Vragen en Antwoorden

BELGISCHE SENAAT


Bulletin 3-38

ZITTING 2004-2005

Vragen van de Senatoren en antwoorden van de Ministers

(N.): Vraag gesteld in het Nederlands - (Fr.): Vraag gesteld in het Frans


Vice-eerste minister en minister van Binnenlandse Zaken

Vraag nr. 3-1736 van de heer Vandenhove d.d. 22 november 2004 (N.) :
Bewakingscamera's. — Wettelijke regeling.

Enkele maanden geleden stelde ik u een schriftelijke parlementaire vraag nr. 3-1006 over het feit dat vele bewakingscamera's niet aangegeven worden bij de Commissie voor de bescherming van de persoonlijke levenssfeer (Vragen en Antwoorden nr. 3-21, blz. 1261).

U antwoordde toen (Vragen en Antwoorden nr. 3-23, blz. 1414) dat dit inderdaad zo is en dat er nood is aan een eenduidige en afdwingbare wettelijke regeling voor het gebruik van camera's voor veiligheidsdoeleinden.

Binnen welke termijn bent u van plan dit wetgevend initiatief te nemen ?

Antwoord : Het geachte lid vindt hieronder het antwoord op zijn vraag. Zoals ik reeds onderstreepte in mijn antwoord op een vroegere vraag van het geachte lid, betreft het hier een vrij delicate materie, waarin een evenwicht moet worden gezocht tussen twee gerechtvaardigde belangen.

— Vooreerst is er het gegeven dat cameratoezicht impact heeft op de privacy van de burgers. We moeten er dan ook over waken dat we niet afglijden naar een Big-Brother-maatschappij waarin de privacy van de burger tot een lege doos verwordt.

— Anderzijds is het zo dat cameratoezicht een belangrijke rol kan spelen bij het voorkomen en opsporen van criminaliteit. Het is dan ook niet aangewezen om de toepassing van dit toezichtsmiddel onmogelijk te maken.

Het gebruik van bewakingscamera's wordt vandaag in eerste instantie geregeld door de wet van 8 december 1992 tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Het begrippenkader is echter zeer technisch en complex en de vage algemene principes moeten steeds opnieuw in het licht van de concrete situaties worden ge´nterpreteerd. Dit heeft tot gevolg dat de privacywet vaak niet wordt toegepast. Er is dus nood aan een vertaling van de algemene principes, vervat in deze wetgeving, naar eenduidige, concrete regels en richtlijnen inzake cameratoezicht.

Gelet op het precaire evenwicht tussen de privacy- en de veiligheidsbelangen, wil ik hier niet licht over gaan. Een grondige ideologische discussie in de schoot van het Parlement is zeker aangewezen.

Ik denk hierbij aan een reflectie in de Senaat of aan een parlementaire commissie, naar het voorbeeld van de Commissie Vermeersch (repatriŰring illegalen), onder het voorzitterschap van een academicus samen met mensen van het terrein.

Deze discussie zal moeten uitwijzen of een verfijning van het bestaande wettelijk kader volstaat of of een aparte camerawet noodzakelijk is om te komen tot eenduidige, concrete regels en richtlijnen inzake cameratoezicht die garant staan zowel voor een optimale bescherming van de privacy van de burger, als voor een adequate aanpak van de criminaliteit.