4-17

4-17

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 21 FEBRUARI 2008 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Nahima Lanjri aan de minister van Binnenlandse Zaken en aan de minister van Pensioenen en Maatschappelijke Integratie over ęasielzoekersĽ (nr. 4-124)

De voorzitter. - De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking, antwoordt.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - In 2007 waren er 11.115 asielaanvragen tegenover 40.000 in 1999. Toch vertonen de collectieve opvangstructuren nu een bezettingsgraad van 96% en de stijgende tendens is onmiskenbaar. Op 2 februari werden 3.362 mensen opgevangen in de federale centra en waren er nog slechts 97 beschikbare plaatsen. Dat heeft uiteraard te maken met de gewijzigde asielwetgeving. Voortaan worden de asielzoekers gedurende de gehele periode opgevangen in de collectieve opvangstructuren of door een lokaal opvanginitiatief. Vroeger was dat slechts het geval in de eerste fase, namelijk de ontvankelijkheidsfase.

De te trage uitstroom van asielzoekers die erkend zijn of een bijkomend beschermingsstatuut kregen, is een van de redenen van het dreigende tekort aan opvangplaatsen. Fedasil, het Federaal Agentschap voor de opvang van Asielzoekers, is nu vaak genoodzaakt de nieuwe asielzoekers haast onmiddellijk door te sturen naar de lokale opvanginitiatieven.

Zolang de uitstroom uit het opvangsysteem veel lager ligt dan de instroom is het dweilen met de kraan open en dreigt er op korte termijn een ernstig capaciteitsprobleem. Het is de uitstroom uit het opvangsysteem die op gang moet komen. Er zitten daar nu immers heel wat mensen geblokkeerd die er niet thuishoren. Ik denk aan de vluchtelingen die erkend zijn of een subsidiair beschermingsstatuut gekregen hebben, maar ook aan de geregulariseerde vluchtelingen en mensen zonder papieren. Zij hebben het recht zelfstandig te wonen en te werken of van OCMW-steun te genieten. Ze blijven echter in de centra hangen omdat ze, gelet op hun moeilijke financiŽle situatie, moeilijk een woning kunnen huren. De oorzaken daarvan zijn een gebrek aan begeleiding in de zoektocht naar een betaalbare woning. Ook de waarborg die moet worden betaald is vaak een struikelblok.

Als er niets gebeurt, zal er een torenhoog probleem ontstaan en zullen wij de asielzoekers bij wijze van spreken op straat moeten zetten. Dat kan echter niet de bedoeling zijn. Er moet dringend werk gemaakt worden van de uitstroom uit de centra en, indien nodig, van bijkomende opvang.

Welke maatregelen zal de minister nemen om de uitstroom uit de centra vlotter te laten verlopen?

Hoeveel mensen die voor financiŽle steun in aanmerking komen verblijven nog in de opvangcentra?

Welke maatregelen zal de minister nemen om de groep die recht heeft op zelfstandig wonen, op werk, en op financiŽle steun van het OCMW een betaalbare huisvesting te bieden?

Welke taak kan Fedasil hierin vervullen? Kunnen ze een taak opnemen in de begeleiding? Kunnen ze een financiŽle bijdrage leveren, bijvoorbeeld de huurwaarborg voorschieten?

Welke taak moeten de OCMW's hierin opnemen? Hoe kan worden nagegaan en of verplicht dat de OCMW's effectief een betaalbare woning aanbieden? Het gaat uiteindelijk toch om mensen die ervoor gekozen hebben om in een bepaalde gemeente te gaan wonen.

De heer Charles Michel, minister van Ontwikkelingssamenwerking. - Ik lees het antwoord van minister Dupont.

De bezetting van het opvangnetwerk bereikt een bijzonder hoog niveau. In totaal is 93,5% van de opvangplaatsen bezet. Volgens de prognoses zal de stijging zich nog enkele maanden voortzetten alvorens om te keren, en dat afhankelijk van de duur van de procedure. De vergelijking met de situatie in 1999 en 2000 houdt geen steek. Toen werd BelgiŽ geconfronteerd met een grote en plotse toevloed van asielzoekers, vooral ingevolge illegale immigratienetwerken. Zoiets kennen we nu niet. Het aantal asielzoekers is niet erg groot en blijft relatief stabiel.

Sinds 1 juni 2007 ondervindt de opvangsector echter de gevolgen van de hervormingen die zijn aangevat in de loop van de vorige legislatuur. Sinds 1 juni werd er geen enkele asielzoeker door de federale Staat naar een OCMW gestuurd om er financiŽle steun te krijgen. Dat is het resultaat van de nieuwe opvangwet die ik twee jaar geleden aan het parlement voorlegde. De impact op het opvangnetwerk is duidelijk. Wij stellen er een stijging van 58% vast. Die is uitsluitend het resultaat van de beslissing om alle asielzoekers gedurende de hele procedure door te verwijzen naar de materiŽle steun. Voor de andere categorieŽn van vreemdelingen die worden opgevangen op basis van de wet van 12 januari 2007 blijft de situatie stabiel.

Naast deze contextuele gegevens wijs ik er ook op dat meer dan 95% van de personen die door Fedasil en haar partners ten laste worden genomen, ten laste worden genomen op basis van de opvangwet. Zij die er geen deel van uitmaken, bevinden zich in een overgangssituatie. De opvangproblemen worden dus niet veroorzaakt door een nieuwe toestroom van migranten en ook niet door laakbare praktijken vanwege de maatschappelijk werkers, maar zijn het resultaat van de hervormingen die alle democratische partijen hebben gewenst. Een van deze hervormingen is de deactivering van het spreidingsplan.

