3-175

3-175

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 6 JULI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid over «de uitvoering van het nationaal voedings- en gezondheidsplan» (nr. 3-1763)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik hoop dat minister Demotte deze vraag niet even ontwijkend beantwoordt als mijn vorige vraag. Het Nationaal Voedings- en Gezondheidsplan werd op 12 december 2005 op de interministeriële conferentie ter goedkeuring voorgelegd. Het plan werd niet goedgekeurd door de gemeenschappen. Dat werd me bevestigd door Vlaams parlementslid Trees Merckx, die dezelfde vraag gisteren in het Vlaams Parlement heeft gesteld aan minister Vervotte.

Ik ben benieuwd om te horen of de federale minister hetzelfde zegt want ik stelt vast dat hij toch uitvoering geeft aan dat plan. Hij gaat hiermee volledig in tegen de afspraken die in het kader van het protocolakkoord van 13 juni 2005, gepubliceerd in het Belgisch Staatsblad van 23 november 2005, werden vastgelegd. Het is dus geen nationaal maar een federaal voedingsplan. Een betere afstemming met de beleidskeuzes en wat er al op het terrein gebeurt binnen de verschillende gemeenschappen is absoluut noodzakelijk indien het plan van de minister doeltreffend wil zijn.

We stellen vast dat de campagne is opgestart. Er is een website, een televisiespot en er zijn vijf verschillende voedingsgidsen ter beschikking van het grote publiek. De minister heeft zijn campagne voor gezonde voeding zelfs uitgebreid naar de gemeenten. Die hebben al een rol in de voedingsprogramma's die de Vlaamse overheid opzet en moeten nu ook eens meedraaien in die van de federale overheid. De federale overheid geeft wel een prijs, de Vlaamse niet, zodat er een concurrentie tussen de twee overheden ontstaat over de implementatie van hun informatieacties. De minister zal enkele weken voor de verkiezingen aan de beste projecten van tien Vlaamse, tien Waalse en vijf Brusselse gemeenten ook een prijs van 5.000 euro geven.

De minister begeeft zich hiermee uitdrukkelijk op het terrein van de preventie, een gemeenschapsbevoegdheid. De prijsuitreiking enkele dagen voor de gemeenteraadsverkiezingen lijkt dan ook op een goed opgezette promotiecampagne ten gunste de minister.

Verschillende organisaties zoals het Vlaams Instituut voor Gezondheidspromotie, Kind en Gezin en NICE hebben aan de minister laten weten dat er geen behoefte was aan weer nieuwe brochures, affiches en tv-spotjes over het onderwerp. Ze lieten overigens ook weten dat dit geen efficiënte middelen zijn om gedragsverandering tot stand brengen, tenzij ze gebruikt worden in acties die lange tijd lopen. Ze vonden geen gehoor bij de minister. Waarom lanceert de minister een sensibiliseringscampagne terwijl er tal van maatregelen op curatief vlak nodig zijn in België? Curatieve maatregelen ressorteren volledig onder de bevoegdheid van minister Demotte.

In het kader van het plan bogen meer dan tweehonderd experts zich in tien werkgroepen over ons voedingsgedrag en formuleerden aanbevelingen in een lijvig rapport. Veel aanbevelingen behoren niet tot de bevoegdheid van de minister, maar tot de bevoegdheid van de gemeenschappen.

Twee weken geleden hebben we in de commissie een gedachtewisseling gehad met de vertegenwoordiger van de minister over acties die op federaal vlak tegen ongezonde voedingspatronen kunnen worden gevoerd. Ik heb een wetsvoorstel ingediend om in welomschreven situaties het advies van een diëtist terugbetaalbaar te maken voor kinderen die aan obesitas lijden. De minister wierp tegen dat dit niet opportuun is omdat dit een preventieve actie is, waarvoor de federale overheid niet bevoegd is. Hij zei dat er geen preventieve acties mogen worden gefinancierd met het budget van het RIZIV. Nu blijkt dat de preventieve campagne van minister Demotte gefinancierd wordt door het RIZIV. Of zijn er andere financiële bronnen aangeboord?

