3-165

3-165

Sénat de Belgique

Annales

JEUDI 18 MAI 2006 - SÉANCE DE L'APRÈS-MIDI

(Suite)

Proposition de loi portant création d'un Conseil consultatif fédéral des aînés (de Mmes Christel Geerts et Olga Zrihen et consorts, Doc. 3-1641)

Proposition de loi portant création d'un Conseil consultatif fédéral des seniors (de Mme Christel Geerts, Doc. 3-1027)

Proposition de loi instituant un Comité consultatif fédéral pour le secteur des seniors (de Mme Olga Zrihen et M. Philippe Mahoux, Doc. 3-1543)

Discussion générale

Mme la présidente. - La parole est à M. Cheffert pour présenter un rapport oral en lieu et place de Mme Annane.

M. Jean-Marie Cheffert (MR). - Je vous donne lecture du rapport établi par Mme Annane.

La commission des Affaires sociales a examiné la proposition de loi nº 3-1641 au cours de sa réunion du 19 avril 2006, en même temps que les propositions de loi nº 3-1027/1 portant création d'un Conseil consultatif fédéral des seniors et nº 3-1543/1 instituant un Comité consultatif fédéral pour le secteur des seniors.

La proposition de loi nº 3-1027/1 portant création d'un Conseil consultatif fédéral des seniors, première proposition déposée par Mme Geerts, avait été envoyée, en septembre 2005, au groupe de travail « Vieillissement de la population » afin qu'il rende un avis à l'intention de la commission des Affaires sociales.

Après avoir consulté les organisations faîtières des associations d'aînés des Communautés et des Régions et après avoir eu un échange de vues avec les représentants des ministres concernés, le groupe de travail a rendu un avis unanime le 6 décembre 2005. Le rapport en la matière a, quant à lui, été approuvé à l'unanimité le 23 décembre 2005.

Sur base de cet avis, la commission a décidé, le 3 février 2006, de solliciter l'avis du Conseil d'État sur la proposition de loi nº 3-1027/1 portant création d'un Conseil consultatif fédéral des seniors ainsi que sur la proposition nº 3-1543/1 instituant un Comité consultatif fédéral pour le secteur des seniors entre-temps déposée par Mme Zrihen et M. Mahoux.

Après réception de l'avis du Conseil d'État, Mmes Christel Geerts, Olga Zrihen, Annemie Van de Casteele, Nathalie de T' Serclaes et M. Philippe Mahoux ont déposé une proposition de loi nº 3-1641/1 portant création d'un Conseil consultatif fédéral des aînés.

La commission a décidé de poursuivre la discussion sur base de cette dernière proposition. Celle-ci a été adoptée en commission le 19 avril à l'unanimité des membres présents.

Les deux premières propositions sont ainsi devenues sans objet.

Suite à un avis remis par le service « Évaluation de la législation » du Sénat, la proposition de loi fit l'objet d'un renvoi en commission des Affaires sociales, lors de la séance plénière du 4 mai.

En effet, actuellement, il existe un arrêté royal du 5 octobre 1994 portant création d'un Comité consultatif pour le secteur des pensions. Cet arrêté a été édicté sur la base des articles 37 et 107, deuxième alinéa, de la Constitution, donc en vertu de la compétence exclusive du Roi en tant que pouvoir organisateur de l'exécutif.

Le législateur n'est donc pas compétent pour abolir ce comité.

Or, dans la mesure où la présente proposition crée un Conseil consultatif fédéral des aînés, l'article 9 de la proposition de loi abroge cet arrêté royal qui règle l'actuel Comité consultatif pour le secteur des pensions et constitue donc une entrave à la séparation des pouvoirs.

L'article 10, qui prévoit que le Roi peut à nouveau modifier, abroger ou compléter les dispositions que l'article 9 de la proposition de loi a ajoutées ou modifiées dans cet arrêté royal, ne permet pas de régler l'entrave à la séparation des pouvoirs générée par l'article 9.

La commission des Affaires sociales s'est donc réunie pour trouver une solution. Deux amendements supprimant ces articles 9 et 10 ont été déposés et adoptés à l'unanimité des 9 membres présents.

Néanmoins, dans un souci de veiller à éviter l'existence séparée de deux organes consultatifs, la commission a demandé au ministre des Pensions de présenter au Roi un arrêté royal abrogeant le Comité consultatif existant.

