leeftijdgebonden loonschalen, vandaag tot 50% en meer extra kosten dan jongere werknemers, beseft dat dat probleem groter is.

Loonkosten zijn overigens niet het enige element in het aanwervings- en retentiebeleid van een onderneming.

De werkloosheid bij ouderen bedraagt minder dan 15%. Belangrijkere redenen van inactiviteit zijn brugpensioen of vervroegd pensioen. Bij mannen speelt ook arbeidsongeschiktheid een grote rol en bij vrouwen de historische keuze van deze leeftijdsgroep om thuiswerkende partner te zijn.

De totale enveloppe aan lastenverlagingen verandert niet. Dat betekent dat de loonkost op het vlak van de onderneming niet toeneemt door de vereenvoudiging van de banenplannen. Integendeel, met nieuwe lastenverlagingen zorgt de regering voor een daling van de loonkosten.

Inhoudelijk wil ik hieraan nog toevoegen dat de belangrijkste oorzaak van het probleem, namelijk de leeftijdsdiscriminatie in vele sectorale loonschalen, vanaf 2009 verboden is ten gevolge van de uitvoering van een Europese richtlijn. Op termijn, en voor zover correct nageleefd, is dit een kans om het probleem van de hogere loonkosten van ouderen op te lossen, zonder één eurocent overheidsmiddelen te moeten gebruiken.

Twee debatten blijven uiterst belangrijk: dat over de institutionele toekomst van ons land en dat over de werkgelegenheidsgraad van oudere werknemers. Belangrijk is dat dit debat voortgezet wordt, maar ook dat dit sereen verloopt, rekening houdend met alle feiten en cijfers. Ik heb zeer veel respect voor de mening van minister Vandenbroucke en die van de Vlaamse regering. Hun argumentatie dat oudere werknemers te weinig kansen krijgen op de arbeidsmarkt, mogen we inderdaad niet negeren. De federale regering blijft dan ook bereid om in dialoog te gaan met de gewesten. Ze wil ook de afspraken die ze maakt met de sociale partners, correct en loyaal uitvoeren.

De heer Joris Van Hauthem (VB). - Op het vlak van de werkgelegenheid en het doelgroepenbeleid kan inderdaad geen federaal beleid meer worden gevoerd. Op den duur zijn er immers tientallen banenplannen voor allerlei doelgroepen. Er is een wildgroei geweest. Het zuiden van het land heeft echter vooral met jongerenwerkloosheid te kampen, en het noorden vooral met ouderenwerkloosheid. Het cijfer van 15% betreft trouwens het aantal echte werklozen, en niet iedereen die niet meer werkzaam is.

Ik ga niet alle kanttekeningen van de premier weerleggen. De fundamentele vraag blijft echter overeind: minister Vandenbroucke stelde dat de voorgestelde federale maatregelen wellicht dramatische gevolgen hebben voor het in dienst houden van ouderen die, althans in het noorden van het land, al erg kwetsbaar zijn, en zelfs voor de jongeren. Daarom heeft minister Vandenbroucke ervoor gepleit om het bestaande doelgroepenbeleid ofwel te behouden, ofwel de gewesten de instrumenten te geven om een doelgroepenbeleid te voeren. In het antwoord van de eerste minister heb ik geen van beide oplossingen gehoord. De premier zegt dat het doelgroepenbeleid federaal wordt gehouden en dat het interprofessioneel akkoord zal worden uitgevoerd, ook al heeft het de beschreven gevolgen. Daarnaast horen we dezelfde blabla: het moet institutioneel worden bekeken, we moeten blijven praten en de gemeenschapsdialoog is aan de gang. De regering maakt dus geen keuze. De premier zegt met zijn kanttekeningen aan de Vlaamse minister van Werk dat hij zich vergist en dat hij met zijn politieke opties de boom in kan. Dat is mijn conclusie uit het zeer uitvoerige antwoord van de eerste minister.