3-187

3-187

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 9 NOVEMBER 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Sabine de Bethune aan de vice-eersteminister en minister van Justitie over ęde verhaalbaarheid van de kosten gemaakt door de curatoren in de uitvoering van hun opdrachtĽ (nr. 3-1892)

De voorzitter. - Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 houdende vaststelling van de regels en barema's tot bepaling van de kosten en het ereloon van de curatoren regelt voor welke prestaties de curatoren een ereloon kunnen ontvangen en hoe dat berekend wordt. Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 is er een proportionele vergoeding per schijf van opbrengst van de failliete boedel berekend op grond van de teruggeÔnde en gerealiseerde activa, eventueel aangepast met een coŽfficiŽnt van 0,8 tot 1,2 (artikel 3).

Artikel 5 bepaalt welke prestaties met dit ereloon worden vergoed.

Artikel 11 bepaalt dat de curator recht heeft op een afzonderlijke en forfaitaire vergoeding voor de administratieve kosten voor het dekken van uitgaven die rechtstreeks verband houden met de afwikkeling van de faillissementen waarmee hij is belast.

De tarieven zijn de volgende:

In eerste instantie is het eigenaardig te noemen dat de briefwisselingskosten deel uitmaken van het ereloon en tegelijk recht geven op een forfaitaire vergoeding.

Bovendien geven sommige voorzitters van rechtbanken van koophandel in hun richtlijnen een zeer restrictieve interpretatie van artikel 11 wat de erelonen en kosten betreft. Voor hen gaat het om een limitatieve en forfaitaire vergoeding voor al de administratieve kosten. Andere posten komen derhalve niet in aanmerking voor vergoeding. Dat betekent uiteraard een `zware aderlating' voor de curator die met zijn administratieve personeel wel degelijk kosten maakt voor de afwikkeling van het faillissement.

Ten eerste zijn de kosten van het typewerk bij de afhandeling van een faillissement aanzienlijk. Er zijn de talloze processen-verbaal, zeker naar aanleiding van de nieuwe wet. Zo moeten gedurende het eerste jaar vier opeenvolgende processen-verbaal van verificatie worden ingevoerd. Dat houdt in dat de Excelbestanden met de gegevens van de schuldeiseres en de respectieve vorderingen moeten worden bijgehouden. Er zijn de verschillende verslagen. Er zijn de diverse verzoekschriften die noodzakelijk zijn bij de afwikkeling van een faillissement. Er zijn de besluiten in de diverse hangende dossiers of betwistingen die door de curator worden opgeworpen en er zijn de talloze boekhoudkundige verwerkingen.

Het koninklijk besluit voorziet niet uitdrukkelijk in een vergoeding voor de daarmee gepaard gaande personeelskosten. Artikel 10 vermeldt enkel: `Het ereloon en de kosten betaald aan derden, advocaten, revisoren, accountants, technische adviseurs, bewaarders van goederen en andere persoon die de curator in zijn opdracht bijstaan, mogen slechts ten laste van de boedel worden gebracht als de rechter-commissaris daartoe vooraf machtiging heeft verleend. De medewerkers, het secretariaatspersoneel en de boekhouders van de curator vallen niet onder het eerste lid.'

De tekst is hier dubbelzinnig. De rechtbanken interpreteren hem evenwel zo dat het personeel geen derde is in de zin van het eerste lid. Dus kan daarvoor geen met toestemming van de rechter-commissaris verhaalbare kost worden ingeroepen.

Ten tweede wordt ook niet voorzien in een vergoeding voor kopieerkosten, die aanzienlijk kunnen zijn.

Ten derde zijn de telefoonkosten in de soms jarenlange afwikkeling vaak een zware post; vooral bij het openvallen wordt constant getelefoneerd: nutsvoorzieningen, administratie, schuldeisers, klanten, opkopers, bezoeken, overleg medecuratoren, contacten griffie.

Het koninklijk besluit voorziet hier niet in een vergoeding, behoudens voor buitenlandse telefonie.

Ten vierde stellen sommige rechtbanken dat in het tarief voor een gewone brief zoals bepaald in artikel 11 van het koninklijk besluit, een postzegel is begrepen.

Hierbij moet worden opgemerkt dat de schuldbemiddelaars in het koninklijk besluit betreffende hun erelonen en onkostenvergoeding van 18 december 1998 recht hebben op 350 Belgische frank (niet geÔndexeerd) per brief, eventueel vermeerderd met de reŽle kosten van de aangetekende zending. Voor de curatoren is dat merkelijk minder, namelijk respectievelijk 7,5 euro voor een gewone brief en 10 euro voor een aangetekende brief (die bedragen zijn geÔndexeerd overeenkomstig artikel 8 van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998).

Navraag op het terrein leert trouwens dat bij de schuldbemiddeling minder restrictief wordt opgetreden inzake onkostenstaten. Er wordt dus een verschillende regeling toegepast voor de curatele en voor de schuldbemiddeling.

Is de minister zich ervan bewust dat de verschillende zetels van de rechtbanken van koophandel het voornoemde koninklijk besluit op verschillende wijzen interpreteren?