Le ministre s'est engagé sur ce point, s'assurant que le Comité consultatif pour le secteur des pensions serait intégré au Conseil consultatif fédéral des aînés.

Ainsi, la proposition de loi telle qu'amendée a été adoptée hier en commission à l'unanimité des membres.

À titre personnel à présent, ainsi qu'au nom de mon groupe, je me réjouis de l'aboutissement de ce dossier qui a fait l'objet d'une réflexion approfondie au sein du groupe de travail « Vieillissement de la population ».

Les nombreuses auditions qui ont eu lieu en groupes de travail ont montré l'importance à accorder à l'opinion de nos aînés qui sont directement concernés par plusieurs de nos matières fédérales.

Il a, en effet, paru opportun d'ouvrir la consultation de nos aînés sur d'autres matières fédérales. Le conseil créé par la présente proposition rend l'extension de cette consultation possible.

Au nom de mon groupe, j'émets le souhait que les indépendants aient une place au sein de ce conseil. Je demande donc aux ministres concernés, qui seront chargés de proposer les membres, de prendre en compte les indépendants.

Mme Olga Zrihen (PS). - Je remercie M. Cheffert d'avoir repris l'intervention de ma collègue rapporteuse Mme Annane et félicite tous mes collègues pour avoir soutenu avec lucidité la création d'un Conseil consultatif fédéral des aînés.

On a insisté pour que nous fixions l'âge des aînés, soit 60 ans. Nous construisons en quelque sorte notre avenir. Ce Conseil entend se situer dans une vision prospective en n'étant pas un lieu où l'on ne parlerait que de problèmes. Il veut présenter davantage une vision participative de cette frange de la population qui a largement son mot à dire dans tous les aspects de la vie.

Je me réjouis d'avoir été comprise à ce propos, par mon collègue, M. Mahoux.

Mevrouw Annemie Van de Casteele (VLD). - We hebben de neiging om alles wat in de plenaire vergadering wordt besproken kort te moeten houden, maar het gaat hier toch om een belangrijk onderwerp. In de eerste plaats wil ik de indieners van de voorstellen bedanken, alsook de heer Cheffert voor het verslag dat hij in naam van mevrouw Annane uitbracht. Het is misschien een goede zaak dat het verslag door een man werd voorgelezen, want deze problematiek was in de commissie misschien vooral een vrouwenaangelegenheid.

In 2030 zal een kwart van de bevolking ouder zijn dan 60 jaar. Onze maatschappij wordt geconfronteerd met een paradox. Steeds meer mensen behoren tot die groep ouderen, maar onze maatschappij stoot mensen op steeds jongere leeftijd uit het arbeidsproces en in belangrijke mate ook uit haar besluitvormingsproces. Op termijn moet dit leiden tot spanningen.

De tijd dat beslissingen genomen werden vanuit een Brusselse ivoren toren, boven de hoofden van de mensen is gelukkig al lang voorbij. Inspraak en participatie hebben de afgelopen decennia ook het politieke functioneren sterk beïnvloed. Participatie-, overleg- en adviesorganen hebben een steeds grotere stem in het debat, soms meer dan de Senaat.

De VLD heeft volop meegewerkt aan de bespreking van de onderhavige wetsvoorstellen.

Belangrijke aspecten van het ouderenbeleid zijn de bevoegdheden van de gemeenschappen en de gewesten. Vlaanderen tekende de eerste krijtlijnen uit in het decreet van 30 april 2004 houdende de stimulering van een inclusief Vlaams ouderenbeleid en de beleidsparticipatie van ouderen. Daarin werd de participatie van ouderen opgenomen. Op lokaal vlak via ouderenraden, op gemeenschaps- en gewestniveau door de Ouderenraad voor de Vlaamse Gemeenschap. Daarvoor bestond alleen een convenant met het Vlaams Ouderen Overleg Komitee (OOK) dat in de feiten als een adviesorgaan fungeerde.

Federaal werd een eerste stap gedaan in 1994. Die was evenwel beperkt tot één domein, het voor de hand liggende pensioenbeleid. De federale minister voor pensioenen richtte in dat jaar het Raadgevend Comité voor de Pensioensector op. Dit Comité heeft sindsdien zeer verdienstelijk werk geleverd voor de gepensioneerden en is een degelijke gesprekspartner gebleken voor de overheid. Die expertise willen we zeker niet verloren zien gaan.

