3-175

3-175

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 6 JULI 2006 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg mevrouw Sabine de Bethune aan de minister van Buitenlandse Zaken over «de implementatie van de richtlijnen van de Europese Unie inzake kinderen in gewapende conflicten» (nr. 3-1758)

De voorzitter. - De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken, antwoordt.

Mevrouw Sabine de Bethune (CD&V). - De Europese Raad nam in december 2005 de conclusies aan van de jaarlijkse evaluatie van de richtlijnen van de Europese Unie inzake kinderen in gewapende conflicten, aangenomen door de Raad Algemene Zaken en Buitenlandse Betrekkingen van de Europese Unie op 9 en 10 december 2003. Op basis daarvan werkte de COHOM, de werkgroep Mensenrechten van de Raad, een strategie uit voor de toepassing van de richtlijnen. Deze strategie werd aan de Raad voorgelegd op 25 april 2006 en bevat zeer concrete aanbevelingen aan de posthoofden van de EU-landen ter plaatse en aan de EU-landen zelf. Ook formuleerde het Oostenrijkse voorzitterschap een `Checklist voor de integratie van de bescherming van kinderen getroffen door gewapende conflicten in ESDP-missies van de EU' van 23 mei 2006. Het gaat hier dus om de European Security and Defence Policy.

Tot vandaag hebben de lidstaten van de Europese Unie geen concreet gevolg gegeven aan de toepassing van deze richtlijnen. Uit vraag om uitleg 3-1181 bleek dat ook België terzake nog geen stappen had gedaan. Misschien is dit ondertussen wel gebeurd.

Concreet zou Buitenlandse Zaken alle diplomatieke missies in ontwikkelingslanden van deze EU-richtlijnen op de hoogte kunnen brengen en kunnen toelichten hoe ze kunnen bijdragen tot de toepassing ervan, bijvoorbeeld door aan monitoring en rapportage te doen.

Welke acties en démarches heeft België gedaan om gevolg te geven aan de implementatiestrategie van de COHOM en de checklist van het Oostenrijkse voorzitterschap?

Heeft ons land actief meegewerkt aan deze strategie?

Is er reeds overleg geweest met andere EU-lidstaten over de toepassing van deze richtlijnen?

Steunt de minister het idee om proactief onze buitenlandse vertegenwoordigingen op de hoogte te brengen en hen aan te moedigen om de EU-richtlijnen inzake kinderen in gewapende conflicten te implementeren?

De heer Didier Donfut, staatssecretaris voor Europese Zaken, toegevoegd aan de minister van Buitenlandse Zaken. - Ik lees het antwoord van minister De Gucht.

Op basis van de conclusies die in december 2005 werden goedgekeurd door de Raad van Ministers van de Europese Unie in verband met het tweejaarlijks rapport van de werkgroep Mensenrechten van het GBVB over de tenuitvoerlegging van de EU-richtlijnen betreffende kinderen in gewapende conflicten, stelde het Oostenrijkse voorzitterschap van de EU voor dat de EU-partners hun goedkeuring hechten aan een zeer uitgebreid document inzake de uitvoeringsstrategie van de conclusies van de Raad.

Met deze strategie, die in april jongstleden door alle Europese partners werd goedgekeurd, verankert de EU haar vaste verbintenis om de rechten van het kind en inzonderheid van kinderen in gewapende conflicten te beschermen en te bevorderen.

België schaarde zich achter een groot aantal praktische maatregelen die in deze strategie zijn vervat.

Het gaat meer bepaald om het volgende.

J'en arrive à la question 4. La Belgique se réjouit de la décision du Conseil de sécurité de l'ONU établissant un groupe de travail composé des représentants de tous les États qui siègent au conseil. Ce groupe de travail a pour mission d'étudier les rapports du secrétaire général sur la situation des enfants dans un certain nombre de pays. Le groupe de travail peut en outre formuler des recommandations au Conseil et proposer des mesures protectrices en faveur des enfants.

Le groupe de travail a élaboré un programme d'activités contenant des informations sur la nature, le contenu et la fréquence des rapports qu'il se doit d'étudier dans le courant d'une année. Les rapports que le groupe de travail doit étudier cette année-ci concernent les situations en République démocratique du Congo, au Soudan, au Sri Lanka, en Côté d'Ivoire, au Burundi et en Somalie.

La Belgique attache une grande importance à ces nouveaux développements. Elle mène les réflexions nécessaires quant aux mesures pouvant être adoptées afin d'apporter sa contribution très active aux activités du conseil, dont notre pays sera membre pendant les deux prochaines années.

La Belgique espère que la Conférence ministérielle de Paris, prévue en décembre prochain, se penchera à nouveau sur les principes adoptés, au Cap, en 1997 en matière de mobilisation et de réinsertion des enfants afin de finaliser les activités auxquelles participent l'Unicef, les ONG, la Banque mondiale ainsi que les forces de paix et le programme de développement de l'ONU, car, en effet, la mise en oeuvre de ces principes est difficile.

La Belgique participera également à la Conférence prévue à Kinshasa en février 2007, qui se concentrera sur la démobilisation des enfants soldats dans la région des Grands Lacs.

La Belgique accorde une grande importance à la situation des enfants victimes des conflits armés. C'est pourquoi une réflexion est menée en Belgique sur les mesures à prendre pour assurer le suivi adéquat des initiatives précitées.