3-1745/1

3-1745/1

Belgische Senaat

ZITTING 2005-2006

12 JUNI 2006


Wetsvoorstel tot wijziging van de dierenbeschermingswet en de nieuwe gemeentewet met betrekking tot de registratie van bijtincidenten met honden

(Ingediend door de heer Wouter Beke)


TOELICHTING


Volgens een onderzoek uit 1999 van professor Nolens van de KU Leuven worden er in Belgiė jaarlijks 35 000 tot 40 000 mensen door een hond gebeten.

Naar verluidt zouden in ons land 1,5 miljoen honden zijn.

Diverse onderzoeken — waaronder Zwitserse studies en de studie van professor Kahn in 2002 — tonen aan dat in 60 % tot 65 % van de gevallen kinderen en adolescenten het slachtoffer zijn. 65 % van die ongevallen doen zich in de privé-kring voor, waarbij het slachtoffer de hond in 93,8 % van de gevallen kende. In 18 op de 100 gevallen waren hechtingen en medicatiebehandelingen nodig; in 1 op 5 was een ziekenhuisopname noodzakelijk en in 22 % ging het over gezichtsverwondingen.

De maatschappelijke kost aan vergoedingen burgerlijke aansprakelijkheid wordt geraamd op meer dan 21 miljoen euro. Dit is slechts de kostenraming van het overwegend materiėle leed : het morele en esthetische leed is niet verrekend.

Diverse Europese landen trachtten de problematiek aan te pakken via het uitroeien van bepaalde hondenrassen door enerzijds systematische sterilisatie (Groot-Brittanniė vanaf 1991 Dangerous Dog Act), anderzijds door het verbod tot fokken en het houden van bepaalde types (Nederland 1993 de Regeling Agressieve Dieren, Frankrijk (6 januari 1999) gevaarlijke en loslopende honden en Duitsland in april 2000 in verband met de kweek en het bezit van vechthonden).

In Belgiė heeft het ministerieel besluit van 21 oktober 1998 een registratiesysteem in werking gesteld voor een 13-tal soorten honden waarbij eigenaars verplicht werden binnen de acht dagen na de geboorte het dier te laten identificeren en registreren via een microchip. Tevens werd voor de hondentypes die niet op de lijst voorkwamen in de mogelijkheid voorzien om op bevel van de burgemeester tot registratie als « vechthond » over te gaan.

De Raad van State vernietigde dit besluit om procedurele redenen echter op 31 mei 1999.

Dit voorstel wil afstappen van de gedachte dat alleen bepaalde rassen gevaarlijk kunnen zijn. Wetenschappelijk wordt gesteld dat niet alleen het type maar eveneens de opvoeding en de omgevingsfactoren voor het gedrag van dieren bepalend kunnen zijn

Op federaal vlak bestaat er momenteel geen wetgeving ter zake, zodat alleen gemeenten initiatieven kunnen nemen voor hun grondgebied. Hierdoor ontstaat er rechtonzekerheid voor de burgers.

Deze lacune wenst de indiener te verhelpen.

Daarom voorziet het voorstel in de oprichting van een gegevensbank betreffende bijtincidenten met honden. Dit wordt vervolgens medegedeeld aan de burgemeester van de plaats waar het incident plaatsvond, die in samenspraak met een dierenarts-expert relevante maatregelen kan opleggen.

Er wordt eveneens in strafsancties voorzien voor wie de opgelegde maatregelen niet volgt, bijgedragen heeft tot het gevaarlijk gedrag van de hond of een hond heeft afgericht om mensen aan te vallen.

De indiener is eveneens de mening toegedaan dat het strafrechtelijke spoor niet noodzakelijk steeds de meest efficiėnte weg is om de naleving van elk van de bepalingen op korte termijn af te dwingen. Om kort op de bal te kunnen spelen wordt erin voorzien dat de gemeenten hiertoe eveneens een beroep kunnen doen op de gemeentelijke administratieve sancties.

ARTIKELSGEWIJZE TOELICHTING

Artikel 1

Dit artikel bepaalt de constitutionele grondslag voor de wetgevende bevoegdheid.

Artikel 2

Het basisartikel, strekkende tot de oprichting van een gegevensbank met betrekking tot bijtincidenten met honden, wordt ingevoegd na het algemene artikel betreffende de registratie van honden en katten in de dierenbeschermingswet.

Artikel 3

Na het hoofdstuk II : « Houden van dieren », wordt een nieuw hoofdstuk IIbis : « Houden van gevaarlijke honden » ingevoegd, waarin het stelsel inhoudelijk wordt uitgewerkt.