De minister doet dus niet wat hij kan doen binnen zijn bevoegdheid, namelijk optreden vanuit het RIZIV om bijvoorbeeld de kost van een diëtist voor kinderen terugbetaalbaar te maken. Vermogende mensen kunnen zich een diëtist permitteren, maar het probleem van obesitas komt vooral voor bij niet-vermogende gezinnen met kinderen, voor wie het inwinnen van het advies van een diëtist een luxe is.

Wat is de totale kostprijs van de campagne? Hoe wordt de campagne gefinancierd? Komt het geld van het RIZIV? Kan de minister de campagne beschrijven? Welke kanalen gebruikt hij? Tot wanneer loopt de campagne? Begeeft de minister zich hiermee niet uitdrukkelijk op het terrein van de gemeenschappen? Bevestigt de minister dat het plan niet werd goedgekeurd op de interministeriële conferentie van 12 december 2005?

Wat is de totale kostprijs van het plan? Hoe wordt die begroot? Welke onderdelen van het plan zijn federaal en welke vallen onder de bevoegdheid van de gemeenschappen? Hoe ziet de minister de taakverdeling tussen de federale regering en de gemeenschappen? Hoe verloopt de opvolging van de aanbevelingen van de verschillende werkgroepen en van de 200 experts? Wie zal die aanbevelingen opvolgen?

Een aanbeveling die wel tot de bevoegdheid van de minister behoort, is het toegankelijk maken van dieetinterventies, het doorlichten van de etikettering enzovoort. CD&V heeft een tienpuntenplan opgesteld ter voorkoming van obesitas. Wij willen uitdrukkelijk dieetconsultaties voor kinderen met overgewicht en voor volwassenen met obesitas terugbetaalbaar maken.

Ik vraag me af of de minister ook concrete maatregelen zal nemen die ressorteren onder zijn bevoegdheid. Bevestigt de minister het negatieve standpunt dat zijn medewerker twee weken geleden in de commissie heeft uiteengezet met betrekking tot de aanbeveling om dieetinterventies toegankelijk te maken? Hoe zal de minister het probleem van dubbelzinnige en onduidelijke etikettering aanpakken? Die materie behoort tot zijn bevoegdheid en kost niets.

M. Didier Donfut, secrétaire d'État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. - Je vous lis la réponse du ministre.

J'ai entrepris le Plan national nutrition santé pour la Belgique dans le but de promouvoir les habitudes alimentaires saines et les activités physiques. J'ai élaboré des mesures en ce sens avec les acteurs sociaux et les représentants des Communautés et des Régions.

Le Plan a été lancé le 11 avril. Il répond à la demande de l'OMS depuis le lancement de sa stratégie mondiale en matière d'alimentation, d'activités physiques et de santé d'élaborer un plan national qui s'attaque à la mortalité et à la morbidité provoquées par de mauvaises habitudes alimentaires et un mode de vie sédentaire.

Dans un esprit de collaboration et de concertation, un plan opérationnel a été élaboré. Soixante actions concrètes seront entreprises au cours de la période 2006-2010. Les Communautés et les Régions seront invitées à toutes les réunions du groupe de pilotage d'experts qui coordonne le plan et à toutes les consultations avec les acteurs sociaux. Les activités du plan sont complémentaires aux activités des Communautés et des Régions. Il s'agit de les renforcer par des initiatives nationales dans l'intérêt de la santé des citoyens. Le Plan national entend atteindre le plus grand nombre de citoyens, entre autres par le biais des villes et des communes, qui sont proches de la population. La collaboration avec les Communautés et les Régions est une composante essentielle de la réussite du Plan national.

Le développement du Plan et les travaux effectués autour de celui-ci ont, à diverses reprises, fait l'objet de discussions au sein des conférences interministérielles. Ils ont conduit à la publication du texte de base scientifique.

Le Plan étant entré dans une phase opérationnelle, de plus amples concertations sur les actions concrètes sont prévues durant les réunions du groupe de pilotage d'experts et les réunions avec les acteurs sociaux.

Cette année, 830.994,64 euros ont déjà été consacrés à la campagne par le biais du spot télévisé, du site Internet et des guides alimentaires. Les budgets utilisés jusqu'à présent appartiennent exclusivement à l'autorité fédérale. Le coût total du Plan n'a pas encore été évalué. Il dépend de la précision et du calendrier des actions inscrites dans le plan opérationnel, qui est presque finalisé.

