Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-38

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Minister van Sociale Zaken en Volksgezondheid (Sociale Zaken)

Vraag nr. 3-2160 van de heer Vankrunkelsven d.d. 3 februari 2005 (N.) :
Multidisciplinaire pijncentra (MPC). — Erkenning. — Prestaties en erelonen van ę pijnartsen Ľ. — Nomenclatuurnummer voor het hervullen van de morfinepomp.

Chronisch pijnpatiŽnten staan voor het probleem is dat de multidisciplinaire pijncentra (MPC) nog niet erkend zijn. Op het ogenblik heeft bijna elk ziekenhuis een afdeling Pijnkliniek. Hun aantal is het laatste jaar sterk toegenomen en zal in de toekomst vermoedelijk nog toenemen. Meent de geachte minister dat er geen risico op wildgroei bestaat ?

Bovendien zijn er anesthesisten die zichzelf pijnartsen noemen, maar dat woord niet gebruiken op hun ereloonnota's. Door gebrek aan nomenclatuurnummers, worden de erelonen en prestaties van de ę pijnartsen Ľ niet terugbetaald door de ziekenfondsen. Zij kunnen dus willekeurig erelonen vragen. Om dit probleem op te lossen, is de erkenning van de MPC noodzakelijk.

Een probleem dat daarmee samenhangt, betreft de vergoeding voor het hervullen van de morfinepomp : deze wordt niet terugbetaald. De patiŽnten betalen tot 90 euro per akte (de vulling duurt slechts 15 minuten !). Hiervoor dient de patiŽnt een ę Informed Consent Ľ te ondertekenen voor akkoord om een pseudo-nomenclatuur honorarium te betalen. Uit een zelfhulpgroep blijkt dat in sommige klinieken het nomenclatuurnummer van een epidurale verdoving, waarvoor een terugbetaling van de mutualiteit mogelijk is, wordt ingevuld. Andere ziekenhuizen laten de patiŽnt de pomp hervullen via de dagkliniek, wat voor hem een goedkopere oplossing is omdat de hospitalisatieverzekering hier in een tussenkomst voorziet. In elke kliniek gebeurt het anders. Daarom verzoek ik de geachte minister dringend om naast de erkenning van de MPC, een nummer voor deze akte in te voeren.

Kan de geachte minister mij mededelen welk gevolg hij zal geven aan mijn verzoeken ?

Antwoord : 1. Uit de vraag blijkt dat op het vlak van de pijnbestrijding veel verwacht wordt van de werking van de multidisciplinaire pijncentra. Dienaangaande heeft het Verzekeringscomitť van het RIZIV op 10 januari 2005 besloten om met negen ziekenhuizen een overeenkomst te sluiten waardoor die ziekenhuizen als multidisciplinair referentiecentrum voor chronische pijn zullen kunnen fungeren. Nadat de geselecteerde ziekenhuizen hebben aangetoond dat ze effectief aan alle voorwaarden van de (met het RIZIV te sluiten) overeenkomst beantwoorden, zullen die overeenkomsten — die een de facto-erkenning als multidisciplinaire pijncentra inhouden — ten laatste op 1 mei 2005 in werking treden.

Van deze multidisciplinaire pijncentra wordt verwacht dat ze in de toekomst als derdelijnsreferentiecentrum fungeren voor chronische-pijnpatiŽnten. Het is dus geenszins de bedoeling dat alle chronische-pijnpatiŽnten in de toekomst naar deze referentiecentra zouden worden verwezen : daarvoor zijn er veel te veel patiŽnten die pijn lijden en is de behandelingscapaciteit van de referentiecentra vťťl te klein, ledere huisarts en de meeste geneesheren-specialisten, en dus ook ziekenhuizen, komen in hun behandelingspraktijk in contact met chronische-pijnpatiŽnten. Wie op de eerste en de tweede lijn met chronische-pijnpatiŽnten te maken heeft, moet dat dan ook na de komst van de multidisciplinaire pijncentra verder blijven doen. Alleen chronische-pijnpatiŽnten voor wie een multidisciplinaire diagnose en behandeling aangewezen is en die ook reeds op de tweede lijn behandeld zijn geweest, kunnen naar de referentiecentra worden doorverwezen.

Op basis van een overeenkomst met het RIZIV (waarvan kennis kan worden genomen op de website van het RIZIV : www.riziv.fgov.be), zullen die referentiecentra voortaan over middelen beschikken voor een multidisciplinaire diagnose en behandeling. Voor patiŽnten voor wie interventionele behandelingen nodig zijn, verandert de RlZIV-overeenkomst op dit ogenblik echter niets. Voor een betere vergoeding van dergelijke interventionele pijnbestrijdingstechnieken is het wachten op een nomenclatuurwijziging, die momenteel in voorbereiding is.

2. Op de Technische Geneeskundige Raad van 18 januari 2005 is een ontwerp van nomenclatuurwijziging besproken betreffende de behandeling van chronische pijn. In dit ontwerp worden een aantal verstrekkingen geschrapt om deze te vervangen door een 25 nieuwe verstrekkingen die beter beantwoorden aan de huidige praktijk van pijnbehandeling. Het ontwerp voorziet eveneens in een registratiesysteem voor ę peer-review Ľ dat een nauwkeurige monitoring mogelijk maakt. Ook dit ontwerp volgt de normale administratieve weg. Het is derhalve van belang om de budgettaire impact van dit ontwerp nog nauwkeurig te onderzoeken en na te gaan of de nodige fondsen beschikbaar zijn.

3. Ten slotte is voor de vulling van een geÔmplanteerde pomp voor de intrathecale toediening van geneesmiddelen een ontwerp van nomenclatuuryerstrekking gpedgekeurd in de Technische Geneeskundige Raad van 16 november 2004. Ook dit ontwerp volgt zijn normale weg van goedkeuring door de verschillende organen binnen het RIZIV.