Gepensioneerden worden jonger. Als gevolg daarvan blijft hun interesseveld niet langer beperkt tot de pensioenen. Zij zijn vaak actieve gebruikers van het openbaar vervoer, zijn in belangrijke mate vrouwelijk en dus gevoelig voor de genderproblematiek en zijn geëmancipeerde patiënten.

De nood aan inspraak voor ouderen vandaag is dus ruimer geworden dan in 1994. Ook in andere landen heeft zich eenzelfde evolutie voorgedaan. In de VS bijvoorbeeld is de AARP ontstaan rond pensioenfondsen. Het is intussen een belangrijke lobbygroep geworden. De indieners van de wetsvoorstellen hebben op die evolutie ingespeeld.

De grootste knoop die we hebben moeten doorhakken was die over het al dan niet parallel naast elkaar bestaan van enerzijds het Federaal Adviescomité voor de Pensioensector en de nieuwe Federale Adviesraad voor Ouderen.

Ik ben blij dat we geopteerd hebben voor een Federale Ouderenraad met verschillende permanente commissies, namelijk voor de pensioenen, gelijkheid van kansen, sociale integratie en bestrijding van armoede, toegankelijkheid van de gezondheidszorg en mobiliteit. Daarmee wordt het Federaal Adviescomité als één van de permanente commissies geïntegreerd in de Federale Ouderenraad. Daartoe een degelijke wettelijke regeling uitwerken was niet gemakkelijk, maar des te meer verheugt het me dat de minister zich ertoe heeft geëngageerd om aan de wil van de wetgever tegemoet te komen, ook al kunnen wij dat niet in de wet vastleggen, en dat hij het Federaal Adviescomité voor de Pensioensector zal opheffen en zal integreren in de Federale Ouderenraad. De minister heeft zich ook geëngageerd om voor de Ouderenraad de nodige mensen en middelen uit te trekken, zodat deze raad zeker niet slechter af is dan het huidige adviescomité.

Een opdracht voor de Federale Ouderenraad waarop ik nog de aandacht wil vestigen, is de evaluatie van de dienstverlening aan ouderen door de federale overheidsdiensten. Dit is een bijzonder belangrijke opdracht omdat, indien goed uitgevoerd, dit een goede parameter is voor de klantvriendelijkheid van de overheid. Het zou misschien ook een nuttige opdracht kunnen zijn voor andere adviserende organen.

Met de goedkeuring van dit wetsvoorstel krijgen ouderen in onze samenleving meer inspraak. Dat is nodig en belangrijk. Toch kom ik terug op een bedenking die ik ook in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden heb gemaakt over de positie van andere groepen in onze samenleving en hun betrokkenheid bij de besluitvorming. In de gezondheidszorg bijvoorbeeld zullen bejaarden als enige patiëntengroep bij de besluitvorming betrokken worden via de Federale Ouderenraad. Andere patiëntengroepen die bijvoorbeeld door hun chronische aandoening noden hebben in de gezondheidszorg en geconfronteerd worden met problemen van toegankelijkheid van de gezondheidszorg, zullen die inspraak misschien niet hebben, louter op basis van hun leeftijd. Eenzelfde bedenking kunnen we ook maken voor andere domeinen. Wij hebben deze discussie niet ten gronde gevoerd tijdens de bespreking van dit voorstel, maar in elk geval is het een kwestie waarover wij in de toekomst moeten nadenken. Het is uiteraard niet de bedoeling dat de ouderen, straks de grootste groep in onze samenleving, de besluitvorming al te veel kunnen sturen in een richting die hen alleen dient. Andere groepen moeten eveneens optimaal bij de besluitvorming betrokken blijven.

Mevrouw Christel Geerts (SP.A-SPIRIT). - Net als de vorige sprekers vind ik dat er goed werk is geleverd, zowel procesmatig als inzake het eindproduct. We hebben aangetoond dat we op basis van verschillende voorstellen kunnen komen tot een sterk meerderheidsvoorstel, waarbij uiteindelijk ook de oppositie zich heeft kunnen aansluiten. Ik dank in het bijzonder de leden van de democratische oppositie die in de commissie voor de Sociale Aangelegenheden constructief hebben meegewerkt aan de uitwerking van dit voorstel.

Niet alleen het proces was positief, hetzelfde geldt voor het eindproduct. Met de goedkeuring van dit wetsvoorstel leggen we de fundamenten voor een proactieve adviesraad en geven we een positief signaal aan de alsmaar groeiende groep ouderen in onze samenleving.