3-140

3-140

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 15 DECEMBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van mevrouw Erika Thijs aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over źde voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen╗ (nr. 3-1187)

De voorzitter. - Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Heel wat minderjarige vreemdelingen komen BelgiŰ binnen zonder begeleiding. Het zijn dan ook uiterst kwetsbare slachtoffer van kinderhandel.

Op 1 mei 2004 is de wet betreffende de voogdij over niet-begeleide minderjarige vreemdelingen in werking getreden. De wettelijke vertegenwoordiger speelt een belangrijke rol in de bescherming en belangenbehartiging van een niet-begeleide minderjarige. Dankzij een voogd kan die minderjarige zich burgerlijk partij stellen, krijgt hij toegang tot rechtshandelingen zoals het openen van een bankrekening, waakt de voogd erover dat de minderjarige school loopt, psychologische steun, aangepaste huisvesting en steun van openbare instanties krijgt en staat de voogd de minderjarige bij in alle vreemdelingenprocedures en verhoren.

Voor de co÷rdinatie, erkenning en toezicht van de voogden werd bij de Federale Overheidsdienst Justitie de Dienst Voogdij opgericht. We zijn nu anderhalf jaar verder en een evaluatie van deze voogdijwet is noodzakelijk.

Hoeveel mensen hebben zich sinds 1 mei 2004 kandidaat gesteld om als voogd op te treden? Hoeveel kandidaturen werden effectief erkend? Wat zijn de redenen voor de niet-erkenning als voogd? Welke maatregelen werden genomen voor een uitbreiding van het statuut van de voogd inzake verzekering voor ongevallen tijdens de uitoefening van hun opdracht en om de sociale en fiscale situatie duidelijk te stellen?

Hoeveel niet-begeleide minderjaren wachten op een voogd? Hoeveel niet-begeleide minderjarigen hebben al een voogd toegewezen gekregen? Hoeveel niet-begeleide minderjaren kwamen sinds 1 mei 2004 ons land binnen? Hoeveel gekende niet-begeleide minderjaren kunnen niet meer gelokaliseerd worden en zijn dus verdwenen?

Mevrouw Sabine Laruelle, minister van Middenstand en Landbouw. - Sinds 1 mei 2004 ontving de dienst Voogdij 361 voogdijkandidaturen. Er werden 228 kandidaten als voogd van niet-begeleide minderjarige vreemdelingen erkend en 178 van hen zijn actief als voogd.

Een aantal kandidaturen is om meerdere redenen zonder resultaat gebleven. Sommige kandidaten, 7,7%, haken af na het erkenningsgesprek, maar vˇˇr hun erkenning. Anderen, 4%, haken af na hun erkenning, maar vˇˇr hun eerste aanwijzing. Vaak beseffen ze tijdens het gesprek of de basisopleidingen wat voogd zijn precies inhoudt en beslissen ze om er niet mee door te gaan. Tot slot wordt 7% van de kandidaturen geweigerd. De weigeringen zijn grotendeels het gevolg van de vaststelling van een gebrek aan pedagogisch vermogen. De kandidaten kunnen onvoldoende goed communiceren, een situatie uitleggen aan de minderjarige of ze kunnen niet genoeg afstand nemen van een situatie.

De toepasselijke wettelijke en regelgevende bepalingen van de programmawet van 24 december 2003, gewijzigd door de programmawet van 27 december 2004 en het uitvoeringsbesluit van 22 december 2003, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 9 januari 2005, voorzien in een burgerlijke aansprakelijkheidsverzekering en een verzekeringsdekking bij lichamelijk letsel van de voogd als gevolg van schade veroorzaakt door het voertuig dat hij voor de uitoefening van zijn opdrachten gebruikt.

De sociale en fiscale situatie van de voogden wordt duidelijk na overleg met de betrokken beleidsverantwoordelijken. De voogd is onderworpen aan het fiscaal en sociaal stelsel van de zelfstandigen. Hoewel de voogd zich als zelfstandige moet melden bij de bevoegde autoriteiten, is er vrijstelling van sociale bijdragen en belastingen op de vergoedingen die met twee voogdijen overeenstemmen.

Werkzoekenden die voogd willen worden, kunnen twee voogdijen op zich nemen en de vergoedingen cumuleren met hun werkloosheidsuitkering, op voorwaarde dat ze beschikbaar blijven voor de arbeidsmarkt. Dat geldt ook voor bruggepensioneerden. Voogden die werkloos of bruggepensioneerd worden tijdens de voogdij, kunnen al hun bestaande voogdijen behouden. Dat geldt ook voor bruggepensioneerden. Voogden die werkloos of bruggepensioneerd worden tijdens de voogdij, kunnen al hun bestaande voogdijen behouden.

Momenteel zijn er 71 niet-begeleide minderjarigen aangemeld die nog geen voogd hebben. De dienst Voogdij heeft vernomen dat 68 van die minderjarigen bij familie verblijven op een privÚ-adres dat verschilt van het adres dat door de aanmeldende autoriteiten werd opgegeven. Die minderjarigen moeten dus nog worden opgespoord. Vervolgens moet hun identificatie worden afgerond. Mogelijk blijkt daaruit dat ze bij ÚÚn van hun ouders verblijven en gaat het bijgevolg niet om een niet-begeleide minderjarige. Voor de drie resterende minderjarigen staat het wel vast dat ze niet begeleid zijn en dus een voogd moeten krijgen toegewezen. Dat zal zo spoedig mogelijk worden geregeld, na een aantal laatste administratieve controles.

Sinds 1 mei 2004 werd een voogd toegewezen aan 1.822 niet-begeleide minderjarigen: 628 in 2004 en 1.194 in 2005. Dit aantal stemt overeen met het totale aantal ge´dentificeerde niet-begeleide minderjarigen. In totaal werden 4.095 jongeren aangemeld, dat is meer dan het dubbele aantal. Meer dan 2.200 jongeren konden niet worden ge´dentificeerd als niet-begeleide minderjarige: ofwel verdwenen ze, wat het geval was voor 1.159 jongeren, van wie 85% verklaard had ouder te zijn dan 16 jaar, ofwel bleken ze vergezeld te zijn van een ouder ofwel waren ze reeds meerderjarig.

Mevrouw Erika Thijs (CD&V). - Ik ben blij met het antwoord. Ik kan natuurlijk moeilijk in debat gaan omdat het niet de bevoegdheid is van mevrouw Laruelle. Dat is jammer. Als 2.000 van de 4.000 jongeren zo maar verdwijnen, is er echt wel een probleem. Het verheugt mij wel dat zo veel mensen zich opgeven als voogd. Tijdens de komende commissievergaderingen moeten we met de minister van gedachten wisselen over deze problematiek.