Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-85

ZITTING 2006-2007

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers (Art. 70 van het reglement van de Senaat)

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Ontwikkelingssamenwerking

Vraag nr. 3-6730 van de heer Brotcorne d.d. 23 januari 2007 (Fr.) :
Buitenlandse studenten. — Onthaaltehuizen. — Subsidiring.

Er zijn in Belgi zeventien onthaaltehuizen en clubs voor buitenlandse studenten uit ontwikkelingslanden (hierna  tehuizen  genoemd). Die tehuizen zijn erkend door het directoraat-generaal voor de Ontwikkelingssamenwerking (DGOS). Volgens de definities van DGOS hebben ze tot doel diensten te organiseren die ertoe strekken de sociaal-culturele integratie van de studenten te versterken.

De activiteiten van die tehuizen zijn : de opvang van de student en de daaraan verbonden formaliteiten, huisvesting, sociale begeleiding, socioculturele activiteiten en hulp bij de terugkeer. Ze leveren hiermee een bijdrage aan de opleiding van de ontwikkelingsactoren door de hersenvlucht af te remmen. De tehuizen spelen dus een belangrijke rol in ons ontwikkelingsbeleid. Die rol wordt erkend door de organisaties waarmee de tehuizen samenwerken, zoals het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika, dat er zijn Afrikaanse stagiairs zou willen huisvesten.

De tehuizen worden geregeld door het ministerieel uitvoeringsbesluit van 1 september 1974 van het koninklijk besluit van 1 juli 1974 betreffende de sociale en culturele hulp aan sommige bursalen uit ontwikkelingslanden, gewijzigd door het ministerieel besluit van 22 december 1998. Artikel 7 van dat besluit stipuleert dat een eerste schijf (die overeenkomt met 80 % van de subsidie die het jaar voordien werd betaald) zal worden gestort in het eerste trimester van het jaar, dus vr 31 maart. Het saldo zal kunnen worden betaald na indiening en goedkeuring van het activiteitenverslag en van de rekening van inkomsten en uitgaven. Dat verslag moet vr 31 maart worden ingediend. Het wordt meestal in juni of juli goedgekeurd na een inspectie door een ambtenaar van DGOS.

Op 18 mei 2006 ondervroeg mevrouw Sabine de Bethune de geachte minister over de achterstallige betalingen voor de tehuizen en clubs (vraag om uitleg nr. 3-1664, Handelingen nr. 3-169 van 8 juni 2006, blz. 39). De heer Didier Donfut antwoordde namens de geachte minister dat de betaling binnen de normale termijn zou worden uitgevoerd. Het ministerieel besluit werd echter op 16 mei 2006 ondertekend, meer dan een maand na het einde van het eerste trimester. De heer Donfut verklaarde bovendien dat de betaling ongeveer zes weken na de vastlegging, die op 23 mei 2006 plaatsvond, zou worden uitgevoerd. Het blijkt echter dat de eerste schijf pas begin augustus werd gestort, een maand na de aangekondigde zes weken.

Uit de onderstaande tabel blijkt duidelijk dat de subsidies aan de tehuizen elk jaar later worden uitbetaald, en hoe dan ook in overtreding van artikel 7 van het ministerieel besluit.

Eerste schijf

Verschuldigd volgens MB31/03/xxNiet gepreciseerd.
200311/04/0308/01/04
200416/04/0406/04/05
200528/06/0507/03/06
200603/08/0610/01/07

De toenemende achterstand in de betalingen en de toenemende kloof tussen de ondertekening van het ministerieel besluit en de effectieve betaling hebben zware gevolgen. Heel wat tehuizen moeten leningen of overbruggingskredieten aangaan omdat ze de subsidies niet tijdig ontvangen. Het is onaanvaardbaar dat de geachte minister antwoordt dat ze  hun aanvraag tijdig moeten indienen, zodat ze hun toelage binnen de kortst mogelijke termijn kunnen ontvangen , terwijl ze worden verplicht hun verslag ten laatste op 31 maart in te dienen, zoals artikel 30 van het ministerieel besluit van 1 juli 1974 bepaalt. Hoewel ze hun verslag binnen de vooropgestelde termijn indienen, wordt de tweede schijf elk jaar later uitbetaald, met uitzondering van dit jaar.

Een van de tehuizen schat dat het meer dan 5 000 euro aan leningen en bankprovisies moet terugbetalen. Aangezien het tehuis een toelage van 150 000 ontvangt, bedragen de kosten van de achterstand 3 % van de subsidie van DGOS en iets minder dan 1,5 % van het totale budget.

Ik heb dan ook de volgende vragen :

Hoe verklaart de geachte minister de steeds grotere achterstand in de betaling van de subsidies en de verlenging van de termijn tussen de datum van de ondertekening van het ministerieel besluit en de effectieve betaling van de subsidies, waardoor de nettotoelage voor sommige tehuizen met meer dan 3 % wordt verminderd en ze overbruggingsleningen moeten aangaan ?

De tweede schijf voor 2006 werd zopas aan de tehuizen gestort. Die inspanning om snel te werken is toe te juichen. Kan de geachte minister beloven dat hij het ministerieel besluit voor de uitbetaling van de eerste schijf van 2007 vroeg genoeg zal ondertekenen zodat de centra de betaling vr het einde van het eerste trimester, dus vr 31 maart 2007, zullen ontvangen ?

Is hij bereid bij te dragen in de kosten voor de leningen en de overbruggingskredieten die de tehuizen hebben moeten aangaan omdat de subsidies te laat werden uitbetaald ?

Antwoord : Van de eerste twee vragen gesteld door het geachte lid onthoud ik de vaststelling van de zeer duidelijke verbetering in de betalingstermijn van de tweede schijf 2006, overgemaakt aan de tehuizen en clubs; die werd uitgekeerd op 10 januari 2007. Voor de toekomst zal alles in het werk worden gesteld opdat de tehuizen en clubs hun subsidies krijgen binnen de aangeduide termijnen.

Bovendien, wat betreft meer in het bijzonder de kwestie van uitstel van de effectieve betaling van een subsidie, is het nodig eraan te herinneren dat de afwikkelingsprocedure van een uitgave en de verwerving van de goedkeuring van het Rekenhof een periode van minstens zes weken nodig heeft, volgend op de ondertekening van het koninklijk besluit.

Wat betreft de kwestie van de eventuele tussenkomst in de leningskosten ter overbrugging, is er op dit ogenblik hieromtrent niets voorzien.

Dit zijnde, vestig ik de aandacht van het geachte lid op het feit dat de subsidie bestemd voor de sociale en culturele zorg van de studenten en stagiairs van lage-inkomstenlanden, van een globaal bedrag van 2 160 000 euro in 2006 is overgegaan tot 2 230 000 euro voor 2007, namelijk een stijging van 2,92 %.