Voorgestelde artikel 9bis

Dit artikel bepaalt het toepassingsgebied door de definiėring van de begrippen « potentieel gevaarlijke hond » en « ernstige verwonding », alsook door de uitdrukkelijke uitsluiting van een aantal welbepaalde categorieėn van honden.

Voorgestelde artikel 9ter

Dit artikel stipuleert wie gehouden is bepaalde informatie aan de gegevensbank mede te delen.

Voorgestelde artikel 9quater

Regelt de wijze waarop de burgemeester op de hoogte wordt gebracht van de aanwezigheid van een potentieel gevaarlijke hond in zijn gemeente, alsook het gevolg dat hij hieraan dient te geven en de maatregelen die hiertoe genomen kunnen worden.

Voorgestelde artikel 9quinquies

Dit artikel bevestigt de bevoegdheid van de gemeenten om aanvullende maatregelen te nemen.

Artikel 4

Specifieke strafbepalingen worden ingevoegd voor wie het gevaarlijk gedrag van zijn hond heeft vergemakkelijkt of ertoe heeft bijgedragen. Hetzelfde geldt voor het africhten van honden om ze mensen te doen aanvallen.

Artikel 5

Bevat wijzigingen van de nieuwe gemeentewet om in de mogelijkheid te voorzien dat gemeenten de naleving van de bepalingen van deze wet kunnen afdwingen door middel van gemeentelijke administratieve sancties.

Wouter BEKE.

WETSVOORSTEL


Artikel 1

Deze wet regelt een aangelegenheid als bedoeld in artikel 78 van de Grondwet.

Art. 2

In hoofdstuk II van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren wordt een artikel 7bis ingevoegd, luidende :

« Art. 7bis. — § 1. Er wordt een gegevensbank opgericht met betrekking tot bijtincidenten die zich hebben voorgedaan met honden.

De minister die de Volksgezondheid onder zijn bevoegdheid heeft kan het beheer van die gegevensbank overdragen aan een door hem daartoe erkend rechtspersoon.

§ 2. De Koning bepaalt de nadere regels inzake de oprichting, de aard van de te registreren gegevens over zowel de hond als zijn eigenaar, het bijwerken, de termijn waarbinnen bijwerkingen moeten gebeuren, het beheer en de financiering van die gegevensbank. Hij wijst de personen of instanties aan die toegang hebben tot die gegevensbank. ».

Art. 3

In dezelfde wet wordt onder het opschrift « Het houden van gevaarlijke honden » een hoofdstuk IIbis ingevoegd, dat de artikelen 9bis tot 9quinquies omvat, luidende :

« Art. 9bis. — § 1. Iedere hond die een persoon bijt of ernstig verwondt, wordt een potentieel gevaarlijke hond genoemd. Onder « ernstige verwonding » moet een lichamelijke verwonding worden verstaan die een bloeduitstorting of een scheurwond veroorzaakt, dan wel een medische interventie vergt.

§ 2. Dit hoofdstuk is niet van toepassing op politiehonden, douanehonden, legerhonden, door de hulpdiensten ingezette honden en assistentiehonden.

Art. 9ter. — § 1. Elke politie-inspecteur die van het bestaan van een potentieel gevaarlijke hond, zoals bedoeld in artikel 9bis kennisneemt, moet de informatie hierover onmiddellijk meedelen aan de beheerder van de bij artikel 7bis ingestelde gegevensbank.

§ 2. Elke rechtbank waarbij een vordering wordt ingeleid met betrekking tot de aansprakelijkheid als gevolg van een bijtincident, moet de informatie hierover onmiddellijk meedelen aan de beheerder van de gegevensbank.

§ 3. Elke verzekeringsmaatschappij die een verzoek tot schadeloosstelling wegens een bijtincident ontvangt, moet de informatie hierover onmiddellijk meedelen aan de beheerder van de gegevensbank.

§ 4. Elke arts of verpleegkundige die vaststellingen doet of geconsulteerd wordt in verband met de verzorging van een hondenbeet, moet de informatie hierover onmiddellijk meedelen aan de beheerder van de gegevensbank.

§ 5. De beheerder van de gegevensbank is verplicht om de bekomen gegevens, vanwege personen vermeld in dit artikel, te registreren in de gegevensbank binnen de termijn bepaald door de Koning.

Art. 9quater. — § 1. De beheerder van de gegevensbank moet de burgemeester van de gemeente waar het verblijf van een potentieel gevaarlijke hond, zoals bedoeld in artikel 9bis, is vastgesteld, onmiddellijk inlichten.