Le Plan s'étale de 2006 à 2010. Le volet « communication » du Plan s'étale sur la même période. La campagne 2006 comporte trois grandes parties, à savoir les différents guides alimentaires dans les deux langues nationales, le spot télévisé et le site Internet.

En ce qui concerne les volets fédéraux du Plan, toutes les actions qui seront entreprises en vertu du Plan national sont décrites dans le plan opérationnel, qui est presque finalisé. Les grandes lignes du volet fédéral comprennent notamment la poursuite de la partie « communication », le lancement du comité d'experts pour l'alimentation des nourrissons, la prise de mesures relatives à l'accès aux interventions nutritionnelles spécialisées, le soutien des contacts avec l'OMS, la FAO, la Communauté européenne, le Conseil de l'Europe et l'OCDE. Un groupe de pilotage d'experts sera responsable du suivi des travaux et de la coordination opérationnelle. Les Communautés et les Régions y seront représentées. Les recommandations des différents groupes de travail ont été reprises dans la structure du plan opérationnel. Pour chaque directive du Plan national, un président a été désigné.

Les interventions diététiques, qui conduisent à une diminution des hospitalisations, de leur durée et des coûts médicaux associés, sont également inscrites dans le plan opérationnel. Une explication des exigences d'un bon étiquetage, tant pour les aspects généraux que pour les aspects de valeur nutritionnelle, constitue une part importante du Plan. Le but est d'élaborer des améliorations concrètes aux exigences actuelles en matière d'étiquetage qui pourront être proposées à l'échelon européen.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - Ik ben zeer ontevreden over het antwoord van de minister. Het enige lichtpuntje in het hele verhaal is dat men eindelijk, maar met jaren vertraging, begonnen is met het operationeel maken van een eerste plan rond gezondheid en voeding. Ik wijs erop dat in verschillende Europese landen al een tweede plan wordt uitgevoerd.

De minister heeft niet op al mijn vragen geantwoord, ook niet op de vraag of er al dan niet een akkoord is met gemeenschappen. Ik bevestig dat dergelijk akkoord volgens mijn informatie niet bestaat. Hij ontwijkt het antwoord op andere zeer concrete vragen en tot slot bevestigt hij zeer uitdrukkelijk dat hij zich eigenlijk zonder schroom begeeft op het terrein van de preventie. In 2006 beschikt hij daarvoor over een budget van 830.000 euro, wat toch niet niks is voor een communicatiecampagne. De campagne zal in Vlaanderen wellicht als contraproductief wordt gepercipieerd omdat men naast de bestaande instrumenten nog nieuwe instrumenten creëert. Dat getuigt van onverantwoord bestuur en van een zekere onmacht om met de verschillende bevoegde ministers tot een akkoord te komen. Hoe kan men een gezondheidsbeleid voeren als de ministers het met elkaar niet eens geraken en naast elkaar tal van acties organiseren? In het geval van minister Demotte is er dan nog sprake van een bevoegdheidsoverschrijding.

De minister heeft zelf al meer dan genoeg werk zonder dat hij zich op het terrein van de deelgebieden moet begeven, om daar op de koop toe dan nog federaal geld te gaan uitgeven. Ik vermoed immers dat het RIZIV de campagne financiert en dat de kostelijke tv-spotjes wel zullen worden aangevochten. Kortom het is een droevig dossier waarop we zeker zullen terugkomen.

M. Didier Donfut, secrétaire d'État aux Affaires européennes, adjoint au ministre des Affaires étrangères. - J'entends bien le message de Mme de Bethune et je suis conscient de n'avoir pu lui apporter toutes les réponses qu'elle souhaitait.

Néanmoins, la réponse fait état de conférences interministérielles où les Régions et Communautés pouvaient s'exprimer. Pour cette compétence importante sur le plan social et de la santé, il est essentiel - et nous avons jusqu'à 2010 pour y travailler - de faire en sorte que, au-delà du Fédéral, avec ses budgets relativement importants, une partie du plan opérationnel soit mené par les Régions et Communautés mais également par les villes et communes qui sur le plan de la proximité, sont sans doute, dans ce domaine, les acteurs les mieux placés pour relayer les messages de prévention auprès de la population.