We hebben dus te maken met een stijging van de vraag naar materiŽle steun die van gerichte aard is. Die vraag dient te worden beheerd met respect voor de waardigheid van de personen die ons land verplicht is op te vangen.

Er werden inspanningen gevraagd aan de opvangcentra om hun capaciteit tijdelijk uit te breiden. In de loop van de volgende weken zullen 250 tijdelijke noodopvangplaatsen toegankelijk worden.

Fedasil zal zijn controles op de opvangstructuren opdrijven om zich ervan te vergewissen dat het verblijf van personen die geen recht meer hebben op materiŽle steun, niet wordt verlengd.

De centra en de LOI's namen ongeveer 410 personen ten laste wier vluchtelingenstatuut in de loop van de voorbije weken werd erkend of aan wie een duurzame verblijfsvergunning in BelgiŽ werd uitgereikt. Deze personen kunnen problemen ondervinden bij de zoektocht naar een woning en bij hun eerste vestiging. Het zou zowel voor deze personen als voor de maatschappij ontoelaatbaar zijn deze problemen te miskennen en hen op straat te zetten. Ik heb Fedasil en haar partners gevraagd hun teams van maatschappelijk werkers op te roepen om te helpen bij de stappen die het mogelijk maken de opvangstructuur zo vlug mogelijk te verlaten. Een steun vanwege verenigingen of regionale voorzieningen van het type `Sociaal Woonbureau' wordt momenteel onderzocht.

Ook maatregelen om de toegang tot de steun voor de eerste huur te vergemakkelijken en om de huurwaarborg voor te schieten, worden onderzocht.

Ik wil eveneens de bevoegdheid van Fedasil en van het OCMW van de gemeente waar de vluchteling zich wil vestigen, verduidelijken om de overgang tussen de materiŽle steun en de financiŽle steun beter te organiseren.

Ik wil de verbintenis die tijdens de vorige legislatuur werd aangegaan om de hervorming te financieren via een budgettaire neutraliteit nakomen. Er dient echter te worden vastgesteld dat de achterstand die verband houdt met de vorige asielprocedure blijft bestaan. De aanzuivering daarvan zal waarschijnlijk meerdere jaren in beslag nemen. Aangezien dit gegeven tijdens de lange maanden van politieke crisis van het voorbije jaar niet echt werd behandeld, moet ik erop wijzen dat er nu geen aanwijzingen zijn dat in de loop van dit jaar geen toename van het aantal opvangplaatsen noodzakelijk zou zijn.

Ik wens dat dit probleem wordt opgenomen in het regeerakkoord. In elk geval moet Fedasil over de middelen beschikken om zijn wettelijke taken te kunnen uitvoeren. Anders moeten de asielzoekers financiŽle steun vragen aan de OCMW's, wat de minister en de regering niet opportuun achten.

De stijging en de stabilisatie van de bezettingsgraad zijn afhankelijk van de duur van het onderzoek van de asielaanvragen. We bevinden ons nog in de testperiode en over enkele maanden volgt een evaluatie. Minister Dewael besteedt zeker aandacht aan de duur van de procedure en stelt zich tot taak de doelstellingen die de vorige regering ter zake had vooropgesteld, te doen naleven.

Mevrouw Nahima Lanjri (CD&V-N-VA). - Ik dank de minister voor zijn antwoord. Ik volg dit dossier al jaren. Toen de opvangwet in het Parlement besproken werd, heb ik de minister gevraagd of er als gevolg van de wijziging van de asielwetgeving geen probleem zou rijzen met betrekking tot de opvangcapaciteit, aangezien de opvang voortaan zou gelden voor de volledige procedure en niet zou beperkt zijn tot de eerste fase. Ik heb toen op een dreigend tekort gewezen. Ik stel vast, en de minister geeft het ook toe, dat er momenteel inderdaad een probleem inzake capaciteit dreigt. Uit de cijfers blijkt dat de bezettingsgraad bijna 100% bedraagt, en dat de centra uit hun voegen barsten. Ik heb toen ook al gevraagd dat de noodzakelijke maatregelen zouden worden genomen. Een van die maatregelen is ervoor zorgen dat de uitstroom verbeterd wordt. Het verheugt me dan ook dat de minister van plan is mijn suggestie met betrekking tot de huurwaarborg ter harte te nemen, zodat mensen gemakkelijker iets kunnen huren. Daarmee is het probleem echter niet opgelost, want gemiddeld blijven mensen twee tot drie maanden te lang in een centrum, terwijl die overgangsperiode werd vastgesteld op 45 dagen.

De nieuwe wet die tijdens de vorige legislatuur werd aangenomen, hebben wij vanuit de oppositie gesteund, weliswaar met heel wat vraagtekens. We hebben toen ook gevraagd dat de opvangwet na een jaar zou worden geŽvalueerd, dat zou dus in juni 2008 moeten zijn. Het is echter absoluut noodzakelijk dat Fedasil, bevoegd voor het organiseren van de opvang van asielzoekers, die taak ook werkelijk opneemt en ervoor zorgt dat er geen gebrek aan opvangplaatsen komt, zodat asielzoekers niet naar de OCMW's worden doorverwezen voor financiŽle steun. Dat zou volledig indruisen tegen de nieuwe asielwet.