3-137

3-137

Belgische Senaat

Handelingen

DONDERDAG 1 DECEMBER 2005 - NAMIDDAGVERGADERING

(Vervolg)

Vraag om uitleg van de heer Hugo Vandenberghe aan de vice-eerste minister en minister van Justitie over ęde fysieke mishandeling van kinderenĽ (nr. 3-1171)

De voorzitter. - De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister, antwoordt namens mevrouw Laurette Onkelinx, vice-eerste minister en minister van Justitie.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - In 2004 kwamen bij de zes vertrouwenscentra in ons land 6.060 meldingen van kindermishandeling binnen. In bijna ťťn op drie gevallen ging het om lichamelijke mishandeling of verwaarlozing.

Dit aantal zou nog maar een fractie van het aantal gevallen van mishandeling en verwaarlozing zijn.

Veertig procent van de meldingen gaat over kinderen tussen 3 en 9 jaar. Mishandelingen met fatale gevolgen, waarbij het slachtoffer overlijdt, komen vooral voor bij kinderen jonger dan twee jaar. Ze zijn fysiek immers het meest kwetsbaar. Hoeveel kinderen er ten gevolge van mishandelingen jaarlijks in BelgiŽ overlijden, is officieel niet bekend.

Volgens de vertrouwenscentra is in 80% van de gevallen de dader van fysiek geweld op kinderen iemand uit hun eigen omgeving: ouders, grootouders, ooms, tantes.

De redenen van het geweld kunnen heel divers zijn. Zo worden onder meer het niet gewenst zijn, psychiatrische problemen, het gebruik van alcohol en drugs, werkloosheid en geldzorgen aangehaald als belangrijke risicofactoren.

Het aantal gemelde gevallen van fysieke mishandeling zou niet echt toenemen, maar wel de ernst van de mishandeling.

Welke conclusies trekt de minister uit de cijfers van de vertrouwenscentra?

Is er de afgelopen jaren een toename waar te nemen van het aantal gevallen waarbij via juridische weg bescherming voor de kinderen wordt afgedwongen?

Acht de minister het raadzaam in overleg met de andere overheden en actoren op het veld maatregelen te nemen om de fysieke mishandeling van kinderen een halt toe te roepen?

De heer Vincent Van Quickenborne, staatssecretaris voor Administratieve Vereenvoudiging, toegevoegd aan de eerste minister. - In antwoord op de vragen 1 en 3 wijst de minister erop dat de sector Jeugdhulp een persoonsgebonden materie is en bijgevolg door de gemeenschappen wordt beheerd. Ze is zich ten volle bewust van het enorme werk dat de teams van de vertrouwenscentra, maar ook SOS Enfants hebben verzet. Het is evident dat we alles in het werk moeten blijven stellen om dergelijke gewelddaden tegen kinderen te bestrijden.

Volgens de minister zijn een betere communicatie en overleg tussen Justitie en de psychomedisch-sociale sector hierbij prioritair. Zoals aangestipt in de kadernota over integrale veiligheid en naar aanleiding van de Nationale Commissie ter bestrijding van de seksuele uitbuiting van kinderen moet de nadruk worden gelegd op de harmonisering van de justitiŽle, beschermende en repressieve aanpak enerzijds en de pycho-medisch-sociale aanpak anderzijds. Zo hebben de twee werkgroepen die werden opgericht als gevolg van de InterministeriŽle Conferentie voor de bescherming van de rechten van het kind, aanbevelingen geformuleerd in verband met het institutionaliseren van een plaats van overleg tussen Justitie en de pycho-medisch-sociale sector. Allebei waren ze voorstander van het oprichten van multidisciplinaire ploegen die de overheden in hun keuzes kunnen bijstaan.

De minister heeft twee magistraten belast met het updaten van de besluiten door de werkgroepen opnieuw samen te roepen. Een vergadering is gepland in december.

Om een problematiek, die zeer nauw verwant is met het thema dat ons bezighoudt, beter te vatten, formuleerde het College van procureurs-generaal een definitie van intrafamiliaal geweld. Deze definitie zal aan de basis liggen van een informaticacodering die eenvormig is in het hele land. Betrouwbare statistieken zullen ons de mogelijkheid bieden het fenomeen te objectiveren.

Vanaf begin 2006 zal er een ministeriŽle omzendbrief van toepassing zijn. Deze nodigt de procureurs des Konings ertoe uit met de actoren op het terrein actieplannen uit te werken inzake hulp aan en onthaal van slachtoffers, het begeleiden van de daders en het optreden van bemiddelingsdiensten en politiediensten. Overlegplatformen zullen worden georganiseerd. Referentiemagistraten inzake intrafamiliaal geweld zullen geregeld worden samengeroepen voor opleidingen en uitwisseling van positieve ervaringen uit de verschillende arrondissementen.

De tijd die de minister had om op de tweede vraag te antwoorden, was helaas niet voldoende voor een grondig onderzoek van de statistieken.

De heer Hugo Vandenberghe (CD&V). - Het tweede deel van het antwoord gaat over het familiaal geweld in het algemeen. Ik wil er de aandacht op vestigen dat het geweld tegen kinderen een bijzonder probleem is. Ze zijn immers niet in staat voor hun eigen rechten op te komen. De vertrouwenscentra en de omgevingsfactoren moeten optreden. In het eerste deel heeft de staatssecretaris erop gewezen dat het om gemeenschapsmateries gaat. Ik zou er toch bij de regering willen op aandringen dat men nagaat of er geen samenwerkingsovereenkomst kan worden gesloten, zodat de informatie van de gemeenschappen een weg vindt bij de juridische analyses, rekening houdend met de waarborgen die terzake in acht moeten worden genomen.