§ 2. De burgemeester wijst op kosten van de eigenaar of van de houder van de betrokken hond, een dierenarts-expert aan, die belast is met het toezicht op de betrokken hond gedurende een door de burgemeester te bepalen periode, waarvan de duur gemotiveerd wordt op grond van de concrete omstandigheden van de zaak.

In functie van de bepaalde periode wordt bepaald hoe vaak de eigenaar of de houder van de hond die door de dierenarts-expert moet laten onderzoeken.

§ 3. Tijdens de toezichtstermijn kan de burgemeester bij politiebesluit voorlopige maatregelen opleggen ter voorkoming van elk gevaar voor de integriteit en de veiligheid van mensen.

Deze kunnen onder meer bestaan uit :

a) de hond verplicht een muilkorf te laten dragen op de openbare weg en op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

b) de hond de toegang te ontzeggen tot bepaalde voor het publiek toegankelijke plaatsen.

§ 4. Na afloop van de toezichtstermijn, kan de burgemeester, rekening houdend met het verslag van de dierenarts-expert en de daarin opgenomen aanbevelingen, bij politiebesluit en op kosten van de eigenaar of de houder van de betrokken hond, maatregelen opleggen ter voorkoming van elke vorm van gevaar voor de integriteit en de veiligheid van mensen.

Deze maatregelen kunnen erin bestaan :

a) de in het verslag van de expert aangewezen betrokkene(n) te verplichten cursussen in hondenopvoeding te volgen;

b) de hond verplicht een muilkorf te laten dragen op de openbare weg en op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

c) de hond de toegang te ontzeggen tot bepaalde voor het publiek toegankelijke plaatsen;

d) de eigenaar of houder van de hond een verbod op te leggen een hond te houden gedurende een bepaalde periode.

§ 5. De beheerder van de gegevensbank wordt onmiddellijk in kennis gesteld van de politiebesluiten die worden genomen overeenkomstig de §§ 2, 3 of 4 en moet die binnen de door de Koning bepaalde termijn registreren.

§ 6. De eigenaar of de houder van de hond die de bij de §§ 2, 3 en 4 bedoelde politiebesluiten overtreedt, wordt gestraft met geldboete van 100 tot 500 euro.

De rechtbank kan bovendien bepalen dat het de eigenaar of houder niet langer toegestaan is een hond onder zich te houden, definitief of voor een bepaalde periode.

Daarnaast kan de burgemeester bij politiebesluit bevelen dat de betrokken hond in beslag wordt genomen, indien de veiligheid van inwoners dit verantwoordt.

Art. 9quinquies. — Onverminderd de in dit hoofdstuk vervatte regelingen en de bepalingen inzake assistentiehonden, kunnen de gemeenten aanvullende maatregelen nemen. ».

Art. 4

In hoofdstuk XI van dezelfde wet wordt een artikel 36ter ingevoegd, luidende :

« Art. 36ter. — Onverminderd de toepassing van strengere straffen waarin het Strafwetboek voorziet, wordt gestraft met geldboete van 100 euro tot 500 euro, de eigenaar of de houder van de hond die door zijn houding de in artikel 9bis bedoelde gedraging heeft vergemakkelijkt of daartoe heeft bijgedragen.

Onverminderd de toepassing van strengere straffen waarin het Strafwetboek voorziet, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten minste vijf jaar en geldboete van ten minste 2 500 euro, of tot een van die straffen alleen, een ieder die honden heeft afgericht teneinde ze mensen te laten aanvallen.

De rechtbank kan bovendien de eigenaar of houder, die overeenkomstig artikel 36ter wordt veroordeeld, een verbod opleggen een hond onder zich te houden, definitief of voor een door de rechtbank te bepalen periode. ».

Art. 5

In artikel 119bis van de nieuwe gemeentewet worden de volgende wijzigingen aangebracht :

A) paragraaf 2, tweede lid, wordt in fine aangevuld met de volgende zinssnede : « alsook voor de strafbare feiten bedoeld in de artikelen 9quater, § 6, en 36ter, eerste lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren. »;

B) in § 8, eerste lid, wordt tussen de woorden « van het Strafwetboek » en de woorden « , kan de ambtenaar », de volgende zinssnede ingevoegd : « en door artikel 36ter, eerste lid, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren »;

C) in dezelfde § 8, tweede lid, wordt tussen de woorden « van het Strafwetboek » en de woorden, « beschikt de procureur over een termijn », de volgende zinssnede ingevoegd : « en door artikel 9quater, § 6, van de wet van 14 augustus 1986 betreffende de bescherming en het welzijn der dieren ».

16 maart 2006.

Wouter BEKE.