3-200

3-200

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 25 JANUARI 2007 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over ęde dubbele nationaliteitĽ (nr. 3-2050)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Artikel 386 van de wet houdende diverse bepalingen die eind december werd goedgekeurd (Stuk Senaat 3-1988), regelt de dubbele nationaliteit voor Belgische onderdanen, althans principieel.

BelgiŽ is spijtig genoeg nog steeds gebonden door het Verdrag van de Raad van Europa van 6 mei 1963. Het legt de onderdanen van de verdragsluitende staten, waaronder BelgiŽ, het automatische verlies van nationaliteit op als zij vrijwillig de nationaliteit van ťťn van de verdragsluitende staten verwerven. In een vorige vraag om uitleg (3-1603) gaf de minister aan dat enkel nog Ierland en Luxemburg toestemming moeten geven om het verdrag op te zeggen.

Overigens heeft BelgiŽ het Europees Verdrag betreffende de nationaliteit van 6 november 1997 nog steeds niet geratificeerd. Dit verdrag geeft staten de mogelijkheid om in hun intern recht hetzij afstand te doen van de oorspronkelijk nationaliteit, hetzij die te behouden.

Tot op heden is de wetswijziging door de wet houdende diverse bepalingen dan ook zonder voorwerp.

1. Wat is de stand van zaken betreffende de opzegging van het verdrag van 1963? Werd ondertussen een overeenkomst bereikt met Ierland en Luxemburg?

2. Wanneer zal BelgiŽ het verdrag van 1997 ondertekenen? Is het mogelijk de procedure voor de ondertekening van het verdrag van 1997 al op te starten voordat het verdrag van 1963 is opgezegd?

3. Als de regelingen omtrent de verdragen voltooid zijn, wordt het betreffende artikel uit de wet diverse bepaling onmiddellijk van kracht of dienen er nog andere wettelijke stappen gedaan te worden? Zo ja, welke?

4. Is er een mogelijkheid bij de toepassing van dubbele nationaliteit dat expats, die in het verleden hun Belgische nationaliteit hebben verloren door het aannemen van een nieuwe nationaliteit, die automatisch of via een vereenvoudigde procedure kunnen terugkrijgen?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Zoals ik heb uitgelegd tijdens de discussies over dit artikel, is de opzeggingsprocedure van het Verdrag van de Raad van Europa van 6 mei 1963 een beetje bijzonder, aangezien daarvoor het schriftelijk akkoord vereist is van alle partijen bij dit Verdrag, vijftien staten dus, in overeenstemming met artikel 44, ß1, van het Verdrag van Wenen, dat het gemene recht vormt van de verdragen. De Ierse republiek heeft het Verdrag van 1963 eind vorig jaar opgezegd.

Zoals ik heb aangekondigd in een antwoord op een parlementaire vraag over hetzelfde onderwerp, heb ik vorige week buiten het rechtstreekse kader van de Top van Dresden mijn Luxemburgse collega ontmoet en die heeft me nogmaals bevestigd dat het Groothertogdom het Verdrag van 1963 op korte termijn zou opzeggen.

Gisteren kreeg ik een kopie van een brief van de Permanente Vertegenwoordiger van Luxemburg aan de secretaris-generaal van de Raad van Europa, waarbij aan die laatste de beslissing meegedeeld werd van de Luxemburgse minister van Justitie om aan de andere staten die partij zijn, waarbij met name BelgiŽ werd vernoemd, toe te staan om Hoofdstuk 1 van het Verdrag van 1963 op te zeggen.

In overeenstemming met de bepalingen van het Verdrag, moet de secretaris-generaal van de Raad van Europa vanaf nu een certificaat opstellen met daarin het akkoord van alle staten die partij zijn, zodat het koninklijk besluit van inwerkingtreding bedoeld in artikel 386, 1ļ, van de wet van 27 december 2006 van kracht kan worden.

2. Tijdens de volgende regeerperiode zal BelgiŽ zich moeten uitspreken over de opportuniteit van een eventuele ratificatie van het Europees Verdrag van 6 november 1997, aangezien de ratificatie van dit Verdrag samengaat met substantiŽle wijzigingen van het Wetboek van de Belgische nationaliteit. Het betreft onder meer de verplichting om de naturalisatiebeslissingen te motiveren en de verplichting om een mogelijke beroepsprocedure tegen deze beslissingen te voorzien. Over deze vragen, die voornamelijk betrekking hebben op ťťn van de essentiŽle bevoegdheden van de Kamer van Volksvertegenwoordigers, zal in het parlement vast en zeker grondig moeten worden nagedacht.

3. Zoals reeds werd aangehaald tijdens de parlementaire debatten over deze vraag, is het inderdaad juist dat, krachtens het Verdrag van 1963, deze inwerkingtreding pas effectief is, ťťn jaar na het opzeggen van dit Verdrag.

Ik heb aan mijn diensten gevraagd om samen met het departement Buitenlandse Zaken na te gaan of het mogelijk is te anticiperen op deze inwerkingtreding, met inachtneming van onze internationale verplichtingen, bijvoorbeeld door als vertrekpunt van de termijn de datum te nemen waarop BelgiŽ zich akkoord verklaarde om dat Verdrag op te zeggen, namelijk op 25 juli 2005. Met deze analyse is men nog steeds bezig.

4. De betrokkenen zullen de Belgische nationaliteit kunnen terugkrijgen door een verklaring af te leggen bij de ambtenaar van de burgerlijke stand of, indien ze in het buitenland verblijven, bij het hoofd van de Belgische diplomatieke of consulaire post van hun verblijfplaats. Voor wie zijn hoofdverblijfplaats niet in BelgiŽ had tijdens de twaalf maanden voorafgaand aan zijn verklaring, zal de procureur des Konings de omstandigheden moeten beoordelen aan de hand waarvan de persoon die de verklaring doet, zijn nationaliteit verloor. Ik ben van mening dat een negatief advies, dat uitsluitend zou zijn gebaseerd op een bepaling die inmiddels zou zijn opgeheven, geen zin zou hebben. Deze vraag zal aan bod komen tijdens een volgende vergadering van het College van procureurs-generaal.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het antwoord is duidelijk. Als ik echter hoor wat nog moet worden gedaan en ik bovendien merk dat verwezen wordt naar de volgende legislatuur, dan vraag ik mij af waarom wij dit artikel van de programmawet in december 2006 hebben goedgekeurd. Vandaag geeft de bepaling Belgische onderdanen of andere nog geen enkel recht.