Is de zeer restrictieve interpretatie van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998, en meer bepaald van artikel 11, zoals hierboven beschreven, correct?

Zo ja, wordt het beroep van curator dan niet onaantrekkelijk, vooral voor startende curatoren, en dient niet meer rekening te worden gehouden met de werkelijke kosten, zoals de personeelskosten? Acht de minister het nodig wetgevend in te grijpen? Zijn er concrete plannen? Zo ja, binnen welke termijn?

Zo neen, wat is dan volgens de minister wel de correcte interpretatie van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998, en in het bijzonder van de artikelen 10 en 11 ervan?

Is de minister het ermee eens dat wat betreft de verhaalbaarheid van kosten op het terrein een discrepantie is ontstaan tussen schuldbemiddelaars en curatoren?

Mevrouw Els Van Weert, staatssecretaris voor Duurzame Ontwikkeling en Sociale Economie, toegevoegd aan de minister van Begroting en Overheidsbedrijven. - Ik lees het antwoord van de minister.

Ik heb geen weet van problemen inzake uiteenlopende interpretaties over de taxatie van de kosten bij de toepassing van het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 tot vaststelling van de erelonen en de kosten van de curatoren. Artikel 11 van dat besluit bepaalt dat de curatoren naast hun erelonen, die trouwens kunnen worden verhoogd door de toepassing van een coŽfficiŽnt en kunnen worden aangevuld met buitengewone erelonen, recht hebben op een afzonderlijke en forfaitaire vergoeding voor een reeks administratieve kosten die in een limitatieve lijst worden opgesomd.

Hieruit volgt dat de weigering van andere kosten dan die opgesomd in de lijst, geenszins te wijten is aan een restrictieve interpretatie. Het gaat gewoon om de toepassing van een duidelijke tekst.

De vraag over de correcte vergoeding van de curatoren is complex en kan moeilijk in een vraag om uitleg worden beantwoord.

Zoals het verslag aan de Koning dat bij de tekst is gevoegd, onderstreept, gaat het in de eerste plaats om forfaitaire erelonen. Het ereloon van de curatoren is een proportionele vergoeding, berekend per schijf van de geÔnde en gerealiseerde activa, onverminderd de eventuele toepassing van de correctiecoŽfficiŽnt door de rechtbank van koophandel.

De erelonen worden berekend op basis van alle bedragen die naar aanleiding van het faillissement aan de boedel te beurt vallen, met inbegrip van de bedragen die de curator heeft geÔnd en de interesten die de in consignatie gegeven bedragen van de vereffende activa hebben opgebracht.

Deze regeling steunt op de opvatting dat het gebrek aan inkomsten van een curator in weinig winstgevende faillissementen wordt gecompenseerd door het hogere ereloon dat hij in meer winstgevende faillissementen krijgt.

Deze regeling is alleen correct indien bij de toewijzing van faillissementen rekening wordt gehouden met wat voorafging en dat de toewijzing van faillissementen die in verhouding minder lonend zijn, effectief wordt gecompenseerd door de toewijzing van lonender faillissementen.

Ik ben niet gekant tegen een wijziging van het huidige systeem, maar men zal het met me eens zijn dat we daarbij voorzichtig tewerk zullen moeten gaan en goed moeten nadenken alvorens we raken aan een mechanisme dat doorgaans volledige tevredenheid geeft.

De faillissementsprocedure en de collectieve schuldenregeling zijn zeer verschillend qua inzet en kenmerken. Men kan de situatie van de curatoren en van de schuldbemiddelaars op het vlak van de vergoeding van de kosten die ze bij het uitoefenen van hun functies maakten dus niet zo eenvoudig vergelijken.

Indien er ongerechtvaardigde ongelijkheden bestaan in het nadeel van de curatoren of indien blijkt dat de kostenlijst inderdaad moet worden aangevuld - meer bepaald ten gevolge van technische evoluties, zoals de elektronische briefwisseling - dan zal ik hieraan mijn volle aandacht schenken.

In dit verband herinner ik eraan dat ik enkele maanden geleden, met het besluit van 10 mei 2006, het initiatief nam om het koninklijk besluit van 10 augustus 1998 te wijzigen om de kosten inzake het doorzenden van de post van de gefailleerde op te nemen in de lijst van de verhaalbare kosten.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik zal geen gedachtewisseling starten met de staatssecretaris die het antwoord van de minister ook alleen maar kon voorlezen. In zo'n situatie heeft het niet veel zin een inhoudelijke repliek te geven.

Ik betreur alleen dat de minister geen concreet antwoord geeft op alle elementen van mijn vraag, die nochtans zeer concreet was onderbouwd. Voor heel wat aspecten blijf ik dus op mijn honger zitten.

Ik betreur ook dat er geen afdoende antwoord is gekomen op het probleem dat vandaag niet wordt gestreefd naar een gelijke onkostenvergoeding in de verschillende juridische procedures. Dat wel doen, zou toch een teken van goed bestuur zijn en moet in de toekomst zeker worden waargemaakt. Ik zal daarop nog terugkomen met een nieuwe vraag aan de bevoegde minister.